[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-arnhem":3},{"court":4,"decisions":10},{"id":5,"name":6,"country":7,"level":8,"jurisdiction":9},60,"Arnhem","nl","first_instance","criminal",[11,24,31,38,47,54,61,69,77,84,92,99,106,113,120,127,136,143,150,157],{"id":12,"ecli":13,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":16,"language":7,"source":17,"sourceUrl":18,"summary":14,"slug":19,"metadata":20},"588","ECLI:NL:RBGEL:2026:5355","","2026-07-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 26\u002F2475uitspraak van de voorzieningenrechter van\n\nin de zaak tussen\n [verzoeker] , h.o.d.n. [bedrijf] , uit [woonplaats] , verzoeker\n\nen\n\nde burgemeester van de gemeente Nijmegen\n\n(gemachtigden: mr. E. Terwindt en A. Kahil).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van de burgemeester om de aanvraag om een Alcoholwetvergunning voor de uitoefening van het horecabedrijf [bedrijf] , [adres] in [plaats] , te weigeren en verzoeker te gelasten de horeca-inrichting vanaf 20 mei 2026 gesloten te houden voor publiek. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij heeft bezwaar gemaakt en verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen. Daartoe voert hij een aantal gronden aan.1.1.. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekster.\n\n1.3.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.1.4.. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nProcesverloop\n\n2. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een alcoholwetvergunning voor de uitoefening van het horecabedrijf [bedrijf] . De burgemeester heeft deze aanvraag met het besluit van 4 mei 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.1.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, zijn partner [partner] en de gemachtigden van de burgemeester.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nSpoedeisend belang\n\n3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. 3.1. De burgemeester heeft het spoedeisend belang betwist. Het bedrijf aan de [adres] is al gesloten en staat bovendien alweer te huur. 3.2. Verzoeker heeft op de zitting toegelicht dat hij zijn bedrijf conform het besluit van de burgemeester heeft gesloten in afwachting van de uitspraak van de voorzieningenrechter. Omdat de kosten (huur, personeelslasten en andere kosten) gewoon doorlopen heeft hij ervoor gekozen om het pand te huur te zetten. Met de inkomsten kunnen de kosten betaald worden. Bij toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening kan hij zijn bedrijf heropenen. Een andere huurder is nog niet gevonden. 3.3. Gelet op de nadere toelichting van verzoeker is sprake van voldoende spoedeisend belang. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom inhoudelijk beoordelen.Oordeel van de voorzieningenrechter\n\n4. Verzoeker heeft op 25 juli 2025 een aanvraag ingediend voor een Alcoholwetvergunning voor de uitoefening van het horecabedrijf [bedrijf] . De burgemeester heeft het Landelijk Bureau Bibob (LBB) verzocht advies uit te brengen over de aanvraag. 4.1. Op 23 februari 2026 heeft het LBB advies uitgebracht. Het LBB concludeert na onderzoek dat er een ernstig gevaar bestaat dat de aangevraagde vergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen (artikel 3, eerste lid, onderdeel b, van de Wet Bibob). Er is in strijd met de Arbeidstijdenwet, de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) en de Wet minimum loon gehandeld. Deze strafbare feiten zijn gepleegd bij horecaondernemingen [bedrijf] in [plaats] en [plaats] en de gevraagde vergunning ziet eveneens toe op de exploitatie van een horecaonderneming. De aangevraagde vergunning maakt het mogelijk om dergelijke strafbare feiten te plegen. Verzoeker heeft bovendien niet op het bibob-formulier vermeld dat de arbeidsinspectie hem een bestuurlijke boete van € 3.000,- heeft opgelegd omdat hij in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen heeft gehandeld. Dat betekent dat het Bibob-formulier valselijk is opgemaakt. Het LBB concludeert daarom dat sprake is van feiten en omstandigheden die redelijkerwijs kunnen doen vermoeden dat ter verkrijging van de vergunning een strafbaar feit is gepleegd, namelijk valsheid in geschrifte (artikel 3, zesde lid van de Wet Bibob). 4.2. De burgemeester heeft op grond van de uitkomst van het Bibob-onderzoek van het LBB en het door de burgemeester zelf uitgevoerde onderzoek besloten de aanvraag voor een Alcoholwetvergunning voor het adres [adres] in [plaats] te weigeren en daarnaast een last onder bestuursdwang opgelegd en verzoeker gelast de horeca-inrichting te sluiten.\n\n5. Verzoeker stelt dat de burgemeester onvoldoende heeft onderbouwd waarom de vergunning zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen. Het feit dat sprake is van valsheid in geschrifte is volgens verzoeker bovendien onvoldoende feitelijk vastgesteld en onevenredig zwaar meegewogen.\n\n5.1.. Niet in geschil is dat verzoeker de door de arbeidsinspectie op 27 maart 2025 opgelegde bestuurlijke boete niet op het Bibob-formulier heeft gemeld.\n\n5.2.. De burgemeester is op grond van artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob bevoegd de gevraagde vergunning te weigeren indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging of behoud van de aangevraagde dan wel gegeven beschikking een strafbaar feit is gepleegd, mits de weigering evenredig is met, ingeval van vermoedens, de ernst daarvan en met de ernst van het strafbare feit.\n\n5.3.. Het is vaste rechtspraak van de Afdelingdat het de taak is van de aanvrager om het Bibob-formulier op juiste wijze in te vullen. Dit formulier bevat de duidelijke en specifieke vraag of de aanvrager de voorgaande vijf jaar in Nederland of het buitenland een bestuurlijke boete van € 340 of meer heeft gekregen. Verzoeker had zich daarom naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen en moeten realiseren dat hij in antwoord daarop de opgelegde bestuurlijke boete had moeten vermelden. Dat hiertegen bezwaar was gemaakt maakt dat niet anders. De vraagstelling op het Bibob-formulier is duidelijk en heeft betrekking op opgelegde bestuurlijke boetes. Die vragen moeten volledig en naar waarheid beantwoord worden. Het is dan aan de burgemeester om te beoordelen of de opgelegde bestuurlijke boete al dan niet een beletsel vormt voor vergunningverlening.\n\n5.4.. Artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob biedt derhalve een grondslag om tot weigering van de gevraagde vergunning over te gaan. Van belang is bovendien dat de bestuurlijke boete is opgelegd wegens het overtreden van artikel 2, eerste lid, van de Wav. Dat is een feit dat bij uitstek niet is te verenigen met het exploiteren van een horecazaak, en is bovendien ernstig. De horeca is immers een branche die kwetsbaar is voor dit soort strafbare feiten. De aangevraagde vergunning maakt het bovendien mogelijk om dergelijke strafbare feiten te plegen en verzoeker staat in relatie tot de gepleegde feiten.\n\n5.5.. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat weigering van de gevraagde vergunning ook evenredig is. Er is sprake van opzet en verzoeker heeft in de afgelopen 5 jaar meermaals in strijd met arbeidsregelgeving gehandeld, steeds vanuit een horeca-inrichting. Bij een aantal van deze strafbare feiten ging het om werknemers met een kwetsbare positie in de maatschappij (asielzoekers). De aangevraagde vergunning maakt het mogelijk om strafbare feiten als overtredingen van de arbeidswetgeving te plegen. Ook kan de vergunning het plegen van valsheid in geschrifte in algemene zin faciliteren. Volgens de burgemeester is het niet mogelijk om voorwaarden aan de vergunning te verbinden om het gevaar weg te nemen.\n\n5.6.. De voorzieningenrechter stelt vast dat de door de burgemeester gegeven onderbouwing dat het besluit tot weigering evenredig is, met name ziet op de algemene beginselen die aan de Wet Bibob ten grondslag liggen. De specifieke belangen van verzoeker zijn in het geheel niet meegewogen. Het besluit is in die zin onvoldoende gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig voorbereid. Wel is de voorzieningenrechter van oordeel dat het aannemelijk is dat de burgemeester dit gebrek in de beslissing op bezwaar kan herstellen. De burgemeester heeft in reactie op de zienswijze namelijk wel aangegeven dat verzoeker als kok in loondienst aan de slag kan en dat de partner van verzoeker een uitkering heeft. Beiden zijn derhalve voor hun inkomen niet puur afhankelijk van de exploitatie van hun horecazaak. Het toewijzen van een verzoek om voorlopige voorziening omdat de belangen van verzoeker onvoldoende zijn meegewogen is naar het oordeel van de voorzieningenrechter bovendien te verstrekkend. Dit zou er immers op neerkomen dat verzoeker, in weerwil van het advies van het LBB en het door verzoeker gepleegde strafbare feit van valsheid in geschrifte, zou worden toegestaan een horecazaak te exploiteren.\n\n5.7.. Omdat de burgemeester het gebrek naar verwachting kan herstellen is er geen reden om aan te nemen dat het besluit van de burgemeester om de gevraagde Alcoholwetvergunning op grond van artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob te weigeren niet in stand zal blijven. Artikel 3, zesde lid, van de Wet Bibob biedt een zelfstandige bevoegdheid voor de burgemeester om een gevraagde vergunning te weigeren. De voorzieningenrechter zal de vraag of de burgemeester ook mocht weigeren die vergunning te verlenen vanwege het ernstig vermoeden dat met de vergunning strafbare feiten zullen worden gepleegd dan ook niet beoordelen.\n\n6. Omdat verzoeker voor de exploitatie van de horeca-inrichting geen alcoholwetvergunning heeft, en hij ook niet in het bezit is van een exploitatievergunning heeft de burgemeester hem terecht gelast het bedrijf te sluiten en gesloten te houden. De burgemeester hoeft hierbij niet de beslissing op het bezwaarschrift af te wachten.\n\nConclusie 7.De voorzieningenrechter concludeert dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Dit gebrek kan evenwel naar verwachting in de beslissing op bezwaar hersteld worden. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is geen aanleiding. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af.\n\n8. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.Y. Snoeren-Bos, griffier en openbaar gemaakt door middel van publicatie op rechtspraak.nl.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4169.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5355","ecli-nl-rbgel-2026-5355",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},"Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht","uitspraak","Uitspraak",{"id":25,"ecli":26,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":27,"language":7,"source":17,"sourceUrl":28,"summary":14,"slug":29,"metadata":30},"589","ECLI:NL:RBGEL:2026:5367","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 26\u002F2749 en 26\u002F2822uitspraak van de voorzieningenrechter van\n\nop het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen\n\n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijkerk\n\n(gemachtigde: [gemachtigde] )\n\nAls derde-partij nemen aan de zaken deel: [naam 1] en [naam 2] uit [plaats] .\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de aan eiser opgelegde last onder dwangsom wegens het plaatsen van vier chalets op het perceel aan de [adres] in Nijkerk (kadastraal bekend als gemeente Nijkerk Gelderland, sectie [sectie] perceelnummer [nummer] ) zonder benodigde omgevingsvergunning.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de last onder dwangsom heeft mogen opleggen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dan ook ongegrond. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af. De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij wijze van voorlopige voorziening de begunstigingstermijn met terugwerkende kracht te verlengen tot zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Bij besluit van 16 december 2025 heeft het college de last onder dwangsom opgelegd. Met het bestreden besluit van 22 mei 2026 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.1.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 22 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser, de gemachtigde van het college en de derde-partij hebben deelgenomen aan de zitting.\n\n2.2.. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, beslist zij ook op het beroep van eiser daartegen.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n3. De voorzieningenrechter bespreekt hieronder eerst kort waar deze zaak over gaat. Daarna zet zij het wettelijk kader uiteen. Vervolgens beoordeelt de voorzieningenrechter de rechtmatigheid van de opgelegde last onder dwangsom.\n\nWaar gaat deze zaak over?\n\n4. Op 1 september 2025 heeft het college een handhavingsverzoek van de derde-partij ontvangen in verband met vier geplaatste chalets op het perceel van eiser. De derde-partij heeft verzocht om deze chalets te (laten) verwijderen aangezien deze illegaal zijn geplaatst. Naar aanleiding van het handhavingsverzoek heeft een toezichthouder van het college een controle verricht op het perceel. De toezichthouder heeft geconstateerd dat vier\n\nchalets zijn geplaatst op het perceel binnen vijf meter van de perceelsgrens. Dit is een overtreding van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan van de gemeente Nijkerk . Eiser heeft geen omgevingsvergunning om van het omgevingsplan af te wijken. Op 16 december 2025 heeft het college aan eiser een last onder dwangsom opgelegd waarin hij gelast is om de geplaatste chalets te verwijderen of om de chalets vergunningvrij uit te voeren.\n\n4.1.. Tegen het besluit van 16 december 2025 heeft eiser bezwaar gemaakt. Voordat het college een beslissing op bezwaar heeft genomen, heeft het advies ingewonnen bij de bezwaarschriftencommissie. Bij besluit van 22 mei 2026 heeft het college, in navolging van het advies van de commissie, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de last onder dwangsom in stand gelaten.\n\nWettelijk kader\n\n5. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel waar de chalets staan, was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan ‘Buitengebied Nijkerk 2017, veegplan 2’ van kracht. Dit bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Nijkerk . Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Onder een omgevingsplanactiviteit valt (onder meer) een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan.\n\n5.1.. Op het perceel geldt de bestemming ‘Recreatie’ met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van waarde - 6’. Volgens artikel 17.2.2 onder b van het bestemmingsplan is het uitsluitend toegestaan om ‘andere bouwwerken’ te bouwen binnen een afstand van vijf meter tot enige perceelsgrens.\n\nBeginselplicht tot handhaving\n\n6. Eiser betwist niet dat sprake is van een overtreding. Tussen partijen is dan ook niet in geschil dat sprake is van een overtreding.\n\n6.1.. Als sprake is van een overtreding, dan is het college bevoegd om daar handhavend tegen op te treden. Als uitgangspunt geldt dat het college ook gebruik moet maken van zijn bevoegdheid om handhavend op te treden. Dit wordt ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving.\n\n6.2.. In bepaalde gevallen mag van het college toch worden verwacht dat het afziet van handhavend optreden. Dat is bijvoorbeeld het geval als handhavend optreden onevenredig is. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel zijn.\n\nIs handhavend optreden onevenredig omdat sprake is van concreet zicht op legalisatie?\n\n7. Eiser wijst erop dat hij een omgevingsvergunning heeft aangevraagd en dat er daarom sprake is van concreet zicht op legalisatie.\n\n7.1.. De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van concreet zicht op legalisatie. Dat legt zij hieronder uit.\n\n7.2.. \n\nDe voorzieningenrechter stelt voorop dat vaststaat dat eiser op 10 februari 2026 (opnieuw) een omgevingsvergunning heeft aangevraagd. Het enkele feit dat een aanvraag is ingediend is echter niet voldoende om concreet zicht op legalisatie aan te nemen. Van concreet zicht op legalisatie is bij strijd met het omgevingsplan immers pas sprake als het college te kennen heeft gegeven bereid te zijn om de aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van het omgevingsplan. Het college heeft daar in het verweerschrift over opgemerkt dat het nieuw ingediende plan overeenkomt met een eerder ingediend plan uit 2023. Dit plan is in strijd met het omgevingsplan en het college is niet bereid om een omgevingsvergunning te verlenen om af te wijken van het omgevingsplan. Reeds om die reden is geen sprake van concreet zicht op legalisatie.\n\nDe beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs handhavend optreden om andere redenen onevenredig?\n\n8. Eiser voert aan dat hij te maken heeft met aanzienlijke financiële druk en schuldeisers. De gevolgen van onmiddellijke handhaving zijn voor hem daarom zeer ingrijpend en mogelijk onomkeerbaar. De chalets zijn momenteel niet in gebruik en worden dus niet verhuurd. Er is daarom geen sprake van aantoonbare overlast. Ook wijst eiser erop dat er in de vergunningzaak, die op dit moment ook bij de rechtbank loopt, nog geen duidelijkheid is verschaft over een juridische houdbare oplossing. Volgens eiser is het redelijk om eerst de uitkomst van die procedure af te wachten. Ook heeft eiser aangevoerd dat de situatie eerst gedoogd werd en dat hij verwachtte dat er in overleg met de gemeente een oplossing gevonden zou worden. Die verwachting was ook logisch, omdat ondertussen gedurende meerdere jaren gesprekken zijn gevoerd over legalisatie, aangepaste plannen en alternatieve situeri ngen.\n\n8.1.. Voor wat betreft de gestelde de financiële gevolgen voor eiser merkt de voorzieningenrechter allereerst op dat eiser niet per se gelast is om de chalets te verwijderen. Zoals eerder aangegeven kan eiser (een deel van de) chalets vergunningvrij plaatsen op het perceel. Gehele verwijdering, verkoop of transport van de chalets is daarom niet per definitie aan de orde. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt verder dat het feit dat handhavend optreden mogelijk ernstige financiële gevolgen heeft voor degene ten laste van wie wordt gehandhaafd, niet maakt dat handhavend optreden daardoor zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat het bestuursorgaan daarvan om die reden behoort af te zien.Dat geen sprake is van overlast, maakt ook niet dan het college om die reden van handhaving had behoren af te zien. Dit is namelijk geen bijzondere omstandigheid om van handhavend optreden af te zien. Ook als er geen overlast zou worden ervaren, wat door de derde-partij overigens wordt betwist, is het college in beginsel nog steeds verplicht om handhavend op te treden. Handhavend optreden kan in voorkomende gevallen wel onevenredig zijn bij een overtreding van geringe aard en omvang, maar daar is in dit geval geen sprake van.\n\n8.2.. Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat het niet onevenredig is dat het college de uitkomst van het beroep over de aangevraagde omgevingsvergunning bij de rechtbank niet af wil wachten. In die zaak gaat het over een aangevraagde omgevingsvergunning voor de plaatsing van vier chalets op het perceel. Het college heeft deze aanvraag afgewezen, omdat dit bouwplan volgens het college vergunningvrij is. Eiser heeft op zitting toegelicht dat dit bouwplan in de praktijk niet verwezenlijkt kan worden, omdat het plan betrekking heeft op kleinere chalets dan de chalets die nu aanwezig zijn op het perceel. De voorzieningenrechter is gelet daarop van oordeel dat de uitkomst in die zaak weinig tot geen betekenis heeft voor deze handhavingszaak. Dat bouwplan biedt namelijk geen reële mogelijkheid om de overtreding te beëindigen. Het is dan ook niet onredelijk dat het college de uitkomst in die zaak niet wil afwachten. Daar merkt de voorzieningenrechter nog bij op dat het naar haar oordeel voldoende duidelijk is hoe eiser aan de last kan voldoen; ofwel door de chalets af te breken, of door ze zo te plaatsen dat ze vergunningvrij zijn. Dat zou ook kunnen betekenen dat niet alle vier de chalets kunnen blijven staan, maar dat één of meerdere chalets verwijderd moeten worden. Het college heeft eiser terecht de vrijheid geboden om zelf te bepalen hoe hij aan de last kan voldoen, en dus ook op welke manier hij de chalets vergunningvrij kan plaatsen. Het is niet aan het college om daar alle mogelijke opties voor aan te dragen.\n\n8.3.. \n\nTen slotte overweegt de voorzieningenrechter dat de omstandigheid dat de situatie eerst gedoogd werd, niet maakt dat handhavend optreden onevenredig is. Het college erkent dat destijds is aangegeven dat de situatie tijdelijk gedoogd werd, maar daar is wel uitdrukkelijk bij aangegeven dat dit niet betekent dat het college nooit meer handhavend zou kunnen optreden. Toen er een handhavingsverzoek werd ingediend, was het college gehouden om daarop te beslissen en om uiteindelijk tot handhavend optreden over te gaan. Eiser heeft er niet gerechtvaardigd op kunnen vertrouwen dat het college niet handhavend op zou treden.\n\nDe beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs de begunstigingstermijn te kort?\n\n9. Eiser voert aan dat de hem geboden begunstigingstermijn van 6 weken te kort is.\n\n9.1.. In het primaire besluit heeft eiser een termijn gekregen tot 11 maart 2026. Vervolgens heeft het college deze termijn verlengd tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Het college heeft in het verweerschrift toegelicht dat het als uitgangspunt heeft genomen dat de begunstigingstermijn niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen en dat de termijn in overeenstemming is met Uitvoerings- en Handhavingsstrategie van het college. Het college heeft dus toegelicht waar de begunstigingstermijn op gebaseerd is. Eiser heeft daarentegen enkel in algemene zin gesteld dat dat de opgelegde begunstigingstermijn van zes weken naar zijn mening niet realistisch is, maar heeft in zijn geheel niet onderbouwd waarom dat zo is. De voorzieningenrechter heeft dan ook geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de begunstigingstermijn te kort was.\n\n9.2.. Op dit moment is de begunstigingstermijn al verstreken. De voorzieningenrechter heeft op zitting aangegeven in deze uitspraak met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen en de begunstigingsstermijn (uit coulance) te verlengen, om eiser op die manier nog een mogelijkheid te bieden om aan de last te voldoen zonder dat hij een dwangsom verbeurt. De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding om de begunstigingstermijn met terugwerkende kracht te verlengen tot zes weken na verzending van deze uitspraak.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is ongegrond. Omdat de voorzieningenrechter op het beroep beslist, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af. Zoals onder 9.2 is overwogen, wordt de begunstigingstermijn wel met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb (uit coulance) verlengd tot zes weken na verzending van deze uitspraak.\n\n10.1.. Omdat het beroep ongegrond is, bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;\n\n- verlengt bij wijze van voorlopige voorziening de begunstigingstermijn met terugwerkende kracht tot zes weken na verzending van deze uitspraak.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.\n\n Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\n ABRvS 7 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1467 en ABRvS 15 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:614.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5367","ecli-nl-rbgel-2026-5367",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":32,"ecli":33,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":34,"language":7,"source":17,"sourceUrl":35,"summary":14,"slug":36,"metadata":37},"626","ECLI:NL:RBGEL:2026:5368","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 26\u002F3156uitspraak van de voorzieningenrechter van\n\nin de zaak tussen\n [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker\n\n(gemachtigden: mr. H. Doornhof en mr. J.M. Luttge),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen\n\n(gemachtigde: mr. M. Litjens en J. Bannink).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het college waarin het handhavingsverzoek van verzoeker is afgewezen.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening af. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college het handhavingsverzoek namelijk terecht afgewezen en heeft het bezwaar dus geen redelijke kans van slagen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nProcesverloop\n\n2. Op 26 mei 2026 heeft verzoeker een handhavingsverzoek ingediend, waarin hij het college vraagt om handhavend op te treden tegen de zonder omgevingsvergunning aangevangen bouw en het beoogde gebruik van een tijdelijke opvanglocatie voor dak- en thuislozen aan het [adres] te [plaats] . Bij besluit van 16 juni 2026 heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen, omdat volgens het college sprake is van concreet zicht op legalisatie.\n\n2.1.. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, die – kort samengevat – inhoudt dat de gemeente de opvanglocatie voorlopig niet in gebruik mag nemen.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Verzoeker, de gemachtigden van verzoeker en de gemachtigden van het college hebben deelgenomen aan de zitting.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n3. De voorzieningenrechter beoordeelt of het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan namelijk een reden zijn om een voorlopige voorziening te treffen. Of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft, beoordeelt de voorzieningenrechter aan de hand van de gronden van verzoeker.\n\nIs het handhavingsverzoek terecht afgewezen?\n\n4. Het college heeft aan de afwijzing van het handhavingsverzoek ten grondslag gelegd dat er sprake is van concreet zicht op legalisatie. Verzoeker betwist dit. Verzoeker wijst erop dat het op voorhand niet aannemelijk is dat de aangevraagde vergunning zal worden verleend. Hij draagt daar een aantal argumenten voor aan, die er samengevat op neerkomen dat de opvang niet strekt tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Zo is bijvoorbeeld onvoldoende onderzoek gedaan naar de sociale veiligheid en eventuele overlast.\n\n4.1.. De voorzieningenrechter stelt voorop dat gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, naar aanleiding van een verzoek om handhaving in de regel een toereikende motivering zal moeten geven waarom hij van deze bevoegdheid geen gebruik wil maken. Dat geldt nog meer in een situatie dat, zoals hier het geval, een overheidsorgaan de overtreder is. Uit de motivering moet blijken van bijzondere omstandigheden waarom het bestuursorgaan meent dat handhaving niet kan worden gevergd. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie van de onrechtmatige situatie bestaat.\n\n4.2.. Het college heeft in het bestreden besluit de aanvraag afgewezen omdat volgens hem sprake is van concreet zicht op legalisatie. Concreet zicht op legalisatie is er, in een geval als hier aan de orde, als een aanvraag is ingediend en het college bereid is om de omgevingsvergunning te verlenen. Vast staat en niet in geschil is dat de gemeente een aanvraag heeft ingediend voor een (legaliserende) omgevingsvergunning. Ook heeft het college op zitting toegelicht dat er bereidheid is om deze omgevingsvergunning te verlenen, en dat de vergunning ook elk moment verleend kan worden. Onder die omstandigheden is dus sprake van concreet zicht op legalisatie. Reeds daarom is het handhavingsverzoek van verzoeker terecht afgewezen. Dit is door het college ook voldoende begrijpelijk gemotiveerd in het bestreden besluit.\n\n4.3.. Het betoog van verzoeker komt er in feite op neer dat de nog te verlenen omgevingsvergunning in een eventueel bezwaar of beroep geen stand zal houden, omdat van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties geen sprake is en dat daarom de ingebruikname van de daklozenopvang bij wijze van voorlopige voorziening zou moeten worden verboden. De voorzieningenrechter kan er in deze handhavingszaak niet op vooruit lopen of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De voorzieningenrechter heeft namelijk geen inzicht in de door het college verrichte onderzoeken en de afwegingen en motivering die aan de omgevingsvergunning ten grondslag zullen liggen. Het voert om die reden in het kader van deze procedure dan ook te ver om, vooruitlopend op deze omgevingsvergunning, de ingebruikname bij wijze van voorlopige voorziening te verbieden. Het college heeft op zitting toegezegd dat het twee dagen zal wachten met de ingebruikname van de daklozenopvang ná het verlenen van de omgevingsvergunning. Verzoeker heeft dan de mogelijkheid om tegen dat besluit bezwaar te maken en om (eventueel) een verzoek om een voorlopige voorziening hangende dat bezwaar in te dienen bij de voorzieningenrechter. In die procedure kan beoordeeld worden of het college in redelijkheid heeft kunnen menen dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Mocht dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet zo zijn, dan zou in die zaak de omgevingsvergunning bij wijze van voorlopige voorziening geschorst kunnen worden. Daar kan nu niet op vooruit worden gelopen.\n\n4.4.. Omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe griffier is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5368","ecli-nl-rbgel-2026-5368",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":39,"ecli":40,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":41,"fullText":42,"language":7,"source":17,"sourceUrl":43,"summary":14,"slug":44,"metadata":45},"656","ECLI:NL:RBDHA:2026:18521","2026-07-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.33159\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaak tussen\n [eiser], v-nummer: [nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.L. Saija),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft de door eiser gestelde problemen met zijn oom namelijk terecht ongeloofwaardig geacht. Het bestreden besluit bevat een motiveringsgebrek, waardoor de rechtbank het bestreden besluit zal vernietigen. Zij ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 14 juli 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in Guinee problemen heeft gehad met zijn oom [naam oom 1] (oom). Zowel eiser als zijn vader zijn van gemengde etniciteit en dat werd in de familie niet geaccepteerd. De vader van eiser is om die reden bedreigd en uiteindelijk in opdracht van de oom tijdens een voetbalwedstrijd vermoord. Eiser heeft toen samen met een vriend van zijn vader een onderzoek laten opstarten zodat de daders opgepakt konden worden. Naar aanleiding daarvan werd ook hij bedreigd. De vriend van zijn vader is door het instellen van dit onderzoek verdwenen. Eiser heeft toch aangifte gedaan en is vervolgens mishandeld door zijn oom. Zijn oom heeft een hoge functie bij de militaire politie en uiteindelijk is eiser opgesloten in een politiecel. Daar is hij gemarteld. Met hulp van een vriend en een bewaker is eiser ontsnapt en vervolgens gevlucht uit Guinee. Eiser vreest dat hij bij terugkeer weer opgepakt en gemarteld zal worden door zijn oom.\n\n3.1.. Ten tijde van het indienen van zijn asielaanvraag en het naar voren brengen van zijn zienswijze heeft eiser geen documenten ter staving van zijn asielaanvraag overgelegd. In de beroepsprocedure is door eiser wel een document overgelegd. Dit betreft een vonnis ter vervanging van de overlijdensakte van zijn vader. Hierin wordt bevestigd dat de vader van eiser tijdens etnisch geweld om het leven is gekomen.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\n- identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n- problemen met oom.\n\nHet eerste asielmotief acht de minister geloofwaardig, maar het tweede asielmotief is ongeloofwaardig geacht. De verklaringen van eiser zijn niet onderbouwd met objectieve documenten, dus heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval omdat niet voldaan is aan artikel 31, zesde lid, onder a en c, van de Vw 2000, zoals dat luidde tot 12 juni 2026. Eiser heeft volgens de minister namelijk geen oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven en zijn verklaringen over het asielmotief vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel.\n\nIs de geloofwaardigheidsbeoordeling in WI 2024\u002F6 in strijd met het Unierecht?\n\n5. De beroepsgrond dat de door de minister toegepaste, en in de WI 2024\u002F6 opgenomen geloofwaardigheidsbeoordeling niet in overeenstemming is met het Unierecht, slaagt niet. De rechtbank verwijst voor dit oordeel naar de uitspraken van 25 juni 2025en 8 september 2025. De rechtbank ziet in de onderhavige zaak geen aanleiding voor een ander oordeel.\n\nMocht de minister de problemen van eiser met zijn oom ongeloofwaardig achten?\n\nStap 2a – onderbouwing met documenten\n\n6. Eiser betoogt dat de minister zijn asielmotief dat hij problemen heeft ondervonden met zijn oom, ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Zijn asielaanvraag is ten onrechte afgewezen.\n\n6.1.. Niet is in geschil dat eiser het asielmotief met betrekking tot de problemen met zijn oom niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder a en c, van de Vw 2000, zoals dat luidde tot 12 juni 2026.\n\nGeen oprechte inspanning om de aanvraag met documenten te staven (voorwaarde a)\n\n7. Eiser betoogt dat de minister geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt. Eisers verklaringen zijn namelijk niet beoordeeld in onderlinge samenhang met het door hem in beroep overgelegde document, namelijk de (vervangende) overlijdensakte van zijn vader. De minister had aanleiding moeten zien om de overlijdensakte te laten onderzoeken door Bureau Documenten en integraal bij zijn verklaringen te betrekken en te laten meewegen in de geloofwaardigheidsbeoordeling. Daarbij heeft eiser betoogd dat het hem niet kan worden aangerekend dat hij de overlijdensakte niet eerder heeft overgelegd. Een vriend van zijn vader zou het regelen maar hij heeft lange tijd geen contact kunnen krijgen met deze vriend.\n\n7.1.. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn asielrelaas en zijn asielmotieven met objectieve documenten te staven. Eiser heeft gedurende de behandeling van zijn asielaanvraag ruim de mogelijkheid gehad om dit document in te brengen. Niet is gebleken dat eiser zich hier tijdig voor heeft ingespannen. Pas na de beslissing op zijn asielaanvraag is verzocht om een afgifte van een bewijs van overlijden van zijn vader, terwijl eiser tijdens het nader gehoorzelf verklaart dat een vriend van zijn vader hier al een geruime tijd mee bezig is. Dat eiser stelt geen contact te krijgen, komt voor zijn rekening en risico. De minister mag eiser daarom aanrekenen dat hij geen oprechte inspanning heeft verricht om eerder in het bezit te komen van deze documenten. Onder 10.1 gaat de rechtbank in op de vraag of de minister het in de beroepsfase overlegde vonnis met betrekking tot het overlijden van de vader van eiser alsnog integraal bij de verklaringen van eiser moet betrekken en meewegen.\n\nVerklaringen zijn niet samenhangend en aannemelijk en in strijd met beschikbare algemene en specifieke informatie die relevant is voor zijn verzoek (voorwaarde c)\n\n8. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte stelt dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zijn asielmotief is daarom onterecht ongeloofwaardig geacht. In de eerste plaats heeft de minister ten onrechte geen integrale beoordeling verricht van eisers verklaringen, ook in samenhang met de in beroep overgelegde bevestiging van overlijden van zijn vader. Daarnaast is de minister er met betrekking tot de verklaringen van eiser over zijn ontsnapping uit de politiecel ten onrechte van uitgegaan dat eiser heeft verklaard over één bewaker bij de gevangenis waarin hij was opgesloten. Eiser heeft het gehad over een plan van één bewaker en heeft niet gezegd dat de bewaking slechts uit één bewaker bestond. Hierbij verwijst eiser naar het nader gehoorwaaruit blijkt dat, anders dan de minister stelt, niet tweemaal is gevraagd of slechts één bewaker aanwezig was. Verder bedoelde eiser met de relatie tussen zijn oom en de jongens dat de jongens in dienst waren bij de politie en onder het gezag van eisers oom vielen. Ook heeft eiser in het aanmeldgehoor verklaard dat hij problemen heeft ondervonden van een andere oom, namelijk [naam oom 2] (de andere oom). De minister had nadere vragen moeten stellen over deze oom en de rol die hij heeft gespeeld bij de moord op zijn vader. Dit is ten onrechte niet gebeurd. Voor het overige verwijst eiser naar hetgeen hij in zijn zienswijze heeft gesteld.\n\n8.1.. De rechtbank stelt voorop dat eiser met zijn verwijzing naar de zienswijze in de beroepsgronden, de standpunten van de minister in het bestreden besluit niet gemotiveerd heeft bestreden of betwist. De rechtbank zal hier dan ook niet verder op ingaan.\n\nVerklaringen over andere oom8.2.. Tijdens het aanmeldgehoor heeft eiser verklaard over een andere oom. Die andere oom werd door eiser omschreven als een extremist en als degene die zijn oom feitelijk de opdracht heeft gegeven zijn vader om te brengen. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat het bevreemdend is dat eiser tijdens het nader gehoor in het geheel niet over deze andere oom spreekt. Pas op het einde van het nader gehooris het de gehoormedewerker zelf die eiser confronteert met zijn uitlatingen in het aanmeldgehoor en hem vraagt waarom eiser zijn andere oom geen enkele keer heeft genoemd. De stelling van eiser dat de minister hierop had moeten doorvragen, treft dan ook geen doel. Verder heeft eiser in zijn vrije relaas ook geen melding gemaakt van zijn andere oom. Van eiser mag verwacht worden dat hij, indien hij (ook) problemen heeft met deze oom en hierdoor asiel aanvraagt, dit in het vrije relaas naar voren brengt.\n\nEtniciteit ouders8.3.. De minister stelt zich verder terecht op het standpunt dat eiser in het aanmeldgehoor ongerijmd heeft verklaard over de etniciteit van zijn ouders. Eerst verklaart hij dat beide ouders de Koyanke etniciteit hebben. Later heeft eiser echter verklaard dat zijn moeder Gelzé is. Dit is tegenstrijdig. De rechtbank acht dit van groot belang gezien het feit dat eisers ouders een andere etniciteit zouden hebben de kern betreft van zijn asielrelaas.Juist het feit dat zijn ouders een verschillende etniciteit hebben zou de oorzaak van de problemen zijn geweest en de reden waarom de oom van eiser zijn vader heeft laten ombrengen. Dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de etniciteit van zijn ouders, plaatst zijn overige verklaringen in een ander licht en werkt dan ook integraal door in de geloofwaardigheid en de aannemelijkheid daarvan.\n\nOntsnapping uit de gevangenis8.4.. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich ook terecht op het standpunt dat eiser ongerijmd heeft verklaard over zijn ontsnapping uit de gevangenis. Eiser heeft in het nader gehoorverklaard dat de bewaker van de gevangenis het plan had om veel (alcohol) te gaan drinken zodat eiser de sleutel gewoon zou kunnen pakken. De minister stelt hierover terecht dat niet valt in te zien dat een bewaker bewust gevangenen laat ontsnappen om vervolgens een kennelijke staat van dronkenschap op te geven als verklaring voor zijn gebrek aan alertheid. Zeker niet nu niet duidelijk is geworden wat die bewaker daarvoor in ruil kreeg aangeboden. Verder heeft eiser verklaard dat hij de sleutel van de bewaker kon pakken om te ontsnappen, terwijl eiser ook verklaart dat de deur ‘kapot was gemaakt’ en dat iedereen begon te rennen.Deze verklaringen zijn tegenstrijdig. Naar het oordeel van de rechtbank betoogt eiser echter wél terecht dat uit zijn verklaringen in het nader gehoor niet kan worden opgemaakt dat hij heeft verklaard dat er slechts één bewaker was voor het gehele gevangeniscomplex. Dit leest de rechtbank ook niet zo terug in het verslag van het nader gehoor. Op de verduidelijkende vragen van de gehoormedewerker of er geen andere bewakers achter eiser aankwamen en of het om één bewaker ging, heeft eiser geantwoord dat het een plan was van één bewaker.Daarin leest de rechtbank niet, zoals de minister stelt, dat eiser heeft verklaard dat er maar één bewaker was voor de hele gevangenis. Daarmee is sprake van een motiveringsgebrek. De rechtbank zal hieronder onder 9 en verder bespreken wat de gevolgen hiervan zijn voor het bestreden besluit en de afwijzing van eisers asielaanvraag.\n\nDe rol van oom8.5.. Eiser betoogt naar het oordeel van de rechtbank terecht dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat niet duidelijk is wie die jongens zijn die zijn vader hebben gedood en eiser hebben bedreigd. Eiser heeft in het nader gehoor duidelijk uiteengezet dat het gaat om jongens die werken onder het gezag van zijn oom en die door zijn oom worden aangestuurd. Er is daarom ook op dit punt sprake van een motiveringsgebrek. Het beroep is vanwege de twee onterechte tegenwerpingen gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.\n\nArrest Ebilum\n\n9. De rechtbank ziet aanleiding om, met inachtneming van het arrest Ebilum, te beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op dit punt in stand gelaten kunnen worden. Daarbij geldt dat de rechter volgens dit arrest een eigen uitputtende en actuele beoordeling van de relevante feiten moet verrichtenen niet behoeft terug te verwijzen naar de minister als een volledig onderzoek heeft plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke situatie in onderhavige zaak sprake is en zal dat hierna toelichten.\n\nKan de geloofwaardigheidsbeoordeling van de minister in stand blijven?\n\n10. Naar het oordeel van de rechtbank maken de twee onterechte tegenwerpingen door de minister niet dat het asielmotief van eiser alsnog geloofwaardig moet worden geacht of dat de minister een nieuw onderzoek naar de feiten moet verrichten. Daarbij acht de rechtbank allereerst van belang dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de etniciteit van zijn ouders. Zoals overwogen onder 8.3 komt aan deze tegenstrijdigheid veel gewicht toe, nu juist het hebben van een verschillende etnische achtergrond van de (groot)ouders van eiser de basis vormt voor de rest van eisers verklaringen over het conflict met zijn oom en de moord op zijn vader. Deze tegenwerping raakt daarmee de kern van het asielrelaas. Verder heeft eiser niets verklaard over de andere oom terwijl die andere oom juist degene zou zijn geweest die op de achtergrond de initiator is geweest van het tegen de vader van eiser gerichte geweld. Ook dit raakt de kern van het asielrelaas. Tot slot heeft eiser ongerijmd verklaard over zijn ontsnapping, waarbij een bewaker bewust dronken zou zijn geworden zodat eiser kon ontsnappen. Ter zitting heeft de minister gesteld dat deze tegenwerpingen, die niet zijn bestreden, voldoende zijn voor het oordeel dat het asielmotief niet geloofwaardig is. Hieruit volgt dat het wegvallen van de twee tegenwerpingen de geloofwaardigheidsbeoordeling niet anders zou maken. De rechtbank onderschrijft dit standpunt.\n\n10.1.. Alles in onderlinge samenhang wegend oordeelt de rechtbank dat de minister het asielmotief problemen met de oom terecht ongeloofwaardig heeft verklaard. Daarbij betrekt de rechtbank dat de minister niet gehouden was om het document vonnis ter vervanging van de overlijdensakte van de vader van eiser, dat in de beroepsfase is overgelegd, alsnog te laten onderzoeken en te betrekken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Uit het document blijkt enkel dat de vader van eiser is overleden. De rol van de oom van eiser bij de dood van eisers vader kan hieruit niet worden afgeleid. De minister hoeft aan dit stuk dan ook niet meer belang te hechten dan dat aannemelijk is gemaakt dat de vader van eiser door geweld om het leven is gekomen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. Het beroep is gegrond. Het besluit moet wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd worden. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand, omdat zij oordeelt dat de overige tegenwerpingen de ongeloofwaardigheid van het asielmotief en daarmee de afwijzing van eisers asielaanvraag kunnen dragen. Dat betekent dat de afwijzing van eisers asielaanvraag in stand blijft.