[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-almere":3},{"court":4,"decisions":10},{"id":5,"name":6,"country":7,"level":8,"jurisdiction":9},79,"Almere","nl","first_instance","civil",[11,24,32,41,49,56,64,72,80],{"id":12,"ecli":13,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":16,"language":7,"source":17,"sourceUrl":18,"summary":14,"slug":19,"metadata":20},"1916","ECLI:NL:RBMNE:2026:3678","","2026-06-25T00:00:00.000Z","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Almere\n\nZaaknummer: 12213252 \\ MV EXPL 26-62\n\nVonnis in kort geding van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nWOONSTICHTING GOEDESTEDE,\n\ngevestigd te Almere,\n\neisende partij,\n\ngemachtigde: mr. T. Mulder,\n\ntegen\n\n [gedaagde partij]in hoedanigheid van bewindvoerder van de heer[onderbewindgestelde], wonende te [woonplaats] ,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\ngemachtigde: mr. E.D. van Tellingen.\n\nPartijen worden hierna GoedeStede en [gedaagde partij] of de bewindvoerder genoemd.\n\nDe onderbewindgestelde wordt [onderbewindgestelde] genoemd.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 22 mei 2026 met 14 producties;\n\n- de nadere producties 15 en 16 van GoedeStede.\n\n1.2.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 juni 2026. Namens GoedeStede is verschenen mevrouw [A] , consulent leefbaarheid (hierna: [A] ), bijgestaan door mr. L. Wanders (kantoorgenote van mr. T. Mulder). Namens de bewindvoerder is verschenen mr. E.D. van Tellingen. [onderbewindgestelde] is ook verschenen. Partijen hebben hun standpunten (aan de hand van overgelegde aantekeningen) toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken.\n\n1.3.. Aan het einde van de mondelinge behandeling is bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.\n\n2. De kern van de zaak\n\nGoedeStede verhuurt sinds 15 maart 2021 de woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) aan [onderbewindgestelde] , die onder bewind staat bij [gedaagde partij] . Op 30 december 2025 heeft de burgemeester van de gemeente Almere besloten om de woning te sluiten voor de duur van drie maanden tot en met 1 april 2026 op grond van artikel 174a lid 1 sub c van de Gemeentewet.GoedeStede heeft bij brief van 26 januari 2026 de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden en in dit kort geding ontruiming van de woning gevorderd.\n\nDe kantonrechter is van oordeel dat de ontruiming – vooruitlopend op de bodemprocedure – toewijsbaar is.\n\n3. De beoordeling\n\nSpoedeisend belang\n\n3.1.. In een kort geding moet eerst worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang. De kantonrechter is van oordeel dat hiervan voldoende is gebleken, gelet op de aard van de vordering tot ontruiming en de omstandigheid dat, na de sluiting van de woning door de burgemeester, de huurovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden door GoedeStede. Dit brengt namelijk met zich dat [onderbewindgestelde] op dit moment zonder recht of titel in de woning verblijft. Dat er enige tijd zit tussen de ontbinding en de dagvaarding doet niet af aan het spoedeisend belang. In de tussenliggende periode hebben partijen namelijk gecorrespondeerd over een vrijwillige opzegging zodat dit kort geding kon worden voorkomen.\n\nOntruiming in kort geding\n\n3.2.. \n\nToewijzing van de ontruiming in kort geding heeft het verstrekkende (en in de praktijk vaak onomkeerbare) gevolg dat de huurder zijn woning verliest. Daarom is voor toewijzing in kort geding vereist dat het in hoge mate waarschijnlijk moet zijn dat de bodemrechter de ontruiming eveneens zal toewijzen in een bodemprocedure.\n\nToetsingskader buitengerechtelijke ontbinding\n\n3.3.. Door het sluitingsbesluit van de burgemeester is GoedeStede bevoegd om op grond van artikel 7:231 lid 2 BW tot buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst over te gaan. Omdat de bewindvoerder zich niet hierbij neerlegt, moet de kantonrechter, als daartoe voldoende is aangevoerd, beoordelen of de ontbinding of de ontruiming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (art. 6:248 lid 2 BW) en of GoedeStede haar bevoegdheid tot ontbinding heeft misbruikt (art. 3:13 BW). Bij de beoordeling hiervan moet de kantonrechter ook een belangenafweging maken, waarbij onder meer kunnen worden betrokken de aard en ernst van de feiten en omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot sluiting van de woning door het bevoegd gezag en in hoeverre de huurder een verwijt kan worden gemaakt van deze feiten en omstandigheden.\n\nDe buitengerechtelijke ontbinding kan in stand blijven\n\n3.4.. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat de buitengerechtelijke ontbinding in stand kan blijven.\n\n3.5.. Vooropgesteld wordt dat sprake is geweest van een heftig incident, dat aanleiding is geweest voor de woningsluiting. Op 29 november 2025 heeft namelijk bij een juwelier in de nabije omgeving van de woning een gewelddadige overval plaatsgevonden door drie overvallers. Direct na de overval werd één verdachte op straat aangehouden en werd bij hem een vuurwapen aangetroffen. De twee andere verdachten zijn gevlucht naar de woning van [onderbewindgestelde] en vervolgens door het arrestatieteam in de woning aangehouden. Daarbij is in de prullenbak in de woning een vuurwapen aangetroffen dat is gebruikt tijdens de overval. Uit de overgelegde (aanvullende) bestuurlijke rapportage van de politie van 2 (en 10) december 2025 (hierna: de rapportage) en het overgelegde nieuwsartikel (productie 5) volgt dat de overval de openbare orde ernstig heeft verstoord: de locatie was middenin een winkelstraat waar veel mensen aanwezig waren.\n\n3.6.. Verder volgt uit de rapportage dat toen het arrestatieteam voor de deur van de woning stond [onderbewindgestelde] verklaarde dat hij lag te slapen met zijn vriendin en dat hij niet wist dat twee jongens in zijn woning aanwezig waren. De kantonrechter acht dit ongeloofwaardig. Uit de rapportage (pagina 2) volgt namelijk dat uit onderzoek is gebleken dat twee van de drie overvallers vóór de overval uit het portiek van de woning kwamen en dat ná de overval de centrale toegangsdeur direct na aanbellen werd geopend waarop de twee verdachten naar binnen gaan.\n\n3.7.. Op de mondelinge behandeling heeft [onderbewindgestelde] zijn verklaring genuanceerd: [onderbewindgestelde] wist wel dat hij de jongens had binnengelaten, maar wat daarna is gebeurd weet hij niet, omdat hij verder ging slapen. Echter, voorafgaand aan het binnentreden van de woning heeft het arrestatieteam via de megafoon omgeroepen dat alle bewoners binnen moesten blijven, cirkelde een helikopter boven het gebied, werd de openbare weg afgezet en werden meerdere politieauto’s ingezet. Ook is de kleding die gebruikt was tijdens de overval aangetroffen in de wasmachine van [onderbewindgestelde] , die op dat moment aan het draaien was. Dat [onderbewindgestelde] van niks wist omdat hij lag te slapen, acht de kantonrechter onder deze omstandigheden dan ook ongeloofwaardig en kan daarom – ook bij gebrek aan onderbouwing – niet worden gevolgd. Bovendien heeft [onderbewindgestelde] op de mondelinge behandeling verklaard dat de jongens van de overval een dag ervoor op een feestje bij hem thuis waren en drugs gebruikten.\n\n3.8.. Maar ook als ervan moet worden uitgegaan dat [onderbewindgestelde] geen enkele betrokkenheid had bij of wetenschap had van de overval en het vuurwapen, kan dit niet afdoen aan zijn aansprakelijkheid voor de gedragingen van derden die met zijn goedvinden in de woning verblijven. Ook na de heropening van de woning op 1 april 2026 heeft [onderbewindgestelde] zijn woning laten gebruiken door personen die zich bezighouden met drugshandel. GoedeStede heeft in dit kader een e-mail overgelegd van [A] (productie 15) met een verslag naar aanleiding van haar contacten met de wijkagent [wijkagent] . Hieruit volgt onder meer dat op 15 mei 2026 een drugsdealer is aangehouden die aangaf te verblijven in de woning van [onderbewindgestelde] en een sleutel van de woning te hebben. Op 21 mei 2026 is [A] met de wijkagent naar de woning gegaan waar zij een andere bekende drugsdealer aantroffen, die aangaf dat hij van [onderbewindgestelde] in de woning mocht verblijven. Verder is geconstateerd dat de twee slaapkamers zijn voorzien van cilindersloten (productie 16), hetgeen ook een indicatie is dat [onderbewindgestelde] zijn woning in gebruik geeft. Ook geeft [A] aan dat op 1 juni 2026 een melding is ontvangen van een bewoner die aangaf dat de woning wordt betreden door verschillende personen die betrokken zijn bij “straatactiviteiten” en die kennelijk ook de sleutel hebben. Weliswaar heeft de bewindvoerder voornoemde meldingen betwist, maar zij heeft, hoewel dit op haar weg lag, geen enkel stuk in het geding gebracht dat deze meldingen ontkracht. Aan de blote betwisting moet dan ook worden voorbijgegaan. Bovendien heeft GoedeStede de onderliggende verklaringen van de wijkagent voorgelezen op de mondelinge behandeling en de inhoud daarvan komt overeen met voornoemde e-mail van [A] .\n\n3.9.. Anders dan [onderbewindgestelde] meent, kan het incident met de overval dus niet worden gezien als een op zichzelf staand incident. Niet alleen ná de heropening van de woning, maar ook in het verleden zijn vele (drugsgerelateerde) meldingen bij de politie gedaan vanwege overlast door drugsdealer en -gebruikers die [onderbewindgestelde] toelaat in zijn woning.Het valt [onderbewindgestelde] te verwijten dat hij onvoldoende toezicht houdt op zijn woning dan wel zijn woning nog steeds laat gebruiken door verschillende personen die zich bezighouden met drugsgerelateerde activiteiten. Dit geldt des te meer omdat de overval een heftige impact heeft gemaakt op de buurt. De gemeente heeft daarom ook besloten om sinds 1 april 2026 cameratoezicht in de omgeving in te stellen en politie en handhavers in te zetten om de drugsgerelateerde overlast aan te pakken.\n\n3.10.. De bewindvoerder heeft verder aangevoerd dat de bezwaarprocedure nog loopt tegen de sluiting van de woning, maar dit verweer kan [onderbewindgestelde] niet baten. Het sluitingsbesluit hoeft namelijk niet onherroepelijk te zijn. De feitelijke sluiting van het gehuurde vormt de grondslag voor de buitengerechtelijke ontbinding, zodat de verhuurder niet behoeft te wachten tot het sluitingsbesluit onherroepelijk is geworden om tot buitengerechtelijke ontbinding over te gaan.De civiele rechter dient niet te treden in de beoordeling van het bestuursrechtelijke besluit tot sluiting van een woning.\n\nOntruiming wordt toegewezen\n\n3.11.. \n\nUit het voorgaande volgt dat er onvoldoende omstandigheden naar voren zijn gebracht waaruit blijkt dat GoedeStede naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen gebruik heeft mogen maken van haar ontbindingsbevoegdheid. Dat sprake is van misbruik van bevoegdheid is niet gesteld, maar ook niet gebleken. Ook een belangenafweging kan de bewindvoerder niet baten. De kantonrechter begrijpt dat ontruiming ingrijpende gevolgen voor [onderbewindgestelde] heeft, maar de kantonrechter moet ook rekening houden met de zwaarwegende belangen van GoedeStede en haar andere huurders die daar wonen. Dit belang weegt extra zwaar sinds het incident met de overval. GoedeStede moet immers zoveel mogelijk zorgen voor het rustig en veilig huurgenot van haar huurders. GoedeStede heeft er belang bij dat haar andere huurders niet (nog) langer overlast hoeven te ondervinden van [onderbewindgestelde] en de mensen die hij nog steeds in zijn woning toelaat. De belangen van GoedeStede en haar andere huurders wegen in dit geval zwaarder dan het belang van [onderbewindgestelde] bij woningbehoud. Bij deze stand van zaken is het hoogst waarschijnlijk dat in een bodemprocedure geoordeeld zal worden dat de huurovereenkomst terecht buitengerechtelijk is ontbonden.\n\nVan GoedeStede kan dus niet worden gevergd dat de uitkomst van een (lange) bodemprocedure wordt afgewacht. De gevorderde ontruiming is daarom – vooruitlopend op de bodemprocedure – toewijsbaar.\n\n3.12.. Omdat de vordering tot ontruiming op basis van de primaire grondslag wordt toegewezen, behoeft de subsidiaire grondslag van de vordering (ontbinding wegens gestelde tekortkomingen) geen verdere behandeling.\n\n3.13.. \n\nDe ontruimingstermijn zal worden bepaald op zeven dagen zoals is gevorderd.\n\nDe bewindvoerder heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die een langere ontruimingstermijn rechtvaardigen. Bovendien is geen afzonderlijk verweer gevoerd tegen deze termijn en heeft (de bewindvoerder van) [onderbewindgestelde] er al geruime tijd rekening mee kunnen houden dat de woning moet worden ontruimd.\n\nDe bewindvoerder moet de proceskosten betalen3.14.. De bewindvoerder van [onderbewindgestelde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van GoedeStede worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n 151,94\n\n- griffierecht\n\n€\n\n 139,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n 865,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n 144,00\n\n(plus eventuele betekeningskosten)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.299,94\n\n3.15.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\nDit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad\n\n3.16.. GoedeStede vordert tot slot dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Hierbij moet worden beoordeeld of de belangen van GoedeStede bij tenuitvoerlegging van het vonnis zwaarder wegen dan het belang van [onderbewindgestelde] bij behoud van de bestaande toestand tot het einde van de beroepstermijn of tot op een eventueel in te stellen rechtsmiddel is beslist. Dit is niet het geval, gezien hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 3.11 is overwogen. Daarom zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter, rechtdoende in kort geding\n\n4.1.. veroordeelt [gedaagde partij] , in haar hoedanigheid van beschermingsbewindvoerder van [onderbewindgestelde] , om binnen zeven dagenna betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] te [woonplaats] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van GoedeStede zijn, en de sleutels af te geven aan GoedeStede, met het verbod de woning na de ontruiming opnieuw te betrekken c.q. te gebruiken;\n\n4.2.. veroordeelt de bewindvoerder van [onderbewindgestelde] in de proceskosten van € 1.299,94, te vermeerderen met de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend;\n\n4.3.. veroordeelt de bewindvoerder van [onderbewindgestelde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na betekening zijn betaald;\n\n4.4.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.5.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.\n\n4578\n\n ingeval door het aantreffen in de woning van een wapen als bedoeld in art. 2 van de Wet wapens en munitie de openbare orde rond de woning ernstig wordt verstoord of ernstige vrees bestaat voor het ontstaan van een zodanige verstoring.