[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-leeuwarden":3},{"court":4,"decisions":10},{"id":5,"name":6,"country":7,"level":8,"jurisdiction":9},70,"Leeuwarden","nl","first_instance","civil",[11,24,32,41,50,57,65,72,79,86,93,102,111,119,127,134,141,149,157,165],{"id":12,"ecli":13,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":16,"language":7,"source":17,"sourceUrl":18,"summary":14,"slug":19,"metadata":20},"1222","ECLI:NL:RBNNE:2026:2624","","2026-07-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling strafrecht\n\nLocatie Leeuwarden\n\nparketnummer 18.289851.25\n\nVonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 7 juli 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte\n\n[verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling] .\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 juni 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.R. Logemann, advocaat te Leeuwarden.\n\nHet openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Lübbers.\n\nTenlastelegging\n\nAan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 27 oktober 2025 te Leeuwarden, in een woning, gelegen aan [adres] , aldaar, opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer] , althans een persoon, van het leven heeft beroofd,immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen fors geweld uitgeoefend, te weten (onder meer) slaan en\u002Fof stompen en\u002Fof schoppen en\u002Fof trappen en\u002Fof stampen en\u002Fof knijpen en\u002Fof drukken, in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht, althans het hoofd en\u002Fof in\u002Fop\u002Ftegen de hals, althans het lichaam, van die [slachtoffer] , althans een persoon, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] , althans een persoon, is overleden;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 27 oktober 2025 te Leeuwarden, in een woning, gelegen aan [adres] , aldaar opzettelijk, [slachtoffer] , althans een persoon, van het leven heeft beroofd,immers heeft verdachte met dat opzet, meermalen fors geweld uitgeoefend, te weten (onder meer) slaan en\u002Fof stompen en\u002Fof schoppen en\u002Fof trappen en\u002Fof stampen en\u002Fof knijpen en\u002Fof drukken, in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht, althans het hoofd en\u002Fof in\u002Fop\u002Ftegen de hals, althans het lichaam, van die [slachtoffer] , althans een persoon, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] , althans een persoon, is overleden;\n\nmeer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 27 oktober 2025 te Leeuwarden, in een woning, gelegen aan [adres] , aldaar, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer] , althans een persoon, zwaar lichamelijk letsel, te weten (onder meer) diverse breuken van het aangezicht, inclusief het neusbeen, beide oogkassen, beide jukbeenderen en de rechterzijde van de bovenkaak en\u002Fof bloed onder het harde hersenvlies en\u002Fof bloed onder de zachte hersenvliezen en\u002Fof een gebroken tongbeen, schildkraakbeen en\u002Fof ringkraakbeen en\u002Fof meerdere letsels\u002Fhuidverkleuringen in de hals en\u002Fof ander inwendig en\u002Fof uitwendig letsel, heeft toegebracht, door meermalen fors geweld uit te oefenen, te weten door (onder meer) te slaan en\u002Fof te stompen en\u002Fof te schoppen en\u002Fof te trappen en\u002Fof te stampen en\u002Fof te knijpen en\u002Fof te drukken, in\u002Fop\u002Ftegen het gezicht, althans het hoofd en\u002Fof in\u002Fop\u002Ftegen de hals, althans het lichaam, van die [slachtoffer] , althans een persoon, terwijl het door hem gepleegde geweld de dood van die [slachtoffer] , althans een persoon, als gevolg heeft gehad.\n\nBeoordeling van het bewijs\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor de primair ten laste gelegde moord en veroordeling gevorderd voor de subsidiair ten laste gelegde doodslag.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde moord. Er kan een bewezenverklaring volgen van de subsidiair ten laste gelegde doodslag.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nVrijspraak moord\n\nDe rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde moord, nu niet kan worden vastgesteld dat er sprake was van voorbedachte rade. Zo verklaart verdachte dat hij enkel de stem en de beelden in zijn hoofd wilde stoppen, waarvan hij meende dat het slachtoffer die naar hem stuurde. Hij wilde het slachtoffer aanpakken, maar verklaart niet dat hij van plan was het slachtoffer te doden. Het is ook niet gebleken dat verdachte een voorwerp heeft meegenomen of heeft gebruikt bij het plegen van het geweld, wat zou kunnen duiden op een planmatige aanpak. Verder verklaart verdachte dat het geweld is gestopt omdat hij moe was. Hij is toen naar huis gegaan en op dat moment leefde het slachtoffer nog. Hij wist niet dat het slachtoffer dood was. Dat verdachte is gestopt met het plegen van geweld terwijl het slachtoffer nog leefde, is naar het oordeel van de rechtbank een contra-indicatie voor moord.\n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht de subsidiair ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.\n\nDeze opgave luidt als volgt:\n\nde verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026;\n\neen deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, zaaknummer 2025.10.30.068, d.d. 17 april 2026 opgemaakt door drs. P.M.I. van Driessche, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige.\n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:\n\nhij op 27 oktober 2025 te Leeuwarden in een woning gelegen aan [adres] , opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,immers heeft verdachte met dat opzet, meermalen fors geweld uitgeoefend, te weten slaan en\u002Fof stompen en schoppen en\u002Fof trappen en\u002Fof stampen en\u002Fof drukken, in\u002Fop\u002Ftegen het hoofd en in\u002Fop\u002Ftegen de hals van die [slachtoffer] , ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.\n\nVerdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nStrafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nSubsidiair Doodslag.\n\nDit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nDe rechtbank heeft bij haar oordeel omtrent de strafbaarheid van verdachte acht geslagen op de twee Pro Justitia-rapporten, gedateerd 12 maart 2026 en 9 maart 2026, opgesteld door drs. A. Banaei Kashani, psychiater en dr. M. ten Berge, GZ-psycholoog.\n\nBeide deskundigen stellen bij verdachte een psychische stoornis vast in de vorm van schizofrenie en een ernstige stoornis in het gebruik van amfetamine.\n\nDe psychiater beschrijft in het rapport dat verdachte ten tijde en in de aanloop tot het feit psychotisch was. Verdachte was de greep op de realiteit kwijt en heeft in blinde woede en onder invloed van forse psychotische ontregeling het slachtoffer om het leven gebracht. Ook al gebruikte verdachte amfetamine, wat de psychose wel heeft verergerd en onderhouden, primair is dit veroorzaakt door zijn schizofrenie. Omdat verdachte zodanig de grip op de realiteit kwijt was, kon van hem niet worden verwacht dat hij grip had op zijn gebruik. Geadviseerd wordt om verdachte het feit niet toe te rekenen omdat hij volledig heeft gehandeld vanuit zijn psychotische belevingen en hij daardoor geen controle heeft kunnen hebben over zijn gedrag en gedachten.\n\nDe psycholoog komt tot eenzelfde advies. Verdachte heeft gehandeld vanuit zijn sterk aanwezige, vanuit de schizofrenie voortkomende psychotische belevingen en overtuigingen. Het betreffen overtuigingen waarvan hij ook nu nog geen afstand ervaart.\n\nDe rechtbank kan zich met de adviezen van de deskundigen verenigen.\n\nDe rechtbank neemt de conclusies van deze deskundigen over, maakt deze tot de hare en oordeelt dat het bewezenverklaarde vanwege de ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet aan hem kan worden toegerekend.\n\nDe rechtbank acht verdachte daarom niet strafbaar en zal hem ontslaan van alle rechtsvervolging.\n\nMotivering van de maatregel\n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte ter zake van de subsidiair ten laste gelegde doodslag de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met verpleging van overheidswege zal worden\n\nopgelegd. De duur van deze maatregel is ongemaximeerd.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft gepleit voor oplegging van de maatregel van TBS met verpleging van overheidswege.\n\nOordeel van de rechtbank toerekeningsvatbaarheid\n\nBij de bepaling van de maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de Pro Justitia-rapportages van psychiater drs. A. Banaei Kashani d.d. 12 maart 2026 en van GZ-psycholoog dr. M. ten Berge d.d. 9 maart 2026, het reclasseringsrapport d.d. 27 mei 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nVerdachte heeft in een psychotische toestand het slachtoffer met fors geweld om het leven gebracht. Daarmee heeft hij het slachtoffer, die verdachte in het geheel niet kende, zijn kostbaarste bezit -zijn leven-ontnomen. En moeten de nabestaanden, met name zijn moeder, tante en nicht, zonder hem verder leven, wat voor hen een groot gemis is en veel verdriet veroorzaakt.\n\nHet advies van de deskundigen\n\nIn de eerder vermelde Pro Justitia-rapportages adviseren de deskundigen om aan verdachte een TBS-maatregel met verpleging van overheidswege op te leggen. Om het hoog ingeschatte recidiverisico te beperken is een intensieve en langdurige behandeling en begeleiding van verdachte in een kliniek noodzakelijk, gelet op de chronische, hardnekkige en ernstige problematiek waar hij mee kampt. Het ontbreekt verdachte volledig aan inzicht en tot op heden is het, ondanks (medicamenteuze) hulpverlening, niet gelukt om stabilisatie te bereiken en tot gedragsverandering te komen. De psychotische stoornis van verdachte dient optimaal behandeld te worden waarbij abstinentie van middelen noodzakelijk is. Daarbij is het belangrijk dat verdachte niet wordt overschat en wordt er geadviseerd om te waken voor schijnaanpassing. Verdachte kan bij een kort gesprek een adequate en stabiele indruk maken; pas bij doorvragen verzandt hij in uitspraken die duidelijk wijzen op psychotische ontregeling.\n\nStevige en duidelijke kaders zijn nodig om stabilisatie en gedragsverandering te bereiken en om een gedegen risicomanagement uit te voeren. Verdachte wordt, gezien zijn ontregelde psychotische toestandsbeeld en zijn verlies van de realiteit, niet in staat geacht om zich aan voorwaarden te houden, ook al zou hij dat willen.\n\nOndanks de depotmedicatie heeft verdachte nog steeds psychotische belevingen, is er een gebrek aan inzicht, ontbreekt er bij verdachte besef voor wat hij heeft gedaan, is er een hoog recidiverisico en heeft hij onvoldoende openheid gegeven tijdens de eerdere behandeling. Derhalve wordt niet geadviseerd om aan verdachte een TBS met voorwaarden op te leggen. Een TBS-maatregel met verpleging van overheidswege is volgens hen het enige passende kader.\n\nOordeel van de rechtbank maatregel\n\nDe rechtbank stelt op grond van de hiervoor al genoemde psychiatrische en psychologische rapportages vast dat bij verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens bestond. Het door verdachte begane feit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Het gaat bovendien om een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer\n\npersonen. Verder eist de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen de oplegging van die maatregel.\n\nGelet op het advies van de gedragsdeskundigen is de rechtbank van oordeel dat uitsluitend een TBS-maatregel met verpleging van overheidswege een passende afdoening van deze zaak is. Deze maatregel zal de rechtbank dan ook opleggen aan verdachte. De maatregel wordt opgelegd wegens doodslag, een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam, zodat de TBS niet in duur is beperkt.\n\nBenadeelde partij\n\n[benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 17.500,00 aan affectieschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.\n\nDe rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat deze vordering moet worden toegewezen. Het slachtoffer is als gevolg van het door verdachte gepleegde strafbare feit overleden. [benadeelde partij] heeft recht op vergoeding van affectieschade omdat zij de moeder van het slachtoffer is. Op grond van het Besluit vergoeding affectieschade bedraagt de toe te kennen schadevergoeding 17.500,00. De rechtbank zal dit bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2025.\n\nNu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.\n\nToepassing van wetsartikelen\n\nDe rechtbank heeft gelet op de artikelen 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.\n\nUitspraak\n\nDe rechtbank\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld, maar verdachte daarvoor niet strafbaar. Ontslaat verdachte ter zake van alle rechtsvervolging.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nGelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.\n\nWijst de vorderingen van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe en veroordeelt verdachte om aan [benadeelde partij] te betalen:\n\nhet bedrag van 17.500,00 (zegge: zeventien duizend vijfhonderd euro);\n\nde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening;\n\nde proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.\n\nLegt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat te betalen een bedrag van 17.500,00 (zegge: zeventien duizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag betreft affectieschade.\n\nBepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 112 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nBepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. L.E.A. Jonkers-Vellinga en mr. H.C.L. Vreugdenhil, rechters, bijgestaan door mr. L.T.A. Fokkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2624","ecli-nl-rbnne-2026-2624",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},"Strafrecht; Materieel strafrecht","uitspraak","Uitspraak",{"id":25,"ecli":26,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":27,"fullText":28,"language":7,"source":17,"sourceUrl":29,"summary":14,"slug":30,"metadata":31},"1597","ECLI:NL:RBNNE:2026:2616","2026-07-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling strafrecht\n\nLocatie Groningen\n\nparketnummer 18-087906-25\n\nVonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 6 juli 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte\n\n[verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,\n\nthans gedetineerd te [instelling ] .\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 februari 2026, 11 mei 2026 en 22 juni 2026.\n\nVerdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F.H. Kappelhof, advocaat te Delfzijl. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. I. Kluiter.\n\nTenlastelegging\n\nAan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 4 februari 2025 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, in haar buik, in haar rug, in\u002Fonder haar oksel, althans in haar (boven)lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 4 februari 2025 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, in haar buik, in haar rug, in\u002Fonder haar oksel, althans in haar (boven)lichaam heeft gestoken,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.\n\nBeoordeling van het bewijs\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde, waarbij verdachte partieel vrijgesproken dient te worden ten aanzien van het steken in de buik van het slachtoffer.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte geen opzet had op het doden van het slachtoffer en dat er geen aanmerkelijke kans was op de dood van het slachtoffer.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.\n\n1. De door verdachte ter zitting van 16 februari 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:\n\nIk kreeg stemmen in mijn hoofd dat ik moest gaan steken. Ik ben naar de keuken gerend, heb een mes gepakt en heb mijn moeder gestoken. Mijn moeder rende toen het huis uit, maar ik ben haar achterna gerend. Ik heb mijn moeder twee of drie keer gestoken. Ik heb niet bewust op die plekken gestoken.\n\n2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 februari 2025, opgenomen op pagina 59 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025031008 (onderzoek NN2R025025\u002FApis) d.d. 24 juni 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :\n\nToen zag ik [verdachte] naar de keuken lopen. Ik zag dat hij uit de lade een grote mes pakte. Ik zag dat [verdachte] achter mij aankwam. Ik belde meteen bij de buurman aan. Die deed niet open. Ik heb bij meerdere buren aangebeld. Ik heb toen besloten om via de trappengang te vluchten. Ik dacht dat ik daarmee sneller kon vluchten. Ik weet niet exact op welk moment ben gestoken, maar ik werd in mijn rug gestoken. Terwijl hij mij stak riep hij dat hij van mij hield. Ook hoorde ik heb zeggen: \"als we gaan, gaan we samen\". Hij greep mij bij mijn trui. Ik heb mijn trui toen uitgetrokken om los te komen. Ik ben daarna weer gestoken onder mijn oksel. Ik voelde een hevige pijn en had moeite met ademhalen. Op de vierde verdieping deed iemand de deur open. Ik sprong daar naar binnen en deed de deur dicht. Daar heb ik de politie en ambulance gebeld.\n\n3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 4 februari 2025, opgenomen op pagina 128 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige] :\n\nA: Ik heb het mes gezien. Zij probeerde de pols van de man tegen te houden en ik moet er ook nog even bij zeggen dat toen ik de deur opendeed, zij de rug keerde naar de man om weg te komen. De man heeft toen het mes in de rug gestoken. Toen is zij bij mij in de woning gekomen.\n\nV: Wat voor mes was het?\n\nA: Het was een groot mes. Net als een keukenmes.\n\n4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict d.d. 4 februari 2026, opgenomen op pagina 109 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten:\n\nIn het trappenhuis zagen wij op de 5e verdieping op een tussenvloer van de trappen en\n\nde muur bloedsporen. Op de vloer van de 4e verdieping, voor de deur naar de ruimte waar de lift en de deur naar de galerij zich bevindt, zagen wij enkele rondvormige bloedspatten. Op de muur, rechts van de deur, zagen wij ter hoogte van de deurklink enkele veegsporen gezet met bloed. Op de galerijvloer voor de deur van de woning met huisnummer [nummer] , zagen wij enkele rondvormige bloedspatten. Wij zagen in betreffende woning, op de vloer in de hal, enkele bloedvlekken, deels afgedekt met een handdoek.\n\n5. Een geneeskundige verklaring, op 6 februari 2025 opgemaakt en ondertekend door [arts] , opgenomen op pagina 119 e.v. van voornoemd dossier, forensisch arts KNMG, voor zover inhoudend, als zijn verklaring:\n\ngemelde behandeling\u002Ftoelichting: longdrain links ingebracht\n\nsamenvatting letsel: steekwond onder linker oksel, snij-of steekwond onderrug\n\nLetsel(s) lichaamsdeel: borst\n\nbeschrijving: hoog midden onder de linker oksel ongeveer 2 centimeter onder de okselplooi is een horizontaal georiënteerde, iets wijkende rozerode huidonderbreking met scherpe wondranden zichtbaar van ongeveer 14 millimeter lang en 2 millimeter breed.\n\nsoort: steekwond\n\nlichaamsdeel: rug\n\nbeschrijving: op de onderrug ongeveer ter hoogte van de derde lendenwervel is een verticaal verlopende, enigszins golvende, streepvormige scherprandige rode huidonderbreking zichtbaar met een lengte van ongeveer 2,5 centimeter.\n\nsoort: snijwond\n\nMet betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.\n\nJuridisch kader\n\nOm tot een bewezenverklaring te komen voor een poging tot doodslag, moet sprake zijn van (voorwaardelijk) opzet op het overlijden van het slachtoffer. Voor het voorwaardelijk opzet geldt dat bewezen zal moeten worden dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer als gevolg van zijn gedragingen had kunnen komen te overlijden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans op het gevolg die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.\n\nVaststaande feiten\n\nDe rechtbank neemt de volgende feiten als vaststaand aan. Na een ruzie met zijn moeder, het slachtoffer, heeft verdachte een mes uit de keuken gepakt en is achter het slachtoffer aangegaan. Het slachtoffer is van de zesde verdieping naar de vierde verdieping gerend om aan verdachte te ontkomen. Tijdens haar vlucht is zij in ieder geval een keer gestoken en er zijn in het trappenhuis op de vijfde verdieping, op de vloer van de vierde verdieping, op de galerijvloer voor én binnen in de woning van de buurman met huisnummer [nummer] , bloedsporen aangetroffen. Voordat het slachtoffer de woning van de buurman kon binnenvluchten, is zij in haar rug gestoken.\n\nBeoordeling\n\nDe rechtbank neemt in overweging dat in de bewijsmiddelen voldoende besloten ligt dat verdachte door het slachtoffer welbewust met een mes achterna te rennen en haar daadwerkelijk te steken, tenminste bewust de kans heeft aanvaard dat zij daardoor om het leven zou komen, welke kans als aanmerkelijk kan worden beschouwd. Dit blijkt onder meer uit het door verdachte meermaals steken in het bovenlichaam van het slachtoffer, ook tijdens haar vlucht en bovendien in haar rug, nog voordat zij de woning van een buurman was binnengevlucht. Het is een feit van algemene bekendheid dat het meermaals steken, in een ongecontroleerde situatie, in het bovenlichaam waar zich vitale organen bevinden niet zelden leidt tot de dood. Dat verdachte een vitaal orgaan heeft geraakt blijkt uit de letselverklaring en de medische ingreep, namelijk het plaatsen van een longdrain, bij het slachtoffer. Het is niet aan verdachte te danken dat het slachtoffer niet daadwerkelijk is overleden.\n\nDe verweren van de raadsman worden gelet op het voorgaande verworpen.\n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:\n\nhij op 4 februari 2025 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een mes in haar rug en onder haar oksel heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.\n\nVerdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nStrafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nprimair. poging tot doodslag\n\nDit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nDe rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.\n\nStrafmotivering\n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van 3 jaren, waarbij zij rekening houdt met het advies van de deskundigen om het strafbare feit in sterk verminderde mate toe te rekenen. Daarnaast vordert zij de oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de volwassenenreclassering. De officier van justitie wijkt met haar eis af van de deskundigenadviezen om het jeugdstrafrecht toe te passen, nu het onmogelijk is gebleken om onder het jeugdstrafrecht een passende klinische behandelingsplek te vinden voor verdachte. De officier van justitie heeft in haar eis wel rekening gehouden met het jeugdstrafrecht.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich ten aanzien van de strafduur gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Anders dan de officier van justitie stelt hij zich primair op het standpunt dat verdachte, zoals geadviseerd, onder het jeugdstrafrecht moet worden geplaatst en behandeld. Subsidiair begrijpt de raadsman de keuze voor het volwassenenstrafrecht, omdat het evident is dat verdachte zo spoedig mogelijk klinisch moet worden opgenomen en behandeld.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de Pro Justitia-rapportages, te weten het rapport van psychiater D.T. van der Werf van 9 januari 2026 en het rapport van GZ-psycholoog\n\nC. Sipma van 6 januari 2026 en het reclasseringsadvies van 2 februari 2026, inclusief de aanvullende memos van 28 april 2026, 8 mei 2026 en 12 juni 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst van de feiten\n\nNadat verdachte een ruzie heeft gehad met zijn moeder, het slachtoffer, is hij naar de keuken gelopen om een keukenmes te pakken. Het slachtoffer is vervolgens op de vlucht geslagen vanaf de zesde verdieping, door het trappenhuis, naar de vierde verdieping. Verdachte is achter haar aan gegaan en heeft haar tijdens de vlucht gestoken. Het slachtoffer is verder gerend en wist uiteindelijk bijna de woning van een gealarmeerde buurman binnen te vluchten, toen verdachte haar, nogmaals met het keukenmes, in haar rug heeft gestoken. Met zijn handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en haar pijn en letsel toegebracht. De rechtbank rekent dit verdachte aan.\n\nPersoon van verdachte\n\nVolgens zowel de psychiater als de psycholoog lijdt verdachte aan meerdere psychische stoornissen. Beide deskundigen spreken van een schizofreniforme stoornis, een vroeg beginnende persisterende depressieve stoornis, een matige stoornis in het gebruik van cannabis en alcohol, PTSS en een hardnekkig ouder(s)-kind-relatieprobleem; daarnaast kwam verdachte tijdens de testen uit op een zwakbegaafd niveau.\n\nVolgens de psycholoog is hiernaast nog sprake van een voorgeschiedenis van zowel suïcidaal gedrag als\n\neen gameverslaving. Beide deskundigen zijn van mening dat van deze psychische stoornissen sprake was ten tijde van het tenlastegelegde en dat deze stoornissen in meer of mindere mate een rol hebben gespeeld bij het tot stand komen van het tenlastegelegde. De deskundigen concluderen dat het tenlastegelegde in sterk verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend. Beide deskundigen adviseren vervolgens om het jeugdstrafrecht toe te passen en te starten met een intensieve klinische behandeling, waarbij verdachte, een kwetsbare jongeman, een pedagogische behandeling en begeleiding in een orthopedagogisch behandelklimaat kan worden geboden.\n\nDe rechtbank heeft verder kennisgenomen van het reclasseringsadvies en de daarop volgende aanvullende memos. Uit deze stukken en uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat er door de jeugdreclassering een aanmelding is gedaan bij [instelling ] . De kans dat verdachte daar wordt geaccepteerd is, gelet op zijn (oudere) leeftijd, zeer twijfelachtig en duidelijkheid hieromtrent kan pas worden verschaft nádat er door de rechtbank een vonnis is gewezen. Bij andere jeugdklinieken kan verdachte, gelet op zijn problematiek, niet terecht. Bovendien heeft de gemeente, in tegenstelling tot de wens van de jeugdreclassering, geweigerd om de plaatsing van verdachte in het Forensisch Centrum Adolescenten (FCA) te [plaats] , te financieren. Gelet op het voorgaande heeft de reclassering daarom geadviseerd om verdachte te veroordelen conform het volwassenenstrafrecht, zodat hij geplaatst en behandeld kan worden bij [instelling ] . Complicerende factor hierbij is dat, bij acceptatie, een wachtlijst van 0-6 maanden geldt. Eventuele benodigde overbruggingszorg is niet gegarandeerd vanwege capaciteitsproblemen. Voor twee, gelet op de problematiek van verdachte, in aanmerking komende overbruggingsplekken is verdachte inmiddels afgewezen.\n\nToerekenbaarheid\n\nDe rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen ten aanzien van de toerekenbaarheid over. De psychische stoornissen hebben een sterke invloed gehad op het functioneren van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde. Dit leidt tot het oordeel van de rechtbank dat het bewezen verklaarde feit in sterk verminderde mate aan verdachte kan worden toegerekend.\n\nVolwassenen- of jeugdstrafrecht?\n\nDe rechtbank is, net als de officier van justitie, de raadsman en de reclassering, van oordeel dat uit de adviezen van de psychiater en psycholoog volgt dat het jeugdstrafrecht het meest voor de hand ligt en de beste keuze is voor verdachte. Dat betekent evenwel niet dat de rechtbank ook daadwerkelijk overgaat tot de toepassing van het jeugdstrafrecht. Onder de gegeven omstandigheden ziet de rechtbank geen andere reële mogelijkheid dan over te gaan tot toepassing van het volwassenenstrafrecht. De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende.\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat gedurende langere tijd is gezocht naar mogelijkheden voor een klinische behandeling van verdachte binnen het kader van jeugdstrafrecht. Om de zoektocht een kans te geven is de behandeling ter zitting zelfs meerdere keren aangehouden. Die zoektocht heeft evenwel niet geleid tot een behandelplek. Allereerst bleek de voorkeurslocatie voor behandeling (het Forensisch Centrum Adolescenten te [plaats] ) niet haalbaar vanwege moeilijkheden in de financiering.\n\nVervolgens bleek de intake bij een andere naar het oordeel van de betrokken deskundigen geschikte kliniek ( [instelling ] ) pas op 7 juli aanstaande te kunnen plaatsvinden, waarbij door deze kliniek op voorhand al is opgemerkt dat door de leeftijd van verdachte de opname van hem twijfelachtig is. Andere reële behandelalternatieven binnen het jeugdstrafrecht zijn niet aanwezig. Het bleek aldus schier onmogelijk is om verdachte te plaatsen onder de vleugel van het jeugdstrafrecht.\n\nDe rechtbank stelt vast dat het onderzoek naar de mogelijkheden van (de locatie van) de klinische behandeling onaanvaardbaar veel tijd in beslag heeft genomen, terwijl alle betrokken partijen het erover eens waren dat het in het belang van verdachte was om op de kortst mogelijke termijn behandeld te kunnen worden. Hierdoor is een situatie ontstaan waarin de rechtbank zich nu genoodzaakt ziet een beslissing te nemen zonder dat de door deskundigen noodzakelijk geachte behandeling binnen het jeugdstrafrecht beschikbaar is. De keuze voor volwassenenstrafrecht is aldus uit noodzaak geboren. Dat acht de rechtbank zorgelijk, nu de keuze voor het toe te passen sanctiestelsel in beginsel dient te worden bepaald door wat, gelet op de persoon van de verdachte en diens ontwikkelingsfase, het meest passend is en niet door de toevallige beschikbaarheid van voorzieningen. De rechtbank acht dat zeer kwalijk en ziet dit als het pijnlijke gevolg van een vastgelopen strafrechtketen, in dit geval door het grote tekort aan beschikbare behandelplekken. De rechtbank acht dit een onacceptabele maatschappelijke ontwikkeling.\n\nDe rechtbank merkt bij het voorgaande op dat toepassing van het volwassenenstrafrecht geen wondermiddel is. De kliniek van voorkeur blijkt, anders dan voorheen, slechts bereid tot het inplannen van een intakegesprek ná het vonnis. Dat betekent dat de rechtbank bij het bepalen van de straf geen zekerheid heeft over het vervolgtraject, terwijl in dit geval juist zekerheid over een spoedige klinische behandeling in het belang van verdachte en de samenleving noodzakelijk is. De rechtbank merkt daarnaast op dat door deze handelwijze intake ná het vonnis de positie van de rechtbank en het gezag van haar uitspraak wordt miskend. Ook is duidelijk geworden dat verdachte, als hij na de intake wordt geaccepteerd, nog enkele maanden op een wachtlijst zal staan voordat tot behandeling overgegaan kan worden. Wat de rechtbank zorgen baart, is dat de overbruggingszorg na afloop van detentie vanwege capaciteitsproblemen niet blijkt te kunnen worden gegarandeerd. De rechtbank zal met dit alles zo goed mogelijk rekening houden bij de strafoplegging, waardoor zij genoodzaakt is een hogere straf op te leggen dan zij in eerste instantie voor ogen had.