\n\n11.1.. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt €1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (1 punt per handeling met een waarde per punt van €934,- op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 14 juli 2025;\n\n- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €1.868,- .\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Rb. Den Haag, zp. Arnhem 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11149.\n\n Rb. Den Haag, zp. Arnhem 8 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16613.\n\n Pagina 17 van het nader gehoor.\n\n Pagina 18 van het nader gehoor.\n\n Pagina 21 van het nader gehoor.\n\n Pagina 4 en pagina 7 van het aanmeldgehoor.\n\n Pagina 19 van het nader gehoor.\n\n Pagina 8 van het nader gehoor.\n\n Pagina 19 van het nader gehoor.\n\n HvJEU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, punt 45. Zie ook de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats, 23 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:17061, r.o. 7.4.\n\n Punt 49 en 50.\n\n Op grond van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18521","ecli-nl-rbdha-2026-18521",{"courtName":6,"legalDomain":46,"decisionType":22,"procedureType":23},"Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":48,"ecli":49,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":41,"fullText":50,"language":7,"source":17,"sourceUrl":51,"summary":14,"slug":52,"metadata":53},"657","ECLI:NL:RBDHA:2026:18527","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.35099\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaak tussen\n [eiser], v-nummer: [nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie.\n\nProcesverloop\n\n1. De minister heeft op 17 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.\n\n1.1.. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.\n\n1.2.. De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft zij beslist bij uitspraak van 23 april 2026en op het eerste vervolgberoep heeft zij beslist bij uitspraak van 10 juni 2026.\n\n1.3.. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Daaruit blijkt dat de bewaring van eiser op 22 juni 2026 is opgeheven. Eiser heeft gereageerd op de voortgangsrapportage en de opheffing van de maatregel.\n\n1.4.. De rechtbank heeft op 1 juli 2026 het vooronderzoek gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.\n\nOverwegingen\n\n2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.\n\n3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 10 juni 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 3 juni 2026.\n\n4. Eiser voert aan dat, hoewel de bewaring op 22 juni 2026 is opgeheven omdat het belang van eiser zwaarder is gaan wegen dan het belang van de minister, deze belangenafweging in het voordeel van eiser eerder dan 22 juni 2026 had moeten plaatsvinden. Volgens eiser is er namelijk niets veranderd in zijn situatie met betrekking tot zijn uitzetting: hij heeft consequent verklaard niet mee te willen werken aan zijn uitzetting en presentatie in persoon. Er was op 30 juni 2026 nog een presentatie gepland voor eiser. Onduidelijk is waarom deze presentatie niet meer is afgewacht alvorens de bewaring op te heffen.\n\n4.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Over wat eiser in het kader van de belangenafweging aanvoert, oordeelt de rechtbank dat er geen feiten of omstandigheden zijn die, gelet op de duur van deze bewaring, voor de minister aanleiding hadden moeten zijn de bewaring bij een afweging van de belangen eerder op te heffen. Eiser heeft dit ook niet concreet gemaakt; hij heeft enkel aangevoerd dat hij eerder niet meewerkte aan zijn uitzetting en tot aan opheffing van bewaring nog steeds niet wilde meewerken aan zijn uitzetting. Uit het dossier volgt dat de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser heeft gewerkt tot het moment waarop is geconcludeerd dat het belang van eiser zwaarder ging wegen dan het belang van de minister. Er is immers op 9 maart 2026 een laissez-passer aangevraagd bij de Gambiaanse autoriteiten, waarna er veelvuldig is gerappelleerd. Daarnaast is geprobeerd eiser op 14 april 2026 te presenteren bij de Gambiaanse autoriteiten. Eiser is daar niet verschenen. Ook hebben er zes vertrekgesprekken met eiser plaatsgevonden, waarvan de laatste op 22 juni 2026. De beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\n5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid\n\nvan mr. M.H. Dijkman, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.\n\n Rb. Den Haag, zp. Arnhem 23 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9810.\n\n Rb. Den Haag, zp. Arnhem 10 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:16560.\n\n Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18527","ecli-nl-rbdha-2026-18527",{"courtName":6,"legalDomain":46,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":55,"ecli":56,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":41,"fullText":57,"language":7,"source":17,"sourceUrl":58,"summary":14,"slug":59,"metadata":60},"658","ECLI:NL:RBDHA:2026:18615","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.34750 en NL26.34805\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaak tussen\n [eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. M. Stoetzer-van Esch),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 6 juni 2026 heeft de minister aan eiser een aanvullend terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. De minister heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.\n\nEiser heeft tegen het terugkeerbesluit en de maatregel van bewaring afzonderlijk beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van bewaring moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft de beroepen op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\nHeeft de minister zijn bevoegdheid tot het opleggen van de maatregel van bewaring gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die is gegeven?\n\n1. Eiser betoogt allereerst dat bij de oplegging van de maatregel van bewaring sprake is geweest van détournement de pouvoir. De maatregel van bewaring is enkel opgelegd omdat eiser overlast gaf en verward was, maar de crisisdienst hem niet wilde opnemen. Daar is de maatregel van bewaring niet voor bedoeld.\n\n1.1.. De rechtbank overweegt dat uit artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht volgt dat sprake is van détournement de pouvoir wanneer het bestuursorgaan de bevoegdheid tot het nemen van een besluit gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.\n\n1.2.. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 6 juni 2026 volgt dat bij de politie een melding binnenkwam dat een jongen, eiser, overlast veroorzaakte, verward overkwam en voor het politiebureau stond. Hierop hebben verbalisanten met eiser gesproken. Nadat zij in het politiesysteem zagen dat eiser verwijderbaar was maar dat de vreemdelingenpolitie hier eerder niet op had ingezet, hebben zij eiser weggestuurd. Enkele minuten later zagen de verbalisanten echter dat eiser voor het politiebureau zich al zwaaiend met een deksel van een prullenbak naar een man bewoog. Hierop hebben de verbalisanten eiser in de hal van het politiebureau gezet. Nadat de crisisdienst liet weten eiser niet op te nemen, is hij aangehouden voor verstoring van de openbare orde.\n\n1.3.. De rechtbank is van oordeel dat uit deze gang van zaken volgt dat sprake is van een strafrechtelijke aanhouding. Dit betekent dat de rechtbank de beslissing om eiser aan te houden en na afronding van het strafrechtelijke traject over te dragen aan de vreemdelingenpolitie, niet op juistheid kan toetsen.De bewaringsrechter is namelijk niet bevoegd te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw 2000 toegekende bevoegdheden. Bovendien is het niet de minister van Asiel en Migratie die beslissingen neemt in het strafrechtelijke voortraject. In die zin kan de beslissing om eiser aan te houden nadat een overdracht aan de crisisdienst niet mogelijk bleek, niet aan de minister worden toegerekend. Van misbruik van bevoegdheid bij het vervolgens opleggen van de maatregel van bewaring is dan ook geen sprake. Voorafgaand aan het opleggen van de maatregel is eiser gehoord en de minister heeft vervolgens een eigen afweging gemaakt om eiser in bewaring te stellen.\n\nBestaat er zich op uitzetting?\n\n2. Eiser betoogt verder dat zicht op uitzetting naar Marokko in zijn geval ontbreekt. Hij is al vanaf 2018 in aanraking gekomen met justitie, maar de vreemdelingenpolitie heeft nooit een poging ondernomen om eiser uit te zetten. Hieruit volgt dat uitzetting waarschijnlijk niet zal slagen en dat de kans dat een laissez-passer (lp) zal worden afgegeven daarom ook klein is. Bovendien heeft eiser als minderjarige Marokko verlaten en geen identificerende documenten. Het is daarom maar de vraag of hij geregistreerd staat in Marokko.\n\n2.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting naar Marokko in zijn algemeenheid niet ontbreekt.Er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat dit in het specifieke geval van eiser anders is. Het enkele feit dat niet eerder een poging is ondernomen om eiser uit te zetten, betekent niet dat alleen daarom zicht op uitzetting ontbreekt. Eiser heeft bovendien op geen enkele manier onderbouwd dat minderjarigen in Marokko niet zijn geregistreerd, en dat het daarom onwaarschijnlijk is dat aan eiser een lp zal worden verstrekt.\n\n2.2.. Het betoog van eiser dat vanwege het ontbreken van zicht op uitzetting geen aanvullend terugkeerbesluit opgelegd had kunnen worden, slaagt daarom evenmin.\n\nHeeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?\n\n3. Eiser betoogt tot slot dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld voorafgaand aan de inbewaringstelling. De minister had al uitzettingshandelingen moeten verrichten tijdens de diverse eerdere straftrajecten.\n\n3.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld sinds de inbewaringstelling van eiser. Eiser is op 6 juni 2026 in bewaring gesteld en vier dagen later, op 10 juni 2026, heeft een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. Op 17 juni 2026 is vervolgens een lp-aanvraag ingediend en op de zitting heeft de minister toegelicht dat op 26 juni 2026 is gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten. Dat de minister ook al voor de inbewaringstelling uitzettingshandelingen had moeten verrichten, volgt de rechtbank niet. In zoverre eiser in dat kader wijst op paragraaf A5\u002F6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 waaruit volgt dat de minister een inspanningsverplichting heeft om vreemdelingenbewaring na strafrechtelijke detentie zoveel mogelijk te beperken, oordeelt de rechtbank dat deze inspanningsverplichting in dit geval niet geldt. In geval van eiser is namelijk geen sprake van een periode van strafrechtelijke detentie direct voorafgaand aan de inbewaringstelling.\n\nLeidt ambtshalve toets tot een ander oordeel?\n\n4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart de beroepen ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af..\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Bouman, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.\n\n ABRvS 22 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:190.\n\n Zie ABRvS 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269 en ABRvS 27 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:219.\n\n Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X), HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18615","ecli-nl-rbdha-2026-18615",{"courtName":6,"legalDomain":46,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":41,"fullText":64,"language":7,"source":17,"sourceUrl":65,"summary":14,"slug":66,"metadata":67},"1600","ECLI:NL:RBGEL:2026:5307","RECHTBANK GELDERLAND, locatie Arnhem\n\nWrakingskamer\n\nzaaknummer: C\u002F05\u002F467845 \u002F KG RK 26\u002F477\n\nBeslissing\n\nvan de wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van\n\nDe Gereformeerde Gemeente Tricht-Geldermalsen, gevestigd te Tricht-Geldermalsen;\n\nDe Classis Utrecht der Gereformeerde Gemeenten;\n\nDe Particuliere Synode Noord West der Gereformeerde Gemeenten;\n\nHet Kerkgenootschap Gereformeerde Gemeenten\n\nverzoekers\n\n(gemachtigde: mr. M.J.W. Hoek)\n\nen\n\nmr. D. Vergunst,\n\nrechter in deze rechtbank\n\nhierna te noemen: de rechter.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit de brief van de gemachtigde van verzoekers van 29 mei 2026, waarin het wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 25 juni 2026.\n\n1.2.. \n\nBij de mondelinge behandeling op 25 juni 2026 zijn verschenen: [A],\n\n [B], de gemachtigde van verzoekers en de rechter.\n\n2. Het wrakingsverzoek\n\n2.1.. \n\nHet verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met zaaknummer ARN 26\u002F166 betreffende het civielrechtelijk kort geding tussen verzoekers en [C],\n\n [D], [E], [F], [G], [H], [I] en [J] (hierna: eisers in kort geding). De gronden die verzoekers aan hun verzoek tot wraking ten grondslag hebben gelegd zullen hierna (onder 3.2 tot en met 3.2.3) afzonderlijk besproken worden.\n\n2.2.. De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft tijdens de mondelinge behandeling op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna (onder 3.3) voor zover nodig besproken.\n\n3. De beoordeling\n\n3.1.. Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.\n\n3.2.. Verzoekers voeren – samengevat – het volgende aan.\n\n3.2.1.. De rechter is belijdend en actief lid van de Gereformeerde Gemeenten. Dit is relevant, omdat dit kerkgenootschap als gedaagde zelf partij is in de hoofdzaak, althans omdat het gedaagde kerkelijk orgaan binnen diezelfde kerkelijke organisatie functioneert. De hoofdzaak raakt inhoudelijk direct aan de interne rechtsorde van die kerk. Daardoor bestaat de objectieve indruk dat de rechter niet in voldoende afstand staat van de institutionele context waarover hij moet oordelen.\n\n3.2.2.. De rechter heeft zich eerder buitengewoon kritisch in diverse publicaties, in een interview en in e-mails uitgelaten over de interne kerkelijke rechtspraak in het algemeen en die van verzoekers in het bijzonder. Op zich mag een rechter algemene juridische of maatschappelijke opvattingen hebben. Maar het wordt anders wanneer de rechter zich eerder concreet heeft uitgelaten over dezelfde interne kerkelijke rechtspraak, hetzelfde type geschil, het functioneren van hetzelfde kerkelijke orgaan, namelijk in dit geval de Particuliere Synode Noord West en de Generale Synode. Hierdoor kan de rechter, naar het oordeel van verzoekers, niet meer als onbevooroordeeld buitenstaander zich een oordeel vormen als rechter. Er is niet zozeer gebleken van daadwerkelijke partijdigheid, maar wel van de objectieve schijn van vooringenomenheid.\n\n3.2.3.. Deze afzonderlijke omstandigheden moeten in onderlinge samenhang worden bezien, aldus de verzoekers. De vrees voor partijdigheid vloeit niet enkel voort uit het kerkelijk lidmaatschap en evenmin uitsluitend uit de eerder genoemde uitlatingen. Juist de combinatie maakt dat de rechterlijke onpartijdigheid schade kan lijden: de rechter is verbonden aan de kerkelijke organisatie die partij is in de procedure; de rechter heeft zich eerder negatief uitgelaten over het functioneren van de interne kerkelijke rechtspraak van die organisatie; het kort geding gaat over de aantasting van een uitspraak van een kerkelijk orgaan binnen diezelfde interne rechtsorde; de rechter moet dus oordelen over een onderwerp waarover hij eerder buiten rechte een duidelijke positie heeft ingenomen.\n\n3.3.. De rechter geeft – samengevat – aan dat er geen sprake is van een objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid. Hij is geen lid van de gereformeerde gemeente van verzoekers en weet niets van het conflict binnen deze gereformeerde gemeente. Hij heeft geen bezwaar tegen de kerkelijke rechtspraak. Hij heeft wel zorgen over hoe deze af en toe vorm wordt gegeven. Daar heeft hij zich over uitgelaten.3.4.. Eisers in kort geding hebben op 22 juni 2026 een verzoek tot het toelaten van hun schriftelijk standpunt per e-mail naar de wrakingskamer gestuurd. Omdat eisers in kort geding geen partij zijn in het wrakingsverzoek van verzoekers, kunnen zij ook niet reageren op de standpunten van verzoekers en de rechter. De wrakingskamer laat daarom het schriftelijk standpunt van eisers in kort geding buiten beschouwing.\n\n3.5.. Naar het oordeel van de wrakingskamer is er sprake van een situatie waarin zich bijzondere omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectieve schijn van) partijdigheid. Hierna zal de wrakingskamer uitleggen waarom zij dat vindt.\n\n3.5.1.. Uit de gronden die verzoekers aan het wrakingsverzoek ten grondslag hebben gelegd blijkt dat er allerlei lijnen door elkaar lopen in deze zaak. De wrakingskamer wijst op het lidmaatschap van de rechter van een Gereformeerde Gemeente, de overgelegde publicaties van onder meer het interview met de rechter in het Nederlands Dagblad, de brieven die de rechter samen met [K] naar verzoekers heeft gestuurd en de mailwisselingen van [K] met de gemachtigde van verzoekers, waarin de rechter ook met zijn privémailadres is betrokken en vanuit zijn privémailadres op 1 juni 2026 daarop reageert met ‘Oef’, het feit dat er telefonisch contact met de rechter is geweest naar aanleiding van de zaakstoedeling, de reactie van de rechter tijdens de mondelinge behandeling en het verloop van deze mondelinge behandeling. Uit de samenhang van al deze lijnen blijkt, naar het oordeel van de wrakingskamer, van een uitgebreide verwevenheid van het civielrechtelijk kort geding tussen verzoekers en eisers in kort geding enerzijds en de positie van de rechter die over dit kort geding moet oordelen anderzijds. De rechter heeft in genoemde publicaties, brieven en e-mails zijn persoonlijke opvattingen gegeven over (het functioneren van) de interne kerkelijke rechtspraak; een onderwerp dat hem duidelijk nauw aan het hart ligt. Uit het geheel blijkt, naar het oordeel van de wrakingskamer, van een te grote persoonlijke betrokkenheid van de rechter bij het civielrechtelijk kort geding waarover hij zich als rechter een oordeel moet vormen.\n\n3.5.2.. Gelet op het voorgaande begrijpt de wrakingskamer dat bij verzoekers de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid van de rechter is gewekt.\n\n3.5.. Gelet op het voorgaande zal het wrakingsverzoek worden toegewezen.\n\n4. De beslissing\n\nDe wrakingskamer van de rechtbank wijst het verzoek tot wraking toe.\n\nDeze beslissing is gegeven door mr. M.J.M. Verhoeven (voorzitter),\n\nmr. I.D. Jacobs en mr. L.M. Vogel (leden) in tegenwoordigheid van de griffier\n\nmr. H. Peters en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026.\n\nde griffier\n\nde voorzitter\n\nTegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.\n\n Dat is bepaald in artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5307","ecli-nl-rbgel-2026-5307",{"courtName":6,"legalDomain":68,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht",{"id":70,"ecli":71,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":41,"fullText":72,"language":7,"source":17,"sourceUrl":73,"summary":14,"slug":74,"metadata":75},"1637","ECLI:NL:GHARL:2026:4368","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-004448-25\n\nUitspraakdatum: 6 juli 2026\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof\n\nArnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep,\n\ningesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen,\n\nvan 16 oktober 2025 met parketnummer 05-281207-24 in de strafzaak tegen\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1976 in [geboorteplaats] ,\n\nop dit moment verblijvende in de [locatie P.I.] te [locatie] .\n\nHoger beroep\n\nVerdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 juni 2026 en het onderzoek op de terechtzittingen bij de rechtbank.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.A. Prins, en de advocaat van de benadeelde partijen,\n\nmr. C.A. Bouw, en door en namens de benadeelde partijen is aangevoerd. Tevens heeft het hof kennisgenomen van wat de moeder, als wettelijk vertegenwoordiger van het minderjarige slachtoffer bij de uitoefening van het spreekrecht naar voren heeft gebracht.\n\nHet vonnis\n\nDe rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor een drietal feiten. Een poging tot verkrachting van iemand beneden de twaalf jaren, mishandeling van een aan zijn waakzaamheid toevertrouwde minderjarige door toediening van schadelijke stoffen en het bezit van kinderporno. Dit betreft de onder feit 1 primair, feit 2 subsidiair en feit 3 tenlastegelegde feiten. Voor het onder feit 2 primair tenlastegelegde is verdachte vrijgesproken. Aan verdachte is opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft gezeten, de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging en de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr).\n\nHet hof komt in dit arrest tot een deels andere beslissing over het bewijs, een andere strafoplegging en een deels andere beslissing op de vordering van een van de benadeelde partijen dan de rechtbank Gelderland. Het hof vernietigt daarom het vonnis en doet opnieuw recht.\n\nTenlastelegging\n\nOp de zitting bij de rechtbank Gelderland is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:\n\n1. primair\n\nhij op of omstreeks 31 augustus 2024 te [plaats] , althans in Nederland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een kind\n\nbeneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2021,\n\neen of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam te verrichten en deze poging verkrachting te doen voorafgaan door, vergezellen van en\u002Fof volgen door dwang, geweld en\u002Fof bedreiging\n\n- bij de moeder van [slachtoffer] de schijn heeft gewekt dat zijn, verdachtes, nichtje bij hem was en\u002Fof aan de moeder van [slachtoffer] heeft gevraagd of [slachtoffer] bij hem met zijn nichtje in de chalet mocht komen spelen en\u002Fof [slachtoffer] (aldus) onder valse voorwendselen naar zijn chalet heeft gelokt, waar hij op dat moment alleen verbleef en\u002Fof\n\n- zijn chalet na binnenkomst van [slachtoffer] heeft afgesloten en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] een pil\u002Ftablet\u002Fvloeistof bevattende een hoeveelheid 2MMC, althans een of meer verdovende en\u002Fof stimulerende en\u002Fof bedwelmende en\u002Fof bewustzijnsbeïnvloedende stof(fen)\u002Fmiddel(en), in elk geval (een) voor de gezondheid van [slachtoffer] schadelijke stof(fen) heeft toegediend en\u002Fof heeft laten innemen en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] (gedeeltelijk) (naakt) op het bed heeft gezet en\u002Fof naast [slachtoffer] op bed is gaan zitten en\u002Fof\n\n- tijd heeft geprobeerd te rekken toen die moeder van [slachtoffer] te kennen gaf haar dochter te komen ophalen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n1. subsidiair hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te [plaats] , althans in Nederland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een kind\n\nbeneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2021,\n\neen of meer seksuele handelingen te verrichten en deze poging tot aanranding te doen voorafgaan door, vergezellen van en\u002Fof volgen door dwang, geweld en\u002Fof bedreiging\n\n- bij de moeder van [slachtoffer] de schijn heeft gewekt dat zijn, verdachtes, nichtje bij hem was en\u002Fof aan de moeder van [slachtoffer] heeft gevraagd of [slachtoffer] bij hem met zijn nichtje in de chalet mocht komen spelen en\u002Fof [slachtoffer] (aldus) onder valse voorwendselen naar zijn chalet heeft gelokt, waar hij op dat moment alleen verbleef en\u002Fof\n\n- zijn chalet na binnenkomst van [slachtoffer] heeft afgesloten en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] een pil\u002Ftablet\u002Fvloeistof bevattende een hoeveelheid 2MMC, althans een of meer verdovende en\u002Fof stimulerende en\u002Fof bedwelmende en\u002Fof bewustzijnsbeïnvloedende stof(fen)\u002Fmiddel(en), in elk geval (een) voor de gezondheid van [slachtoffer] schadelijke stof(fen) heeft toegediend en\u002Fof heeft laten innemen en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] (gedeeltelijk) (naakt) op het bed heeft gezet en\u002Fof naast [slachtoffer] op bed is gaan zitten en\u002Fof\n\n- tijd heeft geprobeerd te rekken toen die moeder van [slachtoffer] te kennen gaf haar dochter te komen ophalen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n1. meer subsidiair hij in of omstreeks de periode van 30 augustus 2024 tot en met 31 augustus 2024 te [plaats] en\u002Fof [plaats] , althans in Nederland,\n\n- zich en\u002Fof een ander opzettelijk gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen heeft verschaft en\u002Fof heeft getracht te verschaffen tot het plegen van een misdrijf als omschreven in de artikelen 247 tot en met 250 van het Wetboek van Strafrecht dan wel\n\n- zich opzettelijk kennis en\u002Fof vaardigheden tot het plegen van een misdrijf als omschreven in de artikelen 247 tot en met 250 van het Wetboek van Strafrecht heeft verworven en\u002Fof een ander heeft bijgebracht, door\n\n- met zijn, verdachtes, telefoon, althans (een) gegevensdrager(s) chatgesprekken te voeren met een onbekend persoon over de seksuele fantasie\u002Fgedachte om minderjarigen te drogeren en\u002Fof (vervolgens) seksueel te misbruiken en\u002Fof\n\n- bij de moeder van [slachtoffer] de schijn te wekken dat zijn, verdachtes, nichtje bij hem is en\u002Fof aan de moeder van [slachtoffer] te vragen of [slachtoffer] bij hem met zijn nichtje in de chalet mag komen spelen en\u002Fof [slachtoffer] (aldus) onder valse voorwendselen naar zijn chalet te lokken, waar hij op dat moment alleen verbleef en\u002Fof\n\n- zijn chalet na binnenkomst van [slachtoffer] af te sluiten en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] een pil\u002Ftablet\u002Fvloeistof bevattende een hoeveelheid 2MMC, althans een of meer verdovende en\u002Fof stimulerende en\u002Fof bedwelmende en\u002Fof bewustzijnsbeïnvloedende stof(fen)\u002Fmiddel(en), in elk geval (een) voor de gezondheid van [slachtoffer] schadelijke stof(fen) toe te dienen en\u002Fof te laten innemen en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] (gedeeltelijk) (naakt) op het bed te zetten en\u002Fof naast [slachtoffer] op bed te zitten en\u002Fof\n\n- tijd proberen te rekken toen die moeder van [slachtoffer] te kennen gaf haar dochter te komen ophalen;\n\n2. primair hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te [plaats] , althans in Nederland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer]\n\n(geboren op [geboortedatum] 2021) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen\n\n [slachtoffer] een pil\u002Ftablet\u002Fvloeistof bevattende een hoeveelheid 2MMC,\n\nalthans een of meer verdovende en\u002Fof stimulerende en\u002Fof bedwelmende en\u002Fof bewustzijnsbeïnvloedende stof(fen)\u002Fmiddel(en), in elk geval (een) voor de gezondheid van [slachtoffer] schadelijke stof(fen) heeft toegediend en\u002Fof laten innemen en\u002Fof\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2. subsidiair hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te [plaats] , althans in Nederland\n\nopzettelijk de gezondheid van een aan zijn zorg en\u002Fof waakzaamheid toevertrouwd kind, [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2021) heeft benadeeld en\u002Fof [slachtoffer] heeft mishandeld door [slachtoffer] een pil\u002Ftablet\u002Fvloeistof bevattende een hoeveelheid 2MMC,\n\nalthans een of meer verdovende en\u002Fof stimulerende en\u002Fof bedwelmende en\u002Fof bewustzijnsbeïnvloedende stof(fen)\u002Fmiddel(en),\n\nin elk geval (een) voor de gezondheid van [slachtoffer] schadelijke stof(fen) toe te dienen en\u002Fof in te laten nemen;\n\n3. hij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2024 tot en met 31 augustus 2024 te [plaats] en\u002Fof [plaats] , althans (elders) in Nederland,\n\nmeermalen, althans eenmaal, een of meer visuele weergaven van seksuele aard en\u002Fof met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt was betrokken of schijnbaar was betrokken, waaronder [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2021, heeft verspreid en\u002Fof aangeboden en\u002Fof openlijk tentoongesteld en\u002Fof vervaardigd en\u002Fof ingevoerd en\u002Fof doorgevoerd en\u002Fof uitgevoerd en\u002Fof verworven en\u002Fof in bezit heeft gehad en\u002Fof zich daartoe de toegang heeft verschaft te weten\n\n- afbeeldingen en\u002Fof\n\n- gegevensdragers bevattende afbeeldingen te weten een telefoon (merk: Oppo) en\u002Fof\n\n- visuele weergave\u002Fgegevensdragers waarop te zien is dat:\n\ndie persoon oraal, vaginaal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis en\u002Fof vinger\u002Fhand en\u002Fof een ander persoon oraal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis door die persoon (afbeelding(en) 01 en\u002Fof 02 van de toonmap) en\u002Fof\n\nhet geslachtsdeel van die persoon met een penis en\u002Fof vinger\u002Fhand wordt aangeraakt en\u002Fof\n\nhet geslachtsdeel van een ander kind\u002Fpersoon met een penis en\u002Fof hand\u002Fvinger wordt\u002Fworden aangeraakt door die persoon en\u002Fof die persoon het eigen geslachtsdeel, de eigen billen met een vinger\u002Fhand aanraakt (afbeelding(en) 03 en\u002Fof 04 van de toonmap) en\u002Fof\n\ndie persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij\n\n- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en\u002Fof in een omgeving en\u002Fof in een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij zijn\u002Fhaar leeftijd past en\u002Fof\n\n- door het camerastandpunt en\u002Fof de (onnatuurlijke) pose en\u002Fof de wijze van kleden van die persoon en\u002Fof de uitsnede van de foto's\u002Ffilms nadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en\u002Fof billen van die persoon in beeld worden gebracht (afbeelding(en) 05 en\u002Fof 07 van de toonmap) en\u002Fof dat bij het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon wordt gemasturbeerd en\u002Fof bij\u002Fop het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon sperma wordt gespoten en\u002Fof bij\u002Fnaast het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon een (stijve) penis wordt gehouden (afbeelding(en) 06 van de toonmap)\n\nterwijl van het begaan van dit feit een beroep of gewoonte werd gemaakt.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nOverwegingen met betrekking tot het bewijs\n\nStandpunt van het openbaar ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank terecht tot een bewezenverklaring is gekomen van de feiten 1 primair, 2 subsidiair en 3 en het bewijs voor deze feiten uitgebreid en volledig in het vonnis heeft weergegeven en de verweren terecht en op goede gronden heeft verworpen.\n\nEnkel voor wat betreft de partiële vrijspraak door de rechtbank van het vervaardigen van kinderporno heeft de advocaat-generaal aangevoerd dat er wat haar betreft wel voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is voor het vervaardigen van kinderpornografisch materiaal. Zij heeft daarbij gewezen op de opslaglocatie van de cache afbeeldingen, het gebruik van de camera en het tijdstip van het bewaren van de afbeeldingen op de telefoon. Volgens haar zijn de foto’s gelet op de tijdlijn precies gemaakt op het moment dat [slachtoffer] in de caravan van verdachte was en bevestigt het feit dat er een selfie van verdachte tussen zit dat hij op dat moment de camera heeft bediend.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich op het primaire standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.\n\nVolgens de verdediging kan niet vastgesteld worden wanneer [slachtoffer] de drugs 2MMC heeft binnengekregen en of dit door verdachte is geweest. Er staat vast dat er geen drugs in de caravan van verdachte is aangetroffen en uit het onderzoek is niet gebleken wanneer [slachtoffer] de drugs binnen heeft gekregen. Nu ook niet bekend is wat de werkingsduur van de drugs is, kan niet zonder meer worden gesteld dat [slachtoffer] de drugs niet voor of na het binnengaan in de caravan van verdachte heeft binnengekregen. Ook kan niet vastgesteld worden dat de drugs die verdachte op 23 augustus 2024 heeft besteld in de caravan van verdachte aanwezig waren op 31 augustus 2024 en bovendien betrof die bestelling poeder en kristallen, hetgeen niet overeenkomt met een snoepje of pilletje waar [slachtoffer] over heeft verklaard. Daar komt bij dat het alternatieve scenario dat [slachtoffer] de drugs in de caravan van haar moeder heeft gevonden en ingenomen niet is onderzocht.\n\nEr ontbreken volgens de verdediging concrete bewijsmiddelen waaruit volgt wat de intenties van verdachte zijn geweest. De gesprekken die verdachte die dag heeft gevoerd betroffen slechts fantasieën. Alle verifieerbare opmerkingen van verdachte in die gesprekken blijken onjuist te zijn. Ook is er, buiten de stelling van moeder, niets waaruit volgt dat de deur van de caravan van verdachte op slot was. De verdediging heeft daarbij ook op de wisselende verklaringen van moeder gewezen.\n\nVoor wat betreft de vraag of [slachtoffer] wel of niet naakt is geweest in de caravan acht de verdediging het proces-verbaal van bevindingen van de verbalisant die bij [slachtoffer] in het ziekenhuis was onvoldoende, nu dit een globaal en samengevat proces-verbaal betreft en de mogelijkheid bestaat dat cruciale context of nuance van wat [slachtoffer] heeft verteld verloren is gegaan. Moeder en [slachtoffer] verklaren daar zelf niets over en bovendien is [slachtoffer] maar een kleine tien minuten in de caravan van verdachte geweest, zodat de tijd om haar te ontkleden en weer aan te kleden bijzonder krap, zo niet onmogelijk is. Ook blijkt uit het dossier niet dat verdachte [slachtoffer] op bed heeft gezet en staat niet vast dat [slachtoffer] op het moment dat de foto’s zijn gemaakt in de caravan van verdachte was. Bovendien concludeert de politie dat niet kan worden gezien dat het de billen van een kind betreft, zodat niet blijkt dat deze foto’s van [slachtoffer] zijn genomen.\n\nSubsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat geen sprake is geweest van een poging, zodat verdachte van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. Er zijn geen handelingen door verdachte gepleegd die duiden op een seksuele intentie en er is geen speeksel of sperma of DNA-materiaal van verdachte of een ander aangetroffen. De verdediging heeft onder verwijzing naar twee uitspraken van andere rechterlijke colleges aangevoerd dat bij deze feitelijke omstandigheden niet gesteld kan worden dat de handelingen van verdachte kennelijk tot doel hadden een begin te maken met het binnendringen van het lichaam of aanranding van [slachtoffer] .\n\nTen aanzien van feit 3 heeft de verdediging verzocht om verdachte vrij te spreken. Verdachte ontkent op de hoogte te zijn geweest van de kinderporno die op zijn telefoon is aangetroffen en volgens de verdediging moet meer acht worden geslagen op de uitgebreide verklaringen van verdachte bij de politie dan op hetgeen hij bij de rechter-commissaris zou hebben verklaard, nu dergelijke processen-verbaal doorgaans in zeer samengevatte vorm worden opgesteld.\n\nBovendien kan uit het onderzoek niet zonder meer worden aangenomen dat de bestanden vóór 2 september 2024 al op de telefoon van verdachte stonden en volgt ook niet dat de bestanden door de gebruiker van de telefoon zijn geopend. Al met al kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte de bestanden in de tenlastegelegde periode voorhanden heeft gehad.\n\nOordeel van het hof\n\nFeiten en omstandigheden\n\nOp 31 augustus 2024 omstreeks 19.40 uur zijn de [verbalisant 3] , [verbalisant 2] en [verbalisant 1] naar de [straat] te [plaats] gegaan waar mogelijk sprake was van een gedrogeerd 3-jarig meisje. Het betreft [slachtoffer] ( [slachtoffer] ), geboren op [geboortedatum] 2021.\n\nAan [verbalisant 1] vertelde de moeder van [slachtoffer] , [moeder slachtoffer] (hierna: moeder), die zichtbaar overstuur was, dat haar buurman van de caravan tegenover die van haar, die ze in het latere gesprek [verdachte] noemt (hierna: verdachte), haar via Facebook een berichtje stuurde, waarin hij vroeg of haar dochter met zijn nichtje mocht spelen, want die was op bezoek. Moeder had het nichtje zelf niet gezien en had er een beetje een onderbuikgevoel bij, maar haar dochter ging wel naar verdachte toe. Toen ze meteen een naar gevoel kreeg, stuurde ze verdachte een berichtje dat ze [slachtoffer] over vijf minuten op kwam halen. Daarop reageerde hij met: \"Nee doe maar over een half uur.\" Moeder heeft toen gereageerd dat het haar kind is en dat ze haar meteen op kwam halen omdat ze gingen eten en ze liep vervolgens naar de caravan van verdachte en ze voelde dat de deur op slot zat. Verdachte deed de deur open en zij nam haar dochter mee.\n\nMoeder vroeg aan [slachtoffer] wat ze gedaan had en zij vertelde dat ze met verdachte op bed had gezeten. Toen moeder haar vroeg of ze nog iets gegeten had, zei ze dat ze een klein wit snoepje had gegeten, dat heel vies smaakte. Daarna zei [slachtoffer] dat ze heel moe was. Moeder zag dat haar pupillen heel groot waren en belde de huisartsenpost, die besloot een ambulance te sturen.\n\nToen moeder de naam van verdachte aan de verbalisant noemde en ze hem op Facebook wilde opzoeken, kwamen er geen resultaten naar boven. De vriendin van moeder kreeg het account van verdachte op Facebook wel te zien, zodat moeder concludeerde dat verdachte haar had geblokkeerd op Facebook. Buiten bij het ziekenhuis heeft moeder [verbalisant 1] de berichtjes laten zien die ze nog via Facebook met verdachte had gewisseld nadat ze haar dochter had opgehaald. In dat gesprek vroeg moeder verdachte wat voor een snoepje haar dochter had gehad, waarop verdachte antwoordde ‘een schuimpje’.\n\nUit het onderzoek naar de telefoon van moeder volgt dat ze op 31 augustus 2024 op een aantal tijdstippen contact had met verdachte.\n\nOm 17:29 uur vraagt verdachte voor het eerst of [slachtoffer] binnen in zijn caravan mag komen spelen omdat zijn nichtje er is. Als moeder aangeeft dat ze eerst even aan haar dochter zou vragen of ze het ook wilde, stuurt verdachte ‘Ze hoeft niet bang te zijn.’ Vervolgens stuurt verdachte om 17:57 uur aan moeder: ‘wil ze komen?’.\n\nMoeder stuurt op 18:09 uur een bericht aan [naam 1] dat [slachtoffer] bij die buurman is, maar dat ze het best creepy vindt.\n\nOm 18:10 uur leest verdachte het bericht van moeder: ‘Ik kom der zo weer halen want dan gaan we eten.’, waarop verdachte reageert met ‘hoelaat?’. Daarop stuurt moeder het bericht ’10 minuutjes ofzo’, waarop verdachte reageert met ‘Half uur breng ik er’.\n\n [verbalisant 2] heeft bij [slachtoffer] aan het bed gezeten in het ziekenhuis en heeft gerelateerd over wat [slachtoffer] een van de betrokken verpleegkundigen heeft verteld.\n\nVolgens [slachtoffer] was ze bij de buurman (het hof begrijpt: verdachte) geweest en heeft ze daar twee witte, vieze en zure snoepjes van hem gehad en zat ze op het bed in haar blootje.\n\n [verbalisant 2] zag dat [slachtoffer] erg druk was en niet stil kon zitten, dat ze wijde pupillen had en haar mond en tong onder het bloed zaten. Toen de verpleegkundige vroeg hoe zij hier aan kwam, zei [slachtoffer] dat ze ‘auw’ had en dat kapot had gebeten. [slachtoffer] moest ook overgeven en huilen en vertelde dat ze overal ‘auw’ had, waarbij ze wees naar haar buik, geslachtsdeel, benen en armen.\n\nUit de afdruk van het patiëntendossier van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2021, blijkt uit het lichamelijk onderzoek het volgende:\n\nAlgemeen: zeer onrustig, kauwend met de kaken, onderlip kapot gebeten, bloedende tong. Veel motorische onrust, spreekt onophoudelijk, stelt veel vragen.\n\nUit het rapport van het NFI van 19 december 2024 ‘Toxicologisch onderzoek in het lichaamsmateriaal van een driejarig meisje’ blijkt dat er 0,36 mg\u002F1 van de werkzame stof 2MMC in het bloed van [slachtoffer] aanwezig was. Volgens het NFI is de gemeten 2-MMC-concentratie in het serum van 0,36 mg\u002Fl waarschijnlijk een hoge concentratie, waarbij onder andere emotionele ontremming, verhoogde bloedruk, verhoogde hartslag en verhoogde lichaamstemperatuur kunnen optreden.\n\nEr is ook DNA-onderzoek verricht en uit het rapport van het NFI daaromtrent van 31 augustus 2024 blijkt dat, hoewel er geen voor vergelijkend Y-chromosomaal DNA-onderzoek geschikt DNA-profiel is verkregen, er in de bemonstering van de voorhof van [slachtoffer] een aanwijzing is verkregen voor de mogelijke aanwezigheid van een relatief kleine hoeveelheid mannelijk DNA.\n\nNamens het slachtoffer [slachtoffer] , heeft haar moeder, [moeder slachtoffer] , aangifte gedaan van seksueel misbruik van [slachtoffer] . Volgens moeder heeft verdachte [slachtoffer] gedrogeerd. Verdachte had moeder via Facebook gevraagd of [slachtoffer] kon komen spelen omdat zijn nichtje er was, waarop moeder antwoordde dat [slachtoffer] voor (bij de receptie) aan het spelen was en dat ze het haar zou vragen.\n\nVerdachte zei toen tegen moeder dat [slachtoffer] niet bang hoefde te zijn. Even later stuurde verdachte weer een berichtje of [slachtoffer] nog wilde komen en toen heeft moeder [slachtoffer] naar zijn caravan gebracht, waar ze geen ander kindje zag. Kort daarna kreeg moeder een onderbuikgevoel bij deze situatie en toen ze [slachtoffer] wilde ophalen en de deur van het chalet wilde openen, voelde ze dat deze op slot zat.\n\nPas toen het slot werd opengemaakt, ging de deur open. [slachtoffer] vertelde haar dat er geen ander kindje was om mee te spelen, ze met de buurman (het hof begrijpt: verdachte) op het bed was en dat ze een klein wit snoepje van hem had gekregen dat ze vies vond.\n\nTijdens het studioverhoor heeft [slachtoffer] wederom verklaard dat ze bij de buurman was en dat ze van hem een klein wit rond snoepje kreeg dat heel vies was. Ook had ze op bed gezeten en de buurman ook en zat de buurman op zijn telefoon.\n\nVerdachte is op 31 augustus 2024 om 20.55 uur aangehouden en daarbij is ook de telefoon van verdachte in beslag genomen.\n\nUit onderzoek aan de telefoon van verdachte blijkt het volgende.\n\nOp 23 augustus 2024 heeft verdachte op de website [website] een bestelling gedaan voor 10 gram 2MMC kristal en 10 gram 2MMC poeder, welke bestelling werd bevestigd. In de bevestiging staat dat de bestelling wordt verstuurd naar [straat] te [plaats] . Dit betreft het woonadres van verdachte.\n\nUit het onderzoek naar de telefoon van verdachte blijkt ook dat hij op 16 augustus 2024 een gesprek voert, waarin verdachte de berichten stuurt ‘Je mag me hard neuken’ en ‘Intro chems’.En op 25 augustus 2024 wisselt verdachte berichten uit met iemand anders, waarin verdachte vraagt wat de ander gaat doen met zijn vriend die zo weer langskomt, waarop de ander antwoordt ‘tv kijken en seks’ en stuurt ‘lekker tongen, hem klaarpijpen, en hem neuken tot ik in zn kont klaar kom’ en verdachte even later stuurt ‘Intro chems’.\n\nDaarnaast blijkt uit het onderzoek naar de telefoon van verdachte dat hij op 31 augustus 2024 van 14:23 uur tot 16:01 uur een gesprek voert met een gebruiker met de naam ‘ [naam 2] ’ via de [applicatie] .\n\nIn dat gesprek worden de volgende berichten verstuurd:\n\n- Verdachte: Wat bedoel je met pedo mom\n\n- [naam 2] : Pedo mom. Moeder die haar kindjes aanbiedt en zelf ook meedoet\n\n- Verdachte: Ervaring mee\n\n- [naam 2] : Ik niet, jij?\n\n- Verdachte: Ik wel\n\n(…)\n\n- [naam 2] : Hoe oud was of waren de kindjes. Girls?\n\n- Verdachte: 9\n\n(…)\n\n-Verdachte: Wat zijn jou kicks\n\n(...)\n\n- [naam 2] : Jonge kale kutjes nemen. Samen met moeder.\n\n- [naam 2] : M’n zaad er in en over spuiten\n\n- [naam 2] : Hond mee laten likken\n\n- Verdachte: Nice\n\n(...)\n\n- Verdachte: ik heb vaak rape gedaan\n\n- [naam 2] : ook met kleintjes?\n\n- Verdachte: Ja.\n\nDiezelfde dag heeft verdachte vanaf 16:00 uur tot en met 16:34 uur een gesprek gevoerd met gebruiker ‘6\u002F15mmmm’ waarin onder meer de volgende berichten zijn verstuurd:\n\n- Verdachte: Hoe jong geil jij\n\n- [gebruiker] : 7\u002F14 jij\n\n- Verdachte: Ik ook\n\n(...)\n\n- Verdachte: ik heb een zoon van 13\n\n(…)\n\n- Verdachte: ik gebruik mijn zoon vaak\n\n(...)