\n\n HR 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:587, r.o. 3.4.\n\n Zie pagina 3 van de rapportage en pagina’s 2 en 3 van de aanvullende rapportage.\n\n bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 6 september 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:7167.\n\n bijv. Hof Den Haag 21 november 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3462.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3678","ecli-nl-rbmne-2026-3678",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",{"id":25,"ecli":26,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":27,"fullText":28,"language":7,"source":17,"sourceUrl":29,"summary":14,"slug":30,"metadata":31},"844","ECLI:NL:RBMNE:2026:3969","2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Almere\n\nZaaknummer: 12124131 \\ MC EXPL 26-1136\n\nVonnis van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiseres] B.V,\n\ngevestigd te [plaats 1] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiseres] ,\n\ngemachtigde: mr. J.M. Koppert,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde sub 1] ,\n\nwonende te [plaats 2] , 2. [gedaagde sub 2],\n\nwonende te [plaats 2] ,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1. \n [eiseres] heeft [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op 24 februari 2026 gedagvaard voor de kantonrechter. Daarbij heeft [eiseres] zeven producties meegestuurd. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben mondeling en schriftelijk op de dagvaarding geantwoord. Daarbij hebben [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] acht producties meegestuurd. De kantonrechter heeft besloten dat de zaak op een zitting verder besproken moet worden.\n\n1.2. De zaak is op 21 mei 2026 bij de kantonrechter besproken. Namens [eiseres] zijn haar gemachtigden de heer E.P. de Jong en mr. K. van Polen verschenen, waarnemend voor mr. Koppert. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting is besproken.\n\n1.3. De kantonrechter heeft besloten dat schriftelijk uitspraak wordt gedaan. Dit is geen einduitspraak, maar een tussenuitspraak.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. Deze zaak gaat over de betaling van servicekostenafrekeningen van de jaren 2022 en 2023 (hierna: de afrekeningen). [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] huurden tot 2 januari 2023 het appartement aan de [adres] in [plaats 2] (hierna: het gehuurde) van [eiseres] . [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] willen de afrekeningen wel betalen, maar zij willen eerst uitleg krijgen over een aantal kostenposten in de afrekeningen. De vraag die centraal staat is of [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] (een deel van) de afrekeningen moeten betalen.\n\n2.2. De kantonrechter kan op basis van de stukken van partijen en dat wat op de zitting is besproken nog geen eindvonnis wijzen. De kantonrechter heeft nadere informatie nodig. Hierna wordt dit uitgelegd.\n\n3. Opmerking vooraf\n\n3.1. De kostenposten op de afrekeningen zijn niet één op één te herleiden naar de opgesomde posten in artikel 7 van de huurovereenkomst (hierna: artikel 7). Het is dan ook begrijpelijk dat de afrekeningen bij [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] vragen oproepen en dat zij twijfelen aan de juistheid van de afrekeningen. Sterker nog, [eiseres] heeft op de zitting toegegeven dat zij met al haar (96) huurders in het complex in geschil is over de juistheid van de afrekeningen. Volgens [eiseres] kloppen de afrekeningen wel maar wordt de onduidelijkheid veroorzaakt door het systeem dat zij gebruikt voor het opmaken van de afrekeningen en is het lastig om het systeem aan te passen. Gelet op de vele signalen van huurders dat de afrekeningen niet juist of onduidelijk zijn, valt niet te begrijpen dat [eiseres] niet bij zichzelf te rade gaat. De kantonrechter geeft [eiseres] ernstig in overweging de afrekeningen in het vervolg zo in te richten dat de daarin genoemde kostenposten overeenkomen met die in artikel 7 dan wel de afrekeningen te voorzien van een toelichting, om discussie met en rechtszaken tegen haar (voormalige) huurders over de afrekeningen in de toekomst te voorkomen. Dit mag van een (professioneel) verhuurder worden verwacht.\n\n4. De beoordeling\n\nDe afrekeningen\n\n4.1. \n [eiseres] vordert in deze procedure betaling van de afrekeningen over de jaren 2022 en 2023. Zij heeft daarvoor [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de volgende afrekeningen gezonden.\n\nDe afrekening van het jaar 2022\n\nDe afrekening van het jaar 2023\n\nHet verweer van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]\n\n4.2. \n [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn het niet volledig eens met de afrekeningen. Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn de kostenposten voor ‘gas’, ‘schoonmaakkosten’ en ‘huismeesterkosten’ onterecht in rekening gebracht. Die kostenposten worden namelijk niet in artikel 7 als servicekosten genoemd. Zij menen dan ook dat deze kosten op de betreffende afrekeningen op het gevorderde bedrag in mindering moeten worden gebracht.\n\nDe niet betwiste kostenposten in de afrekeningen van de jaren 2022 en 2023\n\n4.3. \n [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben alleen de kostenposten voor ‘gas’, ‘schoonmaakkosten’ en ‘huismeesterkosten’ betwist. Alle andere kostenposten (‘onderhoud buitenruimte’, ‘glasverzekering’, ‘internet en tv’, ‘verbruik electra’en ‘administratiekosten’) hebben zij niet betwist. Daarom moeten zij deze kostenposten betalen, wat neerkomt op de volgende bedragen:\n\nAfrekening van het jaar 2022:\n\nOnderhoud buitenruimte € 31,07\n\nGlasverzekering € 14,86\n\nInternet en TV € 106,38\n\nVerbruik electra € 692,04\n\nAdministratiekosten € 88,65\n\nTotaal € 933,00\n\nAfrekening van het jaar 2023:\n\nOnderhoud lift € 0,18\n\nOnderhoud buitenruimte € 0,25\n\nGlasverzekering € 0,08\n\nInternet en TV € 0,99\n\nVerbruik electra € 0,34 -\u002F-\n\nAdministratiekosten € 7,50\n\nTotaal € 8,66\n\nDe betwiste kostenposten in de afrekening van de jaren 2022 en 2023\n\n4.4. \n\nIn de huurovereenkomst tussen partijen is het volgende bepaald over wat onder de\n\nservicekosten vallen:\n\n‘4. Betalingsverplichting, betaalperiode\n\n(…)\n\n4.5.. \n\nPer betaalperiode van 3 maanden bedraagt de huursom:\n\n- de huurprijs € 3.150,00\n\n- het voorschot op de vergoeding in verband met levering van elektriciteit € 90,00\n\n- het voorschot op de vergoeding in verband met levering stadsverwarming € 90,00\n\n- het voorschot op de vergoeding in verband met levering van water € 15,00\n\n- *het voorschot op de vergoeding voor de overige zaken en diensten\n\n die geleverd worden in verband met de bewoning van het gehuurde\n\n (zie artikel 7 Servicekosten voor specificatie) € 30,00\n\nZodat huurder in totaal heeft te voldoen € 3.375,00\n\n(…)\n\n* genoemde voorschotbedragen zijn gebaseerd op de te verwachte kostprijs van het product\u002Fde dienstverlening over een volledig kalenderjaar. Deze voorschotbedragen zullen indien nodig jaarlijks worden heroverwogen en geïndexeerd. Ook wanneer binnen een huurperiode een of meerdere posten (nog) niet van toepassing zijn (geweest), worden deze kosten naar rato in rekening gebracht bij alle huurder in het object.\n\n(…)\n\n7.Servicekosten\n\nVerhuurder zal zorgdragen voor de levering van de volgende zaken en diensten in verband met de bewoning van het gehuurde:\n\n- glasbreuk gezamenlijke ruimte,\n\n- rioolontstopping gezamenlijke ruimte,\n\n- onderhoud bestrating,\n\n- bijvullen cv-installatie\u002Fboiler,\n\n- onderhoud stadsverwarming,\n\n- schoonmaken goten en afvoeren,\n\n- onderhoud en reparatie van kranen, algemene ruimte,\n\n- vervangen filters mechanische installaties,\n\n- administratiekosten 5%,\n\n- onderhoud en keuring brandhaspels,\n\n- onderhoud en keuring noodverlichting,\n\n- onderhoud en vervangen zekeringen algemene ruimte.\n\n(…)\n\n* De betwiste kostenposten: gas, schoonmaakkosten en huismeesterkosten\n\n4.5. \n [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn het niet eens met de in rekening gebrachte kosten voor ‘gas’. Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is ‘gas’ in hun huurovereenkomst doorgestreept en mogen die kosten om die reden niet bij hen in rekening worden gebracht. Zij willen dat de afrekeningen met € 1.091,03 worden verminderd. Daarnaast worden de ‘schoonmaakkosten’ ende ‘huismeesterkosten’niet in artikel 7 als servicekosten genoemd. Ook is er nooit over de‘huismeesterkosten’gecorrespondeerd. Deze kosten moeten daarom ook in mindering worden gebracht, aldus [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] .\n\n4.6. Het is juist dat ‘gas’ in de huurovereenkomst is doorgestreept. ‘Gas’ wordt verder niet als servicekosten en\u002Fof levering van diensten genoemd. Op de zitting heeft [eiseres] toegelicht dat geen sprake is van levering van ‘gas’ in het complex waartoe het gehuurde behoort, maar dat in plaats daarvan ‘stadsverwarming’ wordt geleverd (artikel 4.5. van de huurovereenkomst). Waar in de afrekeningen ‘gas’ staat, wordt dus ‘stadsverwarming’ bedoeld. Hoewel de kantonrechter deze uitleg kan volgen, onderbouwt [eiseres] haar uitleg niet met stukken.\n\n4.7. Ook de in de afrekeningen opgevoerde ‘schoonmaakkosten’ en ‘huismeesterkosten’ worden niet als zodanig in artikel 7 genoemd. In artikel 7 wordt alleen ‘schoonmaken goten en afvoeren’ genoemd. Onduidelijk is of de in rekening gebrachte ‘schoonmaakkosten’ alleen zien op kosten voor ‘schoonmaken goten en afvoeren’ of dat ook andere schoonmaakkosten in rekening zijn gebracht. Ook is onduidelijk wat onder ‘huismeesterkosten’ valt. Op de zitting heeft [eiseres] weliswaar toegelicht dat het deels gaat om de standaardwerkzaamheden, zoals onderhoud van de cv-installatie, standaardkeuringen en het vervangen van filters, maar [eiseres] heeft dat op geen enkele wijze onderbouwd.\n\n4.8. Op basis van wat [eiseres] in het geding heeft gebracht kan de kantonrechter niet beoordelen en vaststellen of de in rekening gebrachte kosten voor ‘gas’, de ‘schoonmaakkosten’ en ‘huismeesterkosten’ juist zijn. De overgelegde afrekeningen zijn onvoldoende om vast te kunnen stellen of de betwiste kostenposten juist zijn, omdat de toelichting op en de onderliggende stukken van die betwiste kostenposten ontbreekt. Het is onbegrijpelijk dat [eiseres] deze stukken in aanloop naar de zitting niet alsnog in het geding heeft gebracht en vasthoudt aan haar standpunt dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] volgens vaste jurisprudentie alleen een inzagerecht hebben. [eiseres] miskent hiermee dat de stukken nodig zijn voor de beoordeling van (de juistheid van) de vordering door de kantonrechter en dat terwijl [eiseres] aangeeft dat zij de stukken paraat heeft en deze kunnen worden ingezien en\u002Fof geraadpleegd.\n\n4.9. \n [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] geven sinds 2023 bij herhaling aan te willen betalen, maar alleen wat zij op grond van de huurovereenkomst, de toepasselijke verdeelsleutels en het daadwerkelijke verbruik moeten betalen. Om dit te controleren hebben zij bij herhaling gevraagd om een onderbouwing van de afrekeningen. [eiseres] heeft daar nooit adequaat op gereageerd, tot de brief van haar gemachtigde van 16 januari 2026, al is bij die brief ook geen onderbouwing of toelichting gegeven. Het had [eiseres] , gelet op de vele verzoeken van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] sinds 2023, gesierd in dit geval een uitzondering te maken en de stukken wel aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] toe te zenden en hierover duidelijkheid te verschaffen alvorens een rechtszaak te starten.\n\nAkte uitlaten [eiseres] : inlichtingen geven\n\n4.10. Omdat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] op de zitting hebben herhaald te willen betalen, vindt de kantonrechter het van belang dat [eiseres] een toelichting geeft op de afrekeningen en de onderliggende stukken bij de betwiste kostenposten in het geding brengt, zodat de juistheid van de afrekeningen kan worden vastgesteld. De kantonrechter draagt [eiseres] daarom op grond van artikel 22 van Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) op om bij akte een toelichting te geven en\u002Fof de volgende stukken in het geding te brengen:\n\nTen aanzien van de kosten voor ‘gas’:\n\n- een toelichting op en onderbouwing van haar standpunt dat de gevorderde kostenpost ‘gas’ ziet op de levering van ‘stadsverwarming’ en een toelichting op en onderbouwing van de stijging van deze kosten;\n\n- een kostenberekening voor ‘gas’ van het jaar 2022 en de onderliggende stukken. Uit de berekening moet volgen hoe het bedrag van € 17.480,39 aan ‘energiekosten gas (vaste kosten 35% aantallen)’ en het bedrag van € 32.463,58 aan ‘energiekosten gas (variabele kosten 65% VVO)’ zijn opgebouwd en welke verdeelsleutel van toepassing is. De bijbehorende onderliggende stukken (bijvoorbeeld facturen) moeten in verband met de controleerbaarheid op dezelfde volgorde liggen als de opbouw van de kostenberekening.\n\n- een kostenberekening voor ‘gas’ van het jaar 2023 en de onderliggende stukken. Uit de berekening moet volgen hoe het bedrag van € 21.008,50 aan ‘energiekosten gas (vaste kosten 35% aantallen)’ en het bedrag van € 39.015,78 aan ‘energiekosten gas (variabele kosten 65% VVO)’ zijn opgebouwd en welke verdeelsleutel van toepassing is. De bijbehorende onderliggende stukken moeten in verband met de controleerbaarheid op dezelfde volgorde liggen.\n\nTen aanzien van de ‘schoonmaakkosten’:\n\n- een toelichting op wat onder de ‘schoonmaakkosten’ valt en waar dat uit blijkt (de grondslag);\n\n- een berekening van de ‘schoonmaakkosten’ van het jaar 2022 en de onderliggende stukken. Uit de berekening moet volgen hoe het totaalbedrag van € 9.814,28 aan ‘schoonmaakkosten’ is opgebouwd. De bijbehorende onderliggende stukken van de gemaakte en door [eiseres] betaalde schoonmaakkosten (bijvoorbeeld facturen) moeten in verband met de controleerbaarheid op dezelfde volgorde liggen als de opbouw van de kostenberekening.\n\n- een berekening van de ‘schoonmaakkosten’ van het jaar 2023 en de onderliggende stukken. Uit de berekening moet volgen hoe het totaalbedrag van € 8.450,15 aan ‘schoonmaakkosten’ is opgebouwd. De bijbehorende onderliggende stukken van de gemaakte en betaalde schoonmaakkosten (bijvoorbeeld facturen) moeten in verband met de controleerbaarheid op dezelfde volgorde liggen als de opbouw van de kostenberekening.\n\nTen aanzien van de ‘huismeesterkosten’:\n\n- een toelichting op wat onder de ‘huismeesterkosten’ valt en waar dat uit blijkt (de grondslag);\n\n- een berekening van de ‘huismeesterkosten’ van het jaar 2022 en de onderliggende stukken: uit de berekening moet volgen hoe het totaalbedrag van € 12.831,00 aan ‘huismeesterkosten’ is opgebouwd. De bijbehorende onderliggende stukken (bijvoorbeeld facturen) moeten in verband met de controleerbaarheid op dezelfde volgorde liggen als de opbouw van de kostenberekening.