\n\nDe op te leggen straf\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 3 jaren, passend en geboden is. Daarnaast legt de rechtbank aan verdachte op de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in haar laatste aanvullende memo van 12 juni 2026. De rechtbank gaat hierbij ervan uit dat verdachte direct aansluitend aan de detentie zal worden geplaatst in een passende klinische behandelplek.\n\nToepassing van wetsartikelen\n\nDe rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.\n\nUitspraak\n\nDe rechtbank\n\nVerklaart het onder primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nVeroordeelt verdachte tot:\n\neen gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.\n\nBepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.\n\nBeveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.\n\nVoorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.\n\nStelt als bijzondere voorwaarden:\n\n1. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering en werkt mee aan huisbezoeken.\n\n2. dat de veroordeelde zich tijdens de proeftijd laat opnemen in en diagnosticeren\u002Fbehandelen door [instelling ] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg en\u002Fof verblijf in een instelling voor beschermd\u002Fbegeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.\n\n3. dat de veroordeelde, indien de reclassering dit nodig acht, zich gedurende de proeftijd laat\n\ndiagnosticeren en behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling.\n\nIndien er sprake is van een terugval in middelengebruik, overmatig middelengebruik en\u002Fof een zodanige verslechtering van de psychische toestand van veroordeelde dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie, stabilisatie, observatie, diagnostiek of crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat veroordeelde zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.\n\n4. dat de veroordeelde, indien de reclassering dit nodig acht, gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor beschermd\u002Fbegeleid wonen, te bepalen door de reclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.\n\n5. dat de veroordeelde, indien de reclassering dit nodig acht, gedurende de proeftijd meewerkt aan controles, om zicht te krijgen op het gebruik en\u002Fof het gebruik te leren beheersen, van alcohol en\u002Fof verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) en\u002Fof lijst II (softdrugs) en\u002Fof middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek, een speekseltest en\u002Fof een alcoholband. De reclassering bepaalt hoe vaak, op welke dagen en tijdstippen en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.\n\nGeeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.\n\nVoorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:\n\nten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\nmedewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.L.J.M.A. Janssens, voorzitter, mr. M.S. van der Kuijl en mr. T.R. Bosker, rechters, bijgestaan door mr. J. van der Wiel, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 juli 2026.\n\nDe griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2616","ecli-nl-rbnne-2026-2616",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":35,"fullText":36,"language":7,"source":17,"sourceUrl":37,"summary":14,"slug":38,"metadata":39},"1533","ECLI:NL:GHARL:2026:4287","2026-07-01T00:00:00.000Z","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-003848-25\n\nUitspraakdatum: 1 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, van 1 september 2025 met parketnummer 18-143157-25 in de strafzaak tegen\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1986 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende te [woonplaats] .\n\nHoger beroep\n\nVerdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van de zitting van het hof van 17 juni 2026 en de zitting bij de politierechter.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:\n\nveroordeling van verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 3 jaren, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd;\n\noplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel (te weten een contactverbod jegens aangeefster, haar kinderen, ouders en zus en een gebiedsverbod voor het dorp [dorp] ) voor de duur van 5 jaren;\n\ndadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel;\n\ntoewijzing van de vordering van de benadeelde partij, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nDeze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.\n\nVerder heeft het hof kennisgenomen van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.M. Keizer, en de advocaat van de benadeelde partij, mr. K. Boonstra, hebben aangevoerd.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nDe politierechter heeft bij vonnis van 1 september 2025, waartegen het beroep is gericht, verdachte ter zake van het aan hem ten laste gelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 3 jaren en met daaraan verbonden de volgende bijzondere voorwaarden:\n\neen meldplicht;\n\neen behandelverplichting;\n\neen drugsverbod;\n\neen contactverbod jegens aangeefster;\n\neen locatieverbod voor [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] te [dorp] .\n\nDe politierechter heeft een vrijheidsbeperkende maatregel, te weten een gebiedsverbod voor het dorp [dorp] , opgelegd en deze maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaard. Tot slot heeft de politierechter de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 986,02 en de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in het overige deel van haar vordering.\n\nHet hof vernietigt het vonnis om redenen van doelmatigheid en doet daarom opnieuw recht.\n\nTenlastelegging\n\nOp de zitting in hoger beroep is de tenlastelegging gewijzigd. Aan verdachte is na deze wijziging ten laste gelegd dat:\n\nhij in of omstreeks de periode van 11 augustus 2024 tot en met 29 juni 2025 te [dorp] , gemeente [gemeente] , althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door zich in voornoemde periode\n\n- meermalen (ongewenst) op te houden bij de woning van die [slachtoffer] en\u002Fof bij de woning van haar ouders en\u002Fof vervolgens op ramen en deuren van die woningen te kloppen en\u002Fof aan te bellen en\u002Fof zijn auto vóór en\u002Fof op de oprit van die woningen te parkeren, en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer] en\u002Fof haar vader [slachtoffer] meermalen te bellen en\u002Fof meermalen te appen, met het oogmerk die [slachtoffer] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en\u002Fof vrees aan te jagen.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewijsoverweging\n\nStandpunt van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft vrijspraak bepleit. Volgens de verdediging moet de ten laste gelegde periode worden opgesplitst in tweeën. In de periode van 11 augustus 2024 tot 5 oktober 2024 is volgens de raadsman geen sprake van een opzettelijke en wederrechtelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, omdat verdachte na het gesprek bij het [Instantie] niet doorhad dat hij helemaal geen contact meer mocht zoeken met aangeefster.\n\nIn de periode vanaf 05 oktober 2024 waren – aldus de raadsman – de aard en frequentie van de gedragingen van verdachte dermate gering dat van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster geen sprake was. Daarbij was geen sprake van wederrechtelijkheid, nu verdachte alleen contact zocht met aangeefster in het belang van zijn contact met de kinderen. De raadsman heeft in dit kader wetsgeschiedenis aangehaald waaruit blijkt dat in dergelijke situaties terughoudend moet worden geoordeeld over de vraag of sprake is van belaging.\n\nOordeel van het hof\n\nHet hof stelt voorop dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b lid 1 van het Wetboek van Strafrecht van belang zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer (HR 29 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5710 en HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3095).\n\nHet hof stelt op grond van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nVerdachte en aangeefster hebben tot begin 2024 een relatie gehad. Uit deze relatie zijn kinderen geboren. Op 5 augustus 2024 hebben verdachte en aangeefster bij het [Instantie] (hierna: [Instantie] ) een gesprek gehad in aanwezigheid van medewerkers van het [Instantie] en van [instantie 2] vanwege de zorgen rondom het gezin. Tijdens dat gesprek is op advies van het [Instantie] afgesproken dat verdachte aangeefster en de kinderen met rust zou laten voor de periode van een jaar. Verdachte heeft daar die dag mee ingestemd.\n\nOndanks deze toezegging heeft verdachte in de periode daarna regelmatig contact gezocht met aangeefster. Hij kwam bij haar huis en nam contact op met haar, haar zoon en haar ouders. Op 5 oktober 2024 heeft de politie een stopgesprek met verdachte gehouden waarin aan verdachte nadrukkelijk is uitgelegd dat hij geen contact meer moest zoeken met aangeefster en dat hij voor het treffen van een omgangsregeling contact op diende te nemen met zijn advocaat. Na dit gesprek blijft het korte tijd rustig blijft, maar vanaf eind oktober nemen de contactpogingen van verdachte richting aangeefster en haar omgeving weer toe.\n\nOp 1 december 2024 staat verdachte weer voor de woning van aangeefster. De politie komt ter plaatse en besluit verdachte aan te houden op verdenking van stalking. Na deze aanhouding ontvangt de politie geen meldingen meer van aangeefster over contactpogingen. Wel neemt nu haar vader regelmatig contact op met de politie omdat verdachte hem belt en berichten stuurt en bij hem thuis aanbelt. De laatste melding dateert van 16 juni 2025.\n\nVerdachte heeft op de zitting van het hof alle contact(poging)en erkend, maar daarbij aangegeven dat hij dat niet als strafbaar ziet omdat hij in gesprek wilde met aangeefster over de omgang met de kinderen. Zijn raadsman heeft aangevoerd dat verdachte niet begreep dat hij in het geheel geen contact met aangeefster mocht opnemen, ook niet via haar vader.\n\nHet hof verwerpt het verweer dat verdachte niet begrepen zou hebben dat aangeefster geen contact met hem wenste. Naar het oordeel van het hof was het gesprek bij het [Instantie] het eerste moment waarop het voor verdachte volstrekt duidelijk moet zijn geweest dat aangeefster niet gediend was van contact. Het enkele feit dat verdachte het – volgens eigen verklaring: later – niet eens was met het standpunt van aangeefster en de afspraak die daarom bij dit gesprek is gemaakt, maakt immers niet dat hij dat standpunt niet begreep. Vervolgens is zowel bij het stopgesprek op 5 oktober 2024 als door de aanhouding van verdachte op 1 december 2024 telkens opnieuw duidelijk gemaakt aan verdachte dat hij aangeefster met rust moet laten. Ondanks al deze momenten is verdachte bewust contact blijven opnemen met aangeefster en\u002Fof haar omgeving. Naar het oordeel van het hof is hiermee het opzet van verdachte wettig en overtuigend bewezen.\n\nVerder overweegt het hof dat – hoewel de frequentie van de gedragingen van verdachte op het eerste gezicht beperkt lijkt – de aard en intensiteit van deze gedragingen maakt dat sprake is van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Verdachte is onder andere meerdere keren bij aangeefster en haar familie aan de deur geweest. Dit is een zeer indringende manier van contact zoeken, omdat verdachte zich hiermee in de directe omgeving van aangeefster bevindt en omdat deze fysieke vorm van contact zoeken de continue vrees voor een volgend contact met zich brengt.\n\nTot slot is het hof van oordeel dat sprake is van een wederrechtelijke inbreuk. Verdachte heeft op de zitting van het hof verklaard vrij snel na het [Instantie] -gesprek een advocaat te hebben ingeschakeld om het contact met zijn kinderen te kunnen behouden\u002Fherstellen. Verdachte had omgang met de kinderen via deze juridische weg moeten bewerkstelligen. Het verweer van de raadsman dat in situaties omtrent omgang met kinderen terughoudend moet worden geoordeeld over de vraag of sprake is van belaging, schuift het hof terzijde. De wetsgeschiedenis waarnaar de raadsman verwijst, ziet op de situatie waarin tussen ouders van kinderen een omgangsregeling bestaat en de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer erin bestaat dat een verdachte contact zoekt omdat de andere ouder zich niet aan deze omgangsregeling houdt. Van zo’n situatie is in onderhavige zaak geen sprake.\n\nAl met al is het hof van oordeel dat de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de hiervoor vastgestelde gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van aangeefster zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer sprake is geweest. Het hof acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De reden waarom verdachte herhaaldelijk contact met aangeefster en haar omgeving bleef zoeken (contact willen met de kinderen) doet daar niet aan af.\n\nBewijsmiddelen\n\nDe bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:\n\n1. De door verdachte op de terechtzitting bij de politierechter van 1 september 2025 afgelegde verklaring:\n\nIk ben in de ten laste gelegde periode naar de woning van aangeefster (het hof begrijpt: te [dorp] ) en die van haar ouders gegaan en heb daar de auto geparkeerd. Bij aangeefster heb ik ook op de ramen geklopt. Ik heb naar aangeefster en haar vader gebeld en aan hen WhatsApp-berichten verstuurd.\n\n2. De door verdachte op de terechtzitting van het hof van 17 juni 2026 afgelegde verklaring:\n\nIk heb steeds contact gezocht met aangeefster en haar omgeving om tot een gesprek te komen over de omgang met de kinderen. Het klopt dat de afspraak gemaakt is op 5 augustus 2024 bij het [Instantie] dat ik een jaar lang afstand zou houden van aangeefster en de kinderen.\n\nIk heb vrij snel na het gesprek bij het [Instantie] een advocaat ingeschakeld.\n\n3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 28 november 2024, opgenomen op pagina 6 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2024328914 d.d. 7 maart 2025, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] :\n\nAangifte van stalking, [adres 1] te [dorp] , gemeente [gemeente] .\n\nIk doe aangifte van stalking door mijn ex-vriend [verdachte] . Ik heb begin 2024 de relatie verbroken. Op 5 augustus 2024 heeft er een gesprek plaatsgevonden bij het [Instantie] vanwege alle zorgelijkheden (o.a. bij [slachtoffer] en mij). Dit gesprek heeft plaatsgevonden in bijzijn van [Instantie] , [instantie 2] , [verdachte] en mijzelf. Daar is geadviseerd door [Instantie] (en [verdachte] heeft daar ook in toegestemd) dat hij mij en de kinderen 1 jaar met rust zou laten, dus tot 5 augustus 2025.\n\nOmdat [verdachte] mij ondanks de afspraken die bij het [Instantie] zijn gemaakt toch bleef lastigvallen door bij mijn huis te komen, is er een afspraak op locatie gemaakt op mijn woning. Nadien ging contacten en langskomen door. Hij vraagt aan anderen, o.a. mijn ouders waar ik ben en waar de kinderen zijn. Hij kwam [voor het [Instantie] en stopgesprek] en ook op andere momenten aan de deur. Hij klopt of bonkt verscheidene malen op de deur en ramen, parkeert soms zijn auto op onze oprit of voor het huis en loopt weg om vervolgens terug te komen.\n\nOp 5 oktober 2024 heeft er een stopgesprek door de politie plaatsgevonden met [verdachte] . Hem is daarbij verteld dat hij moet stoppen met mij lastigvallen en dat hij zich moet houden aan de afspraken die er gemaakt zijn met de hulpverlening. Sinds 30 oktober nemen de contactpogingen weer toe, naar mij en ook mijn vader wordt gebeld. Hierna begint het langskomen weer.\n\n4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 oktober 2024, opgenomen op pagina 49 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van [verbalisant] :\n\nIk, [verbalisant] , sprak op zaterdag 5 oktober 2024 op het politiebureau met\n\n [verdachte] . Ik heb duidelijk aan [verdachte] uitgelegd dat hij diende te stoppen\n\nmet het bezoeken van de woning van [slachtoffer] aan [adres 1] te [dorp] . Ook\n\nheb ik [verdachte] meerdere keren uitgelegd dat hij op geen enkele wijze contact moest\n\nzoeken met [slachtoffer] en dat hij via zijn advocaat de mogelijkheden moest verkennen\n\nvan een omgangsregeling.\n\n5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 december 2024, opgenomen op pagina 63 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van [verbalisant 2] :\n\nOp zondag 1 december 2024 werd een melding uitgegeven dat de ex van de bewoonster van de [adres 1] te [dorp] bij haar voor de deur zou staan en op de ramen had gebonkt. Ambtshalve is mij bekend, dat op genoemd adres [slachtoffer] met haar twee minderjarige\n\nkinderen woonachtig is. Ambtshalve is mij bekend dat [slachtoffer] onlangs aangifte heeft\n\ngedaan van stalking door haar ex-vriend, genaamd [verdachte] . [verdachte] zou in een personenauto, merk BMW, voorzien van het kenteken [kenteken] zitten.\n\nTer plaatse in [adres 1] zag ik genoemd voertuig voor de woning [adres 1]\n\nstaan. Ik zag dat de mij ambtshalve bekende [verdachte] alleen in het voertuig en op\n\nde bestuurderstoel zat. Na overleg met de Officier van Dienst Politie [naam] werd besloten om [verdachte] op heterdaad aan te houden ter zake stalking.\n\n6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 april 2025, inhoudende het relaas van [verbalisant 3] :\n\nOp 7 januari 2025 ontving [slachtoffer] (dit is de vader van aangeefster) een WhatsApp bericht van [verdachte] , met de tekst: [7-1 15:42] [verdachte] : Als jij als vader en opa nu jezelf eens afvraag hoe [slachtoffer] de jongens bij me weg hou al 7 maanden lang, dan mag je mij\n\nooit vertellen of dat juist is. [slachtoffer] heeft niet gereageerd op deze whatsapp.\n\nOp 8 februari 2025 om 10.44 uur ontving [slachtoffer] een telefoontje van nummer:\n\n [telefoonnummer] , dit is het telefoon nummer van [verdachte] . Hierop heeft hij niet gereageerd. De telefonische oproep staat in de historie als: 8 feb. 10:44 (gemiste oproep).\n\nOp 24 februari 2025 komt [verdachte] bij [slachtoffer] aan de deur. En vraagt of [slachtoffer] met [slachtoffer] wil praten over de kinderen.\n\nOp 17 maart 2025 15.20 uur was [verdachte] weer aan de deur. Bewoners waren niet thuis.\n\nOp 19 maart 2025 15.56 uur was [verdachte] aan de deur. Is niet opengedaan.\n\nOp 10 april 2025 ontving [slachtoffer] wederom een WhatsApp: [10-4 14:13] [verdachte]\n\n : Beste [slachtoffer] , zou je [slachtoffer] erop willen attenderen dat de jongens ook nog een oma in [plaats] hebben waar het heel slecht mee gaat, en die toch ook nog graag [slachtoffer] een x zou willen zien. Wederom van telefoonnummer: [telefoonnummer] .\n\n6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt aanvullend proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 juni 2025, inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 3] :\n\nOp 14 mei 2025 stelde [slachtoffer] per e-mail de wijkagent in kennis dat [verdachte]\n\nwederom bij zijn woning aan [adres 2] te [dorp] is geweest.\n\nOp maandag 16 juni om 15.46 uur was een 112 melding gedaan door [slachtoffer] . Op 16 juni 2025 TP [het hof begrijpt: ter plaatse] gegaan aan [adres 2] . Op dit adres staan vader en moeder [slachtoffer] ingeschreven, samen met dochter [slachtoffer] en haar kinderen.\n\nDochter [slachtoffer] heeft een ex, [verdachte] . Deze stond op dat moment voor de woning.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nhij in de periode van 11 augustus 2024 tot en met 29 juni 2025 te [dorp] , gemeente [gemeente] , wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer] , door zich in voornoemde periode\n\n- meermalen ongewenst op te houden bij de woning van die [slachtoffer] en bij de woning van haar ouders en vervolgens op ramen en deuren van die woningen te kloppen en aan te bellen en zijn auto vóór en op de oprit van die woningen te parkeren;\n\n- die [slachtoffer] en haar vader [slachtoffer] meermalen te bellen en meermalen te appen,\n\nmet het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te doen en te dulden.\n\nHet hof spreekt verdachte vrij van die onderdelen van de tenlastelegging die hierboven niet bewezen zijn verklaard.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:\n\nbelaging.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nVerdachte is strafbaar omdat geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die maakt dat verdachte niet strafbaar is.\n\nOplegging van straf en maatregel\n\nBij het bepalen van de straf en maatregel houdt het hof rekening met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.\n\nVerdachte heeft zich gedurende een periode van ruim 9 maanden schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-partner. Na de relatiebreuk heeft verdachte aangeefster tegen haar uitdrukkelijke wil telefonisch benaderd, zich bevonden bij haar woning en contact gezocht met haar directe omgeving. Door zo te handelen heeft verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster en bij haar angstgevoelens teweeggebracht.\n\nVerdachte heeft zich niets aangetrokken van de duidelijke signalen op drie momenten in de bewezenverklaarde periode en telkens toch weer contact gezocht met aangeefster. Op de zitting van zowel de politierechter als het hof heeft verdachte een eigen versie van de feiten naar voren gebracht en ontkend wederrechtelijk te hebben gehandeld. Het hof heeft tijdens het verhoor van verdachte op de zitting herhaaldelijk geprobeerd verdachte het belang van wederkerigheid van relaties en interacties te doen inzien. Verdachte heeft daarbij een onvermogen getoond om zich in de situatie van een ander in te leven en in te zien wat de impact en gevolgen zijn van zijn handelen.\n\nHet hof heeft bij de strafoplegging gelet op de inhoud van het strafblad van verdachte van 07 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten veelal van andere aard en\u002Fof langer geleden gepleegd. Het hof weegt dit niet mee in de strafoplegging.\n\nVerder heeft het hof acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Het hof heeft kennis genomen van een verdachte betreffend reclasseringsrapport van 22 augustus 2025. De reclassering schrijft over een zwak probleeminzicht, zwakke impulscontrole, zwakke coping vaardigheden en narcistische en antisociale trekken bij verdachte. Verdachte zou slecht in staat zijn om conflicten adequaat op te lossen. Het middelengebruik van verdachte is volgens de reclassering delict gerelateerd. De reclassering adviseert oplegging van een voorwaardelijke straf, met daaraan verbonden een aantal bijzondere voorwaarden.\n\nGelet op het hiervoor overwogene acht het hof van belang en noodzakelijk aan verdachte een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen als stok achter de deur. Deze dient ertoe verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.\n\nAlles afwegende acht het hof het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden. Aan deze voorwaardelijke straf zal het hof de volgende bijzondere voorwaarden verbinden:\n\neen meldplicht;\n\neen behandelverplichting;\n\neen drugsverbod.\n\nVrijheidsbeperkende maatregel (contact- en gebiedsverbod)\n\nNaast bovengenoemde bijzondere voorwaarden adviseert de reclassering ook het opleggen van een contactverbod jegens aangeefster en een gebiedsverbod voor het adres van aangeefster. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het contactverbod ook geldt jegens de kinderen van aangeefster, haar ouders en haar zus en dat het gebiedsverbod geldt voor het hele dorp [dorp] . Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verboden worden opgelegd in de vorm van een vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht) en dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard.\n\nGelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de hiervoor overwogen omstandigheden waaronder dit is begaan, is het naar het oordeel van het hof noodzakelijk ter voorkoming van strafbare feiten dat aan verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd, te weten een contactverbod jegens de volgende personen:\n\n [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n [slachtoffer] geboren op [geboortedatum] ;\n\n [slachtoffer] geboren op [geboortedatum] ;\n\n [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ,\n\nen een gebiedsverbod voor de bebouwde kom van het dorp [dorp] in de gemeente [gemeente] .\n\nZoals hiervoor overwogen toont verdachte geen enkel inzicht in (de gevolgen van) zijn handelen. Daarnaast weegt het hof mee dat omtrent de omgang met de kinderen een civiele procedure gaande is. Verdachte heeft op de zitting van het hof verklaard die procedure als onlosmakelijk verbonden te beschouwen met deze strafzaak. Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend zal gedragen jegens aangeefster, haar kinderen en\u002Fof haar familie. Het hof zal de vrijheidsbeperkende maatregel dan ook dadelijk uitvoerbaar verklaren.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nDe benadeelde partij heeft een vordering tot schadevergoeding van € 3.236,02 ingediend. De rechtbank heeft dit bedrag voor een deel toegewezen tot een bedrag van € 986,02. De benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd. Het hof moet daarom een beslissing nemen over de oorspronkelijke vordering.\n\nOp de zitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde strafbare handelen van verdachte. Ten aanzien van de materiële schade (reiskosten) overweegt het hof dat de vordering is onderbouwd met een overzicht van reiskosten naar de psycholoog.\n\nTen aanzien van de immateriële schade overweegt het hof als volgt. Op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan onder meer een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in de persoon is aangetast. Uit de onderbouwing van het verzoek tot schadevergoeding blijkt dat de benadeelde partij naar aanleiding van het bewezenverklaarde gevoelens van onveiligheid en spanning ervoer, een verminderde eetlust en concentratie had en psychische klachten kreeg. Hiervoor is de benadeelde partij naar de huisarts gegaan, die haar heeft doorverwezen naar en psycholoog. De benadeelde partij is gestart met EMDR-therapie en de behandeling is na enige tijd geïntensiveerd. Verder is de benadeelde partij niet in staat om (volledig) te werken en merkt ze dat ook haar kinderen spanningsklachten hebben. De vordering is onderbouwd met medische verklaringen en een verslaglegging van de psycholoog.\n\nDe verdediging heeft de vordering tot schadevergoeding betwist. De raadsman heeft naar voren gebracht dat de therapie die aangeefster volgt niet alleen ziet op behandeling van trauma naar aanleiding van het bewezenverklaarde, zodat niet de gehele schade kan worden toegewezen. Het hof overweegt dat het bewezenverklaarde de directe aanleiding is geweest voor het starten van de therapie en dat de benadeelde partij haar vordering goed heeft onderbouwd. In het licht hiervan heeft de verdediging de vordering tot schadevergoeding onvoldoende gemotiveerd betwist.\n\nHet hof leidt uit voorgaande af dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde handelen van verdachte in de persoon is aangetast, zodat de benadeelde partij op grond van artikel 6:106 lid 1 aanhef en onder b BW in aanmerking komt voor schadevergoeding.\n\n Het hof heeft zich voor het oordeel over de hoogte van de immateriële schade gebaseerd op de bandbreedtes uit de Rotterdamse Schaal. De eerste bandbreedte ziet op tamelijk ernstige belaging, waarbij de communicatie vanuit de dader minder frequent en dreigend is dan bij ernstige belaging. Aan tamelijk ernstige belaging wordt in de Rotterdamse Schaal een immaterieel schadebedrag tot € 2.000,00 gekoppeld. De tweede bandbreedte ziet op ernstige belaging, waarbij de communicatie vanuit de dader frequenter en intensiever is en waarbij verschillende communicatiemiddelen worden gebruikt om de benadeelde te benaderen. Aan ernstige belaging wordt een immaterieel schadebedrag van € 2.000,00 tot € 5.000,00 gekoppeld.\n\nNaar het oordeel van het hof is onderhavig geval een grensgeval tussen tamelijk ernstige en ernstige belaging. Het hof zal daarom de omvang van de immateriële schade op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW naar billijkheid schatten op een bedrag van € 2.000,00.\n\nVerdachte moet de schade vergoeden. Het hof wijst dit deel van de vordering daarom toe, vermeerderd met de wettelijke rente.\n\nHet hof kan in deze procedure van het overige deel van de gevorderde schade niet vaststellen dat deze veroorzaakt is door het handelen van verdachte. De behandeling van dat deel van de vordering levert een onevenredige belasting van deze strafprocedure op. Het hof verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dat deel van de vordering De benadeelde partij kan dat deel van de vordering indienen bij de burgerlijke rechter.\n\nOm te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op.\n\nWetsartikelen\n\nDe straf en maatregel is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w en 285b van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden op het moment van het bewezenverklaarde.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nHeft op het door de rechtbank gegeven bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van de door de rechtbank opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel van 38v van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende een gebiedsverbod.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van6 (zes) maanden.\n\nBepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.\n\nStelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Verdachte volgt de aanwijzingen op die hem door of namens de reclassering gegeven worden voor zover niet reeds in andere voorwaarden benoemd. Binnen het toezicht worden (sub)doelen geformuleerd waar verdachte aan zal werken deze te behalen. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen veertien dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het [adres 4] te [plaats] .\n\nStelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door de AFPN of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.\n\nStelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) in de Opiumwet gebruikt. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles door middel van urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak wordt gecontroleerd.\n\nVan rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:\n\n- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.\n\n- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;\n\nGeeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nLegt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde:\n\nvoor de duur van 3 jaren zich niet bevindt in de bebouwde kom van het dorp [dorp] in de gemeente [gemeente]\n\nvoor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met:\n\n- [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n- [slachtoffer] geboren op [geboortedatum] ;\n\n- [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n- [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n- [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n- [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n- [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] ,\n\ntenzij dit contact plaatsvindt met uitdrukkelijke toestemming van de reclassering en daarbij de aanwijzingen van de reclassering worden opgevolgd. Als de reclassering dit noodzakelijk vindt, kan worden besloten dat het contact in het bijzijn van hulpverleners, te bepalen door de reclassering, dient plaats te vinden.