[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-groningen":3},{"court":4,"decisions":10},{"id":5,"name":6,"country":7,"level":8,"jurisdiction":9},65,"Groningen","nl","first_instance","administrative",[11,24,31,38,45,52,59,66,73,80,87,94,101,108,116,123,130,137,144,152],{"id":12,"ecli":13,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":16,"language":7,"source":17,"sourceUrl":18,"summary":14,"slug":19,"metadata":20},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","","2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},"Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht","uitspraak","Uitspraak",{"id":25,"ecli":26,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":27,"language":7,"source":17,"sourceUrl":28,"summary":14,"slug":29,"metadata":30},"464","ECLI:NL:RBDHA:2026:18729","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36442\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam] , eiser,\n\ngeboren op [geboortedatum] ,\n\nvan (gestelde) Libische nationaliteit,\n\nV-nummer: [nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. F. Boone),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. M.W.M. Weerman).\n\nProcesverloop\n\n1. De minister heeft op 24 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vwopgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.\n\n1.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.\n\n1.2.. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Hierop heeft eiser gereageerd.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen op de rechtbank in Groningen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nOverwegingen\n\n2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 12 mei 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 8 mei 2026.\n\n3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.\n\nStandpunten eiser\n\n4. Eiser voert aan dat hij gemotiveerd is om terug te keren naar Marokko. Zo heeft hij tijdens het vertrekgesprek van 28 april 2026 zijn juiste personalia gegeven en tijdens het vertrekgesprek van 4 juni 2026 aangegeven dat hij terug wil keren naar zijn moeder die op leeftijd is. Niet is gebleken dat inmiddels een reisdocument is afgegeven en staat ook geen presentatie of telefonische afspraak gepland. Daarnaast is niet op zaaksniveau gerappelleerd, maar zijn enkel algemene schriftelijke rappellen verstuurd. Eiser heeft een kopie van zijn paspoort, een identiteitskaart en een vrijwilligersbrief overgelegd. Deze documenten zijn weliswaar doorgestuurd naar de Marokkaanse vertegenwoordiging, maar de minister neemt verder een afwachtende houding aan. De minister handelt dan ook onvoldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser.\n\nBeoordeling rechtbank\n\n5. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt.De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Uit zowel de stukken in het dossier als de daarop door de minister ter zitting gegeven toelichting blijkt dat op 10 juli 2026 een telefonische presentatie met de Marokkaanse autoriteiten staat gepland. Naar het oordeel van de rechtbank dient de minister in de gelegenheid te worden gesteld om de resultaten hiervan af te wachten.\n\n5.1.. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure voldoende voortvarend heeft gehandeld. Zo heeft de minister driemaal schriftelijk gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten, laatstelijk op 26 juni 2026. Daarnaast heeft op 1 juni 2026 en 6 juli 2026 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden. De rechtbank ziet geen reden om op basis van deze gang van zaken te concluderen dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.\n\n5.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser in onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel zou kunnen volstaan of dat de voortzetting van de vreemdelingenbewaring niet langer gerechtvaardigd zou zijn.\n\n5.3.. \n\nDe rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van\n\nR. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:219).\n\n Zie het arrest Adrar van het Hof van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en het arrest Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18729","ecli-nl-rbdha-2026-18729",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":32,"ecli":33,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":34,"language":7,"source":17,"sourceUrl":35,"summary":14,"slug":36,"metadata":37},"600","ECLI:NL:RBDHA:2026:18694","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.10824\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam] , eiser,\n\ngeboren op [geboortedatum] ,\n\nvan Syrische nationaliteit,\n\nV-nummer: [nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).\n\nSamenvatting\n\nDeze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser.Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank komt tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag als ongegrond in stand kan blijven. De minister heeft de problemen van eiser vanwege de gevangenneming in 1988 of 1989 tijdens de militaire dienst en vanwege een conflict met zijn voormalig zakenpartner in 2013 terecht niet geloofwaardig geacht. Ook heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen vluchteling is en dat hij bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond.\n\nProcesverloop\n\n1. Eiser heeft op 18 januari 2025 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 19 februari 2026 afgewezen als ongegrond.\n\n1.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 4 maart 2026 heeft hij de gronden van het beroep ingediend.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook was er een tolk aanwezig. Het onderzoek is op zitting gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n2. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in 2014 Syrië heeft verlaten vanwege de onveilige situatie, de problemen met zijn voormalige zakenpartner in 2013 en zijn gevangenhouding tijdens zijn militaire dienst in 1988\u002F1989. Bij terugkeer naar Syrië vreest eiser onzekere toekomstige gebeurtenissen en ook voor datgene wat hij heeft meegemaakt.\n\nHet bestreden besluit\n\n3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:\n\n1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. Problemen vanwege de gevangenneming in 1988 of 1989 tijdens de militaire dienst;\n\n3. Problemen vanwege een conflict met eisers voormalig zakenpartner in 2013;\n\n4. Militaire dienstplicht van eisers zoon.\n\n3.1.. De minister vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De verklaringen van eiser over zijn problemen die voortvloeien uit de gevangenneming in 1988 of 1989 tijdens de militaire dienst, vindt de minister niet geloofwaardig. Ook vindt de minister de verklaringen van eiser over de problemen na een conflict met zijn voormalig zakenpartner in 2013, niet geloofwaardig. De minister vindt verder dat eiser niet kan worden aangemerkt als vluchteling als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en dat hij bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico op ernstige schade loopt, zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM.De minister wijst eisers asielaanvraag af als ongegrond.\n\n3.2.. Eiser kan zich hiermee niet verenigen. De rechtbank zal hierna de beroepsgronden van eiser beoordelen, voor zover deze van belang zijn.\n\nDe toets door de rechtbank\n\n4. In de arresten van 4 juni 2026 in de zaken Quatal en Ebilumheeft het Hof van Justitie van de Europese Unie overwogen dat de terughoudende toets, zoals de Nederlandse rechter die nu in asielzaken verricht, niet verenigbaar is met het Europees recht. In lijn met deze rechtspraak toetst de rechtbank het bestreden besluit daarom vol.\n\nHeeft de minister voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser?\n\n5. Het is vaste rechtspraak van de Afdelingdat het referentiekader van de vreemdeling, waaronder diens culturele achtergrond, kenbaar betrokken moet worden in de besluitvorming.De rechtbank is van oordeel dat de minister bij de beoordeling van de verklaringen van eiser voldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Hoewel in de besluitvorming het referentiekader niet is opgenomen, heeft de gemachtigde van de minister op de zitting naar voren gebracht dat eiser antwoord heeft gegeven op de aan hem gestelde vragen en dat niet is onderbouwd dat hij vanwege het referentiekader niet heeft kunnen verklaren. Zo heeft de gehoormedewerker tijdens het nader gehoor doorgevraagd over eisers verklaringen en daarbij om verduidelijking gevraagd om duidelijke antwoorden te krijgen. De rechtbank leest deze werkwijze ook terug in het rapport van het nader gehoor.Bovendien volgt niet uit het verslag van het nader gehoor dat eiser moeite heeft gehad met het begrijpen van vragen. Hieruit volgt dat tijdens het nader gehoor voldoende rekening is gehouden met het referentiekader van eiser.\n\nIs het nader gehoor zorgvuldig geweest?\n\n6. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat hij tijdens het aanmeldgehoor en het nader gehoor regelmatig zou zijn onderbroken, en dat hij zou zijn beperkt in zijn mogelijkheden om zijn verhaal te vertellen. De verslagen van het aanmeldgehoor en het nader gehoor bieden voor de stelling van eiser geen concrete aanwijzingen. Uit het verslag van het nader gehoor blijkt dat de rapporteur heeft opgemerkt dat eiser regelmatig de tolk in de rede valt en dat hem is verzocht de tolk te laten uitspreken.Hoewel in het verslag van het nader gehoorstaat dat eiser heeft aangegeven dat zij hem niet laten uitpraten en dat hij zijn zin niet kan afmaken, blijkt daaruit niet dat eiser daarna regelmatig is onderbroken door de gehoormedewerker en dat hij is beperkt om zijn verhaal te kunnen vertellen. Uit het verslag van het nader gehoor blijkt juist dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om te vertellen wat voor hem de redenen zijn geweest om Syrië te verlaten. Zoals de gemachtigde van de minister op de zitting heeft gesteld, heeft eiser daarover in de correcties en aanvullingen niets gezegd en zijn er geen aanvullingen gedaan op het relaas van eiser. Daar komt bij dat uit het verslag van het nader gehoor blijkt dat op verschillende onderwerpen is doorgevraagd door de gehoormedewerker en dat eiser antwoord heeft gegeven op de aan hem gestelde vragen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen sprake is geweest van een onzorgvuldig nader gehoor.\n\nHeeft de minister de problemen vanwege de gevangenneming in 1988 of 1989 terecht niet geloofwaardig geacht?7. De rechtbank merkt allereerst op dat de gemachtigde van de minister op de zitting de tegenwerping aan eiser van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw heeft laten vallen. Dit geldt voor de in 3 genoemde asielmotieven onder 2 en 3. Wat eiser daarover in de gronden van het beroep heeft aangevoerd, hoeft daarom niet meer te worden besproken.\n\n7.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister de problemen vanwege de gevangenneming in 1988 of 1989 terecht niet geloofwaardig heeft geacht. De minister heeft in dit kader terecht tegengeworpen dat eiser zijn problemen pas voor het eerst tijdens het nader gehoor naar voren heeft gebracht. Daarbij heeft de minister terecht betrokken dat eiser tijdens het aanmeldgehoor van 27 januari 2025 over de reden(en) van zijn vertrek uit Syrië heeft verklaard dat hij het land moest verlaten voor de veiligheid van zijn vrouw, kinderen en hemzelf.Op de vraag of er nog andere redenen zijn waarom eiser niet terug kan naar Syrië was zijn antwoord ˋNeeˊ. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat eiser dit niet heeft gecorrigeerd met de aanvullingen en correcties. De minister heeft daarnaast terecht overwogen dat eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat er nog een drietal redenen ten grondslag liggen aan zijn asielaanvraag, en dat van eiser mag worden verwacht dat hij deze redenen vanaf het begin van zijn procedure noemt. Dat eiser dacht dat persoonlijke problemen niet interessant zouden zijn en dat hij deze daarom niet heeft genoemd, kan hieraan niet afdoen. Dat eiser op de zitting heeft gesteld dat aan hem tijdens het aanmeldgehoor niet is uitgelegd wat precies van hem wordt verwacht en dat niet diepgaand wordt ingegaan op de asielmotieven, heeft de minister terecht niet gevolgd. De gemachtigde van de minister heeft op de zitting gesteld dat in het aanmeldgehoor aan eiser is uitgelegd dat alleen kort wordt ingegaan op de asielmotieven en dat hij tijdens het nader gehoor de gelegenheid krijgt uitgebreid over zijn asielmotieven te vertellen.Dat eiser stelt dat het aanmeldgehoor niet is bedoeld om asielmotieven naar voren te brengen, maakt het niet anders. Dat geldt ook voor de stelling van eiser dat hij tijdens het aanmeldgehoor niet werd bijgestaan door een raadsman. Aan het begin van het aanmeldgehoor is duidelijk aan eiser uitgelegd wat van hem wordt verwacht. Niet gebleken is dat hij dat niet heeft begrepen. Dat eiser stelt dat het referentiekader van belang is, maakt geen verschil.\n\n7.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister verder terecht gesteld dat eiser na de gestelde gevangenneming in 1988\u002F1989 zonder problemen zijn dienstplicht heeft uitgediend, dat hij nadien nog langdurig in Syrië heeft verbleven tot zijn vertrek in 2014 én dat hij in 2018 is teruggekeerd naar Syrië. Daarbij heeft de minister op goede gronden overwogen dat eiser geen problemen heeft gehad, dat hij pas in 2014 uit Syrië is vertrokken, dat hij in 2018 vanuit [land] naar Syrië is teruggekeerd en dat niet is gebleken van problemen van eiser vanwege de (gestelde) gevangenhouding tijdens de militaire dienst. Eiser heeft hiertegen in de gronden van het beroep niets aangevoerd.\n\nHeeft de minister de problemen met eisers voormalig zakenpartner in 2013 terecht niet geloofwaardig geacht?8. De rechtbank is van oordeel dat de minister de problemen met eisers zakenpartner in 2013 terecht niet geloofwaardig heeft geacht. De minister heeft in dit kader terecht gesteld dat de verklaringen van eiser over de bedreiging door zijn voormalig zakenpartner zijn gebaseerd op een aanname. Daarbij heeft de minister op goede gronden overwogen dat het een aanname is van eiser dat hij de woorden ‶ik wil mijn geldʺ uitlegt als een bedreiging en deze bedreiging verder invult als een bedreiging aangevallen of ontvoerd te worden. De minister heeft het standpunt van eiser dat sprake zou zijn van een bedreiging door zijn voormalig zakenpartner waardoor hij voor zijn leven zou moeten vrezen, terecht niet gevolgd. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat eiser op geen enkele wijze heeft onderbouwd of aannemelijk heeft gemaakt dat zijn voormalig zakenpartner hem heeft gezocht. De minister heeft daarbij terecht van belang geacht dat eiser bij zijn terugkeer naar Aleppo tussen 12 augustus 2018 en 12 september 2018 naar de Syrische autoriteiten is gegaan voor het aanvragen en verkrijgen van een nieuw paspoort.Dat eiser stelt dat hij onder de radar is gebleven voor zijn voormalig zakenpartner, kan hieraan niet afdoen. Dat de bedreiging te maken heeft met het feit dat de zakenpartner een praktiserend moslim is, is door eiser niet onderbouwd. Dat geldt eveneens voor de stelling van eiser dat zijn voormalig zakenpartner sinds de regimewisseling in Syrië hem nu wel kan bedreigen.\n\nHeeft de minister terecht overwogen dat eiser geen vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag?\n\n9. De rechtbank is van oordeel dat de minister op goede gronden heeft overwogen dat eiser geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag. In dit kader heeft de minister terecht gesteld dat na de val het regime van Assad op 9 december 2024 er in Syrië geen sprake meer is van verplichte militaire dienst of rekrutering.Hij heeft er daarbij terecht op gewezen dat informatie van de EUAAbevestigt dat de dienstplicht is beëindigd door de overgangsregering.De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat de vrees van eiser voor de dienstplicht van zijn zoon, naast het feit dat hij was vrijgesteld voor de militaire dienstplicht, niet aannemelijk is. Dat eiser op de zitting heeft gesteld dat de dienstplicht van zijn zoon reden was om Syrië te verlaten, doet hieraan niet af.\n\nHeeft de minister terecht overwogen dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico op ernstige schade loopt?