\n\n- een berekening van de ‘huismeesterkosten’ van het jaar 2023 en de onderliggende stukken: uit de berekening moet volgen hoe het totaalbedrag van € 5.759,60 aan ‘huismeesterkosten’ is opgebouwd. De bijbehorende onderliggende stukken (bijvoorbeeld facturen) moeten in verband met de controleerbaarheid op dezelfde volgorde liggen als de opbouw van de kostenberekening.\n\nDe gevolgen van het niet nemen van de akte door [eiseres]\n\n4.11. De kantonrechter wijst [eiseres] erop dat als [eiseres] nalaat de akte te nemen, vergoeding van de betwiste posten ten aanzien van ‘gas’, ‘schoonmaakkosten’ en de ‘huismeesterkosten’ zullen worden afgewezen, omdat in dat geval niet vast is komen te staan dat [eiseres] op grond van de huurovereenkomst deze voornoemde kostenposten bij [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in rekening had mogen brengen.\n\nAkte uitlaten [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]\n\n4.12. Als [eiseres] een akte neemt, worden [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] daarna in de gelegenheid gesteld om daarop – eveneens bij akte – te reageren.\n\nDe betaalde en\u002Fof in rekening gebrachte voorschotten\n\n4.13. De betaalde en\u002Fof in rekening gebrachte voorschotten van de jaren 2022 en 2023 zullen, voor zover dat niet reeds uit de berekening en toelichting van [eiseres] blijkt, op de aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] door te belasten bedragen in mindering gebracht worden. De hoogte van de toewijsbare hoofdsom, zal in het eindvonnis worden vastgesteld.\n\nHet verdere verloop van de procedure\n\n4.14. De kantonrechter houdt iedere verdere beslissing aan in afwachting van de te nemen aktes.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1. verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 22 juli 2026 om 11.00 uurvoor akte uitlaten aan de zijde van [eiseres] zoals in r.o. 4.10. is bepaald;\n\n5.2. verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 19 augustus 2026 om 11.00 uurvoor antwoordakte aan de zijde van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] .\n\n5.3. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\nHHt\u002F32728","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3969","ecli-nl-rbmne-2026-3969",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":35,"fullText":36,"language":7,"source":17,"sourceUrl":37,"summary":14,"slug":38,"metadata":39},"1190","ECLI:NL:RBMNE:2026:3529","2026-06-18T00:00:00.000Z","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Almere\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12096989 \\ ME VERZ 26-19 D\u002F1403\n\nBeschikking van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekende parij],\n\nte [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoekende parij] ,\n\ngemachtigde: mr. W.F. Wienen,\n\ntegen\n\n [verwerende partij],\n\nte [woonplaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [verwerende partij] ,\n\ngemachtigde: mr. A. Hashem Jawaheri.\n\nDe zaak in het kort\n\nIn deze zaak verzoekt [verzoekende parij] , als werknemer, (onder meer) om vernietiging van de opzegging van de zorgovereenkomst, die zij met [verwerende partij] gesloten heeft. Partijen twisten over de vraag of hun rechtsverhouding moet worden gekwalificerd als een arbeidsovereenkomst, of dat de zorgovereenkomst een overeenkomst van opdracht behelst. De kantonrechter is van oordeel dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst en wijst het verzoek van [verzoekende parij] toe, omdat het ontslag niet (rechts)geldig is.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift, met producties 1 t\u002Fm 6 en de aanvullende productie 7\n\n- het verweerschrift, met twee producties\n\n- de mondelinge behandeling van 23 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt\n\n- de pleitnota van de gemachtigde van [verzoekende parij] .\n\n1.2.. Na de mondelinge behandeling is [verzoekende parij] in de gelegenheid gesteld om de zorgovereenkomst nog in het geding te brengen en de inhoud hiervan toe te lichten. [verwerende partij] is hierna in de gelegenheid gesteld hier op te reageren.1.3.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [verzoekende parij] is vanaf 21 oktober 2021 werkzaamheden gaan verrichten voor [verwerende partij] . Partijen hebben hiervoor een zorgovereenkomst gesloten. De functie van [verzoekende parij] is persoonlijk individueel begeleider. [verzoekende parij] ontving een bruto maandloon van € 2.829,00 voor 25 uur per week.\n\n2.2.. \n\n [verzoekende parij] heeft zich in december 2025 ziek gemeld. [verzoekende parij] heeft (in een, volgens haar, op 7 december 2025 verzonden bericht) het volgende geschreven aan [verwerende partij] :\n\n“[…]\n\n Ik zit momenteel met kniepijn.\n\nVandaag had een afspraak bij de dokter en na het onderzoek zei hij dat ik ongeveer één week tot tien dagen rust moet nemen, minder moet lopen en dat ik foto’s en fysiotherapie moet doen; dat hij heeft hij voor me voorgeschreven.\n\nIk wilde je hiervan op de hoogte brengen.\n\nGraag wil ik dat je deze periode van één tot tien dagen voor me regelt, zodat ik, als God het wil, beter word en daarna weer volledig aan het werk kan.\n\n[…]”\n\n2.3.. \n\nOp 12 december 2025 ontving [verzoekende parij] een brief van het Zorgkantoor, waarin haar het volgende wordt meegedeeld:\n\n“ [verwerende partij] heeft uw zorgovereenkomst met ingangsdatum 1 januari 2024 eerder beëindigd.\n\nUw zorgovereenkomst is eerder geëindigd\n\nDe nieuwe einddatum van de zorgovereenkomst is 1 december 2025.\n\nDe zorgovereenkomst is beëindigd in overeenstemming met de zorgverlener. Neem voor meer informatie contact op met de budgethouder.\n\n[…]”\n\n2.4.. \n [verwerende partij] is op [2026] overleden.\n\n3. Het verzoek en het verweer\n\n3.1.. \n [verzoekende parij] verzoekt de kantonrechter primairhet ontslag, althans de opzegging van de zorgovereenkomst, te vernietigen en [verwerende partij] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 5.658,00 (bruto) aan achterstallig loon over de maanden december 2025 en januari 2016 en verder een bedrag van € 2.829,00 (bruto) per maand, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Tevens verzoekt [verzoekende parij] om [verwerende partij] te veroordelen om deugdelijke bruto-netto loonspecificaties te verstrekken en om [verzoekende parij] te laten oproepen voor een afspraak bij de bedrijfsarts, dit op straffe van een dwangsom.Subsidiairverzoekt [verzoekende parij] de veroordeling van [verwerende partij] tot betaling van een billijke vergoeding, een vergoeding voor de onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst en de transitievergoeding enmeer subsidiairslechts de transitievergoeding, in alle gevallen met een veroordeling van [verwerende partij] in de kosten van de procedure.\n\n3.2.. Volgens [verzoekende parij] is zij werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst en is de opzegging niet rechtsgeldig. [verzoekende parij] voert het volgende aan. Hoewel partijen een zorgovereenkomst van opdracht hebben getekend, is [verzoekende parij] feitelijk werkzaam geweest op basis van een arbeidsovereenkomst. De overeenkomst voldoet aan de eisen van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (BW). [verzoekende parij] verrichtte werkzaamheden, zij ontving loon en er bestond een gezagsverhouding tussen [verzoekende parij] en [verwerende partij] . [verzoekende parij] verrichte persoonlijk en structureel werkzaamheden voor [verwerende partij] , bestaande uit het toedienen van medicatie, verzorgen van maaltijden en begeleiding buitenshuis en naar ziekenhuisafspraken. Vervanging door een ander was niet aan de orde. Zij ontving een vast loon per uur, ontving maandelijks loonstroken en er werd loonheffing ingehouden. [verwerende partij] gaf instructies over de uitvoering van de werkzaamheden en bepaalde in belangrijke mate de inhoud van het werk. Zij handelde niet als zelfstandig ondernemer. Op 7 december 2025 heeft [verzoekende parij] (in Farsi) een Whatsapp-bericht gestuurd aan [verwerende partij] waarin zij zich ziek meldde. [verwerende partij] heeft naar aanleiding van de ziekmelding geen bedrijfsarts ingeschakeld. Op 12 december 2025 ontving [verzoekende parij] tot haar verbazing bericht dat de zorgovereenkomst was beëindigd. [verzoekende parij] heeft echter nimmer ingestemd met een beëindiging van de arbeidsovereenkomst en zij was bovendien ziek. [verzoekende parij] heeft zich primairop het standpunt gesteld dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst moet worden vernietigd. Zij heeft sinds december 2025 geen loon meer ontvangen en verzoekt om betaling van het achterstallige salaris.Subsidiairenmeer subsidiairheeft [verzoekende parij] verzocht om de betaling van diverse vergoedingen, waaronder in ieder geval de transitievergoeding.\n\n3.3.. \n [verwerende partij] voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. [verwerende partij] voert – samengevat – aan dat [verzoekende parij] zelf heeft aangegeven dat zij wilde stoppen met de werkzaamheden. Medio november 2025 is [verzoekende parij] voor een periode naar Iran vertrokken. [verzoekende parij] had ondertussen alle contacten met [verwerende partij] verbroken. De verwachting was dat zij na drie weken zou terugkeren, maar zij liet niets van zich horen. Bij toeval ontdekte een bekende van de familie de avond van 7 december 2025 dat er licht brandde bij [verzoekende parij] thuis. Daarop volgde eerst de Whatsapp met de ziekmelding van [verzoekende parij] en op 10 december 2025 had de zoon van [verwerende partij] een langdurig telefoongesprek met [verzoekende parij] , waarin zij te kennen gaf niet meer voor [verwerende partij] te willen werken. Dit is zo ook doorgegeven aan het Zorgkantoor. De zorgovereenkomst moet in ieder geval geacht te zijn geëindigd op het moment van overlijden van [verwerende partij] . [verwerende partij] heeft verder betwist dat [verzoekende parij] werkzaam is geweest op basis van een arbeidsovereenkomst. Er was geen sprake van een gezagsverhouding en [verzoekende parij] heeft zich gedragen alsof zij zelfstandige was. Zij hoefde de werkzaamheden niet persoonlijk te verrichten, kon ook iemand anders sturen en zij bepaalde zelf wanneer zij met vakantie ging. [verwerende partij] heeft al met al geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken van [verzoekende parij] .\n\n4. De beoordeling\n\nOverlijden [verwerende partij]\n\n4.1.. De kantonrechter merkt allereerst op dat het overlijden van [verwerende partij] geen gevolgen heeft voor de onderhavige procedure. Op grond van artikel 225 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), is het overlijden van [verwerende partij] een grond voor de erfgenamen van [verwerende partij] om schorsing van de procedure te verzoeken. Zij hebben hiertoe echter geen actie ondernomen, zodat de procedure op naam van de oorspronkelijke partij is voortgezet.\n\nKwalificatie van de zorgovereenkomst\n\n4.2.. Na het overleggen van de zorgovereenkomst heeft [verzoekende parij] nader toegelicht waarom zij meent dat zij haar werkzaamheden heeft verricht op basis van een arbeidsovereenkomst, hoewel de zorgovereenkomst zelf spreekt van een overeenkomst van opdracht. [verzoekende parij] heeft gesteld dat zij structureel werkzaamheden voor [verwerende partij] heeft verricht, voor langere tijd, waarvoor zijn een vast loon ontving, vermeerderd met 8% vakantiegeld en dat er loonheffing op haar loon werd ingehouden. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn dit kenmerken van een loonbetaling, die horen bij een arbeidsovereenkomst en verder blijkt uit de overgelegde loonstroken dat er tevens de inkomensafhankelijke premie Zorgverzekeringswet (ZVW) werd ingehouden. [verzoekende parij] ontving ook loon tijdens haar vakantie. Dat [verzoekende parij] niet als zelfstandige heeft gefactureerd voor haar werkzaamheden (niet haar eigen tarieven vast kon stellen), draagt verder bij aan het oordeel dat [verzoekende parij] loon heeft ontvangen, in de zin van artikel 7:610 BW. Het ontvangen uurloon van € 23,00 is ook redelijk te achten, onder de gegeven omstandigheden. [verwerende partij] heeft erop gewezen dat [verzoekende parij] een aan haar gelieerde onderneming in het handelsregister van de Kamer van Koophandel ingeschreven heeft gehad, maar de kantonrechter acht dat niet van doorslaggevende betekenis. [verzoekende parij] heeft gesteld dat die onderneming niet meer actief is en uit het overgelegde uittreksel uit het handelsregister blijkt ook dat (de hoofdvestiging van) deze onderneming is uitgeschreven. Er is ook niet gebleken dat [verzoekende parij] op enigerlei wijze persoonlijk ondernemersrisico’s droeg. Verder moet ook worden aangenomen dat er sprake was van een gezagsverhouding. Hoewel gebleken is dat er veelal werd gecommuniceerd met de kinderen van [verwerende partij] , en niet met hemzelf, stonden alle werkzaamheden van [verzoekende parij] in het teken van de verzorging van [verwerende partij] , zoals het verzorgen van maaltijden, het toezien op de medicatie en het begeleiden naar ziekenhuisbezoeken. [verwerende partij] heeft hierover wel opgemerkt dat het [verzoekende parij] vrijstond om elders opdrachten te accepteren, maar [verzoekende parij] heeft betwist dat zij werkzaamheden bij of voor anderen heeft verricht – of dat het haar vrijstond dit te doen – en dit is de kantonrechter ook nergens uit gebleken.\n\n4.3.. De kantonrechter komt daarmee tot het oordeel dat de zorgovereenkomst kwalificeert als een arbeidsovereenkomst, in de zin van het bepaalde in de artikelen 7:610 BW en verder. Voor de verdere beoordeling zal daarom worden uitgegaan van het bestaan van een arbeidsovereenkomst.\n\nDe opzegging van de arbeidsovereenkomst is niet rechtsgeldig\n\n4.4.. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag niet rechtsgeldig is. Hierna wordt uitgelegd hoe tot dit oordeel is gekomen.\n\n4.5.. De werkgever kan de arbeidsovereenkomst opzeggen, indien er sprake is van een dringende reden, zoals is bepaald in de artikelen 7:677 lid 1 en 7:678 BW, maar gesteld noch gebleken is dat zich een dringende reden heeft voorgedaan om de arbeidsovereenkomst (onverwijld) op te zeggen. [verzoekende parij] heeft ook ontkend dat zij heeft ingestemd met een beëindiging van de arbeidsovereenkomst en dat zij verbaasd was om op 12 december 2025 bericht van het Zorgkantoor te ontvangen dat [verwerende partij] (de budgethouder) de zorgovereenkomst (voortijdig) had beëindigd. [verwerende partij] heeft aangevoerd dat uit verklaringen van [verzoekende parij] aan de kinderen van [verwerende partij] en een bekende is opgemaakt dat [verzoekende parij] haar werkzaamheden voor [verwerende partij] wilde beëindigen. Dit is eveneens door [verzoekende parij] betwist en voor de kantonrechter zijn er geen redenen om aan te nemen dat er sprake is van een beëindiging met wederzijds goedvinden, zoals [verwerende partij] lijkt te suggereren. Dit laatste lijkt wel te volgen uit de van de zijde van [verwerende partij] overgelegde verklaringen van zijn kinderen en een bekende, maar uit niets is de kantonrechter gebleken van een – op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst – gerichte verklaring van [verzoekende parij] . Van de werkgever wordt onder dergelijke omstandigheden verwacht dat deze zich ervan vergewist dat de wens van de werknemer op ondubbelzinnige wijze is gericht op een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. [verwerende partij] heeft dat echter nagelaten. [verwerende partij] had, naar aanleiding van de ziekmelding van [verzoekende parij] , hiervan melding moeten maken bij de SVB, die de in dat geval noodzakelijke procedure in gang had kunnen zetten, maar in plaats daarvan is doorgegeven dat de zorgovereenkomst (op verzoek van [verzoekende parij] ) werd beëindigd.