\n\n- Verdachte: Wel eens iemand gehad die tegen stribelde\n\n- [gebruiker] : nee jij wel\n\n- Verdachte: Zeker\n\n- Verdachte: Mijn zoon vaak\n\n(…)\n\n- Verdachte: Wat is het geilate (het hof begrijpt ‘geilste’) wat je hebt gedaan\n\n- [gebruiker] : toch wel een jongen van 9 rimmen likken pijpen en laten pijpen\n\n- Verdachte: Nice\n\n- [gebruiker] : en jij\n\n- Verdachte: Rape\n\n- [gebruiker] : al heel lang geleden paar jaar wil graag weer is een jochie hard aanpakken\n\n- Verdachte: Samen doen\n\n- [gebruiker] : JA MAN GRAAG WELKE LEEFTIJD\n\n- Verdachte: Mijn zoon en zijn vriendje\n\n- Verdachte: Intro chems\n\n- [gebruiker] : je zoon kan jniet wandt ik wil echt hard dan\n\n- Verdachte: Waarom mijn zoon niet\n\n- [gebruiker] : omdat ik dan heel hard wil no limids is zielig\n\n- Verdachte: Mag van mij\n\n- Verdachte: hoe hard\n\n- [gebruiker] : all the way\n\n- Verdachte: Mag ook met mijn zoon\n\n(…)\n\n- Verdachte: Intro Chems\n\n- [gebruiker] : nee nooidt gedaan\n\n- Verdachte: Ik geef ze wel eens wat.\n\nIn de telefoon zitten ook berichten die verdachte op 31 augustus 2024 vanaf 16:15 uur met [echtgenoot verdachte] (het hof begrijpt: de echtgenoot van verdachte)wisselde. Verdachte bericht [echtgenoot verdachte] dat zijn tweede wedstrijd later zou beginnen, namelijk om 16:45 uur en dat hij om half zeven klaar zou zijn.Op de zitting van het hof heeft verdachte, daarnaar gevraagd, verklaard dat het fout van hem was om tegen zijn partner te zeggen dat de tweede wedstrijd die hij moest fluiten later zou beginnen, maar dat hij geen idee heeft waarom hij daar over gelogen heeft.\n\nDaarnaast is gebleken dat verdachte op 31 augustus 2024 tussen 6:46:58 uur en 17:45:06 uur twaalf keer naar een sekslijn belt met het nummer [nummer] . Om 17:29:27 uur belt verdachte ook met de sekslijn, terwijl hij op dat moment dus aan de moeder van [slachtoffer] vraagt of zij komt spelen.\n\nOp de onder verdachte inbeslaggenomen telefoon is nader onderzoek verricht op 2 september 2024. Er zijn 20 video’s aangetroffen die volgens de criteria zijn aangemerkt als kinderpornografisch.Deze video’s stonden op een voor hem toegankelijke locatie op zijn telefoon met de data 11 augustus 2024, 16 augustus 2024, 17 augustus 2024, 24 augustus 2024 en 25 augustus 2024.\n\nTijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris heeft verdachte, nadat hem is voorgehouden dat er kinderporno op zijn telefoon is aangetroffen, verklaard dat de kinderporno hem toe is gestuurd.En ook ter terechtzitting van het hof heeft verdachte dat verklaard.\n\nVan de 20 video’s die door de politie zijn aangemerkt als kinderpornografisch is aangegeven welke strafbare elementen en seksuele gedragingen zichtbaar zijn op de aangetroffen video’s.\n\nDe afbeeldingen 01 en 02 in de toonmap betreffen penetratie (ongeveer 65%)\n\n van het lichaam van een minderjarige:\n\no oraal met de penis;\n\no vaginaal met de penis;\n\no anaal met de penis en met de vinger\u002Fhand;\n\n door een minderjarige:\n\no oraal met de penis;\n\no anaal met de penis.\n\nDe afbeeldingen 03 en 04 in de toonmap betreffen ontuchtige handelingen (ongeveer 10%)\n\n betasten\u002Faanraken van een minderjarige:\n\no geslachtsdelen met de penis en met de vinger\u002Fhand;\n\no billen met de vinger\u002Fhand;\n\n betasten\u002Faanraken door een minderjarige:\n\no geslachtsdelen met de penis en met de vinger\u002Fhand;\n\n • • door een minderjarige zichzelf betasten\u002Faanraken:\n\no geslachtsdelen met de vinger\u002Fhand;\n\no billen met de vinger\u002Fhand.\n\nDe afbeeldingen 05 en 07 in de toonmap betreffen poseren door een minderjarige of minderjarige in een pose, met nadruk op geslachtsdelen\u002Fborsten en billen door:\n\ngeheel naakt;\n\ncamerastandpunt;\n\nonnatuurlijke houding.\n\nAfbeelding 06 in de toonmap betreft overige seksuele gedragingen (ongeveer 25 %)\n\nmasturbatie (dicht) bij het lichaam\u002Fgezicht van een minderjarige;\n\nspuiten van\u002Fzichtbaar maken van sperma op lichaam minderjarige;\n\nhouden van de penis dichtbij het lichaam van een minderjarige.\n\nOp de afbeeldingen zijn voornamelijk jongens te zien en een klein deel betreft meisjes of baby’s en peuters tot 2 jaar.\n\nTot slot is er gekeken naar het gebruik van de fotocamera van de telefoon van verdachte en eventuele foto’s die zijn geregistreerd op 31 augustus 2024.Daaruit blijkt dat er tussen 18:03:13 uur en 18:03:34 uur foto’s zijn geregistreerd en op deze foto’s zijn ontblote billen te zien. Uit aanvullend onderzoek naar het materiaal op de telefoon van verdachte is gebleken dat er op 31 augustus 2024 zeven foto’s zijn gemaakt en dat hier een selfie van verdachte tussen zit. De andere zes foto’s (waarvan 4 thumbnails) betroffen foto’s van dezelfde billen en deze foto’s zijn gemaakt op 31 augustus 2024 om 18:03 uur.Uit het onderzoek van [verbalisant 4] blijkt ook dat de gebruiker van de telefoon die onder verdachte in beslag genomen is, op 31 augustus 2024 om 18:02:59 uur de applicatie ‘ [applicatie] ’ heeft geopend waarmee het mogelijk is om foto’s te maken.\n\nConclusies uit het voorgaande\n\nHet toedienen\u002Fin laten nemen van 2MMC (feit 2)\n\nHet hof leidt uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden af dat [slachtoffer] op 31 augustus 2024 in de caravan van verdachte is geweest en dat ze daar van hem iets heeft gekregen wat ze in haar mond heeft gestopt en heeft doorgeslikt.\n\n [slachtoffer] heeft kort nadat moeder haar heeft opgehaald bij de caravan van verdachte tegen haar gezegd dat ze van verdachte een klein wit snoepje had gekregen, dat heel vies smaakte. Ook in het ziekenhuis heeft [slachtoffer] het over ‘witte, vieze en zure snoepjes’ en in de voorbereiding op het studioverhoor over ‘een wit snoepje dat echt ‘bah’ wasen in het studioverhoor over ‘een heel klein wit rond snoepje’.Bovendien blijkt dat [slachtoffer] al snel na terugkomst van haar bezoek aan verdachte lichamelijke klachten krijgt die wijzen op de inname van drugs. Onderzoek door het NFI wijst uit dat bij [slachtoffer] een hoeveelheid 2MMC in haar lichaam is aangetroffen.\n\nVerdachte heeft weliswaar bevestigd dat hij [slachtoffer] in de caravan iets heeft gegeven wat ze op heeft gegeten, maar volgens verdachte betrof dat een geel bananenschuimpje en geen drugs.\n\nDat iemand anders dan verdachte verantwoordelijk is voor de inname van de 2MMC door [slachtoffer] , zoals de verdediging heeft gesteld, acht het hof echter niet aannemelijk. Verdachte is degene die over de bij [slachtoffer] aangetroffen drugs heeft beschikt, aangezien hij iets meer dan een week voor 31 augustus 2024 20 gram 2MMC heeft besteld. Ook is het verdachte die in het gesprek dat hij op 31 augustus 2024 met 6\u002F15mmmm heeft gevoerd de berichten ‘Intro Chems’ en ‘Ik geef ze wel eens wat’ heeft gestuurd. Daarnaast heeft [slachtoffer] het consequent over een klein wit snoepje, hetgeen niet overeenkomt met de verklaring van verdachte dat het om een geel schuimpje zou gaan. Bovendien blijkt uit een van de verhoren van verdachte dat op de plek waar de voorraad schuimpjes volgens verdachte zou liggen, te weten onder in de kast bij de keuken waar de radio bovenop staat, deze daar niet zijn aangetroffen.\n\nHet hof komt dan ook tot de conclusie dat het verdachte is geweest die [slachtoffer] 2MMC heeft toegediend en\u002Fof in heeft laten nemen en dat [slachtoffer] door de inname hiervan pijn en letsel heeft opgelopen.\n\nMet de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet kan worden\n\nvastgesteld dat verdachte geprobeerd heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, zodat verdachte van het feit 2 primair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken. Het hof overweegt hierbij dat het weliswaar een feit van algemene bekendheid is dat drugs de gezondheid kunnen benadelen en zeker in het geval dat deze worden toegediend aan een driejarige, maar dat over wat de gevolgen kunnen zijn van 2MMC nog te weinig bekend is, zodat onvoldoende vaststaat dat de toediening van deze drugs een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel oplevert.\n\nHet vervaardigen, verwerven en in bezit hebben van kinderporno (feit 3)\n\nNiet ter discussie staat dat verdachte de video’s die op zijn telefoon zijn aangetroffen en die zijn aangemerkt als kinderpornografisch in zijn bezit heeft gehad. Verdachte heeft wel ontkend dat hij deze bestanden geopend heeft en stelt dat ze enkel naar hem toe zijn gestuurd zonder dat hij er kennis van heeft genomen. Nu verdachte bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat de kinderporno naar hem is toegestuurd, is het hof van oordeel dat verdachte wist om welke bestanden het ging en dat hij deze video’s heeft verworven en in bezit heeft gehad. Net als de rechtbank is het hof van oordeel dat niet vastgesteld kan worden dat verdachte hier een gewoonte van heeft gemaakt.\n\nEchter, anders dan de rechtbank, is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat verdachte zich ook schuldig heeft gemaakt aan het vervaardigen van kinderpornografisch materiaal door foto’s te maken van de billen van [slachtoffer] op het moment dat zij bij hem in de caravan was.\n\nTijdens het onderzoek aan de telefoon van verdachte is immers ook gebleken dat er op de datum 31 augustus 2024 zeven foto’s zijn gemaakt.Het gaat daarbij om zes foto’s (waarvan vier thumbnails) van dezelfde billen en tussen deze foto’s zat een selfie van verdachte. De foto’s waren gemaakt op 31 augustus 2024 om 18:03 uur. Hoewel de verbalisant die de foto’s heeft beoordeeld niet kan zien of het gaat om de billen van een kind, is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het om de billen van [slachtoffer] gaat. Zo past het moment waarop de foto’s zijn gemaakt in de tijdslijn van het moment dat [slachtoffer] in de caravan is geweest. Bovendien blijkt uit het feit dat tussen de foto’s van de blote billen een selfie van verdachte is aangetroffen dat het verdachte is geweest die op dat moment de camera heeft bediend en daarbij is er geen enkele aanwijzing dat er nog iemand anders in de caravan van verdachte op dat moment aanwezig was. Tot slot acht het hof van belang dat [slachtoffer] in het ziekenhuis heeft verklaard dat ze bij verdachte op het bed heeft gezeten in haar blootje.\n\nDe stelling van de verdediging dat het proces-verbaal waarin dat is opgenomen slechts een globaal en samengevat proces-verbaal betreft en de mogelijkheid bestaat dat cruciale context of nuance verloren is gegaan, volgt het hof niet. Het hof heeft geen reden te twijfelen aan de inhoud van het proces-verbaal.\n\nDe poging tot verkrachting (feit 1)\n\nVoor een strafbare poging tot verkrachting is vereist dat de dader handelingen heeft verricht die kennelijk tot doel hadden een begin te maken met het binnendringen van het lichaam. Daarnaast moeten die handelingen niet zodanig zijn dat zij ook bedoeld hadden kunnen zijn om andere misdrijven, zoals een aanranding, te plegen.\n\nIn dat verband blijkt uit het dossier dat verdachte op 31 augustus 2024 vanaf de middag (14:23 uur) met seks bezig is geweest en bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij die dag geil was.Bovendien blijkt uit voornoemde feiten en omstandigheden dat verdachte zowel op 16 augustus 2024 als op 25 augustus 2024 berichten heeft verstuurd over ‘Intro chems’ en dat hij op de bewuste dag, 31 augustus 2024, enkele uren daarvoor ook nog berichten heeft verstuurd waarin verdachte het er over heeft dat hij ‘vaak rape heeft gedaan, ook met kleintjes’. Net als de rechtbank stelt het hof vast dat ‘intro chems’ verdovende middelen zijn zoals speed en 3MMC, die gebruikt kunnen worden tijdens de seks.\n\nIn het laatste gesprek van die dag dat tot 16:01 uur heeft geduurd, is het ook gegaan over ‘rape’, hetgeen verdachte oppert, en over ‘een jochie hard aanpakken’ en stelt verdachte weer ‘Intro chems’ voor, waaruit het hof afleidt dat verdachte het heeft over verkrachting van een jongere onder invloed van drugs. Ongeveer driekwartier later (16:46 uur) heeft verdachte voor de eerste keer die dag een sekslijn gebeld en in dezelfde minuut waarin verdachte ook weer met dezelfde sekslijn heeft gebeld (17:29 uur), heeft hij de moeder van [slachtoffer] het eerste berichtje gestuurd of [slachtoffer] bij hem met zijn nichtje wil komen spelen.\n\nToen [slachtoffer] door moeder bij verdachte werd gebracht, heeft hij de deur van de caravan op slot gedaan. De stelling van de verdediging dat de enkele stelling van moeder daarvoor onvoldoende is, volgt het hof niet.\n\nMoeder heeft immers vanaf het eerste contact met de verbalisanten verklaard dat de deur op slot zat, hetgeen ze in de aangifte namens [slachtoffer] heeft herhaald. Daartegenover staan de wisselende verklaringen van verdachte op dit punt.\n\nZo heeft verdachte in eerste instantie verklaard dat de deur helemaal niet op slot kon, terwijl hij op de zitting in eerste aanleg, op het voorhouden van de voorzitter dat verdachte verklaard heeft dat het chalet niet op slot kan, heeft geantwoord dat het chalet altijd open is, behalve als verdachte op het toilet zit of als hij weg is.Daaruit leidt het hof af dat de deur van de caravan kennelijk wel op slot kon en ook ter terechtzitting van het hof heeft verdachte verklaard dat de caravan wel op slot kon.\n\nDaarnaast heeft het hof, zoals hiervoor overwogen, vastgesteld dat verdachte [slachtoffer] 2MMC heeft gegeven en heeft hij [slachtoffer] , die op dat moment met een ontbloot onderlichaam op bed zat in zijn slaapkamer, foto’s van haar blote billen gemaakt. Ook betrekt het hof daarbij dat [slachtoffer] na haar bezoek aan verdachte heeft aangegeven dat ze overal aan haar lichaam ‘auw’ heeft en daarbij ook wijst op haar geslachtsdeel en er mannelijk DNA is aangetroffen op haar voorhof.\n\nDaar komt nog bij dat het gedrag van verdachte (naar anderen toe) opvallend te noemen is als uit moet worden gegaan van de verklaring van verdachte dat hij enkel de intentie had om [slachtoffer] een leuke tijd te bezorgen door haar bij hem te laten spelen.\n\nDat begint ermee dat verdachte [slachtoffer] met een smoesje over het samen spelen met een nichtje naar zijn caravan heeft gelokt. Daarnaast heeft hij tegen zijn echtgenoot gelogen over de reden waarom hij die middag later thuis zou komen en heeft verdachte geprobeerd het moment dat moeder [slachtoffer] weer kwam ophalen met een minuut of twintig te rekken. Tot slot heeft verdachte moeder geblokkeerd op Facebook toen zij hem vragen ging stellen over het nichtje van verdachte dat helemaal niet bestaat.\n\nHet hof is van oordeel dat uit de gedragingen voorafgaand en het voornoemde handelen van verdachte een onmiskenbare seksuele intentie blijkt en dat die handelingen in samenhang met de uitlatingen over ‘rape’ van minderjarigen nadat hij hen ‘wel eens wat gaf’ naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht waren op het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] en niet op aanranding.\n\nDat voornemen heeft zich door een begin van uitvoering geopenbaard en stopte pas nadat de moeder van [slachtoffer] de deur van de caravan probeerde te openen.\n\nHet hof komt dan ook tot een bewezenverklaring van poging tot verkrachting.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\n1. primair\n\nhij op of omstreeks31 augustus 2024 te [plaats] ,althans in Nederland,\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met een kind\n\nbeneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2021,\n\neen of meer seksuele handelingen, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam te verrichten en deze poging verkrachting te doen voorafgaan door, vergezellen van en\u002Fof volgen doordwang, geweld en\u002Fof bedreiging\n\n- bij de moeder van [slachtoffer] de schijn heeft gewekt dat zijn, verdachtes, nichtje bij hem was en\u002Fofaan de moeder van [slachtoffer] heeft gevraagd of [slachtoffer] bij hem met zijn nichtje in de chalet mocht komen spelen en\u002Fof[slachtoffer] (aldus) onder valse voorwendselen naar zijn chalet heeft gelokt, waar hij op dat moment alleen verbleef en\u002Fof\n\n- zijn chalet na binnenkomst van [slachtoffer] heeft afgesloten en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] een pil\u002Ftablet\u002Fvloeistof bevattendeeen hoeveelheid 2MMC,althans een of meer verdovende en\u002Fof stimulerende en\u002Fof bedwelmende en\u002Fof bewustzijnsbeïnvloedende stof(fen)\u002Fmiddel(en),in elk geval(een)voor de gezondheid van [slachtoffer] schadelijke stof(fen)heeft toegediend en\u002Fof heeft laten innemen en\u002Fof\n\n- [slachtoffer] (gedeeltelijk)(naakt) op het bed heeftlaten zittengezet en\u002Fof naast [slachtoffer] op bed is gaan zittenen\u002Fof\n\n- tijd heeft geprobeerd te rekken toen die moeder van [slachtoffer] te kennen gaf haar dochter te komen ophalen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\n2. subsidiair hij op of omstreeks31 augustus 2024 te [plaats] ,althans in Nederland\n\nopzettelijk de gezondheid van een aan zijn zorg en\u002Fofwaakzaamheid toevertrouwd kind, [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 2021) heeft benadeeld en\u002Fof[slachtoffer] heeft mishandeld door [slachtoffer]een pil\u002Ftablet\u002Fvloeistof bevattendeeen hoeveelheid 2MMC,\n\nalthans een of meer verdovende en\u002Fof stimulerende en\u002Fof bedwelmende en\u002Fof bewustzijnsbeïnvloedende stof(fen)\u002Fmiddel(en),in elk geval(een)voor de gezondheid van [slachtoffer] schadelijke stof(fen)toe te dienen en\u002Fof in te laten nemen;\n\n3. hij in of omstreeksde periode van 11 augustus 2024 tot en met 31 augustus 2024 te [plaats] en\u002Fof [plaats] , althans (elders) in Nederland,\n\nmeermalen, althans eenmaal,een of meer visuele weergaven van seksuele aard en\u002Fofmet onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt was betrokken of schijnbaar was betrokken, waaronder [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2021, heeftverspreid en\u002Fof aangeboden en\u002Fof openlijk tentoongesteld en\u002Fofvervaardigd en\u002Fof ingevoerd en\u002Fof doorgevoerd en\u002Fof uitgevoerd en\u002Fofverworven en\u002Fofin bezit heeft gehaden\u002Fof zich daartoe de toegang heeft verschaftte weten\n\n- afbeeldingen en\u002Fof\n\n- gegevensdragers bevattende afbeeldingen te weteneentelefoon (merk: Oppo) en\u002Fof\n\n- visuele weergave\u002Fgegevensdragerswaarop te zien is dat:\n\ndie persoon oraal, vaginaal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis en\u002Fof vinger\u002Fhand en\u002Fof een ander persoon oraal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis door die persoon (afbeelding(en) 01 en\u002Fof 02 van de toonmap)en\u002Fof\n\nhet geslachtsdeel van die persoon met een penis en\u002Fof vinger\u002Fhand wordt aangeraakt en\u002Fof\n\nhet geslachtsdeel van een ander kind\u002Fpersoon met een penis en\u002Fof hand\u002Fvinger wordt\u002Fworden aangeraakt door die persoon en\u002Fof die persoon het eigen geslachtsdeel, de eigen billen met een vinger\u002Fhand aanraakt(afbeelding(en) 03 en\u002Fof 04 van de toonmap)en\u002Fof\n\ndie persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij\n\n- die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en\u002Fof in een omgeving en\u002Fof in een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij zijn\u002Fhaar leeftijd past en\u002Fof\n\n- door het camerastandpunt en\u002Fof de (onnatuurlijke) pose en\u002Fof de wijze van kleden van die persoon en\u002Fof de uitsnede van de foto's\u002Ffilms nadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en\u002Fof billen van die persoon in beeld worden gebracht (afbeelding(en) 05 en\u002Fof 07 van de toonmap)en\u002Fof dat bij het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon wordt gemasturbeerd en\u002Fof bij\u002Fop het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon sperma wordt gespoten en\u002Fof bij\u002Fnaast het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon een (stijve) penis wordt gehouden (afbeelding(en) 06 van de toonmap)\n\nterwijl van het begaan van dit feit een beroep of gewoonte werd gemaakt.\n\nHet hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde is strafbaar.\n\nHet onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:\n\npoging tot verkrachting in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren voorafgegaan door, vergezeld van of gevolgd door dwang.\n\nHet onder 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op:\n\nmishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige en terwijl het misdrijf wordt gepleegd door toediening van voor het leven of de gezondheid schadelijke stoffen.\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op:\n\neen visuele weergave van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, vervaardigen, verwerven en in bezit hebben, meermalen gepleegd.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nVerdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.\n\nOplegging van straf en maatregel\n\nStandpunt openbaar ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en de maatregel van tbs met dwangverpleging en de maatregel ex artikel 38z Sr als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.\n\nStandpunt verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat verdachte sinds 1 september 2024 in voorlopige hechtenis verblijft en zijn detentieperiode bijzonder zwaar is gelet op de verschillende ernstige medische klachten van verdachte. Ook heeft de raadsman gewezen op de omstandigheid dat de laatste veroordeling van verdachte voor een zedendelict uit 2014 dateert en op de rapporten die over verdachte zijn opgemaakt, waaruit het advies volgt om de feiten 1 en 2 verminderd aan verdachte toe te rekenen en aan hem tbs met voorwaarden op te leggen.\n\nHet verzoek is om een op te leggen gevangenisstraf zoveel mogelijk te beperken omdat de nadruk moet liggen op behandeling in plaats van vergelding en om een tbs met voorwaarden op te leggen, zoals de deskundigen passend en haalbaar achten. Verdachte wil overal aan mee werken en een eerder opgelegd toezicht heeft hij ook positief afgesloten.\n\nOordeel van het hof\n\nHet hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft bij zijn straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden.\n\nErnst van de feiten\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten. Ten eerste heeft hij contact gelegd met de moeder van een driejarig meisje, [slachtoffer] , en gevraagd of [slachtoffer] met zijn nichtje wilde komen spelen, terwijl verdachte helemaal geen nichtjes heeft. Toen moeder aangaf dat ze het zou vragen, heeft verdachte even later nogmaals gevraagd of ze wilde komen. In de tussentijd en ook voor zijn eerste verzoek heeft verdachte meermalen met een sekslijn gebeld en daarvoor gesprekken gevoerd waarbij gesproken werd over ‘rape’ en ‘hard neuken’ van minderjarigen die onder invloed waren van drugs. Toen [slachtoffer] door moeder is gebracht, heeft verdachte de caravan op slot gedaan en heeft hij [slachtoffer] gedrogeerd door haar 2MMC, een designerdrug die verdachte iets meer dan een week ervoor had besteld en afgeleverd heeft gekregen, te geven.\n\nDat is des te kwalijker nu verdachte zelf ervaring had met het innemen van deze drugs en daar de gevolgen van kende.\n\nVerdachte is met [slachtoffer] naar de slaapkamer gegaan waar [slachtoffer] bed heeft gezeten. Verdachte heeft foto’s gemaakt van de blote billen van [slachtoffer] . Toen moeder er na ongeveer tien minuten een naar gevoel bij kreeg, heeft ze verdachte een bericht gestuurd dat ze [slachtoffer] zou komen halen en heeft verdachte nog geprobeerd om dat moment uit te stellen. Toen moeder [slachtoffer] had opgehaald, zag ze vrij snel dat het niet goed ging met haar. Vervolgens is de driejarige [slachtoffer] met spoed opgenomen in het ziekenhuis. [slachtoffer] had pijn, had bloed in haar mond omdat ze haar mond en tong kapot had gebeten en ze moest meermalen overgeven. Uit alles volgt dat het de intentie van verdachte was om [slachtoffer] te verkrachten en enkel en alleen omdat moeder het toch niet vertrouwde en zij [slachtoffer] snel weer heeft opgehaald, is het bij een poging tot verkrachting gebleven.\n\nDaarnaast heeft verdachte zich met het drogeren van [slachtoffer] schuldig gemaakt aan mishandeling door haar een schadelijke stof toe te dienen terwijl zij op dat moment aan zijn zorg was toevertrouwd door moeder.\n\nHet op slinkse wijze bespelen van de moeder van een meisje van drie jaar door haar te vragen of ze met zijn nichtje wilde komen spelen, zodat verdachte de tijd en gelegenheid had om via haar aan zijn gerief te komen, is zeer kwalijk.\n\nDoor zo te handelen heeft verdachte geen enkel respect getoond voor de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en grof misbruik gemaakt van het feit dat zij drie jaar – en daarmee extra kwetsbaar – was.\n\nVerdachte heeft met het plegen van deze strafbare feiten ook veel leed toegebracht. Niet alleen heeft [slachtoffer] de lichamelijke gevolgen van de haar toegediende drugs moeten ervaren, maar heeft ook haar moeder angst en paniek ervaren en het zichzelf kwalijk genomen dat zij [slachtoffer] naar verdachte toe heeft gebracht.\n\nHet is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dit soort delicten vaak langdurig te lijden hebben door trauma’s en de daardoor veroorzaakte emotionele schade. Uit de slachtofferverklaring van moeder blijkt dat zij het zichzelf nog steeds kwalijk neemt dat zij verdachte heeft vertrouwd, dat ze het beeld van [slachtoffer] die vecht tegen de drugs die verdachte haar gegeven heeft niet kwijtraakt en dat ze nog zoveel vragen heeft die niet door verdachte beantwoord worden.\n\nDit gedrag rekent het hof verdachte zwaar aan. Daar komt bij dat verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gedragingen. Zo zijn zijn verklaringen wisselend en geeft hij zowel bij de rechtbank als het gerechtshof nauwelijks antwoord op inhoudelijke vragen omdat hij het niet meer zou weten.\n\nTot slot zijn bij verdachte op zijn telefoon twintig video’s met kinderporno aangetroffen en de foto’s van de billen van [slachtoffer] . In de video’s zijn vergaande seksuele handelingen te zien van soms zeer jonge kinderen en zelfs baby’s, die seksuele handelingen moeten verrichten en dulden. Het gaat hier om kinderpornografisch materiaal van de ergste categorie. Net als de rechtbank houdt het hof verdachte medeverantwoordelijk voor het genoemde seksuele misbruik van kinderen, omdat hij door het verwerven, het bezit en het vervaardigen heeft bijgedragen aan het in stand houden van de vraag hiernaar. Dit is bijzonder ernstig.\n\nHet is een feit van algemene bekendheid dat kinderen die hier het slachtoffer van zijn, psychologische schade oplopen die zij jaren later en soms zelfs hun hele leven nog met zich meedragen en dat beelden op internet niet zomaar verdwijnen, zodat het misbruik in feite onbeperkt doorgaat. Verdachte heeft zijn eigen seksueel genot boven het welzijn gesteld van de kinderen die op de aangetroffen materialen zijn weergegeven.\n\nDe persoon van de verdachte\n\nHet hof heeft bij de strafoplegging ook gekeken naar het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 26 mei 2026, waaruit blijkt dat verdachte zowel in 2005 als 2014 is veroordeeld voor zedendelicten met een minderjarige. Dat weegt het hof in het nadeel van verdachte mee.\n\nDaarnaast heeft het hof ten behoeve van de beantwoording van de vraag of de oplegging van een maatregel in deze zaak geïndiceerd is, gekeken naar de verschillende rapportages die over verdachte zijn opgemaakt.\n\nNet als de rechtbank leidt het hof uit het rapport van 4 april 2025 dat is opgesteld door [naam 3] , psychiater\u002Fpsychoanalyticus, het volgende af.\n\nBij verdachte is sprake van een parafiele stoornis, zwakbegaafdheid en een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast is sprake van onvoldoende sturingsvermogen bij verdachte, met name wanneer hij onder druk komt te staan door life events zoals het overlijden van een familielid. Verdachte ontkent de feiten maar heeft tijdens het psychiatrisch onderzoek aangegeven dat hij verdrietig was vanwege het overlijden van zijn zus, toen is gaan chatten om zijn verdriet een plek te geven, hij ‘iets stouts’ met het meisje van plan was, maar uit zichzelf zou zijn gestopt.\n\nNet als de rechtbank heeft het hof bij de bespreking van het bewijs geconcludeerd dat dit laatste niet het geval is, omdat verdachte voortijdig door de moeder van het meisje werd gestoord.\n\nDe klinische inschatting van het recidiverisico komt uit op matig tot hoog. Zonder behandeling blijven de risicofactoren onveranderd. Een behandeling en begeleiding zijn\n\nnoodzakelijk om de kans op herhaling te verlagen.\n\nVerdachte is in 2005 en in 2014 ook veroordeeld voor zedendelicten met kinderen. Na de\n\nveroordeling in 2014 heeft hij een behandeling voor zedendelinquenten ondergaan. De\n\npsychiater adviseert om de feiten ten aanzien van [slachtoffer] verminderd toe te rekenen en het\n\nbezit van de kinderporno volledig aan verdachte toe te rekenen.\n\nOok het hof neemt deze conclusie ten aanzien van de toerekenbaarheid over en stelt vast dat tijdens het begaan van de feiten bij verdachte een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.\n\nUit het psychologisch onderzoek van GZ-psycholoog [naam 4] van 5 maart 2025 blijkt dat bij verdachte sprake is van zwakbegaafdheid en dat een parafiele stoornis niet met zekerheid gesteld noch uitgesloten kan worden. Nu verdachte een volledig ontkennende houding heeft, onthoudt de onderzoeker zich van advies over de mate van toerekenen.\n\nVolgens de psycholoog is het recidiverisico bovengemiddeld. Bovendien blijkt dat als de ten laste gelegde feiten bewezen worden er sprake is van een beperkt effect van de eerdere zedenbehandeling.\n\nTot slot heeft het hof kennis genomen van het reclasseringsadvies van 26 augustus 2025 van Reclassering Nederland. Daarin staat vermeld dat betrokkene tweemaal eerder werd veroordeeld (2005 en 2014) vanwege een zedendelict en dat bij beide veroordelingen de slachtoffers minderjarige jongens waren. Betrokkene stond eenmaal eerder onder toezicht van de reclassering en doorliep in het kader van een voorwaardelijke veroordeling een ambulante behandeling bij [instelling] . De verklaringen van betrokkene over hetgeen hem ten laste gelegd wordt en gebeurtenissen in de periode die daaraan vooraf zijn gegaan, wisselen en worden bij confrontatie met dossierinformatie bijgesteld, ontkend of ontweken. Betrokkene lijkt zijn verhaal, na confrontatie, telkens aan te passen hetgeen voor verwarring zorgt en niet overeenkomt met hetgeen op is genomen in de pro Justitia rapporten.\n\nDe reclassering geeft aan dat de maatregel van tbs met voorwaarden technisch uitvoerbaar is. Ze zijn echter terughoudend dit te adviseren. De reclassering noemt het advies voorzichtig positief. Zij zien risico’s in het feit dat bij een veroordeling de eerder doorlopen behandeling klaarblijkelijk niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Verdachte laat bij confrontatie met dossierinformatie ontkennend, ontwijkend en bagatelliserend gedrag zien. Zij vragen zich bovendien af of betrokkene daadwerkelijk de impact van een tbs maatregel met voorwaarden en dagbehandeling inziet.\n\nOp te leggen straf\n\nGelet op het voorgaande is enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur passend. Het hof heeft bij het vaststellen van de duur van de gevangenisstraf ten eerste rekening gehouden met de aard en ernst van de feiten, in het bijzonder dat het hier gaat om het drogeren van een driejarige met de intentie haar te verkrachten en het bezit van kinderpornografisch materiaal waarin hele jonge kinderen en baby’s te zien zijn.\n\nDaarnaast heeft het hof gelet op de omstandigheid dat verdachte twee keer eerder voor zedendelicten is veroordeeld, de mate waarin de feiten aan verdachte kunnen worden toegerekend en de impact die de feiten op het slachtoffer hebben gehad. Ook heeft het hof acht geslagen op de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nAlles overwegende is het hof van oordeel dat de duur van de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf, die in hoger beroep ook weer is gevorderd, de ernst van de bewezen verklaarde feiten onvoldoende tot uitdrukking brengt. Het hof zal dan ook aan verdachte een langere gevangenisstraf opleggen dan de drie jaren die door de rechtbank zijn opgelegd.\n\nHet hof legt aan verdachte op een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nTbs met voorwaarden of tbs met dwangverpleging?\n\nVoorts is het hof van oordeel dat oplegging van de maatregel van tbs noodzakelijk is.\n\nHet hof stelt voorop dat aan vier voorwaarden moet zijn voldaan, wil aan een verdachte de maatregel van tbs kunnen worden opgelegd.\n\nIn de eerste plaats dient bij de verdachte ten tijde van het begaan van het strafbare feit sprake te zijn van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Het betreffende feit dient in de tweede plaats een misdrijf te betreffen waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, dan wel behoren tot een der misdrijven zoals specifiek in de wet (artikel 37a eerste lid, onder 1° Sr) vermeld. In de derde plaats dient de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen. Ten slotte kan een dergelijke maatregel enkel worden opgelegd nadat de strafrechter zich een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies heeft doen overleggen van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, waaronder een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht.\n\nIn de onderhavige zaak is aan deze voorwaarden voldaan en er is geen discussie over dat verdachte behandeld dient te worden binnen een tbs-kader en dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen oplegging van die maatregel eist.\n\nDe vraag die het hof dient te beantwoorden is welke vorm van tbs opgelegd dient te worden: tbs met verpleging van overheidswege, zoals de advocaat-generaal heeft gevorderd, of tbs met voorwaarden, zoals de verdediging heeft gevraagd.\n\nDe deskundigen hebben in hun rapporten opgenomen dat volstaan kan worden met oplegging van tbs met voorwaarden. Het hof volgt echter de deskundigen niet in voornoemde adviezen en acht het evenals de rechtbank en de advocaat-generaal noodzakelijk dat verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.\n\nTer onderbouwing van deze beslissing stelt het hof voorop dat uit de rapportages van zowel de psycholoog als de psychiater volgt dat de nadruk moet liggen op een intensieve en langdurige zedenbehandeling. Daar komt bij dat verdachte de bewezenverklaarde feiten ontkent, hij twee keer eerder voor zedendelicten is veroordeeld en daarbij eenmaal eerder een zedenbehandeling bij [instelling] heeft gevolgd. Het hof stelt, gelet op de onderhavige zaak, vast dat deze behandeling onvoldoende effect heeft gehad. Ook stelt het hof met de rechtbank vast dat uit de rapportages evenals op de zitting is gebleken dat verdachte niet beschikt over ziektebesef en ook niet begrijpt waarom hij een behandeling nodig heeft.\n\nDaar komt nog bij dat de reclassering in het rapport aan heeft gegeven dat het advies van tbs met voorwaarden slechts voorzichtig positief is omdat de reclassering door de opstelling van verdachte het risico op onttrekken aan de voorwaarden niet in kan schatten.\n\nVolgens de reclassering is het gelet op de eerdere veroordelingen van verdachte, de doorlopen behandeling en de houding van verdachte de vraag of een tbs met voorwaarden haalbaar is.\n\nNet als de rechtbank is het hof van oordeel dat verdachte een intensieve, klinische en langdurige behandeling nodig heeft en dat een stevig behandelkader in een beveiligde omgeving noodzakelijk is om grip op verdachte te krijgen. De duur van de behandeling van een tbs met voorwaarden is daarvoor te kort en ook het hof betrekt hierbij het hoge risico op schijnaanpassing.\n\nAlles afwegende is het hof van oordeel dat het terugdringen van voornoemd recidiverisico en de noodzakelijke bescherming van de maatschappij, niet anders kan plaatsvinden dan door middel van het opleggen van tbs met dwangverpleging. Deze maatregel biedt in het onderhavige geval de meeste waarborgen voor een optimale risicoreductie. Anders dan de verdediging heeft bepleit, kan niet worden volstaan met een minder hoog niveau van bescherming.\n\nHet hof overweegt dat de maatregel van terbeschikkingstelling wordt opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten de feiten 1 primair en 2 subsidiair. De totale duur van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging kan daarom, gelet op artikel 38e Sr, een periode van vier jaren te boven gaan.\n\nMaatregel langdurig toezicht ex artikel 38z Sr\n\nDaarnaast is het hof van oordeel dat een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z Sr noodzakelijk is. Naar het oordeel van het hof is de oplegging van de maatregel nodig in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen. Verdachte zal ter beschikking worden gesteld en worden veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Tot slot hebben zowel de deskundigen als de reclassering de oplegging van deze maatregel geadviseerd. Aan de formele vereisten is voldaan.\n\nMet de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de problematiek van verdachte met zich brengt dat langdurig toezicht nodig is om recidive te voorkomen of in ieder geval zoveel mogelijk in te perken. Het hof zal daarom, gelet op het bovenstaande, tot de oplegging van de maatregel met langdurig toezicht overgaan.\n\nVordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer]\n\nDe benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend van € 1.777,86, bestaande uit € 277,86 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade en heeft daarnaast een bedrag van € 570,24 aan proceskosten gevorderd. De rechtbank heeft de vordering toegewezen tot een bedrag van € 102,96 en de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.\n\nNamens de benadeelde partij heeft mr. Bouw op de zitting in hoger beroep aangegeven dat het hof het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de gevorderde materiële schade kan volgen, te weten toewijzing van een bedrag van € 102,96. Daarnaast heeft mr. Bouw verzocht de benadeelde partij voor wat betreft de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren nu deze schade onvoldoende is onderbouwd vanwege het ontbreken van een diagnose van geestelijk letsel.\n\nVoor wat betreft de gevorderde proceskosten heeft mr. Bouw zich gerefereerd aan het oordeel van het hof, maar daarbij wel gewezen op de omstandigheid dat oma en stiefopa een groot deel van de tijd voor [slachtoffer] zorgen en een zeer betrokken rol hebben in de zorgtaken van haar. Oma heeft namens de moeder van [slachtoffer] de advocaat bezocht voor een bespreking van de zaak en de zittingen bij de rechtbank bijgewoond en zij heeft geen bijstand van een advocaat. Om die reden is het verzoek om de proceskosten die oma heeft gemaakt toe te wijzen.\n\nStandpunt openbaar ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat de materiële schade die gevraagd wordt toegewezen dient te worden zoals de rechtbank dat heeft gedaan en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden.\n\nStandpunt verdediging\n\nGelet op de bepleite vrijspraak heeft de verdediging primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de verdediging de standpunten die in eerste aanleg naar voren heeft gebracht gehandhaafd en is het verzoek aan te sluiten bij de overwegingen van de rechtbank hieromtrent.\n\nOordeel van het hof\n\nVoor wat betreft de gevorderde materiële schade stelt het hof voorop dat het hof duidelijk is gebleken dat de oma en stiefopa van [slachtoffer] net zo betrokken zijn bij het welzijn van [slachtoffer] als de moeder van [slachtoffer] , maar dat het hof gebonden is aan de wet voor wat betreft de mogelijkheden om de gevraagde schade van oma toe te kennen.\n\nHet hof is met de rechtbank van oordeel dat alleen de kosten die oma heeft gemaakt om [slachtoffer] naar het ziekenhuis te brengen voor vergoeding in aanmerking komen, te weten\n\n€ 69,30. Daarnaast wijst het hof toe de gevorderde kosten die moeder heeft gemaakt op 31 augustus 2024 en 1 september 2024 voor het brengen van [slachtoffer] naar het ziekenhuis, te weten € 33,66. De benadeelde partij heeft immers rechtstreeks schade geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.\n\nVoor wat betreft de overige gevorderde materiële schade kan de benadeelde partij niet worden ontvangen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.\n\nTen aanzien van de gevorderde immateriële schade zal het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren nu deze schadepost, zoals op de zitting door mr. Bouw zelf ook is aangevoerd, onvoldoende is onderbouwd. Ook dit deel van de vordering kan de benadeelde partij nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\nOm te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.\n\nVoor wat betreft de proceskosten sluit het hof zich aan bij de overwegingen van de rechtbank. De noodzakelijke reis- en verblijfkosten die de benadeelde partij heeft gemaakt komen op grond van de artikelen 238 en 239 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet in aanmerking voor vergoeding wanneer zij zich heeft laten bij staan door een gemachtigde\n\n(Hoge Raad, 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:334). Ook de reiskosten om de advocaat van de benadeelde te bezoeken om de zaak te bespreken komen om die reden niet voor\n\nvergoeding in aanmerking (Hoge Raad, 28 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:414). Aangevoerd is dat de kosten van oma en stief-opa voor het bezoeken van de terechtzittingen wel voor vergoeding in aanmerking zouden moeten komen omdat zij geen bijstand van een gemachtigde hadden. Aangezien opa en stief-opa geen benadeelde partij zijn in deze zaak, komen deze kosten ook niet voor vergoeding in aanmerking.\n\nHet hof verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering van de proceskosten.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nDe benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 2.000,00 ingediend bestaande uit immateriële schade. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 500,00. De benadeelde partij heeft in hoger beroep aangegeven dat het oorspronkelijke bedrag nog steeds wordt gevorderd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de bij de rechtbank gevorderde schadevergoeding.\n\nStandpunt openbaar ministerie\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de onderbouwing van de vordering en de Rotterdamse schaal, zij zich kan voorstellen dat het hof de immaterieel toe te wijzen vordering enigszins matigt, maar niet in de mate zoals de rechtbank dat heeft gedaan. Volgens de advocaat-generaal zou een groter deel moeten worden toegewezen dan de rechtbank heeft gedaan.\n\nStandpunt verdediging\n\nGelet op de bepleite vrijspraak heeft de verdediging primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de verdediging de standpunten die in eerste aanleg naar voren heeft gebracht gehandhaafd en is het verzoek aan te sluiten bij de overwegingen van de rechtbank hieromtrent.\n\nOordeel van het hof\n\nOp de zitting is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte.\n\nDe bewezen verklaarde feiten betreffen een poging tot verkrachting en een mishandeling en vastgesteld kan worden dat als gevolg van het bewezenverklaarde handelen door verdachte bij de benadeelde partij naar objectieve maatstaven sprake is van lichamelijk letsel en van een aantasting in de persoon op andere wijze (geestelijk letsel). De aard en de ernst van deze feiten brengt mee dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen, dat van een aantasting in de persoon kan worden gesproken. Nadere onderbouwing van het geestelijk letsel is dan ook niet vereist.\n\nVoor wat betreft de hoogte van de immateriële schade heeft het hof gelet op schadevergoedingen die in vergelijkbare gevallen worden toegekend en de onderbouwing van de vordering en aansluiting gezocht bij de Rotterdamse schaal.\n\nIn deel A, Lichamelijk letsel, hoofdstuk 13 ‘Licht letsel’ wordt onder categorie ‘(c) Herstelperiode van ongeveer twee maanden’ en oppervlakkig en beperkt letsel een bedrag tot € 1.100,00 genoemd.