\n\nBeveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.\n\nToepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.\n\nBeveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.\n\nBeveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.\n\nBeveelt daarnaast dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.236,02 (tweeduizend tweehonderdzesendertig euro en twee cent) bestaande uit € 236,02 (tweehonderdzesendertig euro en twee cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.236,02 (tweeduizend tweehonderdzesendertig euro en twee cent) bestaande uit € 236,02 (tweehonderdzesendertig euro en twee cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 22 (tweeëntwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 29 juni 2025.\n\nDit arrest is gewezen door mr. M.C. van Linde, mr. H.J. Deuring en mr. M. van Kuilenburg, in aanwezigheid van de griffier mr. G. Krist en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 1 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4287","ecli-nl-gharl-2026-4287",{"courtName":6,"legalDomain":40,"decisionType":22,"procedureType":23},"Strafrecht",{"id":42,"ecli":43,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":44,"fullText":45,"language":7,"source":17,"sourceUrl":46,"summary":14,"slug":47,"metadata":48},"363","ECLI:NL:GHARL:2026:4227","2026-06-30T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.347.431\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland 541028\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nMajestic Home Care B.V. (MHC)\n\ndie is gevestigd in Amstelveen\n\nadvocaat: mr. P.J. van Hartingsveldt\n\nen\n\nONVZ Ziektekostenverzekeraar N.V. (ONVZ)\n\ndie is gevestigd in Houten\n\nadvocaat: mr. A.C. van der Salm\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n1.1. \n\nMHC heeft hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen die de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, (hierna: de rechtbank) op 28 juni 2023, 18 oktober 2023 en\n\n27 maart 2024 tussen partijen heeft gewezen.Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\n• de dagvaarding in hoger beroep\n\n• de memorie van grieven\n\n• de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep\n\n• de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep\n\n• het verslag van de mondelinge behandeling die op 25 maart 2026 is gehouden (het proces-verbaal)\n\n1.2. \n\nAan het einde van de mondelinge behandeling hebben partijen het hof verzocht de zaak met het oog op het beproeven van een minnelijke regeling aan te houden tot\n\n14 april 2026, waarna zij het hof alsnog hebben gevraagd arrest te wijzen. Hierop heeft het hof een datum voor arrest bepaald.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. ONVZ heeft declaraties voor door MHC verleende zorg over de jaren 2018 en 2019 vergoed. Onderzoek naar die declaraties heeft ONVZ tot het standpunt gebracht dat ten aanzien van die declaraties niet kan worden vastgesteld dat de zorg die daaraan ten grondslag hoort te liggen ook daadwerkelijk is verleend. Volgens ONVZ voldeed de administratie van MHC in zodanige mate niet aan de daaraan te stellen eisen, dat ONVZ gelet daarop de declaraties van MHC niet had mogen betalen. Zij vordert de door haar betaalde bedragen voor een totaal van ruim 223 duizend euro van MHC terug.\n\n2.2. \n\nDe rechtbank heeft in een tussenvonnis van 28 juni 2023 geoordeeld dat als komt vast te staan dat (een deel van) de door MHC gedeclareerde zorg niet is verleend, MHC onrechtmatig heeft gehandeld door die zorg, dan immers ten onrechte, te declareren. De niet verleende, maar wel vergoede, zorg geldt dan als schade voor ONVZ. De rechtbank heeft ONVZ opgedragen te bewijzen dat (een deel van) de gedeclareerde zorg niet is geleverd. De rechtbank heeft, oordelend in een incident, bij vonnis van 18 oktober 2023 MHC opgedragen om van diverse stukken afschrift aan ONVZ te verstrekken. In haar eindvonnis van\n\n27 maart 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat ONVZ gedeeltelijk is geslaagd in haar bewijsopdracht en heeft MHC veroordeeld om een bedrag van, bij elkaar opgeteld, € 52.348,92 met rente aan ONVZ te betalen, en MHC veroordeeld in de proceskosten.\n\n2.3. De bedoeling van het hoger beroep van MHC is dat de vorderingen tegen haar alsnog worden afgewezen, terwijl de insteek van het incidentele beroep van ONVZ is dat de vorderingen tegen MHC alsnog volledig worden toegewezen.\n\n2.4. Het hof zal beslissen dat het hoger beroep van MHC niet slaagt en het incidentele hoger beroep van ONVZ juist doel treft. Hierna licht het hof dit oordeel toe, nadat het eerst de feiten uiteen heeft gezet.\n\n3. De feiten\n\n3.1. \n\nONVZ is een zorgverzekeraar die zorg voor haar verzekerden vergoedt onder de\n\nZorgverzekeringswet (Zvw). MHC is een organisatie die thuiszorg en wijkverpleging levert.\n\nMHC verleent de zorg via door haar ingeschakelde hulppersonen. MHC is opgericht op\n\n13 juli 2018. Sindsdien is mevrouw [naam1] middellijk bestuurder van MHC (hierna: de bestuurder). In de periode daarvoor dreef de bestuurder als zorgaanbieder in de thuiszorg een eenmanszaak onder de handelsnaam “ [handelsnaam] ”. De activiteiten van [handelsnaam] zijn per 13 juli 2018 overgenomen door MHC.\n\n3.2. MHC is een zogenoemde “niet-gecontracteerde zorgaanbieder” van ONVZ, die dus zelf geen contract met ONVZ heeft. MHC en [handelsnaam] hebben in de periode van 2018 tot en met 2019 voor een totaalbedrag van € 223.543,20 gedeclareerd voor zorg die zou zijn verleend aan een zestal zorgcliënten die verzekerd waren bij ONVZ. MHC diende haar declaraties voor een deel zelf in bij ONVZ, via het externe declaratiesysteem VECOZO, op basis van met de zorgcliënten gesloten aktes van cessie. Voor het overige declareerde MHC rechtstreeks aan de verzekerden, die de declaraties vervolgens indienden bij ONVZ. ONVZ heeft de ingediende declaraties betaald.\n\n3.3. In een brief van 20 januari 2020 heeft ONVZ aan MHC aangekondigd een materiële controle te zullen uitvoeren over de zorg die voor het jaar 2019 was gedeclareerd. In de brief staat te lezen dat de reden voor deze controle is dat ONVZ de declaraties van niet-gecontracteerde zorgaanbieders over 2019 met elkaar heeft vergeleken, en dat MHC opviel vanwege de omstandigheid dat bij haar op jaarbasis gemiddeld € 40.319 per verzekerde werd gedeclareerd, terwijl dat bij vergelijkbare zorgaanbieders € 6.689 zou zijn.\n\n3.4. Omdat de reactie van MHC van 27 maart 2020 op de door ONVZ gestelde (aanvullende) vragen naar opvatting van ONVZ onvoldoende zekerheid gaf over de recht- en doelmatigheid van de gedeclareerde zorg, is ONVZ overgegaan tot een detailcontrole.\n\n3.5. In een brief van 5 augustus 2020 heeft ONVZ haar voorlopige bevindingen naar aanleiding van de door haar gedane controles aan MHC laten weten. In die brief staat onder meer te lezen:\n\n“Rapportages\n\n• De rapportages bevatten een opsomming van activiteiten en weinig andere relevante\n\ninformatie.\n\n• Er wordt niet op doelen gerapporteerd, in de rapportages worden geen meetbare bevindingen genoteerd.\n\n• In de rapportages wordt geen melding gemaakt van de huisbezoeken van de indicerend\n\nwijkverpleegkundige i.v.m. herindicaties. Onduidelijk hoe de evaluatie heeft plaats gevonden.\n\nDe betrokkenheid van de wijkverpleegkundige is niet aangetoond. Het is onduidelijk wie de\n\nregie voert bij de cliënten en hoe de afstemming met andere disciplines verloopt.\n\n• Wanneer er sprake is van een incident (zoals cliënt heeft koorts) is er geen vervolgactie\n\ngerapporteerd. Geen sprake van meetbare feiten (zoals aantal graden Celsius). Wanneer er\n\nherhaaldelijk sprake is van een dergelijke situatie, wordt nooit contact opgenomen met een\n\nandere zorgprofessional of de wijkverpleegkundige. Wanneer de suggestie wordt gewekt dat\n\nmen een actie rondom zorg coördinatie uitvoert, worden hier geen bevindingen van\n\ngerapporteerd. (…)\n\n• Er worden structureel bij cliënten interventies uitgevoerd die niet onder de Zvw vallen, zoals wandelen en maaltijdondersteuning. Deze zorgmomenten zijn wel gedeclareerd en\n\ngeregistreerd in de urenregistratie.\n\nEr is in de dossier sprake van een statische situatie, waarin de cliënt geen ontwikkeling doormaakt. Onze bevinding luidt dat de rapportages tegenstrijdige en onjuiste informatie in structureel dezelfde zinssneden bevatten. De rapportages kunnen de kwaliteit van zorg niet borgen en aantonen, hiermee voldoen deze in eerste instantie niet aan de eisen voor voortgangsrapportages zoals vastgelegd in de Richtlijn Verslaglegging:\n\n(…)\n\nDaarnaast bevatten de rapportages de volgende fraudesignalen (…).\n\n• Er is geen sprake van vermelding van zorgmomenten met andere professionals, zoals\n\nhuisartsenconsulten. Wanneer dit wel genoemd wordt, komen de data niet overeen met de\n\nbehandeldata zoals vermeld door de andere zorgprofessionals in onze declaratiegeschiedenis. (…)\n\n• Cliënt wisselt van geslacht\n\n• Typefouten, zinssneden en woordkeuzen wisselen niet wanneer een andere zorgverlener\n\nrapporteert.\n\n• Er is sprake van een sjabloon, variaties vallen samen met het aantal dagen in de maand (30\n\nof 31).\n\n• Rapportages die structureel voorkomen staan vermeld in het dossier van een andere cliënt.\n\n• Er is sprake van dezelfde patronen per dag. Wanneer in de ochtend A voorkomt, is er altijd\n\ntijdens een later zorgmoment sprake van B. Bijv, wanneer cliënt in de ochtend een wandeling\n\nwilt nemen, heeft deze altijd in de avond buikpijn.\n\n• In dagrapportages bij meerdere cliënten worden structureel over de gehele periode van zorg\n\ndezelfde fout in interpunctie gemaakt, door verschillende zorgverleners.\n\nVoor ONVZ is het uitgangspunt dat uit het dossier is af te leiden welke zorg is geleverd en verzekerd is. Dat betekent dat zorg niet alleen geïndiceerd moet zijn, maar uit de dossiers moet ook volgen wat daadwerkelijk geleverd is. Onze bevinding luidt de wijze van rapporteren zoals aanwezig in de aangeleverde dossiers ongeschikt is om kwaliteit van zorg te borgen. Er is niet voldaan aan de verplichting een navolgbaar dossier aan te leggen, zoals vastgelegd in de Regeling Verpleging en Verzorging.\n\n(…)\n\nUrenregistraties\n\nEr is bij meerdere cliënten geen enkele keer een variatie in de urenregistratie aanwezig. De zorg wordt elke dag op dezelfde tijdstippen geleverd. Wanneer er wél incidenteel een zorgmoment wegvalt, wordt niet vermeld in de dagrapportages wat de reden is. In de declaratiedata is te zien dat de uren wel gedeclareerd worden.\n\nWanneer het aantal uren wordt aangepast in de indicatie, worden er nog steeds dezelfde tijden geregistreerd. De zorg wordt nooit afgeschaald, maar er wordt wel minder gedeclareerd. (…)\n\nVoorlopige conclusie\n\nONVZ concludeert op basis van de dossiers dat Majestic Home Care en [handelsnaam] de feitelijke levering van de zorg voor de verzekerden niet heeft aangetoond. Naast deze bevinding bevatten de dossiers fraudesignalen die nader verklaart dienen te worden.\n\nNaast dit feit is er voor twee cliënten geen sprake van een geldig indicatiebesluit, aangezien in deze dossiers geen sprake is van een aantoonbaar ondertekende indicatie en zorgplan. (…) Onze voorlopige conclusie ten aanzien van doelmatigheid luidt dat er structureel niet is aangetoond dat er sprake is geweest van doelmatige levering van zorg. (…)”\n\n3.6. Naar aanleiding van deze bevindingen van ONVZ heeft op 26 november 2020 een gesprek met de bestuurder plaatsgevonden. Het gespreksverslag vermeldt onder meer het volgende.\n\n“Majestic Home Care\n\nWat er is gebeurd, de papieren dossiers had ik maar van sommige was het handschrift niet te\n\nlezen. Wij hebben dus op een gegeven moment gezegd: ‘we gaan alles gewoon typen zodat\n\nhet toch netjes is'. Ik vermoed, en dat verdient natuurlijk geen schoonheidsprijs, dat\n\nmedewerkers op een gegeven moment dingen hebben geknipt en geplakt, maar dat was niet\n\nde bedoeling.\n\nONVZ (vrouw)\n\nWat is er dan gebeurd met die papieren dossiers?\n\nMajestic Home Care\n\nDie zijn opgeborgen, die zijn nog opgeborgen.\n\nONVZ (vrouw)\n\nU begrijpt dat, als u nu ook zegt die zijn inderdaad ‘geknipt en geplakt' daarmee kunt u dus niet de feitelijke levering van de zorg aantonen.\n\nMajestic Home Care\n\nJa, maar ik zou wel de papieren dossiers kunnen opsturen. Dan kunt u die ook inlezen. Die\n\nmoet ik dan even gaan ophalen want die heb ik dus opgeborgen.\n\nONVZ (vrouw)\n\nWaarom heeft u de keuze gemaakt om ons niet die papieren dossiers op te sturen maar deze\n\ndigitale dossiers?\n\nMajestic Home Care\n\nOmdat, zoals ik aangaf, het was best wel onduidelijk. Het handschrift was bijna onleesbaar op sommige plekken. Ik dacht dat het nou juist handig was om alles netjes over te typen dus dat hebben we eigenlijk gedaan. Achteraf was dat misschien niet echt verstandig.\n\nONVZ (vrouw)\n\nU heeft het dus niet overgetypt. U zegt zelf dat u het heeft gekopieerd en geplakt.\n\nMajestic Home Care\n\nNee, maar het is niet overal zo gebeurd. Op een gegeven moment hebben we gezegd: ‘de\n\nrapportages moeten aangeleverd worden en ik merk gewoon dat het heel slordig is. Wat is\n\nwijsheid?’ Toen hebben we dit besluit genomen, maar dat was misschien niet het verstandigste besluit.\n\n(…)\n\nONVZ (vrouw)\n\nJa, maar de vraag voorliggend daaraan is natuurlijk dat ik zeg, er is sprake eigenlijk van bij elke klant gebeurt elke dag precies hetzelfde het hele jaar door, eigenlijk per maand ook. Omdat ik zeg, er is sprake van een sjabloon. Een sjabloon voor een maand met 30 dagen en een sjabloon voor een maand met 31 dagen. Er gebeurt eigenlijk, om het maar zo te zeggen, niks opmerkelijks of incidenteel bij die cliënt. Wat heeft u dan precies overgetypt? Als ik de\n\nrapportages lees waarin zorg is verleend, dan gaat het vaak over uitzonderlijke situaties. Ik\n\nbegrijp niet zo goed of ik vraag aan u: ‘heeft u dan een interpretatie gemaakt van hoe die\n\nsituatie van die cliënt was en heeft u op basis daarvan geknipt en geplakt of heeft u werkelijk\n\niets over getypt?’\n\nMajestic Home Care\n\nWat ik aangeef, we hebben besloten om de rapportages gewoon echt over te typen. Dat is de\n\nopdracht die ik gegeven heb, maar helaas. Ik moet ook gewoon eerlijk zeggen, ik heb niet alle rapportages opnieuw nagekeken. De opdracht is gegeven omdat het op bepaalde plekken bijna niet te lezen was en er was ook drinken over een paar van die bladen gevallen dus het was ook niet netjes om op te sturen. Dat is eigenlijk de reden geweest waarom we ook hebben gezegd: ‘misschien is het gewoon beter om het over te typen'.\n\nONVZ (vrouw)\n\nNou, ja, goed. Als een rapportage onleesbaar is dan is dat ook onvoldoende om de levering\n\nvan de zorg aan te tonen of in ieder geval om de kwaliteit van zorg te borgen als een derde\n\npersoon niet kan lezen wat er is gebeurd.\n\nMajestic Home Care\n\nPrecies, ik heb de medewerker daar ook op aangesproken, ‘anders ga je maar blokletters\n\nschrijven maar op deze manier moet je niet schrijven’.\n\nONVZ (vrouw)\n\nMaar dat is dan niet bij één dossier gebeurd. Het enige dossier waar wij papieren van hebben\n\nontvangen is het dossier van de heer [naam2] . De overige zes bestaan eigenlijk uit waar we\n\nhet net over hebben gehad.\n\nMajestic Home Care\n\nJa, maar zoals u ook zag, het was een team die toen werkte en het waren dus steeds dezelfde\n\nmensen. Je ziet ook een patroon van dat niet leesbare, want het was één persoon die dat\n\nhandschrift had. Vandaar dat we op een gegeven moment dachten, het is bij hen niet te lezen\n\nen je wilt het natuurlijk wel goed aanleveren. Helaas is het nu niet op de juiste manier\n\naangeleverd, maar dat was wel de instelling en dat was wel de doelstelling, goed aanleveren.\n\nONVZ (vrouw)\n\nU zegt dus dat er bij zes cliënten sprake was van zorgverleners die allemaal een onleesbaar\n\nhandschrift hebben gehad. Dat klinkt een beetje gechargeerd, maar dat is wel wat u nu zegt. Bij zes cliënten waren de papieren dossiers van een dusdanige kwaliteit dat u die niet heeft\n\naangeleverd?\n\nMajestic Home Care\n\nNee, dat hoort u mij niet zeggen. Ik zeg, er was een vast team en er was één medewerker die\n\neen bepaald handschrift had en dat zie je terug in de rapportages. Nee, dat waren niet zes\n\nmedewerkers, dat kan niet.\n\nONVZ (vrouw)\n\nNee, maar u heeft wel dossiers aangeleverd waarbij er sprake is van deze patronen voor zes\n\ncliënten. Alleen bij de heer [naam2] waren meerdere zorgverleners betrokken. Daar is sprake van een papieren dossier. Voor de rest zien we bij al die andere zes cliënten dat er sprake is van gekopieerde en geplakte zinnen, een sjabloon, andere professionals waar je geen vermelding (van) vindt. Dat vind ik dan nogal ... dat u daarmee zegt dat bij al die cliënten het dossier van dusdanige kwaliteit was dat het niet aangeleverd kon worden.\n\nMajestic Home Care\n\nNee, maar dat zeg ik niet. Omdat het handschrift gewoon steeds terugkwam bij die dossiers,\n\nvandaar dat we ... Het ging om één medeweker, net wat ik zeg. Eén medewerker had dat\n\nhandschrift, maar dat kom je dan wel weer in alle dossiers tegen. Bij de heer [naam2] is dat\n\nniet, want bij de heer [naam2] was het zo dat de regie van de zorg van de heer [naam2] lag niet bij mij. Wij werden ingehuurd om bij de heer [naam2] de zorg te leveren. Vandaar dat ik ook kopieën van het papieren dossier van de heer [naam2] heb gekregen. Zoals u ziet, hebben wij ook niet structureel zorg daar geleverd. Het was meer op oproep.\n\n(…)\n\nONVZ (man)\n\nIk stop u nu eventjes. U zet twee zaken tegenover elkaar die niet met elkaar rijmen. U zegt aan de ene kant: ‘hetgeen wat wij overgetypt hebben, klopt met de papieren registratie en daarom is het prima dat de cliënt daarvoor getekend heeft’. Daarnaast zien wij dat de getypte registratie niet overeen komt met uw declaraties, maar u zegt ook dat uw declaraties wel kloppen met de zorglevering zoals die in de map geregistreerd is. Dat valt niet met elkaar te rijmen in deze. Dan is er ergens een fout gemaakt waarvan u zegt: ‘nee, die is niet gemaakt'.\n\n(…)\n\nONVZ (man)\n\nJa, juist, exact. Wat is zeg is dat u aangeeft dat u geregistreerd heeft bij de cliënt, in een map\n\nbijgehouden, de cliënt heeft daarvoor getekend. U heeft dat vervolgens overgetypt en de cliënt heeft daar nog een keer voor getekend op een later tijdstip. Vervolgens is dat dan de declaratie geworden. Wat wij aangeven ...\n\nMajestic Home Care\n\nNee, ik heb niet gezegd dat dat de declaratie is geworden. Het is overgetypt nadat de vraag is\n\ngesteld om een controle. Toen hebben wij dat op een gegeven moment besloten. Dat is wat ik\n\ngezegd heb.\n\nONVZ (man)\n\nJa, maar wat u zegt is dat het getypte en het geschreven met elkaar overeen komt. Dat zegt u\n\nnet.\n\nMajestic Home Care\n\nDat zou overeen moeten komen, ja.\n\nONVZ (man)\n\nJa, exact. Tegelijkertijd zien wij dat het getypte niet overeenkomt met hetgeen wat u\n\ngedeclareerd heeft. Daarmee kunnen wij stellen, als u zegt 'het getypte komt overeen met de\n\npapieren die aanwezig zijn’, dat die ook niet overeenkomen met die declaratie. Dan zal er\n\nergens een fout moeten zijn tussen deze drie documenten.\n\nMajestic Home Care\n\nDat zou dan kunnen. Net wat ik aangeef, ik heb eerlijk gezegd in de afgelopen periode niet de tijd gehad om even nog een keer door alles heen te gaan ter voorbereiding van dit gesprek. Dat ga ik ook niet ontkennen. Normaal gesproken had ik dat moeten doen zodat ik meer expliciet weet wat u bedoelt. Ik ben twee maanden echt niet lekker geweest. Ik heb daar de gelegenheid niet toe gehad.\n\nONVZ (man)\n\nDat snap ik en dat is vervelend, maar we praten niet over de afgelopen twee maanden. Dit zijn declaratiegegevens van langer geleden. Waar we eigenlijk nu op komen, er zit een discrepantie tussen wat gedeclareerd is en wat genoteerd is. Wij hebben dat u voorgelegd en we komen er eigenlijk niet uit. Wat ik dus aan wil geven, ik denk ook dat we het hier dan wel op dit punt even bij kunnen laten, is dat we er nu geen verder bewijs voor zien dat het wel overeenkomt met de werkelijkheid en dat is wel zorgelijk voor ons.\n\nMajestic Home Care\n\nNee, dan zou ik de papieren versie op moeten gaan zoeken en dat naar u opsturen.\n\nWaarschijnlijk is het met het typen gewoon fout gegaan. Dan heb ik even tijd nodig om die\n\npapieren allemaal bij elkaar te halen en dat naar u te komen brengen desnoods.\n\nONVZ (man)\n\nMevrouw, dan ga ik even heel flauw zeggen. U heeft digitale dossiers aangeleverd. Daar\n\nblijken fouten in te zitten. U geeft nu aan: ‘dat wist ik niet'. Dan is de vraag als u daar nog een papieren dossier naast legt, wat voegt dat toe in het geheel? Toont dat dan wel een feitelijke levering aan bijvoorbeeld? U heeft op deze manier misschien uzelf ook onbedoeld klemgezet in de situatie waar we eigenlijk de waarheid niet meer boven tafel kunnen krijgen.\n\nMajestic Home Care\n\nHeel vervelend, want mijn intentie is zeker niet om de boel te belazeren. Absoluut niet. Op het moment dat er geen zorg geleverd wordt, wordt het ook niet gedeclareerd. Dus ja, het is heel spijtig. We hebben de papieren dossiers inderdaad en op een gegeven moment hebben we gezegd om het netjes - misschien, net wat je zegt, onbedoeld - om het netjes aan te leveren gaan we het met zijn allen overtypen. Ik weet helaas niet en ik weet dat ik verantwoordelijk ben en dat is wel vervelend, waar het fout gegaan is. Daar loop ik dan gewoon tegenaan.\n\nONVZ (vrouw)\n\nMisschien begrijp ik het niet zo goed, want ik hoor u wel twee dingen zeggen. Aan de ene kant hebben wij aangegeven in onze voorlopige conclusie dat wij zien dat bijvoorbeeld data van een fysiotherapie consult komt niet overeen met de declaratie data die wij hebben van de\n\nfysiotherapeut en wat er in uw dossier staat. Wat is daar dan gebeurd? Zijn er fouten geslopen in die rapportages of zijn die overgetypte rapportages wel getrouw aan de papieren\n\nrapportages?\n\nMajestic Home Care\n\nDat antwoord moet ik u eerlijk gezegd op dit moment verschuldigd blijven. Had ik het kunnen controleren, dan had ik daar antwoord op kunnen geven. Ik zal daarnaar moeten kijken. Het is heel spijtig dat ik dat niet eerder heb kunnen doen, want dan had ik u concreet antwoord kunnen geven. Als ik het zo moet horen, dan denk ik dat er toch fouten in geslopen zijn. (…)”\n\n3.7. In een brief van 23 december 2020 heeft ONVZ aan MHC aangegeven dat uit haar onderzoek blijkt dat (onder meer) rapportages niet conform de werkelijkheid zijn, en urenregistraties niet overeenkomen met declaraties. ONVZ stelt zich in deze brief op het standpunt dat MHC en [handelsnaam] onrechtmatig zorg ten laste van de Zvw hebben gebracht en zij kondigt aan het totaalbedrag aan declaraties over de jaren 2018 en 2019 van € 223.543,20 van MHC te zullen vorderen.\n\n4. De toelichting op de beslissing van het hof\n\n4.1. Het hof ziet aanleiding eerst in te gaan op de grieven van ONVZ, waarmee ONVZ wil bereiken dat het hof haar vorderingen helemaal toewijst, in plaats van gedeeltelijk, zoals de rechtbank deed.\n\nAan de declaraties van MHC lag geen deugdelijke administratie ten grondslag\n\n4.2. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 28 juni 2023 ONVZ opgedragen te bewijzen dat (een deel van) de gedeclareerde zorg niet door MHC is geleverd, omdat als dat zo is dat volgens de rechtbank onrechtmatig is en het bedrag dat ONVZ heeft betaald voor zorg die niet is geleverd, moet worden beschouwd als schade.\n\n4.3. In hoger beroep betoogt ONVZ, met name met haar grieven 2 en 9, dat ook los van de vraag of ONVZ kan aantonen dat (een deel van) de gedeclareerde zorg niet is geleverd, het onrechtmatig handelen van MHC er (al) in bestaat dat haar administratie niet voldoet aan de eisen die daaraan worden gesteld, wil een zorgverlener zorg kunnen declareren die vervolgens ook door een zorgverzekeraar vergoed mag worden. Als uit de administratie van de zorgverlener – MHC – niet kan worden vastgesteld dat zorg is verleend, is al sprake van schade, aldus ONVZ. Anders gezegd: niet pas het declareren van niet geleverde zorg, maar ook (al) het declareren van zorg die niet voor vergoeding in aanmerking komt (omdat de zorgaanbieder geen deugdelijke administratie voert) is onrechtmatig tegenover haar, aldus ONVZ.\n\n4.4. Het hof is van oordeel dat MHC onrechtmatig heeft gehandeld tegenover ONVZ. Daarvoor is het volgende redengevend.4.5. Het hof stelt voorop dat uit de artikelen 35 en 36 Wmg volgt dat op een zorgaanbieder (zoals MHC) de verplichting rust om een administratie te voeren waaruit in ieder geval de overeengekomen en geleverde prestaties blijken, alsmede wanneer die prestaties zijn geleverd en aan welke patiënt onderscheidenlijk aan welke verzekerde die prestaties door een zorgaanbieder zijn geleverd. Met andere woorden: een administratie waaruit blijkt welke voor vergoeding in aanmerking komende zorg, wanneer, aan welke patiënt is geleverd. Vervolgens is het een ziektekostenverzekeraar (zoals ONVZ) niet toegestaan gedeclareerde zorg te vergoeden wanneer de betreffende zorgaanbieder niet aan deze administratieverplichting heeft voldaan.\n\n4.6. ONVZ stelt zich naar het oordeel van het hof terecht op het standpunt dat de administratie van MHCin de betreffende periode 2018-2019 niet voldeed aan de daaraan te stellen eisen, zoals hieronder zal blijken. Uit hetgeen ONVZ daarover in dit verband heeft gesteld, en MHC ookals zodanigniet onderbouwd heeft weersproken (zij het dat zij daarvoor, nader te bespreken, verklaringen aanreikt), stelt het hof het volgende vast.\n\n4.7. Over de zorgrapportages.De rapportages Verpleging en Verzorging (hierna: de zorgrapportages) zijn bedoeld als verslag van de zorg die daadwerkelijk door MHC aan zorgcliënten, verzekerden van ONVZ, is verleend. De zorgrapportages die in het geding zijn gebracht zijn niet authentiek, maar het gaat daarbij om stukken die in een later stadium, achteraf, door of namens MHC zijn opgesteld in reactie op de vraag van ONVZ om haar daarin inzicht te geven. De teksten van de zorgrapportages bevatten patronen die zich – sjabloonmatig – herhalen, waarbij te zien is dat er één sjabloon is voor maanden met een even aantal dagen, en één sjabloon voor maanden met een oneven aantal dagen.\n\n4.8. \n\nDaarnaast bevatten de verslagen van de zorg die aan verzekerden zou zijn verleend, veel herhaling van dezelfde teksten en handelingen. Dat zou verklaarbaar kunnen zijn, doordat individuele zorgverleners bij het stelselmatig moeten specificeren van soms dezelfde werkzaamheden ertoe zullen neigen steeds dezelfde formuleringen te gebruiken. In dit geval valt echter ook nog het volgende op. De teksten zijn soms zelfs gelijkluidend wanneer een andere zorgverlener bij een verzekerde zorg verleent. Een voorbeeld hiervan betreft de zorgrapportage ten aanzien van verzekerde Y.H.over de maand april 2019.Daarin wordt onder meer het volgende gerapporteerd over de zorgverlening op 2 april 2019:\n\n“08.00-08.20: Dhr. sliep nog bij binnenkomst en wilde niet wakker worden. Dhr. gaf aan hoofdpijn te hebben. Ik liet hem even en werd even later zelf wakker. Medicatie aangereikt en gebleven bij inname. Ben even gebleven of het verder goed ging met dhr. Dhr. was weer terug gegaan naar bed.”\n\nLater op de ochtend van die dag staat te lezen:\n\n“11.00-11.20: Dhr. was een beetje chagrijnig en had nergens zin om wat te doen. Middag medicatie klaar gezet, aangereikt en bij gebleven bij inname.”\n\nOp 5 april 2019 vermeldt de zorgrapportage bij deze cliënt op dezelfde tijdstippen, woordelijk hetzelfde. De zorgrapportages bij de cliënt vermelden, alleen al in de maand april 2019, bovendien een identiekecombinatie van gebeurtenissen – de verzekerde slaapt bij binnenkomst en heeft hoofdpijn, en later op de ochtend is de verzekerde chagrijnig – op 5, 17, 20, 21, 22, 25 en 28 april. Hoewel de combinatie van gebeurtenissen, en de bewoordingen waarin die zijn opgeschreven, steeds identiek zijn, schrijft het zorgverslag ze over de maand april 2019 toe aan verschillende zorgverleners: de ene keer aan zorgverlener G. C., en de andere keer aan N. A.\n\n4.9. Ten slotte stroken in sommige gevallen de zorgrapportages en declaratiegegevens van de betrokken zorgverleners over dezelfde periode niet met elkaar.\n\n4.10. Over de urenregistraties. Het hof neemt ten aanzien van de urenregistraties in aanmerking dat deze steeds al voor elke maand vooraf waren ingevuld met uren en zorgverleners, en dat daarin naderhand nooit afwijkingen te zien waren. Ook als de indicatie voor te verlenen zorg op een later tijdstip wijzigde, is dat niet in de urenregistraties terug te zien. Die bleven voor wat betreft de uren gedurende welke zorg zou zijn verleend gelijkluidend, óók als declaratiegegevens lieten zien dat volgens de nieuwe indicatie werd gedeclareerd. Op de urenregistraties is bovendien niet, of pas maanden later, door de zorgcliënten voor akkoord getekend.\n\n4.11. Over de facturen.Voor het verlenen van zorg heeft MHC diverse zzp’ers ingeschakeld. Hun facturen – die op hun beurt weer leidden tot de declaraties van MHC die uiteindelijk door ONVZ zijn vergoed – zijn niet te herleiden tot de personen van verzekerden van ONVZ en ten aanzien daarvan ontbreken urenstaten.\n\n4.12. \n\nAnders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat aan de administratie van MHC, gelet op de hiervoor omschreven kenmerken van de zorgrapportages, urenregistraties, declaraties en facturen, geen betrouwbareinformatie is te ontlenen over de vraag welke zorg, wanneer, aan een bepaalde zorgcliënt is verleend. De zorgrapportages zijn fundamenteel niet betrouwbaar te achten omdat daarin zeer regelmatig formuleringen opduiken – identieke, repeterende frases die verschillende zorgverleners precies op dezelfde manier zouden hebben opgeschreven – die niet allemaal juistkunnenzijn. Aan die rapportages is daarom dus niet te ontlenen wat nu wel en wat niet daadwerkelijk is gebeurd. Mogelijk is niet alles wat daarin staat onwaar, maar een gedeelte daarvan is zéker niet waar – het hof verwijst naar het in rechtsoverweging 4.8 beschreven verschijnsel, dat zich veel vaker voordoet – en het probleem daarmee is dat dus niet is vast te stellen wanneer het een of het ander zich voordeed. Dan zijn er verder nog de urenstaten die niet op het moment van zorgverlening zijn ingevuld, nooit wijzigen en niet aansluiten op declaraties; en de facturen van zorgverleners waaruit niet blijkt welk deel van de bij MHC in rekening gebrachte zorg aan welke verzekerde is toe te schrijven.\n\nDe sjablonen en identieke formuleringen in de zorgrapportages roepen ernstige vragen op over de betrouwbaarheid daarvan, óók als het hof de onduidelijke verklaring van MHC zou volgen dat het nodig bleek om de rapportages te digitaliseren en de oorspronkelijke papieren exemplaren verloren zijn gegaan. Ook dan blijft het om een verklaring roepen waarom zich de patronen en herhalingen voordoen. Een, laat staan aannemelijke, verklaring heeft MHC echter niet gegeven, ook niet nadat dit onderwerp op de zitting in hoger beroep uitgebreid ter sprake kwam.\n\nHet hof concludeert dat de administratie dan ook geen onverdachte, verifieerbare en daarmee betrouwbare gegevens bevat om uitsluitsel te geven over de vraag welke vergoedbare zorg, wanneer, aan welke verzekerde is geleverd.