\n\n4.6.. \n [verzoekende parij] heeft het voorgaande gemotiveerd betwist, door te verwijzen naar een (weliswaar ongedateerde) brief aan [verwerende partij] en een bericht (volgens [verzoekende parij] verzonden op 7 december 2025), waarin zij [verwerende partij] te kennen geeft dat zij zich heeft ziek gemeld, maar dat [verwerende partij] ten onrechte melding heeft gemaakt van een beëindiging van de zorgovereenkomst aan het Zorgkantoor. Ten tijde van de mondelinge behandeling is door de gemachtigde van [verwerende partij] en de aanwezige tolk bevestigd dat de Nederlandse weergave van het hiervoor genoemde bericht een juiste weergave van het in Farsi opgestelde bericht is. Het is dan niet goed in te zien, hoe [verwerende partij] hieruit een wens van [verzoekende parij] heeft afgeleid, die gericht was op een beëindiging van de zorg-\u002Farbeidsovereenkomst.\n\n4.7.. Bij dit alles geldt dat ook het opzegverbod tijdens ziekte in de weg staat aan een rechtsgeldige opzegging van de arbeidsovereenkomst. [verzoekende parij] heeft zich op 7, dan wel 10, december 2025 ziek gemeld, terwijl [verwerende partij] niets heeft gedaan met deze ziekmelding. [verwerende partij] lijkt de ziekmelding zelfs in twijfel te hebben getrokken, maar het had op de weg van [verwerende partij] gelegen om een bedrijfsarts in te schakelen, of de arbeidsongeschiktheid van [verzoekende parij] te melden bij de SVB, in dit geval. [verzoekende parij] heeft dan ook terecht een beroep gedaan op het opzegverbod dat geldt tijdens ziekte, op grond van artikel 7:670 BW.\n\n4.8.. Op grond van het bepaalde in artikel 7:675 BW eindigt de arbeidsovereenkomst bovendien niet automatisch door het overlijden van de werkgever, anders dan door (de erfgenamen van) [verwerende partij] is betoogd. [verzoekende parij] moet daarom geacht worden in dienst te zijn gebleven bij de erfgenamen van [verwerende partij] .\n\n4.9.. Het primaireverzoek van [verzoekende parij] tot vernietiging van het ontslag wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag niet rechtsgeldig is. Nu door partijen verschillende data worden genoemd waarop diverse berichten zijn verstuurd en gesprekken zijn gevoerd, zal de kantonrechter uitgaan van een opzegging per 12 december 2025, in lijn met de mededeling van het Zorgkantoor.\n\n4.10.. De subsidiaireenmeer subsidiaireverzoeken hoeven niet verder te worden besproken, nu [verzoekende parij] niet heeft verklaard dat zij berust in het ontslag.\n\n4.11.. \n [verzoekende parij] heeft recht op loon, omdat de opzegging van de arbeidsovereenkomst wordt vernietigd en de arbeidsovereenkomst dus voortduurt. De vordering van [verzoekende parij] tot loonbetaling zal daarom worden toegewezen, maar zal worden gematigd tot drie maanden, op grond van het bepaalde in artikel 7:680a BW. Een volledige toewijzing van het loon, tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, zoals door [verzoekende parij] is verzocht, leidt naar het oordeel van de kantonrechter onder de gegeven omstandigheden tot onaanvaardbare gevolgen. [verzoekende parij] heeft vanaf december 2025 feitelijk geen werkzaamheden meer verricht en zou in ieder geval vanaf [2026] , de datum van overlijden van [verwerende partij] , de bedongen werkzaamheden ook niet meer hoeven te verrichten. In de zorgovereenkomst zelf is bepaald dat de zorgverlener, bij een onmiddellijke beëindiging wegens het overlijden van de budgethouder, een uitkering ontvangt ter hoogte van het gemiddelde maandloon over de laatste drie volle kalendermaanden waarin gewerkt is. Onder de gegeven omstandigheden is de betaling van drie maanden loon naar het oordeel van de kantonrechter dan ook een billijke uitkomst.\n\n4.12.. De gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente zullen ook worden toegewezen, omdat [verwerende partij] te laat heeft betaald. De wettelijke verhoging zal worden gematigd tot 20%. Het verzoek tot het verstrekken van loonspecificaties (op straffe van een dwangsom) zal worden afgewezen, aangezien de loonbetalingen niet door [verwerende partij] werden verzorgd, maar door de SVB. Het verzoek om (alsnog) een bedrijfsarts in te schakelen zal tevens worden afgewezen, omdat [verzoekende parij] hier, naar het oordeel van de kantonrechter geen belang (meer) bij heeft.\n\n4.13.. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen, omdat de grondslag daarvan niet, althans onvoldoende is onderbouwd.\n\n4.14.. De proceskosten komen voor rekening van [verwerende partij] , omdat [verwerende partij] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoekende parij] worden begroot op € 1.391,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 1.154,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n5.1.. vernietigt de opzegging van de arbeidsovereenkomst van 12 december 2025;\n\n5.2.. veroordeelt [verwerende partij] tot betaling aan [verzoekende parij] van € 8.487,00 (bruto) aan loon over de maanden december 2025 tot en met de maand februari 2026, te vermeerderen met de wettelijke verhoging met een maximum van 20% en te vermeerderen met de wettelijke rente over een de maandelijkse loonbetalingen, vanaf het moment van opeisbaarheid, tot aan de dag van de gehele betaling;\n\n5.3.. veroordeelt [verwerende partij] in de proceskosten van € 1.391,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verwerende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;\n\n5.4.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.5.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3529","ecli-nl-rbmne-2026-3529",{"courtName":6,"legalDomain":40,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht; Arbeidsrecht",{"id":42,"ecli":43,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":44,"fullText":45,"language":7,"source":17,"sourceUrl":46,"summary":14,"slug":47,"metadata":48},"1488","ECLI:NL:RBMNE:2026:3737","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Almere\n\nZaaknummer: 11973319 \\ MC EXPL 25-6261 PM\u002F45352\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiseres] B.V.,\n\nte [plaats 1] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiseres] ,\n\ngemachtigde: Swiers cs Gerechtsdeurwaarders,\n\ntegen\n\n1. [gedaagde sub 1] B.V.,\n\nte [plaats 2] ,\n\nniet verschenen, 2. [gedaagde sub 2],\n\nte [plaats 3] ,\n\nprocederend in persoon,\n\ngedaagde partijen,\n\nhierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] c.s. (in mannelijk enkelvoud).\n\n1. De procedure\n\n1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 10 november 2025 met 32 producties, - de conclusie van antwoord met 2 producties, - de conclusie van repliek, - de conclusie van dupliek met 1 bijlage,\n\n- de akte uitlating van [eiseres] .\n\n1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. \n\n [eiseres] heeft in de dagvaarding betaling van € 14.301,45 gevorderd. Dit zijn de kosten voor het annuleren van de koop van een BMW door [bedrijfsnaam] , waarvan [gedaagde sub 1] c.s. bestuurder was. [gedaagde sub 1] c.s. vindt dat hij niet meer dan € 5.000,- hoeft te betalen, omdat partijen op 17 juli 2019 een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten. Bij akte heeft [eiseres] dit bevestigd. De vordering van [eiseres] wordt toegewezen tot een bedrag van € 4.000,-, vermeerderd met rente en kosten.\n\n3 De beoordeling\n\nDe hoofdsom3.1. \n\n [bedrijfsnaam] , waarvan [gedaagde sub 2] bestuurder was, heeft een BMW bij [eiseres] gekocht en de koop vervolgens geannuleerd. Op basis van de BOVAG voorwaarden die op de overeenkomst van toepassing zijn, is de koper dan een annuleringsvergoeding verschuldigd. [gedaagde sub 1] c.s. beroept zich echter op het Whatsapp-bericht van 17 juli 2019, waarin [A] namens [eiseres] schrijft:\n\n“Beste [gedaagde sub 2 (voornaam)] , hierbij de bevestiging van het geen we net telefonisch besproken hebben. Ik maak een credit van het opstaande saldo van de annulering 14 k en maak een nieuwe nota van 5 k op de Nederlandse Holding waarvan ik van jou de gegevens van krijg . Bij aankoop van een nieuwe auto bij [eiseres] crediteer ik je 2500 euro . In afwachting van de NAW gegevens en prettige avond groeten [A] ”\n\n3.2. \n\n [gedaagde sub 2] heeft daarop gereageerd:\n\n“Goedeavond [A (voornaam)] graag de factuur op [gedaagde sub 1] BV Postbus [postbusnummer]\n\n [postcodenummer] [plaats 4] 5000 incl BTW dank en fijne avond we bellen morgen nog even om het kort tw sluiten\n\n Fijne Avond\n\n Gr [gedaagde sub 2 (voornaam)] ”\n\n3.3. \n [eiseres] heeft in haar akte uitlating bevestigd dat uit het Whatsappbericht van 17 juli 2019 inderdaad blijkt dat er een overeenkomst tussen partijen is gesloten waarbij de originele vordering tot betaling van de annuleringskosten wordt omgezet in een verplichting van [gedaagde sub 1] c.s. om een bedrag van € 5.000,- te betalen. De kantonrechter stelt vast dat [eiseres] niet langer aanspraak kan maken op de oorspronkelijke annuleringsvergoeding, maar dat de nadere afspraak geldt.\n\n3.4. Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde sub 1] c.s. al € 1.000,- heeft betaald. Er resteert dus nog een bedrag van € 4.000,-. Dat bedrag moet [gedaagde sub 1] c.s. betalen en daartoe zal hij worden veroordeeld.\n\nDe buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente3.5. Het bedrag van € 5.000,- is door [eiseres] op 18 juli 2019 gefactureerd en moest binnen 30 dagen betaald worden. [gedaagde sub 1] c.s. verkeert met de betaling in verzuim. [eiseres] vordert de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldatum van de factuur van 14 februari 2020. De wettelijke rente is vanaf 14 februari 2020 toewijsbaar.\n\n3.6. \n [eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiseres] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Het gevorderde bedrag van € 525,- is in lijn met het Besluit en zal worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal ook worden toegewezen.\n\nProceskosten3.7. \n [gedaagde sub 1] c.s. is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [gedaagde sub 1] c.s. hoeft alleen het deel van het griffierecht te vergoeden dat hij bij een ingestelde vordering van € 4.000,- verschuldigd zou zijn. [eiseres] heeft immers aan zichzelf te wijten dat zij in eerste instantie een hogere vordering bij de rechtbank heeft ingediend. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n123,16\n\n- griffierecht\n\n€\n\n514,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n720,00\n\n(2,5 punten × € 288,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.501,16\n\n3.8. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1. veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 4.000,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 14 februari 2020, tot de dag van volledige betaling,\n\n4.2. veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 525,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling\n\n4.3. veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. in de proceskosten van € 1.501,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n4.4. veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n4.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n4.6. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3737","ecli-nl-rbmne-2026-3737",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":50,"ecli":51,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":44,"fullText":52,"language":7,"source":17,"sourceUrl":53,"summary":14,"slug":54,"metadata":55},"723","ECLI:NL:RBMNE:2026:3738","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Almere\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12129131 \\ ME VERZ 26-36\n\nBeschikking van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\ngemachtigde: mr. M.J.M. Groen, advocaat in Almere,\n\ntegen\n\n1. de vennootschap onder firma\n\nV.O.F. [verweerster sub 3] ,\n\ntevens handelend onder de naam [handelsnaam] ,\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nvertegenwoordigd door de verwerende partijen onder 2 en 3,\n\n2. [verweerder sub 2] ,\n\nvennoot van de verwerende partij onder 1,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nprocederend in persoon, 3. DEBORA [verweerster sub 3] ,\n\nvennoot van de verwerende partij onder 1,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nprocederend in persoon, 4. [verweerster sub 4] B.V.,\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\nverwerende partij,\n\ngemachtigde: mr. J. Bos, advocaat te Amsterdam.\n\nPartijen zullen hierna afzonderlijk [verzoekster] , de vof, [verweerder sub 2] , [verweerster sub 3] en [verweerster sub 4] genoemd worden. De vof, [verweerder sub 2] , [verweerster sub 3] en [verweerster sub 4] zullen hierna gezamenlijk (in vrouwelijk enkelvoud) de [verweerster] genoemd worden.\n\n1. De procedure\n\n1.1. De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen:\n\n- het verzoekschrift van [verzoekster] met 19 producties;\n\n- het verweerschrift van [verweerster sub 4] met 7 producties;\n\n- de aanvullende producties 20 tot en met 26 van [verzoekster] .\n\n1.2. \n\nDe mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. [verzoekster] is verschenen, in aanwezigheid van haar echtgenoot, en bijgestaan door\n\nmr. Groen. Verder zijn [verweerder sub 2] , [verweerster sub 3] en mr. Bos verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat besproken is met partijen. Mr. Groen en [verweerster sub 3] hebben gebruik gemaakt van spreekaantekeningen. Mr. Bos heeft nog twee aanvullende producties overgelegd.\n\n1.3. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. Waar gaat deze zaak over?\n\n2.1. \n [verzoekster] is op 19 januari 2024 als oproepkracht in dienst getreden bij de vof als [functie] voor zeven maanden. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor het Bakkersbedrijf van toepassing verklaard. De arbeidsovereenkomst is verschillende keren verlengd. In discussie is of er in de loop van de tijd een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan. Verder is in geschil of [verzoekster] nog recht heeft op achterstallig salaris. [verweerster sub 4] stelt dat zij de rechtsopvolgster is van de vof.\n\n3. Wat beslist de kantonrechter?