\n\n10. De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats een oordeel heeft gegeven over de gradatie van willekeurig geweld in Syrië.In die uitspraak heeft de rechtbank aan de hand van hetgeen was aangevoerd geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de minister de situatie in Syrië ten onrechte heeft gekwalificeerd als een 15c-situatie in de laagste gradatie. Het na de uitspraak van de meervoudige kamer verschenen ambtsberichtmaakt dit niet anders, nu de minister in het bestreden besluit heeft verwezen naar dat ambtsbericht. De rechtbank verwijst verder naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 19 mei 2026.Daarbij betrekt de rechtbank ambtshalve het COI-rapport van 19 mei 2026, waaruit weliswaar blijkt dat er een duidelijke geweldspiek was in onder andere Aleppo tijdens het offensief van de overgangsregering in januari 2026, maar dat dit geweld aanzienlijk afnam na het sluiten van het alomvattende akkoord op 30 januari 2026. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 19 juni 2026.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. E.A. Ruiter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n ECLI:EU:C:2026:447 en ECLI:EU:C:2026:448.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1012.\n\n Nader gehoor, p. 11-13 en p. 14-19.\n\n Nader gehoor, p. 4 en 8.\n\n Nader gehoor, p. 9.\n\n Aanmeldgehoor, p. 13.\n\n Aanmeldgehoor, p. 2 en 3.\n\n Aanmeldgehoor, p. 11.\n\n Algemeen ambtsbericht Syrië van 29 mei 2025, p. 33. Zie ook het Algemeen ambtsbericht Syrië van januari 2026, p. 26.\n\n European Union Agency for Asylum.\n\n Interim Country Guidance: Syria, p. 29-30.\n\n Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, 9 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23466.\n\n Algemeen ambtsbericht Syrië van januari 2026.\n\n ECLI:NL:RBDHA:2026:12595. Zie ook de uitspraak van zittingsplaats Den Haag van 20 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9954.\n\n COI-Focus Syrië, De situatie in Noordoost-Syrië (voormalig DAANES-gebied), p. 2.\n\nECLI:NL:RBDHA:2026:16583.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18694","ecli-nl-rbdha-2026-18694",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":39,"ecli":40,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":41,"language":7,"source":17,"sourceUrl":42,"summary":14,"slug":43,"metadata":44},"601","ECLI:NL:RBDHA:2026:18696","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.7916\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam] , eiser,\n\ngeboren op [geboortedatum] ,\n\nvan Nigeriaanse nationaliteit,\n\nV-nummer: [nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).\n\nSamenvatting\n\nDeze uitspraak gaat over het buiten behandeling laten van de opvolgende asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt het beroep. De rechtbank komt tot het oordeel dat het buiten behandeling laten van de asielaanvraag in stand kan blijven, omdat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat de asielaanvraag niet compleet is. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond.\n\nProcesverloop\n\n1. Eiser heeft eerder, namelijk op 27 juli 2022, een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 27 november 2024 afgewezen als ongegrond. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 9 juli 2025 is het daartegen door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard.Tegen deze uitspraak heeft eiser geen hoger beroep ingesteld. Daarmee staat het besluit van 27 november 2024 in rechte vast.\n\n1.1.. Op 28 januari 2026 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 5 februari 2026 buiten behandeling gesteld.\n\n1.2.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.Hierop volgt afzonderlijk een uitspraak.\n\n1.3.. De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook was er een tolk aanwezig. Het onderzoek is op zitting gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Eiser legt aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag dat hij biseksueel is, dat sprake is van identiteitsgroei en dat hij door de contacten met de lhbti-gemeenschap beter kan verklaren over zijn gevoelens en gedachten.\n\nHet bestreden besluit\n\n3. De minister heeft de opvolgende asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld, omdat de aanvraag volgens hem niet compleet was. Eiser heeft volgens de minister geen persoonlijke en concrete toelichting gegeven over de reden waarom hij opnieuw asiel heeft gevraagd. Uit de door eiser bij de zienswijze overgelegde e-mails van zijn ex-partner en partner is hiervan nog altijd niet gebleken.\n\nBeoordeling van het beroep\n\n4. Eiser voert aan dat de minister zijn asielaanvraag buiten behandeling heeft gesteld, zonder hem eerst in de gelegenheid te stellen zijn aanvraag nader toe te lichten met een gehoor opvolgende aanvraag. Hij wijst erop dat het gehoor juist bedoeld is om duidelijkheid te verkrijgen over de asielmotieven. Bij een opvolgende aanvraag met de gestelde seksuele geaardheid als asielmotief leent het formulier M35-O zich niet goed voor het volledig onderbouwen van dat asielmotief. Eiser beschikt over een affidavit, een beëdigde verklaring van zijn biologische moeder, om zijn gestelde biseksuele geaardheid nader te onderbouwen.\n\n5. Op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, zoals dat luidde tot 12 juni 2026, heeft de minister de bevoegdheid om een asielaanvraag buiten behandeling te stellen wanneer de vreemdeling nalaat om de voor zijn asielaanvraag van wezenlijk belang zijnde informatie te verstrekken.\n\n5.1.. Uit de uitspraak van de Afdelingvan 21 februari 2019volgt dat van een vreemdeling kan worden verwacht dat hij, op het moment dat hij met het formulier M35-O een opvolgende aanvraag indient, in of bij dat formulier toelicht om welke redenen hij een opvolgende aanvraag indient en dat daarbij zo nodig bewijsmiddelen moeten zijn gevoegd. Uit die uitspraak volgt ook dat de minister een aanvraag buiten behandeling kan stellen, als de informatie die een vreemdeling heeft verstrekt bij het formulier M35-O onvoldoende is om de asielaanvraag inhoudelijk te behandelen, en een vreemdeling ook naar aanleiding van een later verzoek om informatie, bijvoorbeeld in het voornemen, in gebreke blijft die nadere informatie te verstrekken. De minister handelt dan ook niet onzorgvuldig door de (opvolgende) aanvraag niet inhoudelijk te behandelen.\n\n6. De rechtbank is van oordeel dat de minister de opvolgende asielaanvraag van eiser buiten behandeling heeft mogen stellen. In het bestreden besluit, en in het voornemen van 28 januari 2026, heeft de minister dat voldoende deugdelijk gemotiveerd.\n\n6.1.. De minister heeft bij zijn standpunt kunnen betrekken dat eiser op het formulier M35-O heeft ingevuld dat sprake is van identiteitsgroei en dat hij beter kan verklaren over zijn gevoelens en gedachten, en dat eiser hiermee geen persoonlijke en concrete toelichting heeft gegeven over de reden waarom hij opnieuw asiel heeft aangevraagd, zoals bedoeld in WI2023\u002F7. Daarbij heeft de minister kunnen stellen dat eiser met de bij de zienswijze overgelegde e-mails, die zijn geschreven door zijn ex-partner en partner, geen concrete en persoonlijke toelichting heeft gegeven en zijn aanvraag niet alsnog compleet heeft gemaakt. De minister heeft in dit verband van belang mogen vinden dat met de e-mails een persoonlijke verklaring mist vanuit eisers kant waarin hij zijn identiteitsgroei toelicht. De stelling van eiser dat de minister hem de gelegenheid had moeten geven om zijn gestelde biseksuele geaardheid als asielmotief nader toe te lichten met een gehoor opvolgende aanvraag, heeft de minister niet hoeven volgen. De gemachtigde van de minister heeft op de zitting gesteld dat eiser op het formulier M35-O en met de zienswijze geen persoonlijke toelichting heeft gegeven waarom bij hem sprake is van identiteitsgroei, waaruit dat bestaat en waaruit de contacten van eiser met de lhbti-gemeenschap bestaan. De rechtbank volgt de gemachtigde van de minister hierin. Dat eiser in beroep een affidavit, een beëdigde verklaring van zijn biologische moeder, ter onderbouwing van de door hem gestelde (bi)seksuele geaardheid heeft overgelegd, doet hieraan niet af. Zoals de gemachtigde van de minister op de zitting heeft gesteld, ziet de verklaring van de moeder op wat eiser in Nigeria zou hebben meegemaakt en niet op zijn identiteitsgroei. Zij heeft daarbij benadrukt dat in de eerdere asielprocedure de gestelde biseksuele gerichtheid van eiser niet geloofwaardig is bevonden. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat hij met de in beroep overgelegde affidavit van de biologische moeder van eiser geen reden heeft hoeven zien om zijn opvolgende asielaanvraag alsnog in behandeling te nemen. De stelling van eiser op de zitting dat hij niet meer heeft kunnen doen dan wat hij op het formulier M35-O heeft ingevuld en wat hij in de zienswijze heeft aangevoerd, leidt – gelet op wat hiervoor is overwogen – niet tot een ander oordeel. Hoewel het formulier M35-O niet bedoeld is om de asielmotieven volledig te onderbouwen, had eiser op dat formulier dan wel in de zienswijze een persoonlijke en concrete toelichting en onderbouwing moeten geven over zijn gestelde identiteitsgroei. Dat heeft eiser niet gedaan.Conclusie en gevolgen\n\n7. De minister heeft de opvolgende aanvraag van eiser buiten behandeling mogen stellen. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. E.A. Ruiter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Zaaknummer NL24.51168.\n\n Op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Zaaknummer NL26.7917.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2019:574.\n\n Werkinstructie 2023\u002F7 Opvolgende asielaanvragen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18696","ecli-nl-rbdha-2026-18696",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":46,"ecli":47,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":48,"language":7,"source":17,"sourceUrl":49,"summary":14,"slug":50,"metadata":51},"610","ECLI:NL:RBDHA:2026:18753","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.457\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], opposante, V-nummer: [nummer], (gemachtigde:mr. E.R. Hagenaars),\n\ntegen de uitspraak van de rechtbank van 18 februari 2026 in het geding tussen\n\nopposante\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. Deze uitspraak op het verzet van opposante gaat over de uitspraak van de rechtbank van 18 februari 2026 waarin de rechtbank het beroep van opposante tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond heeft verklaard.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het verzet op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: T.C. Vosman namens de minister, opposante en gemachtigde zijn niet verschenen.Beoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 18 februari 2026 terecht is geoordeeld dat de opgelegde beslistermijn van acht weken buiten redelijke twijfel terecht is vastgesteld. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank in deze zaak pas toe als het verzet gegrond is.\n\n3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nHet beroep van opposante\n\n4. In de uitspraak van 23 september 2025 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, het beroep van opposante tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard. De rechtbank heeft de minister opgelegd om binnen twee weken na de uitspraak een besluit te nemen op de aanvraag.\n\n5. Op 5 januari 2026 heeft eiser een opvolgend beroep niet tijdig beslissen ingediend. In de uitspraak van 18 februari 2026 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, het beroep van opposante gegrond verklaard.\n\nDe uitspraak van 18 februari 2026\n\n6. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Dat is toegestaan wanneer het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft het beroep kennelijk gegrond verklaard. De reden hiervoor is dat de rechtbank heeft vastgesteld dat de beslistermijn is verstreken. De minister dient binnen acht weken na de dag van de uitspraak alsnog een besluit nemen op de aanvraag.\n\n7. De rechtbank heeft bij het bepalen van de beslistermijn aansluiting gezocht bij het Arnhemse sporenmodel, dat door de Afdelingals een redelijk uitgangspunt wordt beschouwd.\n\nGronden verzet\n\n8. Opposante stelt dat verweerder, gelet op de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 september 2025, reeds binnen twee weken een besluit had moeten nemen, maar dit heeft nagelaten. De in de uitspraak van 18 februari 2026 gestelde termijn van acht weken is volgens opposante daarom te ruim en in strijd met het doel van de procedure, namelijk het via een financiële prikkel afdwingen van tijdige besluitvorming. Opposante verzoekt om verkorting van deze beslistermijn.\n\nBeoordeling verzet\n\n9. De verzetsmogelijkheid strekt er uitsluitend toe te beoordelen of de bestuursrechter terecht tot een vereenvoudigde behandeling is overgegaan. Daarbij staat alleen ter beoordeling of de eerdere uitspraak kennelijk juist was. De verzetsrechter beoordeelt dus niet opnieuw de zaak in volle omgang, maar uitsluitend of redelijkerwijs geen twijfel kon bestaan over de uitkomst van de eerdere beslissing.\n\n10. In hetgeen opposante heeft aangevoerd ziet de verzetsrechter geen aanleiding om te twijfelen over de kennelijke uitkomst. Dat in een eerdere uitspraak een beslistermijn van twee weken is opgelegd doet hier niet aan af.\n\nConclusie en gevolgen\n\n11. Het verzet is ongegrond.\n\n12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het verzet ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van\n\nA.W. Landman, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n12.1.\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n NL25.605.\n\n Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:2337 en ECLI:NL:RBDHA:2023:3590.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18753","ecli-nl-rbdha-2026-18753",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":53,"ecli":54,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":55,"language":7,"source":17,"sourceUrl":56,"summary":14,"slug":57,"metadata":58},"458","ECLI:NL:RBDHA:2026:18728","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.30898\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam] , eiser,\n\ngeboren op [geboortedatum] ,\n\nvan Marokkaanse nationaliteit,\n\nV-nummer: [nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. H.W. Omvlee),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. M.W.M. Weerman).\n\nProcesverloop\n\n1. Bij besluit van 10 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van de Vw(de vrijheidsbeperkende maatregel).\n\n1.1.. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.\n\n1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\nOverwegingen\n\n2. De rechtbank overweegt dat de minister door middel van de vrijheidsbeperkende maatregel aan eiser heeft verplicht om met ingang van 10 mei 2026 te verblijven in de HTLin Hoogeveen. Daarmee hangt samen het plaatsingsbesluit van het COavan 10 mei 2026. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser geen beroep heeft ingesteld tegen het plaatsingsbesluit en dat de termijn daarvoor inmiddels is verstreken. Daarom staat het plaatsingsbesluit in rechte vast en dient de rechtbank uit te gaan van de rechtmatigheid daarvan.\n\n3. De oplegging van de onderhavige vrijheidsbeperkende maatregel houdt verband met het in rechte onaantastbaar geworden COa-plaatsingsbesluit. Nu de rechtbank moet uitgaan van de rechtmatigheid van het plaatsingsbesluit, kan niet geoordeeld worden dat de vrijheidsbeperkende maatregel, waaraan het plaatsingsbesluit ten grondslag ligt, ten onrechte of op onjuiste grondslag is genomen. De beroepsgronden die zien op de HTL-plaatsing en de gevolgen\u002Fbeperkingen die eiser hierdoor ondervindt liggen in onderhavige procedure niet ter toetsing voor, nu deze betrekking hebben op het in rechte onaantastbaar geworden plaatsingsbesluit en\u002Fof geen verband houden met de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel bij het bestreden besluit.\n\nConclusie en gevolgen\n\n4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.Beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van\n\nR. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n Handhaving- en Toezichtlocatie.\n\n Centraal Orgaan opvang asielzoekers.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18728","ecli-nl-rbdha-2026-18728",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":60,"ecli":61,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":62,"language":7,"source":17,"sourceUrl":63,"summary":14,"slug":64,"metadata":65},"305","ECLI:NL:RBDHA:2026:18719","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.62090\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam], eiseres,geboren op [geboortedatum], van Oekraïense nationaliteit, V-nummer: [nummer],\n\n(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. J.H.A. van Eijk).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister om eiseres geen bescherming te bieden als bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming(hierna: RTB). Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de minister in stand kan blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft de Oekraïense nationaliteit. Zij heeft aangegeven dat ze in Nederland wilt verblijven onder de RTB. De minister heeft op 12 februari 2025 beslist dat eiseres niet in aanmerking komt hiervoor. Met het bestreden besluit van 20 november 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij dat besluit gebleven.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld, gelijktijdig met het verzoek om voorlopige voorziening.Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister deelgenomen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet bestreden besluit\n\n3. De minister vindt dat eiseres niet onder de RTB valt. De minister is er niet van overtuigd dat eiseres door de oorlog ontheemd is geraakt oftewel gedwongen haar woonplek moest verlaten. Eiseres stelt voor het eerst uit Oekraïne te zijn vertrokken op 23 september 2024. Volgens de minister heeft eiseres echter niet kunnen aantonen dat zij voor haar vertrek in Oekraïne heeft gewoond. Ook uit het overgelegde paspoort dat is afgegeven op 20 augustus 2024 kan niet worden opgemaakt hoe lang en of eiseres duurzaam in Oekraïne heeft verbleven. In dit geval is er een recent uitgegeven paspoort en een uitreisstempel vlak daarna (23 september 2024). Daarom is er volgens de minister additioneel bewijs nodig waarmee aangetoond kan worden dat eiseres in de periode voorafgaand aan de uitgifte van haar paspoort duurzaam in Oekraïne heeft geleefd. Hierbij wordt er beoordeeld vanaf de periode 27 november 2021tot de uitgiftedatum van het paspoort van eiseres op 20 augustus 2024. De minister stelt dat eiseres het duurzaam verblijf niet heeft aangetoond en dus niet behoort tot één van de groepen ontheemden uit Oekraïne die recht hebben op tijdelijke bescherming in Nederland.Het beroep van eiseres\n\n4. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat zij niet onder de RTB valt. Eiseres vindt dat dat de minister een te strenge eis hanteert door van haar te verlangen dat zij over de gehele periode moet aantonen dat zij in Oekraïne verbleef. Eiseres stelt dat de minister een geloofwaardigheidstoets als bedoeld in WI2024\u002F6zou moeten verrichten. Volgens eiseres hoeft zij op grond van WI 2025\u002F6enkel aannemelijk te maken dat het feitelijke centrum van haar leven in Oekraïne was. Eiseres stelt dat ze verschillende bewijzen heeft overgelegd en dat de bewijslast daarom nu niet meer bij haar, maar bij de minister ligt. De minister moet aantonen dat eiseres niet in Oekraïne woonde.Toetsingskader\n\n5. De RTB biedt minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming bij massale toestroom van ontheemden.Uit de Richtlijn volgt dat het begrip ‘ontheemde’ van toepassing is op iemand die zijn land of regio van oorsprong heeft moeten verlaten als gevolg van – voor zover in eiseres geval relevant – een gewapend conflict.Door de inval van Rusland in Oekraïne op 24 februari 2022 werd de Europese Unie geconfronteerd met een groeiende toestroom van Oekraïense burgers en derdelanders die op dat moment al dan niet legaal in Oekraïne verbleven. De Raad van de Europese Unie heeft daarom in een Uitvoeringsbesluitvan 4 maart 2022 besloten de RTB toe te passen op ontheemden uit Oekraïne. Uit het Uitvoeringsbesluit blijkt dat Oekraïense onderdanen die voor 24 februari 2022 in Oekraïne verbleven tijdelijke bescherming moeten krijgen.Nederland heeft gebruik gemaakt van de mogelijkheidom die bescherming uit te breiden door te bepalen dat ook tijdelijke bescherming wordt toegekend aan Oekraïners die Oekraïne na 26 november 2021 zijn ontvlucht of in de periode van 27 november 2021 tot en met 23 februari 2022 naar het grondgebied van de Unie zijn gereisd. De uitwerking van deze keuze is opgenomen in artikel 3.9a van het VV.Oekraïners die vóór 27 november 2021 elders in Europaverbleven vallen niet onder de Richtlijn.\n\nOordeel van de rechtbank\n\n6. Tussen partijen staat niet ter discussie dat eiseres een Oekraïense onderdaan is. Geschilpunt is of zij voor haar vertrek duurzaam in Oekraïne verbleef en of zij als ontheemde als bedoeld in de RTB kan worden aangemerkt. Meer concreet ligt ter beoordeling voor of eiseres haar duurzame verblijf in Oekraïne voldoende heeft bewezen.Geloofwaardigheidsbeoordeling\n\n7. De rechtbank overweegt dat eiseres haar gronden met betrekking tot de geloofwaardigheidsbeoordeling in het kader van het Unierecht en WI 2024\u002F6 niet opgaan, nu deze zaak niet de asielaanvraag van eiseres behandelt. Het ‘voordeel van de twijfel’ in het licht van de geloofwaardigheidsbeoordeling is dan ook niet aan de orde. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiseres toegelicht dat het begrip voordeel van de twijfel ook een rol speelt bij de omkering van de bewijslast. Daar gaat de rechtbank hierna op in.Bewijslast\n\n8. Zoals uit het hiervoor opgenomen toetsingskader volgt, is de RTB alleen van toepassing op ontheemden. Om als ontheemde in de zin van de RTB te kunnen worden aangemerkt, moet kunnen worden vastgesteld dat eiseres in een bepaalde periode haar hoofdverblijf in Oekraïne had. Tussen partijen staat niet er discussie dat de bewijslast bij eiseres ligt. Eiseres vindt dat zij haar duurzaam verblijf in Oekraïne aannemelijk heeft gemaakt en dat de bewijslast daarom is omgekeerd en de minister het tegendeel moet bewijzen. De minister stelt dat eiseres het duurzaam verblijf niet aannemelijk heeft gemaakt of heeft aangetoond. Volgens de minister geldt het strengere criterium van ‘aantonen’. De minister leidt dit af uit het feit dat het onder de RTB, gelet op de grote toestroom van ontheemden onder de RTB, niet de bedoeling is een uitgebreide individuele beoordeling te maken. De minister verwijst in dit kader ook naar de preambule van het Uitvoeringsbesluit.Eiseres is het met de minister eens dat het onder de RTB niet de bedoeling is een uitgebreide individuele toets te maken, maar betoogt in dat kader dat als dat toch noodzakelijk wordt geacht, zoals hier, dat dan de bewijslast omkeert en bij de minister ligt. Uit de door de minister aangehaalde passage in de preambule volgt volgens eiseres niet dat het criterium ‘aantonen’ van toepassing is, omdat deze overweging op derdelanders ziet.\n\n8.1.. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht stelt dat eiseres met haar verklaringen en bewijsstukken niet heeft aangetoond dat zij Oekraïne niet vóór 27 november 2021 heeft verlaten en zij heeft ook niet kunnen aantonen dat zij vóór 23 september 2024 - de datum waarop zij stelt te zijn vertrokken uit Oekraïne - duurzaam in Oekraïne heeft gewoond. De minister heeft in het bestreden besluit uitgebreid gemotiveerd, waarom de door eiseres overgelegde bewijsstukken onvoldoende zijn. Zoals de minister terecht heeft overwogen, zien maar een paar van de bewijsstukken op het verblijf in Oekraïne in de periode tussen 27 november 2021 en 20 augustus 2024 (datum afgifte paspoort) of 23 september 2024 (datum van vertrek). De bonnen van pintransacties, foto’s, de verklaring van eiseres haar broer en de overige stukken zijn onvoldoende, om vast te stellen dat eiseres duurzaam in Oekraïne verbleef. Bovendien kan met de afgifte van eiseres haar paspoort op 20 augustus 2024, enkel vastgesteld worden dat zij toen haar paspoort in ontvangst heeft genomen, maar niet dat zij toen duurzaam in Oekraïne verbleef.\n\n8.2.. Nu eiseres onvoldoende bewijs heeft aangeleverd, is het niet relevant of zij haar duurzame verblijf in Oekraïne vóór 27 november 2021 moest aantonen of aannemelijk maken. Aan beide criteria heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat zij haar duurzaam verblijf aannemelijk heeft gemaakt of een begin van bewijs heeft geleverd, waardoor de bewijslast niet langer op haar, maar op de minister rust.8.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister op goede gronden besloten dat eiseres niet onder de RTB valt. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Zij krijgt ook het griffierecht niet terug en geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr.M. Veenstra - van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nOpenbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Richtlijn 2001\u002F55\u002FEG van de Raad van 20 juli 2001, betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.\n\n NL25.16846.\n\n De door de IND vastgestelde peildatum die volgt uit WI 2025\u002F6 Oekraïne en de Richtlijn tijdelijke bescherming.\n\n Artikel 3.9a van het Voorschrift Vreemdelingen 2000.\n\n Werkinstructie.\n\n WI 2024\u002F6 Geloofwaardigheidsbeoordeling (asiel).\n\n WI 2025\u002F6 Oekraïne en de Richtlijn Tijdelijke Bescherming.\n\n Artikel 1 van de RTB.\n\n Artikel 2, onder c, van de RTB.\n\n Uitvoeringsbesluit (EU) 2022\u002F382 van de Raad van 4 maart 2022 tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden uit Oekraïne in de zin van artikel 5 van Richtlijn 2001\u002F55\u002FEG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan.\n\n Artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit.\n\n Artikel 7, eerste lid, van de Richtlijn en artikel 2, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit.\n\n het Voorschrift Vreemdelingen 2000.\n\n Buiten Nederland, zie artikel 3.9a, eerste lid onder b van het VV.\n\n Zie overweging 12.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18719","ecli-nl-rbdha-2026-18719",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":67,"ecli":68,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":69,"language":7,"source":17,"sourceUrl":70,"summary":14,"slug":71,"metadata":72},"307","ECLI:NL:RBDHA:2026:18720","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.16846\n uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n [naam], V-nummer: [nummer], verzoekster,\n\n(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: J.H.A. van Eijk).\n\nProcesverloop\n\n1. Verzoekster heeft aangegeven dat ze in Nederland wilt verblijven onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. De minister heeft op 12 februari 2025 beslist dat verzoekster niet in aanmerking komt hiervoor. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en hangende bezwaar de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.1.1.. Met het bestreden besluit van 20 november 2025 op het bezwaar van verzoekster is de minister bij het besluit gebleven.\n\n1.2.. Het verzoek om voorlopige voorziening dat is ingediend tijdens de bezwaarprocedure wordt op grond van artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht gelijkgesteld met een verzoek dat is gedaan hangende het beroep bij de bestuursrechter. De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met de behandeling van de zaak NL25.62090, op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van de minister deelgenomen.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.62090, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.\n\n2.1.. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.M. Veenstra - van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nOpenbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18720","ecli-nl-rbdha-2026-18720",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":74,"ecli":75,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":76,"language":7,"source":17,"sourceUrl":77,"summary":14,"slug":78,"metadata":79},"352","ECLI:NL:RBDHA:2026:18722","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20807\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], verzoekster,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. Bij besluit van 7 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.\n\n2. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n3. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.\n\n4. De rechtspraak heeft vandaag uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.\n\n5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. mr. A. Sibma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van\n\nmr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Dit beroep is geregistreerd onder kenmerk NL26.20806.\n\n Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18722","ecli-nl-rbdha-2026-18722",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":81,"ecli":82,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":83,"language":7,"source":17,"sourceUrl":84,"summary":14,"slug":85,"metadata":86},"602","ECLI:NL:RBDHA:2026:18697","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.7917\n uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n \n [naam] , verzoeker,\n\ngeboren op [geboortedatum] ,\n\nvan Nigeriaanse nationaliteit,\n\nV-nummer: [nummer] ,\n\n(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).\n\nInleiding\n\n1. Met het besluit van 5 februari 2026 (bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd buiten behandeling gesteld.\n\n1.1.. Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 juli 2026, samen met het beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de minister. Ook was er een tolk aanwezig. Het onderzoek is op zitting gesloten.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL26.7916, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Het beroep is daarbij ongegrond verklaard. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.\n\n3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtpsraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Zaaknummer NL26.7916.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18697","ecli-nl-rbdha-2026-18697",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":88,"ecli":89,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":90,"language":7,"source":17,"sourceUrl":91,"summary":14,"slug":92,"metadata":93},"614","ECLI:NL:RBDHA:2026:18758","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL25.63151\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], verzoeker\n\nV-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. E. Ebes),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om de minister te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten.\n\n1.1.. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen de kennelijk ongegrondverklaring van zijn asielaanvraag. De minister heeft dit besluit op 9 juni 2026 ingetrokken. Verzoeker heeft daarop het beroep ingetrokken en daarbij gevraagd om de minister te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten.\n\n3. De minister heeft het besluit na het indienen van het beroep ingetrokken. Hieraan\n\nlegt de minister ten grondslag dat vanaf 23 maart 2026 voor Iran een besluit- en vertrekmoratorium voor de duur van zes maanden van kracht is. Op dit moment is onzeker hoe de situatie in Iran zich gaat ontwikkelen en welke gevolgen dat heeft voor de beoordeling van verzoeken om internationale bescherming. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank sprake is van (een situatie die is gelijk te stellen met) tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht. De minister dient daarom de proceskosten van verzoeker te betalen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n4. Het verzoek wordt toegewezen. De minister moet de door verzoeker gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van\n\n€ 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDeze uitspraak is bekendgemaakt op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nAls u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.\n\nArtikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).\n\n Artikel 8:75 en 8:75a van de Awb, nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht.\n\n Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18758","ecli-nl-rbdha-2026-18758",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":95,"ecli":96,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":97,"language":7,"source":17,"sourceUrl":98,"summary":14,"slug":99,"metadata":100},"883","ECLI:NL:RBDHA:2026:18705","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.10358\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam], eiser,geboren op [geboortedatum],van Algerijnse nationaliteit,V-nummer: [nummer],\n\n(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het buiten behandeling laten van de asielaanvraag. Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk, omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact meer heeft met zijn gemachtigde. Daarom heeft eiser geen procesbelang meer bij het beroep. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 17 februari 2026 deze aanvraag buiten behandeling gesteld.