\n\n4.13. Voor zover MHC er een beroep op doet dat een geaccepteerde werkwijze in de zorg is dat ervan mag worden uitgegaan dat wanneer er een planning is, de zorg ook gerealiseerd wordt volgens de planning, en dat daarom lagere eisen mogen worden gesteld aan haar administratie omdat zij in ieder geval wel een planning heeft opgesteld, kan dat haar niet baten. Ook als bij wege van uitgangspunt een planning wordt gevolgd, is van belang dat de momenten waarop van de planning wordt afgeweken op een betrouwbare manier worden geregistreerd. De hiervoor geconstateerde gebreken in de administratie van MHC leiden het hof tot de conclusie dat de administratie van MHC geen dan wel onvoldoende aanknopingspunten biedt om ervan uit te gaan dat op een betrouwbare manier – niet in de laatste plaats voor de verzekeraar bij wie de declaraties van MHC terechtkomen – is te herleiden wanneer van de planning is afgeweken.\n\n4.14. Het hof gaat evenmin mee in de stelling van MHC dat de gevolgen van de gebreken in haar administratie worden ondervangen door de omstandigheid dat MHC een kleine, informele zorgverlener is die precies wist welke zorgverlener op welke momenten voor welke verzekerde werkzaam was. Het hof acht het om te beginnen al onaannemelijk dat MHC uit informele contacten met haar zzp’ers op elk moment een uitputtend en correct overzicht had van alle zorg die aan haar zorgcliënten werd verleend. Maar ook als dat wel zo zou zijn geweest, dan doet dat er niet aan af dat niet van haar werd gevraagd om (voor zichzelf) een helder beeld te hebben van de zorgverlening, maar om een administratie te voeren waarin de relevante gegevens vastliggen en daarmee zo nodig controleerbaarzijn voor (met name) de verzekeraar. Aan die eis heeft zij niet voldaan.\n\n4.15. \n\nMHC heeft verder nog betoogd dat er per verzekerde niet méér zorg kan worden gedeclareerd dan de indicatiestelling voor die zorgcliënt toestaat. Doordat er bij de indicatiestelling een wijkverpleegkundige betrokken is en daarnaast ook sprake is van andere controlemomenten, zou frauderen niet mogelijk zijn.\n\nOok dit neemt echter niet weg dat MHC ernstig is tekortgeschoten in haar administratieverplichting, en daarmee declaraties heeft opgesteld zonder dat die op een voldoende adequate administratie berusten. Daarbij is van belang dat ONVZ, al is die beschuldiging in de contacten tussen partijen wel gevallen, haar vordering niet baseert op de stelling dat MHC heeft gefraudeerd, zodat het hof die vraag verder terzijde laat. Verder geldt dat MHC weliswaar aannemelijk maakt dat het niet (goed) mogelijk is zorg te declareren die boven de indicatiestelling uitgaat, maar dat laat onverlet dat uit de administratie dient te blijken dat binnen die bovengrens daadwerkelijk sprake is geweest van voor vergoeding in aanmerking komende zorg, en wanneer die zorg aan wie is verleend. Daar schort het nu juist aan, de zorgindicatie ten spijt.\n\n4.16. Ook betoogt MHC dat een en ander er niet aan afdoet dat de zorg die MHC in rekening heeft gebracht ook daadwerkelijk is verleend. Ook aan deze tegenwerping van MHC gaat het hof voorbij, omdat het daar bij het in deze zaak terecht bevonden verwijt van ONVZ niet (primair) om gaat; het gaat immers om de wettelijke randvoorwaarde dat de verleende en vervolgens te declareren zorg in de eerste plaats verifieerbaar is op basis van een deugdelijke administratie – zulks ter voorkoming van zorgfraude met declaratie van niet (volledig) geleverde zorg, hetgeen hieronder nog uitgebreider aan bod komt.\n\n4.17. Het voorgaande brengt mee dat MHC ofwel (a) ONVZ rechtstreeks verzocht om zorg te declareren die niet voldoet aan de artikelen 35 en 36 Wmg – en die het ONVZ dus niet vrij stond te vergoeden, zoals het hof hiervoor overwoog (zie rechtsoverweging 4.5, slot), dan wel (b) de declaratie van de hiervoor bedoelde zorg bevorderde, door declaraties aan verzekerden bij ONVZ te sturen, wetende dat die verzekerden die declaraties voor vergoeding bij ONVZ zouden indienen. Zowel het onder (a) als onder (b) bedoelde verwijt kwalificeert het hof in de omstandigheden van deze zaak als onrechtmatig handelen van MHC tegenover ONVZ, omdat de zorgvuldigheid van MHC vergde dat zij zich diende te onthouden van handelingen waarvan MHC wist of had moeten weten dat die ertoe zouden leiden dat ONVZ gedeclareerde zorg zou vergoeden – ofwel rechtstreeks aan MHC of aan bij ONVZ verzekerde zorgcliënten van MHC – die niet aan de eisen voor vergoedbare zorgdeclaraties voldeed. Het hof hecht eraan te benadrukken dat deze zaak zich niet kenmerkt door (een) enkele verschoonbare fout(en), maar dat de gepresenteerde administratie moet worden gekwalificeerd als structureel en fundamenteel ondeugdelijk. Door desondanks ONVZ te (doen) bewegen tot vergoeding van zorg, waartoe ONVZ redelijkerwijs niet gehouden was gezien de wettelijke randvoorwaarden voor uitkering ter voorkoming van fraude enerzijds en de onbetrouwbare administratievoering door MHC anderzijds, heeft MHC onzorgvuldig gehandeld en is zij aansprakelijk voor de schade die ONVZ als gevolg van dit onrechtmatige handelen heeft geleden.\n\nSchade\n\n4.18. De aansprakelijkheid van MHC is gelet op het voorgaande aldus niet gebaseerd op de stelling – die ONVZ in deze procedure ook wel heeft ingenomen – dat zij heeft betaald voor zorg die niet aantoonbaar is geleverd, maar op het verwijt dat MHC declaratie verlangde (rechtstreeks) of bevorderde (via haar cliënten) van zorg die – gelet op de door MHC gevoerde administratie – niet verifieerbaar was en daardoor niet voor vergoeding in aanmerking kwam, althans waarvan ONVZ de vergoeding redelijkerwijs mocht weigeren (zie rov. 4.5). De schade die het gevolg van dat verwijt is, komt neer op al hetgeen ONVZ op grond van de declaraties van MHC, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van haar cliënten, heeft voldaan. Wanneer dit verwijt immers wordt weggedacht – de hypothetische situatie – had MHC zich immers onthouden van het declareren van zorg zonder grondslag in een deugdelijke administratie, en had ONVZ deze dan ook niet vergoed.\n\n4.19. In zoverre komt het hof dan ook tot een ander oordeel dan de rechtbank, die aannam dat wanneer komt vast te staan dat zorg wel degelijk feitelijk is geleverd, geen sprake is van schade bij ONVZ. Het hof oordeelt dat het verwijt van onzorgvuldig handelen in deze zaak (reeds) ziet op het indienen van declaraties die bij gebreke van verifieerbaarheid geen grondslag behoren te bieden voor vergoeding. Het is aldus reeds op die grond dat MHC aansprakelijk is voor de schade van ONVZ, die gelijk staat aan alles dat zij op basis van de declaraties heeft betaald. Het hof benadrukt nogmaals dat aan dit oordeel niet de gedachtegang ten grondslag ligt dat in zijn algemeenheid geldt dat elke onjuistheid in het administratieve proces tot het ingrijpende gevolg van aansprakelijkheid van de zorgverlener tegenover de zorgverzekeraar zou moeten leiden. Dit geval kenmerkt zich er echter door dat sprake is van een zeer groot aantal onjuistheden en onregelmatigheden in de administratie die aan de zorgdeclaraties ten grondslag liggen. Zoals hiervoor is overwogen is op vrijwel elk niveau van de administratie sprake van gegevens die oncontroleerbaar, op zijn minst verdacht, of ronduit onjuist zijn: zorgrapportages die ontbreken en pas na een aangekondigde controle zijn opgesteld, waarin gebeurtenissen zich sjabloonmatig herhalen en verschillende zorgverleners herhaaldelijk identieke formuleringen bezigen; waar zorgrapportages niet aansluiten op declaraties en declaraties niet aansluiten bij zorgcliënten; en waar urenregistraties vooraf zijn ingevuld en de feitelijk gewerkte uren zonder uitzondering feilloos aansluiten op de planning zonder te wijzigen wanneer de indicaties voor zorgbehoefte wijzigen (zie rov. 4.7- 4.12). Er is naar het oordeel van het hof sprake van een administratie die in zeer substantiële zin – structureel en fundamenteel – niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen, waardoor niet anders kan worden geconcludeerd dan dat aan die administratie in dit geval onvoldoende aanknopingspunten kunnen worden ontleend om te kunnen afleiden of, en zo ja, welke voor vergoeding vatbare zorg is verleend. Het aantal onjuistheden in de door MHC aangeleverde bescheiden en de stelselmatigheid ervan is dermate groot dat het risico dat deze geen grondslag kan bieden voor vergoeding voor rekening van MHC dient te blijven.\n\n4.20. Tussen partijen staat niet ter discussie dat ONVZ een bedrag van 225.826,65 heeft uitgekeerd op grond van declaraties die MHC, gelet op de aard van haar administratie, niet voor vergoeding had mogen laten uitgaan. Dat bedrag kwalificeert als schade van ONVZ, en MHC dient dat aan ONVZ te vergoeden, met dien verstande dat het hof het iets lagere bedrag van € 223.543,20 zal toewijzen, met daarover de wettelijke rente vanaf 28 januari 2021, omdat dat het bedrag is dat ONVZ heeft gevorderd.\n\nSlotsom\n\n4.21. Het voorgaande betekent dat de grieven van MHC falen, al dan niet wegens gebrek aan belang. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen omdat geen bewijs is aangeboden van stellingen die, indien juist, tot een ander oordeel zouden leiden. Het principaal hoger beroep van MHC slaagt dus niet. De grieven van ONVZ in het incidenteel hoger beroep die zien op hetgeen hiervoor is overwogen, slagen wel.\n\n4.22. Omdat MHC in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten van de procedure bij de rechtbank en in hoger beroep veroordelen. Gelet op de verwevenheid van het principaal en het incidenteel hoger beroep zal het hof één proceskostenveroordeling uitspreken. Onder die proceskosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.\n\n4.23. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n5. De beslissing\n\nHet hof:\n\n5.1. vernietigt de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 28 juni 2023, 18 oktober 2023 en 27 maart 2024, en beslist opnieuw rechtdoende als volgt:\n\n5.2. veroordeelt MHC tot betaling aan ONVZ van een bedrag van € 223.543,20, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2021 tot aan de dag van volledige betaling;\n\n5.3. veroordeelt MHC tot betaling van een bedrag van € 15.561,63 aan proceskosten van ONVZ tot aan de uitspraak van de rechtbank, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na 27 maart 2024 tot aan de dag van volledige betaling;\n\n5.4. \n\nveroordeelt MHC tot betaling van de volgende proceskosten van ONVZ in hoger beroep:\n\n€ 2.255 aan griffierecht;\n\n€ 11.767,50 aan salaris van de advocaat van ONVZ (2,5 procespunten x het toepasselijke tarief VI van € 4.707), en bepaalt dat deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n5.5. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.6. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mr. M.A.M. Essed, mr. M. Aksu en mr. P.W. Schreurs, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op\n\n30 juni 2026.\n\n De vonnissen van 18 oktober 2023 en 27 maart 2024 zijn gepubliceerd, onder ECLI:NL:RBMNE:2023:5437, respectievelijk ECLI:NL:RBMNE:2024:3902.\n\n In eerste instantie sprak ONVZ zowel MHC als haar middellijk bestuurder tot betaling aan. De vorderingen tegen de bestuurder van MHC zijn voor het overgrote deel afgewezen. ONVZ heeft daartegen geen beroep ingesteld. De vorderingen tegen deze bestuurder zijn in hoger beroep derhalve niet langer aan de orde.\n\n Van de juistheid van dit verslag mag volgens de advocaat van MHC worden uitgegaan (zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep, p. 5).\n\n De rechtbank heeft bij de bespreking van de administratie van MHC óók het oog gehad op de administratie die voorafgaand aan haar oprichting in het kader van de activiteiten van [handelsnaam] werd gevoerd. Zo ook partijen in hun debat, ook in hoger beroep. Het hof zal hier dan ook bij aansluiten.\n\n Het hof ziet aanleiding om de naam van deze, bij partijen bekende, persoon niet voluit, maar enkel in initialen te vermelden. Datzelfde geldt voor de hierna te vermelden zorgverleners.\n\n Zie productie 22 bij de inleidende dagvaarding.\n\nHR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4227","ecli-nl-gharl-2026-4227",{"courtName":6,"legalDomain":49,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht",{"id":51,"ecli":52,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":44,"fullText":53,"language":7,"source":17,"sourceUrl":54,"summary":14,"slug":55,"metadata":56},"366","ECLI:NL:GHARL:2026:4231","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.360.530\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland 11830324\n\narrest in kort geding van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellant] B.V.\n\ndie is gevestigd in [vestigingsplaats]\n\nadvocaat: mr. J. van Hemel\n\nen\n\n1. [geïntimeerde1]\n\ndie woont in [woonplaats]\n\n2. [geïntimeerde2]\n\ndie woont in [woonplaats]\n\nadvocaat: mr. J. Veninga\n\nPartijen worden hierna aangeduid als [appellant],[geïntimeerde1]en[geïntimeerde2]. [geïntimeerde1] en [geïntimeerde2] worden samen aangeduid als[geïntimeerden] c.s.\n\n1. De procedure\n\nNa het tussenarrest van het hof van 10 maart 2026 heeft op 29 mei 2026 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Het verslag van die zitting (het proces-verbaal) is toegevoegd aan het dossier. Voorafgaand aan de zitting is van de zijde van [appellant] een akte met productie toegezonden (productie 20). Van de zijde van [geïntimeerden] c.s. waren drie nadere producties toegezonden (producties h5 t\u002Fm h7). Ook die stukken zijn toegevoegd aan het dossier. Aan het slot van de zitting is opnieuw een datum voor de uitspraak bepaald.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1.. \n [geïntimeerden] c.s. huren van [appellant] een woning met tuin. Tussen partijen is in geschil of een strook grond die [geïntimeerden] c.s. gebruiken als deel van hun tuin, bij het gehuurde hoort. [appellant] meent dat de strook grond niet aan [geïntimeerden] c.s. verhuurd is en zij wil dat [geïntimeerden] c.s. die strook ontruimen.\n\n2.2.. In dit kort geding heeft [appellant] bij de kantonrechter gevorderd om, kort gezegd, [geïntimeerden] c.s. te bevelen de strook grond te ontruimen. Subsidiair heeft [appellant] gevorderd om [geïntimeerden] c.s. te bevelen een aantal zaken van de strook grond te verwijderen (onder meer een aantal tuinkassen en een schutting). De kantonrechter heeft de vorderingen op 29 september 2025 afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.\n\n2.3.. \n [appellant] wil met dit hoger beroep bereiken dat de vorderingen alsnog worden toegewezen.\n\n2.4.. Het hof komt tot het oordeel dat de vorderingen van [appellant] in kort geding niet toewijsbaar zijn. Het hof zal het vonnis van de kantonrechter daarom bekrachtigen. Dat oordeel wordt hieronder toegelicht.\n\n3. De feiten\n\n3.1.. \n [geïntimeerden] c.s. huren met ingang van 1 november 2017 een woning met tuin aan de [adres] in [woonplaats] . Naast en voor de woning bevindt zich een bedrijfshal met verdere bedrijfsruimten (adres [adres] ).\n\n3.2.. De verhuurders waren aanvankelijk de heer en mevrouw [verhuurders] (hierna samen: [verhuurders] c.s.). [verhuurders] c.s. waren eigenaar van zowel het perceel met woonhuis (kadastraal perceel 252) als het aangrenzende perceel met bedrijfsruimten (kadastraal perceel 253). De woning is ook wel aangeduid als bedrijfswoning.\n\n3.3.. \n [geïntimeerden] c.s. hebben vanaf het begin van de huur (in 2017), de strook grond achter de bedrijfshal gebruikt als onderdeel van hun tuin. Die strook grond ligt op het kadastrale perceel van de bedrijfshal (perceel 253). Bij aanvang van de huur stonden op de strook grond onder meer enkele vruchtbomen. [geïntimeerden] c.s. hebben er in de loop van de tijd onder meer een opslaghok, enkele tuinkassen en een schutting geplaatst.\n\n3.4.. De kadastrale kaart van de percelen is als volgt (de strook grond achter de bedrijfshal is geel gemarkeerd; de openbare weg ligt aan de noordwest-zijde; het deel van het bebouwingsvlak van nummer 218 dat op het kadastrale perceel 253 is geprojecteerd, is in werkelijkheid deel van de bedrijfsruimten):\n\n3.5.. In 2024 hebben [verhuurders] c.s. de twee percelen 252 en 253 met de woning en de bedrijfsruimten verkocht aan [appellant] . De levering aan [appellant] vond plaats op 2 januari 2025. [appellant] is zodoende sinds 2 januari 2025 de verhuurder van de woning met tuin.\n\n3.6.. In of omstreeks mei 2025 heeft [appellant] ten behoeve van de bedrijfsruimten een nieuwe brandverzekering afgesloten. De polis van die verzekering vermeldt onder meer:\n\n“Clausule BRA03 Buitenopslag\n\nOpslag buiten het gebouw is alleen toegestaan op voorwaarde dat:\n\n- Opslag buiten de bedrijfstijden plaatsvindt in metalen (rol)containers, die zijn afgesloten met een hardstalen hangslot.\n\n- Opslag van brandbare zaken zoals hout, pallets, brandbare emballage, brandbare goederen, afval en dergelijke plaatsvindt op minstens 10 meter uit de gevels en eventueel daaraan bevestigde luifels en afdaken.\n\nDe verzekerde garandeert aan de verzekeraar(s) dat aan de bovengenoemde voorwaarden is voldaan. Deze verzekering geschiedt daarom op de uitdrukkelijke voorwaarde dat aan de hierboven vermelde voorwaarden is voldaan. Indien op de ingangsdatum van de verzekering niet aan een garantie wordt voldaan heeft verzekerde, tot uiterlijk drie maanden na de ingangsdatum, de gelegenheid alsnog aan de garantie te voldoen zonder dat dit in die periode gevolgen voor de verzekering heeft.\n\nIndien na deze drie maanden en bij schade blijkt dat aan deze voorwaarden niet is voldaan, geldt er een extra eigen risico van 10% van het schadebedrag met een minimum van € 25.000 en een maximum van € 100.000 per gebeurtenis, tenzij de verzekerde aannemelijk maakt dat de schade door het ontbreken van de genoemde voorwaarden niet is veroorzaakt of vergroot.”\n\n3.7.. \n [appellant] heeft op 16 mei 2025 per e-mail aan [geïntimeerden] c.s. gemeld dat de strook achter de bedrijfshal geen onderdeel is van het gehuurde. [appellant] heeft daarbij verzocht de strook te ontruimen. [geïntimeerden] c.s. stellen zich op het standpunt dat de strook deel is van het gehuurde en zij hebben geen gehoor gegeven aan het verzoek tot ontruiming.\n\n3.8.. \n [appellant] heeft [geïntimeerden] c.s. op 18 augustus 2025 gedagvaard in kort geding. De kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland heeft bij vonnis in kort geding van 29 september 2025 de vorderingen van [appellant] afgewezen.\n\n4. De beoordeling\n\nSpoedeisend belang\n\n4.1.. \n [appellant] vordert in dit kort geding een aantal voorlopige voorzieningen. Het hof moet eerst beoordelen of er spoedeisend belang is bij die voorzieningen. Deze beoordeling moet plaatsvinden met afweging van de belangen van partijen.\n\n4.2.. Naar het oordeel van het hof ontbreekt het spoedeisend belang bij de vorderingen om [geïntimeerden] c.s. te gebieden het eigendomsrecht van [appellant] te eerbiedigen en daarop geen inbreuk te maken (primaire vorderingen sub 1 en sub 2) en bij de vordering om [geïntimeerden] c.s. te veroordelen de huurovereenkomst onverkort na te komen (subsidiaire vordering sub 1). Gezien het algemene karakter van die vorderingen is niet in te zien welk (spoedeisend) belang met toewijzing van die vorderingen is gediend.\n\n4.3.. Wat betreft de andere vorderingen acht het hof het spoedeisend belang in beginsel aanwezig. [appellant] vordert primair ontruiming van de strook grond; subsidiair vordert zij, naar het hof begrijpt, dat een aantal voorwerpen van de strook verwijderd worden. Volgens [appellant] kan zij door de wijze waarop [geïntimeerden] c.s. de strook grond gebruiken, niet voldoen aan de voorwaarden van haar brandverzekering. Daarnaast zou het gebruik van de strook [appellant] hinderen bij het vinden van een nieuwe huurder voor de bedrijfsruimten. Naar het oordeel van het hof is er gelet op de gestelde omstandigheden in beginsel een voldoende spoedeisend belang bij een beoordeling van de gevraagde voorlopige voorzieningen.\n\nHuur\n\n4.4.. \n [appellant] stelt zich primair op het standpunt dat de strook achter de bedrijfshal niet aan [geïntimeerden] c.s. verhuurd is. Volgens [appellant] hebben de vorige eigenaren – [verhuurders] c.s. – aan [geïntimeerden] c.s. toestemming gegeven om de vruchten te plukken van de bomen die op de strook staan. Dat betekent, aldus [appellant] , echter niet dat de strook ook aan [geïntimeerden] c.s. verhuurd is. Mogelijk kan de door [verhuurders] c.s. gegeven toestemming begrepen worden als het verlenen van een gebruiksrecht voor onbepaalde tijd. [appellant] heeft een eventueel gebruiksrecht echter opgezegd, zodat van een gebruiksrecht inmiddels geen sprake meer kan zijn. Dat betekent dat [geïntimeerden] c.s. de strook zonder recht of titel gebruiken, en het gebruik is in de gegeven omstandigheden ook onrechtmatig. [geïntimeerden] c.s. zijn dan ook gehouden om de strook grond te ontruimen, aldus telkens [appellant] .\n\n4.5.. Volgens [geïntimeerden] c.s. is de strook grond achter de bedrijfshal wel degelijk aan hen verhuurd. [geïntimeerden] c.s. verklaren dat zij voorafgaand aan het sluiten van de huurovereenkomst (in 2017) met de verhuurmakelaar, de heer [naam] , over de strook grond gesproken hebben. Daarbij hebben [geïntimeerden] c.s., zo stellen zij, laten weten dat zij alleen geïnteresseerd waren in de huur van de woning als zij ook gebruik zouden kunnen maken van de strook. [geïntimeerden] is bioloog, en [geïntimeerden] c.s. wilden zodoende graag een woning huren met een tuin die de nodige ruimte bood voor onder meer het kweken van planten. Volgens [geïntimeerden] c.s. heeft makelaar [naam] destijds namens de toenmalige verhuurders [verhuurders] c.s. bevestigd dat zij de strook grond – die volgens hen tot dat moment door [verhuurders] c.s. zélf als moestuin was gebruikt – mochten gebruiken. Zij zijn er dan ook altijd van uitgegaan dat de strook grond onderdeel is van het gehuurde, aldus telkens [geïntimeerden] c.s.\n\n4.6.. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerden] c.s. in het kader van dit kort geding voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat de strook grond achter de bedrijfshal inderdaad onderdeel is van het gehuurde. [geïntimeerden] c.s. verklaren dat de strook in 2017 als onderdeel van het gehuurde aan hen in gebruik gegeven. Die verklaring vindt in enige mate steun in de door [appellant] overgelegde verklaringen van mevrouw [verhuurder] en van de betrokken verhuurmakelaar, de heer [naam] . [verhuurders] heeft over deze kwestie op 20 juni 2025 per WhatsApp aan [appellant] bericht:\n\n“(…) En bij nader denken nog even over de tuin. Er is destijds gesproken dat ze de vruchten van de zijtuin mochten plukken. Dwz de bessenstruiken, frambosen aardbeien en pruimenboom etc. Dat is dus wat anders dan een kas plaatsten etc. Eea is nooit rechtstreeks besproken. Altijd via [naam] van [naam makelaar] . Tevens zouden ze een hovenier gebruiken voor het tuin onderhoud. (…)”\n\nDe betrokken verhuurmakelaar, de heer [naam] van [naam makelaar] , schrijft over de kwestie in een e-mail aan [appellant] van 2 augustus 2025:\n\n“Per 01-11-2017 hebben wij namens onze opdrachtgever de woning [adres] verhuurd aan de heer [geïntimeerde1] en mevrouw [geïntimeerde2] .\n\nDit betrof de woning met de tuin conform de kadastrale kaart. De tuin achter het bedrijfsgedeelte hoort hier niet bij. Aangezien de huurder van het bedrijfspand deze tuin echter niet gebruikte, is mondeling overeengekomen dat de huurder van het woongedeelte dit gedeelte van de tuin mag gebruiken in die zin dat ze het mogen bijhouden c.q. snoeien en de vruchten van de planten mogen gebruiken. Voor het plaatsen van bouwwerken of het afsluiten van de tuin d.m.v. een schutting o.i.d. is nooit toestemming gegeven en is in onze periode van beheer van het pand ook nooit sprake van geweest.”\n\nMakelaar [naam] en mevrouw [verhuurder] verklaren dus dat aan [geïntimeerden] c.s. toestemming is gegeven om de strook grond te benutten in die zin dat [geïntimeerden] c.s. de vruchten mochten plukken. [naam] verklaart daarnaast dat met [geïntimeerden] c.s. is afgesproken dat zij de strook grond mogen gebruiken in die zin dat ze ‘het mogen bijhouden en snoeien’.\n\n4.7.. Van belang is verder dat vaststaat dat [geïntimeerden] c.s. de strook grond na aanvang van de huur feitelijk in gebruik hebben genomen. Daarbij hebben zij op de strook onder meer enkele tuinkassen en een opslaghok geplaatst. Volgens [geïntimeerden] c.s. hebben de vorige eigenaren en makelaar [naam] nooit kenbaar gemaakt dat dit gebruik van de strook niet toegestaan zou zijn. Daarbij merken [geïntimeerden] c.s. op dat [verhuurders] c.s. de percelen in 2024 te koop hebben aangeboden, dat makelaar [naam] daarbij optrad als verkoopmakelaar, en dat ook toen niet tegen [geïntimeerden] c.s. gezegd is dat het genoemde feitelijk gebruik niet toegestaan zou zijn. Toen [appellant] in 2024 de percelen samen met makelaar [naam] bezichtigde, zou [appellant] zelf [geïntimeerden] c.s. overigens juist gecomplimenteerd hebben met de (mede) op de strook grond aangelegde tuin. Een en ander is door [appellant] niet voldoende gemotiveerd weersproken.\n\n4.8.. \n [appellant] merkt op dat de huurovereenkomst vermeldt dat het gaat om huur van ‘ [adres] ’. [appellant] betoogt dat de huur dus alleen ziet op het kadastrale perceel 252 en niet ook op een deel van het kadastrale perceel 253. Dit betoog is tevergeefs. [geïntimeerden] c.s. wijzen er terecht op dat de huurovereenkomst daarbij niets vermeldt over de kadastrale percelen, en dat bijvoorbeeld ook niet vermeld wordt dat de huur slechts betrekking heeft op het kadastrale perceel van de woning. Verder hebben [geïntimeerden] c.s. onweersproken gesteld dat het gehuurde ook enkele parkeerplaatsen omvat die gelegen zijn op het kadastrale perceel van de bedrijfshal. De tekst van de huurovereenkomst vormt in de gegeven omstandigheden dan ook geen (voldoende) duidelijke aanwijzing dat de strook grond achter de bedrijfshal niet tot het gehuurde behoort.\n\n4.9.. Het hof komt alles afwegende tot de slotsom dat voorshands voldoende feiten en omstandigheden zijn gebleken die niet onaannemelijk maken dat de strook grond tot het gehuurde behoort. De verklaringen van [geïntimeerden] c.s. dat zij de strook huren, vinden (deels) steun in de verklaringen van makelaar [naam] en mevrouw [verhuurder] , en zij stroken kennelijk ook met de feitelijke gang van zaken sinds het aangaan van de huurovereenkomst in 2017. [appellant] heeft daar onvoldoende tegenover gesteld. Het hof ziet, gelet op het karakter van deze kortgedingprocedure, geen aanleiding om over te gaan tot nadere bewijslevering. Daarvoor zijn partijen aangewezen op een bodemprocedure. Dit betekent dat het hof er in dit kort geding voorlopig van uitgaat dat [geïntimeerden] c.s. de strook grond achter de bedrijfshal huren. De primaire vordering van [appellant] zal daarom ook in hoger beroep worden afgewezen.\n\nStrijd met de algemene huurbepalingen?\n\n4.10.. \n [appellant] stelt subsidiair – voor het geval dat aangenomen zou worden dat [geïntimeerden] c.s. de strook grond huren – dat [geïntimeerden] c.s. de strook gebruiken in strijd met het bepaalde in de huurovereenkomst. [appellant] wijst erop dat [geïntimeerden] c.s. op de strook onder meer kassen en een opberghok hebben geplaatst, en dat zij de strook aan de oostzijde hebben afgesloten met een schutting. Volgens [appellant] is op grond van de algemene bepalingen bij de huurovereenkomst het plaatsen van zulke voorwerpen alleen toegestaan met toestemming van de verhuurder. Die toestemming is, aldus [appellant] , nooit gegeven. [appellant] vordert daarom subsidiair dat [geïntimeerden] c.s. veroordeeld worden om de aanwezige (bouw)werken, opstallen, materialen, erfafscheidingen en dergelijke, van de strook grond te verwijderen.\n\n4.11.. Het hof zal ook de subsidiaire vordering afwijzen. Daarbij kan in het midden blijven of op grond van de huurvoorwaarden toestemming nodig was voor het plaatsen van de diverse objecten. [geïntimeerden] c.s. hebben namelijk toegelicht en onderbouwd dat de voorwerpen – of in elk geval de meeste ervan – al lange tijd op de strook aanwezig zijn, dat de vorige verhuurders ( [verhuurders] c.s.) en hun makelaar ( [naam] ) daarmee bekend waren, en dat er nooit tegen de aanwezigheid van de voorwerpen geprotesteerd is. Daarbij merkt het hof op dat [appellant] weliswaar betwist dat makelaar [naam] tussen 2017 en eind 2024 het gehuurde geregeld inspecteerde; niet ter discussie staat echter dat [geïntimeerden] c.s. en de aanvankelijke verhuurders ( [verhuurders] c.s.) alleen contact hadden via makelaar [naam] . Evenmin staat ter discussie dat diezelfde makelaar in het kader van de verkoop van de percelen, in 2024 op de strook grond is geweest, dat daarbij ook is gesproken met [geïntimeerden] c.s., en dat (ook) toen niet tegen de aanwezigheid van de voorwerpen geprotesteerd is. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerden] c.s. daarmee in het kader van dit kort geding voldoende hebben aangetoond dat in de handelwijze van [verhuurders] c.s. en de door hen aangewezen makelaar [naam] , besloten lag dat toestemming gegeven werd voor het aanwezig hebben van de bedoelde voorwerpen. Dat dit geen schriftelijke toestemming was op een schriftelijk verzoek, kan hier – gelet ook op het feit dat het gaat om een al langere tijd bestaande situatie – naar het voorshands oordeel van het hof in redelijkheid niet aan [geïntimeerden] c.s. worden tegengeworpen. Het betoog van [appellant] dat de toestemming van de verhuurder ontbreekt, is in zoverre dan ook tevergeefs. Dat [geïntimeerden] c.s. op grond van de redelijkheid en billijkheid gehouden zouden zijn de voorwerpen te verwijderen, valt – gelet op het feit dat het gaat om een al langer bestaande situatie en het gegeven dat [appellant] de door haar genoemde brandverzekering pas nadien, in 2025, heeft afgesloten – evenmin in te zien. Ook in zoverre wordt het betoog van [appellant] dus verworpen.\n\n4.12.. Volgens [appellant] zijn er na 2 februari 2025 – de dag waarop zij eigenaar werd van de percelen – nog méér voorwerpen op de strook geplaatst. [geïntimeerden] c.s. erkennen dat er in de loop van 2025 nog – zonder toestemming van [appellant] – een schutting is geplaatst. Het gaat, naar het hof begrijpt, om de schutting aan de oostkant van de strook grond (de schutting die is aangegeven op de kaart die is opgenomen in rov. 3.4). Het hof ziet echter geen grond om [geïntimeerden] c.s. in het kader van dit kort geding te bevelen die schutting te verwijderen. [geïntimeerden] c.s. wijzen er namelijk terecht op dat de buitenopslag-clausule BRA03 in de verzekeringspolis van [appellant] kennelijk geen gevolgen verbindt aan het aanwezig hebben van een schutting (zie hierboven, onder 3.6). De aanwezigheid van de schutting vormt, zoals [geïntimeerden] c.s. opmerken, kennelijk geen vorm van ‘opslag’ als bedoeld die clausule. Dat de aanwezigheid van de schutting voor [appellant] risico’s oplevert vanwege de brandverzekering, valt dan ook niet in te zien, in elk geval niet zonder nadere toelichting en onderbouwing. Verder valt – ervan uitgaande dat [geïntimeerden] c.s. de strook grond huren – in redelijkheid niet in te zien waarom de aanwezigheid van de schutting [appellant] zou hinderen bij het vinden van een nieuwe huurder voor de bedrijfsruimten. Daarbij merkt het hof op dat de nooduitgang van het bedrijfspand kennelijk ook niet uitkomt op de strook grond achter de bedrijfshal, maar op het terras achter de woning van [geïntimeerden] c.s. Dat de aanwezigheid van de schutting – zoals [appellant] stelt – ertoe leidt dat er vanuit het bedrijfspand geen goede vluchtweg is, kan gelet op het ontbreken van nadere onderbouwing daarvan niet in te zien. Dit betekent dat het vereiste spoedeisend belang bij de vordering tot verwijdering van de schutting ontbreekt.