\n\n3.1. De kantonrechter volgt het standpunt van de [verweerster] en oordeelt dat de arbeidsovereenkomst per 19 januari 2026 van rechtswege is geëindigd. De kantonrechter veroordeelt de [verweerster] hoofdelijk tot betaling aan [verzoekster] van achterstallig salaris, de wettelijke verhoging, wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. Ook wordt zij hoofdelijk veroordeeld om specificaties aan [verzoekster] te verstrekken en om de proceskosten te betalen. Hierna wordt uitgelegd waarom.\n\n [verweerster sub 4]\n\n3.2. \n [verzoekster] heeft de arbeidsovereenkomst gesloten met de vof. [verweerder sub 2] en [verweerster sub 3] zijn als vennoten hoofdelijk aansprakelijk voor de nakoming van de verbintenissen van de vennootschap. Door de [verweerster] wordt gesteld dat er in de tweede helft van 2025 een overgang van onderneming heeft plaatsgevonden en dat de vof haar onderneming heeft overgedragen aan [verweerster sub 4] . Omdat aan die stelling weinig handen en voeten is gegeven kan de juistheid ervan niet worden vastgesteld. De kantonrechter zal [verweerster sub 4] echter wel als werkgeefster meenemen in haar beoordeling, gelet op haar verzoek daartoe, voor het geval inderdaad sprake is geweest van een overgang van onderneming en zal daarom, zoals hierna zal volgen, worden veroordeeld in de verzoeken die toewijsbaar zijn. Op grond van artikel 7:663, tweede volzin, Burgerlijk Wetboek (BW) is de vof overigens nog gedurende een jaar na de eventuele overgang naast [verweerster sub 4] hoofdelijk verbonden voor de nakoming van de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst, die zijn ontstaan vóór de eventuele overgang.\n\nDe arbeidsovereenkomst is per 19 januari 2026 is geëindigd\n\n3.3. In artikel 7:668a lid 1 BW is een ketenregeling opgenomen die van toepassing is op arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Die houdt onder andere in dat wanneer tussen dezelfde partijen meer dan drie voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd, met tussenpozen van ten hoogste zes maanden, de laatste arbeidsovereenkomst geldt als aangegaan voor onbepaalde tijd.\n\n3.4. \n\nVaststaat dat de eerste arbeidsovereenkomst tussen [verzoekster] en de vof zeven maanden duurde, van 19 januari 2024 tot 19 augustus 2024. Daarna is deze schriftelijk verlengd met zeven maanden tot 19 maart 2025. Over de gang van zaken daarna zijn partijen het oneens. Volgens [verzoekster] is de arbeidsovereenkomst na\n\n19 maart 2025 stilzwijgend verlengd en zijn partijen in mei 2025 schriftelijk een verlenging tot 19 januari 2026 overeengekomen. Gelet op de ketenbepaling van 7:668a lid 1 BW is met die laatste verlenging een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan, aldus [verzoekster] . Volgens de [verweerster] is de arbeidsovereenkomst na 19 maart 2025 met tien maanden schriftelijk verlengd tot 19 januari 2026 en is de arbeidsovereenkomst per laatstgenoemde datum van rechtswege geëindigd.\n\n3.5. Beide partijen verwijzen naar hetzelfde schriftelijk en door beide partijen ondertekende stuk waarin staat dat de arbeidsovereenkomst is verlengd en eindigt op 18 januari 2026 om 00.00 uur (productie 4 bij het verzoekschrift). Het stuk is niet gedateerd. De [verweerster] heeft gewezen op een printscreen waaruit volgens haar volgt dat [verweerster sub 3] het ondertekende stuk op 25 februari 2025 heeft geüpload in haar administratiesysteem. [verzoekster] betoogt dat uit de printscreen niet blijkt welk stuk er is geüpload en dat het eenvoudig is om de uploaddatum aan te passen. De kantonrechter heeft evenwel geen reden om te twijfelen aan de stelling van de vof dat de printscreen betrekking heeft op de betreffende verlenging. De [verweerster] heeft uiteengezet dat bewust is gekozen voor een verlenging van tien maanden na de eerdere twee arbeidsovereenkomsten van steeds zeven maanden, zodat zij zou uitkomen op een totale arbeidsduur van twee jaar. Dat de verlenging is overeengekomen voordat de arbeidsovereenkomst per 19 maart 2025 eindigde, past verder bij de omstandigheden dat de eerdere verlenging ook tijdig is overeengekomen (namelijk al op 24 juli 2024) en dat tijdig (bij brief van 10 december 2025) is aangezegd dat de arbeidsovereenkomst op 18 januari 2026 zou eindigen. Voor het standpunt van [verzoekster] dat de verlenging in mei 2025 is overeengekomen en het (impliciete) standpunt dat de aangehaalde uploaddatum is geantidateerd zijn geen aanwijzingen. De kantonrechter gaat er dan ook van uit dat de arbeidsovereenkomst vanaf 19 maart 2025 is verlengd tot 19 januari 2026 en per laatstgenoemde datum van rechtswege is geëindigd.\n\n3.6. Het voorgaande maakt dat de door [verzoekster] verzochte verklaring voor recht dat het dienstverband nog doorloopt en dat deze voor onbepaalde tijd heeft te gelden wordt afgewezen. Datzelfde geldt voor het verzoek om de opzegging\u002Faanzegging per 19 januari 2026 te vernietigen of nietig te verklaren.\n\n [verzoekster] heeft nog recht op achterstallig salaris\n\n3.7. Volgens [verzoekster] heeft de [verweerster] structureel minder uren uitbetaald dan waarvoor zij ingeroosterd stond of waarvoor zij ingeroosterd had moeten worden. Volgens de [verweerster] zijn inmiddels, na een in maart 2026 verrichte nabetaling van € 635,64 bruto, alle gewerkte uren betaald.\n\n3.8. \n [verzoekster] stelt dat de [verweerster] over de periode tot 13 juli 2025 – de datum waarop [verzoekster] is uitgevallen wegens ziekte – structureel minder uren heeft uitbetaald dan waarvoor zij ingeroosterd stond. De [verweerster] voert aan dat [verzoekster] geen rekening heeft gehouden met correcties die op de roosters zijn doorgevoerd. De kantonrechter is van oordeel dat het op de weg van de [verweerster] had gelegen om de gecorrigeerde roosters te overleggen. Dit heeft zij niet gedaan. Bovendien is tijdens de mondelinge behandeling van twee voorbeelden (met betrekking tot 18 juli 2024 en 23 juli 2024) gebleken dat de werktijden van [verzoekster] op verzoek van de vof zijn gecorrigeerd (verruimd), maar dat de vof die correcties niet in haar administratie heeft doorgevoerd. Bij gebreke van een voldoende gemotiveerde weerlegging door de [verweerster] gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de door [verzoekster] gestelde roosteruren.\n\n3.9. Bij het gevorderde salaris over de periode vanaf 13 juli 2025 speelt het volgende een rol. Vaststaat dat er sprake is van een oproepovereenkomst als bedoeld in artikel 7:628a lid 9 BW. Uit artikel 7:628a lid 5 BW volgt dat de werkgever, indien sprake is van een oproepovereenkomst die twaalf maanden heeft geduurd steeds binnen een maand nadien, schriftelijk of elektronisch een aanbod moet doen voor een vaste arbeidsomvang. Deze vaste uren omvang is ten minste gelijk aan de gemiddelde omvang van de arbeid in die voorafgaande periode van 12 maanden. Gedurende de periode waarin de werkgever deze verplichting niet is nagekomen (dus geen aanbod heeft gedaan voor een vaste uren omvang) heeft de werknemer op grond van artikel 7:628a lid 8 BW recht op loon overeenkomstig de gemiddelde omvang van de arbeid in de voorafgaande periode van 12 maanden.\n\n3.10. De [verweerster] heeft aan [verzoekster] geen aanbod voor een vaste arbeidsomvang gedaan. [verzoekster] maakt vanaf 13 juli 2025 aanspraak op het loon over het aantal uren dat volgens [verzoekster] aan haar had moeten worden aangeboden conform artikel 7:628a lid 5 BW. Volgens de [verweerster] klopt de door [verzoekster] gestelde gemiddelde omvang van 107 uren per vier weken over de periode van 19 januari 2024 tot 19 januari 2025 niet. Onder verwijzing naar de vorige rechtsoverweging oordeelt de kantonrechter dat de [verweerster] haar verweer onvoldoende heeft onderbouwd. Bij gebreke van een voldoende gemotiveerde weerlegging door de [verweerster] gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de door [verzoekster] gestelde gemiddelde omvang van 107 uren per vier weken over de periode van 19 januari 2024 tot 19 januari 2025.\n\n3.11. Gelet op het voorgaande zal het door [verzoekster] gestelde verschuldigde loon van € 5.800,17 bruto over 2024 en 2025 worden toegewezen (het in het verzoekschrift genoemde bedrag van € 6.435,81 bruto minus de tijdens de mondelinge behandeling gedane vermindering van € 635,64 bruto vanwege de door [verzoekster] ontvangen nabetaling).\n\n3.12. \n [verzoekster] verzoekt verder de [verweerster] te veroordelen tot betaling van salaris van € 1.850,04 bruto per periode vanaf periode 1 van 2026 tot het einde van het dienstverband, onder aftrek van het al door haar ontvangen bedrag van € 974,71 netto ter zake van de eerste periode van 2026. Nu niet gesteld of gebleken is dat [verzoekster] over de periode van 1 januari 2026 tot 19 januari 2026 recht heeft op meer salaris dan het bedrag dat al is betaald, wordt dit verzoek afgewezen.\n\nDe [verweerster] moet een wettelijke verhoging en wettelijke rente betalen\n\n3.13. Op grond van artikel 7:625 lid 1 BW heeft [verzoekster] recht op de wettelijke verhoging van maximaal 50% vanwege het niet tijdig betalen van het loon. De kantonrechter ziet aanleiding om deze vergoeding in het onderhavige geval te matigen tot 10%. [verzoekster] is pas in november 2025 over de onjuistheden in de verloning begonnen en heeft op uitnodigingen om de uren te bespreken niet gereageerd.\n\n3.14. Bij de tenuitvoerlegging van dit vonnis moet rekening worden gehouden met het door de [verweerster] in maart 2026 betaalde bedrag van € 317,82 aan wettelijke verhoging.\n\n3.15. De verzochte wettelijke rente over het loon en over de wettelijke verhoging is toewijsbaar.\n\nDe [verweerster] moet een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten betalen\n\n3.16. \n [verzoekster] maakt aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Het verzoek moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Uit het dossier blijkt dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief van € 696,79.\n\nDe [verweerster] moet specificaties aan [verzoekster] verstrekken\n\n3.17. De [verweerster] moet de door [verzoekster] verlangde specificaties verstrekken zoals hierna onder ‘De beslissing’ staat vermeld. De gevraagde dwangsom wordt niet toegewezen omdat de kantonrechter ervan uitgaat dat de [verweerster] die veroordeling vrijwillig zal nakomen.\n\nVerzoek aansluiting bedrijfspensioenfonds wordt afgewezen\n\n3.18. \n [verzoekster] verzoekt de [verweerster] hoofdelijk te veroordelen om zorg te dragen voor een bewijs van aansluiting van [verzoekster] bij het bedrijfstakpensioenfonds vanaf 19 januari 2026. Dit verzoek wordt afgewezen nu hiervoor is vastgesteld dat de arbeidsovereenkomst per die datum is geëindigd.\n\nDe [verweerster] moet de proceskosten betalen\n\n3.19. Hoewel een deel van de verzoeken wordt afgewezen is [verzoekster] wel terecht een procedure gestart. Gebleken is immers dat zij een (zij het kleinere dan gesteld) loonvordering op de [verweerster] heeft, die zonder gerechtelijke procedure niet werd betaald. De [verweerster] moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten aan de zijde van [verzoekster] worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten).\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1. veroordeelt de [verweerster] hoofdelijk in die zin, dat wanneer de een betaalt de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, om aan [verzoekster] tegen bewijs van kwijting te betalen:\n\n€ 5.800,17 aan salaris over 2024 en 2025;\n\nde wettelijke verhoging over het bedrag onder a) met een maximum van 10%, minus het al betaalde bedrag aan wettelijke verhoging van € 317,82;\n\nde wettelijke rente over de bedragen onder a) en b) steeds vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de dag van de volledige betaling;\n\n€ 696,79 aan buitengerechtelijke kosten;\n\n4.2. veroordeelt de [verweerster] hoofdelijk in die zin dat indien de één aan deze veroordeling voldoet de ander is bevrijd, om aan [verzoekster] ter beschikking te stellen de loonstrook van periode 1 van 2024, de loonstrook van periode 1 van 2026 tot het einde van het dienstverband (19 januari 2026) alsmede een specificatie die samenhangt met de onder 4.1. genoemde bedragen;\n\n4.3. veroordeelt de [verweerster] hoofdelijk tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [verzoekster] , tot de uitspraak van deze beschikking begroot op € 1.102,00;\n\n4.4. verklaart voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.5. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.\n\n13702","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3738","ecli-nl-rbmne-2026-3738",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":57,"ecli":58,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":59,"fullText":60,"language":7,"source":17,"sourceUrl":61,"summary":14,"slug":62,"metadata":63},"1149","ECLI:NL:RBMNE:2026:3723","2026-06-11T00:00:00.000Z","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Almere\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12127784 \\ ME VERZ 26-34 BW 31650\n\nBeschikking van 11 juni 2026 (bij vervroeging)\n\nin de zaak van\n\n [verzoekster],\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nverzoekende partij,\n\nhierna te noemen: [verzoekster] ,\n\ngemachtigde: mr. B.N. Vlasman,\n\ntegen\n\n [verweerder] B.V.,\n\ngevestigd in [vestigingsplaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nhierna te noemen: [verweerder] ,\n\ngemachtigden: mrs. F.B. Mahabali en J.B.M. Swart.\n\n1. De procedure\n\n1.1. De kantonrechter beschikt over de volgende stukken:\n\n- het verzoekschrift van 12 maart 2026 met 8 producties,\n\n- het verweerschrift van 8 mei 2026 met 4 producties.\n\n1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026 op de zittingslocatie van deze rechtbank in Lelystad. [verzoekster] is verschenen, bijgestaan door mr. Vlasman. Namens [verweerder] is mevrouw [A] (Operationeel Directeur Schoonmaak) verschenen, bijgestaan door mr. Mahabali en mr. Swart. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat besproken is tijdens de zitting. Beide gemachtigden hebben de standpunten nader toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen. Deze zijn aan het procesdossier toegevoegd.\n\n1.3. Tijdens de mondelinge behandeling is bepaald dat uiterlijk op 16 juni 2026 uitspraak zal worden gedaan.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. \n\n [verzoekster] is vanaf 20 augustus 2025 als schoonmaakster in dienst bij [verweerder] op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. [verweerder] zegt dat [verzoekster] slapend is aangetroffen op de locatie van de opdrachtgever [bedrijf] waar zij haar schoonmaakwerkzaamheden moest verrichten. [verweerder] heeft [verzoekster] daarom op staande voet ontslagen. [verzoekster] ontkent dat zij geslapen heeft tijdens werktijd bij [bedrijf] . In deze procedure vraagt [verzoekster] om toekenning van een transitievergoeding, billijke vergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, omdat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is.