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij zijn beroep. Volgens rechtspraak van de Afdelingmoet er in beginsel vanuit worden gegaan dat een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd daarop geen prijs meer stelt als die vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder de minister te laten weten waar bij verblijft. Dit is anders als een vreemdeling na die melding nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt over de procedure, tenzij er andere concrete aanknopingspunten zijn dat een vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij anderszins geen actueel en reëel belang meer heeft.3.1.. Op 25 maart 2026 heeft de minister de rechtbank laten weten dat eiser met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken. De gemachtigde van eiser heeft de rechtbank vervolgens op 16 juni 2026 meegedeeld dat eiser hem heeft laten weten dat hij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep wenst. Op de vraag van de rechtbank of de gemachtigde op dit moment nog contact heeft met eiser, heeft de gemachtigde op 29 juni 2026 als volgt gereageerd: “Op dit moment kan ik geen contact krijgen met eiser. Eerder liet hij mij weten wel een inhoudelijk oordeel te wensen op zijn beroep.”\n\n3.2.. Uit de berichten van de gemachtigde blijkt niet dat hij na de MOB-melding of recent nog contact heeft gehad met eiser. Gelet op de hiervoor aangehaalde rechtspraak is de rechtbank van oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij het beroep.\n\nConclusie en gevolgen\n\n4. Het beroep is niet-ontvankelijk, omdat eiser geen procesbelang meer heeft. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr.M. Veenstra - van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nOpenbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Op grond van artikel 8:57 Algemene wet bestuursrecht.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18705","ecli-nl-rbdha-2026-18705",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":102,"ecli":103,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":104,"language":7,"source":17,"sourceUrl":105,"summary":14,"slug":106,"metadata":107},"891","ECLI:NL:RBDHA:2026:18706","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.10359\n uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n [naam], V-nummer: [nummer], verzoeker,\n\n(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nProcesverloop\n\n1. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft met het bestreden besluit van 17 februari 2026 deze aanvraag buiten behandeling gesteld. Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.1.. De voorzieningenrechter doet uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n2. Bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL26.10358, heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.\n\n2.1.. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.M. Veenstra - van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nOpenbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\n Op grond van artikel 8:57 Algemene wet bestuursrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18706","ecli-nl-rbdha-2026-18706",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":109,"ecli":110,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":111,"fullText":112,"language":7,"source":17,"sourceUrl":113,"summary":14,"slug":114,"metadata":115},"1069","ECLI:NL:RBDHA:2026:18634","2026-07-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.4934\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam], V-nummer: [nummer], eiseres,\n\n(gemachtigde: mr. G.E.M. Later),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. B.H. Wezeman).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de herhaalde asielaanvraagen de afwijzing van het verzoek om heroverweging van het besluit van 18 februari 2021 in de vorige asielprocedure van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij heeft daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep mede aan de hand van de beroepsgronden.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven, omdat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom hij de gestelde seksuele gerichtheid van eiseres niet geloofwaardig vindt. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres vage, oppervlakkige en op punten tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over haar gestelde seksuele gerichtheid. De minister mocht voorbijgaan aan de conclusie van het iMMO over het vermogen van eiseres om te verklaren, omdat deze conclusie niet voldoende is onderbouwd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiseres heeft op 19 juli 2023 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 21 januari 2026 in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.\n\n2.1.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n3. De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening.Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nHet asielrelaas\n\n4. Eiseres heeft op 19 juli 2023 een opvolgende asielaanvraag gedaan en de minister verzocht om heroverweging van het afwijzende besluit op haar eerste asielaanvraag van\n\n6 juli 2018. Zij heeft hieraan (opnieuw) ten grondslag gelegd dat zij lesbisch is en daardoor bij terugkeer naar Sierra Leone heeft te vrezen voor vervolging. Zij heeft bij haar aanvraag een iMMO-rapportovergelegd van 1 november 2022. Daaruit blijkt volgens eiseres dat haar relaas in de eerste procedure ten onrechte niet geloofwaardig is geacht. De conclusie van het iMMO-rapport is namelijk dat bij eiseres ten tijde van de gehoren in de vorige procedure sprake was van psychische en lichamelijke problemen, die zeer waarschijnlijk hebben geïnterfereerd met het vermogen van eiseres om compleet, coherent en consistent te verklaren. Verder heeft eiseres uitnodigingen voor bijeenkomsten van het COa, informatie van Fier Friesland, brieven van 1 oktober 2024, 30 december 2025 en 23 juni 2026 van Sandro Kortekaas van LGBT+ Asylum Support, twee uitspraken en een inwilligend besluit van haar gestelde partner en diverse foto’s overgelegd.\n\nHet bestreden besluit\n\n5. Het asielrelaas van eiseres bestaat volgens de minister uit de volgende relevante asielmotieven:\n\n1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;\n\n2. Lesbische gerichtheid.\n\n6. De minister vindt het eerste asielmotief geloofwaardig. De minister vindt de gestelde lesbische gerichtheid niet geloofwaardig, omdat de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Allereerst heeft eiseres volgens de minister feitelijk niet anders verklaard dan in de vorige procedure en heeft zij niet meer diepgang gegeven in haar gedachten en gevoelens over haar lesbische gerichtheid. De minister vindt dat uit de conclusie van het iMMO-rapport onvoldoende blijkt waarom en hoe de psychische en lichamelijke problemen van eiseres zouden hebben geïnterfereerd met haar vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren. Daarnaast geeft het rapport onvoldoende informatie over de littekens van eiseres. Daarom kan het rapport niet tot een andere beoordeling leiden dan in de eerdere procedure. Verder zijn de verklaringen van eiseres op meerdere punten tegenstrijdig en verklaart eiseres vaag en oppervlakkig over haar gestelde relatie in Nederland. De overgelegde stukken maken volgens de minister niet dat de gestelde seksuele gerichtheid van eiseres alsnog geloofwaardig moet worden geacht.\n\nDe toets door de rechtbank\n\n7. In het arrest van 4 juni 2026 in de zaak Ebilumheeft het Hof van Justitie van de Europese Unie overwogen dat de terughoudende toets, zoals de Nederlandse rechter die nu in asielzaken verricht, niet verenigbaar is met het Europese recht. In lijn met deze rechtspraak toetst de rechtbank het besluit daarom nu vol.Het besluit in de eerdere asielprocedure van eiseres\n\n8. De rechtbank Den Haag heeft in de eerdere asielprocedure van eiseres het beroep ongegrond heeft verklaard en geoordeeld dat de minister de seksuele gerichtheid van eiseres niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.De rechtbank heeft in deze uitspraak onder andere het volgende overwogen:\n\n“De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte stelt dat eiseres met haar verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij lesbisch is. Haar verklaringen over wat het voor haar betekende om te realiseren dat zij op vrouwen valt en daarmee anders is dan de meeste mensen om haar heen, zijn oppervlakkig.”\n\n(…)\n\n“Ook de verklaringen van eiseres over haar relatie met [naam] heeft verweerder niet ten onrechte als algemeen en oppervlakkig aangemerkt.”\n\n(…)\n\n“Met verweerder is de rechtbank verder van oordeel dat de stukken die eiseres heeft overgelegd\n\n-zoals foto’s met haar gestelde partner, van haar aanwezigheid bij de Gay Pride in Amsterdam en Leeuwarden en de verklaringen van het COC en het Wereldhuis- onvoldoende informatie van feitelijke aard bevatten om tot het conclusie te komen dat de gestelde seksuele gerichtheid toch geloofwaardig is.”\n\n(…)\n\n“Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder niet ten onrechte dat de verklaringen van eiseres over de betrapping door haar stiefmoeder vaag zijn.”\n\n(…)\n\n“Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank deugdelijk gemotiveerd dat niet aannemelijk is dat eiseres gedwongen is uitgehuwelijkt.”\n\n(…)\n\n“De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder niet ten onrechte stelt dat eiseres onvoldoende gedetailleerde en bevreemdende verklaringen heeft afgelegd over de betrapping door haar echtgenoot. (…) Daar komt bij dat eiseres tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over wie haar heeft verteld wat er is gebeurd nadat haar echtgenoot haar vriendin betrapte, (…) waar ze heeft verbleven en hoe lang. De verklaringen van eiseres over [naam], het verblijf bij [naam] en de uitreis heeft verweerder niet aannemelijk kunnen vinden, omdat de verklaringen van eiseres vaag zijn, weinig details bevatten en op bepaalde punten tegenstrijdig zijn.”\n\n9. Met deze uitspraak staat in rechte vast dat eiseres haar gestelde seksuele gerichtheid in de eerdere asielprocedure niet door middel van haar verklaringen en overgelegde documenten aannemelijk heeft gemaakt.\n\nHet iMMO-rapport en het vermogen van eiseres om te verklaren\n\n10. Eiseres voert aan dat uit het overgelegde iMMO-rapport blijkt dat de psychische en lichamelijke problemen van eiseres hebben geïnterfereerd met haar vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren. De minister heeft het iMMO-rapport ten onrechte naast zich neergelegd door te verwijzen naar een uitspraak van de Afdelingin een andere zaak. Er ligt een uitgebreid iMMO-rapport, waarin eiseres meer vertelt dan ze in haar eerste procedure kon. Ze is ook al geruime tijd in behandeling bij Fier, waardoor ze ook meer kan vertellen dan in de eerste procedure. De minister heeft volgens eiseres ook niks gedaan met de informatie van Fier.\n\n11. De rechtbank stelt voorop dat het iMMO-rapport een deskundigenrapport is. Wanneer een vreemdeling een iMMO-rapport inbrengt dat zorgvuldig tot stand is gekomen en dat naar inhoud inzichtelijk en concludent is, moet de minister de conclusie uit het rapport betrekken bij zijn beoordeling.\n\n11.1.. Het iMMO onderzoekt of lichamelijke bevindingen, zoals littekens of verwondingen, en psychische klachten passen bij de door de vreemdeling gestelde gebeurtenissen. Het iMMO stelt een rapport op aan de hand van een vaste vraagstelling, bestaande uit een A1-, A2- en B-vraag. De A1- en A2-vraag betreffen de mate waarin lichamelijke respectievelijk psychische klachten kunnen zijn voortgekomen uit het gestelde asielrelaas, aan de hand van de gradaties uit het Istanbul Protocol. De B-vraag gaat over het vermogen van de betrokken vreemdeling om te verklaren. Het iMMO onderzoekt onder de B-vraag of de lichamelijke en\u002Fof psychische klachten het vermogen van de vreemdeling om te verklaren ten tijde van het asielgehoor hebben beïnvloed.\n\n12. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat de minister in de besluitvorming is ingegaan op de conclusies uit het iMMO-rapport met betrekking tot de A- en de B-vraag. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank over de conclusie met betrekking tot de B-vraag kunnen verwijzen naar de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025.De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in de conclusie van het iMMO-rapport niet inzichtelijk is gemaakt waarom en in hoeverre de klachten van eiseres zouden hebben geleid tot een interferentie met haar vermogen om compleet, coherent en consistent over haar asielrelaas te verklaren. De enkele (werk-)diagnose PTSS is daarvoor niet voldoende.Hierdoor heeft eiseres met het iMMO-rapport niet onderbouwd dat haar medische problematiek heeft geïnterfereerd met haar vermogen om te verklaren. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank daarom terecht op het standpunt gesteld dat voorbijgegaan kan worden aan de conclusie van het iMMO op de B-vraag. De minister hoefde in de lichamelijke en psychische klachten van eiseres, zoals omschreven in het iMMO-rapport, ook geen aanleiding te zien om tot een andere beoordeling van de verklaringen van eiseres tijdens de eerdere asielprocedure te komen.\n\n13. De overgelegde informatie van Fier leidt niet tot een ander oordeel over het vermogen van eiseres om te verklaren. De rechtbank stelt vast dat de minister in de vorige procedure al informatie van Fier, waaruit blijkt dat eiseres klachten heeft die duiden op PTSS, bij de besluitvorming heeft betrokken. Uit de in de onderhavige procedure overgelegde informatie blijkt niet dat de psychische klachten van eiseres van invloed zijn (geweest) op haar vermogen om te verklaren. De stukken kunnen daarom niet leiden tot vernietiging van het besluit.\n\nHet referentiekader\n\n14. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte geen rekening heeft gehouden met haar referentiekader en met wat er gelet daarop van haar verwacht kan worden. Niet iedereen kan uitgebreid vertellen over wat er gebeurd is of over een relatie. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres toegelicht dat zij vindt dat de minister met name onvoldoende rekening heeft gehouden met de psychische problematiek en het opleidingsniveau van eiseres.\n\n15. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiseres. De minister heeft er daarbij op kunnen wijzen dat al in de eerdere procedure bekend was dat eiseres PTSS heeft en dat daarmee ook in de onderhavige procedure rekening is gehouden. Daarnaast is in het besluit van 18 februari 2021 ten aanzien van het referentiekader van eiseres al bij de beoordeling betrokken dat eiseres enkel de lagere school heeft afgerond. Eiseres heeft verder niet onderbouwd of concreet gemaakt wat de minister met het oog op haar referentiekader in de besluitvorming anders had moeten doen. De enkele stelling dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader kan daarom niet leiden tot vernietiging van het besluit. De geloofwaardigheid van de gestelde seksuele gerichtheid van eiseres\n\nDe geconstateerde tegenstrijdigheden\n\n16. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat zij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over het accepteren van haar gerichtheid. Eiseres verwijst ter onderbouwing naar de correcties en aanvullingen van 4 september 2019. Daaruit blijkt volgens haar dat haar verklaringen op dit punt helemaal niet tegenstrijdig zijn. De minister vermeldt volgens eiseres verder ten onrechte een tegenstrijdigheid met betrekking tot [naam]. Uit het iMMO-rapport blijkt dat eiseres inmiddels meer kan vertellen. [naam] was kennelijk de belangrijkste persoon in het huis en het is begrijpelijk dat eiseres daar nu meer over kan vertellen dan in de eerdere procedure.\n\n17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over het accepteren van haar gestelde gerichtheid. Eiseres heeft namelijk tijdens de eerste procedure verklaard dat zij tien jaar oud was toen zij zich realiseerde dat ze lesbisch was en haar gerichtheid accepteerde, terwijl zij bij de onderhavige aanvraag heeft verklaard dat zij zich pas rond de leeftijd van dertien, veertien of vijftien jaar realiseerde dat zij lesbisch was.De verwijzing van eiseres naar de correcties en aanvullingen van 4 september 2019 leidt niet tot een ander oordeel. De aangehaalde passage ziet immers op de aard en ontwikkeling van de relatie van eiseres met haar vriendin en niet op de realisatie of acceptatie van haar gerichtheid.\n\n17.1.. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister de verklaringen van eiseres over [naam] terecht tegenstrijdig heeft geacht. De minister heeft daarbij kunnen wijzen op verschillen in de verklaringen bij iMMO en tijdens het gehoor opvolgende aanvraag over of [naam] degene was die eiseres na de mishandeling verpleegde.De enkele stelling dat uit het iMMO-rapport blijkt dat eiseres meer kan vertellen dan tijdens de eerste procedure, neemt deze tegenstrijdigheid niet weg.\n\n17.