\n\n4.13.. \n [appellant] heeft niet voldoende duidelijk gemaakt welke concrete objecten er – afgezien van de genoemde schutting – na 2 januari 2025 nog (zonder toestemming) op de strook grond geplaatst zouden zijn. Om die reden is de vordering tot verwijdering van de voorwerpen hier ook voor het overige niet toewijsbaar. Dit betekent dat de grieven van [appellant] alle tevergeefs zijn en dat de vorderingen van [appellant] ook in hoger beroep volledig zullen worden afgewezen.\n\nSlotsom\n\n4.14.. Het hoger beroep van [appellant] slaagt niet. Het vonnis van 29 september 2025 zal onder aanpassing van gronden worden bekrachtigd. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar veroordelen tot betaling van de proceskosten van het hoger beroep. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. [appellant] moet een redelijke termijn krijgen om de proceskosten te voldoen. Het hof zal daarom bepalen dat de wettelijke rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na de betekening.\n\n4.15.. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een partij de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n5. De beslissing in kort geding\n\nHet hof:\n\n5.1.. bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad , van 29 september 2025;\n\n5.2.. veroordeelt [appellant] tot betaling van de volgende proceskosten van [geïntimeerden] c.s.:\n\n€ 362 aan griffierecht;\n\n€ 2.580 aan salaris advocaat (2 punten x tarief II ad € 1.290 per punt);\n\n5.3.. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag; als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n5.4.. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.5.. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. A.A.J. Smelt, J.H. Kuiper en W.F. Boele, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.\n\n Rb Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad (ktr) 29 september 2025 (niet gepubliceerd).\n\n Vgl. HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4231","ecli-nl-gharl-2026-4231",{"courtName":6,"legalDomain":49,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":58,"ecli":59,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":44,"fullText":60,"language":7,"source":17,"sourceUrl":61,"summary":14,"slug":62,"metadata":63},"369","ECLI:NL:GHARL:2026:4258","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.360.780\u002F01\n\n(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 190548)\n\nbeschikking van 30 juni 2026\n\ninzake\n\n [verzoeker](de vader),\n\nwonende te [woonplaats] , verzoeker in het principaal hoger beroep,\n\nverweerder in het incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. H.L. Thiescheffer te Leeuwarden,\n\nen\n\n [verweerster](de moeder),\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\nverweerster in het principaal hoger beroep,\n\nverzoekster in het incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. J. Robben te Leeuwarden.\n\nIn zijn toetsende en\u002Fof adviserende taak is gekend:\n\nde raad voor de kinderbescherming(de raad),\n\nregio Noord Nederland, locatie Leeuwarden.\n\n1. Het geding in eerste aanleg\n\nHet hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 20 november 2023, 26 november 2024 en 23 juli 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 22 oktober 2025;\n\n- een journaalbericht namens de vader van 17 november 2025 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de vader van 3 december 2025 met bijlage(n);\n\n- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep;\n\n- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met bijlage(n);\n\n- een brief van de raad van 6 maart 2026, waarin de raad laat weten aanwezig te zullen zijn bij de zitting;\n\n- een journaalbericht namens de vader van 18 mei 2026 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de moeder van 25 mei 2026 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de vader van 28 mei 2026 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de vader van 29 mei 2026 met bijlage(n);\n\n- een journaalbericht namens de moeder van 1 juni 2026 met bijlage(n).\n\n2.2. De minderjarige [de minderjarige] heeft bij brief van 24 april 2026 aan het hof haar mening kenbaar gemaakt met betrekking tot de verzoeken.\n\n2.3. De mondelinge behandeling heeft op 3 juni 2026 plaatsgevonden. Aanwezig waren de vader, bijgestaan door zijn advocaat, de moeder, bijgestaan door haar advocaat, en een vertegenwoordiger namens de raad.\n\n3. De feiten\n\n3.1. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren [in] 2016, over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen. [de minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.\n\n3.2. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] te wijzigen, afgewezen en, voor zover hier van belang, een (definitieve) zorgregeling vastgesteld waarbij [de minderjarige] eens per twee weken van woensdag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijft en in de andere week van woensdag uit school tot donderdag naar school. De rechtbank heeft tevens een vakantie- en feestdagenregeling vastgesteld.\n\n3.3. \n\nBlijkens het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 7 oktober 2025 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat [de minderjarige] :\n\n• in de ene week -de oneven weken- van woensdagmiddag na school tot maandagochtend naar school bij de vader verblijft en\n\n• in de andere week -de even weken- van woensdagmiddag na school tot donderdagmorgen naar school bij de vader verblijft;\n\n• op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per overtreding met een\n\nmaximum van € 2.500,-.\n\n4. De omvang van het geschil\n\n4.1. Tussen partijen is in geschil de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen hen betreffende [de minderjarige] .\n\n4.2. \n\nDe vader is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 23 juli 2025. Deze grief ziet op de vastgestelde (reguliere) zorgregeling.\n\nDe vader verzoekt het hof om de bestreden beschikking te wijzigen, in die zin dat als structurele zorgregeling heeft te gelden dat [de minderjarige] om de week van maandag uit school tot maandag naar school en op de vrije dagen tot 14.00 uur bij de moeder en de vader verblijft, althans een zodanig beslissing te nemen als door het hof in goede orde te bepalen.\n\n4.3. De moeder is op haar beurt in incidenteel hoger beroep gekomen. Zij verzoekt het hof om, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek in hoger beroep van de vader af te wijzen en haar verzoek in hoger beroep toe te wijzen door de bestreden beschikking waar het gaat om de beslissing ter zake van de zorgregeling tussen [de minderjarige] en de vader in de andere week van woensdag na school tot donderdag voor school te vernietigen en de beslissing ter zake van de zorgregeling tussen [de minderjarige] en de vader van eens per twee weken van woensdag uit school tot maandag naar school te bekrachtigen.\n\n4.4. De vader verzoekt het hof om de moeder in haar incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoeken ongegrond te verklaren.\n\n5. De motivering van de beslissing\n\n5.1. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken omvatten.\n\n5.2. Het hof stelt voorop dat het hoger beroep van de ouders zich richt tegen de door de rechtbank vastgestelde reguliere zorgregeling. De vakantie- en feestdagenregeling is niet in geschil. De ouders zijn het erover eens dat de huidige reguliere zorgregeling onrustig is voor [de minderjarige] . De vader stelt zich op het standpunt dat er, overeenkomstig het advies van de raad aan de rechtbank, een co-ouderschapsregeling moet worden vastgesteld. Dit betekent volgens de vader dat er minder wisselmomenten zullen zijn en er meer rust voor [de minderjarige] zal ontstaan. De moeder heeft aangevoerd dat het verblijf van [de minderjarige] bij de vader in de andere week, van woensdag uit school tot donderdag naar school, te onrustig is en verstorend werkt in de schoolweek. Gelet op de slechte verstandhouding en communicatie tussen de ouders, is volgens de moeder een co-ouderschapsregeling niet in het belang van [de minderjarige] . De moeder kan zich vinden in een zorgregeling waarbij [de minderjarige] eens per twee weken (in de oneven weken) van woensdag uit school tot maandag naar school bij de vader verblijft.\n\n5.3. \n\nDe raad heeft zich tijdens de mondelinge behandeling bij het hof, anders dan bij de rechtbank, op het standpunt gesteld dat een co-ouderschapsregeling niet in het belang is\n\nvan [de minderjarige] . De raad heeft hierbij gewezen op de verstoorde verstandhouding en het ontbreken van overleg tussen de ouders. De raad adviseert om een zorgregeling te bepalen waarbij [de minderjarige] om de week bij de vader verblijft van woensdagmiddag na school tot maandagochtend naar school. De omgang in de andere week van woensdag op donderdag is volgens de raad te veel voor [de minderjarige] .\n\n5.4. \n\nNet als de raad vindt het hof dat een co-ouderschapsregeling niet in het belang van [de minderjarige] is. Voor een co-ouderschapsregeling is vereist dat ouders met elkaar kunnen communiceren en samenwerken om te voorkomen dat het kind door een dergelijke regeling onnodig (extra) wordt belast. De ouders zijn in de afgelopen jaren niet in staat gebleken om op een constructieve wijze en in goed overleg invulling te geven aan het ouderschap.\n\nDe raad had de ouders bij de rechtbank geadviseerd om het traject solo parallel ouderschap in te zetten, zodat zij ieder op hun eigen manier het ouderschap kunnen invullen.\n\nDit traject is niet van de grond gekomen. De verstandhouding tussen de ouders is inmiddels langdurig verstoord en er bestaan grote zorgen over het effect daarvan op [de minderjarige] .\n\nEen co-ouderschapsregeling is onder deze omstandigheden niet reëel. Het hof zal het verzoek van de vader daartoe afwijzen.5.5. \n\nGelet op het voorgaande, ziet het hof, conform het door de raad ter zitting gegeven advies en het verzoek van de moeder, aanleiding om te bepalen dat [de minderjarige] om de week bij de vader zal verblijven van woensdag uit school tot maandag naar school.\n\nDeze zorgregeling bevat minder wisselmomenten dan de door de rechtbank vastgestelde regeling en is daardoor rustiger voor [de minderjarige] . Het hof acht dit, gelet op de ernstig verstoorde verstandverhouding tussen de ouders en de gevolgen daarvan voor [de minderjarige] ,\n\nhet meest in haar belang. Het hof zal, in navolging van de beslissing van de voorzieningenrechter van 7 oktober 2025, bepalen dat de omgang bij de vader in de oneven weken zal plaatsvinden, zodat de zorgregeling aansluit bij de regeling van de jongste dochter van de vader.\n\n6. De slotsom\n\nOp grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de in de bestreden beschikking vastgestelde reguliere zorgregeling om doelmatigheidsredenen in zijn geheel vernietigen en in zoverre beslissen als volgt.\n\n7. De beslissing\n\nHet hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:\n\nvernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 23 juli 2025, wat betreft de vastgestelde reguliere zorgregeling, en in zoverre opnieuw beschikkende:\n\nverdeelt de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder aldus dat [de minderjarige] eens per twee weken -in de oneven weken- van woensdag uit school tot maandag naar school\n\nbij de vader verblijft;\n\nverklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. L. van Dijk, J.G. Knot en E. Leentjes, bijgestaan door mr. S.C. Lok als griffier, en is op 30 juni 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4258","ecli-nl-gharl-2026-4258",{"courtName":6,"legalDomain":64,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht; Personen- en familierecht",{"id":66,"ecli":67,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":44,"fullText":68,"language":7,"source":17,"sourceUrl":69,"summary":14,"slug":70,"metadata":71},"648","ECLI:NL:GHARL:2026:4229","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.356.221\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland 577570\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [appellant1] LLC ( [appellant1] )\n\ndie is gevestigd te Koeweit\n\n2. [appellant2] LLC ( [appellant2] )\n\ndie is gevestigd in [vestigingsplaats1] (Verenigde Arabische Emiraten)\n\nadvocaat: mr. R.J.W. Pijls\n\nen\n\n [geïntimeerde] B.V. ( [geïntimeerde] )\n\ndie is gevestigd in [vestigingsplaats2]\n\nadvocaat: mr. S. Booij\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n [appellant1] en [appellant2] , hierna gezamenlijk: [appellanten] , hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 12 februari 2025 tussen partijen is uitgesproken door de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad.Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\n• de dagvaarding in hoger beroep\n\n• de memorie van grieven\n\n• de memorie van antwoord\n\n• een akte van [appellant1] en [appellant2] met de producties 22 tot en met 26\n\n• een akte van [appellant1] en [appellant2] met productie 27\n\n• een formulier van [geïntimeerde] met productie 7\n\n• het verslag van de mondelinge behandeling die op 14 april 2026 is gehouden (het proces-verbaal). Partijen hebben het hof aan het eind van de zitting gevraagd een arrest te wijzen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. \n [appellant2] heeft in maart 2022 voor een partij zogenaamde Pure Ghee Butter die zou moeten worden afgeleverd in Saoedi-Arabië een bestelling geplaatst bij [naam1] . In april 2022 heeft [appellant2] daarvoor € 126.282 betaald op een rekening van [naam1] . De levering is niet verricht. [appellant2] heeft in augustus 2022 een tweede bestelling geplaatst voor een bedrag van € 251.748. Zij heeft toen € 94.303,50 aan [naam1] betaald. Ook die bestelling heeft niet tot levering geleid. [appellant2] heeft daarna in december 2022 bij [geïntimeerde] een partij Ghee Butter besteld, die door [geïntimeerde] is afgeleverd in Koeweit. [appellant1] heeft daarvoor € 195.039 aan [geïntimeerde] betaald.\n\n2.2. \n [appellanten] stellen zich op het standpunt dat de levering door [geïntimeerde] een vervanging was van de niet-uitgevoerde bestellingen van maart en augustus 2022 en dat de door [geïntimeerde] geleverde producten al zijn betaald met wat eerder door [appellant2] aan [naam1] voor die bestellingen is voldaan. Volgens [appellanten] is daarmee de betaling door [appellant1] voor de wel geslaagde levering door [geïntimeerde] onverschuldigd, althans is [geïntimeerde] op grond van wanprestatie of onrechtmatig handelen jegens [appellant2] aansprakelijk voor de schade als gevolg van de niet-uitgevoerde maar wel betaalde bestellingen, althans is [geïntimeerde] ten koste van [appellanten] verrijkt doordat zij van [naam1] een betaling heeft ontvangen.\n\n2.3. \n [appellanten] hebben op deze gronden bij de rechtbank gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld, primair tot betaling aan [appellant1] van € 195.039, subsidiair tot betaling aan [appellant2] van € 220.585,50, meer subsidiair tot betaling aan [appellant1] of [appellant2] van € 75.524,40 althans door de rechtbank te bepalen bedragen, in alle gevallen te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 25 september 2023 of 4 januari 2024 of de dag van dagvaarding, en met een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten van € 2.725,39, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, met nakosten en wettelijke rente.\n\n2.4. De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de vorderingen alsnog worden toegewezen.\n\n2.5. Het hof zal beslissen, met vernietiging van het vonnis van de rechtbank, dat de vorderingen gedeeltelijk worden toegewezen en licht dat hierna toe.\n\n3. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nRechtsmacht en toepasselijk recht\n\n3.1. Het hof moet ambtshalve beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft vanwege de internationale aspecten van de zaak. [appellant1] en [appellant2] zijn immers gevestigd in Koeweit en de Verenigde Arabische Emiraten. Omdat [geïntimeerde] in Nederland is gevestigd is de Nederlandse rechter bevoegd van de tegen [geïntimeerde] ingestelde vorderingen kennis te nemen.3.2. Het hof gaat er met partijen vanuit dat het geschil moet worden beoordeeld met toepassing van het Nederlandse recht, omdat partijen niet hebben gegriefd tegen de toepassing van dat recht door de rechtbank.\n\nDe feiten\n\n3.3. \n [appellant1] en [appellant2] maken deel uit van een groep van vennootschappen. Aan het hoofd van die groep staat [naam2] (Holding), een vennootschap die is opgericht in de Verenigde Arabische Emiraten. Naast [appellant1] en [appellant2] maakt [naam3] . ( [naam3] ), die is gevestigd in Saoedi-Arabië, deel uit van deze groep. De kernactiviteit van deze groep is de productie van en de handel in bakkerij- en banketgrondstoffen en aanverwante machines.\n\n3.4. \n [geïntimeerde] is een in Nederland gevestigde vennootschap die is gespecialiseerd in de levering van zuivelproducten. [naam1] is ook een dergelijke vennootschap. Tussen deze vennootschappen, die niet tot hetzelfde concern of groep behoren, bestond sinds ongeveer begin 2022 een samenwerkingsverband, dat er in voorzag dat [naam1] als agent potentiële klanten aanbracht bij [geïntimeerde] , die vervolgens een overeenkomst met die partij kon sluiten. In een voor deze samenwerking opgesteld intern stuk staat daarover het volgende:\n\n“- Eindklant betaalt 100% verkoopprijs aan [geïntimeerde] [ [geïntimeerde] ; verduidelijking hof], facturatie door [geïntimeerde]\n\n- [naam1] factureert [geïntimeerde] een 'agent-commissie'. Deze commissie is het verschil tussen de\n\nverkoopprijs van [geïntimeerde] aan klant en de Kostprijs\u002Finkoopprijs van [geïntimeerde] van het betreffende product. [geïntimeerde] heeft het recht bij nog resterende openstaande schuld (een deel van) de gefactureerde commissie te verrekenen met deze schuld, e.e.a. in overleg met [naam1] ”.3.5. Vertegenwoordigers van [naam2] \u002F [appellant1] \u002F [appellant2] hebben in februari 2022 kennis gemaakt met [naam1] en [geïntimeerde] tijdens een tentoonstelling in Dubai. [naam1] en [geïntimeerde] hadden op die tentoonstelling een gezamenlijke stand. 3.6 [appellant2] heeft na die kennismaking op de tentoonstelling in Dubai een bestelling geplaatst bij [naam1] voor de levering van een partij Pure Butter Ghee ‘Natour’ voor een bedrag van € 126.282 (te weten 1560 boxes voor € 80,95 per box van 9 kg). Op de (pro forma) factuur van [naam1] voor die bestelling van 22 maart 2022 staan onder meer de bankgegevens van [naam1] , het logo van [naam1] en dat van [geïntimeerde] , en een stempel van [naam1] . [appellant2] heeft het gefactureerde bedrag op 7 april 2022 aan [naam1] betaald.\n\n3.7. De levering van het bestelde product zou moeten plaatsvinden bij [naam3] in Saoedi-Arabië, maar die levering heeft vanwege het ontbreken van een voor import in dat land noodzakelijk ‘halal-certificaat’ niet plaatsgevonden. Het daarvoor betaalde bedrag is niet aan [appellant2] terugbetaald.\n\n3.8. \n [appellant2] heeft in augustus 2022 een tweede bestelling bij [naam1] geplaatst voor hetzelfde product (te weten 25.200 kg voor € 9,99 per kg) en met dezelfde bestemming in Saoedi-Arabië. De prijs voor die bestelling was € 251.748. [appellant2] heeft daarvoor een factuur (‘Quotation’) ontvangen, met daarop onder meer de bankgegevens van [geïntimeerde] en de logo’s van [naam1] en [geïntimeerde] . [appellant2] heeft dit bedrag niet volledig voldaan. Zij heeft 11 oktober 2022 € 94.303,50, niet op de in de Quotation genoemde bankrekening van [geïntimeerde] , maar op een rekening van [naam1] betaald.\n\nAan die betaling gingen e-mails tussen [naam1] aan [naam2] van september\u002Foktober 2022 vooraf. In een e-mail van [naam1] van 27 september 2022 staat het volgende:\n\n“Dear [naam4] ,\n\nPlease to confirm as per below: and attached the Proforma lnvoice.\n\nPARTICULAR AMOUNT ACCOUNTS PAYABLE\n\nFIRST PAYMENT € 126.282,00\n\nFINAL QUOTATION -APPROVED € 251,748.00\n\n50% - DEPOSIT € 63,141.00\n\n505 - TO BE ADJUSTMENT IN FINAL ORDER € 63,141,00\n\nTOTAL PAYABLE € 188,607,00\n\nNOTE: APPROVED PRICE FOR C\u002FF-TO SAUDI ARABIA\n\nFor now, we will be preparing for the Booking schedule and your Product is fresh - production Date is\n\nSeptember 2022.\n\nOnce again, thank you so much”\n\nDoor [naam2] is daarop op diezelfde dag de volgende betaalinstructie gegeven:\n\n“Please proceed with the 50% payment of the remaining balance € 188,607 euro from attached order”.\n\n Ook de levering op basis van deze bestelling heeft, om dezelfde reden als voor de eerste bestelling, niet plaatsgevonden. Het door [appellant2] betaalde bedrag is niet aan haar terugbetaald.\n\n3.9. In oktober 2022 hebben [naam1] en [geïntimeerde] in e-mails over het uitblijven de leveringen contact gehad met elkaar. In een e-mail van 19 oktober 2022 van [geïntimeerde] ( [naam7] ) aan [naam1] staat onder meer, met als bijlagen een aantal contracten:\n\n“Dear [naam5] good evening,\n\nAttached you will find the contracts for the below first order for [naam2] \u002F [appellant2] .\n\nI have put shipment in November to Jeddah (exact date to be confirmed)\n\nFollowing actions to be done now:\n\n> transfer the prepayment of [naam2] \u002F [appellant2] already received by [naam1] to [geïntimeerde] with clear description that this concerns [naam2] \u002F [appellant2] prepayment of order [ordernummer]\n\n(…)\n\nChecking the stock level, I do not think there is enough pure butter ghee with the new label to fulfill this order, so some extra production to be scheduled on short term.\n\n(…) I will check with our QA department for the Halal certification that is also needed for this shipment (was scheduled for last or this week at [naam10] , so should be confirmed and documented soon) (…)”.\n\n3.10. Op 20 oktober 2022 heeft [naam1] op dit verzoek van [geïntimeerde] € 75.524,50 aan [geïntimeerde] doorbetaald. Op het betaalbewijs daarvan is bij de omschrijving verwezen naar ‘ [naam2] \u002F [appellant2] prepayment of order [ordernummer] ’. Dat bedrag correspondeert met 30% van het door [naam1] voor de tweede bestelling ontvangen bedrag.\n\n3.11. In december 2022 is vervolgens overleg geweest tussen [geïntimeerde] en [naam2] \u002F [appellant2] \u002F [appellant1] om alsnog een levering tot stand te brengen. Tussen een vertegenwoordiger van [naam2] ( [naam6] ) en van [geïntimeerde] ( [naam7] ) is daarover in december 2022 in e-mails over en weer gecommuniceerd.\n\n3.12. \n [geïntimeerde] heeft vervolgens een factuur van 4 januari 2023 op naam van [appellant2] verstrekt. Op de factuur is [appellant1] als ontvanger aangemerkt. Daarna is de partij bij [appellant1] in Koeweit afgeleverd. Volgens de factuur gaat het om 25.005 kilogram Ghee regular voor € 7,80 per kg, voor een totaalprijs van € 195.039,-. Als ‘payment terms’ is op de factuur vermeld dat 30% ‘in advance’ betaald moet worden en 70% ‘against copy of documents’. Op de factuur wordt verwezen naar het contractnummer [contractnummer] . [appellant1] heeft deze factuur op 23 januari 2023 aan [geïntimeerde] betaald.\n\n3.13. \n [naam1] is op 4 april 2023 failliet verklaard.\n\n3.14. \n\n [appellant1] en [appellant2] hebben [geïntimeerde] , voor het eerst op 25 september 2023 en daarna op\n\n11 maart 2024 en 14 maart 2024, gesommeerd tot terugbetaling van het aan haar betaalde bedrag.\n\nDe beoordeling\n\nonverschuldigde betaling\u002F wanprestatie\u002F onrechtmatig handelen?\n\n3.15. \n [appellanten] baseren hun vorderingen primair op onverschuldigde betaling: doordat [geïntimeerde] de bestellingen van maart 2022 en augustus 2022 niet had geleverd, is volgens hen de afspraak gemaakt (is overeengekomen) in december 2022 dat de levering van januari 2023 niet (nogmaals) betaald hoefde te worden omdat voor de eerdere niet-uitgevoerde leveringen al € 220.585,50 was betaald. De levering van januari 2023 verving aldus de niet-uitgevoerde maar wel betaalde eerdere bestellingen. Daarom moet [geïntimeerde] € 195.039 terugbetalen, aldus [appellanten]3.16. Op [appellanten] rust de bewijslast van de feiten en omstandigheden die de op deze grondslag ingestelde vordering kunnen dragen. Zij moet de feiten en omstandigheden stellen waaruit kan volgen dat de betaling van het bedrag van € 195.039 zonder rechtsgrondis gedaan. [geïntimeerde] heeft dat gemotiveerd betwist: volgens haar is de door [appellant1] gedane betaling gebaseerd op de overeenkomst die in december 2022 is gesloten.\n\n3.17. Voor het antwoord op de vraag of partijen de door [appellanten] gestelde afspraak hebben gemaakt komt het aan op een uitleg en waardering van de gedragingen en verklaringen van partijen jegens elkaar om vast te stellen wat zij op basis daarvan over en weer redelijkerwijs van elkaar hebben mogen verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang, waarbij ook aan de omstandigheden ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten van maart en augustus 2022 en aan de rol en positie van [naam1] betekenis kan toekomen.\n\n3.18. Een bouwsteen in het betoog van [appellanten] dat sprake is van onverschuldigde betaling is dat [geïntimeerde] partij bij de niet-uitgevoerde overeenkomsten is (geworden) en op grond daarvan jegens [appellant2] een leveringsverplichting op zich heeft genomen. Ook het antwoord op de vraag of dat zo is vergt uitleg van de verklaringen en gedragingen van partijen conform de genoemde Haviltex-maatstaf, om vast te stellen wat zij op grond daarvan over en weer redelijkerwijs van elkaar hebben mogen verwachten. Ook gedragingen en verklaringen van na het sluiten van die overeenkomsten kunnen bijdragen aan de vraag wie partij daarbij is geworden, en wat de inhoud van die overeenkomsten is.\n\n3.19. \n [appellanten] hebben niet gesteld dat zij over de inhoud van de overeenkomst rechtstreeks met [geïntimeerde] hebben onderhandeld of anderszins contact hebben gehad; zij hebben in eerste aanleg verklaard dat zij alleen met [naam1] via e-mail contact hebben gehad. Dat sluit aan bij wat [geïntimeerde] daarover heeft aangevoerd. Volgens haar is zij pas in oktober 2022 door [naam1] over diens leveringsproblemen geïnformeerd en heeft zij voor het eerst in december 2022 contact gehad met de bestuurder van [naam2] , de moedermaatschappij van [appellanten] Van enige rechtstreekse betrokkenheid van [geïntimeerde] bij de totstandkoming van die overeenkomsten is niet gebleken.\n\n3.20. Ook anderszins zijn noch voor het eerste contract in maart 2022 noch voor het contract van augustus 2022 voldoende concrete en overtuigende feiten en omstandigheden gesteld of gebleken waaruit volgt dat toen op [geïntimeerde] jegens [appellant2] een leveringsverplichting is komen te rusten, bijvoorbeeld doordat [naam1] van [geïntimeerde] de bevoegdheid had gekregen haar te binden of dat [geïntimeerde] de schijn heeft gewekt dat van een dergelijke bevoegdheid sprake was. [appellanten] hebben in dat verband overigens gesteld dat zij van de interne afspraken van [naam1] en [geïntimeerde] niet op de hoogte waren. Het feit dat [naam1] en [geïntimeerde] een gezamenlijke stand op de tentoonstelling op de beurs hadden en de wijze van facturering van de eerste twee bestellingen bieden onvoldoende aanknopingspunten voor een dergelijke contractuele binding van [geïntimeerde] aan [appellant2] (of [appellant1] ). Dat op beide facturen voor die bestellingen het logo van [geïntimeerde] voorkomt is kennelijk te verklaren uit de samenwerking tussen die partijen, maar los daarvan, op dat logo kan als zodanig geen (schijn van) vertegenwoordigingsbevoegdheid of binding van [geïntimeerde] worden gebaseerd. Dat geldt ook voor het feit dat op de Quotation de bankgegevens van [geïntimeerde] staan. Dat gegeven is kennelijk voor [appellant2] geen reden geweest om dan ook aan [geïntimeerde] te betalen: zij betaalde het op die Quotation genoemde bedrag, dat door [naam1] en niet door [geïntimeerde] is berekend in de e-mail van 27 september 2022 (zie 3.8), aan [naam1] , net als de betaling voor de eerste bestelling. [appellant2] ging er dus kennelijk steeds vanuit dat [naam1] haar contractspartij was. Voorzover [appellant2] derhalve heeft gesteld dat zij er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat [naam1] ook [geïntimeerde] tot contractspartij maakte is daarvoor in deze feiten onvoldoende steun te vinden. Dat geldt ook voor de stelling dat [appellant2] voor deze bestellingen bevrijdend aan [geïntimeerde] heeft betaald, althans dat deze betalingen kunnen worden toegerekend aan de derde bestelling.\n\n3.21. Dat wordt niet anders als hierbij de e-mailwisseling in december 2022 tussen [geïntimeerde] en [naam2] wordt betrokken. Daarin leest het hof, anders dan [appellanten] doen, niet dat [geïntimeerde] daarmee te kennen heeft gegeven dat zij (alsnog) partij was bij de eerste twee, niet uitgevoerde, overeenkomsten. [appellanten] hebben daarbij vooral gewezen op de door [naam7] gekozen woorden ‘we have a contract’ en dat sprake was van een ‘closed and prepaid contract’ waaruit dat volgens [appellanten] zou volgen. Het hof legt de e-mails anders uit.\n\nDe relevante inhoud van e-mails is als volgt:\n\nIn een e-mail van 20 december 2022 (van [naam7] namens [geïntimeerde] ):\n\n“Dear [naam8] ,\n\nOnce again thanks for the teams call this morning.\n\nLike we discussed an issue occurred by the fact there is contracted 1 full container of Pure Butter Ghee at a price of € 9.99\u002Fkg CIF Jeddah.\n\nThis container was contracted at the beginning of this year and fully prepaid by [appellant2] but has not been delivered to Saudi Arabia because of missing Halal certification.\n\nMeanwhile this container has been produced and is ready for shipping as soon as Halal certification arrives (the company providing the certificates confirmed already all is ok verbally).\n\nThe situation we (you and me) are facing now is that Ghee is offered at lower levels, and we have a contract and costs price at higher levels. This we need to solve. You informed me already that most likely you will not ship the Ghee to Saudi Arabia anymore but towards Kuwait\u002F Lebanon or UAE, but you need a better price for that.\n\nFrom my side it will be difficult to adjust the price of a closed and prepaid contract.\n\nOn the other hand, 1 want to help you and I have a responsibility for that.\n\nTo solve the situation, 1 would like to propose as follows:\n\n1. container at € 9,99\u002Fkg (the pending order)\n\n2 containers at € 7.50\u002Fkg\n\nOn average the price will be 8.33\u002Fkg CIF tor these 3 containers (Kuwait \u002F Lebanon or UAE)\n\nDelivery shipment January \u002F February (depending on your instructions)\n\nTo prevent prepayments from your side in a way we had them in 2022, 1 would suggest in future prepayments of [appellant2] will be on our account 1 week prior to shipment. In this way we avoid a big part of the issues we have had during this year.