\n\nDe kantonrechter kan nu nog niet beslissen en draagt [verweerder] op te bewijzen dat [verzoekster] tijdens werktijd bij [bedrijf] slapend is aangetroffen en dat dit niet (veel) eerder dan 5 januari 2026 bekend was bij [verweerder] .\n\n3. De beoordeling\n\n3.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. [verzoekster] berust in het ontslag en maakt aanspraak op een transitievergoeding, gefixeerde schadevergoeding en een billijke vergoeding.\n\nHet toetsingskader3.2. Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is, dat wil zeggen zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Ook moet de werkgever onverwijld hebben opgezegd en moet de dringende reden onverwijld worden meegedeeld aan de werknemer. Onverwijld betekent dat dit direct of zo snel mogelijk moet gebeuren. Het gaat er daarbij om dat het voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen voor de werkgever aanleiding zijn geweest voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst.\n\n3.3. De door de werkgever aan het ontslag ten grondslag gelegde en aan de werknemer onverwijld medegedeelde reden fixeert de omvang van het debat tussen partijen, omdat voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen de ander hebben genoodzaakt tot het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De werknemer moet zich namelijk na de mededeling kunnen beraden of hij de opgegeven reden(en) als juist erkent en als dringend aanvaardt. De werkgever die een werknemer heeft ontslagen, moet dus in geval van betwisting van de dringende reden door de werknemer, stellen en zo nodig bewijzen dat de door de werkgever meegedeelde ontslaggrond zich heeft voorgedaan en is aan te merken als dringende reden.\n\nDe meegedeelde reden voor het ontslag op staande voet is onverwijld meegedeeld3.4. \n\nPer e-mail van 5 januari 2026 heeft [verweerder] [verzoekster] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief benoemt [verweerder] als dringende reden voor het ontslag op staande voet dat zij van haar opdrachtgever [bedrijf] heeft vernomen dat [verzoekster] tijdens werktijd slapend op de werklocatie is aangetroffen samen met een collega.\n\n [verzoekster] zegt dat [verweerder] hiermee niet heeft voldaan aan de mededelingseis, omdat i) in de e-mail niets wordt gezegd over de dag en het tijdstip waarop [verzoekster] slapend is aangetroffen, ii) er geen namen worden genoemd van de betrokken personen en iii) er ook niets wordt gezegd over de locatie waar [verzoekster] is aangetroffen.\n\n [verweerder] wijst er terecht op dat dit ook niet vereist is. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt namelijk dat de mededeling zodanig moet zijn dat de werknemer in staat is om zijn standpunt met betrekking tot het ontslag te bepalen.De ontslagreden (slapen tijdens werktijd op de werkvloer) biedt voldoende duidelijkheid aan [verzoekster] om zich tegen te verweren, omdat de verweten gedraging wordt genoemd. [verzoekster] heeft zich daar ook meteen tegen verweerd door het standpunt in te nemen dat zij niet geslapen heeft op de werkvloer. De reden van het ontslag op staande voet is meteen in de e-mail van 5 januari 2026 meegedeeld, zodat de mededeling ook onverwijld is gedaan.\n\n [verweerder] wordt toegelaten tot bewijslevering dat zij onverwijld tot ontslag is overgegaan3.5. Een ontslag op staande voet is pas rechtsgeldig als het onverwijld is gegeven. De “onverwijldheidsklok” begint te tikken wanneer een vermoeden van een dringende reden ontstaat. Voor het antwoord op de vraag of een ontslag op staande voet al dan niet rechtsgeldig is gegeven, is beslissend het tijdstip waarop de dringende reden van dat ontslag daadwerkelijk ter kennis is gekomen van degene die bevoegd was het ontslag te verlenen. Sprake moet zijn van een geïndividualiseerd en geconcretiseerd vermoeden, dat wil zeggen een redelijke mate van duidelijkheid over welke werknemer het betreft en de feitelijke grondslag die het bestaan van een dringende reden voor ontslag van die werknemer redelijkerwijs aannemelijk maakt. Vanaf dat moment heeft de partij die een opzegging wegens een dringende reden overweegt, enig respijt voordat daadwerkelijk tot ontslag kan worden overgegaan.3.6. \n\n [verzoekster] zegt dat [verweerder] niet onverwijld heeft opgezegd, omdat zij pas op 5 januari 2026 tot ontslag op staande voet is overgegaan, terwijl op 16 december 2025 al zou zijn geconstateerd dat [verzoekster] lag te slapen tijdens werktijd.\n\nHet is juist dat er veel tijd is verstreken tussen 16 december 2025 en de datum van het ontslag op staande voet. Het gaat er echter om wanneer degene die bevoegd is tot ontslag over te gaan bekend is geworden met de dringende reden, zoals hierboven is overwogen. [verweerder] zegt dat de manager bij [bedrijf] door de vakantieperiode pas op 5 januari 2026 de dringende reden heeft gemeld bij [verweerder] . De tot ontslag bevoegde functionaris van [verweerder] is dus pas op 5 januari 2026 bekend geworden met de dringende reden. Volgens [verweerder] heeft zij onverwijld opgezegd door diezelfde dag [verzoekster] op staande voet te ontslaan.\n\n [verweerder] heeft echter geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij pas op 5 januari 2026 bekend is geworden met de dringende reden.\n\n [verzoekster] wijst er ook op dat [verweerder] al eerder bekend moet zijn geweest met de vermeende dringende reden, omdat haar collega met wie zij slapend op de werkvloer zou zijn aangetroffen, al is ontslagen in de periode van 20-24 december 2025. [verweerder] zegt dat dit niet klopt en dat ook die bewuste collega is ontslagen op 5 januari 2026 en niet al in december 2025. Ook die stelling heeft [verweerder] niet nader onderbouwd. Daar komt bij dat [verzoekster] in de periode tussen 16 december 2025 en 5 januari 2026 nog meerdere diensten heeft gewerkt op de werkvloer van [bedrijf] .\n\nOp basis van bovenstaande kan nog niet worden beoordeeld of het klopt dat de tot ontslag bevoegde functionaris van [verweerder] pas op 5 januari 2026 bekend is geworden met de vermeende dringende reden.\n\n3.7. \n [verweerder] zal worden toegelaten tot het leveren van bewijs voor haar stelling dat de tot ontslag bevoegde functionaris van [verweerder] niet (veel) eerder dan op 5 januari 2026 bekend is geworden met de vermeende dringende reden. Als dat komt vast te staan, dan is het ontslag op staande voet onverwijld gegeven. Als [verweerder] dit niet kan bewijzen, is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig gegeven en komen de door [verzoekster] gevorderde vergoedingen, in beginsel voor toewijzing in aanmerking, waarbij vervolgens de hoogte van de vergoedingen moet worden bepaald.\n\n [verweerder] wordt ook toegelaten tot bewijslevering van de dringende reden3.8. Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 7:677 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De stelplicht en de bewijslast ten aanzien van het bestaan van een dringende reden liggen bij de werkgever.\n\n3.9. \n\nVoor de beoordeling van de dringende reden is de in de ontslagbrief omschreven reden in beginsel maatgevend. Dit betekent dat [verweerder] moet bewijzen dat [verzoekster] op de werkvloer bij [bedrijf] tijdens werktijd, samen met een collega, slapend is aangetroffen. [verweerder] heeft de dringende reden in deze procedure verder geconcretiseerd en gezegd dat [verzoekster] op 16 december 2025 tussen 18:00 en 19:00 uur, samen met een collega, slapend in een slaapzak is aangetroffen in een vergaderwagonnetje in de kantine van [bedrijf] .\n\nAlle overige verwijten die [verweerder] achteraf nog heeft toegevoegd (over disfunctioneren, het aanspreken daarop en de structurele klachten daarover) blijven buiten beschouwing, omdat die redenen niet aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd.\n\n3.10. \n\n [verzoekster] zegt dat het niet klopt dat zij tijdens werktijd heeft geslapen en dat zij gewoon haar werkzaamheden heeft verricht op 16 december 2025. [verzoekster] wijst er op dat [verweerder] zich alleen heeft gebaseerd op een verklaring van een manager van [bedrijf] die van een andere werknemer heeft gehoord dat hij tijdens een avondmeeting op kantoor [verzoekster] en haar collega slapend heeft aangetroffen.\n\nPas tijdens de zitting heeft [verweerder] voor het eerst de naam van die bewuste werknemer kenbaar gemaakt en heeft zij uitgelegd dat zij geen verklaring heeft gevraagd hierover van [bedrijf] , omdat zij haar als opdrachtgever hier niet mee wilde belasten en dat deze werknemer anoniem wilde blijven.\n\nAan de enkele verklaring die [verweerder] in deze procedure heeft overgelegd van de manager van [bedrijf] kan geen (doorslaggevende) waarde worden toegekend, omdat dit geen verklaring uit de eerste hand betreft van degene die dit heeft geconstateerd. Dat betekent dat niet kan worden vastgesteld dat [verzoekster] slapend is aangetroffen tijdens werktijd. De kantonrechter kan dus ook nog niet beoordelen of sprake is geweest van een dringende reden.\n\n3.11. \n\nOmdat de stelplicht en de bewijslast van de aanwezigheid van een geldige dringende reden rusten op [verweerder] als werkgever en zij (getuigen)bewijs heeft aangeboden, zal [verweerder] worden toegelaten tot het leveren van bewijs. [verweerder] wordt opgedragen te bewijzen dat [verzoekster] tijdens werktijd op de werklocatie van [bedrijf] slapend is aangetroffen.\n\nAls [verweerder] niet slaagt in het opgedragen bewijs, dan zal dat tot de conclusie leiden dat het ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven. De opzegging is dan in strijd met artikel 7:671 BW en dat brengt met zich mee dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. In dat geval heeft [verzoekster] in beginsel recht op de door haar gevorderde vergoedingen, waarvan de hoogte nog zal worden bepaald. Als [verweerder] slaagt in het opgedragen bewijs, moet worden beoordeeld of sprake is van een dringende reden. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen.\n\n3.12. Indien [verweerder] het bewijs (mede) wenst te leveren door schriftelijke stukken of andere gegevens, moet zij deze stukken afzonderlijk in het geding brengen. Indien [verweerder] het bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, moet zij dit vermelden en de verhinderdataop geven vanalle partijen en van de op te roepen getuigen. De kantonrechter zal dan vervolgens een dag en uur voor een getuigenverhoor bepalen. Partijen moeten bij de getuigenverhoren in persoon aanwezig zijn. Indien een partij zonder gegronde reden niet verschijnt, kan dit nadelige gevolgen voor die partij hebben.\n\n3.13. De kantonrechter verwacht dat het verhoor per getuige 30 minuten zal duren. Als [verweerder] verwacht dat het verhoor van een getuige langer zal duren dan de hiervoor vermelde duur, kan dat in de te nemen akte worden vermeld.\n\nDat [verzoekster] niet is gehoord betekent niet dat geen sprake kan zijn van een dringende reden3.14. \n [verzoekster] wijst er ook nog op dat [verweerder] heeft nagelaten haar te horen. Hoewel de kantonrechter het met [verzoekster] eens is dat het niet zo zorgvuldig is dat [verweerder] alleen is afgegaan op de verklaring van [bedrijf] , brengt dat op zichzelf nog niet met zich mee dat daarom geen sprake zou kunnen zijn van een dringende reden en een rechtsgeldig ontslag op staande voet. Dit handelen of nalaten van [verweerder] kan wel een relevante omstandigheid zijn als wordt geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is geweest en bij het bepalen van de hoogte van de vergoedingen.\n\n [verweerder] moet een correcte eindafrekening verstrekken en betalen3.15. \n [verzoekster] heeft tijdens de mondelinge behandeling haar verzoeken vermeerderd. Zij vraagt om het opmaken en uitbetalen van de eindafrekening van het dienstverband, onder verstrekking van een deugdelijke specificatie. [verweerder] heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat de eindafrekening, waaronder het loon over januari 2026, nog niet is betaald. [verweerder] is daar wel toe verplicht, zodat dit verzoek zal worden toegewezen.\n\nAanhouden beslissing3.16. Ten aanzien van alle verzoeken van [verzoekster] geldt dat iedere beslissing, uit proceseconomisch oogpunt, wordt aangehouden in afwachting van de bewijslevering.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n4.1. draagt [verweerder] op te bewijzen dat de tot ontslag bevoegde functionaris van [verweerder] niet (veel) eerder dan 5 januari 2026 bekend is geworden met het vermoeden van de dringende reden,\n\n4.2. draagt [verweerder] op te bewijzen dat [verzoekster] tijdens werktijd op de werklocatie van [bedrijf] slapend is aangetroffen,\n\n4.3. bepaalt dat, indien [verweerder] bewijs wil leveren door middel van het horen van getuigen, zij uiterlijk op 9 juli 2026, bij nader verweerschrift,: - de namen en woonplaatsen van de getuigen dient op te geven; - moet opgeven op welke dagen alle partijen, hun (eventuele) gemachtigden en de getuigen in de vier maanden nadien verhinderd zijn; zij dient bij die opgave ten minste twintig dagdelen vrij te laten waarop het getuigenverhoor zou kunnen plaatsvinden;4.4. bepaalt dat: - voor het opgeven van verhinderdata geen uitstel zal worden verleend; - indien geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om verhinderdata op te geven de rechter eenzijdig een datum zal bepalen waarvan dan in beginsel geen wijziging meer mogelijk is; - het getuigenverhoor zal kunnen worden bepaald op een niet daarvoor opgegeven dagdeel, indien bij de opgave minder dan het hiervoor verzochte aantal dagdelen zijn vrijgelaten;4.5. bepaalt dat de datum van het getuigenverhoor in beginsel niet zal worden gewijzigd nadat daarvoor dag en tijdstip zijn bepaald;\n\n4.6. bepaalt dat, indien [verweerder] (mede) bewijs wil leveren door middel van schriftelijke bewijsstukken, zij die stukken vóór of uiterlijk op 9 juli 2026bij nader verweerschrift in het geding moet brengen;\n\n4.7. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M.R. van der Vos en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026.\n\nHoge Raad, 23 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0939","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3723","ecli-nl-rbmne-2026-3723",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":65,"ecli":66,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":59,"fullText":67,"language":7,"source":17,"sourceUrl":68,"summary":14,"slug":69,"metadata":70},"1452","ECLI:NL:RBMNE:2026:3316","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Almere\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: UTR 25\u002F3989\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiseres] , uit [plaats 1] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. R. Grijpstra),\n\nen\n\nDienst Toeslagen, kantoor Utrecht, de Dienst\n\n(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).