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister gelet op het voorgaande de verklaringen van eiseres terecht ongeloofwaardig geacht. De rechtbank stelt daarbij vast dat eiseres de overige tegenwerpingen van de minister met betrekking tot haar verklaringen niet heeft betwist.\n\nDe gestelde relatie\n\n18. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte niets heeft gedaan met de overgelegde uitspraken en het inwilligende besluit in de zaak van de gestelde vriendin van eiseres. De minister acht het ten onrechte niet relevant dat eiseres in de uitspraken wordt genoemd als de vriendin. Nergens blijkt uit dat de relatie in die zaak niet geloofwaardig is geacht.\n\n19. De rechtbank stelt voorop dat de verklaringen van eiseres over haar relatie in de vorige asielprocedure reeds algemeen en oppervlakkig zijn geacht. De minister heeft in de overgelegde uitspraken en het feit dat de asielaanvraag van de gestelde vriendin van eiseres is ingewilligd, geen aanleiding hoeven zien voor een ander oordeel. Dat de aanvraag van de gestelde vriendin van eiseres is ingewilligd, maakt immers niet dat de minister de gerichtheid van eiseres ook aannemelijk moest vinden. De rechtbank vindt daarbij van belang dat de minister erop heeft gewezen dat in de procedure van de gestelde vriendin geen vragen zijn gesteld over de relatie en dat de relatie nergens geloofwaardig is geacht.\n\nDe overgelegde foto’s en rapporten van LGBT+ Asylum Support\n\n20. Eiseres voert aan dat de minister de overgelegde foto’s, de verklaringen en de rapporten van LGBT+ Asylum Support onvoldoende bij de beoordeling heeft betrokken. De heer Kortekaas van LGBT+ Asylum Support wordt volgens eiseres door de minister en door rechtbanken als deskundige beschouwd.\n\n21. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen in geschil is of de rapporten van LGBT+ Asylum Support moeten worden aangemerkt als deskundigenrapport. De minister heeft de rapporten van dhr. Kortekaas in het bestreden besluit aangemerkt als verklaringen van een derde en deze als zodanig betrokken bij de beoordeling.\n\n21.1.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de rapporten van dhr. Kortekaas over eiseres niet kunnen worden aangemerkt als deskundigenrapport. Niet is gebleken dat LGBT+ Asylum Support of dhr. Kortekaas deskundig zijn op het gebied van het vaststellen van iemands seksuele gerichtheid.De inhoud van de rapporten betreft met name een eigen beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiseres en kunnen daarom worden beschouwd als een standpunt van een derde, waaraan de minister beperkte waarde aan kon hechten.\n\n22. Naar het oordeel van de rechtbank hoefde de minister in de inhoud van de rapporten van LGBT+ Asylum Support verder geen aanleiding te zien om de gestelde seksuele gerichtheid van eiseres alsnog geloofwaardig te achten. De opmerking in de brief van 1 oktober 2024 dat eiseres de zitting bij de rechtbank in het beroep van haar gestelde partner heeft bijgewoond en de conclusie ‘verwijzend naar bijgevoegde foto, vanuit waarnemingen en gedrag daarbij overduidelijk een koppel’ maakt niet dat de gestelde gerichtheid van eiseres alsnog aannemelijk moet worden geacht. Deze conclusie is namelijk niet nader onderbouwd. De minister heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat, ook in geval van identiteitsgroei, de uitkomst van de eerdere procedure het uitgangspunt is. Hierbij is terecht getoetst of eiseres beter kon verklaren ten opzichte van de eerdere procedure en is de minister terecht tot de conclusie gekomen dat de verklaringen nog steeds summier en oppervlakkig zijn.\n\n23. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank tot slot terecht op het standpunt gesteld dat eiseres met de overgelegde foto’s en brieven van het COa haar gestelde seksuele gerichtheid niet alsnog aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft terecht overwogen dat de overgelegde documenten niet van doorslaggevende waarde zijn. De verklaringen en foto’s zeggen op zichzelf niets over de seksuele gerichtheid van eiseres en wegen daarom niet op tegen de ontoereikende verklaringen die zij heeft afgelegd.\n\nArtikel 8 van het EVRM\n\n24. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte niet heeft getoetst aan artikel 8 van het EVRM. Eiseres heeft in Nederland namelijk gezinsleven met haar partner en zij heeft ook privéleven opgebouwd.\n\n25. De beroepsgrond slaagt niet. De minister hoeft bij een opvolgende asielaanvraag niet ambtshalve te toetsen of eiseres in aanmerking komt voor verblijf op grond van artikel 8 van het EVRM.Als eiseres van mening is dat zij recht heeft op een verblijfsvergunning op grond van opgebouwd gezinsleven dan wel privéleven, staat het eiseres vrij om een daartoe strekkende aanvraag in te dienen.\n\nSchadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn\n\n26. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure.\n\n27. De rechtbank overweegt als volgt. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Als uitgangspunt geldt dat in zaken die uit twee rechterlijke instanties bestaan een totale lengte van de procedure van vier jaar redelijk is. Daarbij mag de behandeling van het beroep twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ook twee jaar duren. In asielzaken, waarin een voornemenprocedure wordt gevolgd en geen bezwaarschriftprocedure, vangt de redelijke termijn aan bij het indienen van het beroepschrift.\n\n27.1.. Naar het oordeel van de rechtbank was, gelet op het voorgaande, op het moment van het nemen van het bestreden besluit geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn en hoefde de minister niet in te gaan op het verzoek van eiseres om een vergoeding in dat kader.De minister heeft er in zoverre tijdens de zitting terecht op gewezen dat eiseres een ingebrekestelling had kunnen versturen en beroep had kunnen instellen wegens het niet tijdig beslissen door de minister.\n\n27.2.. Voor zover eiseres met de beroepsgrond heeft beoogd de rechtbank te verzoeken om een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe te kennen, wijst de rechtbank dit verzoek af. Eiseres heeft op 28 januari 2026 beroep ingesteld. De redelijke termijn is op de datum van de uitspraak van de rechtbank, 7 juli 2026, nog niet verstreken.\n\nConclusie\n\n28. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten. Eiseres krijgt ook geen vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, omdat de redelijke termijn niet is overschreden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C.\n\nDrenten - Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nOpenbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Deze datum staat hierboven. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).\n\n Zaaknummer NL26.4935.\n\n Rapport van forensisch medisch onderzoek van het Instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek.\n\n Zaaknummer C-440\u002F25.\n\n Zaaknummer NL21.4119.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:1472.\n\n Zie r.o. 11.1 van de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025.\n\n Zie p. 19 van het nader gehoor van 5 februari 2019.\n\n Zie p. 7 en 14 van het gehoor opvolgende aanvraag.\n\n Zie p. 21 van het gehoor opvolgende aanvraag en p. 2 van het iMMO-rapport.\n\n Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 24 juli 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:7321.\n\n Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats -’s Hertogenbosch, van 15 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11752.\n\n Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Zie artikel 3.6a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2276, onder 2 en 3 en van 8 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5913 onder 4.1.\n\n Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, r.o. 4.4.1.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18634","ecli-nl-rbdha-2026-18634",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":117,"ecli":118,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":111,"fullText":119,"language":7,"source":17,"sourceUrl":120,"summary":14,"slug":121,"metadata":122},"1173","ECLI:NL:RBDHA:2026:18650","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20085\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiser,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. P.A.J. Mulders),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. G.M. Bouius als waarnemer van de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.\n\n1.2.. Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Met ingang van 12 juni 2026gelden de regels die zijn neergelegd in Verordening (EU) 2024\u002F1351 betreffende asiel- en migratiebeheer (AMB-verordening).4.1.. Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de in Verordening (EU) nr. 604\u002F2013 (Dublinverordening) vastgelegde criteria.\n\n4.2.. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Duitsland op 10 februari 2026 een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 12 februari 2026 op grond van artikel 18, eerste lid, onder d van de Dublinverordening aanvaard.\n\nIs het bestreden besluit zorgvuldig tot stand gekomen?\n\n5. Eiser stelt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat hij niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. Eiser betwist dat hij voor de gehoren uitnodigingen heeft ontvangen.\n\n5.1.. Om de verantwoordelijke lidstaat gemakkelijker te kunnen bepalen, voert de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijk lidstaat is belast een persoonlijk onderhoud met de verzoeker.\n\n5.2.. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser is uitgenodigd voor de gehoren en dat het niet verschijnen voor zijn rekening en risico komt. In het verweerschrift van 29 juni 2026 is het verloop toegelicht. Subsidiair verzoekt de minister, als wel een gebrek wordt geconstateerd, artikel 6:22 van de Awb toe te passen. Op zitting is door eiser een reactie gegeven en is benadrukt dat (nog steeds) niet op deugdelijke wijze is onderbouwd dat eiser is uitgenodigd voor een persoonlijk onderhoud.\n\n5.3.. De rechtbank stelt vast dat in het dossier drie loopbrieven aanwezig zijn, welke niet zijn voorzien van een ondertekend ontvangstbewijs of andere verifieerbare bevestiging van ontvangst. Uit de door de minister in beroep overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt dat in het verwerkingssysteem Indigogeen officiële uitnodigingen zijn geregistreerd en dat evenmin ondertekende ontvangstbewijzen aanwezig zijn.\n\n5.4.. Gelet op deze informatie is naar het oordeel van de rechtbank niet met voldoende zekerheid vast te stellen dat eiser daadwerkelijk op een deugdelijke wijze is uitgenodigd voor de gehoren. De e-mailcorrespondentie biedt onvoldoende inzicht in de wijze van uitreiking en de concrete gang van zaken rondom het bezorgen van de uitnodigingen. Ook de overige stukken in het dossier, waaronder de twee rapporten “niet verschenen voor gehoor”, bieden daarvoor onvoldoende verifieerbare aanknopingspunten. Daarmee is sprake van een gebrek in de besluitvorming.\n\n5.5.. \n\nOmdat geen persoonlijk onderhoud heeft plaatsgevonden, heeft de rechtbank eiser ter zitting alsnog in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen de overdracht aan Duitsland toe te lichten.\n\nHierbij is -zakelijk weergegeven- het volgende gesprek met eiser gevoerd:\n\n“R: Eerst was u in Duitsland, daarna in Nederland. Waarom bent u naar Nederland gekomen?E: Ik had het daar heel moeilijk in Duitsland. De woonplek was ook moeilijk.\n\nR: Wat was de woonplek?E: Een klein dorp. Daar heb ik geen hulp gehad van de overheid, geen scholing en geen werk.\n\nR: Verveelde u zich daar?E: Dat klopt, het voelde als een gevangenis in eigen huis.\n\nR: Maar was het geen gevangenis?E: Dat klopt.\n\nR: Had u daar niets te doen?E: Nee, hier ga ik naar school en naar de sportschool.\n\nR: Is er verder nog iets waarom u niet naar Duitsland wilt?E: Nee.”\n\n5.6.. Gelet op het voorgaande heeft eiser zijn bezwaren tegen de overdracht in de beroepsfase alsnog ter zitting mondeling kunnen toelichten. Daarmee is het ontbreken van een persoonlijk onderhoud in de bestuurlijke fase in zoverre hersteld. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser ook reeds in de zienswijze en het beroepschrift de gelegenheid heeft gehad zijn standpunt naar voren te brengen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 te passeren.\n\nPsychische gesteldheid eiser\n\n6. Eiser heeft in de gronden van beroep van 16 april 2026 naar voren gebracht dat hij kampt met psychische klachten en last heeft van suïcidale gedachten. Daarbij is vermeld dat eiser zich inspant om deze klachten nader te onderbouwen. Volgens eiser is het niet verantwoord hem aan Duitsland over te dragen zonder nader onderzoek naar zijn psychische gesteldheid.\n\n6.1.. De Afdelingheeft overwogen dat niet kan worden uitgesloten dat de overdracht van een vreemdeling met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening op zichzelf bezien een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand kan inhouden. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. Vervolgens moet de minister bij het nemen van het overdrachtsbesluit beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.WI 2021\u002F3sluit hierop aan. Daarbij is uiteengezet wanneer wel en wanneer niet een BMA-onderzoek wordt opgestart.6.2.. Eiser heeft in onderhavige procedure zijn patiëntendossier overgelegd. Hierin is op 18 mei 2026 melding gemaakt van slaapproblemen en is onder meer vermeld dat eiser denkt dat dat komt door zijn geschiedenis en dat hij veel heeft meegemaakt in Libië en Italië. Gelet op het hiervoor geschetste toetsingskader heeft de minister in wat eiser naar voren heeft gebracht geen aanleiding hoeven zien om een BMA-onderzoek te starten of om van overdracht aan Duitsland af te zien. Deze beroepsgrond faalt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en mag worden overgedragen aan Duitsland.\n\n8. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb ziet de rechtbank wel aanleiding om de minister te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank;\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nveroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.20086.\n\n Rectificatie van Verordening (EU) 2024\u002F1351, 2025\u002F90929, 25 november 2025.\n\n Artikel 84 lid 2 van de AMB-verordening (overgangsmaatregelen).\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Artikel 5, eerste lid, van de Dublinverordening.\n\n Vgl. Hof van Justitie 30 november 2023, ECLI:EU:C:2023:934, § 118.\n\n Vgl. rechtbank Den Haag, zp Groningen, 11 oktober 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:16600.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).\n\n ABRvS 22 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2845.\n\n Werkinstructie 2021\u002F3 “BMA advies tijdens de Dublinprocedure n.a.v. arrest C.K.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18650","ecli-nl-rbdha-2026-18650",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":124,"ecli":125,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":111,"fullText":126,"language":7,"source":17,"sourceUrl":127,"summary":14,"slug":128,"metadata":129},"1176","ECLI:NL:RBDHA:2026:18652","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.19457\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiser,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. M.S. Dunant Maurits),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van de minister en de gemachtigde van eiser deelgenomen. Eiser is zelf niet verschenen.\n\n1.2.. Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Met ingang van 12 juni 2026 gelden de regels die zijn neergelegd in Verordening (EU) 2024\u002F1351 betreffende asiel- en migratiebeheer (AMB-verordening).4.1.. Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de in Verordening (EU) nr. 604\u002F2013 (Dublinverordening) vastgelegde criteria.\n\n4.2.. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland op 12 maart 2026 een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 16 maart 2026 op grond van artikel 18, eerste lid onder d, van de Dublinverordening aanvaard.\n\nZienswijze\n\n5. Voor zover eiser zijn zienswijze handhaaft, die ingaat op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, verwijst de rechtbank naar een eerder, op 19 juni 2026, gedane uitspraak.De rechtbank ziet geen aanleiding hierover thans anders te oordelen.\n\nArrest C.K.