\n\n [naam8] , note the above-mentioned solution is a losing operation for us, but I really believe in the fact that we will work together in a good and professional way. Therefore, I will take this loss in order to start building our relationship and do not want to stop it before it is started.\n\nFurthermore, I will inform you as soon as our Halal certification is finished, because than we could also consider shipments to Jeddah again.\n\nI am looking forward to your confirmation (hopefully before x-mas) on the above and hope this will be a start for a fruitful co-operation between us.”\n\n [naam2] is met het voorstel in deze e-mail niet akkoord gegaan, zo blijkt uit een e-mail van 20 december 2022:\n\n“Hi [naam9] ,\n\nThanks for your prompt reply,\n\nKindly note that this order is considered a trial order, hence I can not risk buying 3 containers for a product that I didn't try yet\n\nPlease note that I can not proceed with your offer, if you can amend the offer to somewhere between 7.5-7.8 per kg, I will ship it asap to end this dilemma”\n\nNa enig onderhandelen worden partijen het eens over een prijs van € 7,80 per kg.3.22. In de e-mail van [naam7] niet wordt gerefereerd aan de eerste bestelling, maar kennelijk alleen aan de tweede gezien de verwijzing naar de prijs per kilogram; een binding aan de eerste overeenkomst ligt om die reden al niet zonder meer voor de hand. Los daarvan, de mails zijn geschreven nadat [geïntimeerde] door [naam1] in oktober 2022 was geïnformeerd over de problemen met de levering van de tweede bestelling in Saoedi-Arabië, en [geïntimeerde] dat probleem wilde oplossen in lijn met de afspraken die zij in de samenwerkingsovereenkomst met [naam1] had gemaakt (en waarvan [appellanten] niet op de hoogte waren). [appellanten] hebben ook verder onvoldoende onderbouwd dat [geïntimeerde] op de hoogte was van de eerste bestelling waarvoor door [naam1] € 126.282 in rekening is gebracht.\n\n [appellant2] had over het op grond van de tweede bestelling te leveren product al prijsafspraken met [naam1] gemaakt en in verband daarmee € 94.303,50 aan [naam1] voldaan. Niet gesteld of gebleken is dat [geïntimeerde] van deze tweede bestelling en betaling op de hoogte was toen zij in oktober 2022 is geïnformeerd door [naam1] .\n\n [appellant2] wilde kennelijk een aanpassing van de prijs en daarover zijn onderhandelingen gevoerd. In het kader daarvan heeft [naam7] een aantal voorstellen gedaan, tegen de achtergrond dat sprake was van een contract dat ‘closed and prepaid’ was terwijl inmiddels de kostprijzen zijn veranderd. [naam7] doet daarom een voorstel voor drie verdere leveringen met als gevolg een middeling van de prijs. Het hof leest de woorden ‘we have a contract’ dan ook in het kader van deze onderhandelingen en niet zo letterlijk zoals [appellanten] dat doen en verbindt daaraan niet de conclusie dat [geïntimeerde] als contractspartij al een leveringsverplichting had jegens [appellant2] . Ook het feit dat [naam7] zich verantwoordelijk achtte (‘responsibility’) leidt niet tot die conclusie. De betaling van € 75.524,40 en het sales-contract met als datum 19 oktober 2022- een intern stuk tussen [geïntimeerde] en [naam1] - moeten eveneens worden bezien tegen de achtergrond dat [geïntimeerde] de leveringsproblemen van [naam1] wilde oplossen, en niet als een bevestiging dat [geïntimeerde] een overeenkomst met [appellant2] had. Dat [naam7] schrijft dat hij het verlies wil nemen (‘take this loss’) moet zo worden begrepen dat dit ziet op de het verschil tussen de productiekosten en dalende marktprijzen, waaraan hij in de eerste alinea van zijn e-mail refereert. Ter zitting bij het hof heeft [geïntimeerde] nader toegelicht dat zij de verzendkosten voor de levering in Koeweit voor haar rekening heeft genomen die in het algemeen voor rekening van de afnemer zouden zijn gekomen. Het verlies nemen waarover wordt gesproken moet ook tegen die achtergrond worden bezien. Uit de e-mails blijkt dat het voor [geïntimeerde] ging om het opbouw van een relatie (‘start building our relationship) en dat het voor [appellanten] . ging om een ‘trial order’. Ook dat wijst niet op een eerdere contractuele relatie.\n\n3.23. Het argument van [appellanten] dat sprake is van onverschuldigde betaling voor de uitgevoerde levering vanwege de contractuele binding van [geïntimeerde] aan de eerdere overeenkomsten is dus niet valide.\n\n3.24. Dat laat echter onverlet, althans dat sluit niet uit, dat ook zonder die binding de afspraak kan zijn gemaakt dat [geïntimeerde] voor de levering niet door [appellant2] of [appellant1] betaald kreeg.\n\n3.25. Uit wat door [appellanten] is gesteld en ter onderbouwing daarvan aan schriftelijke stukken is overgelegd valt niet af te leiden dat een afspraak met de door [appellanten] gestelde inhoud is gemaakt. Door [appellanten] wordt ook daarvoor sterk geleund op de e-mail van de zijde van [geïntimeerde] van 20 december 2022, waarvan de inhoud hiervoor in 3.21 is weergegeven en waaraan het hof hiervoor een uitleg heeft gegeven in het kader van de vraag of daaruit volgt dat [geïntimeerde] contractspartij was van [appellant2] bij de eerste overeenkomsten. Die uitleg is ook relevant voor de vraag of de gestelde afspraak is gemaakt. Ook die vraag beantwoordt het hof op basis van die uitleg ontkennend. Het hof voegt daaraan nog het volgende toe.\n\n3.26. In de e-mail wordt niet met zoveel woorden of anderszins specifiek stil gestaan bij de vraag of voor de levering betaald moet worden of niet, omdat die al eerder zou zijn betaald, of dat een beroep werd gedaan op verrekening met wat al eerder door [appellanten] was betaald aan [naam1] , bijvoorbeeld het bedrag van € 94.303,50. Woorden met die concrete inhoud of van die strekking zijn in de e-mails van 20 december 2022 en de reactie daarop van de zijde van [naam2] (optredende namens [appellanten] ) niet te lezen. Dat van de zijde van laatstgenoemde daaraan geen woord wordt gewijd is opvallend, omdat zij daarbij het meeste belang had, gezien de eerdere betalingen. Daarbij komt dat op initiatief van die zijde over een aanpassing van de prijs is onderhandeld, zoals onweersproken door [geïntimeerde] is gesteld, en dat daarover een akkoord is bereikt. Dat roept de – onbeantwoorde – vraag op waarom [naam2] het initiatief tot die onderhandeling om tot een lagere prijs te komen heeft genomen, indien zij ervan uitging dat de levering toch niet betaald hoefde te worden. [geïntimeerde] mocht er gezien die onderhandelingen redelijkerwijs op vertrouwen dat zij conform de uitonderhandelde prijs betaald zou krijgen, althans hebben [appellanten] onvoldoende onderbouwd op grond waarvan [geïntimeerde] heeft moeten begrijpen dat dit niet het geval was.\n\n3.27. \n\nDat wordt niet anders als daarbij acht wordt geslagen op de in verband met de levering in Koeweit opgemaakte stukken en dat geen aanbetaling is gevraagd, welke omstandigheden volgens [appellanten] hun standpunt ondersteunen. Volgens [appellanten] is de factuur van 4 januari 2023 slechts om administratieve redenen opgemaakt in verband met een andere prijs en bestemming en douaneformaliteiten. Dat kan uit de factuur zelf niet worden afgeleid; dat de factuur ook volgens [geïntimeerde] slechts deze functie had is ook verder onvoldoende onderbouwd; niet is gesteld of gebleken op grond waarvan ook [geïntimeerde] hiervan uitging. Dat op 19 januari 2023 in het Supplier Creation Formdat is opgemaakt om te voldoen aan invoerformaliteiten voor de levering in Koeweit als betalingsvoorwaarden ‘Prepayment’ zijn genoemd legt daarbij ook niet voldoende gewicht in de schaal, omdat door [geïntimeerde] onweersproken is gesteld dat dit formulier algemene informatie betreft en niet specifiek ziet op deze transactie. In het formulier wordt ook niet verwezen naar deze transactie.\n\nHet staat op zich vast dat geen aanbetaling is gevraagd, terwijl dat wel op de factuur van januari 2023 staat. Niet gesteld of gebleken is echter dat daarover in december 2022 is gesproken en op grond waarvan [geïntimeerde] bij [appellanten] het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat zij door het niet vragen van een aanbetaling helemaal van betaling af zou zien.\n\n3.28. \n [appellanten] hebben ook nog een beroep gedaan op een verklaring van de bestuurder van [naam1] . Ook met de inhoud van die verklaring heeft [appellanten] niet aannemelijk gemaakt dat de afspraak waarop [appellanten] zich beroept is gemaakt, deze verklaring zowel op zich zelf bezien als in samenhang met de andere gestelde feiten en omstandigheden. De verklaring luidt als volgt:\n\n“(…) In March\u002F April 2022, [appellant2] placed an order with [naam1] for an amount of € 126,282. That amount was prepaid by [appellant2] to [naam1] on April 7, 2022.\n\nDue to circumstances, this order was cancelled. From that moment on, [appellant2] had a credit on [naam1] of € 126,282 that would be settled with the next new order. [geïntimeerde] agreed.\n\nThe next order took a very long time due to [geïntimeerde] 's incorrect working method, but was completed through delivery and invoicing in January 2023. This resulted in an invoice from [geïntimeerde] to [appellant2] of € 195,039. [appellant2] had again paid an amount in advance to [naam1] on that invoice, i.e. € 94,303,50 on October 4, 2022. In accordance with agreement with [geïntimeerde] , € 75,524.40 of the latter advance payment was paid by [naam1] to [geïntimeerde] on 20 October 2022, on condition that delivery by [geïntimeerde] to [appellant2] would take place without [appellant2] having any payment obligation towards [geïntimeerde] .\n\nIn total, [appellant2] has therefore paid € 220,585.50 to [naam1] , [naam1] has settled with [geïntimeerde] in accordance with the agreement. The amount overpaid by [appellant2] , i.e. € 220,585.50 minus €195,039 = € 25,546.50 should have been repaid by [geïntimeerde] to [appellant2] . [naam11] has taken care of that amount without obligation by offsetting with [appellant2] and is trying to recover it from [geïntimeerde] . It now appears that [appellant2] also paid the latter invoice of € 195,039 to [geïntimeerde] , which is completely unjustified. [geïntimeerde] received that amount incorrectly. It would have been morally right for them to have returned that receipt immediately. Now that it appears that this has not happened, I advise [appellant2] to take immediate action against [geïntimeerde] , if necessary using all legal means. Where possible, I would like to support them wholeheartedly. In summary: [appellant2] paid twice, 1 time to [naam1] and 1 time to [geïntimeerde] . The payment to [naam1] has been accepted by [geïntimeerde] as payment of the delivery and has been incorporated into the current account relationship with [naam1] . After receiving that payment to [naam1] , [geïntimeerde] delivered to [appellant2] . After that, [appellant2] paid [geïntimeerde] again by mistake. [geïntimeerde] is therefore obliged to return this wrongful payment to [appellant2] .”\n\n3.29. Volgens [geïntimeerde] is deze bestuurder [geïntimeerde] niet goedgezind omdat [geïntimeerde] het faillissement van [naam1] heeft aangevraagd. Dat kan zo zijn, maar dat maakt de verklaring om die reden niet direct ongeloofwaardig. Belangrijker is dat [appellanten] niet hebben gesteld dat deze bestuurder betrokken is geweest bij de totstandkoming van de afspraken die in december 2022 zijn gemaakt, en welke rol hij daarbij heeft gespeeld en waaraan hij zijn wetenschap ontleent. Daarbij komt dat de verklaring op onderdelen in strijd is met de door [appellanten] zelf gestelde en vaststaande feiten. Zo verklaart de bestuurder dat B& F een aanbetaling op de factuur van [geïntimeerde] van januari 2023 heeft gedaan, terwijl die aanbetaling volgens [appellanten] betrekking heeft op de tweede bestelling. Verder is de verklaring een beschrijving van de gang van zaken, die in grote lijnen overeenstemt met de standpunten van partijen, en wat betreft de betaling van ruim € 75.000,- met het standpunt van [geïntimeerde] dat dat in lijn was met de afspraken tussen [naam1] en [geïntimeerde] . Maar uit de verklaring blijkt niet van enige afspraak tussen [geïntimeerde] en [appellanten] , noch dat [geïntimeerde] contractueel tot levering verplicht was als het gaat om de eerste twee bestellingen. De bestuurder heeft het in dat verband over een morele verplichting.\n\n3.30. Bij gebrek aan toereikende onderbouwing ziet het hof geen grond voor het honoreren van het bewijsaanbod van [appellanten] dat slechts inhoudt dat de bestuurder van [naam1] als getuige gehoord zou moeten worden. Dat aanbod is daarvoor bovendien niet specifiek genoeg. Er is gesteld dat deze bestuurder het nodige kan verklaren, maar niet is aangeboden feiten te bewijzen die, indien juist, tot een ander oordeel zouden leiden, dan wel is het aanbod niet ter zake dienend gelet op wat het hof al heeft geoordeeld over de door [appellanten] gestelde feiten.\n\nTussenconclusie\n\n3.31. Al het voorgaande betekent i) dat niet blijkt dat sprake is van onverschuldigde betaling en ii) dat niet blijkt dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade die een gevolg is van het niet uitvoeren van de eerste twee bestellingen. De op die grondslagen gebaseerde primaire en subsidiaire vorderingen zijn niet toewijsbaar. De schadevergoedingsvordering is dat ook niet voorzover die is gebaseerd op onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] . [appellanten] heeft niet voldoende gesteld om dat onrechtmatig handelen, dat niet zonder meer uit de feiten volgt, aan te nemen. De grievendie er toe strekken dat de vordering op deze grondslagen kunnen worden toegewezen falen.\n\nongerechtvaardigde verrijking\n\n3.32. De meer subsidiaire vordering tot betaling van € 75.524,40 is gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking. Die is toewijsbaar indien [geïntimeerde] ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [appellant1] of [appellant2] (die zijn verarmd) zodat [geïntimeerde] , voorzover dit redelijk is, de schade die zij daardoor lijden moet vergoeden tot het bedrag van haar verrijking.\n\n3.33. \n [appellant2] (en niet [appellant1] ) heeft het genoemde bedrag aan [naam1] betaald zonder dat zij daarvoor een daarmee corresponderende tegenprestatie heeft ontvangen. Zij heeft dit bedrag niet terugontvangen. Aannemelijk is daarom dat [appellant2] door de betaling van het genoemde bedrag is verarmd. [geïntimeerde] heeft niet aangevoerd dat [appellant2] mogelijk nog een vordering op [naam1] heeft, maar dat gegeven betekent als zodanig niet dat [appellant2] niet kan zijn verarmd ( [naam1] biedt overigens geen verhaal voor die vordering, gezien de stand van zaken in dat faillissement, waarbij geen uitkering aan faillissementscrediteuren is te verwachten).\n\n3.34. \n [geïntimeerde] is er vanwege de samenwerkingsafspraken met [naam1] vanuit gegaan dat [naam1] het bedrag terug moest betalen aan [appellant2] en dat zij gehouden was het bedrag met dat doel aan [naam1] terug te betalen. Zij stelt dat te hebben gedaan doordat zij haar schuld (terugbetaling aan [naam1] ) heeft verrekend met een vordering van haar op [naam1] uit andere hoofde. Indien dat juist is betekent dat dat [geïntimeerde] is verrijkt: zij heeft daarmee immers een verrekeningsmogelijkheid gekregen en benut, die zij niet zou hebben gehad indien zij het bedrag van ruim 75.000, - niet zou hebben ontvangen. Zij heeft dit bedrag ontvangen waar volgens haar eigen stellingen geen tegenprestatie van haarzelf tegenover staat. [geïntimeerde] heeft de ruim € 75.000,- immers aan zichzelf laten overmaken als ‘prepayment’ (zie rov. 3.9), maar heeft vervolgens het volle afgesproken bedrag voor de levering van januari 2023 van [appellant1] ontvangen, zonder dat zij op die factuur het ten titel van aanbetaling van [naam1] ontvangen bedrag daarop in mindering heeft gebracht. Voor de ontvangst van de ruim € 75.000,- is dan ook geen rechtvaardiging te vinden in de met [appellant2] gesloten overeenkomsten. Tussen de verarming van [appellant2] en de verrijking van [geïntimeerde] bestaat daarmee voldoende verband. Het is in de gegeven omstandigheden redelijk dat [geïntimeerde] dit bedrag aan [appellant2] terugbetaalt; niet valt in te zien dat [appellant2] van de gang van zaken en van het faillissement van [naam1] de dupe moet worden.\n\n3.35. Het hof zal daarom de meer subsidiaire vordering toewijzen, met daarover de gevorderde en als zodanig niet bestreden wettelijke rente met ingang van 25 september 2023 tot aan de dag van algehele betaling. Met het oog daarop zal het bestreden vonnis van de rechtbank worden vernietigd.\n\n3.36. Ook de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten (de vordering sub VIII in de akte vermeerdering eis van 25 november 2024) is, als zijnde niet weersproken, toewijsbaar. Naar aard en omvang voldoen deze kosten aan de dubbele redelijkheidstoets. Daarbij gaat het hof er, gelet op het vermelde in de inleidende dagvaarding onder 74 en 81, vanuit dat het in de akte genoemde bedrag van € 2.750,39 een verschrijving is en van het bedrag van € 2.725,39 moet worden uitgegaan.\n\nDe conclusie\n\n3.37. Het hoger beroep slaagt deels. Omdat [geïntimeerde] grotendeels in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [geïntimeerde] tot betaling van de proceskosten van [appellant2] zowel in hoger beroep als bij de rechtbank veroordelen. Daarbij gaat het hof wat betreft het salaris van de advocaat uit van het toegewezen bedrag. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.Deze uitspraak brengt mee dat [appellant2] de proceskosten voor de procedure in eerste aanleg niet meer verschuldigd zijn. Het kan zijn dat zij die inmiddels aan [geïntimeerde] heeft betaald, maar een vordering tot terugbetaling heeft zij niet ingesteld, zodat het hof [geïntimeerde] daartoe niet kan veroordelen.\n\n3.38. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n4. De beslissing\n\nHet hof:\n\n4.1. vernietigt het vonnis van de rechtbank in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 12 februari 2025 voorzover de vorderingen van [appellant2] zijn afgewezen, beslist in zoverre opnieuw, en bekrachtigt het vonnis voor het overige:\n\n4.2. veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant2] van € 75.524,40, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 september 2023 tot de dag van volledige betaling;\n\n4.3. veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant2] van € 2.725,39 als vergoeding voor buitengerechtelijke kosten;\n\n4.4. \n\nveroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant2] tot aan de uitspraak van de rechtbank:\n\n€ 6.617 aan griffierecht\n\n€ 115,12 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde]\n\n€ 2.428 aan salaris van de advocaat van [appellant2] (2 procespunten x het destijds geldende tarief in tariefgroep IV)\n\nen tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant2] in hoger beroep:\n\n€ 6.803 aan griffierecht\n\n€ 122,25 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde]\n\n€ 4.704 aan salaris van de advocaat van [appellant2] (2 procespunten x het per 1 februari 2026 geldende tarief in tariefgroep IV)\n\n4.5. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n4.6. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.7. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mr. J. Smit, mr. M.A.M. Essed en mr. A.L. Goederee, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op\n\n30 juni 2026.\n\n Het vonnis is gepubliceerd onder RBMNE:2025:323.\n\n Artikel 4 Brussel I bis (Verordening (EU) nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking).\n\n Artikel 6:203 BW\n\n Conform de zogenoemde Haviltex-maatstaf\n\n In de woorden [appellanten] : is toegetreden tot die overeenkomsten\n\n Productie 27\n\n Productie 25\n\n Grieven I-III, met subgrieven bij grief II, en grief V\n\n artikel 6:212 BW\n\n Grief IV, VI en VII treffen doel\n\nHR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4229","ecli-nl-gharl-2026-4229",{"courtName":6,"legalDomain":49,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":73,"ecli":74,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":44,"fullText":75,"language":7,"source":17,"sourceUrl":76,"summary":14,"slug":77,"metadata":78},"664","ECLI:NL:GHARL:2026:4226","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.340.547\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Midden-Nederland 513216\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellant]\n\ndie woont in [woonplaats1]\n\ndie hoger beroep heeft ingesteld en bij de rechtbank optrad als eiser\n\nhierna: [appellant]\n\nadvocaat: mr. J.A.I. Verheul te Amsterdam\n\ntegen\n\n1. [geïntimeerde1]\n\ndie woont in [woonplaats2]\n\ndie ook hoger beroep heeft ingesteld en bij de rechtbank optrad als gedaagde\n\nen2. Wiflo Holding B.V.3. Extreme Tenders Holding B.V.4. Extreme Tenders B.V.5. Xtenders Shipyard B.V.6. Xtenders Custom B.V.7. Xtenders Yard B.V.8. Xtenders Carbon Solutions B.V.9. Extreme Tenders Shipyard B.V.10. Extreme Tenders Yard B.V.11. Xtenders Design B.V.12. Xtenders Production B.V.13. Xtenders Superyacht Solutions B.V.14. Xtenders Services B.V.15. Extreme Electric B.V.\n\ndie allen zaken doen in Almere en die bij de rechtbank optraden als gedaagden\n\nhierna samen: [geïntimeerden]en ieder afzonderlijk[geïntimeerde1]enXtenders c.s.\n\nadvocaat: mr. L.M. Noordzij te Amsterdam\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, op 11 oktober 2023tussen partijen heeft uitgesproken. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:\n\n• de dagvaarding in hoger beroep\n\n• de memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis\n\n• de memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep\n\n• de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep\n\n• de akte overlegging producties van [geïntimeerden]\n\n• de akte overlegging producties van [appellant]\n\n• het verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 12 mei 2026 is gehouden.\n\nNa de mondelinge behandeling hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n [appellant] had een overeenkomst tot de bouw van een schip op maat. Die overeenkomst is ontbonden en zijn vordering tot terugbetaling van het al betaalde bedrag is toegewezen. Omdat de bouwende vennootschap geen verhaal meer bood, is [appellant] een aansprakelijkheidsprocedure gestart tegen [geïntimeerde1] en Xtenders c.s. De rechtbank heeft geoordeeld dat [geïntimeerde1] persoonlijk een ernstig verwijt treft en hem veroordeeld tot betaling van een deel van het gevorderde bedrag. De rechtbank heeft de vordering tegen Xtenders c.s. afgewezen. [appellant] wil dat zijn vordering alsnog volledig wordt toegewezen, zowel tegen [geïntimeerde1] als tegen Xtenders c.s. [geïntimeerde1] wil dat de tegen hem toegewezen vordering alsnog volledig wordt afgewezen. Dit alles zal hierna worden beoordeeld. Eerst zal worden beschreven wat de relevante feiten zijn en wat bij de rechtbank aan de orde was en door haar is beslist.\n\n3. De feiten\n\nHet hof gaat uit van de volgende feiten.\n\n3.1. Extreme Tenders Custom B.V. (hierna: ETC) richt zich op het (op maat) bouwen en verkopen van vaartuigen, tenders geheten. Deze tenders worden gewoonlijk gebruikt door bezitters van (super)jachten om van en naar hun jacht te komen.\n\n3.2. \n [geïntimeerde1] is (enig) statutair bestuurder van ETC. Enig aandeelhouder van ETC is Extreme Tenders Holding. Enig aandeelhouder van Extreme Tenders Holding is Wiflo Holding. [geïntimeerde1] is enig aandeelhouder van Wiflo Holding en enig bestuurder van zowel Wiflo Holding als Extreme Tenders Holding.\n\n3.3. \n\nDe partijen 4. t\u002Fm 15. zijn zustervennootschappen van ETC. Ook van deze\n\nvennootschappen is [geïntimeerde1] enig bestuurder en, via Wiflo Holding en Extreme Tenders Holding, enig aandeelhouder.\n\n3.4. Op 18 maart 2018 heeft [appellant] met ETC een koopovereenkomst (hierna: ‘de koopovereenkomst’) gesloten. Daarbij heeft [appellant] van ETC gekocht een op maat te bouwen carbon vaartuig, de Custom XTender 12.3M, building [nummer] (hierna ‘het vaartuig’ te noemen). De koopprijs bedroeg € 800.013. ETC had op dat moment geen activiteiten.\n\n3.5. ETC was een ‘special purpose vehicle’ dat wil zeggen dat alleen de bouw van dit vaartuig daarin werd uitgevoerd. Alle betalingen door de klant zijn bestemd voor die bouw en alles wat wordt gebouwd, is bestemd voor de klant.\n\n3.6. In de koopovereenkomst (artikel A-4) is bepaald dat het vaartuig zal worden geleverd twaalf maanden nadat de eerste betaling is ontvangen. In artikel A-7 is een betaalschema opgenomen voor de termijnbetalingen die verschuldigd worden nadat een bepaalde fase in de bouw van het vaartuig is aangevangen of afgerond. De betreffende termijn moet betaald worden tien dagen na ontvangst van de factuur. Als tijdige betaling uitblijft, zo bepaalt dit artikel verder, mag ETC verdere werkzaamheden opschorten.\n\n3.7. \n\nHet eerste bedrag van € 80.000, dat na het tekenen van de koopovereenkomst\n\nverschuldigd werd, is door [appellant] betaald (betaling i.) en op 22 maart 2018 in goede orde door ETC ontvangen. De leverdatum van het vaartuig was daarmee aanvankelijk 22 maart 2019.\n\n3.8. Na de eerste betaling heeft [appellant] in de periode tot en met 11 februari 2019 nog vijf facturen van ETC betaald, in totaal € 520.000, te weten:\n\n 12 oktober 2018 t.b.v. ‘acceptance final design’ ad € 80.000\n\n 30 oktober 2018 t.b.v. ‘start carbon production’ ad € 160.000\n\n 14 januari 2019 t.b.v. ‘order engine’ ad € 80.000\n\n 14 januari 2019 t.b.v. ‘start paintjob hull’ ad € 120.000 en\n\n 11 februari 2019 t.b.v. ‘delivery engine’ ad € 80.000.\n\nIn totaal heeft [appellant] vanaf maart 2018 tot en met februari 2019 € 600.000 betaald.\n\n3.9. ETC heeft de door haar van [appellant] ontvangen bedragen – op € 1.026 na – vrijwel onmiddellijk overgemaakt aan Extreme Tenders Holding (partij 3.) en Extreme Tenders (partij 4.), te weten:\n\n€ 40.000 op 29 maart 2018 aan Extreme Tenders (na betaling i.)\n\n€ 39.974 op 3 april 2018 aan Extreme Tenders (na betaling i.)\n\n€ 80.000 op 12 oktober 2018 aan Extreme Tenders Holding (na betaling ii.)\n\n€ 159.000 op 31 oktober 2018 aan Extreme Tenders Holding (na betaling iii.)\n\n€ 200.000 op 6 februari 2019 aan Extreme Tenders Holding (na betalingen iv. en v.)\n\n€ 50.000 op 28 februari 2019 aan Extreme Tenders Holding (na betaling vi.) en\n\n€ 30.000 op 1 maart 2019 aan Extreme Tenders Holding (na betaling vi.).\n\n3.10. In februari en maart 2019 heeft [appellant] viermaal bij [geïntimeerde1] geïnformeerd naar de voortgang van de bouw van het vaartuig.\n\n3.11. Op 26 april 2019 heeft [appellant] bij [geïntimeerde1] aangedrongen om de huidige situatie toe te lichten. Op 29 april 2019 heeft [geïntimeerde1] aan [appellant] geantwoord dat aflevering in juli 2019 niet mogelijk is, dat de planning is aangepast en dat het vaartuig in december 2019 zal worden geleverd. [geïntimeerde1] stelt vervolgens voor dat [appellant] in het seizoen 2019 een ander vaartuig van hen gaat gebruiken.\n\n3.12. \n [appellant] heeft de koopovereenkomst in een e-mail aan [geïntimeerde1] van 1 mei 2019 ontbonden en aanspraak gemaakt op terugbetaling van het al betaalde bedrag.\n\n3.13. Op 4 juni 2019 heeft [appellant] rechterlijk verlof verkregen voor het leggen van conservatoir derdenbeslag op de bankrekening van ETC, waarop [appellant] de termijnbetalingen van in totaal € 600.000 had overgemaakt. Het beslag heeft geen doel getroffen omdat de bankrekening geen saldo had.\n\n3.14. Op 14 juni 2019 heeft [appellant] ETC gedagvaard voor de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam, en onder meer gevorderd een verklaring voor recht dat hij de koopovereenkomst terecht heeft ontbonden, en daarnaast veroordeling van ETC tot (terug)betaling van € 600.000 alsmede tot vergoeding van de door hem geleden schade.\n\n3.15. \n\nOp 23 januari 2020 heeft [appellant] rechterlijk verlof gekregen voor het (opnieuw) leggen van conservatoir derdenbeslag op de bankrekening van ETC en voor het leggen van conservatoire beslagen op het vaartuig, de daarbij horende bootmotoren en een drietal “pre-owned” vaartuigen. Op 27 januari 2020 is het conservatoir derdenbeslag gelegd op de\n\nbankrekening van ETC. Wederom heeft het beslag geen doel getroffen omdat er geen saldo was. Op 27 januari 2020 heeft de deurwaarder in de werkplaats van ETC conservatoir beslag gelegd op het in aanbouw zijnde vaartuig, type Xtenders 12.3M, waarop [nummer] was geschreven. De deurwaarder is er niet in geslaagd beslag te leggen op twee bootmotoren, omdat het hem niet duidelijk werd (gemaakt) waar deze zich bevonden. Op 29 januari 2020 heeft de deurwaarder in de Jachthaven [plaats1] conservatoir beslag gelegd op twee schepen (hierna: ‘de schepen’) die eerder door ETC op haar website te koop waren aangeboden. Het gaat om twee ‘pre-owned’ tenders, één type Xtenders 12.3m met [registratienummer1] , en één type Xtenders 8.3m, met [registratienummer2] . Op 6 maart 2020 heeft de deurwaarder geconstateerd dat de twee schepen waarop op 29 januari 2020 beslag was gelegd, uit de jachthaven waren verdwenen.\n\n3.16. Het onafgebouwde vaartuig met opschrift ‘ [nummer] ’ is door ETC op enig moment verkocht aan Xtenders Production B.V. (partij 12.) die daarbij een beroep heeft gedaan op verrekening van de koopprijs met een vordering op ETC. Het vaartuig is afgebouwd en vervolgens door Xtenders Yard B.V. (partij 7.) aan een ander verkocht.\n\n3.17. Op 21 juli 2020 heeft [appellant] verlof gekregen voor het leggen van conservatoir beslag onder ETC op roerende zaken. Op 30 juli 2020 heeft de deurwaarder beslag gelegd ten laste van ETC op in het proces-verbaal omschreven roerende zaken, waaronder gereedschappen, een tweetal tenders in aanbouw, drie voltooide tenders en boottrailers.\n\n3.18. Op 3 juli 2020 heeft [appellant] , na daartoe op 2 juli 2020 verkregen rechterlijk verlof, conservatoir derdenbeslag gelegd onder [geïntimeerde1] ten laste van Wiflo Holding.\n\n3.19. In een vonnisvan 23 oktober 2020 heeft de kantonrechter in Amsterdam de in rov. 3.14 weergegeven vorderingen toegewezen, onder veroordeling van ETC in de beslagkosten van € 1.104,46 en de proceskosten van € 5.989,51, te vermeerderen met nakosten van € 131 en € 68. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld. ETC biedt geen verhaal.\n\n4. Het geschil en de beslissing van de rechtbank\n\n4.1. \n [appellant] heeft bij de rechtbank gevorderd dat:\n\ni) [geïntimeerde1] en Xtenders c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van schade die [appellant] heeft geleden en nog zal lijden, primair tot een bedrag van € 600.000, te vermeerderen met rente vanaf de dag der dagvaarding en subsidiair nader op te maken bij staat;\n\nii) [geïntimeerde1] wordt veroordeeld tot betaling van beslagkosten van € 5.476,37;\n\niii) Wiflo Holding wordt veroordeeld tot betaling van beslagkosten van € 5.476,37;\n\nmet hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde1] en Wiflo Holding in de kosten van de procedure, een vergoeding voor nakosten daaronder begrepen, te vermeerderen met wettelijke rente.