\n\nSamenvatting\n\nIn deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de definitieve vaststelling van de compensatie kinderopvangtoeslag op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Eiseres is het niet eens dat zij over toeslagjaren 2007 en 2008 niet als gedupeerde is aangemerkt. De rechtbank oordeelt dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het beroep ongegrond is. De reden daarvoor is dat de Dienst reguliere wijzigingen heeft verwerkt, waarmee de kinderopvangtoeslag definitief is berekend en vastgesteld en is stopgezet, zodat van vooringenomen handelen door de Dienst geen sprake is.\n\nProcesverloop\n\n1. Eiseres heeft zich op 3 juni 2021 bij de Dienst gemeld als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagenaffaire en heeft oorspronkelijk verzocht om een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de jaren 2003 tot en met 2008. Deze toeslagjaren zijn daarna in overleg met eiseres gewijzigd naar de jaren 2007 tot en met 2011. Met het besluit van 20 oktober 2022 (kenmerk UHT-DC I) is aan eiseres een compensatie over de toeslagjaren 2009, 2010 en 2011 toegekend, omdat de Dienst in die jaren fouten heeft gemaakt.\n\n2. Met de besluiten van 20 oktober 2022 (kenmerken UHT DC-I A en UHT-DH5 A) heeft de Dienst het verzoek van eiseres om compensatie over de jaren 2007 en 2008 afgewezen, omdat de Dienst bij de beoordeling van de kinderopvangtoeslag geen fouten heeft gemaakt en ook niet te streng is geweest bij het uitvoeren van de regels. De Dienst heeft aan de besluiten het advies van de onafhankelijke Commissie van Wijzen ten grondslag gelegd.\n\n3. Tegen de primaire besluiten heeft eiseres bezwaar gemaakt, omdat eiseres het niet eens is met de compensatieberekening en vindt dat zij ook gedupeerde is over de jaren 2007 en 2008.\n\n4. Met het besluit van 21 mei 2025 (het bestreden besluit) is de Dienst tegemoetgekomen aan het bezwaar, voor zover gericht tegen de compensatieberekening, en heeft de Dienst de afwijzing van compensatie over de jaren 2007 en 2008 ongewijzigd in stand gelaten.\n\n5. Tegen het bestreden besluit heeft eiseres beroep ingesteld. De Dienst heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n6. De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe hersteloperatie toeslagen\n\n7. Vanwege de toeslagenaffaire zijn verschillende herstelregelingen tot stand gekomen om gedupeerde ouders te compenseren voor fouten die zijn gemaakt bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag. De compensatie en tegemoetkoming worden door de Dienst toegekend. Het herstelproces wordt uitgevoerd door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT), namens de Dienst.\n\n8. De procedure bij de herstelregelingen houdt in dat een gedupeerde ouder zich meldt bij de UHT. Na de aanmelding doet de UHT de eerste (lichte) toets. In deze eerste toets wordt beoordeeld of iemand recht heeft op de € 30.000,- van de zogenoemde Catshuisregeling. Daarbij wordt bekeken of iemand aan de voorwaarden voor kinderopvangtoeslag voldoet en of diegene ooit onterecht kinderopvangtoeslag moest terugbetalen of dat de kinderopvangtoeslag onterecht is stopgezet.\n\n9. Na deze eerste toets kan worden bekeken of iemand recht heeft op een vergoeding op basis van een integrale beoordeling. Een toegekende vergoeding op basis van de Catshuisregeling hoeft daarbij in ieder geval niet te worden terugbetaald. Als ouders vinden dat hun schade met de uitkomst van de integrale beoordeling niet volledig is vergoed, dan kunnen zij nog een verzoek om aanvullende compensatie voor werkelijk geleden schade doen.\n\nHet toetsingskader\n\n10. Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen kent de Dienst op aanvraag compensatie toe aan een aanvrager van kinderopvangtoeslag, die schade heeft geleden, doordat ten aanzien van hem bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem werd toegepast.De compensatie wordt niet toegekend indien de door de aanvrager van een kinderopvangtoeslag geleden schade is te wijten aan ernstige onregelmatigheden die aan hem toerekenbaar zijn.\n\n11. Een aantal aspecten kunnen duiden op institutionele vooringenomenheid, waaronder: 1) collectieve stopzetting zonder een voorafgaande individuele beoordeling die dit rechtvaardigde, 2) het breed uitvragen van bewijsstukken over een of meerdere jaren, 3) zero-tolerance-onderzoek naar fouten, 4) het niet nader uitvragen van informatie bij gebleken tekortkomingen in de door de ouder verstrekte bewijsstukken en 5) het afwijzen of reduceren van de aanspraak op kinderopvangtoeslag bij de minste of geringste onregelmatigheid in de door de ouder verstrekte bewijsstukken. Ieder aspect afzonderlijk hoeft niet noodzakelijkerwijs te duiden op institutionele vooringenomenheid, maar het ontbreken van een van deze aspecten wijst niet direct op de afwezigheid daarvan. Er kunnen ook nog aanvullende aanwijzingen zijn van institutionele vooringenomenheid.\n\n12. Een voorwaarde voor de toekenning van compensatie is dat de gedupeerde schade heeft geleden. Het kan hierbij zowel om materiële als om immateriële schade gaan. Als de institutionele vooringenomenheid heeft geleid tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag of tot stopzetting van de voorschotverlening van kinderopvangtoeslag, wordt aangenomen dat sprake is geweest van schade.\n\nReikwijdte van het beroep\n\n13. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. Het beroep is alleen gericht tegen de vaststelling dat eiseres geen gedupeerde is over de jaren 2007 en 2008, waardoor de rechtbank alleen deze toeslagjaren beoordeelt.\n\nToeslagjaren 2007 en 2008\n\n14. De kinderopvangtoeslag is in 2007 automatisch gecontinueerd met een voorschotbeschikking van € 16.632,-. Op 1 juni 2007 is het voorschot verlaagd naar € 6.930,- als gevolg van de stopzetting van de kinderopvangtoeslag door eiseres. Op 9 juni 2007 vroeg eiseres opnieuw kinderopvangtoeslag aan, waarna op 30 juni 2007 een voorschot van € 21.122,- aan eiseres is toegekend. Met het besluit van 29 januari 2010 is de kinderopvangtoeslag voor 2007 definitief berekend en vastgesteld op € 0, omdat uit het ingevulde antwoordformulier volgens de Dienst volgt dat eiseres in 2007 geen kinderopvang heeft afgenomen. Eiseres moest daardoor een bedrag van € 21.122,- terugbetalen aan de Dienst.\n\n15. In 2008 werd de kinderopvangtoeslag automatisch gecontinueerd met een voorschotbeschikking van € 24.248,-. Omdat eiseres telefonisch zou hebben verzocht om stopzetting van de kinderopvangtoeslag, is de kinderopvangtoeslag op 25 maart 2010 door de Dienst stopgezet. Op 9 april 2010 is een nihil-beschikking afgegeven en op 1 augustus 2011 is de kinderopvangtoeslag definitief op nihil beschikt.\n\nDe standpunten van eiseres\n\n16. Eiseres voert aan dat de Dienst vooringenomen heeft gehandeld, omdat eiseres het antwoordformulier over toeslagjaar 2007 niet heeft ingevuld en de Dienst wegens het ontbreken van een handtekening van eiseres op het antwoordformulier nadere uitvraag had moeten doen om zeker te stellen dat het antwoordformulier van eiseres afkomstig was. Op de zitting heeft eiseres ook aangevoerd dat het antwoordformulier is gestuurd naar haar oude adres in [plaats 2] , terwijl eiseres omstreeks 2009, toen het antwoordformulier werd verzonden, al in [plaats 3] woonde. Voor toeslagjaar 2008 bestrijdt eiseres dat zij heeft verzocht om stopzetting van de kinderopvangtoeslag. In 2008 werkte eiseres als alleenstaande ouder en volgde zij een opleiding, waardoor haar kinderen naar de kinderopvang gingen en zij recht had op kinderopvangtoeslag.\n\nDe standpunten van de Dienst\n\n17. De Dienst stelt zich op het standpunt dat hij niet vooringenomen heeft gehandeld, omdat hij bij de definitieve berekening en vaststelling van de kinderopvangtoeslag heeft mogen uitgaan van de gegevens op het antwoordformulier. Dat eiseres het antwoordformulier niet heeft ondertekend maakt dit niet anders. Als eiseres het niet eens was met de definitieve vaststelling van de kinderopvangtoeslag, dan had zij volgens de Dienst tegen de beschikking van 29 januari 2010 bezwaar moeten maken.\n\n18. Voor toeslagjaar 2008 stelt de Dienst zich op het standpunt dat de stopzetting van de kinderopvangtoeslag op verzoek van eiseres heeft plaatsgevonden. Als gevolg van het ontbreken van loonstroken en facturen is de Dienst niet gebleken dat eiseres in 2008 heeft gewerkt en kinderopvang heeft afgenomen. Bovendien is de hersteloperatie volgens de Dienst uitdrukkelijk niet bedoeld om het recht op kinderopvangtoeslag opnieuw vast te stellen.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\n19. Naar het oordeel van de rechtbank mocht de Dienst de aanvraag van eiseres om compensatie over 2007 en 2008 afwijzen, omdat de Dienst terecht heeft vastgesteld dat geen sprake is geweest van vooringenomen handelen. Dat legt zij hierna uit.\n\nToeslagjaar 2007\n\n20. Zoals door de Dienst ter zitting is toegelicht, volgt uit het systeem van de toeslagen dat de Dienst eerst een voorschot verstrekt en daarna pas de definitieve tegemoetkoming vaststelt. Inherent aan dat systeem is dat een controle altijd achteraf plaatsvindt.Aan het einde van het toeslagjaar ontvangt een aanvrager van kinderopvangtoeslag een definitieve berekening van de kinderopvangtoeslag en die berekening kan een terugvordering of nabetaling met zich meebrengen.In het geval van eiseres heeft de Dienst een antwoordformulier verstuurd om de kinderopvangtoeslag over 2007 definitief vast te stellen. Dat antwoordformulier is naar het huisadres van eiseres verzonden, omdat de Dienst mocht uitgaan van de adresgegevens in de Basisregistratie Personen. Doordat vervolgens op het antwoordformulier is ingevuld dat er 0 opvanguren zijn afgenomen, is de kinderopvangtoeslag definitief berekend en vastgesteld op € 0. De rechtbank overweegt dat er geen rechtsregel is die voorschrijft dat de Dienst slechts gevolg mag geven aan een antwoordformulier van een aanvrager om kinderopvangtoeslag als deze door de aanvrager is ondertekend. De beroepsgrond dat in 2007 vooringenomen is gehandeld doordat de Dienst heeft nagelaten om nadere uitvraag te doen slaagt niet.\n\n21. De rechtbank vindt hierbij van belang dat eiseres geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 29 januari 2010, waarin het recht op kinderopvangtoeslag over 2007 definitief is berekend en op € 0 is vastgesteld. Dit terwijl eiseres ter zitting heeft bevestigd dat zij die brief op haar (correcte) adres in [plaats 3] heeft ontvangen. Eiseres heeft op de zitting aangevoerd dat zij (telefonisch) hulp heeft gezocht bij de Belastingdienst, maar dat zij zich niet geholpen voelde. De rechtbank heeft echter geen aanknopingspunten in het dossier gevonden waaruit blijkt dat eiseres naar aanleiding van het besluit van 29 januari 2010 contact met de Belastingdienst heeft opgenomen, en eiseres heeft ook zelf geen nadere onderbouwing gegeven. Het is dan ook niet gebleken dat het aan de Dienst te wijten is dat eiseres geen bezwaar heeft gemaakt.\n\nToeslagjaar 2008\n\n22. Ook ten aanzien van het toeslagjaar 2008 heeft de rechtbank geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat de kinderopvangtoeslag niet op verzoek van eiseres is stopgezet. Uit de door de Dienst overgelegde uitdraai van het RKT-bestand, volgt dat de Dienst de kinderopvangtoeslag op 25 maart 2010 na een verzoek van eiseres heeft stopgezet. Andere bewijsstukken heeft de Dienst in het systeem niet aangetroffen. De rechtbank kan de Dienst dan ook volgen in het standpunt dat de beschikking van 9 april 2010, waarin de kinderopvangtoeslag op nihil is beschikt, een reguliere correctie betreft binnen de systematiek van de kinderopvangtoeslag en van vooringenomen handelen door de Dienst geen sprake is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet is gebleken dat eiseres contact met de Belastingdienst heeft opgenomen over de beschikking van 9 april 2010 of daartegen bezwaar heeft gemaakt. Dat had wel op haar weg gelegen als zij het niet eens was met die beschikking. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n23. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de Dienst het verzoek om compensatie over 2007 en 2008 terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.W.A. Schimmel, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 2.1, eerste lid, van de Wht.\n\n Artikel 2.1, tweede lid, van de Wht.\n\nKamerstukken II2021\u002F22, 36 151, nr. 3, p. 70-71.\n\n Uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 30 juni 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:3087, rechtsoverweging 10.\n\n Uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 december 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:7857, rechtsoverweging 7.3.\n\n Uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1055, rechtsoverweging 14.\n\n Dit is het systeem dat de Belastingdienst tot 2012 gebruikte om kinderopvangtoeslag te berekenen en vast te stellen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3316","ecli-nl-rbmne-2026-3316",{"courtName":6,"legalDomain":71,"decisionType":22,"procedureType":23},"Bestuursrecht",{"id":73,"ecli":74,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":75,"fullText":76,"language":7,"source":17,"sourceUrl":77,"summary":14,"slug":78,"metadata":79},"1909","ECLI:NL:RBMNE:2026:3567","2026-06-10T00:00:00.000Z","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Almere\n\nZaaknummer: 12081065 \\ MC EXPL 26-570\n\nVonnis van 10 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiseres] B.V.,\n\ngevestigd te [plaats 1] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiseres] ,\n\ngemachtigde: mr. J.J.L. Boudewijn en mr. R.G. Matti (Van der Hoeden | Mulder gerechtsdeurwaarders en juristen),\n\ntegen\n\n [gedaagde] ,handelend onder de naam [handelsnaam],\n\nwonende te [plaats 2] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 29 januari 2026; - de conclusie van antwoord.\n\n1.2. \n\nDe mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 mei 2026. Namens [eiseres] is verschenen mr. R.G. Matti. [gedaagde] is in persoon verschenen.\n\nPartijen hebben hun standpunten toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord.\n\nDe griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken.\n\n1.3. Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag vonnis zal worden gewezen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. \n [gedaagde] huurt van [eiseres] de bedrijfsruimte aan de [adres] , unit [unit] , te [plaats 2] (hierna: het gehuurde). [gedaagde] heeft een huurachterstand, die een ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde rechtvaardigt. De kantonrechter ziet echter aanleiding om een terme de graçete verlenen: als [gedaagde] de onder de beslissing genoemde bedragen binnen twee weken volledig betaald, zal de huurovereenkomst in stand blijven en hoeft zij het gehuurde niet te ontruimen.\n\n3. De beoordeling\n\nHuurachterstand\n\n3.1. Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een substantiële huurachterstand. Ten tijde van de dagvaarding bedroeg de huurachterstand € 6.920,50 (berekend tot en met januari 2026). Dit is een huurachterstand van circa zes maanden (gelet op de huurprijs van € 1.840,20 per maand).