\n\nNu de benadeelde partij als driejarige door het toedienen van de drugs door verdachte haar mond kapot heeft gebeten, pijn heeft gehad in verschillende delen van haar lichaam, ziek is geweest en met de ambulance is afgevoerd, is er naar het oordeel van het hof geen sprake van oppervlakkig en beperkt letsel, maar zodanig letsel dat reeds hierom de gevorderde schade naar redelijkheid en billijkheid vastgesteld kan worden op het gevorderde bedrag van € 2.000,00. De vordering wordt daarom in het geheel toegewezen.\n\nOm te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.\n\nWetsartikelen\n\nDe straf en maatregelen zijn gebaseerd op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38z, 45, 57, 240b, 250, 252, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van5 (vijf) jaren.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nGelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.\n\nLegt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking ex artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVordering van de benadeelde partij [moeder slachtoffer]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [moeder slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair en 2 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 102,96 (honderdtwee euro en zesennegentig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVerklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de proceskosten.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [moeder slachtoffer] , ter zake van het onder 1 primair en 2 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 102,96 (honderdtwee euro en zesennegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 31 augustus 2024.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde tot het bedrag van\n\n€ 2.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 primair, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 31 augustus 2024.\n\nDit arrest is gewezen door mr. A.H. Garos, mr. R.D.J. Visschers en mr. D. Stikkelbroeck,\n\nin aanwezigheid van de griffier mr. H.J. Rosmalen-Jansen en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 6 juli 2026.\n\nProces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 6 juli 2026.\n\nTegenwoordig:\n\nmr. J. Steenbrink, voorzitter,\n\nmr. V.T.R.W. van Thiel , advocaat-generaal,\n\nmr. H.J. Rosmalen-Jansen, griffier.\n\nDe voorzitter doet de zaak uitroepen.\n\nDe verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.\n\nDe voorzitter spreekt het arrest uit.\n\nWaarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.\n\n De hierna onder de voetnoten 2 t\u002Fm 18, 20 t\u002Fm 22, 26, 28 t\u002Fm 31 en 36 genoemde bewijsmiddelen zijn als bijlagen gevoegd bij het stamproces-verbaal 08RANGER, nummer 2024407947, in de wettelijke vorm opgemaakt op 4 april 2025 door [brigadier] , brigadier.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 25 t\u002Fm 28).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 251 t\u002Fm 252) en het WhatsApp-bericht als bijlage gevoegd (pagina 310).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 249 t\u002Fm 250).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 54 en 55).\n\n Patiëntendossier [ziekenhuis] inzake [slachtoffer] , p. 126.\n\n Het rapport van het NFI (pagina’s 175 t\u002Fm 181).\n\n Het rapport van het NFI (pagina’s 104 t\u002Fm 108).\n\n Het proces-verbaal van aangifte (pagina’s 39 t\u002Fm 44).\n\n Het proces-verbaal voorlopige samenvatting studioverhoor (pagina’s 60 t\u002Fm 61).\n\n Het proces-verbaal van aanhouding verdachte (pagina’s 595-597) en het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 598-600).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 509 t\u002Fm 510).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 342 t\u002Fm 343) en de WhatsApp-berichten als bijlagen gevoegd (pagina’s 351 t\u002Fm 352).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 342 t\u002Fm 343) en de WhatsApp-berichten als bijlagen gevoegd (pagina’s 441 t\u002Fm 447).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 342 t\u002Fm 343) en de WhatsApp-berichten als bijlagen gevoegd (pagina’s 488 t\u002Fm 502).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 342 t\u002Fm 343) en de WhatsApp-berichten als bijlagen gevoegd (pagina’s 470 t\u002Fm 487).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 342 t\u002Fm 343) en de WhatsApp-berichten als bijlagen gevoegd (pagina’s 344 t\u002Fm 351).\n\n Het proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof van 22 juni 2026.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 515 t\u002Fm 517).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 339 t\u002Fm 340).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina 341).\n\n Het proces-verbaal van verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank Gelderland op 6 september 2024 (los opgenomen in het dossier).\n\n Het proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof van 22 juni 2026.\n\n Het proces-verbaal van bevindingen, nummer 140, in de wettelijke vorm opgemaakt op 2 juni 2025 door [hoofdagent] , hoofdagent, met bijlage (los opgenomen in het dossier).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina 518).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen, nummer 140, in de wettelijke vorm opgemaakt op 2 juni 2025 door [hoofdagent] , hoofdagent (los opgenomen in het dossier).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen (pagina’s 519 t\u002Fm 521).\n\n Het proces-verbaal voorbereiding studioverhoor (pagina’s 58 en 59).\n\n Het proces-verbaal voorlopige samenvatting studioverhoor (pagina’s 60 en 61).\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte (pagina 650).\n\n Het proces-verbaal van bevindingen, nummer 140, in de wettelijke vorm opgemaakt op 2 juni 2025 door [hoofdagent] , hoofdagent (los opgenomen in het dossier).\n\n Het proces-verbaal van verhoor verdachte, proces-verbaalnummer 148, in de wettelijke vorm opgemaakt op 29 juli 2025 door [hoofdagent] , hoofdagent (los opgenomen in het dossier).\n\n Het proces-verbaal van de terechtzitting van de meervoudige kamer in de rechtbank Gelderland van 3 oktober 2025.\n\n Het proces-verbaal van de terechtzitting van het gerechtshof van 22 juni 2026.\n\n Het proces-verbaal van verhoor van verdachte (pagina 637).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4368","ecli-nl-gharl-2026-4368",{"courtName":6,"legalDomain":76,"decisionType":22,"procedureType":23},"Strafrecht",{"id":78,"ecli":79,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":41,"fullText":80,"language":7,"source":17,"sourceUrl":81,"summary":14,"slug":82,"metadata":83},"1687","ECLI:NL:RBGEL:2026:5303","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nParketnummer: 05\u002F057541-25\n\nDatum uitspraak : 6 juli 2026\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de militaire kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [adres] in [woonplaats] .\n\nRaadsvrouw: mr. T.A. van Helvoort, advocaat in Amersfoort.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nhij als militair, op of omstreeks 17 juni 2024, te of nabij [locatie] , in elk geval in Duitsland, tijdens een oefening (SOB SOMS) op een schietbaan met 112 pantsergeniecompagnie opzettelijk, althans in ernstige mate nalatig het dienstvoorschrift VS 7-520 COLT: Hoofdstuk 1 “Wapenleer”, sectie 5 “Verrichtingen aan het wapen” onder 1510 (pagina 1-44) waarin was voorgeschreven: Laden vanuit ongeladen toestand • Neem de uitgangshouding aan. • Neem het patroonmagazijn uit de patroonmagazijntas, controleer of de patronen juist geplaatst zijn. Plaats het patroonmagazijn in het wapen en controleer of deze geborgd is. • Trek de spangreep naar achteren en laat deze in achterste stand los.\n\n• Druk met de handpalm de aandruk-plunjer in. • Sluit het hulzengatdeksel. • Zet de vuurregelaar op ‘S’.\n\nen\u002Fof\n\nHoofdstuk 2 “Schietleer”, sectie 7 “Gebruik van geweer in het terrein” onder 2704 (pagina 2-40) waarin was voorgeschreven: Schietbereidheid laag Wordt meestal gebruikt als de vijandelijke dreiging laag is. U hebt twee manieren om het wapen aan de tactische draagriem te dragen,\n\n• Het wapen voor de borst gedragen. • Het wapen om de schouder gehangen. Uitvoering. • De tactische draagriem loopt over de linker schouder en onder de rechter oksel door. • Het wapen wordt voor de borst gedragen, men kan nog steeds beide armen gebruiken voor werkzaamheden. • Desgewenst kan de schutter de snelsluiting openen, waardoor de riem langer kan worden gemaakt. • Wapen is geladen en staat op ‘Safe’. • Via deze draagwijze kan men snel overgaan naar een hogere schietbereidheid.\n\n, 2705 (pagina 2-41) Schietbereidheid middel Wordt het meest gebruikt bij verplaatsingen en patrouilles. Uitvoering • Tactische draagriem loopt over de linker schouder en onder de rechter oksel door. • De tactische draagriem is dusdanig afgesteld zodat de kolf van het wapen kontact heeft met de rechter schouder. • De linkerhand omvat de handbeschermers waarbij de linker wijsvinger gestrekt naar voren wijst. • Het wapen is geladen en staat op ‘Safe’, de rechter wijsvinger is gestrekt langs de trekkerbeugel. • De loop wijst onder een hoek van ongeveer 45° naar beneden\n\nen 2706 (pagina 2-42) waarin was voorgeschreven dat: Schietbereidheid hoog Wordt gebruikt als men direct vijand contact verwacht. Uitvoering. • Tactische draagriem loopt over de linker schouder en onder de rechter oksel door. • De tactische draagriem is dusdanig afgesteld zodat de kolf van het wapen kontact heeft met de rechter schouder. • De linkerhand omvat de handbeschermers waarbij de linker wijsvinger gestrekt naar voren wijst. • Het wapen is geladen en staat op ‘Safe’ met de rechter wijsvinger aan de trekker en de rechterduim bij de vuurregelaar. • Waarnemen over de richtmiddelen voor een maximaal gezichtsveld.\n\nen\u002Fof\n\nHandboek Militair LAND-E&T- 02.3: Hoofdstuk 6A “Colt C7 &C8”, sectie 2 “Verrichtingen aan het wapen\" onder 6203 (pagina 6-35) waarin was voorgeschreven dat: Laden (vanuit halfgeladen toestand) - neem de uitgangshouding aan - trek de spangreep naar achteren en laat deze in de achterste stand los - druk met de handpalm de aandrukplunjer in - sluit het hulzengatdekeel - zet de vuurregelaar op S.\n\nniet heeft opgevolgd, hierin bestaande dat hij verdachte toen aldaar in de gevechtsruimte\u002Fhet manschappen-compartiment van een Boxer (militair pantserwielvoertuig) zijn geladen wapen (Colt 8) ter hand heeft genomen en\u002Fof in gebruik heeft genomen zonder dat verdachte zich op dat moment (eerst) (voldoende) had overtuigd van de toestand waarin dat wapen verkeerde en\u002Fof zonder dat verdachte (eerst) de veiligheidsmaatregelen had genomen en\u002Fof zonder dat verdachte het wapen met de loop in een veilige richting liet wijzen en\u002Fof op het moment dat hij, verdachte, nog in het pantservoertuig zat\u002Faanwezig was en aanstalte maakte om uit te stijgen de trekker van zijn dienstwapen heeft overgehaald en\u002Fof althans te trekker heeft beroerd en\u002Falthans een schot met dat wapen heeft gelost en\u002Fof terwijl verdachte zijn dienstwapen op (zeer) korte afstand in de richting van het pantserplaat plafond (scherfwerende plafondplaat) van het voertuig (Boxer)militairwielvoertuig liet wijzen,\n\nterwijl daarvan\u002Fdaardoor gemeen (ricochet)gevaar voor personen, te weten de in het voertuig bevindende personen en\u002Fof de zich in de directe nabijheid van het schot bevindende personen te weten verdachte zelf en\u002Fof [getuige 1] en\u002Fof [getuige 2] en\u002Fof [getuige 3] en\u002Fof [getuige 4] en\u002Fof [getuige 5] en\u002Fof [getuige 6] en\u002Fof [getuige 7]\n\nen\u002Fof gemeen gevaar voor goederen te weten de in het militairwielvoertuig bevindende goederen te weten de elektronische apparatuur, de vloer- en wand(bekleding) is ontstaan, althans te duchten is geweest.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk, ook niet in voorwaardelijke zin, dan wel door ernstige nalatigheid, een dienstvoorschrift heeft overtreden. Er is sprake van een ongelukkige samenloop van omstandigheden.\n\nBeoordeling door de militaire kamer\n\nDe bewijsmiddelen\n\nOp 17 juni 2024 vond de oefening SOB\u002FSOMS (Schiet- en oefenperiode [locatie] \u002FSchiet- en oefenperiode [locatie] ) plaats op een schietbaan in [locatie] (Duitsland). Hierbij werd gebruik gemaakt van een Boxer-pantserwielvoertuig (hierna: Boxer) en scherpe munitie. De 112 pantsergeniecompagnie, waar verdachte deel van uitmaakt, deed mee aan deze oefening.\n\nVerdachte zat samen met zijn collega-militairen [getuige 1] (voertuigcommandant), [getuige 7] (boordschutter), [getuige 4] , [getuige 6] (chauffeur), [getuige 3] , [getuige 2] en [getuige 5] in de Boxer. Verdachte was hun groepscommandant.De chauffeur, de voertuigcommandant en de boordschutter zaten voorin de Boxer. De rest zat achterin.\n\nVerdachte, die tevens schietinstructeur op de Colt is, heeft verklaard dat er tassen onder zijn stoel waren geplaatst, waardoor zijn stoel niet volledig naar beneden kon worden geklapt en hij niet goed kon zitten. Daarom heeft verdachte zijn doorgeladen Colt C8, met de loop naar boven, rechts van zich neergezet tussen de stoelen. Toen ze moesten uitstijgen, wilde verdachte zijn wapen pakken, maar dat zat klem. Verdachte stond gebukt, draaide naar rechts en pakte met zijn rechterhand zijn wapen bij de handbeschermer, ter hoogte van de handgreep aan de loop. Toen hij aan het wapen trok, hoorde hij dat het afging.\n\nHet laatste moment waarop verdachte zeker wist dat zijn wapen op safe (S) stond, was toen hij het aan het begin van de dag heeft geladen. Verdachte kon niet zeggen of zijn wapen op safe stond tijdens het instijgen in de Boxer. Tijdens het uitstijgen heeft verdachte niet gecontroleerd of de vuurregelaar op safe stond. Verdachte is bekend met het Handboek Militair LAND-E&T- 02.3: Hoofdstuk 6A “Colt C7 &C8”, sectie 2 “Verrichtingen aan het wapen”.\n\n Verdachte handelde, bij het uitstijgen, in the heat of the momenten hij wilde tijd genereren. Achteraf bezien heeft hij zich te veel laten pushen door de oefening.\n\n [getuige 1] heeft verklaard dat de klep van de Boxer niet naar beneden was, alleen het deurtje was geopend. Verdachte wilde uitstappen door het geopende deurtje van de Boxer. Hierbij zat hij met zijn benen uit het voertuig, met zijn billen op de rand en met zijn gezicht naar beneden. Verdachte pakte zijn wapen van achter zich zonder ernaar te kijken. Toen hij het wapen naar voren trok, ging het schot af. [getuige 1] denkt dat hij zich op dat moment op 1,5 tot 2 meter afstand van verdachte bevond.\n\n [getuige 4] heeft verklaard dat het een rommel in de bak was, dus ze konden niet allemaal zitten. [getuige 4] zag dat verdachte wilde uitstijgen en aan zijn wapen trok. Het wapen van verdachte bleef vast zitten aan een stepje (de militaire kamer begrijpt: treetje) voor de voeten. Vervolgens hoorde [getuige 4] een doffe knal en hij zag een rookpluim. [getuige 4] zat op dat moment schuin tegenover verdachte op zo’n vijftig tot zestig centimeter afstand. Volgens [getuige 4] is er achterin zo’n bak altijd gevaar als je met scherp (de militaire kamer begrijpt: scherpe munitie) werkt.\n\n [getuige 3] heeft verklaard dat verdachte zou gaan uitstijgen, maar bleef haken. Hierna hoorde [getuige 3] een schot en hij voelde een patroon voor zich langs gaan. Hij stond op dat moment achter verdachte op maximaal vijf centimeter afstand.\n\n [getuige 2] heeft verklaard dat bovengenoemde personen allemaal in de Boxer zaten, met uitzondering van [getuige 5] , die buiten stond. [getuige 2] zat tegenover verdachte. Ze zaten met hun knieën tegen elkaar, dus erg dicht op elkaar. [getuige 2] zag dat verdachte opstond en naar zijn wapen reikte. Toen verdachte zijn wapen in de hand had, trok hij dit naar zich toe en hoorde [getuige 2] een doffe knal. Als het schot niet in een ballistische plaat was gekomen, dan had deze volgens [getuige 2] kunnen afketsen in de gevechtsruimte, met alle gevolgen van dien.\n\n [getuige 5] heeft verklaard dat iedereen in de Boxer gepropt zat en dat het best wel krap was. [getuige 5] is als eerste door het deurtje van de achterklep van de Boxer naar buiten gegaan. Hij was er half of net uit toen hij een knal hoorde. Hij stond op dat moment op drie tot vijf meter afstand van verdachte.\n\nDe Colt C8 van verdachte is in beslag genomen.Uit een rapport van het Kenniscentrum Wapensystemen en Munitie volgt dat dit wapen in een goede (of uitstekende) wapentechnische staat is. Er zijn geen afwijkingen geconstateerd aan het wapen, ook niet aan de trekkergroep. De conclusie van het rapport luidt dat het zeer onwaarschijnlijk is dat het wapen spontaan een schot kan geven, zonder dat het wapen op ‘vuren’ heeft gestaan en de trekker is bediend.Verder is het volgens een wapenexpert mogelijk dat de vuurregelaar verdraait als een hard voorwerp hierop, onder de juiste hoek, met de juiste richting en met genoeg kracht, druk uitoefent.\n\nIn het plafond van de gevechtsruimte van de Boxer werd een inschot aangetroffen.Uit onderzoek van de Koninklijke Marechaussee bleek dat er mogelijk een schot was gelost met een Colt C8. De hierdoor afgevuurde kogelpunt heeft een kogelgat van ongeveer 6 millimeter veroorzaakt in de scherfwerende plafondplaat, waardoor deze plaat is geperforeerd en er een schotbeschadiging is ontstaan in de pantserplaat van het plafond.\n\nHet dienstvoorschrift\n\nIn het dienstvoorschrift Handboek Militair LAND-E&T- 02.3 (hierna: het HAMIL), zoals dit van kracht was op 16 juni 2024, staat in hoofdstuk 6A ‘Colt C7 & C8’ een sectie genaamd ‘Verrichtingen aan het wapen’. Hierin is – voor zover relevant – op bladzijde 6-35 opgenomen:\n\n6203 ​​​​​​ Laden (vanuit halfgeladen toestand)\n\n Neem de uitgangshouding aan.\n\n Trek de spangreep naar achteren en laat deze in achterste stand los.\n\n Druk met de handpalm de aandruk-plunjer in.\n\n Sluit het hulzengatdeksel.\n\n Zet de vuurregelaar op ‘S’.\n\nDe militaire kamer stelt vast dat het HAMIL een dienstvoorschrift betreft als bedoeld in artikel 135 MSr. De regels vormen een schriftelijk besluit van algemene strekking, hebben betrekking op een militair dienstbelang, namelijk de veilige omgang met wapens, en betreffen een tot de militair gericht gebod. Voorts zijn de regels duidelijk, ook voor verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij bekend is met deze sectie van het HAMIL.\n\nDe militaire kamer stelt vast dat sectie 5 ‘verrichtingen aan het wapen’ van hoofdstuk 1 ‘wapenleer’ van het dienstvoorschrift VS 7-520 niet van toepassing is, omdat er, ten tijde van het afgaan van het ongecontroleerde schot, geen sprake was van laden vanuit ongeladen toestand. Ook sectie 7 ‘Gebruik van geweer in het terrein’ van hoofdstuk 2 ‘Schietleer’ is in dit geval niet van toepassing, omdat dit gaat om de correcte manier waarop het wapen moet worden gedragen bij verplaatsingen in het terrein. Naar het oordeel van de militaire kamer is daar in dit geval geen sprake van, omdat verdachte zich in een voertuig bevond. In zoverre zal de militaire kamer verdachte partieel vrijspreken van het tenlastegelegde.\n\nOvertreden dienstvoorschrift\n\nOp grond van het voorgaande stelt de militaire kamer vast dat bij het uitstijgen uit de Boxer de vuurregelaar van het wapen van verdachte kennelijk niet op safe (S) stond. Het wapen van verdachte zat tijdens het uitstijgen klem. Verdachte heeft een ongewild\u002Fongecontroleerd schot met zijn wapen gelost toen hij aan het wapen trok om het los te krijgen. Verdachte heeft tijdens het uitvoeren van de oefening, en in het bijzonder bij het uitstijgen, niet gecontroleerd of de vuurregelaar (nog steeds) op S stond. Hiermee heeft verdachte het HAMIL overtreden op grond waarvan het wapen, na het uitvoeren van de veiligheidsmaatregelen, steeds op S behoort te staan.\n\nUit de stukken noch uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat er een dienstvoorschrift bestaat waarin is vastgelegd dat de loop van een wapen naar beneden moet worden gericht in een voertuig.\n\nVan op de concrete situatie van mogelijk toepassing zijnde extra te stellen (veiligheids)eisen is dus niet gebleken. Er kan dan ook niet worden bewezen dat verdachte de loop van zijn wapen niet in een veilige richting liet wijzen. Daarom zal de militaire kamer verdachte vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.\n\nVerder blijkt uit het procesdossier niet dat verdachte de trekker van zijn wapen heeft overgehaald of beroerd. Ook hiervan zal de militaire kamer hem vrijspreken.\n\nOpzet\n\nDe militaire kamer is van oordeel dat verdachte geen opzet heeft gehad op het overtreden van het dienstvoorschrift, ook niet in de vorm van voorwaardelijk opzet. Daarom zal de militaire kamer hem in zoverre vrijspreken van het tenlastegelegde.\n\nSchuld\n\nDe militaire kamer dient vervolgens te beoordelen of het overtreden van het dienstvoorschrift aan de schuld van verdachte is te wijten. Hiervoor is vereist dat de verdachte zich ten minste aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam heeft gedragen. Er moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van (verwijtbare) onvoorzichtigheid. Bij de beoordeling hiervan komt het aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. De militaire kamer overweegt hiertoe het volgende.\n\nIn de gevechtsruimte van een Boxer is de ruimte zeer beperkt, zeker omdat er naast verdachte nog zeven collega’s in zaten. Bovendien lagen er in dit geval ook nog rugzakken onder de stoel van verdachte, waardoor hij niet goed kon zitten. In deze situatie heeft verdachte ervoor gekozen om zijn met scherpe munitie geladen wapen tussen de stoelen neer te zetten. Vervolgens heeft verdachte naast zich gereikt om zijn wapen te pakken, zodat hij kon uitstijgen, maar het wapen zat klem. Daarom trok verdachte aan het wapen dat vervolgens af ging. Verdachte heeft tijdens het uitstijgen niet gecontroleerd of de vuurregelaar op S stond.\n\nDe militaire kamer overweegt dat van een militair uit hoofde van diens functie extra voorzichtigheid mag worden verwacht (de zogenoemde Garantenstellung). Bovendien had verdachte als groepscommandant en tevens schietinstructeur op de Colt een leidende rol en een voorbeeldfunctie, waardoor hij nog voorzichtiger had moeten zijn. Hij werkte op dat moment bovendien met scherpe munitie. Hij had dan ook zijn onverdeelde aandacht moeten hebben bij de handelingen die hij moest uitvoeren – te weten het uitstijgen met zijn wapen – en dit zo veilig mogelijk moeten doen.\n\nJuist onder de genoemde feiten en omstandigheden – te weten de kleine ruimte met veel mensen, de spullen in de Boxer waardoor verdachte niet op een normale manier kon zitten en hij zijn wapen ook niet op een normale manier weg kon zetten – had verdachte meer voorzichtigheid moeten betrachten. De vuurregelaar is namelijk op enig moment van S afgegaan, zonder dat verdachte dit heeft opgemerkt, noch tijdens het instijgen, noch tijdens het uitstijgen. Zeker nu hij het wapen op een andere manier neer had gezet dan hij normaal zou doen, te weten tussen de stoelen, had van hem mogen worden verwacht dat hij daarvoor en daarna zou controleren dat de vuurregelaar inderdaad nog op S stond. Dit heeft hij niet gedaan.\n\nBovendien heeft verdachte tijdens het uitstijgen naast zich gereikt en zijn wapen gepakt. Ondanks dat hij voelde dat het wapen klem zat, heeft hij dit naar zich toe getrokken. Dit ging kennelijk op zo’n manier dat het wapen af is gegaan.\n\nDe militaire kamer ziet dit als twee afzonderlijke onzorgvuldigheden. In die zin is deze zaak dus niet vergelijkbaar met de door de verdediging aangehaalde uitspraak van de militaire kamer van 16 december 2024 (ECLI:NL:RBGEL:2024:9075), nu in die zaak sprake was van een enkel moment van onoplettendheid. De militaire kamer vindt dat daarvan in het geval van verdachte geen sprake is.\n\nGelet op deze omstandigheden, in het bijzonder de voorzichtigheid die juist van verdachte had mogen worden verwacht tijdens het werken met scherpe munitie, komt de militaire kamer tot het oordeel dat verdachte verwijtbaar onvoorzichtig is geweest. Hiermee is sprake van aanmerkelijke schuld.\n\nGemeen gevaar voor personen en\u002Fof goederen\n\nDe militaire kamer overweegt dat er meerdere collega’s van verdachte zich in zijn directe omgeving bevonden op het moment dat hij het schot loste. [getuige 3] voelde zelfs het patroon langs zich gaan. Bovendien had de kogel kunnen ricocheren naar verdachte zelf, zijn collega’s of de goederen in het voertuig die zich in de directe omgeving bevonden. Hierdoor hadden zijn collega’s ernstig gewond kunnen raken of erger. Verder is door de inslag de scherfwerende plafondplaat doorboord en de daarachter liggende pantserplaat beschadigd.\n\nDe militaire kamer is daarom van oordeel dat er gemeen gevaar voor zowel personen als goederen is ontstaan, althans te duchten is geweest.\n\nConclusie\n\nGelet op het voorgaande acht de militaire kamer het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, waarbij de militaire kamer van oordeel is dat verdachte in ernstige mate nalatig is geweest.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nhij als militair, op of omstreeks17 juni 2024, te of nabij [locatie] , in elk geval in Duitsland, tijdens een oefening (SOB SOMS) op een schietbaan met 112 pantsergeniecompagnieopzettelijk, althansin ernstige mate nalatig het dienstvoorschriftVS 7-520 COLT: Hoofdstuk 1 “Wapenleer”, sectie 5 “Verrichtingen aan het wapen” onder 1510 (pagina 1-44) waarin was voorgeschreven:Laden vanuit ongeladen toestand• Neem de uitgangshouding aan.• Neem het patroonmagazijn uit de patroonmagazijntas, controleer of de patronen juist geplaatst zijn. Plaats het patroonmagazijn in het wapen en controleer of deze geborgd is.• Trek de spangreep naar achteren en laat deze in achterste stand los.\n\n• Druk met de handpalm de aandruk-plunjer in.• Sluit het hulzengatdeksel.• Zet de vuurregelaar op ‘S’.\n\nen\u002Fof\n\nHoofdstuk 2 “Schietleer”, sectie 7 “Gebruik van geweer in het terrein” onder 2704 (pagina 2-40) waarin was voorgeschreven:Schietbereidheid laagWordt meestal gebruikt als de vijandelijke dreiging laag is. U hebt twee manieren om het wapen aan de tactische draagriem te dragen,\n\n• Het wapen voor de borst gedragen.• Het wapen om de schouder gehangen.Uitvoering.• De tactische draagriem loopt over de linker schouder en onder de rechter oksel door.• Het wapen wordt voor de borst gedragen, men kan nog steeds beide armen gebruiken voor werkzaamheden.• Desgewenst kan de schutter de snelsluiting openen, waardoor de riem langer kan worden gemaakt.• Wapen is geladen en staat op ‘Safe’.• Via deze draagwijze kan men snel overgaan naar een hogere schietbereidheid.\n\n, 2705 (pagina 2-41) Schietbereidheid middelWordt het meest gebruikt bij verplaatsingen en patrouilles.Uitvoering• Tactische draagriem loopt over de linker schouder en onder de rechter oksel door.• De tactische draagriem is dusdanig afgesteld zodat de kolf van het wapen kontact heeft met de rechter schouder.• De linkerhand omvat de handbeschermers waarbij de linker wijsvinger gestrekt naar voren wijst.• Het wapen is geladen en staat op ‘Safe’, de rechter wijsvinger is gestrekt langs de trekkerbeugel.• De loop wijst onder een hoek van ongeveer 45° naar beneden\n\nen 2706 (pagina 2-42) waarin was voorgeschreven dat:Schietbereidheid hoogWordt gebruikt als men direct vijand contact verwacht.Uitvoering.• Tactische draagriem loopt over de linker schouder en onder de rechter oksel door.• De tactische draagriem is dusdanig afgesteld zodat de kolf van het wapen kontact heeft met de rechter schouder.• De linkerhand omvat de handbeschermers waarbij de linker wijsvinger gestrekt naar voren wijst.• Het wapen is geladen en staat op ‘Safe’ met de rechter wijsvinger aan de trekker en de rechterduim bij de vuurregelaar.• Waarnemen over de richtmiddelen voor een maximaal gezichtsveld.\n\nen\u002FofHandboek Militair LAND-E&T- 02.3: Hoofdstuk 6A “Colt C7 &C8”, sectie 2 “Verrichtingen aan het wapen\" onder 6203 (pagina 6-35) waarin was voorgeschreven dat: Laden (vanuit halfgeladen toestand)- neem de uitgangshouding aan- trek de spangreep naar achteren en laat deze in de achterste stand los- druk met de handpalm de aandrukplunjer in- sluit het hulzengatdekeel- zet de vuurregelaar op S.\n\nniet heeft opgevolgd, hierin bestaande dat hij verdachte toen aldaarin de gevechtsruimte\u002Fhet manschappen-compartiment van een Boxer (militair pantserwielvoertuig) zijn geladen wapen (Colt 8) ter hand heeft genomenen\u002Fof in gebruik heeft genomenzonder dat verdachte zich op dat moment (eerst) (voldoende) had overtuigd van de toestand waarin dat wapen verkeerdeen\u002Fofzonder dat verdachte (eerst) de veiligheidsmaatregelen had genomen en\u002Fof zonder dat verdachte het wapen met de loop in een veilige richting liet wijzen en\u002Fofop het moment dat hij, verdachte, nog in het pantservoertuigzat\u002Faanwezig was enaanstaltenmaakte om uit te stijgende trekker van zijn dienstwapen heeft overgehaald en\u002Fof althans te trekker heeft beroerd en\u002Falthanseen schot met dat wapen heeft gelosten\u002Fofterwijl verdachte zijn dienstwapen op (zeer) korte afstand in de richting van het pantserplaat plafond (scherfwerende plafondplaat) van het voertuig (Boxer)militairwielvoertuig liet wijzen,\n\nterwijl daarvan\u002Fdaardoor gemeen (ricochet)gevaar voor personen, te weten de in het voertuig bevindende personen en\u002Fof de zich in de directe nabijheid van het schot bevindende personen te weten verdachte zelf en\u002Fof[getuige 1] en\u002Fof[getuige 2] en\u002Fof[getuige 3] en\u002Fof[getuige 4] en\u002Fof[getuige 5] en\u002Fof[getuige 6] en\u002Fof[getuige 7]\n\nen\u002Fofgemeen gevaar voor goederen te weten de in het militair wielvoertuig bevindende goederen te weten de elektronische apparatuur, de vloer- en wand(bekleding) is ontstaan, althans te duchten is geweest.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nals militair aan zijn schuld te wijten zijn dat hij een dienstvoorschrift niet opvolgt, terwijl daardoor gemeen gevaar voor personen of goederen ontstaat.\n\n5. De strafbaarheid van het feit\n\nHet feit is strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf en\u002Fof maatregel\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 700,-, subsidiair zeven dagen hechtenis.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de oplegging van een straf of maatregel.\n\nDe beoordeling door de militaire kamer\n\nDe militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De militaire kamer heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nDe ernst van het feit\n\nVerdachte heeft tijdens een oefening in Duitsland een ongewild schot gelost met scherpe munitie. Dit schot heeft gelukkig geen letsel veroorzaakt, maar wel (lichte) schade aan de Boxer. Daarnaast was er gemeen gevaar voor personen en goederen te duchten. Dat het niet erger is afgelopen, is enkel aan geluk te danken.\n\nDit is een ernstig feit. De naleving van de veiligheidsvoorschriften is van groot belang. Militairen mogen binnen Defensie een veilige werkomgeving verwachten en daar dient iedere individuele militair aan bij te dragen. Daartoe dient elke militair de veiligheidsvoorschriften grondig na te leven. Van een militair als verdachte – als gevorderd schutter en schietinstructeur op de Colt en vanuit zijn rol als groepscommandant – mocht dan ook worden verwacht dat hij zich te allen tijde aan de veiligheidsregels houdt.\n\nVerdachte is erg aangeslagen door wat er is gebeurd. Hij heeft zijn hele compagnie toegesproken in verband met dit incident, waarbij hij verantwoordelijkheid heeft genomen voor wat er is gebeurd. Het incident heeft inmiddels bijna twee jaar geleden plaatsgevonden.\n\nDe persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte\n\nUit het strafblad van verdachte d.d. 26 mei 2026 blijkt dat hij in de afgelopen 5 jaar niet in aanraking is gekomen met politie of justitie.\n\nVerdachte is nog steeds werkzaam bij defensie, hij functioneert goed en zijn collega’s zijn tevreden over hem. Hij is recent overgeplaatst naar een nieuwe functie. Dit betrof een ‘reguliere’ overplaatsing.\n\nConclusie\n\nAlles afwegende acht de militaire kamer de eis van de officier van justitie passend en geboden.\n\nDe militaire kamer veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 700,-, subsidiair zeven dagen hechtenis.\n\n8. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf en\u002Fof maatregel is gegrond op de artikelen:\n\n- 23, 24 c en 91 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 6, 11, 14 en 137 van het Wetboek van Militair Strafrecht.\n\n9. De beslissing\n\nDe militaire kamer:\n\n verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n legt op een geldboete van € 700,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 dagen hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Y. van Wezel (voorzitter) en mr. M.C. Gerritsen, rechters, en Kolonel mr. H.M. Stratenus, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 juli 2026.\n\nmr. Gerritsen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de Koninklijke Marechaussee, Brigade Drenthe IJsselstreek, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL27ND\u002F24-004811, gesloten op 17 december 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 38-40; proces-verbaal Sporenonderzoek, p. 13 en proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 82-83.\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 84.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 64.\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 84, 87 en 89 en verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026.\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 87-89 en verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026.\n\n Verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 42.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 66.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 58.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 48 en 50.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] , p. 76.\n\n Proces-verbaal van aangifte door [aangever] , p. 4\n\n Projectrapport van het Kenniscentrum Wapensystemen en Munitie, p. 36.\n\n Proces-verbaal, p. 2 (aanvullend), inclusief de bijlage.\n\n Proces-verbaal, p. 6.\n\n Proces-verbaal Sporenonderzoek, p. 14.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5303","ecli-nl-rbgel-2026-5303",{"courtName":6,"legalDomain":76,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":85,"ecli":86,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":87,"fullText":88,"language":7,"source":17,"sourceUrl":89,"summary":14,"slug":90,"metadata":91},"612","ECLI:NL:RBGEL:2026:5371","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 26\u002F3061\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 juli 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen\n \n [verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen\n\n(gemachtigden: mr. M. Litjens en J. Bannink).\n\nInleiding\n\n1. Dit proces-verbaal bevat een zakelijk weergave van de uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn handhavingsverzoek.\n\n1.1.. Verzoeker heeft op 8 juni 2026 bij het college een handhavingsverzoek ingediend tegen een aantal activiteiten (bouw-, aanleg- en kapwerkzaamheden) ten behoeve van een tijdelijke daklozenopvang op het terrein gelegen bij het [adres] in [plaats] . Het college heeft dit verzoek op 15 juni 2026 afgewezen omdat verzoeker geen belanghebbende is bij deze activiteiten. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en hij heeft de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Verzoeker en de gemachtigden van het college hebben hieraan deelgenomen.\n\n1.3.. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan. De motivering van die mondelinge uitspraak luidt zakelijk weergegeven als volgt.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. Verzoeker heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, waarin hij de voorzieningenrechter – kort samengevat – verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat alle werkzaamheden worden gestaakt, dat de feitelijke ingebruikname van de locatie als tijdelijke daklozenopvang wordt verboden en dat het college wordt opgedragen een inhoudelijk besluit op het handhavingsverzoek te nemen.\n\n2.1.. Uit artikel 8:81, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8:1 en artikel 7:1 van de Awb, vloeit voort dat de voorzieningenrechter (behoudens hier niet van belang zijnde uitzonderingen) alleen bevoegd is om een voorlopige voorziening te treffen als sprake is van een besluit. In artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is bepaald wat een besluit is, namelijk een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.\n\n2.2.. Uit vaste rechtspraak volgt dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit in beginsel belanghebbende is bij een besluit daarover. Wel moeten deze gevolgen van enige betekenis zijn. Daarbij wordt gekeken naar de afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en de milieugevolgen (zoals geur, geluid, licht, trilling, emissie en risico) van de activiteit waar het besluit op ziet.\n\n2.3.. Verzoeker woont op 209 meter afstand van de tijdelijke daklozenopvang. Verzoeker heeft op zitting erkend dat hij geen zicht heeft op de bebouwing. Gelet op deze afstand en het feit dat verzoeker geen zicht heeft op de daklozenopvang is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker in beginsel geen gevolgen van enige betekenis ondervindt van de activiteiten waar zijn handhavingsverzoek op ziet. Verzoeker heeft op zitting toegelicht dat hij naar zijn mening wel een voldoende persoonlijk belang heeft, omdat hij zich onveiliger zal voelen als hij wandelt in het park. Ook verwacht hij dat er mogelijk gedeald zal worden in zijn straat.\n\n2.4.. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het pand nog niet in gebruik is genomen als daklozenopvang en dat het handhavingsverzoek daar ook geen betrekking op heeft. Dat handhavingsverzoek ging over bouw-, kap- en aanlegwerkzaamheden ten behoeve van de realisatie van de daklozenopvang. Aan de gestelde toekomstige gevolgen van de ingebruikname van het pand kan verzoeker geen belang ontlenen dat relevant is voor de beoordeling van de belanghebbendheid bij de activiteiten waar zijn handhavingsverzoek op ziet. Die gevolgen vallen immers buiten de reikwijdte van zijn handhavingsverzoek.\n\n2.5.. Verder merkt de voorzieningenrechter nog op dat een eventueel toekomstig subjectief onveiligheidsgevoel, wat daar ook van zij, onvoldoende is om aan te nemen dat verzoeker gevolgen van enige betekenis ondervindt. Daarbij is ook van belang dat verzoeker zich onvoldoende onderscheidt van andere mensen die van het park gebruik maken. Het is de voorzieningenrechter daarnaast niet op voorhand gebleken dat er in zijn straat gedeald zal gaan worden. Dat zou ook geen direct (ruimtelijk) gevolg zijn van de ingebruikname van het pand als daklozenopvang.\n\n2.6.. Het is dus niet aannemelijk dat verzoeker gevolgen van enige betekenis ondervindt van de activiteiten waartegen hij een handhavingsverzoek heeft ingediend. Verzoeker is daarom geen belanghebbende. Dit betekent dat er geen sprake is van een aanvraag. De afwijzing van 15 juni 2026 is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De voorzieningenrechter is gelet daarop niet bevoegd om te beslissen op het verzoek om een voorlopige voorziening. Dit betekent niet dat er helemaal geen rechtsbescherming openstaat voor verzoeker. Verzoeker kan zich als hij dat wil met deze zaak tot de burgerlijke rechter wenden.\n\n2.7.. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Omdat de voorzieningenrechter onbevoegd is, hoeft verzoeker voor de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening geen griffierecht te betalen.\n\n2.8.. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- verklaart zich onbevoegd;\n\n- bepaalt dat de griffier van de rechtbank aan verzoeker het griffierecht terugbetaalt.\n\nDeze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026 door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Goldebeld, griffier.\n\nDe griffier is verhinderd om dit proces-verbaal te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Zie bijvoorbeeld ABRvS 22 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2923, r.o. 3.2.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5371","ecli-nl-rbgel-2026-5371",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":93,"ecli":94,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":87,"fullText":95,"language":7,"source":17,"sourceUrl":96,"summary":14,"slug":97,"metadata":98},"684","ECLI:NL:RBDHA:2026:18454","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 26\u002F10743\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 juli 2026 in de zaak tussen\n [verzoeker] , v-nummer: [nummer] , verzoeker\n\n(gemachtigde: mr. K. Logtenberg),\n\nen\n\nhet bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa)\n\n(gemachtigde: A. van Beurden).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de beëindiging van de opvang van verzoeker. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om een besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. De voorzieningenrechter oordeelt allereerst dat zij bevoegd is om van deze zaak kennis te nemen. Daarna oordeelt de voorzieningenrechter dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.\n\nProcesverloop\n\n2. In de brief van 30 juni 2026 heeft COa verzoeker laten weten dat zijn opvang zal eindigen per 7 juli 2026. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.1.. COa heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoeker heeft op dat verweerschrift gereageerd.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nWat ging er aan deze zaak vooraf?\n\n3. Verzoeker heeft een asielaanvraag ingediend. De minister van Asiel en Migratie (minister) heeft die aanvraag afgewezen en aan verzoeker een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd. Deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, heeft op 29 juni 2026 uitspraak gedaan op het daartegen door verzoeker ingestelde beroep.De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, maar het besluit voor zover dat zag op het afwijzen van de asielaanvraag in stand gelaten. De rechtbank heeft het besluit voor zover dat zag op het opleggen van een terugkeerbesluit en inreisverbod vernietigd. Gebleken is namelijk dat verzoeker een asielstatus heeft in Griekenland. De minister mocht verzoeker geen terugkeerbesluit opleggen voordat hij de uitkomst van zijn beoordeling, of verzoeker in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel, heeft gedeeld met de Griekse autoriteiten en de Griekse autoriteiten in reactie daarop hebben aangegeven dat zij aanleiding zien om de verleende asielstatus in te trekken, aldus de rechtbank.\n\nIs de voorzieningenrechter bevoegd?\n\n3. COa voert aan dat de voorzieningenrechter niet bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen, omdat de brief van 30 juni 2026 geen besluit is zoals bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Uit de uitspraak van de rechtbank van 29 juni 2026 volgt namelijk dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand is gebleven. Uit artikel 45, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers (Rva) volgt in dat geval dat het recht op opvang van rechtswege is geëindigd. De brief van 30 juni 2026 heeft om die reden geen eigen rechtsgevolg en moet daarom niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De brief van 30 juni 2026 was daarom niet appellabel, aldus COa.\n\n3.1.. \n\nArtikel 45, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 luidt als volgt:\n\n1 De beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning asiel, bedoeld in artikel 28, wordt afgewezen, geldt als terugkeerbesluit, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan, en heeft van rechtswege tot gevolg dat:\n\nc.de verstrekkingen voorzien bij of krachtens de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers of een ander wettelijk voorschrift dat soortgelijke verstrekkingen regelt worden beëindigd op de bij of krachtens die wet of dat wettelijke voorschrift voorziene wijze en binnen de daartoe gestelde termijn;\n\n3.2.. \n\nArtikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rva luidt als volgt:\n\n1 Het recht op opvang eindigt in de volgende gevallen:\n\nb. indien het een asielzoeker betreft die rechtmatig verwijderbaar is vanwege het niet inwilligen van de asielaanvraag die recht geeft op opvang: op de dag na de dag waarop de vreemdeling rechtmatig verwijderbaar is geworden;\n\n3.3.. Het recht op opvang eindigt dus op de dag na de dag waarop de vreemdeling rechtmatig verwijderbaar is geworden. De voorzieningenrechter moet daarom eerst de vraag beantwoorden wanneer een vreemdeling ‘rechtmatig verwijderbaar’ is. Daarbij merkt de voorzieningenrechter op dat zij zich gelet op het spoedeisende karakter van deze zaak moet beperken tot een beperkt juridisch onderzoek.