\n\n4.2. De rechtbank heeft op 11 oktober 2023 de vordering (i) tot een beloop van € 415.619,20, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 augustus 2020, tegen [geïntimeerde1] toegewezen. [geïntimeerde1] is verder veroordeeld in de beslagkosten en de proceskosten. De vorderingen zijn voor het overige afgewezen. [geïntimeerde1] heeft op 28 maart 2024 aan dit vonnis voldaan.\n\n4.3. De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat wat van zijn vorderingen is afgewezen, alsnog wordt toegewezen. [appellant] heeft daarbij zijn vordering gewijzigd en vermeerderd als het gaat om sub (i) de gevorderde ingangsdatum van de wettelijke rente en daarnaast (iv) gevorderd dat [geïntimeerde1] en Xtenders c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de ten laste van ETC toegewezen vergoeding van beslag- en proceskosten van € 1.104,46, € 5.989,51, € 131 en € 68.\n\n4.4. De bedoeling van het hoger beroep van [geïntimeerde1] is dat de tegen hem toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen en dat [appellant] wordt veroordeeld tot terugbetaling van wat [geïntimeerde1] op basis van het vonnis van 11 oktober 2023 aan hem heeft betaald, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 28 maart 2024.\n\n5. Het oordeel van het hof\n\nInleiding\n\n5.1. Het hof zal oordelen dat het hoger beroep van [appellant] grotendeels slaagt en dat het gehele door hem aanbetaalde bedrag moet worden vergoed, maar niet door alle partijen die hij daarvoor aansprakelijk houdt. Dat wordt hierna uitgelegd. De bezwaren (grieven) van partijen zullen daarbij thematisch worden behandeld.\n\nBevoegdheid en toepasselijk recht\n\n5.2. Omdat [appellant] in [land1] woont, heeft deze zaak een internationaal karakter. De internationale bevoegdheidsregels zijn in procesrechtelijke zin van openbare orde. Het hof dient daarom eerst ambtshalve te onderzoeken of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen kennis te nemen. Aangezien de verwerende partijen [geïntimeerden] in een EU-land (Nederland) zijn gevestigd \u002F wonen, moet de vraag of de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegdheid toekomt, worden beantwoord aan de hand van de Verordening Brussel I-bis.Deze bevoegdheid kan in dit geval (onder meer) worden gebaseerd op artikel 4 Verordening Brussel I-bis. Partijen hebben ook niet iets anders gesteld. De Nederlandse rechter is daarmee bevoegd.\n\n5.3. Tegen de impliciete vaststelling van de rechtbank dat op dit geschil Nederlands recht van toepassing is, hebben de partijen geen bezwaar gericht. Partijen hebben ook zelf Nederlandse wetsartikelen ingeroepen. Het hof is met partijen van oordeel dat het Nederlands recht hier van toepassing isen het zal de zaak dan ook naar Nederlands recht beoordelen.\n\nWijziging van eis\n\n5.4. De in rov. 4.3 bedoelde eisvermeerdering heeft processueel op het juiste moment plaatsgevonden en [geïntimeerden] hebben daartegen als zodanig geen bezwaar gemaakt. Ook ambtshalve ziet het hof geen reden deze eiswijziging buiten beschouwing te laten.\n\nBestuurdersaansprakelijkheid [geïntimeerde1]\n\n5.5. \n [appellant] stelt allereerst dat [geïntimeerde1] als bestuurder van onder meer ETC op grond van onrechtmatige daad persoonlijk aansprakelijk moet worden gehouden voor het door de ETC onbetaald laten van de onherroepelijk door de kantonrechter toegewezen terugbetaling van € 600.000.\n\nMaatstaf aansprakelijkheid\n\n5.6. De vordering van [appellant] betreft een vordering jegens [geïntimeerde1] als bestuurder van ETC, omdat [appellant] benadeeld is door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van zijn vordering op ETC.\n\n5.7. Ter zake van deze benadeling zal naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt.In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de vennootschap onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijtkan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.\n\n5.8. Voor de onder (i) bedoelde gevallen is in de rechtspraak de maatstaf aanvaard dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. [appellant] heeft zijn vordering niet gebaseerd op schending van deze zogenoemde ‘Beklamel-norm’, zodat het hof die verder buiten beschouwing zal laten.\n\n5.9. In de onder (ii) bedoelde gevallen kan de betrokken bestuurder voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen.In de onder (ii) bedoelde gevallen draait het, kort gezegd, om frustratie van betaling en verhaal.\n\nStelplicht en bewijslast\n\n5.10. De stelplicht en, bij betwisting, de bewijslast voor de feiten en omstandigheden waarop het beroep op bestuurdersaansprakelijkheid is gebaseerd, rusten in beginsel op [appellant] als partij die zich op deze grondslag beroept (artikel 150 Rv). In geval als dit, waarin een partij die schade lijdt door wanprestatie van een vennootschap daarom verhaal zoekt op de bestuurder tevens (middellijk) enig aandeelhouder van die vennootschap, geldt niet een bijzondere regel van bewijslastverdeling, die meebrengt dat degene die volledige zeggenschap over de vennootschap heeft, wordt belast met het bewijs.\n\nUitgangspunt\n\n5.11. De betalingsverplichting van ETC staat definitief vast. Die is in een vonnis van 23 oktober 2020 (zie rov. 3.19) vastgesteld en die beslissing is onherroepelijk geworden. Daarmee moet in deze procedure worden uitgegaan van de verschuldigdheid door ETC van het in dat vonnis toegewezen bedrag van € 600.000. [geïntimeerden] . kunnen in deze procedure niet opnieuw discussie voeren over de verschuldigdheid van dat bedrag omdat zij niet worden aangesproken voor dat verschuldigde bedrag als zodanig, maar voor de schade die [appellant] door hun handelen heeft geleden. Tegen dat laatste, op een onrechtmatig handelen gebaseerd verwijt kunnen en mogen zij zich ook ten volle verweren. Voor zover [geïntimeerden] menen dat niet van een betalingsverplichting van ETC kan worden uitgegaan en daarom al het verwijt van [appellant] onjuist is, faalt dat. Dat het in kracht van gewijsde gegane vonnis van 23 oktober 2020 tegenover [geïntimeerden] geen gezag van gewijsde heeft, maakt een en ander niet anders.\n\nOnrechtmatig handelen van [geïntimeerde1]\n\n5.12. Voorop staat dat het Xtender-concern in wezen een eenpersoonsconcern is. [geïntimeerde1] is van alle vennootschappen de enig bestuurder en via Wiflo Holding en Extreme Tenders Holding de enig aandeelhouder. Uit het navolgende blijkt ook dat de onderneming van [geïntimeerde1] om een ‘custom made’-vaartuig te bouwen, hoewel ingericht over meerdere vennootschappen, feitelijk één geheel is. Al deze vennootschappen treden naar buiten onder dezelfde handelsnaam en zijn gevestigd op hetzelfde adres en zijn bereikbaar via hetzelfde mailadres en telefoonnummer. Naar verklaring van [geïntimeerde1] tijdens de mondelinge behandeling wordt het terrein met bedrijfsgebouwen gehuurd door Extreme Tenders Holding die dat ter beschikking stelt aan de andere vennootschappen. Deze vennootschap heeft naar zeggen van [geïntimeerde1] ook de machines en de gereedschappen van de Xtenders-onderneming in eigendom. Het personeel van de onderneming is per 1 juni 2018 overgeheveld van Extreme Tenders (verwerende partij 4.) naar Xtenders Design (verwerende partij 11.). Via Xtenders Production (verwerende partij 12.) wordt de inkoop van al het benodigde materiaal gedaan en extern personeel ingeleend. De administratie van een en ander wordt op holding-niveau gedaan, waarna periodiek – zo blijkt ook uit de door [geïntimeerde1] overgelegde rapportages van de accountant – de doorbelasting van kosten e.d. via rekening-courantverhoudingen tussen de verschillende vennootschappen plaatsvindt. Alle hier niet-benoemde vennootschappen zijn volgens [geïntimeerde1] dan de ‘special purpose vehicles’, waarbinnen conform specifieke wensen van een klant een vaartuig wordt gebouwd.\n\n5.13. \n [appellant] heeft zijn overeenkomst gesloten met ETC, die is ingezet als zo’n ‘special purpose vehicle’ oftewel een projectvennootschap. In dat verband is overeengekomen dat [appellant] in termijnen de bouw van het vaartuig voorfinanciert. Hoewel geen bankgaranties of zekerheden zijn verstrekt, is, zo staat tussen partijen vast, met deze handelwijze bedoeld [appellant] te beschermen: zijn betalingen zijn alleen bedoeld voor de bouw van het vaartuig en alles wat gebouwd wordt, is voor hem bestemd. Dit betekent dat alles wat door [appellant] wordt betaald, aan de bouw van het vaartuig moet worden besteed. Het gegeven dat ETC een projectvennootschap was met bijhorende specifieke besteding van de ter beschikking gestelde gelden, die afhankelijk waren van de voortgang van de bouw (vgl. rov. 3.6) brengt mee dat verwacht mocht worden dat ETC een projectadministratie zou voeren en dienovereenkomstig verantwoording zou kunnen afleggen.\n\n5.14. In dit geval moet worden vastgesteld dat van meet af aan anders is gehandeld dan met [appellant] is afgesproken en hij redelijkerwijs mocht verwachten. De van [appellant] ontvangen gelden zijn onmiddellijk doorbetaald aan andere vennootschappen van de Xtender-onderneming. Uit de overgelegde rapportages van de accountant blijkt dat dit is gedaan om te voorzien in de liquiditeitsbehoefte van andere onderdelen van de onderneming. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is door [geïntimeerde1] verklaard dat ETC ten behoeve van de bouw geen projectadministratie bijhield. De administratie van de gehele onderneming werd op holding-niveau gedaan, waarna achteraf via de tussen de vennootschappen bestaande rekening-courantverhoudingen gemaakte kosten e.d. werd toe- en\u002Fof afgerekend. Op basis waarvan dat plaatsvond, is niet duidelijk geworden.\n\n5.15. Immers, niet kenbaar zijn vóóraf met de andere vennootschappen van de Xtender-onderneming die bij de bouw van het vaartuig betrokken werden, afspraken gemaakt over kosten, uren en tarieven e.d. Er is ook niet kenbaar vooraf een kostprijscalculatie van de bouw van het vaartuig gemaakt. Verder is de financiële verantwoording van een en ander zoals die blijkt uit de verkorte balansen van ETC aangaande 2018 en 2019 ondoorzichtig; op de balans 2018 staat in essentie niet meer dan dat ETC (aan actiefzijde) een voorraad had van € 319.211 en (aan passiefzijde) een schuld van € 320.000. Hoe zich dit per einde 2018 verhoudt tot de voortgang van de bouw van het vaartuig (zo werd de romp van carbon op dat moment geproduceerd bij een derde) en tot de omvang van wat [appellant] al had aanbetaald, is onduidelijk gebleven. Uit de balans 2018 blijkt verder dat ETC voorafgaand aan het sluiten met de overeenkomst met [appellant] op 18 maart 2018 een schuld\u002Fnegatief eigen vermogen had van € 13.285. Hoe zich dit verhoudt met de met [appellant] overeengekomen bescherming van alles wat hij zou aanbetalen zoals hiervoor in rov. 5.13 is uiteengezet, is niet door [geïntimeerde1] uitgelegd.\n\n5.16. Het voorgaande verklaart waarom de besteding van de door [appellant] aanbetaalde bedragen niet helder is geworden en dat [geïntimeerde1] (ook) daarover tegenstrijdige stellingen heeft ingenomen. In eerste instantie heeft [geïntimeerde1] met beroep op een op 10 februari 2021 opgestelde proef- en saldibalans betoogd dat (zeker) € 680.990,50 is besteed aan de bouw van het vaartuig, waarna de door hem ingeschakelde accountant heeft gesteld, na onder meer toerekening van uren en kosten – al dan niet op basis van schatting, dat uitgegaan moet worden van € 576.989 in totaal. In dat bedrag zijn begrepen, zo is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep bevestigd, ook alle uren die volgens [geïntimeerde1] zijn besteed ter wijziging van het ontwerp nadat de overeenkomst met [appellant] was opgesteld. Over die extra uren is [geïntimeerde1] verder weinig helder geweest; eerst is gesteld dat die uren een waarde hadden van tenminste de omvang van de koopsom van € 139.128 voor de romp en de twee motoren, terwijl in zijn memorie van antwoord die extra kosten op € 113.000 worden gesteld. Volgens [geïntimeerde1] gaven die extra kosten\u002Furen hem het recht om bedoelde koopsom te verrekenen in plaats van feitelijk aan ETC te betalen. Volgens de opgaaf van zijn eigen accountant dekten de aanbetalingen van [appellant] van € 600.000 in totaal echter alles al wat aan materiaal, inkoop en uren was besteed aan de bouw van het vaartuig. Hierop komt het hof hierna in rov. 5.19 nog terug. Hoe dan ook zijn de stellingen over wat is besteed aan de bouw van het vaartuig, zo al niet tegenstrijdig, niet sluitend.\n\n5.17. Het onmiddellijk doorbetalen van de van [appellant] ontvangen bedragen maakt – naast de kennelijk ongestructureerde bouw van het vaartuig – in voldoende mate aannemelijk dat daardoor ook onmiddellijk vertraging in de voortgang van de bouw ontstond. Daardoor was van meet af aan voorzienbaar dat ETC niet op het afgesproken moment zou kunnen leveren. [geïntimeerde1] had er dus al vanaf de eerste doorbetaling serieus rekening mee moeten houden dat [appellant] de vertraging in de levering van het vaartuig niet zou accepteren en conform wat daarover in de overeenkomst was afgesproken, de overeenkomst zou ontbinden.\n\n5.18. Anders dan [geïntimeerde1] aanvoert, is de vertraging niet in relevante mate terug te voeren op door hem gestelde en door [appellant] bestreden (substantiële) wijzigingen in het ontwerp van het vaartuig. Allereerst geldt dat in het vonnis van 23 oktober 2020, dat ook op dit aspect het hof tot uitgangspunt dient, is beslist dat ETC nog in mails van 8 en 18 mei 2028 heeft bevestigd dat op 19 maart 2018 zou worden geleverd (rov. 19) en dat als onvoldoende onderbouwd moet worden voorbijgegaan aan de stelling van ETC dat partijen mondeling zijn overeengekomen dat de levering tot juli 2019 werd uitgesteld (rov. 21). Verder is in dat vonnis vastgesteld dat gesteld noch gebleken is dat ETC naar aanleiding van gestelde wijzigingen in het ontwerp [appellant] (schriftelijk) erop heeft gewezen dat de overeengekomen leverdatum hierdoor zou worden vertraagd en evenmin dat ETC voor de gestelde wijzigingen aan [appellant] extra kosten in rekening heeft gebracht en dat [appellant] in dat verband onbetwist heeft gesteld dat, in het geval ETC naar aanleiding van een verzochte wijziging heeft gezegd dat die wijziging tot extra kosten leidde, hij daarvan heeft afgezien (rov. 32). Het hof heeft, gezien het voorgaande, geen reden om in de aansprakelijkheidsprocedure tegen [geïntimeerde1] van iets anders uit te gaan. Het hof voegt daaraan nog toe dat uit de overeenkomst zelf volgt dat ná het sluiten daarvan per 18 maart 2018 nog ontwerpwerk verricht zou worden. In het in artikel A-7 van de overeenkomst opgenomen betaalschema is immers bepaald dat de tweede termijn van 10% van de koopsom ofwel € 80.000 moet worden betaald bij ‘acceptance final design’. Dat de wijzigingen in – en daarmee het finaliseren van – het ontwerp meer hebben omvat dan waarvan ten tijde van het sluiten van de overeenkomst werd uitgegaan, is onvoldoende toegelicht. Daaraan gaat het hof dan ook voorbij.\n\n5.19. Ten tijde van de ontbindingsverklaring door [appellant] per 1 mei 2019 behoorden in ieder geval de onafgebouwde, inmiddels wel gespoten romp van het vaartuig (met dekplaat, zwemplatform, achterbankdelen en console) en de twee daarvoor aangeschafte motoren tot het vermogen van ETC, zoals beschreven in het taxatierapport van [naam1] van 5 september 2019. De waarde van een en ander is daarbij getaxeerd op € 95.000 excl. btw voor de romp met componenten en € 44.128 excl. btw voor de zich nog in de originele verpakking bevindende motoren, in totaal € 139.128. Van welk waardebegrip daarbij is uitgegaan, blijkt niet uit het rapport, maar evident is dat een en ander voor [geïntimeerde1] als kort gezegd bouwer van tenders een grotere waarde had dan voor een willekeurige derde. Voor alleen al de productie van de carbon romp en het zwemplatform is door de Zweedse leverancier Marstrom € 180.000 en € 20.000 berekend, terwijl de leverancier voor de motoren kort voordien € 51.486 excl. btw heeft gefactureerd. [geïntimeerde1] heeft genoemde zaken door een andere vennootschap (Xtenders Production) van zijn eenpersoonssconcern laten overnemen voor de hiervoor genoemde lagere taxatiewaarde, en het vaartuig afgebouwd. [geïntimeerde1] heeft geen inzicht gegeven in die verdere afbouw, daaronder begrepen de verdere kosten daarvan en de uiteindelijke daarmee gerealiseerde opbrengst. Gelet op de voor Xtenders Production gehanteerde koopsom moet het er echter voor gehouden worden dat [geïntimeerde1] met deze transactie een aanzienlijke besparing op de bouwkosten van die andere tender heeft gerealiseerd, die hij anders – dus als [appellant] niet om reden van het tekortschieten van ETC de overeenkomst had ontbonden – niet had gerealiseerd. Het laten toevallen van dat voordeel aan een andere vennootschap van zijn onderneming in plaats van aan [appellant] aan wie hij – via ETC – had terug te betalen, maakt dat ook deze handelwijze verwijtbaar onzorgvuldig is geweest tegenover [appellant] . Daarbij komt dat [geïntimeerde1] de tot uitgangspunt genomen koopsom van € 139.128 niet aan ETC heeft betaald maar met een beroep op een tegenvordering door Xtenders Production heeft doen behouden. Die tegenvordering is echter gefingeerd. In rov. 5.16 is immers al vastgesteld dat [appellant] al meer ter voorfinanciering had aanbetaald dan wat door de accountant van [geïntimeerde1] aan kosten van materiaal, inkoop en bestede uren aan de bouw van het vaartuig is toegerekend, zodat geen tegenvordering bestond, nog daargelaten de wisselende bedragen die daarvoor zijn gesteld. Daarbij komt dat ETC een eventuele vergoeding voor meer bestede uren aan design en engineering in beginsel verschuldigd zou zijn aan Xtenders Design omdat naar [geïntimeerde1] zelf heeft verklaard zijn personeel in dienst is bij die vennootschap. Dat Xtenders Production dan toch daarvoor een vordering zou hebben, is van iedere uitleg verstoken gebleven. Een en ander kan naar het oordeel van het hof geen andere conclusie dragen dan dat [geïntimeerde1] welbewust zijn eigen belang voorop heeft gesteld door een andere vennootschap van hem te bevoordelen en ETC ten koste van [appellant] te ontdoen van voor verhaal vatbare goederen en\u002Fof middelen. [geïntimeerde1] heeft ook in dat opzicht hoogst onzorgvuldig en verwijtbaar gehandeld.\n\n5.20. In de gegeven omstandigheden wist [geïntimeerde1] al onmiddellijk na de ontvangst van de (eerste) betaling(en) van [appellant] , dan wel moest hij begrijpen, dat bij een ontbinding van de overeenkomst ETC een verplichting tot terugbetaling van alles wat [appellant] ter voorfinanciering van de bouw van het vaartuig ter beschikking had gesteld, niet zou kunnen nakomen en daarvoor geen verhaal zou bieden. Ook na de ontbindingsverklaring heeft [geïntimeerde1] hoogst onzorgvuldig gehandeld door ETC te ontdoen van haar laatste vermogensbestanddelen en door te handelen zoals hierna wordt omschreven in rov. 5.37 met betrekking tot frustratie van verhaal op hem persoonlijk. [geïntimeerde1] kan daarom in zijn hoedanigheid van bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt worden gemaakt. Hij heeft geen feiten aangevoerd die – indien bewezen – alsnog kunnen leiden tot het oordeel dat het aan hem te maken verwijt niet voldoende ernstig is. [geïntimeerde1] heeft aldus ernstig verwijtbaar onrechtmatig tegenover [appellant] gehandeld en is aansprakelijk voor de schade die [appellant] daardoor heeft geleden.\n\nRelativiteit\u002Fcausaal verband\u002Fschade\n\n5.21. Wat betreft de schade die [appellant] heeft geleden die aan [geïntimeerde1] moet worden toegerekend, geldt het volgende. De norm die door [geïntimeerde1] is geschonden, strekte bij uitstek tot bescherming van de (financiële) belangen van [appellant] . Doordat de voor de bouw van [appellant] ’s vaartuig betaalde bedragen onmiddellijk zijn doorgeleid naar andere vennootschappen om te voorzien in hun liquiditeitsbehoefte, konden die bedragen niet, zoals afgesproken, worden aangewend voor die bouw, zodat vertraging daarin voorzienbaar was en daarmee het niet halen van de afgesproken leverdatum en bijgevolg een ontbinding van de overeenkomst met een daaruit volgende verplichting tot terugbetaling. Daarmee is voldaan aan het zogeheten relativiteitsvereiste van artikel 6:163 BW.\n\n5.22. Het hof verwerpt verder het verweer van [geïntimeerde1] dat geen causaal verband bestaat tussen zijn onrechtmatig handelen en de door [appellant] gestelde schade. Als het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde1] niet zou hebben plaatsgevonden, zou de bouw van het vaartuig niet zijn vertraagd en had ETC het vaartuig op de afgesproken leverdatum kunnen leveren. [appellant] zou daardoor niet de ontbinding van de overeenkomst hebben kunnen inroepen en dus was dan geen terugbetalingsverplichting ontstaan. Daarmee is het causaal verband aanwezig. [geïntimeerde1] heeft ook geen zodanige feiten of omstandigheden gesteld die dit causale verband zouden doorbreken.\n\n5.23. Doordat ETC – op € 1.026 na – alle van [appellant] ontvangen bedragen onmiddellijk heeft doorbetaald aan andere vennootschappen van de eenpersoons-onderneming van [geïntimeerde1] en [geïntimeerde1] ETC – na de op goede grond ingeroepen ontbinding van de overeenkomst – de romp van het vaartuig, de twee motoren en de overige onderdelen heeft laten overdragen aan een zustervennootschap, onder verrekening van de bepaalde koopsom met, zoals hiervoor is vastgesteld, een fictieve tegenvordering, was daarmee gegeven dat ETC haar verplichting tot terugbetaling van alles wat ter voorfinanciering door [appellant] was betaald (zie rov. 3.7 en 3.8) niet kon nakomen. Dat uitblijvende bedrag is daarmee de omvang van de door [appellant] geleden schade.\n\nEigen schuld\n\n5.24. \n [geïntimeerden] beroepen zich op ‘eigen schuld’ (in de zin artikel 6:101 BW) van [appellant] , kennelijk met als doel dat de schade van [appellant] voor zijn eigen rekening moet worden gelaten. Op [geïntimeerden] rusten de stelplicht en de bewijslast van de feiten die zo’n beroep kunnen dragen.\n\n5.25. \n [geïntimeerden] beroepen zich daartoe op het niet door [appellant] accepteren van een volwaardig en redelijk alternatief voor de te late levering van het vaartuig in de vorm van een leen van een andere tender voor de zomer van 2019. Volgens [geïntimeerden] heeft [appellant] zelf schuld aan het intreden van zijn schade en heeft hij daarmee bovendien zijn plicht geschonden om zijn schade te beperken.\n\n5.26. [geïntimeerden] miskennen hiermee dat in het vonnis in de procedure tegen ETC onherroepelijk is vastgesteld dat [appellant] het recht had om de ontbinding van de overeenkomst met ETC in te roepen en dat [appellant] redelijkerwijs niet valt te verwijten dat hij niet alsnog is ingegaan op een aanbod tot tijdelijke bruikleen van een ander vaartuig (rov. 38. e.v.). Belangrijker is nog dat het hier gaat om een vanaf begin af aan ten onrechte negeren van de ter bescherming van [appellant] overeengekomen constructie om de bouw van het vaartuig onder te brengen in ETC als een ‘special purpose vehicle’. Van dat negeren is [geïntimeerde1] persoonlijk een ernstig verwijt te maken. Ook bij een aanbod als gesteld, had [geïntimeerde1] , zoals hiervoor is vastgesteld, niet mogen handelen zoals hij heeft gedaan, waarbij niet valt in te zien hoe [appellant] een verwijt van dát handelen valt te maken. Daarmee faalt het beroep op eigen schuld van [appellant] .\n\n5.27. Voor zover [geïntimeerden] met dit verweer ook het oog hebben op de omstandigheid dat [appellant] bij het aangaan van de overeenkomst met een daaruit volgende verplichting tot voorfinanciering van de bouw van het vaartuig, geen zekerheden heeft bedongen, faalt dat eveneens. [appellant] mocht immers verwachten dat ETC de aanbetaalde bedragen alleen zou gebruiken voor de bouw van het vaartuig. Hij mocht verder verwachten dat [geïntimeerde1] bij zijn onmiddellijk negeren van de overeengekomen specifieke besteding van de aanbetalingen ernstig rekening zou houden met het mogelijk ontstaan van vertraging in de bouw van het vaartuig met als gevolg een ingeroepen ontbinding en het ontstaan van een terugbetalings-verplichting. Dat [appellant] geen zekerheden voor terugbetaling heeft verkregen, doet daarom niets af van wat hij mocht verwachten en wat van [geïntimeerde1] mocht worden gevergd.\n\nBillijkheidscorrectie\n\n5.28. Daar waar geen eigen schuld van [appellant] kan worden aangenomen als bedoeld in artikel 6:101 BW en dus geen vergoedingsplicht wordt verminderd ofwel schade wordt verdeeld tussen [geïntimeerden] en [appellant] , bestaat er evenmin ruimte voor een billijkheidscorrectie op een verdeling van die schade. Ook dat beroep van [geïntimeerden] . faalt.\n\nMatiging\n\n5.29. Wat betreft het beroep van [geïntimeerden] op matiging van de schadevergoeding, geldt dat niet is onderbouwd dat zij hun vermogen zullen kwijtraken en zij hun zakelijke activiteiten zullen hebben te beëindigen bij toewijzing van de gevorderde schadevergoeding. De omstandigheid dat [appellant] vermogend is, acht het hof geen zelfstandige grond voor matiging. Het gevorderde bedrag komt het hof in de gegeven omstandigheden niet bovenmatig of onevenredig voor, in welk verband geldt dat het niet aannemelijk is (geworden) dat er oorzaken zijn voor de non-betaling door ETC die buiten de invloedsfeer van [geïntimeerde1] liggen. Het is wel aannemelijk dat de non-betaling is veroorzaakt door het handelen van [geïntimeerde1] als hiervoor is vastgesteld. Een en ander leidt ertoe dat het beroep op matiging van de schadevergoeding faalt.\n\nGroepsaansprakelijkheid\n\n5.30. \n [appellant] heeft aangevoerd dat naast [geïntimeerde1] ook Wiflo (als grootmoeder-vennootschap), Extreme Tenders Holding (als moedervennootschap) en de sub 4. tot en met 15. genoemde entiteiten als zustervennootschappen aansprakelijk zijn voor de door [appellant] geleden schade. In de kern voert [appellant] daartoe onder meer aan dat die vennootschappen hebben meegewerkt aan het onttrekken van alle middelen aan ETC.\n\n5.31. In de rechtspraak is aanvaarddat aansprakelijkheid bestaat voor schade die het gevolg is van in groepsverband verrichte handelingen. Daarvoor bestaat grond als de aangesproken groepsleden zich bewust moeten zijn geweest van de kans op schade als gevolg van het onrechtmatige groepsoptreden, wat hen van verdere deelname daaraan had moeten weerhouden. In dit verband is relevant dat wetenschap van een bestuurder van een rechtspersoon in beginsel wordt toegerekend aan die vennootschap.Voor handelingen van een bestuurder is dit niet anders.\n\n5.32. Zoals hiervoor in rov. 5.12 is vastgesteld, handelt [geïntimeerden] met zijn groep vennootschappen als een eenpersoonsconcern. In dat verband zijn door of op instructie van [geïntimeerde1] de door ETC ontvangen bedragen overgeheveld aan Extreme Tenders Holding en Extreme Tenders; dat gebeurde om te voorzien in de liquiditeitsbehoefte van die en andere vennootschappen van dat eenpersoonsconcern. Die vennootschappen profiteerden daarmee van voormelde schending van de aan [appellant] toegezegde bescherming. Hetzelfde geldt voor de overdracht van de romp van het vaartuig, de motoren en diverse onderdelen, aan Xtenders Production en de daaropvolgende doorlevering van een en ander (al dan niet in (geheel of gedeeltelijk) afgebouwde staat aan Xtenders Yard. Deze ook door [geïntimeerde1] geleide vennootschappen hebben geprofiteerd van het gegeven dat de romp en de motoren met diverse onderdelen tegen een lagere waarde zijn overgedragen dan zij ten behoeve van ETC zijn geproduceerd of ingekocht, waarbij de koopsom daarvoor niet feitelijk is betaald aan ETC maar is verrekend met een niet-bestaande tegenvordering. Ook op die wijze heeft [geïntimeerde1] met de niet anders dan als instrumenteel aan te merken inzet van Xtenders Production en Xtenders Yard, geprofiteerd van de ontstane situatie ter zake waarvan hem, zoals vastgesteld, een ernstig persoonlijk verwijt treft. Ook op die wijze is sprake geweest van een gezamenlijk optreden van genoemde vennootschappen via steeds [geïntimeerde1] , wier kennis en handelen aan hen moet worden toegerekend, dat heeft geresulteerd in het ontstaan en blijven voortbestaan van schade bij [appellant] .\n\n5.33. Met een en ander is er voldoende grond om ook de vennootschappen Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 3., 4., 7. en 12.) aansprakelijk te houden voor de bij [appellant] veroorzaakte schade.\n\n5.34. Behoudens ten aanzien van grootmoedervennootschap Wiflo Holding heeft [appellant] geen steekhoudende reden aangevoerd om de andere zustervennootschappen (verwerende partijen 5., 6., 8 t\u002Fm 11., 13. t\u002Fm 15.) aansprakelijk te houden voor voormelde schade. Gesteld noch gebleken is dat die vennootschappen in enig opzicht hebben geprofiteerd en\u002Fof instrumenteel zijn ingezet als hiervoor is beschreven. In zoverre is de tegen hen gerichte vordering niet toewijsbaar en faalt het hoger beroep van [appellant] .\n\n5.35. Voor zover [appellant] zich richt tegen Wiflo Holding in verband met de onttrekking aan ETC van de door hem ontvangen gelden en\u002Fof van de romp van het vaartuig, de motoren en andere onderdelen, is dat vergeefs. Gesteld noch gebleken is dat deze vennootschap door toedoen van [geïntimeerde1] daarvan heeft geprofiteerd en\u002Fof daarvoor instrumenteel is ingezet.\n\n5.36. Voor zover [appellant] Wiflo Holding aansprakelijk houdt vanwege een schending van een bijzondere zorgplicht, erin bestaande dat zij gehouden was nieuwe opdrachten onder te brengen in ETC en\u002Fof ETC aanvullend had moeten financieren en\u002Fof ten behoeve van ETC kredietruimte had moeten benutten, kan hij daarin niet worden gevolgd. Wiflo Holding is immers (via Extreme Tenders Holding) alleen aandeelhouder en niet ook bestuurder van ETC. Gesteld noch gebleken is dat Wiflo Holding betrokken of ingezet is geweest bij de aan [geïntimeerde1] te verwijten handelwijze, daaronder begrepen de met [appellant] overgekomen inzet van ETC als hem te beschermen ‘special purpose vehicle’. Zonder bijkomende omstandigheden is dan het enkele feit dat Wiflo Holding concernleiding moet worden toegedicht onvoldoende om het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde1] ook aan haar toe te rekenen. Daarnaast blijkt uit niets dat Wiflo Holding tegenover [appellant] instond voor kredietwaardigheid van ETC en\u002Fof voor terugbetaling van wat ETC eventueel aan hem verschuldigd zou worden. Ook zo bezien is er geen reden om Wiflo Holding (mede) aansprakelijk te houden voor de omstandigheid dat ETC – door verwijtbaar toedoen van [geïntimeerde1] – niet in staat is [appellant] terug te betalen.