\n\n6. In de gronden van beroep heeft de gemachtigde van eiser zich toegespitst op de medische situatie van eiser en zich beroepen op het arrest C.K. tegen Slovenië. Daarbij is\n\nnaar voren gebracht dat eiser eerder, in Duitsland, is opgenomen na een suïcidepoging en\n\ndat er bij overdracht een reëel risico op decompensatie bestaat.6.1.. Eiser heeft in beroep medische stukken overgelegd over de behandeling in Duitsland. Uit een op 10 december 2025 gedateerde brief van een AMEOS-kliniek blijkt dat eiser van 2 tot 10 december 2025 is opgenomen geweest in een psychiatrisch ziekenhuis. In een op 22 januari 2026 gedateerde brief van een Helios-kliniek is vermeld dat eiser daar onder behandeling stond. Eiser is vervolgens naar Nederland gereisd en heeft hier op 31 januari 2026 (net als in Duitsland) asiel aangevraagd.6.2.. In het Nederlandse patiëntendossier is onder het kopje “psychische stoornissen”op 8 februari 2026 het volgende vermeld:“[eiser] gaf aan dat hij (…) nu geen acute zelfmoordneigingen heeft, maar dat hij meer toe is aan rust en veiligheid.”Verder is in het Nederlandse patiëntendossier onder het kopje“psychische stoornissen”op 17 maart 2026 het volgende vermeld:“Dhr zegt geen gedachten te hebben over zelfdoding, wil werken aan een betere toekomst.”\n\n6.3.. De Afdelingheeft overwogen dat uit het arrest C.K. volgt dat niet kan worden uitgesloten dat de overdracht van een vreemdeling met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening op zichzelf bezien een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand kan inhouden. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, bijvoorbeeld door aan te tonen met stukken van zijn behandelaar(s) dat er een reëel of hoog risico op suïcide bestaat als gevolg van zijn overdracht. Vervolgens moet de minister bij het nemen van het overdrachtsbesluit beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen.WI 2021\u002F3sluit hierop aan. Wanneer er door de behandelaar niet wordt gesproken over een reëel risico of verhoogd suïciderisico of waar dit onvoldoende is gerelateerd aan de daadwerkelijke overdracht, zal er geen BMA-onderzoek worden opgestart.\n\n6.4.. De minister heeft ter zitting naar voren gebracht dat uit de stukken niet blijkt dat er sprake is van een actieve medische behandeling of een verhoogd suïciderisico speelt. De overgelegde gegevens gaan terug tot 9 april 2026. Uit die gegevens blijkt verder vooral wat eiser zelf heeft verteld. Daaruit volgt volgens de minister niet dat wordt voldaan aan het in WI 2021\u002F3 neergelegde kader. Daarom wordt ook geen advies aan het BMA gevraagd.\n\n6.5.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de door hem overgelegde stukken geen objectieve gegevens overgelegd als hiervoor beschreven.Zo is nergens in de medische stukken door een behandelaar ingegaan op wat een overdracht aan Duitsland voor de gezondheidstoestand van eiser zou betekenen. Reeds gelet hierom kan het beroep op het arrest C.K. niet slagen.\n\nTarakhel\n\n7. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij als bijzonder kwetsbaar persoon in de zin van het arrest Tarakheldient te worden aangemerkt, zodat een individuele beoordeling van de zorg- en opvangsituatie bij overdracht is aangewezen.\n\n7.1.. In het arrest Tarakhelheeft het EHRMoverwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, indien de vreemdeling aantoont dat hij zonder die garanties geen toereikende zorg- en opvangbehoeften zal kunnen krijgen. In dit arrest ging het om een echtpaar met zes jonge kinderen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2015volgt dat het arrestTarakhelook van toepassing kan zijn op andere bijzonder kwetsbare personen.\n\n7.2.. In het bestreden besluit heeft de minister overwogen dat eiser geen recente medische documenten heeft overgelegd. Wel is eiser er op gewezen dat hij in Duitsland toegang heeft kunnen krijgen tot medische zorg en dat eiser niet heeft aangetoond dat hij de medische behandeling die hij nodig zou hebben in Duitsland niet kan krijgen. Daarbij is opgemerkt dat indien eiser hiervoor toestemming geeft, er op grond van artikel 32 van de Dublinverordening een uitwisseling van zijn medische gegevens kan plaatsvinden tussen Nederland en Duitsland. De autoriteiten van Duitsland worden dan voor de overdracht over eventuele bijzondere medische behoeften geïnformeerd. De minister wijst er daarbij op dat er ten aanzien van Duitsland nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.\n\n7.3.. De minister heeft ter zitting verder nog naar voren gebracht dat dit uit de in beroep overgelegde stukken onvoldoende blijkt dat eiser op dit moment bijzonder kwetsbaar is en aanvullende individuele garanties moeten worden verkregen van Duitsland.7.4.. \n\nDe rechtbank leest in de overgelegde stukken dat eiser in Duitsland (het afgelopen jaar) een behandeling heeft gekregen in twee behandelklinieken. Het Nederlandse patiëntendossier gaat niet verder dan 9 april 2026. De minister heeft reeds vermeld dat de autoriteiten voor de overdracht kunnen worden geïnformeerd over eventuele bijzondere medische behoeften. Hiervoor is al overwogen dat ten aanzien van Duitsland kan worden\n\nuitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Op basis van wat eiser heeft gesteld ziet de rechtbank dan ook geen grond te oordelen dat de minister voorafgaand aan de overdracht individuele garanties moet vragen.\n\nArtikel 17 Dublinverordening\n\n8. Eiser voert aan dat, gelet op de cumulatie van zijn individuele omstandigheden aanleiding bestaat voor toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening.8.1.. De minister heeft op de zitting naar voren gebracht daar geen aanleiding toe te zien. Daarmee blijft de minister bij het in het bestreden besluit ingenomen standpunt.8.2.. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door eiser aangevoerde omstandigheden geen aanleiding vormen om de asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen. De minister is op de door eiser gestelde persoonlijke ervaringen in Duitsland gemotiveerd ingegaan en heeft daarbij mogen verwijzen naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. De rechtbank ziet in hetgeen eiser naar voren heeft gebracht geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.19458.\n\n Artikel 84 lid 2 van de AMB-verordening (overgangsmaatregelen).\n\n ECLI:NL:RBDHA:2026:16626\n\n Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).\n\n ABRvS 22 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2845.\n\n Werkinstructie 2021\u002F3 “BMA advies tijdens de Dublinprocedure n.a.v. arrest C.K.\n\n ABRvS 21 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5635.\n\n EHRM 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.\n\n Europees Hof voor de Rechten van de Mens.\n\n ECLI:NL:RVS:2015:3806.\n\n Zie ook: ABRvS 20 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1595.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18652","ecli-nl-rbdha-2026-18652",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":131,"ecli":132,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":111,"fullText":133,"language":7,"source":17,"sourceUrl":134,"summary":14,"slug":135,"metadata":136},"1184","ECLI:NL:RBDHA:2026:18655","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20081\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam] eiser,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. M.R. Verdoner),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.Op het verzoek om een voorlopige voorziening te treffenwordt bij afzonderlijke uitspraak beslist.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het besluit van de minister in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening aanvaard.\n\nBeroepsgronden\n\n6. Eiser geeft aan in beroep al hetgeen hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht te herhalen. Eiser blijft van mening dat Kroatië zich niet houdt aan de richtlijnen. Eiser heeft toegelicht hoe hij in Kroatië door de politie is behandeld. Hieruit blijkt dat asielzoekers in Kroatië niet welkom zijn. Het is een doorreisland. Door zijn ervaringen in Kroatië en die in zijn land van herkomst voelde hij zich genoodzaakt elders bescherming te zoeken. Eiser stelt dat hij niet kan worden overgedragen aan Kroatië en dat deze overdracht leidt tot onevenredige hardheid. Volgens hem zullen hem bij terugkeer de voorzieningen en basishulp worden onthouden. Eiser stelt dat sprake is van structurele tekortkomingen op het gebied van de asielprocedure en voorzieningen inclusief opvang. De minister had toepassing moeten geven aan artikel 17 eerste lid van de Dublinverordening. Eiser wijst op AIDA-rapporten (updates 2023 en 2024) waaruit blijkt dat er in de jaren 2018 tot 2025 steeds maar vijf Soedanese asielzoekers waren. Sinds 2023 kreeg maar één Soedanese nationaal de Kroatische nationaliteit. Volgens eiser is sprake van structurele uitsluiting en moet in dit geval wel rekening worden gehouden met het verschil in beschermingsbeleid. Eiser vreest voor refoulement en het ontbreken van adequate bescherming. Volgens hem is sprake van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen, in de zin van het arrest Jawo.\n\nOordeel van de rechtbank\n\n7. De rechtbank overweegt dat de algemene stelling van eiser in beroep dat de zienswijze als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, onvoldoende is om aan te kunnen merken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De minister is in het besluit ingegaan op de zienswijze van eiser. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze, waarvan eiser in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens hem niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.\n\n7.1.. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat ten aanzien van Kroatië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De Afdelingheeft in haar uitspraak van 9 oktober 2024geoordeeld dat voor Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, omdat niet is gebleken dat sprake is van structurele tekortkomingen in het Kroatische asiel- en opvangsysteem. De Afdeling heeft dit nogmaals bevestigd in de uitspraken van 6 maart 2025, 21 november 2025en 8 december 2025. In laatstgenoemde uitspraak heeft de Afdeling overwogen – door het oordeel van de onderliggende rechtbankuitspraak over te nemen – dat het AIDA-rapport van augustus 2025 (update 2024) geen wezenlijk ander beeld geeft dan het eerdere AIDA-rapport. De Afdeling heeft in deze uitspraken toegelicht dat niet is gebleken van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Kroatië, waarvan de minister niet onkundig kon zijn en op grond waarvan de vreemdeling niet had mogen worden overdragen aan Kroatië.\n\n7.2.. Ook het persoonlijke relaas van eiser leidt niet tot de conclusie dat hij bij overdracht naar Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRMdan wel artikel 4 van het Handveststrijdige behandeling. Zijn verklaringen over de door hem ervaren slechte behandeling door de Kroatische autoriteiten gaan namelijk over de wijze waarop hij bij aankomst in Kroatië (als asielzoeker) is behandeld en niet over de situatie dat hij als Dublin-claimant aan Kroatië zal worden overgedragen. Daar komt bij dat Kroatië het terugnameverzoek heeft geaccepteerd en daarmee garandeert dat de asielaanvraag van eiser in behandeling wordt genomen overeenkomstig de internationale verplichtingen. Mocht eiser in Kroatië worden geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag, ligt het op zijn weg hierover bij de (hogere of rechterlijke) Kroatische autoriteiten te klagen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat klagen bij de Kroatische autoriteiten onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.\n\n7.3.. Voor zover verzoeker vreest voor indirect refoulement, verwijst de voorzieningenrechter naar het arrest van het Hofvan 30 november 2023en de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024. Daaruit volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Alleen als aannemelijk is gemaakt dat ten aanzien van de verantwoordelijke lidstaat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan wegens systeemfouten in de asielprocedure of opvangvoorzieningen, bestaat aanleiding voor een verdere beoordeling van een gestelde schending van het verbod van refoulement. Zoals hiervoor is overwogen heeft eiser dergelijke systeemfouten niet aannemelijk gemaakt en kan ten aanzien van Kroatië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan.\n\n7.4.. De rechtbank overweegt ten slotte dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden. De minister hoefde dan ook geen aanleiding te zien om de aanvraag van eiser op grond van artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening in behandeling te nemen. De rechtbank stelt vast dat de door eiser aangevoerde omstandigheden ook al zijn betrokken bij de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister mag verwijzen naar zijn standpunt daarover.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Kroatië. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\nOp grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)\n\n Dit verzoek staat geregistreerd onder kenmerk NL26.20082.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n ECLI:EU:C:2019:218.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:4037.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:919.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:5635.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:5901, waarbij de uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 11 november 2025 (ECLI:NL:RBOVE:2025:6537) is bevestigd.\n\n Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.\n\n Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.\n\n Europese Hof van Justitie.\n\n ECLI:EU:C:2023:934.\n\n ECLI:NL:RVS:2024:2359.\n\n Zie uitspraken van de Afdeling van 19 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1653, 30 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1778, 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1860, 19 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2484, 27 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4853, 11 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:723 en 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18655","ecli-nl-rbdha-2026-18655",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":138,"ecli":139,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":111,"fullText":140,"language":7,"source":17,"sourceUrl":141,"summary":14,"slug":142,"metadata":143},"1327","ECLI:NL:RBDHA:2026:18675","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.5904\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [naam] , eiser, geboren op [geboortedatum],van Marokkaanse nationaliteit,V-nummer: [nummer],\n\n(gemachtigde: mr. D. de Vries),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk, omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact meer heeft met zijn gemachtigde. Daarom heeft eiser geen procesbelang meer bij het beroep. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 28 januari 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.2.. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nProcesbelang\n\n3. De rechtbank beoordeelt eerst of eiser nog procesbelang heeft bij het beroep. De minister heeft de rechtbank namelijk op 17 februari 2026 laten weten dat eiser met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken.3.1.. De gemachtigde van eiser heeft desgevraagd op 9 juni 2026 aangegeven dat hij op dit moment geen contact heeft met eiser en dat hem niet bekend is waar eiser verblijft.3.2.. De rechtbank overweegt als volgt. Volgens rechtspraak van de Afdelingmoet er in beginsel vanuit worden gegaan dat een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd daarop geen prijs meer stelt als die vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder de minister te laten weten waar bij verblijft. Dit is anders als een vreemdeling na die melding nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt over de procedure, tenzij er andere concrete aanknopingspunten zijn dat een vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat hij anderszins geen actueel en reëel belang meer heeft.3.3.. Gelet op deze rechtspraak en de informatie van de gemachtigde van eiser is de rechtbank van oordeel dat eiser geen procesbelang meer heeft bij het beroep.Conclusie en gevolgen\n\n4. Het beroep is niet-ontvankelijk, omdat eiser geen procesbelang meer heeft. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van\n\nmr. M. Veenstra - van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nOpenbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Op grond van artikel 8:57 Algemene wet bestuursrecht.