\n\n3.2. \n\nOp de mondelinge behandeling heeft [eiseres] een nadere specificatie overgelegd. Hieruit blijkt dat de huurachterstand alleen maar verder is opgelopen tot maar liefst tien maanden (€ 11.657,30 berekend tot en met 1 mei 2026). Aangezien [gedaagde] dit niet heeft betwist, is de gevorderde huurachterstand toewijsbaar.\n\nOok de wettelijke rente, die alleen is gevorderd over de huurachterstand tot en met januari 2026 vanaf datum dagvaarding, is toewijsbaar.\n\nOntbinding en ontruiming\n\n3.3. De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] ernstig is tekortgeschoten in de nakoming van haar (betalings)verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst. Een huurachterstand van drie maanden rechtvaardigt in beginsel namelijk al de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] aangegeven dat zij “100% zeker weten” over twee weken de huurachterstand met boete, rente en kosten kan betalen. De kantonrechter ziet daarom aanleiding om gebruik te maken van de wettelijke bevoegdheid om [gedaagde] nog een termijn toe te staan om deze bedragen aan [eiseres] te voldoen (een zogenoemde terme de grâceals bedoeld in artikel 7:280 BW). Deze termijn zal worden bepaald op twee weken na dit vonnis. Dat betekent dat de ontbinding en de ontruiming worden uitgesproken onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen voornoemde termijn de bedragen zoals onder de beslissing genoemd heeft betaald. Als zij wel op tijd en volledig betaalt, dan sorteren de ontbinding en de veroordeling tot ontruiming geen effect.\n\n3.4. Als [gedaagde] de genoemde bedragen niet betaald binnen de gestelde termijn, zal de huurovereenkomst eindigen. In dat geval moet zij vanaf dat moment geen huur maar een gebruiksvergoeding van € 1.184,20 per maand betalen tot en met de dag waarop zij het gehuurde daadwerkelijk heeft verlaten. [gedaagde] moet het gehuurde dan ook ontruimen. [gedaagde] krijgt hiervoor dan 14 dagen de tijd. Deze termijn gaat in vanaf het moment dat dit vonnis aan haar door de deurwaarder is bezorgd (en de genoemde termijn van twee weken is verstreken).\n\nSchadevergoeding\n\n3.5. \n [eiseres] vordert verder een voorschot op de schadevergoeding gelijk aan drie huurtermijnen, zijnde € 3.522,60.\n\n3.6. Ingeval van ontbinding kan [eiseres] in beginsel aanspraak maken op een bedrag gelijk aan de huurprijs over de periode vanaf de datum ontbinding van de huurovereenkomst tot en met de datum waarop de huurovereenkomst normaal gesproken zou zijn geëindigd. Als de huurovereenkomst had voortgeduurd, had [eiseres] in deze periode namelijk huurinkomsten ontvangen van [gedaagde] . [eiseres] is wel verplicht om haar schade te beperken en dus waar mogelijk het gehuurde te verhuren aan een ander. Op dit moment is het nog onzeker of de voorwaardelijke ontbinding effect sorteert en is het onduidelijk of [eiseres] dan haar schade kan beperken door verhuur aan een ander.3.7. De kantonrechter schat in dat de kans klein is dat [eiseres] in staat zal zijn om binnen drie maanden na de daadwerkelijke ontruiming inkomsten te verkrijgen door verhuur aan een ander. Daarom zal het gevorderde bedrag aan voorschot op de schadevergoeding worden toegewezen. Voor het geval [eiseres] het gehuurde binnen die drie maanden tegen betaling toch kan verhuren aan een ander bepaalt de kantonrechter dat de inkomsten die [eiseres] hierdoor verkrijgt, van de toe te wijzen schadevergoeding moeten worden afgetrokken.\n\nIncassokosten en boete\n\n3.8. \n [eiseres] vordert verder een bedrag van € 706,52 aan buitengerechtelijke incassokosten die zowel op grond van de toepasselijke Algemene Bepalingen (AB) als op grond van de wet voor vergoeding in aanmerking komen. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is lager dan het in het Besluit bepaalde tarief en is daarom toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding.\n\n3.9. Daarnaast vordert [eiseres] verbeurde contractuele boetes op grond van artikel 14.2 AB. Daarin is bepaald dat, als niet prompt op de vervaldag de huur is betaald, de huurder aan de verhuurder een direct opeisbare boete van 2% van het verschuldigde per kalendermaand verschuldigd is met een minimum van 250 gulden (omgerekend € 113,45 per maand). [eiseres] heeft onweersproken gesteld dat [gedaagde] in gebreke is gebleven met betaling van zes huurtermijnen en daarom 6 x € 113,45 = € 680,70 verschuldigd is. De boetes zijn dan ook toewijsbaar. De gevorderde wettelijke rente hierover wordt echter afgewezen omdat die pas na schriftelijke aanmaning op de voet van 6:82 BW is verschuldigd.\n\nProceskosten\n\n3.10. \n [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:\n\n- dagvaarding\n\n€\n\n155,67\n\n- griffierecht\n\n€\n\n559,00\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n720,00\n\n(2 punten × € 360,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.578,67\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1. veroordeelt [gedaagde] om te betalen aan [eiseres] :\n\n€ 11.657,30 aan huurachterstand, berekend tot en met 1 mei 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 6.920,50 vanaf de dag van dagvaarding (29 januari 2026) tot de dag van volledige betaling;\n\n€ 706,52 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 januari 2026 tot de dag van betaling;\n\n€ 680,70 aan contractuele boetes;\n\nen bovendien, maar alléén voor het geval [gedaagde] de hierboven genoemde bedragen niet binnen twee weken na vandaag aan [eiseres] heeft betaald:\n\n4.2. ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres] unit [unit] te [plaats 2] met ingang van de dag na afloop van hiervoor genoemde termijn van twee weken;\n\n4.3. veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagenna betekening van dit vonnis (en de hiervoor genoemde termijn van twee weken is verstreken) het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eiseres] zijn, en de sleutels af te geven aan [eiseres] ;\n\n4.4. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van:\n\n€ 1.184,20 aan huur voor de maand juni 2026 ingeval die nog niet is betaald;\n\n€ 1.184,20 voor iedere maand vanaf juli 2026 tot de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden;\n\n4.5. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van € 3.552,60 aan voorschot op de schadevergoeding gelijk aan de huur van drie kalendermaanden na de daadwerkelijke ontruiming, met dien verstande dat ingeval van voortijdige wederverhuur de ontvangen huurpenningen door [eiseres] in mindering moeten worden gebracht op deze schadevergoeding;\n\nen voorts in beide gevallen:\n\n4.6. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.578,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;4.7. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.8. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.\n\n4578","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3567","ecli-nl-rbmne-2026-3567",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":81,"ecli":82,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":83,"fullText":84,"language":7,"source":17,"sourceUrl":85,"summary":14,"slug":86,"metadata":87},"1900","ECLI:NL:RBMNE:2025:7851","2025-11-26T00:00:00.000Z","RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Almere\n\nZaaknummer: 11839439 \\ MC EXPL 25-4540\n\nVonnis van 26 november 2025\n\nin de zaak van\n\nINFOMEDICS B.V., als rechtsopvolger van INFOMEDICS FACTORING B.V., mede handelend onder de namen INFOMEDICS FACTORING, UWNOTA.NL, DFA SERVICES EN INFOMEDICS DFA,\n\nstatutair gevestigd en kantoorhoudende te Almere,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: Infomedics,\n\ngemachtigde: Yards Deurwaardersdiensten BV,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nprocederend in persoon.\n\n1. De procedure\n\n1.1. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 5 augustus 2025 met producties 1 en 2; - de mondelinge conclusie van antwoord; - de akte van Infomedics tevens akte vermindering van eis met productie 4; - de antwoordakte van [gedaagde] .\n\n1.2. De kantonrechter heeft besloten dat vandaag de uitspraak is.\n\n2. Kern van de zaak\n\n2.1. Deze zaak gaat over een onbetaalde zorgkostennota. Het gaat om de nota die Infomedics op 10 februari 2025 aan [gedaagde] heeft gestuurd. Volgens de nota heeft [gedaagde] op 22 januari 2025 een tandheelkundige behandeling gehad bij [de tandarts] (hierna: ‘de tandarts’). De kosten daarvan waren, na vergoeding door de zorgverzekeraar van [gedaagde] , € 48,37. Infomedics heeft de vordering op [gedaagde] van de tandarts – door cessie daarvan – overgenomen. Infomedics wil dat [gedaagde] de nota alsnog betaalt, met rente en kosten. [gedaagde] erkent de hoofdsom met rente, de buitengerechtelijke incassokosten, de dagvaardingskosten en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de dagvaarding. Zij heeft die bedragen één dag voor de rolzitting van 3 september 2025 ook aan de gemachtigde van Infomedics betaald. Zij is het daarom niet eens met het griffierecht en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de akte. De vraag is of [gedaagde] het griffierecht en het salarisgemachtigde voor de akte moet betalen.\n\n2.2. De kantonrechter geeft [gedaagde] gelijk. [gedaagde] hoeft het griffierecht en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de akte niet aan Infomedics te betalen.\n\n3. De beoordeling\n\nDe hoofdsom en de rente\n\n3.1. Vaststaat dat [gedaagde] op 22 januari 2025 een tandheelkundige behandeling heeft ondergaan. De kosten daarvoor waren, na vergoeding door de zorgverzekeraar van [gedaagde] , € 48,45. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van de gevorderde hoofdsom niet betwist. De hoofdsom van € 48,45 is dan ook toewijsbaar. Ook de gevorderde rente van € 1,06 is niet betwist en op grond van de wet toewijsbaar.\n\nDe buitengerechtelijke incassokosten\n\n3.2. De gevorderde incassokosten komen voor vergoeding in aanmerking als is voldaan aan de eisen van artikel 6:96 lid 5 en 6 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het daarop gebaseerde Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Daarin is het bedrag dat voor vergoeding in aanmerking komt beperkt. En ook is daarin vastgelegd dat die vergoeding pas verschuldigd is als de gedaagde partij – [gedaagde] – éérst in de gelegenheid is gesteld om het achterstallige bedrag nog gedurende veertien dagen zonder aanvullende kosten te voldoen en hij die gelegenheid niet heeft benut. In dit geval is aan de wettelijke eisen voldaan. De gevorderde vergoeding van € 40,00 is eveneens toewijsbaar.\n\nDe dagvaardingskosten en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de dagvaarding\n\n3.3. \n [gedaagde] heeft niet betwist dat zij te laat is met het betalen van de nota van de tandarts, waardoor Infomedics [gedaagde] uiteindelijk heeft moeten dagvaarden, met bijkomende kosten tot gevolg. [gedaagde] heeft de verschuldigdheid van de dagvaardingskosten van € 120,78 en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de dagvaarding van € 40,00 niet betwist. Die kosten zijn toewijsbaar.\n\nBetaling vóór de rolzitting\n\n3.4. \n [gedaagde] heeft gesteld dat zij op 2 september 2025 – de dag voor de rolzitting op 3 september 2025 – alles heeft betaald. Uit de akte vermindering van eis is op te maken dat de gemachtigde van Infomedics in totaal het bedrag van € 250,21 van [gedaagde] heeft ontvangen. Met dat bedrag heeft [gedaagde] de hoofdsom, de buitengerechtelijke incassokosten, de rente, de dagvaardingskosten en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de dagvaarding (hierna: ‘hoofdsom met bijkomende kosten’) volledig betaald.\n\n3.5. De vorderingen van Infomedics tot betaling van de hoofdsom en bijkomende kosten worden om die reden dan ook afgewezen.\n\nHet griffierecht en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de akte blijven voor rekening van Infomedics\n\n3.6. De vraag die resteert is of de rolzitting op 3 september 2025 doorgang had moeten vinden.\n\n3.7. \n [gedaagde] vindt van niet, omdat zij de hoofdsom met bijkomende kosten de dag vóór de rolzitting van 3 september 2025 heeft betaald. Zij wist niet dat zij vijf dagen vóór de rolzitting had moeten betalen. Anders had zij dat wel gedaan. Zij heeft nog contact met Infomedics opgenomen over haar betaling. Echter de gemachtigde van Infomedics gaf aan dat zij de betaling niet meer voor de rolzitting kon nagaan.\n\n3.8. Infomedics vindt van wel. Partijen zijn een betalingsregeling van (minimaal) € 30,00 per maand onder verband van vonnis overeengekomen. Dat betekent dat de rolzitting gewoon doorgang zou vinden. De verwijzing naar de vijf dagen stond in de dagvaarding en had betrekking op de hoofdsom en de bijkomende kosten. Echter, partijen waren een betalingsregeling overeengekomen waardoor het in één keer betalen van de hoofdsom en bijkomende kosten op dat moment niet meer nodig was. Na de rolzitting heeft [gedaagde] contact opgenomen met de gemachtigde van Infomedics, maar zij kon op dat moment de zaak niet meer voor de rolzitting doorhalen. [gedaagde] is daarom het griffierecht (en het salaris gemachtigde voor de akte) verschuldigd.\n\n3.9. De kantonrechter is van oordeel dat Infomedics deze procedure vóór de rolzitting op 3 september 2025 wél had kunnen intrekken. Het griffierecht en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de akte moeten daarom voor rekening van Infomedics blijven. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt.\n\n3.10. Weliswaar heeft [gedaagde] niet vijf dagen vóór de rolzitting aan (de gemachtigde van) Infomedics betaald, maar Infomedics heeft niet betwist dat [gedaagde] op 2 september 2025, dus vóór de rolzitting op 3 september 2025, de hoofdsom en de bijkomende kosten heeft betaald. De rolzitting had dus geen doorgang hoeven hebben en deze procedure had dus ingetrokken kunnen worden, waardoor Infomedics het griffierecht niet had hoeven te betalen en ook geen akte had hoeven te nemen. Dat kennelijk het financiële systeem van de gemachtigde van Infomedics niet zo ingericht is dat een betaling snel getraceerd kan worden, is een omstandigheid die voor rekening en risico van Infomedics blijft. Het griffierecht en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de akte worden om die reden afgewezen. Dit betekent dat [gedaagde] het griffierecht en het salaris gemachtigde voor het opstellen van de akte niet aan Infomedics hoeft te betalen.\n\nDe (resterende) proceskosten worden gecompenseerd\n\n3.11. Gelet op het voorgaande ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\n4. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\n4.1. wijst de vorderingen van Infomedics af, omdat die voor de rolzitting op 3 september 2025 zijn voldaan,\n\n4.2. compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2025.\n\nHht\u002F37278","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2025:7851","ecli-nl-rbmne-2025-7851",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23}]