\n\n3.3.1.. De voorzieningenrechter stelt vast dat noch de Rva noch de Vw 2000 uitleg geeft over de term ‘rechtmatig verwijderbaar’. Ook in andere nationale wetgeving vindt de voorzieningenrechter geen nadere duiding van die term. Dat betekent dat de voorzieningenrechter die term zelf uit moet leggen. Dat doet zij zoveel mogelijk richtlijnconform.De voorzieningenrechter zoekt bij de uitleg van de term ‘rechtmatig verwijderbaar’ dan ook aansluiting bij de Terugkeerrichtlijn, omdat die richtlijn bij uitstek gaat over de normen en procedures voor de terugkeer van derdelanders die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven. In artikel 3, aanhef en onder punt 5, van de Terugkeerrichtlijn staat opgenomen dat ‘verwijdering’ betekent “de tenuitvoerlegging van de terugkeerverplichting, d.w.z. de fysieke verwijdering uit de lidstaat”. Uit artikel 3, aanhef en onder punt 4 blijkt dat die terugkeerverplichting wordt vastgelegd in een terugkeerbesluit. Dat zou betekenen dat een vreemdeling pas verwijderbaar is op het moment dat hij een terugkeerverplichting heeft. Die heeft verzoeker niet, omdat het aan hem opgelegde terugkeerbesluit door de rechtbank in haar uitspraak van 29 juni 2026 is vernietigd. Dat de wetgever ervoor heeft gekozen om het recht op opvang pas te laten eindigen op het moment dat een vreemdeling rechtmatig verwijderbaar is en niet, bijvoorbeeld, het moment dat de afwijzing van de asielaanvraag in rechte vast is komen te staan, ziet de voorzieningenrechter ook als een aanwijzing dat met de toevoeging ‘rechtmatig verwijderbaar’ de vreemdeling pas verwijderbaar is op het moment dat hij een terugkeerverplichting heeft. Daar komt bij dat de wetgever in eerdere (niet meer geldende) regelgeving de term ‘rechtmatig verwijderbaar’ nog wel uitlegde, maar er voor heeft gekozen dat nu niet langer te doen, zodat meer voor de hand ligt dat die term moet worden uitgelegd aan de hand van internationale richtlijnen en verdragen.\n\n3.4.. De voorzieningenrechter acht van belang dat ook niet is gebleken dat verzoeker op andere gronden moet worden aangemerkt als ‘rechtmatig verwijderbaar’, bijvoorbeeld doordat op nationaalrechtelijke gronden aan hem een bevel tot terugkeer of verwijdering is opgelegd. COa heeft dat ook niet nader onderbouwd, maar heeft slechts gesteld dat de minister (de voorzieningenrechter neemt aan: tegenover COa) meerdere keren heeft bevestigd dat verzoeker ‘verwijderbaar’ is. COa heeft ook slechts gesteld dat verzoeker als gevolg van het afwijzen van zijn asielaanvraag ‘verwijderbaar’ is geworden, maar heeft die stelling niet nader onderbouwd.\n\n3.5.. Dit brengt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat verzoekers recht op opvang niet van rechtswege is geëindigd op grond van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 gelezen in samenhang met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rva. Omdat verzoeker geen terugkeerverplichting heeft door het vernietigen van het aan hem opgelegde terugkeerbesluit, is hij niet als ‘rechtmatig verwijderbaar’ aan te merken op grond daarvan. Niet is gebleken dat verzoeker op andere gronden ‘rechtmatig verwijderbaar’ is. Dat betekent dat de brief van COa van 30 juni 2026 wel degelijk zelfstandig rechtsgevolgen voor verzoeker in het leven roept en dus moet worden aangemerkt als een besluit in zin van artikel 1:3 van de Awb. De voorzieningenrechter acht zich dus bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.\n\nHeeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?\n\n4. De voorzieningenrechter is vervolgens van oordeel dat het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft. COa heeft zich namelijk in haar brief van 30 juni 2026 op het standpunt gesteld dat verzoekers recht op opvang eindigt, omdat hij een wettelijke vertrektermijn had die zou zijn verlopen. De voorzieningenrechter ziet niet op grond waarvan COa concludeert dat verzoeker een wettelijke vertrektermijn had die zou zijn verstreken, nu het terugkeerbesluit waarin aan hem een vertrektermijn werd opgelegd, is vernietigd. COa heeft dat in het besluit van 30 juni 2026 ook niet nader onderbouwd, terwijl het verlopen van die vertrektermijn blijkens het besluit wel de reden is dat de opvang wordt beëindigd. Verzoeker heeft daar in zijn gronden van bezwaar argumenten tegen gericht.\n\n4.1.. De voorzieningenrechter is zich bewust van de belangen die COa heeft bij het beschikbaar maken en houden van opvangplekken. Een feit van algemene bekendheid is namelijk dat er een nijpend tekort is aan opvangplekken. COa heeft daar in haar reactie ook op gewezen. Toch acht de voorzieningenrechter dat belang niet doorslaggevend. Uit overweging 6 van de uitspraak van de rechtbank van 29 juni 2026 volgt namelijk dat de minister nog nadere stappen moet zetten. De rechtbank heeft de minister namelijk opgedragen om bij de Griekse autoriteiten na te vragen of de beoordeling van de asielaanvraag in Nederland maakt dat Griekenland de aan verzoeker verleende asielstatus intrekt, en daarna te beoordelen wat dit betekent voor een eventueel te nemen terugkeerbesluit en inreisverbod. De rechtbank heeft ook overwogen dat als de minister een nieuw terugkeerbesluit oplegt, hij daarbij ook een actuele beoordeling van het risico op refoulement moet maken. De voorzieningenrechter ziet niet in waarom verzoeker die door de minister te nemen stappen en mogelijke besluitvorming, net als zoveel andere vreemdelingen, niet in de opvang zou mogen afwachten.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 30 juni 2026 is geschorst tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.\n\n5.1.. Er bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. COa moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- schorst het besluit van 30 juni 2026 tot vier weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;\n\n- veroordeelt COa tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoeker.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.I. van der Meer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.\n\nde griffier is verhinderd\n\nom te ondertekenen\n\nde voorzieningenrechter is verhinderd\n\nom te ondertekenen\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\n Zaaknummer NL26.7194, (nog) niet gepubliceerd.\n\n Vergelijk HvJ EG 13 november 1990, C-106\u002F89, ECLI:EU:C:1990:395 (Marleasing).\n\n Zie bijvoorbeeld artikel 1, tweede lid, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18454","ecli-nl-rbdha-2026-18454",{"courtName":6,"legalDomain":46,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":100,"ecli":101,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":87,"fullText":102,"language":7,"source":17,"sourceUrl":103,"summary":14,"slug":104,"metadata":105},"689","ECLI:NL:RBDHA:2026:18457","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.11567\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen\n [eiser], v-nummer: [nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.J. Verwers),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. D.A.M. Friezer).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft de problemen van eiser met de Alkhaldi-stam vanwege zijn vriendschap met [persoon A] terecht ongeloofwaardig geacht. Ook heeft de minister terecht de seksuele gerichtheid van eiser ongeloofwaardig geacht. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 5 maart 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is geboren op [geboortedag] 1991, heeft de Jordaanse nationaliteit, behoort tot de Palestijnse bevolkingsgroep en tot de Alzoubi-stam. Hij is vrienden geworden met een meisje, [persoon A] genaamd, uit een andere stam, de Alkhaldi-stam. Eiser is samen met haar betrapt door de neef van het meisje. Daarna kreeg eiser problemen. Er is toen een aanval op zijn huis gepleegd. Vervolgens is eiser vogelvrij verklaard door de Alkhaldi-stam. Zijn eigen stam heeft hiermee ingestemd. Ook is eiser biseksueel, waardoor hij problemen heeft gekregen in Jordanië.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\n1. identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. problemen met de Alkhaldi-stam vanwege eerwraak;\n\n3. de seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen.\n\n4.1.. \n\nDe minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. De problemen met de Alkhaldi-stam vanwege eerwraak heeft eiser niet onderbouwd met objectieve documenten en dit asielmotief acht de minister niet geloofwaardig: de verklaringen van eiser vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. Tenslotte werpt de minister aan eiser tegen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daarvoor geen goede reden heeft.Ten aanzien van het asielmotief seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen is de minister van oordeel dat eiser dit asielmotief niet heeft onderbouwd met objectieve documenten en is dit asielmotief niet geloofwaardig. Volgens de minister vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel. Ook hier werpt de minister eiser tegen dat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daarvoor geen goede reden heeft. De minister heeft daarom alleen gekeken of eiser op grond van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Dat is volgens de minister niet het geval.\n\nNiet is gebleken dat eiser een vluchteling is en dat hij uit Jordanië komt is op zichzelf niet genoeg om een risico op ernstige schade aan te nemen. Daarom heeft de minister de aanvraag afgewezen.\n\nHeeft de minister het juiste toetsingskader toegepast?\n\n5. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de Werkinstructie (WI) 2024\u002F6. De minister had, gelet op de datum van de asielaanvraag, gebruik moeten maken van de WI 2014\u002F10. Bij de beoordeling van het asielrelaas van eiser is gehandeld in strijd met de WI 2014\u002F10, omdat daaruit blijkt dat het relaas van een asielzoeker voor waar moet worden aangenomen wanneer de asielzoeker alle vragen zo volledig mogelijk heeft beantwoord. Hiervoor geldt dat het relaas op hoofdlijnen consistent en niet-onaannemelijk moet zijn en in lijn moet zijn met wat algemeen bekend is over de situatie in het land van herkomst. Dit is bij eiser het geval, wat de minister heeft miskend.\n\n5.1.. De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft de asielaanvraag van eiser terecht beoordeeld aan de hand van WI 2024\u002F6. Dat beleid is met onmiddellijke ingang van toepassing. Uitgangspunt in het bestuursrecht is namelijk dat een besluit wordt genomen op basis van het op dat moment geldende recht, zelfs al zou een betrokkene door toepassing van nieuwe beleidsregels in een ongunstigere positie komen.Hierbij verwijst de rechtbank naar een uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats.\n\nHeeft de minister de documenten die eiser heeft overgelegd voldoende betrokken bij de besluitvorming?\n\n6. Eiser betoogt dat de minister de door hem ingebrachte documenten onvoldoende heeft betrokken bij de beoordeling van zijn gestelde problemen met de Alkhaldi-stam vanwege eerwraak. Eiser heeft een originele verklaring van zijn moeder overgelegd, welke verklaring zijn moeder bij de plaatselijke Sheikh heeft afgelegd. De minister heeft ten onrechte overwogen dat deze verklaring geen objectief verifieerbaar document is. Deze verklaring is te vergelijken met een aangifte bij de politie of een verklaring bij de notaris. Om die reden heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom dit document niet inhoudelijk is betrokken bij de besluitvorming. De minister heeft dit document ten onrechte niet in onderlinge samenhang beoordeeld met de verklaring van eiser over zijn asielrelaas. Hetzelfde geldt voor het door eiser ingebracht videofragment waarop de beschieting van de auto te zien is. Ook hierbij is door de minister onvoldoende gemotiveerd waarom dit niet inhoudelijk betrokken is bij de besluitvorming en dit videofragment had in onderlinge samenhang met het asielrelaas moeten worden beoordeeld. In beroep heeft eiser aanvullende documenten overgelegd: de verklaringen van zijn buren over de vogelvrijverklaring en de bedreigingen van eiser.\n\n6.1.. De rechtbank stelt voorop dat dit asielmotief ziet op de problemen die eiser heeft ondervonden met de Alkhaldi-stam. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser dat asielmotief niet volledig heeft onderbouwd met objectieve documenten. De door eiser overgelegde verklaring van zijn moeder is niet objectief verifieerbaar, omdat het om de moeder van eiser gaat en het dus geen objectief persoon betreft. Dat laatste geldt volgens de minister ook voor de verklaringen van de buren, zodat ook deze verklaringen geen objectief verifieerbare documenten betreffen. Het videofragment dat eiser heeft overgelegd waarop de beschieting te zien is, is ook niet objectief verifieerbaar. De minister heeft terecht gesteld dat het enkele feit dat op dit fragment een auto te zien is waarvan de zijruiten zijn verbrijzeld, onvoldoende is om aannemelijk te maken dat eiser het slachtoffer is geweest van een aanval of om zijn problemen met de Alkhaldi-stam geloofwaardig te achten. Ten aanzien van de verklaring van moeder van eiser en het videofragment heeft de minister op zitting gesteld dat deze documenten, die niet kunnen dienen als onderbouwing van het asielmotief, wel zijn meegenomen in de beoordeling. Ten aanzien van de verklaringen van de buren, die in beroep zijn overgelegd, heeft de minister zich op zitting nog op het standpunt gesteld dat deze de beoordeling van het asielrelaas niet anders maken. De rechtbank begrijpt het standpunt van de minister op zitting aldus dat hij de door eiser overgelegde documenten, hoewel hij deze niet voldoende achtte ter onderbouwing van het asielmotief in het kader van stap 2a van WI 2024\u002F6, wel heeft betrokken bij de beoordeling of aanleiding bestaat eiser het voordeel van de twijfel te geven als bedoeld in stap 2b van die werkinstructie. Gelet hierop volgt de rechtbank eiser niet in zijn niet nader onderbouwde betoog dat de minister de documenten niet in samenhang met zijn verklaringen over het asielrelaas heeft beoordeeld.\n\n6.2.. Nu dit asielmotief niet volledig met objectieve documenten is onderbouwd heeft de minister daarom beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval: de verklaringen van eiser vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel en eiser heeft zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en heeft daar geen goede verklaring voor.\n\nHeeft de minister de problemen met de Alkhaldi-stam ongeloofwaardig mogen achten?\n\n7. Eiser betoogt dat de minister de problemen met de Alkhaldi-stam ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De rechtbank bespreekt hierna de beroepsgronden die zijn gericht tegen het standpunt van de minister dat het relaas van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormt. De rechtbank stelt daarbij vast dat eiser geen gronden heeft gericht tegen de tegenwerping dat het onlogisch is dat hij na vijf jaar vriendschap problemen kreeg met [persoon A]. Voorts zal de rechtbank ingaan op de vraag of eiser zijn asielaanvraag zo spoedig mogelijk heeft ingediend.\n\nProblemen met de Alkhaldi-stam vanwege [persoon A] zijn vaag, onvoldoende gedetailleerd en onlogisch7.1.. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat de problemen van eiser met de Alkhaldi-stam vanwege [persoon A] vaag, onvoldoende gedetailleerd en onlogisch zijn. Eiser heeft in de zienswijze alsnog de naam van de neef en van het café waar de betrapping plaatsvond genoemd. Hij wijst erop dat de gebeurtenissen twee jaar eerder hebben plaatsgevonden, waardoor eiser zich de namen niet kon herinneren. De minister heeft ten onrechte niet doorgevraagd, bijvoorbeeld over zijn bekendheid met het café en de frequentie van zijn bezoeken daaraan. Eiser kwam niet vaker in dit café en het risico dat hij daar gezien kon worden was te verwaarlozen, aangezien Amman een stad is met meer dan vier miljoen inwoners. Eiser heeft duidelijk verklaard dat het enkele feit dat hij samen met [persoon A] uit een café kwam lopen aanleiding was van de problemen met de Alkhaldi-stam. In de Jordaanse cultuur van eiser is het niet toegestaan dat een man alleen met een vrouw erop uitgaat. Nadat eiser en [persoon A] betrapt waren, hebben zij elkaar niet meer gezien. Eiser betoogt verder dat de minister zijn verklaring dat het leek alsof hij en [persoon A] seks hadden te letterlijk neemt. Dit heeft eiser enkel verklaard om duidelijk te maken dat het ongebruikelijk is om in het openbaar met een vrouw af te spreken. Eiser kent de namen van de familieleden van de Alkhaldi-stam niet. Hem kan dan ook niet worden verweten dat hij de namen niet kent van de personen die hem (telefonisch) hebben bedreigd. In veel gevallen waar mensen worden bedreigd is enkel bekend vanuit welke hoek de bedreigingen komt, niet wie de bedreigers precies zijn. Dit is bij eiser ook het geval aangezien duidelijk is dat de bedreigingen afkomstig zijn uit de Alkhaldi-stam.\n\n7.2.. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in Ebilum, het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid zal beoordelen. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom alle onderdelen van het besluit over de geloofwaardigheid vol toetsen en afzien van het gebruik van de bewoordingen ‘niet ten onrechte’.\n\n7.3.. Het voorgaand in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen over de problemen met de Alkhaldi-stam vanwege [persoon A] vaag, onvoldoende gedetailleerd en onlogisch zijn. Eiser stelt dat de neef van [persoon A] hen betrapt heeft bij een café in Amman, maar kan niet gedetailleerd over deze neef verklaren nu hij zijn naam niet kan noemen. Ook kan eiser de naam van het betreffende café niet noemen. De minister stelt terecht dat dat wel van eiser verwacht had mogen worden, nu dit de kern van het asielrelaas van eiser is. Het enkele feit dat het bezoek in 2019 plaatsvond maakt dit niet anders. Ten aanzien van de omstandigheid dat eiser in de zienswijze alsnog de naam van zowel de neef als van het café noemt, heeft de minister terecht gesteld dat eiser hierover tijdens gehoor gedetailleerd had dienen te verklaren en niet pas in de zienswijze. De minister heeft verder terecht gesteld dat eiser niet nader heeft onderbouwd hoe het enkel samen met [persoon A] verlaten van het café is uitgelegd als een aanwijzing dat hij en [persoon A] seks met elkaar hebben gehad dan wel dat deze omstandigheid voor problemen heeft gezorgd. De eigen verklaringen van eiser bieden daarvoor geen steun, nu daaruit niet volgt dat reeds het enkele samen verlaten van het café tot problemen met de Alkhaldi-stam heeft geleid. De enkele stelling van eiser dat het in de Jordaanse cultuur niet is toegestaan dat eiser alleen op pad gaat met een vrouw is hiervoor namelijk onvoldoende. Dit is verder ook niet onderbouwd. Voorts heeft de minister terecht gesteld dat eiser onvoldoende gedetailleerd heeft verklaard over de persoon door wie hij is bedreigd, nu eiser wel heeft verklaard veel telefoontjes te hebben gehad maar niet heeft kunnen aangeven van wie deze afkomstig waren. Ook stelt de minister zich terecht op het standpunt dat het onlogisch is dat eiser niet de precieze naam van de vader van [persoon A] kan benoemen, terwijl hij zo intensief met zijn dochter is omgegaan, of van de andere Sheiks waar hij voor stelt te vrezen.\n\nWisselende verklaringen over wanneer eiser vogelvrij is verklaard7.4.. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij wisselend heeft verklaard over het moment waarop hij vogelvrij is verklaard. Aan het eind van het gehoor begon de hoormedewerker opnieuw over het vogelvrij verklaren van eiser. Eiser heeft toen een ander jaartal, 2018, genoemd dan eerder in het gehoor toen het hierover ging. In de rest van het nader gehoor heeft eiser consistent verklaard dat hij in 2019 vogelvrij is verklaard. Het kan eiser niet worden verweten dat hij tijdens een ruim zes uur durend gehoor, vol met spanningen, een fout maakt. Eiser kon zich niet meer herinneren wat er gebeurde. Na dag twee van het gehoor heeft eiser een hartinfarct gekregen, waaruit blijkt dat zijn fysieke situatie tijdens dag twee van het gehoor niet goed was. Tijdens het gehoor heeft eiser niet aangegeven dat de spanning te groot was, omdat het gehoor dan zou worden uitgesteld en hij weer lang moest wachten.\n\n7.5.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser wisselend heeft verklaard over het moment waarop hij vogelvrij is verklaard. In het nader gehoor geeft eiser aan dat hij in 2019 vogelvrij is verklaard. Verderop in het nader gehoor verklaart eiser dat hij in 2018 vogelvrij is verklaard. Eiser heeft verklaard dat hij in 2019, samen met [persoon A], is betrapt door haar neef. Het is dan ook niet logisch dat eiser in 2018 vogelvrij is verklaard. Uit de verklaringen van eiser blijkt namelijk dat hij vogelvrij is verklaard omdat hij de eer van de familie van [persoon A] heeft geschonden door met haar samen te zijn. Dit is niet gecorrigeerd in de correcties en aanvullingen. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat het slecht voorstelbaar is dat eiser eerst vogelvrij is verklaard en daarna problemen heeft ervaren met de familie van [persoon A]. Het nader gehoor is de plek waar eiser zijn asielrelaas naar voren dient te brengen. Het enkele feit dat het nader gehoor zes uur duurde maakt niet dat eiser niet volledig hoefde te zijn. Aan eiser is meermaals gevraagd of het nog ging en ook zijn er pauzes gehouden. Het had dan ook op de weg van eiser gelegen om aan te geven dat hij gespannen was en even een pauze nodig had.\n\nDe summiere en tegenstrijdige verklaringen van eiser over [persoon A]7.6.. Eiser betoogt dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij zijn relatie met [persoon A] niet persoonlijk heeft gemaakt. Het was een geheime relatie tussen studiegenoten en dit moest geheim worden gehouden voor anderen. Zij spraken vooral telefonisch met elkaar, waarin de frequentie van het contact was aangepast aan de omstandigheden. Onder de omstandigheden waar eiser en [persoon A] zich in bevonden is het bespreken van de namen van familieleden niet een primaire bezigheid. Het is zeer de vraag of er meer te zeggen is over de relatie tussen eiser en [persoon A]. Het was een relatie waaraan maar beperkt vorm kon worden gegeven omdat er anders problemen zouden ontstaan. In de aanvullende gronden van 20 februari 2026 voert eiser aan dat de band met [persoon A] vriendschappelijk was, maar dat zij incidenteel betrokken raakte bij een trio. Dit betekent echter niet dat eiser een seksuele relatie onderhield met [persoon A]. Bovendien is eiser niet uitgenodigd om uitgebreider over zijn relatie met [persoon A] te verklaren, waardoor de summiere verklaringen niet aan hem kunnen worden tegengeworpen.\n\n7.7.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser summier en tegenstrijdig heeft verklaard over zijn relatie met [persoon A]. Eiser stelt vijf jaar te hebben afgesproken en telefonisch contact te hebben gehad met [persoon A], zodat van hem verwacht kon worden dat hij meer persoonlijk over haar en de relatie met haar kon verklaren, terwijl eiser is blijven steken in algemeenheden. Voorts heeft eiser tegenstrijdig verklaard doordat hij heeft verklaard dat hij af en toe een trio met [persoon A] heeft gehad, maar anderzijds heeft eiser aangegeven dat zijn band met [persoon A] puur vriendschappelijk was. Zoals eerder overwogen is het nader gehoor de plek om het asielrelaas naar voren te brengen. Eiser heeft de voldoende gelegenheid gehad om over de relatie met [persoon A] te verklaren, zodat zijn standpunt dat hij niet is uitgenodigd om uitgebreider over [persoon A] te verklaren niet opgaat.\n\nAsielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en geen goede reden daarvoor7.8.. Eiser betoogt dat de minister zijn asielaanvraag ten onrechte heeft afgedaan als kennelijk ongegrond, omdat hij zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk zou hebben ingediend. Eiser is met een toeristenvisum Nederland binnengekomen, met als doel om hier asiel aan te vragen. Dat heeft hij op Schiphol gemeld, daar zijn zijn vingerafdrukken genomen en is er een foto gemaakt. Toen eiser aankwam in Ter Apel bleek er geen plek voor hem te zijn. Eiser wijst hierbij op de onveilige situatie die destijds aan de hand was in Ter Apel, waar asielzoekers veelvuldig buiten moesten slapen en waar sprake was van veel criminaliteit. Eiser besloot daarom door te reizen naar Duitsland en uiteindelijk naar Denemarken. Dit kan hem niet worden verweten, aangezien hij in zijn eigen levensonderhoud wilde voorzien toen bleek dat Nederland hem niet kon opvangen. Eiser heeft in Denemarken een aantal maanden in de gevangenis gezeten, waardoor hij pas in april 2022 asiel kon aanvragen.\n\n7.9.. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn asielaanvraag niet zo snel mogelijk heeft ingediend. Dat eiser niet bekend was met de asielprocedure in Nederland en dat hij niet beschikte over middelen van bestaan is geen verschoonbare reden voor het laat indienen van zijn asielaanvraag. Van iemand die stelt dat een vrees te hebben in zijn land van herkomst mag worden verwacht dat hij zo snel mogelijk de bescherming zoekt die hij nodig heeft.\n\nTussenconclusie7.9.. Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de problemen van eiser met de Alkhaldi-stam ongeloofwaardig zijn.\n\nHeeft de minister de problemen van eiser over zijn seksuele gerichtheid ongeloofwaardig mogen achten?\n\n8. Omdat dit asielmotief niet volledig met objectieve documenten is onderbouwd heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister heeft eiser in dat kader het volgende tegengeworpen: eiser heeft oppervlakkig en summier verklaard over het moment dat hij zich realiseerde dat hij zowel op mannen als vrouwen valt, eiser heeft oppervlakkig en summier verklaard over zijn seksuele gerichtheid en de acceptatie daarvan, eiser maakt niet inzichtelijk wat de band met [persoon B] voor hem betekent, eiser verklaart oppervlakkig over zijn gevoelens in Nederland, eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in Jordanië problemen heeft ondervonden vanwege zijn biseksuele gevoelens en eiser heeft oppervlakkig verklaard over zijn gevoelens in Nederland. De minister is voorts van oordeel dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daarvoor geen goede verklaring heeft.\n\n8.1.. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zijn problemen over zijn seksuele gerichtheid ongeloofwaardig zijn. Eiser stelt dat hem ten onrechte wordt tegengeworpen dat hij niet uitgebreider heeft verklaard over zijn seksuele gerichtheid en de acceptatie hiervan. Eiser is hier tijdens het gehoor ook niet op gewezen. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft doorgevraagd op summiere antwoorden en niet heeft uitgelegd waarom van hem verwacht moet worden dat hij meer inzicht zou geven. Volgens eiser heeft de minister geen rekening gehouden met zijn referentiekader in de zin dat hij niet gewend is hierover te spreken en schaamte ervaart. Eiser loopt gevaar in Jordanië wanneer zijn seksuele gerichtheid daar bekend wordt. In het nader gehoor heeft eiser uitgebreid verklaard en antwoord gegeven op alle vragen. Hierbij heeft hij verteld over meerdere seksuele ervaringen. Ondanks zijn referentiekader heeft eiser het nodige verklaard over het bewustwordingsproces van zijn biseksuele gevoelens. Eiser betoogt voorts dat hij ten aanzien van zijn band met [persoon B] de vragen hierover adequaat heeft beantwoord. Eiser heeft in beroep screenshots overgelegd van de whatsappcontacten met [persoon B]. Eiser betoogt verder dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij oppervlakkig heeft verklaard over de manier waarop hij in Nederland met zijn seksuele gerichtheid omgaat. De seksuele gerichtheid was voor eiser niet de reden om in Nederland asiel aan te vragen. Omdat eiser zijn biseksualiteit inmiddels verder heeft ontplooid, kan van hem niet worden gevraagd dat hij dit nog langer onderdrukt bij terugkeer naar Jordanië. Ter zake de problemen die hij in Jordanië heeft ondervonden vanwege zijn biseksuele gevoelens stelt eiser dat hij uitvoerig over de arrestatie door de moraalpolitie heeft verklaard en dat niet valt in te zien hij eiser zou moeten welke over welke informatie de moraalpolitie direct voorafgaande de arrestatie beschikte.\n\n8.2.. De rechtbank stelt vast dat eiser in beroep gronden heeft gericht tegen alle tegenwerpingen die ten grondslag liggen aan het standpunt van de minister dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De rechtbank bespreekt deze hierna.\n\nReferentiekader8.3.. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat rekening is gehouden met het referentiekader van eiser. Bij de beoordeling van dit asielmotief heeft de minister namelijk gebruik gemaakt van de WI 2019\u002F17) waarbij is gekeken hoe eiser zich bewust werd van zijn biseksuele gerichtheid en hoe hij daarmee is omgegaan en naar zijn relaties. Dit alles is afgezet tegen zijn culturele context, waarin biseksualiteit niet wordt geaccepteerd.\n\nEiser heeft oppervlakkig en summier verklaard over het moment dat hij zich realiseerde dat hij zowel op mannen als vrouwen valt8.4.. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser oppervlakkig en summier heeft verklaard over het moment dat hij zich realiseerde dat hij zowel op mannen als vrouwen valt. Eiser heeft hierover enkel gesteld dat hij wel degelijk het nodige heeft verklaard, maar de minister stelt terecht dat eiser oppervlakkig heeft verklaard en niet inzichtelijk heeft gemaakt aan de hand van concrete voorbeelden waarom eiser zich ongemakkelijk voelde en waarom eiser angst voelde. Ook de verklaring van eiser hoe het voor hem was om tot de realisatie te komen dat hij biseksueel is, is oppervlakkig en algemeen van aard. Eiser heeft hierover alleen verklaard dat hij zich blij en meer open voelde. Ook na het meerdere keren doorvragen door de hoormedewerker blijft eiser summier en oppervlakkig. Ondanks dat eiser dus uitgebreid in de gelegenheid is gesteld om te verklaren over de ontdekking van zijn biseksuele gevoelens en de manier waarop hij daarmee is omgegaan en dit beleefd heeft, blijft eiser steken in algemene en oppervlakkige opmerkingen.\n\nEiser heeft oppervlakkig en summier verklaard over de seksuele gerichtheid en de acceptatie hiervan8.5.. De minister heeft zich voorts terecht het standpunt gesteld dat eiser summier heeft verklaard over zijn seksuele gerichtheid en de acceptatie daarvan. Eiser heeft verklaard dat de realisatie rond zijn 18e verjaardag heeft plaatsgevonden en dat de acceptatie van zijn seksuele gerichtheid plaatsvond rond 21- of 22-jarige leeftijd. Terecht stelt de minister dat eiser hiermee niet concreet heeft gemaakt hoe het moment van realisatie naar acceptatie is verlopen. Ondanks dat eiser dus uitgebreid in de gelegenheid is gesteld om te verklaren over de ontdekking van zijn biseksuele gevoelens en de manier waarop hij daarmee is omgegaan en dit beleefd heeft, blijft eiser steken in algemene en oppervlakkige opmerkingen. De minister stelt daarbij ook terecht dat juist in een land als Jordanië waar een stigma heerst op het lhbti-gemeenschap van eiser verwacht mag worden dat hij persoonlijker kan verklaren over hoe deze ontdekking en acceptatie voor hem is geweest.\n\nEiser maakt niet inzichtelijk wat de band met [persoon B] voor hem betekent8.6.. De minister stelt zich verder naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt wat de band met [persoon B] voor hem betekent. Ook hierin blijkt eiser steken in algemeenheden en maakt hij niet concreet wat de band met [persoon B] persoonlijk voor hem betekent. Nu eiser heeft verklaard dat hij in het verleden met niemand over zijn seksuele gerichtheid kon spreken en [persoon B] de eerste persoon in Nederland was met wie hij dit wel heeft gedaan, mocht de minister van eiser verwachten dat hij zou kunnen vertellen hoe dit voor hem was en wat de band met [persoon B] voor hem betekende.\n\nEiser heeft oppervlakkig verklaard over zijn gevoelens in Nederland8.7.. Met betrekking tot de verklaringen van eiser over hoe hij in Nederland met zijn seksuele gerichtheid omgaat, stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser in algemeenheden blijft hangen. Eiser heeft niet concreet kunnen maken waarom hij in Nederland een mooi gevoel krijgt bij het openbaar kunnen uiten van zijn seksualiteit. Eiser heeft geen persoonlijke antwoorden kunnen geven waarbij hij inzicht heeft gegeven in zijn gedachten.\n\nEiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij problemen in Jordanië heeft ondervonden vanwege zijn biseksuele gevoelens8.8.. Eiser heeft gesteld dat de moraalpolitie hem heeft gearresteerd vanwege zijn biseksuele gerichtheid. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt waarom de politie bij hem binnenkwam. Eiser verklaart hierover immers dat hij denkt dat het door een anonieme tip kwam zodat zijn stelling dat hij problemen heeft ervaren vanwege zijn biseksuele gerichtheid op vermoedens rust. Bovendien weet eiser niet zeker of hij is aangehouden vanwege zijn seksuele gerichtheid. Nu eiser heeft verklaard geen andere problemen wegens zijn biseksuele gerichtheid te hebben meegemaakt, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij problemen heeft ervaren in Jordanië vanwege zijn biseksuele gerichtheid.\n\nTussenconclusie8.9.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser over zijn problemen door zijn seksuele gerichtheid en de acceptatie hiervan, een niet samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Uit overweging 7.9 volgt dat de minister zich ook terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en hiervoor geen goede reden heeft. De minister heeft dit asielmotief dan ook terecht ongeloofwaardig geacht.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\nHet beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.F.E. Brokke, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026).\n\n Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000.\n\n Rb Den Haag, zp Arnhem 11 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3804.\n\n Rb Den Haag, zp Arnhem 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11149.\n\n HvJEU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder 58.\n\n Rb. Den Haag (zp. Arnhem), 23 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:17061, onder 7.1.1.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18457","ecli-nl-rbdha-2026-18457",{"courtName":6,"legalDomain":46,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":107,"ecli":108,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":87,"fullText":109,"language":7,"source":17,"sourceUrl":110,"summary":14,"slug":111,"metadata":112},"693","ECLI:NL:RBDHA:2026:18464","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.14032\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen\n [eiser], v-nummer: [nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. M.J. Verwers),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. D.A.M. Friezer).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij het juiste beoordelingskader heeft toegepast en dat wel rekening is gehouden met het referentiekader van eiser. Voorts heeft de minister de problemen van eiser met Al Shabaab terecht ongeloofwaardig geacht.Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 19 maart 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2. De minister heeft hierop een verweerschrift ingediend.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is geboren op [geboortedag] 1994, heeft de Somalische nationaliteit en behoort tot de Reer Hamar-clan. Eiser is meermaals telefonisch bedreigd door Al Shabaab vanwege zijn werkzaamheden in een elektronicawinkel. Al Shabaab is op een later moment naar het werk van eiser gekomen en zij hebben de eigenaar van de winkel toen doodgeschoten. Eiser was op dat moment in het magazijn achterin de winkel. Hij heeft zich stilgehouden en heeft kunnen ontsnappen. Hierna is eiser ondergedoken bij twee kennissen. Daarna is hij naar een bekende van een van de kennissen gegaan. Deze laatste persoon heeft eiser geholpen bij het verlaten van Somalië. Ook de vader en de toenmalige vrouw van eiser zijn benaderd door Al Shabaab. Dit was reden voor de ex-vrouw van eiser om van hem te scheiden. De vader van eiser is gegijzeld door Al Shabaab en eiser heeft sindsdien niets van hem vernomen. Bij terugkeer naar Somalië vreest eiser te worden gedood door Al Shabaab.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\n1. identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. problemen met Al Shabaab;\n\n3. discriminatie vanwege afkomst uit een minderheidsstam.\n\n4.1.. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Het tweede asielmotief, de problemen met Al Shabaab, heeft eiser niet onderbouwd met objectieve documenten en dit asielmotief vindt de minister niet geloofwaardig: de verklaringen van eiser vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister heeft eiser in dat kader het volgende tegengeworpen: heeft wisselend verklaard over wanneer hij telefonisch is bedreigd door Al Shabaab, eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom Al Shabaab zes tot zeven maanden heeft gewacht voordat ze actie hebben ondernomen, eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe Al Shabaab achter zijn telefoonnummer is gekomen, eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom hij weer is gaan werken na de bedreigingen, eiser heeft tegenstrijdig verklaard over hoeveel aanvallers er waren en eiser baseert de ontvoering van zijn vader op vermoedens. Het derde asielmotief, de discriminatie vanwege afkomst uit een minderheidsstam, is geloofwaardig geacht. De minister heeft gekeken of eiser op grond van geloofwaardig geachte asielmotieven in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Dat is volgens de minister niet het geval. Daarom heeft de minister de aanvraag afgewezen als ongegrond.\n\nHeeft de minister het juiste toetsingskader toegepast?\n\n5. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de Werkinstructie (WI) 2024\u002F6. De minister had, gelet op de datum van de asielaanvraag, gebruik moeten maken van WI 2014\u002F10. De minister kan niet tijdens een lopende asielprocedure een nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling toepassen. Dat is in het geval van eiser wel gebeurd.\n\n5.1.. De minister stelt zich op het standpunt dat het juiste beoordelingskader is toegepast. Nergens is vastgelegd dat asielaanvragen moeten worden beoordeeld aan de hand van de werkinstructies die van kracht waren ten tijde van de asielaanvraag. Hierbij verwijst de minister naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg.In het bestuursrecht wordt een besluit genomen op basis van het op dat moment geldende beleid. Dit is anders wanneer sprake is van overgangsrecht of als dat uit (andere) wetgeving volgt. Dat is echter bij het beslissen op asielaanvragen niet het geval.\n\n5.2.. De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft de asielaanvraag van eiser terecht beoordeeld aan de hand van WI 2024\u002F6. Dat beleid is met onmiddellijke ingang van toepassing. Uitgangspunt in het bestuursrecht is namelijk dat een besluit wordt genomen op basis van het op dat moment geldende recht, zelfs al zou een betrokkene door toepassing van nieuwe beleidsregels in een ongunstigere positie komen.Hierbij verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats.\n\nHeeft de minister rekening gehouden met het referentiekader van eiser?\n\n6. Eiser betoogt dat de minister bij de beoordeling van de verklaringen onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. Uit het nader gehoor blijkt dat eiser een vraag niet begrijpt. Dat zijn aanwijzingen dat het referentiekader een rol speelt en kenbaar betrokken had moeten worden. Het opleidingsniveau van eiser had dan ook meegenomen moeten worden in het referentiekader.\n\n6.1.. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat in het bestreden besluit wel degelijk een referentiekader is opgenomen. Nergens uit het dossier is gebleken dat het feit dat eiser geen opleiding heeft invloed heeft gehad op de manier waarop hij kan verklaren of op zijn asielrelaas. De minister stelt zich dan ook terecht op het standpunt dat niet valt in te zien hoe het betrekken van het opleidingsniveau van eiser tot een andere uitkomst van de geloofwaardigheidsbeoordeling kan leiden. Dit is door eiser ook niet onderbouwd.\n\nHeeft de minister de problemen van eiser met Al Shabaab ongeloofwaardig mogen achten?\n\n7. Niet in geschil is dat eiser zijn verklaringen over de problemen met Al Shabaab niet heeft onderbouwd met (objectieve) documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Daarom heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat de verklaringen van eiser niet een samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De rechtbank zal hieronder de gronden van eiser die zijn gericht tegen de tegenwerpingen van de minister in het kader van dat standpunt bespreken.\n\nWisselende verklaringen over de telefonische bedreigingen door Al Shabaab7.1.. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij wisselend heeft verklaard over de telefonische bedreigingen door Al Shabaab. Eiser heeft aangevoerd dat de tolk eiser niet goed heeft begrepen en de datum van de eerste telefonische bedreiging niet juist heeft vertaald. Ook de verklaring van eiser dat de bedreiging plaatsvond in de maand maart heeft de tolk niet juist vermeld. De minister gaat voorbij aan wat is aangevoerd in de correcties en aanvullingen. Eiser heeft hierin de data die hij in het nader gehoor heeft genoemd gecorrigeerd. De minister concludeert in het bestreden besluit ten onrechte dat sprake is van een dusdanig groot verschil in de verklaringen van eiser dat dit in het nadeel van eiser weegt. Bovendien is eiser tijdens het gehoor niet geconfronteerd met de tegenstrijdigheden, waardoor dit niet aan eiser kan worden tegengeworpen.\n\n7.2.. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in Ebilum, het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid zal beoordelen. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom niet langer, wanneer zij het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid toetst, beoordelen of de minister zich ‘niet ten onrechte’ op een bepaald standpunt heeft gesteld. Dit in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser wisselend heeft verklaard over de telefonische bedreigingen door Al Shabaab. Eiser noemt verschillende data in het gehoor. In de correcties en aanvullingen heeft eiser verklaard dat het om andere data ging. Hierdoor zijn de verklaringen van eiser wisselend. Tijdens het gehoor is aan eiser gevraagd of de data juist waren. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat het feit dat de data weer wisselden in de correcties en aanvullingen afbreuk doet aan de consistentie van het betoog van eiser. Daarnaast heeft eiser vier data genoemd, maar kan hij niet noemen in welke maand dit was. Eiser schatte bij benadering in dat dit in maart moet zijn geweest. De minister stelt terecht dat van eiser verwacht mag worden dat hij de maand kan noemen, omdat hij ook de dagen van het incident weet te benoemen. Dat eiser dit niet heeft kunnen doen betekent dat hij niet inzichtelijk heeft kunnen maken wanneer hij telefonisch is bedreigd. In het verweerschrift stelt de minister zich op het standpunt dat de correcties en aanvullingen wel zijn betrokken. Dit heeft echter alleen maar onduidelijkheid veroorzaakt, omdat er nog een extra datum is genoemd. Dat de tolk het één en ander niet juist heeft vertaald, heeft eiser verder niet onderbouwd, zodat de minister eiser op dit punt niet hoeft te volgen. Ook volgt de minister eiser terecht niet in zijn betoog dat hij tijdens het gehoor niet is geconfronteerd met de tegenstrijdigheden en dat dit wel had gemoeten. De hoormedewerker is niet verplicht om elke tegenstrijdigheid of wisselende verklaring voor te houden. In het verweerschrift stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser in de correcties en aanvullingen en in de zienswijze voldoende mogelijkheid heeft gehad om op de tegenwerpingen te reageren.