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18675","ecli-nl-rbdha-2026-18675",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":145,"ecli":146,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":111,"fullText":147,"language":7,"source":17,"sourceUrl":148,"summary":14,"slug":149,"metadata":150},"1175","ECLI:NL:RBNNE:2026:2630","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Groningen\n\nZaaknummers: C\u002F18\u002F256236 \u002F JE RK 26-847 (vots en muhp)\n\n C\u002F18\u002F256347 \u002F FA RK 26-3093 (schorsing gezag)\n\nC\u002F18\u002F257460 \u002F FA RK 26-3759 (beëindiging gezag)\n\nBeschikking van 7 juli 2026 over de beëindiging van het gezag over\n\n [Naam minderjarige],\n\ndie is geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2019 in de gemeente [geboorteplaats] ,\n\nen die hierna ' [de minderjarige] ' wordt genoemd,\n\nnaar aanleiding van de verzoeken van:\n\nde Raad voor de Kinderbescherming,\n\nregio Noord Nederland, locatie Groningen,\n\ndie hierna 'de Raad' wordt genoemd.\n\nDe kinderrechter wijst als belanghebbenden aan:\n\n [Naam van de moeder],\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\nen die hierna 'de moeder' wordt genoemd,\n\nadvocaat: mr. [naam van de advocaat] , die kantoor houdt in [plaatsnaam] ,\n\nde gecertificeerde instelling\n\nStichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen,\n\ndie is gevestigd in Groningen,\n\nen die hierna 'de GI' wordt genoemd.\n\n1. Het (verdere) verloop van de procedure\n\nIn de zaken met zaaknummers C\u002F18\u002F256236 \u002F JE RK 26-847 en C\u002F18\u002F256347 \u002F FA RK 26-30931.1.. Het (verdere) verloop van de procedure blijkt uit de beschikking van deze rechtbank van 13 mei 2026.\n\nIn de zaak met zaaknummer C\u002F18\u002F257460 \u002F FA RK 26-37591.2.. Deze procedure is ingeleid met een verzoekschrift van de Raad, dat de rechtbank heeft ontvangen op 5 juni 2026.\n\nIn alle zaken1.3.. Op 10 juni 2026 heeft de kinderrechter de zaken gelijktijdig mondeling behandeld. Hij heeft toen gesproken met de moeder, haar advocaat, drs. [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , die de Raad vertegenwoordigen, en [naam 4] en [naam 5] , die de GI vertegenwoordigen.\n\n1.4.. Ten slotte is bepaald dat vandaag deze beschikking wordt gegeven.\n\n1.5.. Omdat de wet bepaalt dat de “kinderrechter” het verzoek over de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing behandelt en de “rechtbank” beslist over de verzoeken met betrekking tot het gezag, moet in deze beschikking onder “de kinderrechter” worden verstaan: de kinderrechter of de rechtbank, afhankelijk van het behandelde verzoek.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. De kinderrechter kan bij de beoordeling van de verzoeken uitgaan van de volgende feiten die onweersproken blijken uit wat de Raad en de GI hebben gerapporteerd en wat in toelichting en reactie daarop is verteld tijdens de mondelinge behandeling van de zaken.\n\n2.2.. \n [De minderjarige] (7) is geboren uit de relatie van zijn ouders. De vader heeft hem erkend. De ouders hebben niet geregeld dat zij samen het ouderlijk gezag over hem uitoefenen: de moeder oefent daarom van rechtswege dat gezag alleen uit.\n\n2.3.. Tot voor kort woonde [de minderjarige] bij de moeder en zag hij de vader vrijwel alle weekenden, waarbij [de minderjarige] geregeld bij de vader logeerde. De moeder werkte niet en ontving een uitkering; de vader werkt in de wegenbouw en verblijft doordeweeks (maandag tot en met donderdag) in Duitsland, waarna hij op donderdag naar huis komt. De ouders hebben een zogeheten “latrelatie”.\n\n2.4.. De moeder had een intensieve vriendschapsrelatie met vriendin [voorletter 1] , die samen met haar dochter [voorletter 2] veelvuldig in de woning van de moeder verbleef.\n\n2.5.. Op 1 mei 2026 ontvangt de GI via het ouder-kind-huis waar vriendin [voorletter 1] op dat moment verblijft, onthullingen van vriendin [voorletter 1] over de aanleiding van [voorletter 2] haar ziekenhuisopname in februari 2026.\n\n2.6.. In het weekend van 2 en 3 mei 2026 vertelt vriendin [voorletter 1] in het ouder-kind-huis over ernstige strafbare kindermishandeling, door haar en de moeder gepleegd ten aanzien van [voorletter 2] Dat geeft aanleiding om een spoedrapportage op te stellen dat op 4 mei 2026 bij de Raad terechtkomt. Daarin wordt beschreven dat vriendin [voorletter 1] verklaart dat [voorletter 2] onder invloed van de moeder gedurende langere periode in de kelder van de woning van de moeder is opgesloten, met kabelbinders is vastgebonden aan een verwarmingsbuis, geen eten kreeg, werd geslagen en geschopt en alleen voor school uit de kelder mocht; deze handelingen zouden door de moeder zijn gefilmd.\n\n2.7.. Naar aanleiding van deze informatie wordt de kelder van de woning van de moeder door de Raad bekeken; het betreft een kleine, donkere kelder zonder raam, waar een volwassen persoon niet rechtop kan staan, met enkele opgeslagen spullen en een deken.\n\n2.8.. De moeder en vriendin [voorletter 1] zijn op 14 mei 2026 aangehouden en verblijven sindsdien in voorlopige hechtenis op verdenking van onder meer poging tot doodslag, vrijheidsberoving, zware mishandeling en het in hulpeloze toestand brengen en laten van [voorletter 2] De tenlastelegging ziet op de ernstige ondervoeding, het vastbinden in de kelder, het slaan en schoppen en andere mishandelingen.\n\n2.9.. Hoewel de moeder geen gezag heeft over [voorletter 2] , speelt de strafbare mishandeling zich volgens justitie hoofdzakelijk af in haar woning en heeft zij zich veelal bemoeid met de zorg en opvoeding van [voorletter 2] , zodat ook jegens haar een verantwoordelijkheid wordt aangenomen voor het leed dat door de moeder van [voorletter 2] aan [voorletter 2] is toegebracht.\n\n2.10.. Op 4 mei 2026 maakt de Raad op basis van de beschikbare informatie de inschatting dat [de minderjarige] getuige moet zijn geweest van de ernstige mishandelingen van [voorletter 2] en daardoor zelf ernstig in zijn ontwikkeling en veiligheid is en wordt bedreigd. De Raad gaat op grond van zijn onderzoeksbevindingen ervan uit dat [de minderjarige] langdurig en structureel is blootgesteld aan zeer ernstige kindermishandeling en verwaarlozing van [voorletter 2] in zijn directe woonomgeving, waarbij de ernstige mishandelingen van [voorletter 2] zich veelal in de woning van de moeder hebben afgespeeld.\n\n2.11.. De Raad heeft (nog) niet definitief vastgesteld of, en zo ja, op welke wijze en in welke mate [de minderjarige] zelf direct fysiek slachtoffer is geweest van mishandeling. De Raad constateert gelijktijdig dat de gevolgen van het getuige zijn van fysieke mishandeling van [voorletter 2] , voor de ontwikkeling van [de minderjarige] vergelijkbaar is met die van eigen fysieke mishandeling. [De minderjarige] wordt volgens de Raad daardoor ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd.\n\n2.12.. Gezien de ernst van de bedreiging acht de Raad direct ingrijpen noodzakelijk en hij verzoekt op 4 mei 2026 een voorlopige ondertoezichtstelling en spoedmachtiging tot uithuisplaatsing ten aanzien van [de minderjarige] .\n\n2.13.. De kinderrechter wijst deze verzoeken toe. [De minderjarige] wordt diezelfde dag geplaatst in een gezinshuis op een geheimgehouden adres.\n\n2.14.. Op basis van aanvullende informatie verzoekt de Raad vervolgens om schorsing van het gezag van de moeder en in samenhang daarmee een voorlopige voogdijmaatregel, met benoeming van de GI als voogd. Ook deze maatregelen worden door de kinderrechter uitgesproken.\n\n2.15.. Uit wat verder wordt gerapporteerd over [de minderjarige] voor zijn uithuisplaatsing, wordt duidelijk dat hij bekend was met lichamelijke problemen, waaronder darm‑ en plasproblemen; er was contact met een kinderarts en er werden darmspoelingen voorbereid.\n\n2.16.. Uit wat wordt gerapporteerd over [de minderjarige] na zijn uithuisplaatsing, wordt duidelijk dat [de minderjarige] in het gezinshuis goed eet, voor hem nieuw eten probeert en dat hij opvallend weinig voedsel kent. Ook valt op dat zijn eerdere darm‑ en plasproblemen in het gezinshuis niet meer worden waargenomen, waardoor de geplande darmspoelingen niet nodig zijn.\n\n2.17.. Bij [de minderjarige] wordt in het gezinshuis een seksuele preoccupatie gezien die niet passend is voor zijn leeftijd: hij pakt veelvuldig zijn geslachtsdeel vast aan tafel, spreekt over “neukende mensen” en bekijkt en ‘liked’ filmpjes op sociale media waarin mensen seks hebben.\n\n2.18.. \n [De minderjarige] vertelt wisselend en vaak warrig over belastende thuissituaties, zoals het smeren met ontlasting waarin [voorletter 2] zou moeten liggen, het bonken van [voorletter 2] haar hoofd op de grond, de aanwezigheid van drugs in de woning en spinnen en slangen in de kelder. [De minderjarige] geeft aan bang te zijn voor die kelder.\n\n2.19.. \n [De minderjarige] weigert een gesprek met de politie, kan niet goed uitleggen waarom en wil ook niet met de GI in gesprek of reageert met ontwijkende antwoorden; hij is alleen naar de gezinshuismoeder opener.\n\n2.20.. Na plaatsing in het gezinshuis had [de minderjarige] aanvankelijk frequent (beeld)belcontact met de moeder, deels via zijn eigen telefoon, waarbij hij zijn locatie aan haar doorstuurde. Naar aanleiding hiervan is zijn eigen telefoon ingenomen en is een AOL op het adres van het gezinshuis geplaatst.\n\n2.21.. In het contact tussen de moeder en [de minderjarige] wordt door het gezinshuis een dynamiek gezien die eerder op een gelijkwaardige partner‑interactie lijkt dan op een moeder‑kindinteractie die past bij de leeftijd van [de minderjarige] . Daarbij blijkt dat [de minderjarige] gezien zijn leeftijd veel weet van wat er speelt.\n\n2.22.. Sinds de aanhouding van de moeder op 14 mei 2026 is er geen contact tussen [de minderjarige] en zijn ouders; [de minderjarige] reageert op de uitleg dat de moeder “bij de politie is om haar kant van het verhaal te vertellen” relatief passief, stelt geen nadere vragen en heeft in de daaropvolgende weken niet gevraagd wanneer hij zijn ouders weer mag zien of spreken.\n\n2.23.. In de eerste week na de uithuisplaatsing vraagt [de minderjarige] wel of hij “voor altijd” in het gezinshuis mag blijven wonen.\n\n2.24.. In gesprekken met de Raad, de GI en tijdens de mondelinge behandeling erkent de moeder dat [voorletter 2] ernstig en structureel is mishandeld door vriendin [voorletter 1] in haar woning, maar ontkent zij daaraan zelf actief deel te hebben genomen. Zij stelt dat zij soms wel wat heeft gezegd, maar geen mogelijkheden zag om in te grijpen vanwege angst en bedreiging door vriendin [voorletter 1]\n\n2.25.. De moeder ontkent dat [de minderjarige] door haar is mishandeld en stelt dat hij niet is geslagen.\n\n2.26.. De moeder is thans gedetineerd; het strafrechtelijk onderzoek zal naar verwachting veel tijd in beslag nemen en er is geen zicht op beëindiging van haar detentie binnen een afzienbare termijn.\n\n2.27.. De Raad is op grond van deze feiten en omstandigheden tot de slotsom gekomen dat het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is dat het gezag van de moeder wordt beëindigd en de GI tot voogd over hem wordt benoemd.\n\n3. De (verdere) beoordeling\n\n3.1.. Het gaat in de gevoegd behandelde zaken over de nu zeven jaar oude [de minderjarige] . Ten aanzien van [de minderjarige] zijn uiteenlopende kinderbeschermingsmaatregelen verzocht en genomen. Inmiddels is de Raad tot de slotsom gekomen dat het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is dat het gezag van de moeder over hem wordt beëindigd en heeft de Raad een daarop gericht verzoek gedaan. De Raad heeft daarbij verzocht om de GI tot voogd over [de minderjarige] te benoemen.\n\n3.2.. De kinderrechter zal beide verzoeken in deze beschikking toewijzen. Hij legt hierna uit waarom hij vindt dat de gezagsbeëindiging in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is en waarom op grond van de nu bekende feiten en omstandigheden hij vindt, net als de Raad, dat de GI (eerst) tot voogd over [de minderjarige] moet worden benoemd.\n\nWaarom vindt de Raad dat het gezag van de moeder moet worden beëindigd?3.3.. De Raad acht het uitermate zorgwekkend dat de moeder een situatie van zeer ernstige en langdurige onveiligheid in haar woning heeft laten voortbestaan, zonder de mishandelingen te stoppen of tijdig adequate hulp in te schakelen, terwijl zij als primaire opvoeder van [de minderjarige] een fundamentele verantwoordelijkheid had voor een veilige opvoedomgeving.\n\n3.4.. De Raad stelt vast dat [de minderjarige] hierdoor gedurende langere tijd is blootgesteld aan extreem geweld en een chronisch onveilige opvoedomgeving, met ingrijpende gevolgen voor zijn fysieke, emotionele, psychische en cognitieve ontwikkeling, ook op de langere termijn.\n\n3.5.. De Raad ziet geen reëel perspectief dat de moeder binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn alsnog in staat zal zijn de verantwoordelijkheid voor zijn verzorging en opvoeding op een veilige en adequate wijze te dragen, mede gezien de ernst van de verdenkingen tegen haar, de te verwachten duur van het strafproces, haar detentie en het ontbreken van voldoende probleembesef en beschermend handelen.\n\n3.6.. Om [de minderjarige] duidelijkheid te bieden over zijn woon‑ en opvoedperspectief en zijn veiligheid duurzaam te waarborgen, acht de Raad het noodzakelijk dat dit perspectief niet langer bij de moeder wordt gezocht, maar bij een neutrale derde.\n\n3.7.. De Raad verzoekt daarom de kinderrechter het gezag van de moeder over [de minderjarige] te beëindigen.\n\nWaarom wil de Raad dat de GI de voogd over [de minderjarige] wordt?3.8.. Ten aanzien van de vader acht de Raad het op dit moment, gelet op de ernst en complexiteit van de situatie en de nog bestaande zorgen over zijn veiligheidsinschatting, te vroeg om hem met het gezag te belasten. De Raad meent dat binnen de voogdijmaatregel moet worden onderzocht welke rol de vader op langere termijn in de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] kan vervullen.\n\n3.9.. De Raad acht in dit verband bovendien het vrijwillige hulpverleningskader gezien de ernst van de zorgen en de ontkennende\u002Fbagatelliserende houding van de ouders volstrekt ontoereikend om de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] weg te nemen.\n\n3.10.. De Raad verzoekt de GI tot voogd over [de minderjarige] te benoemen, zodat een onafhankelijke professionele instantie zijn belangen kan behartigen, de regie kan voeren over contacten en passende hulpverlening kan inzetten.\n\nWaar vindt de Raad dat [de minderjarige] moet wonen?3.11.. Zowel de moeder als de vader geven aan dat zij kunnen instemmen met onderzoek naar plaatsing bij opa en oma vaderszijde, met [de minderjarige] in de weekenden bij de vader. De Raad acht het echter aangewezen dat de GI binnen het kader van de voogdijmaatregel onderzoekt wat het duurzame woonperspectief van [de minderjarige] is: bij zijn vader, bij zijn grootouders of elders, en welke rol de ouders nog kunnen spelen in het leven van [de minderjarige] , steeds beoordeeld vanuit het belang van [de minderjarige] .\n\nWat vindt de moeder van het verzoek?3.12.. De moeder heeft verteld, samengevat weergegeven, dat zij [de minderjarige] mist en dat zij bij de vorige mondelinge behandeling op advies van haar strafrechtadvocaat nauwelijks heeft kunnen verklaren, maar nu haar verhaal wil doen.\n\n3.13.. De moeder erkent vervolgens een aandeel in de gebeurtenissen, maar betwist dat zij [de minderjarige] zelf heeft mishandeld en ontkent ook dat hij in de kelder heeft gezeten. De moeder ervaart dat zij net als beide kinderen, zelf slachtoffer is van het geweld van vriendin [voorletter 1] , die haar sloeg, haar hand brak en tegen wie [de minderjarige] vaak moest ingrijpen.\n\n3.14.. Volgens de moeder zijn haar herhaalde zorgen over [voorletter 2] niet serieus genomen, heeft zij achteraf grote spijt dat zij [voorletter 2] niet zelf uit de situatie heeft gehaald, en werden de door haar geuite zorgen door vriendin [voorletter 1] gebagatelliseerd en door de omgeving “door de vingers gezien”.\n\n3.15.. Zij voert verder verschillende signalen aan waarin [voorletter 2] uitspraken deed over seksueel grensoverschrijdend gedrag door de vader van [voorletter 2] De moeder verwijst naar derden die zij ook bij naam noemt, die hierover iets zouden hebben gehoord of (bij haar) gemeld, waarmee zij de stelling van vriendin [voorletter 1] weerspreekt dat alle verhalen over seksueel misbruik zouden zijn gelogen. De moeder beschrijft ook een ernstig incident waarbij vriendin [voorletter 1] een groot mes aan [voorletter 2] gaf en haar aanspoorde haar te steken, waarna [de minderjarige] het mes afpakte, en zij schetst vriendin [voorletter 1] als iemand die plots agressief kan worden en ook fysiek geweld tegen [voorletter 2] gebruikt wanneer [voorletter 2] bijvoorbeeld verwijst naar de vader van [voorletter 2]\n\n3.16.. In haar voorstelling speelt zich rond 2024 een complex relatieverloop af tussen vriendin [voorletter 1] en de vader van [voorletter 2] en anderen, waarbij de vader van [voorletter 2] volgens haar rond augustus 2024 definitief bij vriendin [voorletter 1] is vertrokken en vriendin [voorletter 1] daarna met [voorletter 2] bij haar kwam, wat gepaard ging met geweld tegen [voorletter 2]\n\n3.17.. Ten aanzien van [de minderjarige] benadrukt de moeder dat zij hem niet heeft mishandeld en dat zijn ontlastingsproblemen al langer bestaan en samenhangen met angst sinds het overlijden van zijn opa in februari 2024. De moeder herkent het geschetste beeld van een seksuele preoccupatie en online zoekgedrag van [de minderjarige] niet, mede omdat hij thuis geen vrije toegang tot zijn telefoon had.\n\n3.18.. De moeder stelt dat zij momenteel geen contact met haar partner heeft, licht toe dat zij samen hebben afgezien van het formaliseren van zijn gezag om praktische redenen, dat zij begrijpt dat zij vanuit detentie geen gezag kan uitoefenen, maar vindt dat de vader dat wel zou kunnen. De moeder geeft tot slot aan opgelucht te zijn dat zij nu meer heeft kunnen vertellen dan bij de vorige mondelinge behandeling.\n\nWat vindt de vader van het verzoek?3.19.. De vader oefent geen gezag uit over [de minderjarige] . De verzochte maatregel die nu wordt genomen betreft uitsluitend de beëindiging van het gezag van de moeder en grijpt rechtstreeks en uitsluitend in in de rechtsbetrekking tussen de moeder en [de minderjarige] . De rechtspositie van de vader wordt hierdoor niet rechtstreeks geraakt. Zijn eventueel nog te realiseren wens om zelf met het gezag over [de minderjarige] te worden belast, kan hij desgewenst in een afzonderlijke procedure aan de orde stellen.\n\n3.20.. De kinderrechter acht de vader daarom in deze gezagsbeëindigingsprocedure niet aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 798, lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De kinderrechter heeft wel kennisgenomen van het standpunt van de vader zoals dat kenbaar is uit het onderzoeksrapport van de Raad en de daarop door hemzelf gegeven reactie, die in het onderzoeksrapport integraal is opgenomen. Die reactie vertaalt zich echter niet in een relevant argument dat in de beoordeling kan worden betrokken, behoudens voor zover de vader opmerkt dat hij doordeweeks in Duitsland werkt en daardoor in de huidige situatie beperkt beschikbaar is voor de dagelijkse verzorging en dat hij daarom ook een optie ziet waarin zijn ouders als pleegouders fungeren, met [de minderjarige] in de weekenden bij hem.\n\nWat beslist de kinderrechter?3.21.. De kinderrechter stelt op grond van de hiervoor onder de kop “De feiten” weergegeven feiten en omstandigheden vast dat bij [de minderjarige] sprake is van een zeer ernstige en langdurige ontwikkelingsbedreiging. [de minderjarige] is gedurende langere tijd blootgesteld aan extreem geweld, ernstige mishandeling en verwaarlozing van [voorletter 2] , die zich grotendeels in de woning van de moeder hebben afgespeeld. [De minderjarige] is daarvan herhaaldelijk oor‑ en ooggetuige geweest en daardoor slachtoffer geworden van zeer ernstige emotionele kindermishandeling in een chronisch onveilige en traumatiserende opvoedomgeving.\n\n3.22.. De kinderrechter acht het bijzonder zorgwekkend dat de moeder, ondanks haar positie als primaire opvoeder en beschermer van [de minderjarige] , deze situatie van dermate ernstige onveiligheid gedurende langere tijd heeft laten ontstaan en\u002Fof voortbestaan zonder de mishandelingen te stoppen of tijdig adequate hulp in te schakelen, terwijl zij een fundamentele verantwoordelijkheid had voor een veilige opvoedomgeving van [de minderjarige] .\n\n3.23.. Daarbij betrekt de kinderrechter dat de moeder thans gedetineerd is wegens verdenking van het medeplegen van zeer ernstige, stelselmatige kindermishandeling en verwaarlozing en dat het strafrechtelijk onderzoek naar verwachting nog geruime tijd zal voortduren.\n\n3.24.. Daarbij betrekt de kinderrechter ook dat er geen zicht is op het ontstaan van (voldoende) probleembesef en - inzicht, en daarom op verandering en beschermend handelen bij de moeder binnen een voor [de minderjarige] en zijn ontwikkeling aanvaardbare termijn.\n\n3.25.. Gelet op de ernst en duur van de ontwikkelingsbedreiging, het ontbreken van perspectief op herstel van voldoende opvoedingscapaciteit bij de moeder binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn, en de noodzaak om [de minderjarige] onmiddellijk duidelijkheid en stabiliteit te bieden ten aanzien van zijn woon‑ en opvoedperspectief, is de kinderrechter van oordeel dat beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige] in zijn belang noodzakelijk is, zoals bedoeld is in artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek.\n\n3.26.. De kinderrechter oordeelt verder dat het gezag over [de minderjarige] (vooralsnog) moet worden belegd bij een neutrale derde, te weten de GI.\n\n3.27.. De kinderrechter ziet geen aanleiding om in het kader van deze procedure te (laten) onderzoeken of de vader gezag over [de minderjarige] kan uitoefenen. Met de Raad heeft de kinderrechter zorgen over de mate waarin de vader in staat is de volledige impact van de situatie op [de minderjarige] onder ogen te zien, eerdere signalen te herkennen en een adequate veiligheidsinschatting te maken, mede gezien zijn (aanvankelijke) nadruk op de belangen van de moeder.\n\n3.28.. De kinderrechter vindt dat de noodzaak tot beëindiging van het gezag en benoeming van de GI als voogd mede wordt bepaald door de ontkennende\u002Fbagatelliserende houding van de ouders, die volstrekt ontoereikend is om de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] weg te nemen. Uitgaande van de onderzoeksbevindingen van de Raad en wat tijdens de mondelinge behandeling daarover is gebleken, dringt zich het beeld op dat beide ouders denken en redeneren vanuit hun eigen of elkaars belangen, verlangens en wensen, en (nog) niet tot het inzicht en besef zijn gekomen dat onder hun verantwoordelijkheid [de minderjarige] gedurende langere tijd is blootgesteld aan extreem geweld en een chronisch onveilige opvoedomgeving, met grote impact op zijn fysieke, emotionele, psychische en cognitieve ontwikkeling.\n\n3.29.. Gelet op de aard en ernst van de ontwikkelingsbedreiging van [de minderjarige] , de veelheid aan lopende en te verwachten strafrechtelijke en civiele trajecten rondom de moeder, de noodzaak van gespecialiseerde hulpverlening en de ingewikkelde vragen over zijn woon‑ en contactperspectief met de ouders, acht de kinderrechter het aangewezen dat de voogdij niet wordt belegd bij een persoon uit het netwerk, maar bij een professionele instantie. De GI beschikt over de noodzakelijke deskundigheid en onafhankelijkheid om als neutrale derde de regie te voeren over de zorg, behandeling, schoolgang en contactregeling. De GI is ook in staat de veiligheid van [de minderjarige] structureel te bewaken en in de verschillende procedures consistent zijn belangen te behartigen. Daarom zal de kinderrechter de GI tot voogd over [de minderjarige] benoemen.\n\n3.30.. De beëindiging van het gezag en de benoeming van de GI tot voogd over [de minderjarige] brengen met zich dat geen belang meer bestaat bij een behandeling van en beslissing op de overige verzoeken die ten aanzien van [de minderjarige] zijn gedaan.\n\nWaarom wordt deze beschikking gepubliceerd?3.31.. Deze zaak valt onder meerdere categorieën die volgens het door de Rechtspraak gehanteerde “Besluit selectiecriteria uitsprakendatabank Rechtspraak.nl 2024” aanleiding geven tot publicatie.\n\n3.32.. Het gaat om een zaak waarin (een vorm van) kindermishandeling en andere ernstige feiten aan de orde zijn. Volgens de selectiecriteria komen uitspraken over ernstige strafbare feiten en zaken met groot maatschappelijk belang in aanmerking voor publicatie. Daarnaast is sprake van aanzienlijke mediabelangstelling. In het besluit en in het daarop gebaseerde beleid is opgenomen dat mediabelangstelling een zelfstandige grond vormt om een uitspraak te publiceren. In de praktijk worden uitspraken in zaken met duidelijke mediabelangstelling vaak op of kort na de dag van de uitspraak gepubliceerd. Dit verklaart waarom de eerder gegeven beschikking op de dag van de uitspraak is gepubliceerd en ook deze beschikking op de dag van de uitspraak zal worden gepubliceerd. Ten derde betreft het een maatschappelijk relevante kwestie, hetgeen eveneens als expliciet criterium in het besluit wordt genoemd.\n\n3.33.. Het besluit bevat geen bepaling die expliciet voorziet in het achterwege laten van publicatie op grond van wensen of belangen van procesdeelnemers, het Openbaar Ministerie of andere “ketenpartners”. De in het besluit genoemde criteria zijn gericht op de inhoud en betekenis van de uitspraak en niet op (institutionele) belangen van bij de zaak betrokken partijen of instanties.\n\n3.34.. De criteria die tot publicatie van uitspraken leiden, zijn in overwegende mate objectief geformuleerd en hebben betrekking op factoren als juridische relevantie, maatschappelijk belang en (eventuele) mediabelangstelling. Dit sluit aan bij de openbaarheidsfunctie van de rechtspraak: het publiekelijk toegankelijk maken van uitspraken die richtinggevend zijn, de rechtsontwikkeling verduidelijken of anderszins van belang zijn voor de samenleving.\n\n3.35.. De openbaarheid van rechtspraak is een fundamenteel beginsel van de rechtsstaat, dat zijn basis vindt in onder meer artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en in nationale rechtspraak en regelgeving. Op de website van de Rechtspraak wordt vermeld dat de selectiecriteria voor publicatie zijn gebaseerd op Aanbeveling R (95) 11 van de Raad van Europa over “de selectie, verwerking, presentatie en archivering van rechterlijke uitspraken in zoeksystemen voor juridische informatie”. Deze aanbeveling benadrukt dat selectie en publicatie primair moeten worden gestuurd door juridische en maatschappelijke relevantie, niet door de belangen van uitvoerende instanties of andere actoren buiten de rechterlijke macht.\n\n3.36.. De kinderrechter neemt gelet op alles wat is overwogen de volgende beslissing.\n\n4. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n4.1.. beëindigt het gezag van de moeder over [de minderjarige] ;\n\n4.2.. benoemt de GI tot voogd over [de minderjarige] ;\n\n4.3.. gelast de administratie van deze rechtbank om die beslissingen over het gezag in te schrijven in het gezagsregister;\n\n4.4.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.5.. wijst af wat meer of anders is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026 door mr. B.R. Tromp, (kinder)rechter, bijgestaan door mr. R.C. Bernard, griffier.\n\nAls u het niet eens met de beslissingen die de rechter heeft genomen, kunt u in hoger beroep. Maar let op! Hoger beroep kunt u niet zelf instellen. U moet daarvoor naar een advocaat. Een advocaat kan voor u hoger beroep instellen bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Belangrijk is dat u snel naar een advocaat gaat. Hoger beroep moet bijna altijd binnen drie maanden na de dag van de uitspraak worden ingesteld.\n\n“AOL” staat voor Afspraak Op Locatie: een veiligheidsstatus waarbij op een specifiek adres extra maatregelen gelden en de politie bij een melding direct en zonder extra verificatie kan worden ingeschakeld.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2630","ecli-nl-rbnne-2026-2630",{"courtName":6,"legalDomain":151,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht; Personen- en familierecht",{"id":153,"ecli":154,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":111,"fullText":155,"language":7,"source":17,"sourceUrl":156,"summary":14,"slug":157,"metadata":158},"1325","ECLI:NL:RBDHA:2026:18674","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.13803 (beroep) en NL26.13804 (voorlopige voorziening)\n\nproces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen\n [naam] , eiser\u002Fverzoeker (hierna: eiser),\n\nv-nummer: [v-nummer],\n\n(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. G.W. Wezelman).\n\nProcesverloop\n\nMet het bestreden besluit van 12 maart 2026 heeft de minister de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.\n\nEiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat hij niet wordt overgedragen totdat op het beroep is beslist.\n\nDe rechtbank\u002Fvoorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister. Ook is er een tolk verschenen.\n\nNa afloop van de behandeling van de zaken heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep in de zaak met nummer NL26.13803 ongegrond.\n\nDe voorzieningenrechter wijst het verzoek in de zaak met nummer NL26.13804 af.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.\n\n2. De rechtbank stelt voorop dat het verzoek om internationale bescherming in het onderhavige geval vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, zodat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek wordt bepaald op grond van de in de Dublinverordeningvastgestelde criteria.Op grond van de Dublinverordening wordt een asielaanvraag niet in behandeling genomen als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland op 18 januari 2026 bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op 28 januari 2026 aanvaard.\n\n3. Eiser voert aan dat ten aanzien van Kroatië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser wijst op recente AIDA-rapporten en het rapport van DRC van 2 juni 2024. Hieruit volgt dat ook Dublinclaimanten het risico lopen om door pushbacks het land uitgezet te worden. Deze pushbacks vinden op systematische wijze plaats en de Kroatische autoriteiten nemen geen maatregelen om dit te stoppen. Daarnaast zijn de opvangcapaciteiten in Kroatië zeer beperkt en zijn er ook geen plannen de opvangcapaciteiten uit te breiden. Eiser heeft verder concreet en gedetailleerd verklaard over zijn korte verblijf in Kroatië. Eiser heeft geen tolk gezien en kon daarom niet communiceren in Kroatië. Daarnaast werd hem niets uitgelegd. Eiser kan dus geen documenten hebben waarmee hij zijn belevenissen in Kroatië kan onderbouwen.\n\n4. De rechtbank overweegt dat de Afdelingin haar uitspraak van 9 oktober 2024 heeft geoordeeld dat de minister ten aanzien van Kroatië mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.Hierbij is de Afdeling onder meer ingegaan op de pushbacks en de opvangvoorzieningen. De Afdeling heeft dit oordeel bevestigd in de uitspraken van 21 november 2025en 26 maart 2026. Het is daarom aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvan is pas sprake als die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. De rechtbank is van oordeel dat eiser er niet in is geslaagd het voorgaande aannemelijk te maken. De door eiser aangehaalde bronnen laten geen wezenlijke andere informatie zien dan door de Afdeling al in de beoordeling is betrokken. Daar komt bij dat Kroatië het terugnameverzoek met het claimakkoord heeft geaccepteerd en hiermee gegarandeerd heeft eisers asielaanvraag in behandeling te nemen in overeenstemming met de internationale verplichtingen. De rechtbank ziet in de door eiser aangevoerde persoonlijke ervaringen geen aanleiding voor een ander oordeel. De rechtbank stelt voorop dat eiser deze ervaringen niet met stukken heeft onderbouwd. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat hij geen documenten kan hebben die zijn ervaringen kunnen onderbouwen. Indien eiser geconfronteerd wordt met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag, ligt het immers op zijn weg hierover bij de Kroatische autoriteiten te klagen. Niet is gebleken dat dit niet mogelijk is of bij voorbaat zinloos is. De stelling dat eiser in de enkele dagen dat hij in Kroatië was geen tolk heeft gezien, acht de rechtbank daartoe onvoldoende. De rechtbank ziet in de niet onderbouwde stelling van eiser op zitting dat hij bang is dat de mensensmokkelaar hem in Kroatië kan vinden en dat er bedreigingen richting eiser zijn geuit, evenmin aanleiding voor een ander oordeel.\n\nConclusie en gevolgen\n\n5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\n6. Omdat er op het beroep is beslist bestaat geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.\n\n7. Hoger beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na ontvangst van het proces-verbaal van deze uitspraak. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.\n\nDeze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2026 door mr. R. Tesfai, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. N. Wetterauw, griffier.\n\nDit proces-verbaal is bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Zie hiervoor artikel 84, tweede lid, van de AMB-verordening.\n\n Zie ook artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Zie de uitspraak van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4037.\n\n ECLI:NL:RVS:2025:5635.\n\n ECLI:NL:RVS:2026:1667.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18674","ecli-nl-rbdha-2026-18674",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23}]