\n\nNiet inzichtelijk waarom Al Shabaab zes tot zeven maanden heeft gewacht voordat ze actie hebben ondernomen7.3.. Eiser voert aan dat hij maximaal anderhalf jaar werkte, waarbij hij pas in de laatste maanden zelf problemen heeft gekregen met Al Shabaab. De eigenaar van de elektronicawinkel waar hij werkte had die problemen echter al zes of zeven maanden daarvoor gekregen. Eiser betoogt dat het aannemelijk is dat de winkel in het vizier van Al Shabaab kwam omdat de eigenaar zijn belasting niet betaalde, waardoor ze uiteindelijk bij eiser terecht zijn gekomen. Het is logisch dat Al Shabaab uiteindelijk ook eiser ging lastig vallen, omdat er werd samengewerkt met de overheid. Hier heeft eiser uitgebreid over verklaard in het nader gehoor. Het is om die reden niet bijzonder dat de bedreigingen aan het adres van eiser pas op een later moment zijn begonnen. Hierbij is van belang dat Al Shabaab geen standaard patroon volgt. De enkele verwijzing van de minister naar de gewelddadige aard van Al Shabaab maakt niet dat daaruit volgt dat eiser eerder had moeten worden lastig gevallen. De minister stelt ten onrechte dat hij gedurende de anderhalf jaar dat hij in de winkel werkte niet heeft gedacht aan vluchten. Eiser heeft pas in de laatste maand dat hij daar werkzaam was problemen gekregen, waardoor er geen reden was om eerder te vluchten. Eiser wist ook niet van de bedreigingen die de eigenaar ontving totdat hij sprak over zijn eigen telefonische bedreigingen.\n\n7.4.. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij zes tot zeven maanden, zoals hij zelf in eerste instantie heeft verklaard volgens de minister, heeft kunnen werken in de winkel zonder dat hij problemen had met Al Shabaab. Het feit dat de eigenaar van de winkel geen belasting betaalde staat los van de door eiser gestelde problemen. Eiser heeft namelijk verklaard dat Al Shabaab hem in het vizier had vanwege het samenwerken met de overheid. Hieruit is niet op te maken hoe de belastingstatus van de eigenaar van de winkel hier invloed op had. De minister stelt zich hierover terecht op het standpunt dat eiser niet duidelijk heeft gemaakt hoe de problemen van de eigenaar van de winkel zijn verschoven naar eiser. Wat eiser hierover in de zienswijze heeft betoogd is terecht als speculatief aangemerkt. Eiser heeft daarmee niet inzichtelijk gemaakt waarom Al Shabaab zo lang heeft gewacht met het belemmeren van de werkzaamheden: het is bevreemdend dat het ruim anderhalf jaar, over welke periode eiser in de zienswijze heeft verklaard, heeft geduurd voordat Al Shabaab achter eiser is aangekomen. Volgens de verklaringen van eiser was hij namelijk als werknemer veelvuldig aanwezig en beschikbaar om door Al Shabaab om wat voor reden dan ook lastig te worden gevallen. Dat dit vervolgens anderhalf jaar niet is gebeurd is bevreemdend gelet op de agressieve en gevaarlijke aard van deze organisatie. Ook heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het bevreemdend is dat eiser gedurende deze lange periode nooit heeft besloten om te vluchten.\n\nNiet inzichtelijk hoe Al Shabaab achter het telefoonnummer van eiser is gekomen7.5.. Eiser betoogt dat niet van hem kan worden verwacht dat hij kan achterhalen hoe Al Shabaab aan zijn telefoonnummer is gekomen, zodat de tegenwerping die de minister hem in dit kader maakt ten onrechte is. Het is aannemelijk dat Al Shabaab spionnen heeft bij telecomproviders. Dit wordt door de minister niet weerlegd. Ook is het gezien de invloed die Al Shabaab heeft in Mogadishu voorstelbaar dat zij het nummer van eiser hebben achterhaald. Dat dit een gebruikelijke werkwijze is blijkt ook uit het ambtsbericht van maart 2020 en uit een door eiser overgelegde brief van Vluchtelingenwerk van 6 augustus 2024. Eiser verwijst tenslotte naar informatie van Noorse Landinfo van 17 oktober 2022, waaruit blijkt dat de chantage door Al Shabaab om mensen te rekruteren vaak plaatsvindt door herhaalde telefoontjes, bedreigingen en soms zelfs door het vermoorden van mensen in de omgeving van de betreffende persoon.\n\n7.6.. \n\nDe minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe Al Shabaab achter zijn telefoonnummer is gekomen. De hoormedewerker heeft eiser tijdens het nader gehoor gevraagd hoe Al Shabaab specifiek achter het telefoonnummer van eiser is gekomen. Eiser heeft hierop verklaard dat het mogelijk is dat Al Shabaab spionnen heeft bij de telecomprovider. Dit antwoord is speculatief en niet voldoende om inzichtelijk hoe Al Shabaab aan het nummer van eiser is gekomen. Het had op de weg van eiser gelegen om dit aannemelijk te maken. De minister stelt zich voorts terecht op het standpunt dat eiser miskent dat de door hem aangehaalde landeninformatie ziet op rekrutering door Al Shabaab, wat in het geval van eiser niet van toepassing is, nu het gaat om bedreigingen. Uit de informatie blijkt, anders dan eiser betoogt, niet dat Al Shabaab spionnen bij de telefoonproviders heeft werken en op die manier aan telefoonnummers weet te komen.\n\nNiet inzichtelijk gemaakt dat eiser weer is gaan werken nadat hij is bedreigd7.7.. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt dat hij is blijven werken nadat hij was bedreigd. Eiser kon zijn inkomen niet missen, mede omdat zijn gezin en zijn ouder financieel afhankelijk zijn van hem. Na de aanval op de winkel is eiser niet meer teruggegaan naar de winkel. De risico’s waren toen te groot geworden. De telefonische dreigementen zijn bovendien niet te vergelijken met de daadwerkelijke aanval op de winkel. De minister kan niet in de plaats van eiser beoordelen op welke wijze eiser deze afweging heeft gemaakt. Het is onduidelijk in welk kader de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat eiser ondanks dat hij de kostwinner was wel het land heeft kunnen ontvluchten.\n\n7.8.. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom hij weer is gaan werken na de telefonische bedreigingen. Uit het betoog van eiser komt naar voren dat de gestelde bedreigingen zeer ernstig waren en dat eiser zelfs met de dood is bedreigd. De enkele verklaring van eiser dat hij zijn familie moest onderhouden weegt hier dan ook niet tegen op. Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom hij na de bedreigingen met de dood is blijven werken en hiermee welbewust heeft gekozen voor het risico dat hij vermoord zou kunnen worden door Al Shabaab en dan zijn gezin en ouders helemaal niet meer financieel zou kunnen bijstaan.\n\nDe ontvoering van de vader van eiser is gebaseerd op vermoedens7.9.. Eiser betoogt dat zijn vader al meerdere keren was lastiggevallen en bedreigd door Al Shabaab, omdat de vader van eiser hem moest uitleveren aan Al Shabaab. Dat de vader van eiser daarna is ontvoerd is daarom een logisch gevolg van de eerdere bedreigingen. Bovendien had de vader van eiser zelf geen problemen met Al Shabaab. Dat de ontvoerders niet hebben verteld waarom ze de vader van eiser hebben ontvoerd maakt dit niet anders, omdat er na de ontvoering geen enkel contact meer is geweest. Ook het enkele feit dat Al Shabaab een jaar heeft gewacht met het ontvoeren van de vader van eiser maakt dit niet anders, omdat de vader van eiser daarvoor al meermaals is bedreigd. De minister heeft niet onderbouwd dat dit tijdsverloop niet aannemelijk is. De verklaringen van eiser omtrent de ontvoering van zijn vader komen bovendien overeen met objectieve landeninformatie, wat door de minister niet gemotiveerd is weerlegd.\n\n7.10.. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn vader is ontvoerd door Al Shabaab. Eiser heeft op geen enkele wijze aangetoond dat de daders van de ontvoering verbonden waren aan Al Shabaab. Het is enkel een vermoeden van eiser dat zijn vader is ontvoerd door Al Shabaab door de problemen die eiser met hen heeft. De ontvoerders hebben niet verteld waarom zij de vader van eiser hebben ontvoerd. Ook hebben zij niet kenbaar gemaakt wie ze zijn. Bovendien heeft eiser niet inzichtelijk gemaakt waarom, mocht Al Shabaab de dader zijn, ze een jaar hebben gewacht voordat ze de vader van eiser ontvoerden. Tot slot stelt de minister zich terecht op het standpunt dat het asielrelaas altijd wordt beoordeeld tegen de achtergrond van het land van herkomst en met medeneming van actuele landeninformatie.\n\nDe tegenwerpingen die de minister heeft laten vervallen7.11.. Eiser betoogt dat de minister in het besluit twee tegenwerpingen heeft laten vallen, namelijk dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de aanleiding van de bedreigingen en over het aantal overvallers. De minister stelt zich ten onrechte op het standpunt dat het vervallen van deze punten niet opweegt tegen de andere punten uit bestreden besluit. Hierbij wordt namelijk niet aangegeven waarom dit het geval is en hoe zwaar de overige punten dan wegen.\n\n7.12.. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat het vervallen van deze twee punten niet opweegt tegen de overige punten in het voornemen. In totaal waren er zeven tegenwerpingen waarvan er nu nog vijf overblijven die zien op de kern van het asielrelaas van eiser. De minister stelt terecht dat niet valt in te zien dat dit nader gemotiveerd had moeten worden, omdat uit het handhaven van het overige deel van de besluitvorming volgt dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Daaruit volgt ook dat de overige tegenwerpingen dus voldoende zwaar waren om de afwijzing te dragen. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze zittingsplaats.\n\nConclusie over de geloofwaardigheidsbeoordeling7.13.. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser de problemen met Al Shabaab niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft dit asielmotief dan ook ongeloofwaardig mogen achten.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.\n\nHet beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.F.E. Brokke, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 (zoals dat luidde tot 12 juni 2026).\n\n Rb Den Haag, zp Middelburg 15 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18978.\n\n Rb Den Haag, zp Arnhem 11 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3804.\n\n Rb Den Haag, zp Arnhem 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11149.\n\n HvJEU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder 58.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18464","ecli-nl-rbdha-2026-18464",{"courtName":6,"legalDomain":46,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":114,"ecli":115,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":87,"fullText":116,"language":7,"source":17,"sourceUrl":117,"summary":14,"slug":118,"metadata":119},"694","ECLI:NL:RBDHA:2026:18469","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20364\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres\n\n(gemachtigde: mr. E. Derksen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 10 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nHeeft de minister de asielaanvraag van eiseres aan zich getrokken door de machtiging op grond van artikel 34 van de Dublinverordening te laten ondertekenen door eiseres?\n\n5. Eiseres betoogt dat de minister de asielaanvraag van eiser inhoudelijk moet behandelen omdat eiseres een machtiging op grond van artikel 34 van de Dublinverordening heeft ondertekend. Hierin is expliciet vermeld dat Nederland als verantwoordelijke lidstaat wordt aangemerkt en dat de machtiging strekt tot het opvragen van informatie met het oog op de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag. Dit duidt niet op een beoordeling in het kader van de Dublinverordening. Eiseres betwist niet dat een dergelijke machtiging kan worden gebruikt om informatie op te vragen bij een andere lidstaat, maar de machtiging die eiseres heeft ondertekend heeft een andere strekking. Eiseres beroept zich op het vertrouwensbeginsel. Na ondertekening van de machtiging is het gehoor beëindigd, zonder dat is verteld dat alsnog een claimverzoek bij Frankrijk zou worden gedaan. Onder deze omstandigheden heeft de minister het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat de asielaanvraag van eiseres inhoudelijk door Nederland in behandeling werd genomen. Dit is niet kenbaar in de besluitvorming betrokken.\n\n5.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat de minister is aangevangen met de inhoudelijke beoordeling van haar asielaanvraag doordat eiseres de hiervoor bedoelde machtiging heeft ondertekend. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State(Afdeling) volgt dat niet snel wordt aangenomen dat Nederland is aangevangen met de inhoudelijke behandeling van een asielverzoek, zolang de procedure waarbij wordt bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek nog niet is afgerond. Ook volgt uit deze rechtsspraak dat de toestemmingsverklaring is bedoeld om informatie op te kunnen vragen bij andere lidstaten, zodat kan worden vastgesteld welk land verantwoordelijk is. Het enkele feit dat het nader gehoor van eiseres na ondertekening van de machtiging is beëindigd, maakt dit niet anders. Ook is het vertrouwensbeginsel niet geschonden. Anders dan eiseres betoogt is geen sprake geweest van een toezegging zoals de minister terecht stelt. De door eiseres ondertekende toestemmingsverklaring is een stap in een standaardprocedure die enkel ziet op het uitwisselen van informatie tussen lidstaten in het kader van de Dublinverordening. Uit deze handeling kan niet worden afgeleid dat Nederland de asielaanvraag van eiseres inhoudelijk zal behandelen. Bovendien heeft de minister geen uitlatingen gedaan waaruit een dergelijke toezegging blijkt.\n\nHeeft de minister ten onrechte het interstatelijk vertrouwensbeginsel getoetst ten opzichte van Kroatië?\n\n6. Eiseres betoogt dat de minister in het bestreden besluit ten onrechte het interstatelijk vertrouwensbeginsel toetst ten opzichte van Kroatië. Eiseres voert aan dat dit onbegrijpelijk is, aangezien de minister in hetzelfde besluit stelt dat Frankrijk de verantwoordelijke lidstaat is. Dit betreft geen kennelijke verschrijving, aangezien de beoordeling of kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel een essentieel onderdeel is van de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit. Door te toetsen aan Kroatië in plaats van aan Frankrijk heeft de minister nagelaten om te beoordelen of een overdracht aan Frankrijk in lijn is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Daardoor ontbreekt een dragende motivering voor het besluit. Dit gebrek kan niet worden gepasseerd met artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat niet kan worden vastgesteld dat eiseres hierdoor niet in haar belangen is geschaad. Ook kan het gebrek niet in beroep worden hersteld, omdat het gaat om een essentiële inhoudelijke beoordeling.\n\n6.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. Op de zitting heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat dit een kennelijke verschrijving is. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding om een gebrek aan te nemen. Uit het bestreden besluit blijkt evident dat de minister het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk heeft getoetst. Zoals de minister op zitting terecht heeft gesteld wordt in het bestreden besluit immers verwezen naar vaste rechtspraak van de Afdeling ten aanzien van Frankrijk. Ook is het door eiseres aangehaalde AIDA-rapport dat ziet op Frankrijk besproken.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n7. Eiseres betoogt dat de minister ten opzichte van Frankrijk niet langer mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit de vaste rechtspraak van de Afdeling waar de minister naar verwijst volgt niet dat in alle individuele gevallen zonder nadere beoordeling tot overdracht kan worden overgegaan. Eiseres behoort tot de LHBTI-gemeenschap, wat haar een kwetsbaar persoon maakt en waardoor de minister een verzwaarde onderzoeksplicht heeft. Uit het AIDA-rapport, update 2024,blijkt dat er aanhoudende problemen zijn met betrekking tot de positie van LHBTI-asielzoekers in Frankrijk. De minister heeft ten onrechte niet onderzocht wat dit in het individuele geval van eiseres betekent bij overdracht aan Frankrijk. Bovendien heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat een terugkeer naar Frankrijk niet leidt tot een reëel risico op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.\n\n7.1.. Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft recent nog bevestigd dat nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan . In deze uitspraak is het AIDA-rapport, update 2024, besproken. De Afdeling heeft hierover geoordeeld dat uit dit rapport niet blijkt dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Uit het rapport blijkt dat problemen bestaan omtrent de positie van LHBTI-asielzoekers in Frankrijk, maar hieruit volgt niet dat homoseksuele en transgender asielzoekers in een nadeligere positie dan andere asielzoekers terecht komen. Ook ten aanzien van de opvang van asielzoekers is niet gebleken dat er structurele problemen bestaan die bij overdracht een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest opleveren. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\nIs er sprake van een situatie zoals in het arrest C.K.?\n\n8. In de aanvullende gronden van 17 juni 2026 doet eiseres een beroep op het arrest C.K. van het Hof.Uit de aanvullende documenten blijkt dat eiseres kampt met ernstige psychische klachten en zich suïcidaal heeft geuit. Het is niet in het belang van eiseres dat de medische behandeling die zij ondergaat, alsmede de specialistische psychische hulp waarvoor zij is verwezen, wordt stilgezet. Op de zitting heeft eiseres betoogd dat de minister ten onrechte geen BMA-advies heeft opgevraagd en dat de minister alsnog opgedragen moet worden om dat te doen. Dit had wel op de weg van de minister gelegen, aangezien de minister zelf niet medisch deskundig is en het risico niet zelf kan inschatten.\n\n8.1.. Uit het arrest C.K. volgt dat, ook als van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, overdracht in het kader van de Dublinverordening op zichzelf een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van het Handvest kan opleveren. Dit kan met name voorkomen als de overdracht van een vreemdeling met bijzonder ernstige psychische of lichamelijke problemen een ernstige verslechtering van zijn of haar gezondheidstoestand tot gevolg zal hebben, zodat er een situatie ontstaat zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest. Of dit zo is, moet worden beoordeeld bij de beslissing over de overdracht van die vreemdeling. Als een vreemdeling objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn of haar gezondheidstoestand en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen waartoe een overdracht zou kunnen leiden, moet de minister bij het nemen van het overdrachtsbesluit beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. Die vergewisplicht treedt onder meer in wanneer het risico dat een asielzoeker suïcide zal plegen als gevolg van zijn of haar overdracht door een medisch deskundige als reëel of hoog is ingeschat. In dat geval vereist de vergewisplicht dat de minister de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheid van een vreemdeling deugdelijk gemotiveerd wegneemt. De minister kan in beginsel met het uitvoeren van de door het BMA vastgestelde reisvereisten, de gerezen twijfel over een schending van artikel 4 van het Handvest als gevolg van de overdracht zelf wegnemen, maar kan daar niet altijd mee volstaan.\n\n8.2.. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eiseres niet met objectieve documenten heeft onderbouwd dat zij bijzonder ernstige psychische problemen heeft die tot aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen bij overdracht zouden kunnen leiden. Hierdoor komt de minister niet toe aan de vergewisplicht, aangezien het suïcide-risico als gevolg van de overdracht niet als reëel of hoog is ingeschat door een medisch deskundige. Om die reden heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om een BMA-advies op te vragen. Hoe treurig ook, is de enkele omstandigheid dat eiseres een suïcidale poging heeft gedaan onvoldoende om aan te nemen dat de overdracht een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling oplevert. In dit kader heeft de minister op de zitting toegelicht dat ten tijde van de overdracht maatregelen getroffen kunnen worden wanneer dit nodig wordt geacht.\n\nHad de minister toepassing moeten geven aan artikel 17 van de Dublinverordening?\n\n9. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. De minister heeft ten onrechte niet beoordeeld of de kwetsbaarheid, de positie van eiseres als LHBTI-persoon, de omstandigheid dat eiseres in Nederland onder medische behandeling staat en een sociaal netwerk heeft opgebouwd, aanleiding geven om gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van de Dublinverordening.\n\n9.1.. De minister heeft deugdelijk gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. De door eiseres gestelde kwetsbaarheid, de positie van eiseres als LHBTI-persoon en het feit dat zij in Nederland onder medische behandeling staat en een sociaal leven heeft opgebouwd, zijn geen zodanige bijzondere individuele omstandigheden waardoor een overdracht leidt tot onevenredige hardheid. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.F.E. Brokke, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nDit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n ABRvS 11 september 2014, ECLI:NL:RVS:2015:3385.\n\n AIDA-rapport Frankrijk, update 2025 (juni 2025).\n\n ABRvS 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623.\n\n HvJEU, arrest C.K. 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18469","ecli-nl-rbdha-2026-18469",{"courtName":6,"legalDomain":46,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":121,"ecli":122,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":87,"fullText":123,"language":7,"source":17,"sourceUrl":124,"summary":14,"slug":125,"metadata":126},"707","ECLI:NL:RBDHA:2026:18471","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL24.42251\n uitspraak van de meervoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen\n [eiser], v-nummer: [nummer], eiser\n\n(gemachtigde: mr. E. van den Hombergh),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. A.J. Rossing).\n\nSamenvatting\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit tot afwijzing van zijn asielaanvraag. Volgens de minister kan eiser terugkeren naar de provincie Aden in Jemen. Eiser is het niet eens met dit besluit.\n\n1.1.. De rechtbank gaat in deze uitspraak voor het eerst in op de vraag of de minister in het gewijzigde landgebonden asielbeleid voor Jemen, zoals vastgesteld met het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2025\u002F20, terecht voor de provincie Aden een relatief hoger niveau van willekeurig geweld heeft aangenomen.\n\n1.2.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister in WBV 2025\u002F20 voor de provincie Aden terecht niet is uitgegaan van het hoogste niveau van willekeurig geweld. Toch is het beroep gegrond, omdat het besluit was gebaseerd op het eerdere landgebonden asielbeleid (WBV 2024\u002F9) dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) niet houdbaar heeft geacht. Pas na het aanvullen van de motivering in beroep heeft de minister het besluit deugdelijk gemotiveerd. Eiser heeft ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij wegens discriminatie verdragsvluchteling is of bij terugkeer naar Jemen het individueel het risico loopt het slachtoffer te worden van op hem gericht geweld.\n\n1.3.. De rechtbank zet hierna eerst het procesverloop uiteen (2), gevolgd door een weergave van het asielrelaas van eiser (3) en het standpunt van de minister (4). Daarna gaat de rechtbank in op de door eiser gestelde discriminatie (5), zijn vrees voor rekrutering (6), de vrees vanwege zijn deelname aan een protest en een bijeenkomst in Nederland (7) en zijn vrees wegens zijn verblijf in het buitenland (8). Vervolgens beoordeelt de rechtbank onder 9 tot en met 14 of eiser in Jemen een risico loopt als gevolg van willekeurig geweld: de rechtbank beantwoordt de vraag of de minister een volledige beoordeling heeft verricht, of de minister voor de provincie Aden in Jemen terecht niet de hoogste gradatie van willekeurig geweld heeft aangenomen en wat de uitkomst van die beoordeling betekent voor eiser. Onder 15 gaat de rechtbank in op de vraag of de minister in de humanitaire situatie in Jemen aanleiding had moeten zien om een verblijfsvergunning asiel te verlenen. Tot slot geeft de rechtbank een conclusie (16).\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft op 4 april 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 19 september 2024 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en op 23 december 2024 en 12 maart 2026 aanvullende gronden ingediend. De minister heeft op 4 december 2025 en 13 maart 2026 verweerschriften ingediend.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 26 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eiser komt uit Jemen. Hij is op [geboortedag] 1995 geboren in het dorp [geboortedorp], dat deel uitmaakt van het district Asabeh, in de provincie Taiz. In 2013 is hij gaan studeren in de stad Taiz en verbleef tot 2015 wisselend in Taiz en zijn geboortedorp. Tussen 2016 en 2020 heeft eiser in verband met studie in Sanaa gewoond. Na zijn studie is eiser in 2020 in Aden gaan wonen, waar hij verbleef tot aan zijn vertrek uit Jemen in 2023.\n\nKort samengevat heeft eiser tijdens het nader gehoor verklaard dat hij Jemen heeft verlaten vanwege de ondervonden discriminatie in Aden (vanwege zijn afkomst uit Taiz) en vanwege de oorlog. In de zienswijze heeft eiser naar voren gebracht dat hij vreest te worden gerekruteerd door een van de strijdende partijen in Jemen. Hij stelt in dit verband dat de Islah-militie hem twee keer heeft geprobeerd te rekruteren en dat zij na zijn vertrek uit Jemen in 2024 twee keer bij zijn ouders langs zijn geweest om hem te rekruteren. Daarnaast heeft hij gewezen op het risico bij terugkeer vanwege zijn deelname aan een protest en bijeenkomst in Nederland en het lange verblijf in Nederland.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. De ondervonden discriminatie op grond van zijn afkomst uit Taiz vindt de minister ook geloofwaardig, maar deze is volgens hem onvoldoende zwaarwegend. De gestelde rekruteringspogingen acht de minister deels niet geloofwaardig en met de poging in 2016 die hij wel geloofwaardig acht is niet aannemelijk gemaakt dat eiser nu nog bij terugkeer heeft te vrezen voor rekrutering. Eiser loopt volgens de minister ook geen reëel risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. Voor de provincie Aden, dat volgens de minister als eisers laatste woonplaats moet worden aangemerkt, heeft de minister een hoger niveau van willekeurig geweld aangenomen. Dat betekent dat eiser met specifieke omstandigheden aannemelijk moet maken dat hij een verhoogd risico loopt het slachtoffer te worden van dat geweld en daarvan is niet gebleken.\n\nHeeft de minister de gestelde discriminatie in Aden terecht onvoldoende zwaarwegend geacht?\n\n5. Eiser betoogt dat het standpunt van de minister over de in Aden ondervonden discriminatie in strijd is met artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De minister heeft de omstandigheden waaronder eiser in Aden moest leven gebagatelliseerd. De minister acht ook ten onrechte van belang dat eiser zonder problemen tussen Al Ufa en Al Turba (Taiz) kon reizen. Dat ziet namelijk op een andere periode (vóór 2020) en op een andere locatie (Taiz) dan de problemen waar eiser op doelt, namelijk discriminatie in Aden vanwege zijn afkomst uit Taiz nadat hij daar ging werken. Vanuit Aden kon eiser alleen naar zijn ouders in Taiz reizen met hulp van een chauffeur\u002Fsmokkelaar die ook geld betaalde bij controleposten. Evenmin kon hij op de normale manier een paspoort krijgen; hij had daar een tussenpersoon voor nodig.\n\n5.1.. In geschil is of eiser met de door hem aangedragen persoonlijke feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem ondervonden discriminatie moet worden aangemerkt als daad van vervolging. Hiervan is volgens paragraaf C2\u002F3.2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals dat luidde tot 12 juni 2026, sprake als hij door deze discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren.\n\n5.2.. \n\nDe rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat van een zodanige situatie geen sprake is. Eiser heeft niet betwist dat hij in Aden beschikte over huisvesting en sinds 2020 in zijn levensonderhoud voorzag door te werken als assistent accountant bij het instituut [instituut] in [plaats]. Dit wijst er niet op dat eiser niet op normale wijze aan de Jemenitische samenleving kon deelnemen. Dat leden van de Zuidelijke Transitieraad (STC) hem en anderen regelmatig lastigvielen op zijn werk, neemt niet weg dat eiser deze werkzaamheden jarenlang heeft kunnen verrichten. Daarbij heeft eiser verklaard dat hij persoonlijk geen problemen ondervond.Dat eiser uit angst voor checkpoints en de veiligheidssituatie weinig buiten zijn werkomgeving kwamheeft de minister terecht onvoldoende geacht voor een ander oordeel. De minister neemt ook terecht in aanmerking dat eiser documenten, zoals een paspoort en een identiteitskaart, kon verkrijgen. Dat eiser deze documenten, zoals hij stelt, via een tussenpersoon heeft geregeld, doet er niet aan af dat hij ze uiteindelijk wel heeft kunnen verkrijgen. Daarbij komt dat deze verklaring over de wijze van verkrijging van de documenten niet overeenkomt met eisers eerdere verklaring dat hij het paspoort en de identiteitskaart zelf heeft aangevraagd.De door eiser gestelde vrees om vanwege zijn afkomst uit de regio Taiz bij controleposten gediscrimineerd te worden, leidt niet tot een ander oordeel. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser deze vrees onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de door eiser overgelegde algemene informatie uit het ambtsbericht over controleposten volgt niet dat de vermelding van Taiz op een identiteitskaart al tot problemen leidt bij controles.De minister heeft er bovendien terecht (en onweersproken) op gewezen dat de in het ambtsbericht genoemde risico’s met name zien op politici, journalisten en activisten, tot welke groepen eiser niet behoort. Daarnaast blijkt uit de verklaringen van eiser niet dat hij zelf problemen heeft ondervonden bij controleposten. De aanvullende verklaring van eiser in beroep dat hij in de laatste maand voor zijn vertrek bij reizen naar zijn ouders gebruikmaakte van een smokkelaar, waardoor hij problemen kon ontlopen, heeft hij niet eerder naar voren gebracht. Het laat ook onverlet dat hij volgens zijn verklaringen op de dag van zijn vertrek en zijn reis naar de luchthaven geen problemen had bij controleposten.Eiser heeft niet verklaard dat hij ook toen gebruikmaakte van een smokkelaar. De minister heeft zijn standpunt dat eiser probleemloos tussen Al Ufa en Al Turba (Taiz) kon reizen – dit zag niet op de provincie Aden – op zitting laten vallen, maar dat neemt niet weg dat de minister, gelet op het voorgaande, al voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser de gestelde discriminatie bij controleposten onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.\n\nUit dit alles volgt dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde discriminatie niet de vereiste zwaarte heeft. De beroepsgrond slaagt daarom niet.\n\nHeeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op rekrutering?\n\n6. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte zijn relaas over de gestelde rekrutering deels buiten beschouwing heeft gelaten. De minister werpt eiser namelijk ten onrechte tegen dat het relaas innerlijk tegenstrijdig is en dat eiser pas in de zienswijze over de rekrutering heeft verklaard. Hij voert aan dat het nader gehoor van beperkte duur was en dat onvoldoende is doorgevraagd. Gelet op de beleidswijziging voor Jemen had de minister hem bovendien opnieuw moeten horen. In ieder geval had de minister hem naar aanleiding van de zienswijze de gelegenheid moeten geven om nader over de rekruteringspogingen te verklaren.Eiser wijst in dit verband op de samenwerkingsplicht uit Werkinstructie 2024\u002F6. Dat eiser een rekruteringspoging uit 2019 pas in de zienswijze heeft genoemd, kan hem niet worden tegengeworpen, omdat hij zich tijdens het nader gehoor niet bewust was van de relevantie daarvan en ervan uitging dat hij op grond van de algemene situatie in Jemen al voor bescherming in aanmerking zou komen. Eiser wijst tot slot op de uitspraak van zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 26 november 2024.\n\n6.1.. De rechtbank stelt vast dat eiser heeft verklaard over vier rekruteringspogingen. Tijdens het nader gehoor heeft hij verklaard dat een dorpsgenoot hem in 2016 in Al Ufa heeft gevraagd zich bij de Islah-militie aan te sluiten, wat hij heeft geweigerd. In de zienswijze heeft hij hieraan toegevoegd dat in 2019 opnieuw een rekruteringspoging is gedaan, en dat in april en juni 2024 leden van de Islah-militie naar het ouderlijk huis zijn gegaan om hem te rekruteren.\n\n6.2.. De minister heeft op zitting toegelicht dat hij alleen de eerste rekruteringspoging geloofwaardig acht. De rechtbank begrijpt het standpunt van de minister aldus dat die enkele poging in 2016 niet maakt dat eiser nu nog een reëel risico loopt op gericht geweld wegens rekruteringen dat deze omstandigheid ook geen betekenis heeft bij de beoordeling van het risico op willekeurig geweld.\n\n6.3.. Het betoog dat eiser ten onrechte niet aanvullend is gehoord slaagt niet. Hoewel het nader gehoor kort was, is eiser tijdens dat gehoor uitdrukkelijk gevraagd of hij in Jemen wel eens is benaderd door een strijdende partij om mee te vechten.Hij heeft toen verklaard dat dit éénmaal, in 2016, is gebeurd. Op vervolgvragen heeft hij bevestigd dat het om een eenmalige gebeurtenis ging.De gehoorambtenaar heeft tijdens dat gehoor ook duidelijk gemaakt dat eiser volledig dient te antwoorden op de gestelde vragenen heeft aan het eind van het gehoor gevraagd of eiser nog iets wil toevoegen, wat eiser niet heeft gedaan.Hiermee heeft de minister voldaan aan zijn deel van de samenwerkingsplicht. De enkele beleidswijziging maakt niet dat eiser aanvullend gehoord had moeten worden. Eiser heeft tijdens het nader gehoor naar voren kunnen brengen om welke redenen hij vreest bij terugkeer.\n\n6.4.. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister de door eiser in de zienswijze genoemde aanvullende rekruteringspogingen terecht niet geloofwaardig heeft geacht. Deze verklaringen zijn niet in overeenstemming met de eerdere (niet met correcties en aanvullingen gewijzigde) verklaring van eiser dat hij slechts eenmaal is benaderd. Dat eiser het belang toen niet inzag om ook over de andere rekruteringspoging in 2019 te vertellen, is geen toereikende verklaring, nu eiser expliciet is gevraagd naar het aantal rekruteringspogingen. Verder heeft de minister terecht gewezen op de onaannemelijkheid dat eiser in 2024 opnieuw twee keer zou zijn benaderd, terwijl al lang bekend moest zijn – de militieleden waren volgens eisers eigen verklaringen immers dorpsgenoten– dat hij was vertrokken. Hierop is eiser in beroep ook niet ingegaan. De overgelegde algemene landeninformatie leidt niet tot een ander oordeel, nu deze niet ziet op eisers persoonlijke situatie. Ook heeft de minister, gelet op artikel 31, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), zoals dat luidde tot 12 juni 2026, terecht bij de beoordeling betrokken dat gestelde incidenten laat – pas na het voornemen – zijn gemeld. De minister heeft daarom de in de zienswijze genoemde rekruteringspogingen terecht buiten beschouwing gelaten. Over de (wel geloofwaardig geachte) rekruteringspoging in 2016 heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat deze geruime tijd geleden heeft plaatsgevonden en volgens eisers verklaringen niet tot problemen heeft geleid, zodat daaruit geen actueel risico bij terugkeer kan worden afgeleid. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nLeiden eisers deelname aan een protest en bijeenkomst in Nederland tot een gegronde vrees voor vervolging?\n\n7. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft onderkend dat hij vanwege zijn deelname in Nederland aan een protest tegen de milities gelieerd aan de STC en de Houthi’s, een bijeenkomst van Vluchtelingenwerk en zijn posts op sociale media, problemen heeft te verwachten bij terugkeer. Eiser vreest dat zijn activiteiten, ook al zijn deze beperkt, kunnen worden opgevat als activiteiten van een ongelovige en hij is bang dat dit wordt opgepikt in Jemen. De minister onderschat volgens eiser de vergaande mate van monitoring en controle van activiteiten door de Houthi’s, waarbij hij verwijst naar een brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 14 januari 2026.\n\n7.1.. Eiser heeft volgens zijn zienswijze deelgenomen aan een protest tegen de milities gelieerd aan de STC en de Houthi’s en een bijeenkomst van Vluchtelingenwerk. Hoewel eiser heeft verklaard dat posts op sociale media zijn geplaatst waarop hij te zien is heeft eiser niet nader onderbouwd waaruit blijkt dat dit demonstraties tegen de Jemenitische autoriteiten of groeperingen betreft, noch dat die op de hoogte zijn van deze, ook volgens hemzelf, beperkte activiteiten, laat staan dat eiser hierdoor in de negatieve belangstelling staat. Voor zover eiser stelt dat hij vreest voor de Houthi’s in verband met hun vergaande monitoring is van belang dat, zoals de rechtbank hierna onder 13.1 en 13.2 zal oordelen, eisers laatste woon- en verblijfplaats in de provincie Aden was en dat is geen Houthi-gecontroleerd gebied. De rechtbank merkt ook op dat [geboortedorp] volgens eisers eigen verklaringen geen Houthi-gecontroleerd gebied is.\n\nLoopt eiser vanwege zijn langdurige verblijf in Europa een reëel risico bij terugkeer naar Jemen?\n\n8. Het (met stukken onderbouwde) betoog van eiser dat zijn langdurige verblijf in Europa hem in de negatieve belangstelling zal plaatsen van de Houthi’s, omdat hij als spion zal worden gezien, slaagt om dezelfde reden niet. Zoals de rechtbank hierna onder 13.1 en 13.2 zal oordelen hoeft eiser namelijk niet terug te keren naar door Houthi’s gecontroleerd gebied.\n\nLoopt eiser het risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld?\n\n9. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft onderkend dat hij bij terugkeer het risico loopt op ernstige schade wegens het willekeurige geweld in Jemen. Eiser heeft hiertoe verschillende beroepsgronden aangevoerd die de rechtbank hieronder zal bespreken. Voorafgaand daaraan zal de rechtbank het toepasselijke beleid en de relevante rechtspraak uiteenzetten.\n\nBeleid minister en relevante rechtspraak\n\n10. De minister neemt als gevolg van het arrest X en Yen de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024over dit arrest, voor artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw 2000,verschillende gradaties aan van willekeurig geweld.De drie gradaties zijn:\n\n1. uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. Dit betreft de uitzonderlijke situatie waarin de mate van willekeurig geweld als gevolg van een internationaal of binnenlands gewapend conflict zodanig is dat wordt aangenomen dat een vreemdeling enkel en alleen al door zijn aanwezigheid op dat grondgebied een reëel risico loopt op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon;\n\n 2. relatief hoger niveau van willekeurig geweld;\n\n 3. relatief lager niveau van willekeurig geweld.\n\nIn de hoogste gradatie van willekeurig geweld beperkt het individualiseringsvereiste zich tot het afkomstig zijn uit het land of bepaald gebied, waar sprake is van deze uitzonderlijke mate van willekeurig geweld.Bij de laagste twee gradaties moet de betrokkene aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat de omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en juist hij specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Daarbij geldt een glijdende schaal. Naarmate het niveau van willekeurig geweld lager is zullen er relatief gewichtigere individuele omstandigheden vereist zijn om een reëel risico aan te nemen.\n\n10.1.. Vanaf 2016 gold voor Jemen in het beleid van de minister een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld.In WBV 2024\u002F9heeft de minister dit niet langer aangenomen en is, mede naar aanleiding en met toepassing van het arrest X en Y, bepaald dat voor Jemen de middelste gradatie van willekeurig geweld geldt: een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. In dit beleid werd geen onderscheid per regio gemaakt.\n\n10.2.. De Afdeling is in de uitspraken van 16 juli 2025ingegaan op dit beleid en heeft geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De minister heeft volgens de Afdeling niet alle in de uitspraak genoemde relevante omstandigheden globaal in zijn beoordeling betrokken. Op het moment van deze Afdelingsuitspraak was het ambtsbericht van april 2025 al uitgebracht. De Afdeling heeft de minister opgedragen de nieuwe beoordeling te verrichten met inachtneming van dit nieuwe ambtsbericht.\n\n10.3.. In de brief van 8 oktober 2025heeft de minister naar aanleiding van het ambtsbericht van april 2025 en voormelde uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025, de voorgenomen wijzigingen in het landenbeleid over Jemen uiteengezet. Daarna is met WBV 2025\u002F20het landenbeleid gewijzigd.\n\nBesluit van 19 september 2024\n\n11. De rechtbank stelt vast dat de minister in het besluit van 19 september 2024 toepassing heeft gegeven aan het beleid, zoals dat is opgenomen in WBV 2024\u002F9. Gelet op de hiervoor genoemde uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025 kan dat besluit geen stand houden. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond en vernietigt het besluit van 19 september 2024. In zijn verweerschriften van 4 december 2025 en 13 maart 2026 heeft de minister uiteengezet dat toepassing van het voor Jemen gewijzigde landgebonden beleid in WBV 2025\u002F20, voor de beoordeling of eiser bij terugkeer naar Aden een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld, niet tot een andere uitkomst leidt. De rechtbank ziet hierin aanleiding te beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen worden gelaten.\n\nIs de beoordeling in WBV 2025\u002F20 volledig?\n\n12. Eiser betoogt dat de minister ook zijn beleid in WBV 2025\u002F20, gelet op de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025, onvoldoende heeft gemotiveerd. Dat beleid is namelijk gebaseerd op de brief van 8 oktober 2025, waaraan de beslisnota van 18 juni 2025 ten grondslag ligt die van vóór de uitspraak van de Afdeling dateert. In deze beslisnota is onvoldoende aandacht besteed aan de humanitaire omstandigheden bij de beoordeling van de mate van willekeurig geweld. Dit is volgens eiser problematisch omdat uit het ambtsbericht van april 2025 blijkt dat de ernstige humanitaire situatie in Jemen mede het gevolg is van het handelen of nalaten van de strijdende partijen. De effecten op de economie en daarmee op burgers als gevolg van oorlog kunnen worden gezien worden als een ‘indirect gevolg’ van het handelen van strijdende partijen en moeten bij de beoordeling worden betrokken.\n\n12.1.. \n\nDe rechtbank overweegt dat de minister bij de beoordeling van de intensiteit van het willekeurig geweld, volgens zijn beleid in paragraaf C2\u002F3.3.3.2 van de Vc 2000, zoals dat luidde tot 12 januari 2026, in ieder geval de volgende elementenin samenhang weegt:\n\n• de vraag of partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen;\n\n• de vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;\n\n • de vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;\n\n • de vraag of er een veiligheidsstructuur aanwezig is;\n\n• de intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten;\n\n• de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.\n\n12.2.. \n\nDe Afdeling heeft in de eerdergenoemde uitspraken van 16 juli 2025 geoordeeld dat de minister in het landgebonden beleid voor Jemen niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie, waarbij de mate van willekeurig geweld in een gewapend conflict zo hoog is dat een burger die terugkeert alleen al door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op ernstige schade. De Afdeling heeft de minister toen opgedragen om in een nieuwe beoordeling, en dit alles tegen de achtergrond van de daadwerkelijke bestemming of het woongebied van een betrokkene, de volgende aspecten kenbaar te betrekken:\n\n (1) slachtoffers als gevolg van landmijnen en explosieve oorlogsresten;\n\n (2) de recente confrontaties;\n\n(3) het verhoogde percentage ontheemden als direct gevolg van het gewapende conflict in Jemen; en\n\n(4) de humanitaire omstandigheden die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en\u002Fof het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict in Jemen.\n\n12.3.. De rechtbank is van oordeel dat de minister alle relevante omstandigheden, zoals genoemd in paragraaf C2\u002F3.3.3.2 van de Vc 2000, het arrest CF en DNen de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025 in de beoordeling heeft betrokken. In de brief van 8 oktober 2025heeft de minister verwezen naar één van deze uitspraken. Uit de daarbij behorende ‘bijlage 15c-beoordeling’ blijkt dat de minister bij de vaststelling van de gradatie van het willekeurig geweld de onder 12.1. genoemde elementen heeft meegewogen. Verder is in de brief per provincie aangegeven welke gradatie van willekeurig geweld wordt aangenomen en de motivering daarvan blijkt uit de ‘bijlage 15c-beoordeling’. In de bijlage is ook ingegaan op de slachtoffers van landmijnen en explosieve oorlogsresten, recente ontwikkelingen in de Rode Zeeen de aantallen ontheemden.Verder is in de briefen de daaraan ten grondslag liggende bijlageningegaan op de humanitaire situatie in Jemen, inclusief de omstandigheden die indirect voortvloeien uit het handelen en nalaten van de strijdende partijen. Deze aspecten zijn daarnaast besproken in de verweerschriften, ook specifiek voor de situatie in Aden. Anders dan eiser betoogt is deze beoordeling volledig en komt deze tegemoet aan de opdracht van de uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025. Voor de omvang van de mee te wegen humanitaire omstandigheden verwijst de rechtbank naar haar uitspraak van 19 mei 2026, waarin is ingegaan op het vereiste causale verband tussen willekeurig geweld en schade als gevolg van humanitaire omstandigheden. Tegen die achtergrond bestond voor de minister geen aanleiding de humanitaire omstandigheden verdergaand in de beoordeling te betrekken, zoals door eiser bepleit, bijvoorbeeld door ook de effecten van de oorlog op de economie en de gevolgen daarvan voor burgers mee te wegen. De rechtbank verwijst ook naar haar eerdere uitspraak van 5 februari 2026.De door eiser genoemde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 25 november 2025geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft de minister een te lage gradatie van het willekeurig geweld aangenomen?\n\n13. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte niet heeft aangenomen dat in Jemen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld. Eiser is in dit verband zowel ingegaan op de veiligheidssituatie in de provincie Taiz als Aden. Ten aanzien van Aden voert eiser aan dat de situatie eind 2025 en begin 2026 wezenlijk is gewijzigd, doordat de STC als machtsfactor grotendeels is weggevallen en kantoren zijn gesloten, waardoor de toekomstige veiligheidssituatie onzeker is. Deze recente ontwikkelingen zijn volgens eiser niet meegenomen in het ambtsbericht of het huidige beleid. De minister moet hierover een standpunt innemen, mede in het licht van de mogelijke invloed van de spanningen tussen de Verenigde Staten en Iran op het conflict in Jemen.\n\n13.1.. Uit het arrest CF en DN volgt dat de minister bij de beoordeling of een betrokkene bij terugkeer een risico loopt het slachtoffer te worden van willekeurig geweld, de daadwerkelijke bestemming in het geval van terugzending naar het betrokken land of gebied moet betrekken. Verder volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling dat bij de beoordeling of zich in een land dan wel, in voorkomend geval, het gebied waaruit een vreemdeling afkomstig is, een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn voordoet, moet worden uitgegaan van het land dan wel het gebied waar de desbetreffende vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek zijn normale woon- en verblijfplaats heeft gehad. In dit geval is dat de provincie Aden, waar eiser van 2020 tot en met 2023 heeft gewoond en gewerkt. Dat Aden niet als normale woon- of verblijfplaats kan worden aangemerkt omdat eiser daarheen zou zijn gevlucht en het dus geen vrijwillige keuze was, heeft de minister terecht niet gevolgd. Eiser heeft in zijn aanmeldgehoor verklaard dat hij na het afronden van zijn studie in 2020 naar Aden is vertrokken.Dat dit een vlucht zou zijn geweest volgt nergens uit. Gelet hierop dient het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn beoordeeld te worden in de context van de provincie Aden. Dat de familie van eiser in de provincie Taiz woont, maakt het voorgaande niet anders.\n\n13.2.. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om in te gaan op dat wat eiser in beroep heeft aangevoerd over de situatie in de provincie Taiz. Ook bestaat geen aanleiding om de beroepsgrond te bespreken dat Aden ten onrechte als beschermingsalternatief voor een persoon uit Taiz zou zijn aangemerkt, alleen al omdat de minister een dergelijk beschermingsalternatief niet aan eiser heeft tegengeworpen.\n\n13.3.. De minister heeft in zijn beleid voor de provincie Aden geen uitzonderlijke situatie aangenomen waarbij een vreemdeling enkel door zijn aanwezigheid in Aden al te vrezen heeft voor een reëel risico op een ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon. De uitleg hiervan staat in de twee bijlagen die aan de brief van de minister van 8 oktober 2025 ten grondslag liggen. De minister heeft dit in de verweerschriften nader toegelicht.\n\n13.4.. \n\nDe rechtbank volgt de minister in dit standpunt. De rechtbank acht van belang dat uit de ambtsberichten van september 2023 en april 2025 volgt dat sinds april 2022 een bestand van kracht is, dat sinds oktober 2022 feitelijk wordt voortgezet. Hoewel lokaal geweld, mensenrechtenschendingen en een precaire humanitaire situatie blijven bestaan, blijkt uit deze ambtsberichten en de door de minister genoemde gegevens van Armed Conflict Location & Event Data (ACLED)dat het aantal vijandelijkheden sinds 2022 aanzienlijk is afgenomen en het aantal burgerslachtoffers is gedaald.De gevechtshandelingen concentreren zich vooral langs de bestandslijnen en niet in de nabijheid van Aden. Sinds 2019 hebben zich in Aden geen grootschalige confrontaties meer voorgedaan. Wel vinden incidenteel gewapende incidenten plaats, maar het aantal burgerslachtoffers is beperkt gebleven. Volgens ACLED zijn tussen 1 maart 2025 en 18 februari 2026 275 veiligheidsincidenten geregistreerd, waarvan 56 onder de categorie ‘political violence’ vielen, met in totaal 15 dodelijke slachtoffers, onder wie vier burgers. De rechtbank acht dit aantal, afgezet tegen de omvang van de bevolking, beperkt, hetgeen volgens het Hof van Justitie een relevante factor vormt bij de beoordeling van de mate van willekeurig geweld.\n\nOok heeft de minister de door eiser genoemde recente ontwikkelingen in Aden voldoende in de beoordeling betrokken. De STC en regeringsstrijdkrachten raakten met elkaar in conflict, waarna de situatie eind 2025 veranderd is. De STC is formeel opgeheven en gebieden\n\nvoorheen onder controle van de STC, staan nu grotendeels onder controle van\n\nde internationaal erkende regering. Deze verschuiving in de machtsverhouding heeft niet tot een wezenlijke wijziging van de veiligheidssituatie in Aden geleid.\n\nDaarnaast heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat in Aden geen significante problematiek met landmijnen bestaat en dat actieve ontmijningsprogramma’s worden uitgevoerd, zoals Project Masam en Halo Trust.\n\nVerder volgt uit het ambtsbericht van april 2025 dat Aden niet behoort tot de provincies waar in 2024 nieuwe ontheemding heeft plaatsgevonden als gevolg van het conflict.\n\nWat betreft de humanitaire situatie geldt dat Aden niet behoort tot de zwaarst getroffen gebiedenen dat de toegankelijkheid van hulp in 2024 licht is verbeterd. Ook heeft de minister erop gewezen dat uit de eerdergenoemde uitspraken van de Afdeling van 16 juli 2025 volgt dat de wapenstilstand in de zuidelijke provincies van Jemen, zoals Aden, heeft geleid tot betere toegang van hulporganisaties tot hulpbehoevenden.Voor zover eiser heeft gewezen op de humanitaire situatie, merkt de rechtbank nog op dat de Afdeling eerder heeft overwogen dat humanitaire omstandigheden niet doorslaggevend zijn voor de beoordeling onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.\n\n13.5.. Uit het voorgaande volgt dat de minister zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat zich in de provincie Aden niet de hoogste gradatie van willekeurig geweld (‘uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld’), als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn voordoet. De rechtbank acht het daarom niet onjuist dat de minister voor deze provincie een relatief hoger niveau van willekeurig geweld heeft aangenomen. De beroepsgrond slaagt dus niet.\n\nLoopt eiser een verhoogd risico slachtoffer te worden van willekeurig geweld?\n\n14. Zoals volgt uit het arrest X en Y, en het beleid in paragraaf C2\u002F3.3.3.3 van de Vc 2000, moet de betrokkene in minder uitzonderlijke situaties (de middelste en laagste gradatie) aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat de omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en juist de betrokkene specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.\n\n14.1.. De rechtbank is van oordeel dat geen aanleiding bestond, zoals eiser betoogt, om hem aanvullend te horen over zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden. Tijdens het nader gehoor is hem om een toelichting gevraagd waarom juist hij in verband met de algemene situatie in Jemen een risico loopt.Bovendien heeft eiser de gelegenheid gehad om deze persoonlijke omstandigheden naar aanleiding van het voornemen in de zienswijze naar voren te brengen. De verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 26 november 2024, leidt niet tot een ander oordeel.\n\n14.2.. De minister heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt waarom juist hij bij terugkeer een risico loopt het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Hoewel eiser aangeeft dat Jemen onveilig is, heeft hij ook expliciet aangegeven dat hij persoonlijk niets heeft meegemaakt.Ook zijn eisers afkomst, de omstandigheid dat in 2016 een poging is gedaan hem te rekruteren en zijn deelname aan een protest en bijeenkomst in Nederland geen risicoverhogende omstandigheden, nog afgezien van de vraag of het bij deze omstandigheden niet gaat om het risico om slachtoffer te worden van gericht, en dus niet willekeurig, geweld. De rechtbank verwijst in dit verband naar de overwegingen onder 5 tot en met 7. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs uitzetting wegens de humanitaire situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM?\n\n15. Eiser betoogt dat terugkeer in strijd is met artikel 3 van het EVRM, omdat hij in Jemen terecht zal komen in erbarmelijke humanitaire omstandigheden. In dat verband heeft eiser gewezen op het arrest Sufi en Elmi van 28 juni 2011 van het EHRM.\n\n15.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Uit het arrest Sufi en Elmi volgt dat voor de vraag of uitzetting zal leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM vanwege de slechte humanitaire omstandigheden in het betreffende land, onder meer de oorzaken voor die humanitaire omstandigheden van belang zijn.Als die omstandigheden in overwegende mate het gevolg zijn van armoede of de onmacht van de autoriteiten in het land van herkomst om met natuurlijk optredende omstandigheden om te gaan, is slechts onder zeer uitzonderlijke omstandigheden (‘very exceptional cases’), sprake van een schending. Deze omstandigheden moeten dan overtuigend (‘compelling’) zijn. Hierbij verwijst het Hof naar het arrest N. tegen het Verenigd Koninkrijk.Wanneer de slechte humanitaire omstandigheden echter in overwegende mate het gevolg zijn van het doelbewust handelen of nalaten van de autoriteiten of niet-statelijke actoren in een land, moet de minister beoordelen of eiser bij terugkeer in staat zal zijn te voorzien in zijn meest basale levensbehoeften (‘to cater for his most basic needs’), zoals voedsel, hygiëne en onderdak, en moet de minister rekening houden met eventuele kwetsbaarheid voor misbruik en met het zicht op verbetering van eisers situatie binnen een redelijke termijn. Dit is het criterium zoals gehanteerd in het arrest M.S.S. tegen België.\n\n15.2.. De rechtbank stelt vast dat in Aden sprake is van een slechte en complexe humanitaire situatie en deze is naar het oordeel van de rechtbank in overwegende mate het gevolg van het jarenlange conflict in Jemen. Dit betekent dat beoordeeld moet worden of eiser bij terugkeer in staat zal zijn te voorzien in zijn meest basale levensbehoeften. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat dat niet het geval zal zijn. Zoals hiervoor onder 5.2. overwogen beschikte eiser in Aden over huisvesting, voorzag hij in zijn levensonderhoud door te werken als assistent accountant en kon hij op normale wijze aan de Jemenitische samenleving deelnemen. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij dat bij terugkeer niet opnieuw zou kunnen. De rechtbank betrekt daarbij dat, zoals hiervoor onder 13.3 is overwogen, hulporganisaties aanwezig zijn in Jemen, in het bijzonder ook in Aden, de toegankelijkheid van hulp in 2024 is verbeterd en Aden niet behoort tot de zwaarst getroffen gebieden.\n\nConclusie en gevolgen\n\n16. Het beroep tegen het besluit van 19 september 2024 is gegrond, omdat het in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand, omdat de minister het motiveringsgebrek in beroep heeft hersteld. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een proceskostenvergoeding. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 (1 punt voor het beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met wegingsfactor 1, en waarde per punt van € 934).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het besluit van 19 september 2024;\n\n- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;\n\n- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, voorzitter, en mr. T.G. Noordhof en mr. B. Koopman, leden, in aanwezigheid van mr. R. Barzilay, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Stcrt. 2025, nr. 35447.\n\n Zie aanmeldgehoor, p. 5.\n\n De STC is separatistenbeweging in Zuid-Jemen, opgericht in 2017 met steun van de Verenigde Arabische Emiraten. Ze streven naar herstel van een onafhankelijke Zuid-Jemenitische staat en had jarenlang de feitelijke controle over onder meer Aden. Eind 2025 en begin 2026 zijn de machtsverhoudingen verschoven na conflicten met regeringsstrijdkrachten. Daarbij is de STC formeel opgeheven en zijn de meeste gebieden overgegaan naar de internationaal erkende regering.\n\n Nader gehoor, p. 7.\n\n Nader gehoor, p. 5 en zienswijze, p. 2 onder punt 5.\n\n Aanmeldgehoor, p. 4.\n\n Ambtsbericht over Jemen van september 2023 , p. 26.\n\n Aanmeldgehoor, p. 10.\n\n Eiser verwijst naar artikel 3.119 van het Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2024:22998.\n\n Hierop gaat de rechtbank onder 6.3 in.\n\n Dit bespreekt de rechtbank onder 14.1 en 14.2.\n\n Pagina 6.\n\n Pagina 7.\n\n Pagina 2.\n\n Pagina 8.\n\n Nader gehoor, p. 7.\n\n Nader gehoor, p. 7.\n\n Aanmeldgehoor, p. 6.\n\n HvJEU 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843, punten 40 en 41.\n\n ABRvS 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2927.\n\n Dit is de implementatie van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.\n\n Brief minister van 19 november 2024, TK 2024-2025, 19 637, nr. 3315. Zie ook WBV 2025\u002F2 (5 februari, Stcrt. 2025, nr. 3204) en de verwerking daarvan in paragraaf C2\u002F3.3.3.3 van de Vc 2000.\n\n Vóór het arrest X en Y was dit het enige niveau dat erkend werd in het Nederlandse beleid ten aanzien van ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld, welk standpunt door het arrest niet meer houdbaar was.\n\n Zie WBV 2016\u002F18 en (laatstelijk) WBV 2022\u002F26.\n\n Stcrt. 2024, nr. 13067.\n\n ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153 en ECLI:NL:RVS:2025:3154.\n\n 19 637, nr. 3489. Zie ook de bijlage 15c beoordeling en de beslisnota bij deze brief.\n\n Stcrt. 2025, nr. 35447.\n\n Deze criteria zijn gebaseerd op het arrest van het EHRM van 28 november 2011 (Sufi en Elmi), ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907. Zie ook het arrest van het HvJ EU van 10 juni 2021 (CF en DN), ECLI:EU:C:2021:472, onder 43.\n\n HvJEU 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472, punt 43.\n\n TK 2025-2026, 19 637, nr. 3489.\n\n P. 2 en 4 tot en met 6.\n\n P. 2, 5 en 8.\n\n P. 8 tot en met 10.\n\n P. 2 en 3.\n\n Bijlage 15c-beoordeling: p. 1, 3, 4 en 9 en Beslisnota: p. 1 tot en met 6.\n\n Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 19 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:12595, onder 9 en 11.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2026:2066, onder 8.4.3.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2025:22462.\n\n Aanmeldgehoor, p. 5.\n\n [website].\n\n Ambtsbericht 2025, p. 17-19.\n\n Zie het arrest CF en DN, onder 31.\n\n Zie paragraaf 1.2 ‘Leefomstandigheden’ van het ambtsbericht.\n\n ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, onder 5.8.\n\n ABRvS 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153, onder 4.2.\n\n Punt 42 van het arrest.\n\n Nader gehoor, p. 5.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2024:22998.\n\n Nader gehoor, p. 5.\n\n EHRM 28 juni 2011, Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907.\n\n Onder 278 tot en met 283.\n\n EHRM 27 mei 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:0527JUD002656505.\n\n EHRM 21 januari 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18471","ecli-nl-rbdha-2026-18471",{"courtName":6,"legalDomain":46,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":128,"ecli":129,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":130,"fullText":131,"language":7,"source":17,"sourceUrl":132,"summary":14,"slug":133,"metadata":134},"651","ECLI:NL:RBGEL:2026:5194","2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F7054uitspraak van de enkelvoudige kamer\n\nin de zaak tussen\n [eiseres], uit [plaats], eiseres\n\n(gemachtigde: mr. M.I. Bal),\n\nen\n\nVGZ Zorgkantoor B.V., het zorgkantoor\n\n(gemachtigde: mr. A. Gohari).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt daarom geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een pgb. Het zorgkantoor heeft deze aanvraag met het besluit van 2 mei 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 3 september 2024 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. Het zorgkantoor heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het zorgkantoor.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe feiten\n\n3. Eiseres heeft in oktober 2015 een herseninfarct gehad. Aan eiseres is een pgb op grond van de Wlz toegekend. Met de beëindigingsbeschikking 24 april 2017 is dit pgb per 1 mei 2017 beëindigd, omdat er geen gewaarborgde hulp was. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Ook heeft eiseres een nieuwe aanvraag ingediend voor een pgb op grond van de Wlz. Die aanvraag is afgewezen met het besluit van 26 juli 2017. Eiseres heeft (ook) bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met het besluit op bezwaar van 17 oktober 2017 is het bezwaar tegen het beëindigingsbesluit niet-ontvankelijk verklaard en tegen het afwijzingsbesluit ongegrond verklaard.\n\n3.1.. Eiseres heeft op 30 maart 2023 opnieuw een pgb aangevraagd. Met het besluit van 19 mei 2023 is de aanvraag van eiseres om een pgb afgewezen. Met het besluit van 23 november 2023 is het bezwaar daartegen ongegrond verklaard.\n\n3.2.. Eiseres heeft op 1 februari 2024 opnieuw een pgb aangevraagd.\n\nTotstandkoming van het (bestreden) besluit\n\n4. Met het besluit van 2 mei 2024 is de aanvraag voor een pgb afgewezen, omdat eiseres eerder niet heeft voldaan aan de verplichtingen van een pgb.\n\n4.1.. \n\nMet het besluit van 3 september 2024 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Daaraan heeft het zorgkantoor het volgende ten grondslag gelegd. Op grond van artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz wordt een aanvraag in ieder geval geweigerd, indien de verzekerde zich bij de eerdere verstrekking van een pgb niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen. Hier kan alleen een uitzondering op worden gemaakt indien zorg in natura (ZIN) absoluut niet mogelijk is voor betrokkene. Dit dient met objectief medische stukken te worden onderbouwd.\n\nOmdat sprake is van een gebonden bevoegdheid uit een wet in formele zin, staat het toetsingsverbod in de weg aan toetsing aan het evenredigheidsbeginsel. Van bijzondere omstandigheden die door de wetgever niet zijn verdisconteerd in de afweging, is niet gebleken. Uit de verklaring van de huisarts volgt niet zonder meer dat eiseres (slechts) beperkt in haar zorgbehoefte kan worden voorzien, indien zij niet wordt verzorgd door een bekende. In de brief staat namelijk alleen dat eiseres sterke behoefte heeft aan een vaste huisarts en verzorgenden. Die vaste verzorgenden kunnen ook worden geleverd via ZIN. Eiseres heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het onmogelijk is om zorg via ZIN te ontvangen.\n\nWat vindt eiseres?\n\n5. Eiseres heeft – kort gezegd – aangevoerd dat er wel sprake is van bijzondere omstandigheden, waardoor moet worden afgeweken van de bevoegdheid in artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz. De belangenafweging van het zorgkantoor is onzorgvuldig geweest. De (medische) situatie van eiseres is sinds 2017 veranderd. Haar partner is in 2023 overleden. Zij is inmiddels 86 jaar oud en ervaart wantrouwen en angst jegens onbekenden. Haar zorgbehoefte neemt toe met de tijd. Zij weigert (daarom) zorg van vreemden te accepteren. De huisarts onderschrijft dit. ZIN kan daarom niet in de zorgbehoefte van eiseres voorzien. Verder is niet meegewogen dat er nu sprake is van een andere zorgverlener en gewaarborgde hulp.\n\nIs ZIN (g)een mogelijkheid?\n\n6. Het pgb wordt in ieder geval geweigerd als de verzekerde zich bij de eerdere verstrekking van een persoonsgebonden budget niet heeft gehouden aan de opgelegde verplichtingen. Dit is dwingend bepaald in artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz, een bepaling van formele wetgeving.\n\n6.1.. Eiseres heeft niet bestreden dat zij zich eerder niet aan de verplichtingen verbonden aan een pgb en volgend uit de Wlz heeft gehouden. Het zorgkantoor was daarom in beginsel gehouden om de aanvraag af te wijzen.\n\n6.2.. Eiseres heeft – kortgezegd – aangevoerd dat zij geen zorg van vreemden accepteert. ZIN kan daarom niet in de zorgbehoefte van eiseres voorzien. Ter onderbouwing van haar standpunt wijst eiseres naar een brief van de huisarts.\n\n6.3.. Wat eiseres heeft aangevoerd komt er in de kern op neer dat het zorgkantoor ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor contra legem-toepassing van het evenredigheidsbeginsel. Volgens vaste rechtspraak verzet het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet zich tegen toetsing van een formeel wettelijke bepaling aan algemene rechtsbeginselen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en die leiden tot gevolgen die niet overeenkomen met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien. Als dit het geval is, kan de rechter een wettelijke bepaling als 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz buiten toepassing laten. Hiervoor is wel vereist dat de door eiseres gestelde bijzondere omstandigheden meebrengen, dat toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd is met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Zulke bijzondere omstandigheden kunnen slechts bij hoge uitzondering worden aangenomen. Zo’n uitzondering doet zich hier niet voor. Daarvoor is het volgende van belang.\n\n6.4.. Er kan aanleiding bestaan om artikel 3.3.3, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wlz buiten toepassing te laten, indien objectief kan worden vastgesteld dat ZIN vanwege het ziektebeeld geen mogelijkheid is en betrokkene daarom bij weigering van een pgb geen passende zorg meer kan krijgen.Uit de door eiseres overgelegde brief van 8 december 2023 van de huisarts blijkt enkel dat eiseres sterke behoefte aan een vaste huisarts en verzorgenden heeft. Uit de brief blijkt dus niet dat anderen dan bekenden van eiseres de benodigde zorg niet zouden kunnen leveren. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat met ZIN niet in haar zorgbehoefte kan worden voorzien. Er bestaat naar het oordeel van de rechtbank daarom geen aanleiding voor een contra legem-toepassing van het evenredigheidsbeginsel.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres geen pgb krijgt. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 juli 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1005.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5194","ecli-nl-rbgel-2026-5194",{"courtName":6,"legalDomain":135,"decisionType":22,"procedureType":23},"Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht",{"id":137,"ecli":138,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":130,"fullText":139,"language":7,"source":17,"sourceUrl":140,"summary":14,"slug":141,"metadata":142},"652","ECLI:NL:RBGEL:2026:5192","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F6557uitspraak van de enkelvoudige kamer van\n\nin de zaak tussen\n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. M.I. Bal),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV\n\n(gemachtigde: mr. O. Kaya-Yazici).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het UWV om niet voor de toekomst terug te komen op het eerdere besluit van 19 juli 2022, waarbij de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) is afgewezen. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht niet is teruggekomen van het eerdere besluit.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht niet is teruggekomen van het eerdere besluit. Eiseres krijgt dan ook geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft op 13 december 2022 een tweede aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering. Het UWV heeft dit opgevat als een verzoek om terug te komen van het besluit van 19 juli 2022, waarbij de eerste aanvraag van eiseres om een Wajong-uitkering is afgewezen. Het UWV heeft dit afgewezen bij het besluit van 6 april 2023. Met het bestreden besluit van 6 augustus 2024 op het bezwaar van eiseres is het UWV hierbij gebleven, onder aanpassing van de motivering.\n\n2.1.. \n\nEiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\nHet UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een aanvullend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) van 19 december 2024.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. A. Bal als waarnemer van de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nTotstandkoming van het bestreden besluit\n\n3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 2002. Zij is licht verstandelijk beperkt en heeft – sinds een ongeval met haar fiets in 2015 – onder meer epilepsie en angstklachten. Zij woont samen met haar zoontje, haar moeder en haar zusje. Vanaf januari 2022 heeft eiseres individuele begeleiding ontvangen van Thuiszorg Evital uit een indicatie op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).\n\n3.1.. Eiseres heeft op 18 januari 2022 een eerste aanvraag gedaan voor een Wajong-uitkering. Na een onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige is de aanvraag van eiseres bij besluit van 19 juli 2022 afgewezen, omdat zij beschikt over arbeidsvermogen.\n\n3.2.. Op 13 december 2022 heeft eiseres een tweede aanvraag gedaan voor een Wajong-uitkering. Daarbij heeft zij ingebracht de resultaten van een intelligentieonderzoek van 6 februari 2015. Na een onderzoek door een verzekeringsarts heeft het UWV het besluit van 6 april 2023 genomen zoals vermeld onder 2. Daarbij is geconcludeerd dat geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden om terug te komen van het besluit van 19 juli 2022.\n\n3.3.. In bezwaar heeft het UWV aan eiseres gevraagd wat het doel is van haar herhaalde aanvraag. Daarop heeft eiseres laten weten dat het haar gaat om een verzoek om een beoordeling op grond van de duuraanspraken-jurisprudentie.Eiseres heeft een verslag van een psychodiagnostisch onderzoek ingebracht van april\u002Fmei 2024, opgemaakt door een orthopedagoog werkzaam bij MEE. Na een onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) heeft het UWV het bestreden besluit genomen. Volgens het UWV is het besluit van 19 juli 2022 niet onjuist. Eiseres heeft op achttienjarige leeftijd, de datum van de eerste Wajong-aanvraag en dat moment, arbeidsvermogen.\n\nIs het verzoek om herziening terecht afgewezen?\n\n4. Eiseres voert aan dat bij haar geen sprake is van arbeidsvermogen en dat ten onrechte niet is getoetst of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is. Volgens eiseres is zij niet vier uur per dag belastbaar vanwege onregelmatig optredende epilepsieaanvallen, de vermoeidheid en de verminderde energie in verband met het gebruik van medicatie. Verder is van belang dat eiseres ook niet eerder in staat is gebleken om te werken of stage te lopen, waarbij zij vier uur per dag moest werken. Zij kon ook maar maximaal drie uur per week naar school en heeft door haar beperkingen geen opleiding kunnen afronden. Ook moet worden meegenomen dat de epilepsieaanvallen getriggerd kunnen worden door externe factoren. Haar psychische klachten in combinatie met haar verstandelijke beperking zorgen ervoor dat ze moeite heeft met het begrijpen van mensen en regelmatig problemen heeft bij omgang met anderen. Zij kan daardoor niet functioneren in arbeid, omdat dit zorgt voor stress en daarmee een toename van de epilepsieaanvallen. Ook ontbreken bij haar basale werknemersvaardigheden. Eiseres heeft in arbeid moeite met het begrijpen, onthouden en uitvoeren van instructies van een werkgever vanwege haar beperkingen. Het UWV bevestigt ook dat eiseres praktisch geen leervermogen heeft. In ieder geval is gebleken dat zij afspraken niet kan nakomen, zonder daarbij één op één begeleiding te ontvangen. Eiseres wordt sinds haar ongeval begeleid door of haar moeder of professionele instanties. Volgens het UWV is er geen medische reden waarom eiseres niet op tijd kan zijn op afspraken, maar uit het psychodiagnostisch onderzoek blijkt dat eiseres moeite heeft met het op tijd komen op afspraken en dat zij haar opleidingen niet heeft kunnen afronden vanwege haar beperkingen. Overigens is op het psychodiagnostisch onderzoek niet gereageerd. Het onderzoek is dan ook onzorgvuldig uitgevoerd.\n\n4.1.. Op grond van de duuraanspraken-jurisprudentie geldt dat voor een aanvraag, waarbij voor de toekomst wordt verzocht om terug te komen van een in rechte onaantastbaar geworden besluit, de aanvrager zijn aanvraag deugdelijk en toereikend moet onderbouwen. Met name zijn hierbij feiten en omstandigheden relevant die – ten minste ook – zien op de voor het oorspronkelijke besluit geldende beoordelingsdatum. Een enkele herhaling van feiten en omstandigheden die bij de beoordeling van de eerdere aanvraag zijn betrokken zal doorgaans niet voldoende zijn. Het is vervolgens aan het UWV om te onderzoeken of en in hoeverre het oorspronkelijke besluit onjuist was. Als de onjuistheid van het besluit door het UWV wordt vastgesteld, is het UWV gehouden een belangenafweging te maken en moet bij de bestuursrechter een minder terughoudende toetsing plaatsvinden. Het is met een evenwichtige en zorgvuldige belangenafweging niet verenigbaar dat een besluit, waarbij ten onrechte geen of een te lage aanspraak is toegekend, in zulke gevallen blijvend aan de aanvrager wordt tegengeworpen.Het gaat hier dus niet om de toets of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is. Dat het UWV dit niet heeft getoetst, is dus terecht.\n\n4.2.. Naar het oordeel van de rechtbank is het door de verzekeringsarts b&b verrichte onderzoek niet onzorgvuldig geweest. Dat hij niet gereageerd zou hebben op het psychodiagnostisch onderzoek is feitelijk onjuist. Dat het erop lijkt dat de resultaten van het psychodiagnostisch onderzoek niet zijn gelezen, zoals eiseres tijdens de zitting heeft gesteld, volgt de rechtbank ook niet. Uit het rapport van de verzekeringsarts b&b van 26 juli 2024 volgt immers dat hij kennis heeft genomen van de resultaten van het psychodiagnostisch onderzoek en daarop heeft gereageerd. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat aspecten van de gezondheidstoestand van eiseres zijn gemist.\n\n4.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verzekeringsarts b&b toereikend gemotiveerd, dat de resultaten van het psychodiagnostisch onderzoek geen aanleiding geven om aan te nemen dat het eerdere besluit van 19 juli 2022 onjuist is. Dat die resultaten aangeven dat eiseres op een licht verstandelijk beperkt -\u002Fuitzonderlijk laag cognitief niveau functioneert en de verzekeringsarts bij de eerdere beoordeling in 2022 bij de diagnose heeft geschreven: ‘zeer lichte verstandelijke beperking??’ en er van is uitgegaan dat eiseres op een eenvoudig niveau functioneert en haar IQ beneden gemiddeld lijkt, maakt het eerdere besluit nog niet onjuist. De verzekeringsarts b&b heeft voldoende gemotiveerd dat eiseres als gevolg van de laagbegaafdheid en het praktisch niet hebben van een leervermogen alleen taken kan verrichten die routinematig kunnen worden uitgevoerd en eenvoudig, voorspelbaar en gestructureerd zijn. Volgens de verzekeringsarts b&b komt dit overeen met de door eiseres ingebrachte informatie. De rechtbank volgt dit gelet op het in het verslag van het psychodiagnostisch onderzoek gegeven advies om voor eiseres individuele begeleiding in te zetten bij onder meer (sociale) contacten en communicatie met instellingen, bij het oplossen van haar problemen of bepaalde zaken die spelen en om structuur in en regie over haar persoonlijk leven aan te brengen en te behouden. Daarbij wordt geadviseerd om onder meer in eenvoudige taal en korte zinnen te spreken, belangrijke informatie te (laten) herhalen en informatie ook visueel aan te bieden. Hierbij acht de rechtbank van belang dat een eventuele noodzaak van voortdurend toezicht en intensieve begeleiding in beginsel niet in de weg staat aan het aannemen van arbeidsvermogen.Eiseres heeft er tijdens de zitting nog op gewezen dat uit de resultaten van het psychodiagnostisch onderzoek ook volgt dat eiseres bij haar stage in een supermarkt niet goed begreep hoe ze vakken moest vullen. Daaruit leidt eiseres af dat ze ook de geduide taak van het plaatsen van onderdelen op een printplaat niet kan verrichten, omdat dit moeilijker is dan vakkenvullen. Dit volgt de rechtbank niet. Bij een Wajong-beoordeling gaat het er niet om of eiseres kan werken, stage lopen of school kan volgen, maar of zij een specifieke Wajong-taak, eventueel in het kader van beschut werk en dus met intensieve begeleiding en permanent toezicht, kan uitvoeren. Daarbij kan ook rekening worden gehouden met de communicatie-adviezen zoals die zijn gegeven in het verslag van het psychodiagnostisch onderzoek. Hieraan doet niet af dat eiseres tijdens het onderzoek veel herhaling van een instructie nodig had, omdat daarmee rekening is gehouden bij de gegeven adviezen. Dat eiseres moeite heeft anderen te begrijpen betekent ook niet dat zij niet een specifieke Wajong-taak zou kunnen verrichten. Hetzelfde geldt voor het gestelde dat eiseres alles samen doet met haar moeder. De verzekeringsarts b&b heeft op dat punt in zijn rapport van 26 juli 2024 voldoende gemotiveerd dat hiervoor geen medische reden is. Verder is er bij het besluit van 19 juli 2022 ook uitgegaan van taken die eenvoudig moeten zijn en die geen groot appèl op schoolse vaardigheden doen en dat structuur en duidelijkheid gewenst is.\n\n4.4.. Ook voor het overige is toereikend gemotiveerd dat wat eiseres heeft aangevoerd, niet leidt tot de conclusie dat het besluit van 19 juli 2022 onjuist is geweest. Met de onregelmatig optredende epilepsieaanvallen, dat stress daar een negatieve invloed op heeft, met de vermoeidheid en de verminderde energie door het gebruik van medicatie is bij het oorspronkelijke besluit rekening gehouden. De verzekeringsarts b&b heeft verder voldoende toegelicht dat eiseres in verband met de astma, epilepsie en angstklachten niet overvraagd moet worden en daarom is aangewezen op taken die routinematig kunnen worden uitgevoerd en eenvoudig, voorspelbaar en gestructureerd zijn. Dat voorkomt ook stress. Verder heeft hij voldoende gemotiveerd dat er geen medische reden is om aan te nemen dat de moeheid dusdanig is dat eiseres de eenvoudige, routinematige taken niet kan verrichten. Bij het oorspronkelijke besluit is er ook rekening mee gehouden dat eiseres in het schooljaar 2018-2019 maar enkele uren naar school is geweest en het praktijkonderwijs niet heeft afgerond. Dat dit niet afronden veroorzaakt is door haar beperkingen volgt niet uit de stukken. De informatie van de praktijkschool vermeldt juist dat dit was vanwege een verhuizing naar Duitsland.\n\n4.5.. Wat eiseres aanvoert omtrent het moeite hebben met het begrijpen, onthouden en uitvoeren van instructies van een werkgever, waardoor bij haar basale werknemersvaardigheden ontbreken, slaagt ook niet. Eiseres heeft niet onderbouwd dat zij daartoe, met in begrip van de in het verslag van het psychodiagnostisch onderzoek gegeven adviezen en met begeleiding, medisch niet in staat is. De verzekeringsarts b&b heeft in zijn rapport van 26 juli 2024 verder voldoende toegelicht dat er geen medische reden is waarom eiseres niet op tijd zou kunnen zijn op afspraken. Dat in het verslag van het psychodiagnostisch onderzoek staat dat de begeleider van eiseres vraagt waarom het eiseres niet lukt om naar haar afspraken te gaan, is daarvoor onvoldoende. Ook dit maakt daarom niet dat geconcludeerd moet worden dat het oorspronkelijke besluit van 19 juli 2022 onjuist is geweest.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV terecht niet voor de toekomst is teruggekomen van het eerdere besluit van 19 juli 2022. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Dit houdt in dat voor de toekomst wordt verzocht om terug te komen van het besluit van 19 juli 2022, zie ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1 en hierna onder ro. 4.1.\n\n De rechtbank begrijpt: de datum van de tweede Wajong-aanvraag.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 2 augustus 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1478.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 12 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2052.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5192","ecli-nl-rbgel-2026-5192",{"courtName":6,"legalDomain":135,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":144,"ecli":145,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":130,"fullText":146,"language":7,"source":17,"sourceUrl":147,"summary":14,"slug":148,"metadata":149},"654","ECLI:NL:RBGEL:2026:5231","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: ARN 26\u002F2579 en 26\u002F2575uitspraak van de voorzieningenrechter van\n\nop het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen\n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. R.M. Noorlander),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zutphen\n\n(gemachtigde: M.C. Riemersma ).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om het recht op een Participatiewet (Pw) uitkering van eiser met ingang van 2 oktober 2025 in te trekken. Bij beslissing op bezwaar van 21 april 2026 is het besluit in stand gelaten en is het bezwaar ongegrond verklaard. Eiser heeft beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Hij voert daartoe een aantal gronden aan. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiser daartegen.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. Omdat het beroep gegrond is, is er geen reden een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, schorst de voorzieningenrechter het besluit van 25 februari 2026, zulks tot zes weken nadat op het bezwaar van eiser opnieuw is beslist.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser ontvangt sinds 6 april 2010 een uitkering op grond van de Pw naar de norm van een alleenstaande. Hij is al enkele jaren mantelzorger voor zijn ex-vriendin, mevrouw [ex-vriendin] (hierna: [ex-vriendin] ). Omdat eiser meerdere momenten per week bij [ex-vriendin] verblijft, heeft de gemeente Zutphen aanleiding gezien om een onderzoek in te stellen.\n\n2.1.. \n\nBij besluit van 20 oktober 2025 heeft het college het recht op bijstand met ingang van 2 oktober 2025 ingetrokken, omdat eiser volgens het college niet heeft voldaan aan de op hem rustende medewerkingsverplichting.\n\nHij heeft geen bankafschriften verstrekt en geen gehoor gegeven aan uitnodigingen in verband met een onderzoek naar zijn woon- en leefsituatie.\n\n2.2.. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n2.3.. \n\nDe door eiser verstrekte bankafschriften en het onderzoek naar de woon- en leefsituatie van eiser hebben geleid tot een herzien primair besluit. Dit betreft het besluit van 25 februari 2026. Hierop is artikel 6:19 Awb van toepassing. Het college heeft het bezwaar tegen het besluit van 20 oktober 2025 niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit besluit is vervangen door het besluit van 25 februari 2026 en eiser geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van het besluit van\n\n20 oktober 2025.\n\n2.4.. Bij beslissing op bezwaar van 16 maart 2026 is het besluit van 25 februari 2026 in stand gelaten met verbetering van de motivering. Volgens het college heeft eiser zijn hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres maar bij [ex-vriendin] . Eiser zou mantelzorg aan haar verlenen, maar volgens het college is niet gebleken dat het gaat om een intensieve zorgbehoefte.\n\n2.5.. Eiser heeft beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Het college heeft gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.6.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van het college.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nToetsingskader\n\n3. Op grond van artikel 3, tweede lid, onder a, van de Pw, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een aanverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de eerste graad of indien er sprake is van een zorgbehoefte van of verleend door een bijstandsgerechtigde die de aanleiding vormt om samen te wonen, ongeacht of er sprake is van bloedverwantschap, gedurende de periode dat die zorg wordt verleend.\n\nIntrekking uitkering\n\n4. Eiser ontkent niet dat hij zijn hoofdverblijf bij [ex-vriendin] heeft en dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding. Hij stelt echter dat de zorgbehoefte van [ex-vriendin] de aanleiding is om samen te wonen, zodat hij op grond van artikel 3, tweede lid, onder a, van de Pw niet als gehuwd of als echtgenoot moet worden aangemerkt. Eiser is mantelzorger voor [ex-vriendin] . Bij [ex-vriendin] is sprake van een zorgbehoefte en eiser verleent de benodigde zorg. Gelet op deze intensieve zorgbehoefte, kan eiser bij [ex-vriendin] wonen zonder dat dit invloed heeft op zijn recht op uitkering.\n\n4.1.. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser samenwoont met [ex-vriendin] . Wel is in geschil of er bij [ex-vriendin] sprake is van een zorgbehoefte als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw. Het college stelt dat nader onderzoek niet nodig is omdat eiser onvoldoende bewijs voor een zorgbehoefte heeft aangeleverd. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij het bestaan van de zorgbehoefte voldoende aannemelijk heeft gemaakt en dat het op de weg ligt van het college om nader onderzoek te doen als het college zich op het standpunt stelt dat er geen sprake is van een zodanig intensieve zorgbehoefte.\n\n4.2.. Uit vaste rechtspraak volgt dat het aan de personen is, die zich op deze in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Pw, genoemde uitzondering beroepen, om de feiten en omstandigheden, aannemelijk te maken, waaruit volgt dat deze uitzondering van toepassing is.Omdat eiser zich beroept op een uitzondering, ligt het op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat hij mantelzorg moet verlenen aan een zorgbehoeftige.\n\n4.3.. Verder volgt uit vaste rechtspraak dat als zorgbehoeftig wordt beschouwd de persoon die door ziekte of een lichamelijke, verstandelijke of geestelijke stoornis in aanmerking komt voor een opname in een Wlz-instelling of duurzaam is aangewezen op dagelijkse hulp bij alle of de meeste algemene dagelijkse levensverrichtingen, of op constant toezicht om mogelijk gevaar voor zichzelf of anderen te voorkomen.\n\n4.4.. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn stelling stukken over [ex-vriendin] overgelegd, zoals een brief van de psychiater, de huisarts en het WMO team. Uit deze stukken blijkt dat er bij [ex-vriendin] sprake is van medische beperkingen die leiden tot een bepaalde zorg- of toezichtbehoefte. Met deze stukken heeft eiser naar het oordeel van de voorzieningenrechter aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een zorgbehoefte bij [ex-vriendin] . Als het college betwist dat sprake is van een zorgbehoefte ligt het naar het oordeel van de voorzieningenrechter op de weg van het college om nader onderzoek te doen en het standpunt te onderbouwen. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat het voor eiser niet eenvoudig is om aan te tonen dat [ex-vriendin] een intensieve zorgbehoefte heeft. Hij heeft er ter zitting terecht op gewezen dat behandelaren op grond van richtlijnen van het Koninklijk Nederlands Medisch Genootschap terughoudend zijn met het verstrekken van informatie aan niet-professionele derden. Het college bezit meer mogelijkheden tot het verrichten van onderzoek. Eiser verwijst daarbij terecht op de volgende passage uit de Memorie van Toelichting van de wet Participatiewet in Balans: “De gemeente kan uiteraard ook een onafhankelijke derde\u002Fexterne sociaal-medische adviseur inzetten. In dat geval is het dan aan de gemeente om in deze specialist te voorzien. Hiermee wil de regering voorkomen dat de mantelzorger of de mantelzorgbehoevende met deze taak worden belast.”Het betoog van eiser slaagt.\n\n4.5.. \n\nTen overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat eiser op zitting heeft gesteld dat [ex-vriendin] bereid is mee te werken aan dit onderzoek. Mocht om wat voor reden dan ook [ex-vriendin] bij nader inzien niet willen meewerken aan het onderzoek door het college, komt dat voor rekening en risico van eiser.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is gegrond. De voorzieningenrechter vernietigt daarom het bestreden besluit. Omdat het beroep gegrond is, is er geen reden een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek wordt afgewezen.\n\n5.1.. De voorzieningenrechter ziet geen reden om de rechtsgevolgen van besluit in stand te laten of zelf een beslissing over te nemen. De voorzieningenrechter bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarnaast ziet de voorzieningenrechter, met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, aanleiding het besluit van 25 februari 2026 te schorsen tot zes weken nadat op het bezwaar van eiser opnieuw is beslist.\n\n5.2.. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht (2 x € 54,-) aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;\n\n- schorst het besluit van 25 februari 2026, zulks tot zes weken nadat op het bezwaar van eiser opnieuw is beslist;\n\n- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;\n\n- bepaalt dat het college het griffierecht van € 108,- (2 x € 54,-) aan eiser moet vergoeden;\n\n- veroordeelt het college tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.A. van Schagen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A. de Wijse-Hageman, griffier, en wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe griffier is verhinderd deze\n\nuitspraak te ondertekenen.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.\n\n Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Centrale Raad van beroep van 15 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2201 en van 17 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1115.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4487.\n\n Kamerstukken II, 2023-2024, 36 582 nr. 3 p. 98.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5231","ecli-nl-rbgel-2026-5231",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":151,"ecli":152,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":130,"fullText":153,"language":7,"source":17,"sourceUrl":154,"summary":14,"slug":155,"metadata":156},"650","ECLI:NL:RBGEL:2026:5207","RECHTBANK GELDERLAND\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ARN 24\u002F6306uitspraak van de enkelvoudige kamer\n\nin de zaak tussen\n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: J.J. Timmermans),\n\nen\n\nhet CAK\n\n(gemachtigde: mr. S.J.Y Römer).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de ingangsdatum van de aan eiseres verleende zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Eiseres is het niet eens de ingangsdatum waar het CAK van uitgaat. Zij heeft beroepsgronden aangevoerd. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het CAK uit heeft mogen gaan van de zorggegevens, die door het zorgkantoor zijn doorgegeven. Het beroep is daarom ongegrond en eiseres krijgt daarom geen gelijk. Dit betekent dat de zorggegevens en de eigen bijdrage niet veranderen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de factuur van het CAK waarbij een eigen bijdrage in rekening is gebracht voor zorg die aan eiseres is verleend op grond van de Wlz. Naar aanleiding van dit bezwaar heeft het CAK de zorggegevens gecontroleerd. Met het besluit 16 april 2024 heeft het CAK besloten de zorggegevens niet aan te passen. Met het bestreden besluit van 30 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is het CAK bij dat besluit gebleven.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. Het CAK heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het CAK.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe feiten\n\n3. Eiseres is op 15 december 2023 opgenomen in het [herstelcentrum] te [vestigingsplaats 1] (het Herstelcentrum). Op 18 december 2023 is voor eiseres zorg op grond van de Wlz aangevraagd. Met het indicatiebesluit van 22 december 2023 heeft het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) bepaald dat eiseres per 15 december 2023 recht heeft op zorg op grond van de Wlz. Op 23 januari 2024 is eiseres overgebracht naar woonzorglocatie [woonzorglocatie] in [vestigingsplaats 2] ( [woonzorglocatie] ).\n\n4. Met het besluit van 2 februari 2024 heeft het CAK de (lage) eigen bijdrage van eiseres voor zorg in de vorm van een Wlz-verblijf voor de periode van 15 december 2023 tot en met 31 december 2023 vastgesteld op € 500,74 per (hele) maand. Daarnaast is de (lage) eigen bijdrage voor de periode van 1 januari 2025 tot en met 22 januari 2024 vastgesteld op € 718,56. Vanaf 23 januari 2024 heeft eiseres zorg in de vorm van een volledig pakket thuis (vpt) ontvangen.\n\nTotstandkoming van het (bestreden) besluit\n\n5. Met het besluit van 16 april 2024 heeft het CAK besloten de zorggegevens niet aan te passen. Het CAK krijgt de zorggegevens van het zorgkantoor. Dat heeft aan het CAK doorgegeven dat er vanaf 15 december 2023 tot en met 22 januari 2024 sprake is van een verblijf in een zorginstelling. Vanaf 23 januari 2024 is sprake van een vpt.\n\nHet zorgkantoor heeft desgevraagd de zorggegevens gecontroleerd. Het zorgkantoor heeft op zijn beurt contact op genomen met de zorgaanbieder, die heeft bevestigd dat vanaf 15 december 2023 zorg is verleend op grond van de Wlz. Het CAK kan daarom de gegevens niet aanpassen in zijn administratie. Eiseres is dus vanaf 15 december 2023 een eigen bijdrage voor zorg vanuit de Wlz verschuldigd.\n\n5.1.. Met het bestreden besluit is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.\n\nHeeft eiseres in de periode van 15 december 2023 tot en met 22 januari 2024 Wlz-zorg ontvangen en is zij (daarom) vanaf die datum een eigen bijdrage onder de Wlz verschuldigd?\n\n6. In geschil is of eiseres in de periode 15 december 2023 tot en met 22 januari 2024 zorg op grond van de Wlz heeft ontvangen en zij (daarom) een eigen bijdrage op grond van die wet is verschuldigd.\n\n6.1.. Eiseres heeft – kort gezegd – aangevoerd dat zij (pas) vanaf 23 januari 2024 Wlz-zorg heeft ontvangen. Het verblijf in het Herstelcentrum van 15 december 2023 tot en met 22 januari was op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw), zodat zij in die periode geen eigen bijdrage verschuldigd is in het kader van de Wlz.\n\n6.2.. Het CAK heeft – kort gezegd – aangevoerd dat het vaste rechtspraak is dat zij in beginsel uit mag gaan van de zorggegevens die het zorgkantoor heeft verstrekt over de geleverde zorg, tenzij uit een gemotiveerde betwisting blijkt dat de gegevens kennelijk onjuist zijn. Eiseres heeft geen bewijsstukken aangeleverd, waaruit volgt dat de gegevens van het zorgkantoor kennelijk fout zijn.\n\n6.3.. De rechtbank oordeelt als volgt.\n\n6.4.. De wetgever heeft van belang geacht dat er een duidelijke afbakening tussen de Wlz en de Zvw is, om te voorkomen dat bepaalde zorg voor één persoon dubbel gedekt is. Daarom zijn in de Wlz en (artikel 2.1 van) het Besluit zorgverzekering (Bzv) voorrangsregels vastgelegd. De hoofdregel is dat voor zover iemand op grond van de Wlz recht heeft op bepaalde zorg, dat recht niet ook bestaat op grond van de Zvw. De Wlz is daarmee voorliggend op de Zvw. Deze bedoeling van de wetgever blijkt uit de memorie van toelichting.\n\n6.5.. Het CAK mag op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) bij de vaststelling van de eigen bijdrage in beginsel uitgaan van de door het zorgkantoor verstrekte gegevens.Als eiseres echter gemotiveerd stelt dat sprake is van een kennelijke fout van het zorgkantoor, dan ligt het op de weg van het CAK om vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid te onderzoeken of het zorgkantoor op goede gronden heeft geconcludeerd dat betrokkene zorg heeft ontvangen onder de Wlz. De rechtbank is van oordeel dat eiseres onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat sprake is van een kennelijke fout van het zorgkantoor. De enkele verwijzing naar eerder verkeerd door het zorgkantoor genoteerde gegevens is daartoe onvoldoende. Uit het indicatiebesluit volgt dat eiseres met ingang van 15 december 2023 recht heeft op zorg op grond van de Wlz. Zoals hiervoor is overwogen, volgt uit artikel 2.1 van het Bzv dat voor zover iemand op grond van de Wlz recht heeft op bepaalde zorg, dat recht niet ook bestaat op grond van de Zvw. Tijdens de zitting is door de gemachtigde van eiseres nog benadrukt dat eiseres in het Herstelcentrum was opgenomen om te herstellen, dat daarom sprake was van een tijdelijke situatie en dat de Wlz dan niet van toepassing is. Deze redenering wordt door de rechtbank niet gevolgd. Gelet op het indicatiebesluit moet ervan uitgegaan worden dat eiseres vanaf 15 december 2023 zorg op grond van de Wlz heeft ontvangen. Indien eiseres het niet eens was geweest met de ingangsdatum van het indicatiebesluit had zij daartegen bezwaar moeten maken. De beroepsgronden slagen niet.\n\n6.6.. Uit het voorgaande volgt dat eiseres vanaf 15 december 2023 een eigen bijdrage op grond van de Wlz is verschuldigd.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en dat het CAK terecht de zorggegevens niet heeft aangepast. Een gevolg daarvan is dat eiseres in de periode van 15 december 2023 tot en met 22 januari 2024 een eigen bijdrage verschuldigd is op grond van de Wlz. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Er bestaat ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. C.G.A.J. van der Wielen, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nKan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Kamerstukken II 2013-2014, 33891, nr. 3, blz. 73.\n\n Zie de uitspraken van het CRvB van 29 juli 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1869 en 26 februari 2020,\n\nECLI:NL:CRVB:2020:455.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5207","ecli-nl-rbgel-2026-5207",{"courtName":6,"legalDomain":135,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":158,"ecli":159,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":130,"fullText":160,"language":7,"source":17,"sourceUrl":161,"summary":14,"slug":162,"metadata":163},"1650","ECLI:NL:RBGEL:2026:5219","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nParketnummer: 05.183502.25\n\nDatum uitspraak : 2 juli 2026\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de meervoudige kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1989 in [geboorteplaats] (Afghanistan),\n\nwonende aan [adres] [woonplaats] .\n\nRaadsman: mr. S. Çelik, advocaat in Lent.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nfeit 1hij op of omstreeks 15 juni 2025 te Nijmegen, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn levensgezel [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen - zijn arm om de keel van die [slachtoffer] heeft gehouden - met zijn arm die keel en\u002Fof hals van die [slachtoffer] heeft dichtgedrukt en\u002Fof dichtgeknepen, en\u002Fof dichtgedrukt en\u002Fof dichtgeknepen heeft gehouden - een brandende sigaret op\u002Ftegen\u002Fin de handpalm van die [slachtoffer] heeft uitgedrukt, en\u002Fof - veelvuldig, althans meermalen met de vuisten en\u002Fof met de vlakke hand op\u002Ftegen haar neus en\u002Fof kaak, althans haar hoofd en\u002Fof tegen haar ribben en\u002Fof rug en\u002Fof buik, althans haar lichaam, heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 15 juni 2025 te Nijmegen, althans in Nederland, zijn levensgezel [slachtoffer] heeft mishandeld door - zijn arm om de keel van die [slachtoffer] te houden - met zijn arm die keel en\u002Fof hals van die [slachtoffer] dicht te drukken en\u002Fof dicht te knijpen en\u002Fof dichtgedrukt en\u002Fof dichtgeknepen te houden - een brandende sigaret op\u002Ftegen\u002Fin de handpalm van die [slachtoffer] uit te drukken en\u002Fof - veelvuldig, althans meermalen met de vuisten en\u002Fof met de vlakke hand op\u002Ftegen haar neus en\u002Fof kaak, althans tegen haar hoofd en\u002Fof tegen haar ribben en\u002Fof rug en\u002Fof buik, althans tegen haar lichaam, te slaan;\n\nfeit 2hij op of omstreeks 11 juni 2025 te Nijmegen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn levensgezel [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen - met een door vuur verhitte metalen opscheplepel in de handpalm van die [slachtoffer] heeft gedrukt en\u002Fof - meermalen tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en\u002Fof - met een verhitte lepel op\u002Ftegen de hand en\u002Fof het been van die [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 11 juni 2025 te Nijmegen, althans in Nederland, zijn levensgezel [slachtoffer] heeft mishandeld door - met een door vuur verhitte metalen opscheplepel in de handpalm van die [slachtoffer] te drukken, - meermalen tegen het hoofd van die [slachtoffer] te slaan, en\u002Fof - met een door vuur verhitte metalen lepel op\u002Ftegen de hand en\u002Fof het been van die [slachtoffer] te slaan;\n\nfeit 3hij op of omstreeks 29 mei 2025 te Nijmegen, althans in Nederland, [slachtoffer] (telefonisch) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen - Geloof mij maar, ik pak [naam] en met [naam] sla ik jou dood, geloof mij maar\" en\u002Fof - Ik pak jou en je hele kankerfamilie” en\u002Fof -\"Nee, jij kent mij jij durft niet eerlijk te zijn, want jij weet dat ik die kind in je buik en die kind die naast jou loopt dat ik die afmaak, dat weet jij. Dat weet jij heel goed!\" en\u002Fof \"Maakt niet uit ik pak jullie alle twee.\" en\u002Fof \"Is goed, als jij dit volhoudt, wollah, ik pak jou die kind in je buik af. Ik zweer het op alles wat mij lief is.\" en\u002Fof Wacht maar tot ik je zelf tegenkom en ik je kankerkind uit je kankerbuik sla, ja?\" en\u002Fof \"Nou oké, maakt niet uit. Ik pak jou hoe dan ook. Linksom rechtsom. Linksom of rechtsom, goedschiks of kwaadschiks, ik pak jou. Ik pak jou. Ik laat zo een litteken in jouw leven achter hè, dat jij niet meer weet hoe ik heet. Let maar op.\" en\u002Fof \"Ik beloof jou, ik beloof jou, ja, dat ik zo een wrak van jou maak hè. En dan mag de rechter beslissen, het politiebureau, jouw veilig thuis, jouw veilig bezorgd, wacht maar. De enigste waar ik jou mee sla dat is [naam] . Let maar op, let maar op. Dat is jou dierbaar toch. Let maar op, als ik hem pak en hem op de grond smack dan ga jij weten, oh ik had maar gewoon eerlijk moeten zijn, had die jongen mij gewoon met rust gelaten .\" en\u002Fof Over tien jaar. Ja, ik ga jou pakken en dat is wat ik ga doen. ik heb er allemaal schijt aan, dan ga ik maar een jaar zittten. wacht maar. kankerhoer je bent een kankerhoer, net als je dooie kankermoeder\", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde onder feit 1 en 2, en het tenlastegelegde onder feit 3.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde onder feit 1, nu uit het dossier onvoldoende bewijs volgt dat verdachte opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde onder feit 1 heeft de raadsman betoogd dat de bewezenverklaring beperkt dient te worden tot de twee à drie klappen die verdachte heeft erkend. De overige ten laste gelegde geweldshandelingen vinden onvoldoende steun in het dossier en verdachte dient hiervan te worden vrijgesproken. De raadsman heeft daarnaast betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde onder feit 2 vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft daarbij betoogd dat de rechtbank een eventuele bewezenverklaring van feit 3 niet zou moeten gebruiken als zelfstandig bewijs voor de onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde geweldshandelingen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nBewijsmiddelen\n\nAangeefster [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) heeft verklaard dat zij sinds 2021 een relatie had met verdachte. In 2022 is hun zoon geboren. Na een breuk van zes maanden kwamen [slachtoffer] en verdachte weer bij elkaar. In maart 2025 bleek [slachtoffer] weer zwanger te zijn.\n\nfeit 1\n\nOp 15 juni 2025 kwam bij de politie een melding binnen van een mishandeling in een woning aan [adres] in Nijmegen. De bewoonster, [slachtoffer] , had bij een buurvrouw aangebeld. Zij was met haar kind haar woning uit gevlucht nadat zij door verdachte was mishandeld. [slachtoffer] vertelde aan de agenten dat verdachte haar bont en blauw had geslagen. [slachtoffer] verklaarde dat zij zwanger was van verdachte en dat verdachte haar bewust in haar buik had geslagen. Daarnaast verklaarde [slachtoffer] dat zij veel pijn aan haar rug, arm, neus en gezicht had en dat zij door verdachte was gewurgd. Verbalisant [verbalisant 1] zag een aantal rode puntjes in de nek van [slachtoffer] en zag dat zij op haar rechterarm een grote blauwe plek had. [slachtoffer] had onder haar linkeroog ook een blauwe plek. De neus van [slachtoffer] was aan de linkerkant dik. [slachtoffer] verklaarde dat zij last had van haar rechterkaak.\n\n [slachtoffer] heeft aangifte gedaan en daarbij het volgende verklaard. Verdachte begon na zijn thuiskomst in de nacht van 15 juni 2025 haar vragen te stellen over het daten met een andere man, iets wat hij ook al eerder had gedaan (waarover meer bij de overwegingen over feit 2). [slachtoffer] zag dat verdachte zijn arm ophief en voelde meteen de vlakke hand van verdachte waarmee hij haar op de linkerwang sloeg. Ze voelde een tintelend en branderig gevoel op haar linkerwang. Vervolgens dwong verdachte haar om haar rechterhand uit te steken. [slachtoffer] stak haar rechterhand met de palm omhoog naar hem uit. Verdachte pakte haar hand vast en zij voelde tegelijkertijd een scherpe pijn en een brandend gevoel op haar handpalm. Verdachte drukte zijn brandende sigaret op haar handpalm uit en draaide daarna de nog smeulende peuk een aantal keren rond totdat de sigaret helemaal uit was. Verdachte begon haar met gebalde vuisten op haar hoofd en neus te slaan. Hij beukte onafgebroken met gebalde vuisten op haar kaak, ribben, rug en buik. Toen voelde [slachtoffer] dat verdachte zijn rechteronderarm om haar nek sloeg en dat hij haar keel dichtdrukte. [slachtoffer] kon niets meer zeggen, huilen of schreeuwen. Ze kreeg geen lucht meer en zag geen kleur meer, de wereld om haar heen vervaagde. [slachtoffer] zakte langzaam weg. Plotseling liet verdachte haar los. Het duurde even voordat zij weer een beetje bij haar positieven was.\n\nVerdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer] die avond twee à drie keer met de platte hand heeft geslagen.\n\nfeit 2\n\n [slachtoffer] heeft in haar hiervoor aangehaalde aangifte verder verklaard dat verdachte al eerder, op 11 juni 2025, aan haar vragen begon te stellen over de tijd dat zij uit elkaar waren. In die tijd had zij gedatet met een andere man en verdachte wilde weten of zij seks had gehad met die date. Elke keer dat [slachtoffer] iets zei, kreeg ze van verdachte een klap met de platte hand. Hij sloeg [slachtoffer] op haar hoofd. Bij iedere klap hief verdachte zijn arm op en bewoog deze naar achteren om daarna met kracht op haar hoofd te slaan. [slachtoffer] voelde zich duizelig worden. Verdachte bleef doorslaan. Verdachte had een grote ijzeren opscheplepel in zijn hand en hield deze boven het vuur van het fornuis. De lepel werd verhit en kreeg een rode kleur. Verdachte pakte haar rechterhand vast en drukte de roodgloeiende lepel in de palm van haar hand. [slachtoffer] schreeuwde van pijn en angst. Verdachte drukte met kracht zijn hand op haar mond om haar schreeuwen te smoren. Verdachte sloeg [slachtoffer] met de inmiddels afgekoelde lepel op de bovenzijde van haar rechterhand en op haar linkerbovenbeen.\n\nFeit 1 en 2\n\nLetsel [slachtoffer]\n\nDoor een arts en forensisch fotograaf zijn op 17 juni 2025 de volgende letsels bij [slachtoffer] waargenomen en gefotografeerd.\n\n1. Blauwe en gezwollen oogkas;\n\n2. Gezwollen kaak rechterzijde van het gezicht;\n\n3. Schaafwondje onder de kaak links;\n\n4. Striem\u002Fblauwe plek in de nek\u002Fhals;\n\n5. Rechterhand binnenkant kleine ronde brandwond en een grotere brandwond;\n\n6. Rechterhand bovenkant licht gezwollen en blauw;\n\n7. Linker onderarm blauwe plek;\n\n8. Linker bovenarm grotere blauwe plek;\n\n9. Onderrug meerdere blauwe plekken;\n\n9. Zijkant buik links blauwe plek\u002Fverkleuring;\n\n10. Linkerbeen boven de knie een blauwe plek;\n\n11. Linkerbeen zijkant bovenbeen een blauwe plek.\n\nDoor de arts werd gezegd dat het letsel in de hals vermoedelijk was veroorzaakt door een drukkende kracht.\n\nDe bevindingen van de arts en de foto’s van de forensisch fotograaf zijn opgenomen in de forensisch geneeskundige letselbeschrijving. \n\nBewijsoverwegingen feit 1 en 2\n\nVerdachte erkent dat hij op 15 juni 2025 [slachtoffer] twee à drie klappen met de platte hand heeft gegeven. Verdachte ontkent echter dat hij de rest van de onder feit 1 en 2 ten laste gelegde geweldshandelingen heeft gepleegd.\n\nGelet op de verklaring van aangeefster ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of sprake is geweest van de (overige) geweldshandelingen zoals ten laste is gelegd. Het gaat hier om een verdenking van geweld binnen de relatie tussen beiden in de woning van aangeefster, waarbij er geen getuigen waren die rechtstreeks iets hebben waargenomen van de vermeende geweldshandelingen. De vraag die de rechtbank in dit verband (daarom) moet beantwoorden, is of de verklaring van [slachtoffer] voldoende betrouwbaar is en of deze in voldoende mate wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] ten aanzien van de gepleegde geweldshandelingen op 15 juni 2025 authentiek, voldoende consistent en gedetailleerd is. [slachtoffer] heeft in haar aangifte verklaard hoe en op welke plekken verdachte haar sloeg en beschreef gedetailleerd hoe verdachte de brandende peuk op haar handpalm uitdraaide en de pijn die zij daardoor ervoer. [slachtoffer] beschrijft daarnaast uitgebreid welke effecten het door verdachte dichtdrukken van haar keel had, namelijk dat zij niets meer kon zeggen, dat zij geen kleur meer zag en dat zij geen lucht meer kreeg. De gedetailleerde beschrijving van het geweld en de gevolgen daarvan komt op de rechtbank geloofwaardig en authentiek over.\n\nGelet op het voorgaande acht de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] ten aanzien van de geweldshandelingen van 15 juni 2025 betrouwbaar en neemt zij deze als uitgangspunt. De verklaring van [slachtoffer] vindt bovendien voldoende steun in de overige bewijsmiddelen in het dossier. Eén van de verbalisanten die kort na de melding bij de buurvrouw bij wie [slachtoffer] haar toevlucht had gezocht arriveerden, zag dat [slachtoffer] diverse letsels had, waaronder diverse blauwe plekken en rode puntjes in de nek. Bij het forensisch onderzoek aan het lichaam van [slachtoffer] werden diverse letsels waargenomen en door de forensisch fotograaf vastgelegd. Deze letsels kwamen overeen met de door haar beschreven geweldshandelingen. Onder andere werd waargenomen en vastgelegd dat [slachtoffer] meerdere blauwe plekken verspreid over haar gezicht en haar lichaam had. Ook werd waargenomen dat zij een striem c.q. blauwe plek in haar hals had.\n\nDe rechtbank overweegt dat het bij [slachtoffer] waargenomen letsel zozeer past bij de geweldshandelingen die zij beschrijft, dat dit steun oplevert voor die geweldshandelingen. Zo ondersteunen dat letsel, en de rode puntjes in de hals die door de verbalisant zijn waargenomen, de verklaring van [slachtoffer] dat verdachte haar hals heeft dichtgedrukt. Eén van de brandwonden die op de hand van [slachtoffer] werd waargenomen, werd door de arts omschreven als een kleine, ronde brandwond. De rechtbank stelt vast dat dat letsel past bij de verklaring van [slachtoffer] dat verdachte een brandende sigaret uitdrukte en ronddraaide op haar handpalm. Dat [slachtoffer] dit letsel aan zichzelf zou hebben toegebracht, zoals door verdachte is gesuggereerd, acht de rechtbank onaannemelijk, te meer nu verdachte een ander deel van het uitgeoefende geweld wél bekent.\n\n [slachtoffer] verklaart naar het oordeel van de rechtbank ook over de geweldshandelingen van 11 juni 2025 authentiek en gedetailleerd. Zo beschrijft zij ook hier in detail hoe verdachte haar sloeg en een door hem verhitte roodgloeiende hete opscheplepel in haar handpalm drukte. Deze verklaring vindt steun in de bevindingen van de ingeschakelde arts en forensisch fotograaf. Die hebben waargenomen en vastgelegd dat [slachtoffer] , meer richting de pols ten opzichte van de kleine ronde brandwond, ook een grotere brandwond op haar hand had. De geweldshandelingen vertonen hierin ook een belangrijke overeenkomst: dat verdachte het stellen van (dwingende) vragen gepaard liet gaan met het op de hand van [slachtoffer] drukken van een brandend heet voorwerp. Ook deze verklaring is daarmee betrouwbaar en kan worden gebruikt voor het bewijs.\n\nNu de verklaring van [slachtoffer] zowel ten aanzien van de geweldshandelingen op 15 als ten aanzien van die van 11 juni 2025 door de rechtbank betrouwbaar wordt geacht en voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, acht de rechtbank bewezen dat alle door haar beschreven geweldshandelingen hebben plaatsgevonden.\n\nKan uit dat handelen worden afgeleid dat verdachte gepoogd heeft [slachtoffer] zwaar te mishandelen, ofwel: kan het onder feit 1 en 2 primair tenlastegelegde worden bewezen? Daarover oordeelt de rechtbank als volgt.\n\nPoging tot zware mishandeling\n\nOp basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat verdachte vol opzet had om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De rechtbank is echter op grond van het volgende van oordeel dat verdachte wel voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.\n\nUit de verklaring van [slachtoffer] volgt dat verdachte op 15 juni 2025 haar keel\u002Fhals heeft dichtgedrukt en dichtgedrukt heeft gehouden, dat zij daardoor geen lucht kreeg en dat het wel even duurde voordat ze weer een beetje bij haar positieven was. Het is een feit van algemene bekendheid dat in de keel en hals zich kwetsbare en vitale organen bevinden zoals de luchtpijp, het strottenhoofd en de halsslagader en dat het dichtknijpen van de keel en hals snel tot ademnood leidt hetgeen tot uitval van vitale organen kan leiden.\n\nDaarnaast heeft verdachte bewust brandwonden aan [slachtoffer] toegebracht door op 11 juni 2025 een verhitte opscheplepel in haar handpalm te drukken en op 15 juni 2025 een brandende sigaret op haar handpalm uit te drukken en rond te draaien. Het is algemeen bekend dat brandwonden tot blijvend letsel in de vorm van ontsieringen aan het lichaam kunnen leiden. Bovendien kan voor brandwonden medisch ingrijpen noodzakelijk zijn. Ten slotte heeft verdachte meerdere keren op het hoofd van [slachtoffer] geslagen en op 15 juni 2025 heeft hij [slachtoffer] in haar buik heeft geslagen, terwijl hij wist dat [slachtoffer] zwanger was. Verdachte heeft [slachtoffer] aldus veelvuldig op kwetsbare plekken van haar lichaam geraakt. Het is een feit van algemene bekendheid dat het meermalen (met kracht) slaan tegen het hoofd van een persoon tot breuken en hersenletsel kan leiden en dat het slaan in de buik van een zwangere vrouw kan leiden tot een mogelijk verlies van het ongeboren kind. Al deze mogelijke gevolgen vallen volgens de rechtbank onder de noemer “zwaar lichamelijk letsel”.\n\nVerdachte moet zich ervan bewust zijn geweest dat er een aanmerkelijke kans was dat een of meerdere van deze geweldshandelingen bij [slachtoffer] tot zwaar lichamelijk letsel zou leiden, gelet op de aard en intensiteit van het geweld, en die kans heeft verdachte op de koop toegenomen (bewust aanvaard). Daarmee is het voor een bewezenverklaring benodigde opzet, in voorwaardelijke vorm, vast komen te staan.\n\nDe rechtbank wordt in haar overtuiging gesterkt door wat zij hieronder ten aanzien van feit 3 bewezen zal verklaren, de eerdere ernstige bedreigingen aan het adres van [slachtoffer] en de meermaals geuite sterke wens van verdachte, de zwangerschap van [slachtoffer] te laten onderbreken. Daaruit blijkt ook dat het bij de feiten 1 en 2 telkens niet ging om een opwelling bij verdachte, maar om opzettelijk handelen. In een korte tijdspanne van minder dan twee weken ging verdachte drie keer over tot ernstig geweld; eerst verbaal en daarna, twee keer, in de lijn van zijn bedreigingen, fysiek.\n\nDe rechtbank komt op grond van wat zij hiervoor heeft overwogen en vastgesteld, tot een bewezenverklaring van de zowel onder 1 primair als onder 2 primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] .\n\nfeit 3\n\nEr is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.\n\nBewijsmiddelen:\n\n- het proces-verbaal van bevindingen p. 82-85;\n\n- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 18 juni 2026.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 tot en met 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nfeit 1 (primair)hij opof omstreeks15 juni 2025 te Nijmegen,althans in Nederland,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn levensgezel [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen - zijn arm om de keel van die [slachtoffer] heeft gehouden - met zijn arm die keel en\u002Fofhals van die [slachtoffer] heeft dichtgedrukten\u002Fof dichtgeknepen,en\u002Fofdichtgedrukt en\u002Fof dichtgeknepenheeft gehouden - een brandende sigaret op\u002Ftegen\u002Fin de handpalm van die [slachtoffer] heeft uitgedrukt, en\u002Fof- veelvuldig,althans meermalenmet de vuisten en\u002Fofmet de vlakke hand op\u002Ftegen haar neus en\u002Fofkaak, althans haar hoofd en\u002Foftegen haar ribben en\u002Fofrug en\u002Fofbuik,althans haar lichaam,heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nfeit 2 (primair)hij opof omstreeks11 juni 2025 te Nijmegen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn levensgezel [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen - met een door vuur verhitte metalen opscheplepel in de handpalm van die [slachtoffer] heeft gedrukt en\u002Fof- meermalen tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en\u002Fof- met eenverhittelepel op\u002Ftegen de hand en\u002Fofhet been van die [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nfeit 3hij opof omstreeks29 mei 2025 te Nijmegen,althans in Nederland,[slachtoffer] (telefonisch) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fofmet zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend de woorden toe te voegen - “Geloof mij maar, ik pak [naam] en met [naam] sla ik jou dood, geloof mij maar” en\u002Fof- “Ik pak jou en je hele kankerfamilie” en\u002Fof- “Nee, jij kent mij jij durft niet eerlijk te zijn, want jij weet dat ik die kind in je buik en die kind die naast jou loopt dat ik die afmaak, dat weet jij. Dat weet jij heel goed!” en\u002Fof“Maakt niet uit ik pak jullie alle twee.” en\u002Fof“Is goed, als jij dit volhoudt, wollah, ik pak jou die kind in je buik af. Ik zweer het op alles wat mij lief is.” en\u002Fof“Wacht maar tot ik je zelf tegenkom en ik je kankerkind uit je kankerbuik sla, ja?” en\u002Fof“Nou oké, maakt niet uit. Ik pak jou hoe dan ook. Linksom rechtsom. Linksom of rechtsom, goedschiks of kwaadschiks, ik pak jou. Ik pak jou. Ik laat zo een litteken in jouw leven achter hè, dat jij niet meer weet hoe ik heet. Let maar op.” en\u002Fof\"Ik beloof jou, ik beloof jou, ja, dat ik zo een wrak van jou maak hè. En dan mag de rechter beslissen, het politiebureau, jouw veilig thuis, jouw veilig bezorgd, wacht maar. De enigste waar ik jou mee sla dat is [naam] . Let maar op, let maar op. Dat is jou dierbaar toch. Let maar op, als ik hem pak en hem op de grond smack dan ga jij weten, oh ik had maar gewoon eerlijk moeten zijn, had die jongen mij gewoon met rust gelaten.” en\u002Fof“Over tien jaar. Ja, ik ga jou pakken en dat is wat ik ga doen. ik heb er allemaal schijt aan, dan ga ik maar een jaar zitten. wacht maar. kankerhoer je bent een kankerhoer, net als je dooie kankermoeder”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.\n\nVoor zover in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nfeit 1 (primair) en 2 (primair), telkens:\n\npoging tot zware mishandeling\n\nfeit 3:\n\nbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en zware mishandeling, meermalen gepleegd\n\n5. De strafbaarheid van de feiten\n\nDe feiten zijn strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 120 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een taakstraf van 200 uren dient te worden opgelegd, bij niet (naar behoren) uitvoeren te vervangen door 100 dagen hechtenis. Bij het voorwaardelijk strafdeel dienen een contactverbod met het slachtoffer [slachtoffer] en een locatieverbod met betrekking tot [adres] in Nijmegen als bijzondere voorwaarden te worden opgelegd.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft de rechtbank verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de omstandigheden dat verdachte bijna één maand in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en ongeveer acht maanden elektronische monitoring heeft gehad. Verdachte heeft zich daarbij aan alle voorwaarden gehouden, heeft een behandeling gevolgd en heeft zijn leven weer opgepakt. De raadsman heeft erop gewezen dat de reclassering het risico op recidive inmiddels als laag inschat. De raadsman verzoekt de rechtbank primair, bij bewezenverklaring van feit 1 subsidiair en feit 3, te volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en hooguit een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van één jaar. Subsidiair heeft de raadsman verzocht dat, indien de rechtbank tot een ruimere bewezenverklaring komt, de rechtbank dient te volstaan met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, met een proeftijd van één jaar. Voor zover de rechtbank bijzondere voorwaarden noodzakelijk acht, verzoekt de raadsman te volstaan met oplegging van een contactverbod en een locatieverbod zonder elektronisch toezicht, waarbij het locatieverbod wordt beperkt tot het adres van aangeefster.\n\nDe beoordeling door de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nVerdachte heeft zijn toenmalige levenspartner [slachtoffer] in korte tijd zeer ernstig bedreigd en mishandeld. Hij deed dat bij degene die hij op basis van de affectieve relatie juist zou moeten beschermen, in een omgeving waar zij zich bij uitstek veilig zou moeten voelen. Alleen om zijn woede te koelen, zijn jaloezie te botvieren en zijn zin door te drijven over de zwangerschap van [slachtoffer] , ging hij ertoe over haar op dwingende wijze te “bevragen” en haar daarbij met brandend hete voorwerpen te bewerken. De rechtbank is het met de omschrijving van de officier van justitie eens, die een en ander vergeleek met marteling. Hij beknotte [slachtoffer] daarmee niet alleen in haar fysieke vrijheid, maar ook in haar vrijheid haar leven in te richten naar eigen keuze. Verdachte trok er zich daarbij niets van aan dat er ook een aan zijn zorg toevertrouwd kind in de buurt was, en betrok dat kind ook in zijn zeer ernstige (doods)bedreigingen aan het adres van [slachtoffer] . Het geweld richtte zich deels ook op de buik van [slachtoffer] , tegen het ongeboren kind van [slachtoffer] en verdachte.\n\nVerdachte trok zich bij dit alles ook niets aan van de hevige (doods)angst die een en ander bij [slachtoffer] moet hebben veroorzaakt en van de verwondingen en de pijn die hij haar heeft toegebracht. De rechtbank houdt er ernstig rekening mee dat [slachtoffer] nog lange tijd de schadelijke mentale gevolgen van dit beangstigende geweld zal ervaren. Ook weegt de rechtbank mee dat de politie [slachtoffer] ontredderd aantrof bij een buurtgenoot, die ongewild werd betrokken in het door verdachte veroorzaakte leed van [slachtoffer] en die daarvan zeer moet zijn geschrokken.\n\nTer terechtzitting heeft verdachte niet of nauwelijks zelfinzicht of empathie voor [slachtoffer] laten zien; integendeel. Nog steeds lijkt verdachte vooral met een beschuldigende vinger te wijzen naar [slachtoffer] , naar haar (in zijn ogen laakbare) levenswandel en haar reactie op de geweldshandelingen. Hij lijkt zich, geheel ten onrechte, slachtoffer te voelen in plaats van de dader. Niet alleen neemt de rechtbank hem dat kwalijk, ook levert dat ernstige zorgen op over de kans dat verdachte in de toekomst dit soort gedrag opnieuw vertoont.\n\nReclassering Nederland heeft in haar rapport van 11 juni 2026 beschreven dat verdachte sinds 14 juli 2025 onder elektronisch toezicht stond vanwege een locatieverbod en een locatiegebod. In december 2025 werd het locatiegebod beëindigd en in maart 2026 werd ook de elektronische monitoring voor het locatieverbod beëindigd. De behandeling die verdachte bij Kairos volgde, is afgesloten. Omdat verdachte geen eigen hulpvraag had, werden door Kairos vijf motiverende gesprekken met de psychosociaal behandelaar ingepland om tot een hulpvraag te komen. Deze gesprekken zijn gevoerd, maar niet doorgezet vanwege de beperkte hulpvraag van verdachte en het lage recidiverisico.\n\nDe reclassering stelt dat verdachte redelijk tot goed lijkt te functioneren op de diverse leefgebieden en inmiddels zijn draai lijkt te hebben gevonden. Van drugs- of drankmisbruik lijkt geen sprake. Hij heeft geen hulpvraag meer. De reclassering ziet geen meerwaarde in een reclasseringstoezicht, nu verdachte de behandeling positief heeft afgerond en verdachte geen noemenswaardige problemen meer ervaart. De reclassering adviseert om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met de volgende bijzondere voorwaarden: een contactverbod met [slachtoffer] en een locatieverbod (zonder elektronisch toezicht) voor haar woonadres.\n\nDe rechtbank is minder positief gestemd over het herhalingsgevaar, zoals hiervoor uiteengezet. De voorwaarden die de reclassering heeft voorgesteld vindt de rechtbank zeer zeker nodig om dat gevaar in te dammen en om [slachtoffer] te beschermen. Daarom zal zij deze voorwaarden opleggen. Nu de reclassering voor zichzelf geen rol ziet weggelegd en verdachte daaraan ook niet wil meewerken, ziet de rechtbank, ondanks haar zorgen over de houding en het gedrag van verdachte, geen aanleiding reclasseringstoezicht op te leggen.\n\nBij de bepaling van de hoogte van de straf heeft de rechtbank verder nog gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en zijn neergelegd in de oriëntatiepunten voor de straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Strafverzwarend heeft de rechtbank meegewogen dat verdachte de feiten heeft begaan tegen zijn (toenmalige) levensgezel.\n\nAlles overwegende acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden. Daarom zal de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen opleggen, waarvan 94 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, wordt van deze straf afgetrokken. De rechtbank merkt daarbij op dat het voorwaardelijk strafdeel hoger uitvalt dan de eis van de officier van justitie, nu de rechtbank uitgaat van 26 dagen voorarrest. De rechtbank zal daarnaast een taakstraf voor de duur van 200 uur opleggen, bij niet (naar behoren) uitvoeren te vervangen door 100 dagen hechtenis.\n\nAan het voorwaardelijk strafdeel worden de bijzondere voorwaarden uit het reclasseringsadvies van 11 juni 2026 verbonden. De rechtbank realiseert zich dat verdachte en het slachtoffer samen twee kinderen hebben. Indien en voor zover nodig kan, eventueel in samenspraak met de reclassering of bij de omgang betrokken (hulpverlenings-)instanties wijziging van deze voorwaarden worden verzocht indien en voor zover dat voor de omgang nodig blijkt; de rechtbank heeft daarvoor op dit moment onvoldoende concrete aanknopingspunten. De rechtbank zal bepalen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn, omdat er, gelet op het beperkte zelfinzicht van verdachte, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.\n\n8. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen;\n\nbepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, te weten 94 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:\n\nstelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n stelt als bijzondere voorwaarden dat:\n\n verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met het slachtoffer [slachtoffer] ;\n\n verdachte zich gedurende de proeftijd niet bevindt op het adres van het slachtoffer, te weten [adres] te Nijmegen;\n\n beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\n legt op een taakstraf van 200 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 dagen;\n\n heft op het geschorste bevel voorlopige hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A. Tegelaar (voorzitter), mr. T.P.E.E. van Groeningen en mr. M. W.R. Koch, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V. Buscop, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 juli 2026.\n\nMr. T.P.E.E. van Groeningen en mr. A. Tegelaar zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025279644, gesloten op 6 november 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 15.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 12-13.\n\nProces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 16-17.\n\n De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 18 juni 2026.\n\n Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 15-16.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, p. 44.\n\n Forensisch Geneeskundige Letselbeschrijving, p. 46-58.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5219","ecli-nl-rbgel-2026-5219",{"courtName":6,"legalDomain":76,"decisionType":22,"procedureType":23}]