\n\n5.37. \n\nDat [geïntimeerde1] in verband met het in rov. 3.18 bedoelde conservatoir beslag een hypothecaire vordering van Wiflo Holding op hem, heeft overgedragen aan de oorspronkelijke geldschieter en die vordering, en daarmee ook de hypothecaire zekerheid met terugwerkende kracht uit het vermogen (van de vennootschap) van [geïntimeerde1] verdween – waarvoor [geïntimeerde1] inmiddels wegens valsheid in geschrift en onttrekken aan beslag strafrechtelijk is veroordeeld – moet Wiflo Holding wel worden aangerekend. De strafkamer van de rechtbank van Midden-Nederland heeft in dat verband in een vonnis van 14 november 2025 ( [parketnummer] )overwogen, waarbij voor verdachte [geïntimeerde1] moet worden gelezen:\n\n“De vordering van Wiflo op de verdachte was een vordering binnen het vermogen van de verdachte omdat hijzelf aandeelhouder\u002Fbestuurder van Wiflo was. Doordat aangever beslag had gelegd op het woonhuis ten laste van de verdachte en beslag op vorderingen van Wiflo op de verdachte bestond de kans dat de aangever bij winst van de civiele procedures tegen de verdachte en zijn vennootschappen, verhaal zou kunnen nemen op de woning van de verdachte. Door inschrijving van de akte van cessie later diezelfde dag, werd ervoor gezorgd dat de vordering van Wiflo op de verdachte met terugwerkende kracht tot 00.00 uur uit het vermogen van de verdachte verdween, en overging naar CRD; en dat ook de hypothecaire rechten met terugwerkende kracht tot 00.00 uur uit het vermogen van de (vennootschappen\n\nvan de) verdachte verdwenen. Beslag op de woning van de verdachte kwam toen dus na het recht van hypotheek, dat zich niet meer in het vermogen van de verdachte bevond.\n\nIn de akte van cessie van 3 juli 2020 staat dat al op 18 april 2019 zou zijn afgesproken om de lening van Wiflo aan CRD te cederen. Dat gelooft de rechtbank niet. Dat staat niet in de driepartijen-lening-overeenkomst, terwijl daarin wel een zogenaamde ‘entire agreement clause’ is opgenomen. Kortom: wat er niet staat, is niet afgesproken. Dat het niet was afgesproken wordt ook ondersteund door de hypothecaire inschrijving in december 2019 ten gunste van Wiflo en de verlenging van de driepartijen-overeenkomst in december 2019. Dat is allemaal totaal onlogisch als al in april 2018, althans uiterlijk in september 2019 cessie van de lening en de hypotheek zou zijn overeengekomen en met de notaris zou zijn gecommuniceerd.\n\nDe gang van zaken op 3 juli 2020 en de tekst van de akte van cessie van 3 juli 2020 vallen niet anders uit te leggen dan dat de notaris opdracht kreeg van de verdachte om het nodige te doen om de lening van Wiflo aan de verdachte en de rechten van hypotheek op de woning van de verdachte aan het beslag te onttrekken. De verdachte heeft daarbij minst genomen voorwaardelijk opzet gehad op het valselijk opmaken van de akte cessie en inschrijving daarvan.\n\nDe verklaring van de verdachte dat hij de notaris geen opdracht zou hebben gegeven en dat hij alleen heeft gebeld om te vragen wat hij in de verklaring derdenbeslag moest opnemen, gelooft de rechtbank niet. (…)”\n\nHet hof heeft, gelet op wat door partijen is aangevoerd, geen reden om er anders over te denken. Dit betekent dat als [geïntimeerde1] (als enig aandeelhouder en bestuurder van Wiflo Holding) die overdracht had nagelaten, [appellant] in dit verband een verhaalsmogelijkheid had gehad. Door (ook) deze verhaalsmogelijkheid te frustreren en Wiflo Holding daarvoor in te zetten, heeft [geïntimeerde1] ook in dat opzicht onzorgvuldig gehandeld. Er is, kortom, sprake van samenwerkende oorzakenvoor de onmogelijkheid bij [appellant] om verhaal te nemen. Een en ander leidt ertoe dat, omdat kennis en handelen van [geïntimeerde1] aan Wiflo Holding wordt toegerekend, ook Wiflo Holding aansprakelijk is.\n\n5.38. Gezien het voorgaande is de vordering van [appellant] ook tegen Wiflo Holding toewijsbaar en slaagt zijn hoger beroep.\n\nWettelijke rente\n\n5.39. De rechtbank heeft de door [appellant] gevorderde wettelijke rente toegewezen met ingang van de dag der dagvaarding van 7 augustus 2020. [appellant] heeft daartegen bezwaar gemaakt en gesteld dat de wettelijke rente verschuldigd is vanaf de data dat ETC de van [appellant] ontvangen bedragen heeft doorbetaald, dan wel vanaf het moment van ontbinding van de koop\u002Faanneemovereenkomst per vanaf 1 mei 2019.\n\n5.40. Het hof zal de wettelijke rente toewijzen vanaf 1 mei 2019. Hoewel het onrechtmatig handelen zich eerder heeft voorgedaan, is de schade daardoor pas ontstaan op het moment dat [appellant] – terecht, zoals onherroepelijk is vastgesteld – de overeenkomst met ETC ontbond en vergeefs aanspraak maakte op terugbetaling van wat hij had aanbetaald.\n\nBeslag- en executiekosten\n\n5.41. De rechtbank heeft aan beslagkosten € 5.790,37, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2020, aan [appellant] toegewezen. Dit gaat om kosten die [appellant] heeft gemaakt ter verzekering van zijn vordering op [geïntimeerden] In de formulering van zijn vordering aan het slot van zijn memorie van grieven komt deze vergoeding niet meer voor, maar het hof neemt aan dat dit op een vergissing berust. In die memorie zijn immers geen aanknopingspunten te vinden voor een aanname dat [appellant] geen aanspraak meer maakt of wil maken op deze vergoeding. Integendeel, [appellant] vordert in hoger beroep als vermeerdering van eis (ook) de vergoeding van de in de procedure tegen ETC gemaakte beslag- en proceskosten. Uit de memorie van antwoord is niet af te leiden dat [geïntimeerden] ervan uit zijn gegaan dat [appellant] zijn aanspraak op vergoeding van die kosten heeft laten varen. Tegen de toewijzing van deze kosten is door [geïntimeerden] ook geen afzonderlijk bezwaar gericht. Met deze post zal het hof dan ook rekening houden.\n\n5.42. \n [appellant] heeft in hoger beroep bij wege van vermeerdering van eis een vergoeding gevorderd voor de in de procedure tegen ETC toegewezen beslag- en proceskosten (inclusief nakosten) van € 7.297,97 in totaal. [geïntimeerden] hebben deze vordering in hun memorie van antwoord niet besproken en daarmee niet bestreden. Deze vordering zal dan ook worden toegewezen, daaronder begrepen de vanaf 4 juni 2019 over de beslagkosten van € 1.104,46 gevorderde wettelijke rente.\n\nHoofdelijke aansprakelijkheid\n\n5.43. Naar het oordeel van het hof zijn [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) ieder hoofdelijk voor het geheel aansprakelijk voor het aan [appellant] verschuldigde bedrag. Deze (hoofdelijke) aansprakelijkheid is gebaseerd op het volgende. [geïntimeerde1] is aansprakelijk op grond van artikel 6:162 BW wegens onrechtmatig handelen zoals hiervoor omschreven (zie rov. 5.20). Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production hebben dit onrechtmatig handelen mede mogelijk gemaakt. Het hof kwalificeert hun handelen zoals beschreven in rov. 5.32, 5.33 en 5.37 als een bijdrage in de zin van artikel 6:166 BW (groepsaansprake-lijkheid). Zij zijn daarom op die grond aansprakelijk. Omdat het gaat om dezelfde schade worden zij daarom hoofdelijk veroordeeld.\n\nGeen bewijslevering\n\n5.44. \n [geïntimeerden] hebben nog bewijs aangeboden van hun stellingen. Voor zover dat ziet op het alsnog overleggen van stukken uit de administratie van de Xtenders-groep of het (laten) geven van toelichting daarop, wordt dat gepasseerd omdat [geïntimeerden] dat al eerder hadden kunnen en moeten doen. Dat aanbod wordt voor het overige gepasseerd. Enerzijds omdat die stellingen (m.b.t. tot wat aan het vaartuig is besteed en de getaxeerde waarde van de romp van het vaartuig en de motoren) al wegens een onvoldoende gemotiveerde betwisting zijn komen vast te staan. Anderzijds omdat die stellingen (m.b.t. de onbereidwilligheid van een kredietverschaffer om andere afspraken te maken of een aanvullend krediet te verlenen en\u002Fof de bereidheid van andere klanten om aanvullende kosten te betalen of een alternatief te accepteren bij vertraging van de bouw) niet relevant zijn voor de beoordeling.\n\nAndere gronden en verweren\n\n5.45. Wat partijen voor het overige hebben aangevoerd, kan gelet op het voorgaande onbesproken blijven.\n\nDe conclusie\n\n5.46. Het hoger beroep van [appellant] slaagt (deels) wel en dat van [geïntimeerden] niet. De vordering tot volledige vergoeding van de schade wordt toegewezen tegen [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) en afgewezen voor zover het de andere verwerende partijen betreft.5.47. Omdat in hoger beroep meer partijen worden veroordeeld om aan [appellant] een hoger bedrag aan schadevergoeding te betalen, zal voor alle duidelijkheid het bestreden vonnis in haar geheel worden vernietigd en zal het hof zijn beslissing daarvoor in de plaats stellen. Voor zich spreekt dat voor zover aan het bestreden vonnis is voldaan, niet opnieuw hoeft te worden betaald.\n\n5.48. Omdat [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) in het ongelijk worden gesteld, zal het hof hen tot betaling van de proceskosten veroordelen, zowel in die van beide hoger beroepen als in die bij de rechtbank. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.\n\n5.49. Omdat gesteld noch gebleken is dat de andere verwerende partijen meer of andere proceskosten hebben gemaakt dan die partijen waartegen de vordering van [appellant] wordt toegewezen, zal een veroordeling van [appellant] in de proceskosten van die andere verwerende partijen achterwege worden gelaten.\n\n5.50. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\n6.1. vernietigt het vonnis van de rechtbank in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad, van 11 oktober 2023 en beslist opnieuw als volgt:\n\n6.2. veroordeelt [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) hoofdelijk tot betaling van:\n\n€ 600.000, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2019 tot de dag van betaling;\n\n€ 5.790,37, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2020 tot de dag van betaling;\n\n€ 7.297,97, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.104,46 vanaf 4 juni 2019 tot de dag van betaling;\n\n6.3. veroordeelt [geïntimeerde1] , Wiflo Holding, Extreme Tenders Holding, Extreme Tenders, Xtenders Yard en Xtenders Production (verwerende partijen 1. tot en met 4., 7. en 12.) hoofdelijk tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] tot aan de uitspraak van de rechtbank:\n\n€ 1.639,- aan griffierecht\n\n€ 83,38 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding\n\n€ 15.358,50 aan salaris van de advocaat van [appellant] (4,5 procespunten × tarief VII à € 3.413)\n\nen tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] in hoger beroep:\n\n€ 2.053 aan griffierecht\n\n€ 112,37 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding\n\n€ 12.880 aan salaris van de advocaat van [appellant] (2,5 procespunten × appeltarief VII à € 5.152)\n\n6.4. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n6.5. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.6. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. W.F Boele, M. Aksu en M.L. Lennarts, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op\n\n30 juni 2026.\n\n Niet gepubliceerd.\n\n Niet gepubliceerd.\n\n Verordening (EU) nr. 1215\u002F2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351\u002F1 (Verordening Brussel I-bis).\n\n Conform artikel 14 van de Verordening (EG) nr. 864\u002F2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (Rome II).\n\n Vgl. HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger\u002F [naam2] ).\n\n Vgl. HR 18 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4873 (New Holland).\n\n Zie HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627 (RCI) en HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628 (Hezemans Air).\n\n HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521, laatstelijk geduid in genoemd arrest van 5 september 2014.\n\n HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger\u002F [naam2] ) en vergelijk laatstelijk de conclusie van de AG van 28 november 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:1304).\n\n HR 10 juni 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1393 ( [naam3] \u002F [naam4] ).\n\n Vgl. HR 6 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:2914 (TVM).\n\n HR 11 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1413 (HDI\u002FTreston).\n\n HR 6 april 1979, NJ 1980\u002F34( [naam5] ), bevestigd in HR 11 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7344 (P&F Project Furniture).\n\n Vgl. HR 11 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4033 (Comsys).\n\n Niet gepubliceerd.\n\n Vgl. HR 24 december 1999, NJ 2000, 351.\n\nHR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4226","ecli-nl-gharl-2026-4226",{"courtName":6,"legalDomain":49,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":80,"ecli":81,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":44,"fullText":82,"language":7,"source":17,"sourceUrl":83,"summary":14,"slug":84,"metadata":85},"1125","ECLI:NL:GHARL:2026:4230","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht, handel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.356.860\u002F01\n\n(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 10929498)\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellante] ,\n\ndie woont in [woonplaats1] ,\n\ndie hoger beroep heeft ingesteld,\n\nhierna: de vrouw,\n\nadvocaat: mr. I. Mercanoglu, die kantoor houdt te Almelo,\n\ntegen\n\n [geïntimeerde],\n\ndie woont in [woonplaats2] ,\n\ndie ook hoger beroep heeft ingesteld,\n\nhierna: de man,\n\nadvocaat: mr. A. Harmanci, die kantoor houdt te Amsterdam.\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\nNaar aanleiding van het arrest van 28 oktober 2025 heeft op 28 mei 2026 een enkelvoudige mondelinge behandeling plaatsgevonden ten overstaan van een raadsheer-commissaris. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Van de mondelinge behandeling is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.2. De kern van de zaak\n\n Het gaat in deze zaak om de vraag of de man gehouden is tot afgifte van een bruidsgave van 100 gram goud aan de vrouw. Het hof zal beslissen dat de man daartoe niet gehouden is, omdat aan de afspraak van partijen over de bruidsgave (‘mehir’) geen rechtsgevolg toekomt. Deze beslissing wordt hierna toegelicht.3. De feiten3.1. Beide partijen hebben zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit.3.2. Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad. [in] 2023 hebben zij tegenover de imam een religieuze (huwelijks)ceremonie gehouden in [plaats1] en hebben zij een akte ondertekend met als titel ‘Nikah akti’. De man heeft in de procedure een versie (met vertaling) van de ‘Nikah akti’ overgelegd, die afwijkt van de versie (met vertaling) die de vrouw heeft overgelegd, in die zin dat daaraan op de regel die over de ‘mehir’gaat, het woord‘verilmiştir’is toegevoegd.3.3. Van 29 april 2023 tot en met 16 juli 2023 hebben partijen samengewoond. De vrouw is op 17 juli 2023 ingetrokken bij haar moeder en woont daar nog steeds.3.4. Op 18 augustus 2023 heeft de advocaat van de vrouw de man aangeschreven over de vermogensrechtelijke afwikkeling van de samenwoning tussen partijen. Aan de man is onder meer verzocht om 100 gram goud aan de vrouw af te geven. De man heeft daaraan geen gehoor gegeven.4. De vorderingen4.1. De vrouw heeft bij de rechtbank, voor zover van belang, in conventie gevorderd om de man te veroordelen om haar 100 gram goud te geven ten overstaan van een juwelier naar keuze van de vrouw in [plaats2] .4.2. De man heeft daartegen verweer gevoerd.4.3. In het bestreden vonnis van 14 mei 2025 heeft de rechtbank, voor zover van belang, de vorderingen van de vrouw afgewezen en de proceskosten in conventie tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.4.4. De vrouw heeft in hoger beroep vier grieven naar voren gebracht tegen het bestreden vonnis, die ertoe moeten leiden dat haar vordering in conventie alsnog wordt toegewezen, waarbij (zo nodig) een deskundigenonderzoek wordt gelast naar de echtheid van het woord ‘verilmiştir’ in de door de man overgelegde huwelijksakte en waarbij de partij, die door het hof in het ongelijk wordt gesteld, wordt veroordeeld in de kosten van de procedure in beide instanties, inclusief de kosten van het deskundigenbericht, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest en – bij gebreke van tijdige betaling – te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.4.5. De man heeft hiertegen verweer gevoerd en gevorderd om het hoger beroep van de vrouw ongegrond te verklaren en al haar eisen af te wijzen. De man heeft op zijn beurt incidenteel hoger beroep ingesteld en gevorderd om de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties.5. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nDe rechtsmacht5.1. De zaak heeft een internationaal karakter. Daarom moet worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is om te oordelen over de vordering. Hierbij zal het hof uitgaan van de kwalificatie van de in de ‘nikah akti’ overeengekomen ‘mehir’ als een rechtsverhoudingsui generis. Dit brengt mee dat de door het hof toe te passen regels van internationaal privaatrecht op de vordering tot afgifte van een bruidsgave van 100 gram goud niet voortvloeien uit een verdrag of verordening, maar uit het commune Nederlandse internationaal privaatrecht.5.2. \n\nDe vordering van de vrouw om de man te veroordelen tot afgifte van de in de ‘nikah akti’ overeengekomen ‘mehir’ betreft een zelfstandige dagvaardingsprocedure. Op grond van artikel 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om hierover te oordelen, omdat de man als de gedaagde partij woonplaats heeft in Nederland.\n\nHet toepasselijke recht5.3. \n\nHet hof stelt vast dat de rechtbank (impliciet) het Nederlandse recht heeft toegepast op de vordering van de vrouw tot afgifte van het goud. Partijen hebben ter zitting bevestigd dat er geen grief is gericht tegen de toepassing door de rechtbank van het Nederlandse recht, zodat ook het hof het Nederlandse recht zal toepassen.\n\nGeen rechtsgeldig huwelijk5.4. Tussen partijen staat vast dat zij [in] 2023 in [plaats1] een religieuze ceremonie hebben gehouden, begeleid door een imam, en dat zij daarmee beoogden een religieus huwelijk naar islamitisch recht met elkaar aan te gaan.5.5. In Nederland kan een huwelijk echter alleen tot stand komen als aan de voorwaarden van artikel 1:63 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is voldaan. Op grond van dit artikel geldt (onder meer) dat het huwelijk moet worden gesloten ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand. Tussen partijen is niet in geschil dat dat dat niet is gebeurd en dat betekent dat tussen partijen geen rechtsgeldig huwelijk naar Nederlands recht tot stand is gekomen. De afspraak over de bruidsgave (de ‘mehir’)5.6. Naar het oordeel van het hof is op grond van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting vast komen te staan dat de afspraak die partijen in de ‘nikah akti’ met elkaar hebben gemaakt – los van de vraag hoe die exact luidt, want dat is tussen partijen in geschil – door partijen werd beschouwd als integraal onderdeel van het religieuze huwelijk dat zij wilden sluiten. Partijen hebben ter zitting verklaard dat zij het religieuze huwelijk hebben gesloten, omdat zij dan mochten samenwonen voor het islamitische geloof. Onderdeel van het religieuze huwelijk vormde het ondertekenen van de ‘nikah akti’ (in beide vertalingen vertaald als ‘huwelijksakte’) en de daarin opgenomen ‘mehir’. Partijen verschillen van mening over de wijze van totstandkoming daarvan en de daaruit voortvloeiende rechtsgevolgen. De vrouw stelt kort gezegd dat de afspraak werd gemaakt op verzoek van de vader van de man en dat hij haar had toegezegd het goud later te geven maar dat nooit heeft gedaan. De man stelt, kort gezegd, dat de afspraak werd gemaakt op verzoek van de moeder van de vrouw, omdat dat verplicht was bij een islamitisch huwelijk en dat het goud ook op dat moment aan de vrouw is voldaan. Wat er van de wijze van totstandkoming, de inhoud en de rechtsgevolgen van de ‘nikah akti’ ook zij, op grond van de beantwoording van de vragen ter zitting door partijen is naar het oordeel van het hof voldoende vast komen te staan dat partijen de overeenkomst hebben gesloten, omdat zij een religieus huwelijk aangingen en dat de overeenkomst daar niet los van kan worden gezien. Het hof acht het niet aannemelijk dat partijen deze afspraak ook zonder religieus huwelijk zouden hebben gemaakt. Bij die stand van zaken is het hof van oordeel dat aan de afspraak over de bruidsgave geen rechtsgevolg toekomt. Toewijzing van de vordering van de vrouw tot voldoening van de ‘mehir’ – als integraal onderdeel van het door partijen beoogde religieuze huwelijk – zou leiden tot het toekennen van een rechtsgevolg aan een in Nederland niet als rechtsgeldig aan te merken huwelijk en daarmee indruisen tegen de bedoeling van de wetgever. De wetgever heeft de praktijk van de sluiting van religieuze huwelijken zonder voorafgaand Nederlands burgerlijk huwelijk willen uitbannen en heeft dat ten aanzien van de bedieners van de eredienst zelfs uitdrukkelijk strafrechtelijk verboden. Dat is in overeenstemming met fundamentele Nederlandse beginselen zoals de scheiding tussen kerk en staat, de betrouwbaarheid van de Nederlandse openbare registers (waaronder die van de burgerlijke stand) en de bescherming van (met name) de gehuwde vrouw tegen een onzekere en ongelijke juridische positie. De vrouw heeft daarom geen recht op afgifte van enige bruidsgave.5.7. Aan uitleg van de afspraak die partijen met betrekking tot de ‘mehir’in de huwelijksakte hebben gemaakt, komt het hof gelet op het vorenstaande niet toe. De grieven I en II van de vrouw blijven daarom onbesproken. Aan het bewijsaanbod om de echtheid van de akte aan te tonen waar grief III op ziet, komt het hof gelet op het voorgaande ook niet toe. Voor zover de vrouw in grief IV klaagt over de processuele gang van zaken in eerste aanleg, is het hof van oordeel dat zij bij zelfstandige behandeling van die klacht geen belang heeft. Het rechtsmiddel van hoger beroep dient er immers mede toe om eventuele omissies of misslagen die zich hebben voorgedaan in eerste aanleg te herstellen en partijen zijn in hoger beroep in de gelegenheid gesteld om al hun inhoudelijk bezwaren tegen het bestreden vonnis aan het hof kenbaar te maken.5.8. Het hof zal het bestreden vonnis, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigen, onder verbetering van de gronden.5.9. Partijen hebben over en weer gevorderd om de andere partij te veroordelen in de proceskosten in beide instanties. Het hof ziet daarvoor gelet op de aard van de procedure – die de afwikkeling van de affectieve relatie van partijen betreft – geen aanleiding. Het hof zal de beslissing over de proceskosten in eerste aanleg in conventie bekrachtigen en bepalen dat de proceskosten in hoger beroep worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.6. De beslissing\n\nHet hof:\n\nbekrachtigt – onder verbetering van de gronden – het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 14 mei 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;\n\nbepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedure in hoger beroep.\n\nDit arrest is gewezen door mr. E. Leentjes, mr. J.G. Knot en mr. C. Coster en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.\n\n Artikel 1:68 BW en artikel 449 van het Wetboek van Strafrecht.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4230","ecli-nl-gharl-2026-4230",{"courtName":6,"legalDomain":49,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":87,"ecli":88,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":44,"fullText":89,"language":7,"source":17,"sourceUrl":90,"summary":14,"slug":91,"metadata":92},"368","ECLI:NL:GHARL:2026:4228","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.354.361\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Overijssel 314333\n\narrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [appellant]\n\n2. [appellante]\n\ndie beiden wonen in [woonplaats1]\n\nadvocaat: mr. A.A. Bos\n\nen\n\n [geïntimeede]\n\ndie woont in [woonplaats2]\n\nadvocaat: mr. D.A. IJpelaar\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\nNaar aanleiding van het arrest van 16 december 2025 heeft op 16 april 2026 een enkelvoudige mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Daarvan is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Hierna hebben partijen het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. \n [appellant] en [appellante] hebben een vakantiewoning op [eiland] van [geïntimeede] gekocht. Zij kregen de financiering niet rond en uiteindelijk heeft [geïntimeede] de koopovereenkomst ontbonden en op basis daarvan aanspraak gemaakt op betaling van een boete van € 65.000 door [appellant] en [appellante] .\n\n2.2. \n [geïntimeede] heeft bij de rechtbank gevorderd dat [appellant] en [appellante] hoofdelijk worden veroordeeld om de boete aan [geïntimeede] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding. Daarnaast heeft [geïntimeede] gevorderd dat [appellant] en [appellante] de kosten van het geding voldoen te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\n2.3. De rechtbank heeft deze vorderingen toegewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat die vorderingen alsnog worden afgewezen.\n\n2.4. Het hof zal beslissen dat het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en dat de vorderingen van [geïntimeede] alsnog worden afgewezen. Nadat de relevante feiten zijn besproken, zal het hof uitleggen hoe het tot zijn oordeel is gekomen.\n\n3. De relevante feiten\n\n3.1. \n [geïntimeede] is eigenaar van een vakantiewoning, plaatselijk bekend als [adres] op [eiland] (hierna: de vakantiewoning). Zij heeft die woning te koop aangeboden. [naam4] B.V. (hierna: [naam4] ) trad voor haar op als verkoopbemiddelaar.\n\n3.2. \n [geïntimeede] heeft met [appellant] en [appellante] op 16 augustus 2023 een koopovereenkomst met betrekking tot de vakantiewoning gesloten. De koopprijs was € 650.000.\n\n3.3. In artikel 5 van de koopovereenkomst staat:\n\n“Deze koopovereenkomst kan door koper worden ontbonden indien uiterlijk: op 6 oktober 2023 koper voor de financiering van de onroerende zaak voor een bedrag van maximaal€ 455.000,-(…) geen bindend aanbod tot een hypothecaire geldlening van een geldverstrekkende bankinstelling heeft verkregen. (…). Koper verplicht zich al het redelijk mogelijke te doen ten einde het hierboven bedoelde te verkrijgen. Indien aanspraak wordt gedaan op hierboven genoemde ontbindende voorwaarden dient koper er zorg voor te dragen dat de mededeling dat de ontbinding wordt ingeroepen uiterlijk op de eerste werkdag na de datum waarvan in de betreffende ontbindende voorwaarde sprake is door de wederpartij of diens makelaar is ontvangen. Deze mededeling dient schriftelijk en goed gedocumenteerd via de gangbare communicatiemiddelen te geschieden. Indien koper de ontbinding wenst in te roepen als gevolg van het (tijdig) ontbreken van een financiering als bedoeld in artikel 15.1 onder sub b. wordt, tenzij partijen anders overeenkomen, onder ‘goed gedocumenteerd’ verstaan dat de afwijzing van de geldverstrekkende instelling aan verkoper of diens makelaar dient te worden overgelegd. (…)”\n\n3.4. In artikel 15 van de koopovereenkomst staat:\n\n“(…)\n\n2. Indien een van de partijen, na bij deurwaardersexploit in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen tekortschiet in de nakoming van een of meer van zijn verplichtingen is deze partij in verzuim en heeft de wederpartij de al dan niet subsidiaire keus tussen:\n\n(…)\n\nb. de overeenkomst door een schriftelijke verklaring voor ontbonden te verklaren en betaling van een onmiddellijk opeisbare boete te vorderen van tien procent (10%) van de koopprijs.(…)”\n\n3.5. \n [naam1] van [naam2] ! Pensioenen en Hypotheken B.V., gevestigd op [eiland] (hierna: [naam2] !) heeft voor [appellant] en [appellante] bemiddeld bij het tot stand brengen van een hypothecaire geldlening. Hij heeft op 21 september 2023 via de e-mail een financieringsaanvraag gedaan bij [bank1] op [eiland] .3.6. \n [appellant] en [appellante] hebben in een e-mail van 3 oktober 2023 aan [naam4] onder andere geschreven:\n\n“We hebben net met [naam1] gesproken. De bank op [eiland] heeft de financiering goedgekeurd. Dat is echt heel fijn.”\n\n3.7. \n [naam2] ! heeft op 6 oktober 2023 aan [naam4] geschreven:\n\n“Hierbij willen wij u op de hoogte stellen van de beslissing van de familie [appellant] om de aankoop van het pand [adres] (…) in te trekken op basis van de ontbindende voorwaarde zoals vastgelegd in Artikel 5 van genoemde koopovereenkomst. Helaas is het niet gelukt om een bindend financieringsaanbod te verkrijgen voor het bedrag van Euro 455.000.”\n\n3.8. \n [appellant] en [appellante] hebben een dag later aan [naam4] geschreven dat ze tot hun spijt van de koop moeten afzien omdat ze een financiële tegenvaller hebben gehad waardoor de koop niet kan doorgaan. [naam4] schrijft daarop op dezelfde datum:\n\n“Beste Roelie,\n\nZoals vanochtend telefonisch is besproken bevestigde jij nogmaals (…) dat de financiering op [eiland] van € 455.000,- t.b.v. de aankoop van [adres] akkoord is, maar dat jullie als gevolg van de afwijzing van een tweede financiering bij de Rabobank in Nederland toch van de verkoop zouden willen afzien.”\n\n3.9. \n [naam3] , Interim Retail Manager bij [bank1] heeft op 9 oktober 2023 in een e-mail aan [naam2] ! geschreven:\n\n“We hereby inform you that the mortgage request for Mr. [appellant] for the financing of [adres] has been declined as it does not sufficiently meet our credit criteria.”\n\n3.10. In een e-mail van 19 oktober 2023 heeft [geïntimeede] de koopovereenkomst met [appellant] en [appellante] ontbonden en aanspraak gemaakt op de contractuele boete van 10% van de verkoopprijs, dus op € 65.000.\n\n3.11. Op 30 oktober heeft de advocaat van [bank1] , mr. Braam, aan de advocaat van [appellant] en [appellante] bevestigd dat hun financieringsaanvraag voor een geldlening van Fl. 850.000 (het hof begrijpt: het equivalent van € 455.000) door [bank1] niet was goedgekeurd.\n\n3.12. Op 17 april 2024 is aan [appellant] en [appellante] een brief van de advocaat van [geïntimeede] betekend waarin hij hen sommeert om binnen acht dagen de koopovereenkomst na te komen door de woning alsnog af te nemen. In deze brief is [appellant] en [appellante] ook de contractuele boete aangezegd voor het geval door hen niet aan de sommatie zou worden voldaan.\n\n4. De beoordeling\n\nMochten [appellant] en [appellante] na 3 oktober 2023 nog een beroep op de ontbindende voorwaarde doen?\n\n4.1. Volgens [geïntimeede] is met de mededeling van [appellant] en [appellante] in de e-mail van 3 oktober 2023, zoals die hierboven in overweging 3.6 is weergegeven, de ontbindende voorwaarde uitgewerkt en konden [appellant] en [appellante] er daarna geen beroep meer op doen. Het hof begrijpt [geïntimeede] zo, dat [appellant] en [appellante] hun recht om dat te doen met die mededeling hebben verwerkt. Het hof gaat hier niet in mee.\n\n4.2. Voor het kunnen aannemen van rechtsverwerking (een bijzondere vorm van de in artikel 6:248 lid 2 BW geregelde beperkende werking van redelijkheid en billijkheid) is in een geval als hier aan de orde, vereist de aanwezigheid van een bijzondere omstandigheid als gevolg waarvan bij [geïntimeede] het gerechtvaardigd vertrouwen is ontstaan dat [appellant] en [appellante] hun recht om zich te beroepen op de ontbindende voorwaarde niet meer geldend zouden maken. Ook zou rechtsverwerking aan de orde kunnen zijn als door toedoen van [appellant] en [appellante] de positie van [geïntimeede] als wederpartij onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard als zij hun recht om de ontbindende voorwaarde in te roepen alsnog ten opzichte van [geïntimeede] zouden kunnen uitoefenen.\n\n4.3. Degene die een beroep op rechtsverwerking doet (in dit geval [geïntimeede] ) dient te stellen en zo nodig bewijzen dat en waarom van een van de hiervoor genoemde gevalstypen sprake is.\n\n4.4. Naar het oordeel van het hof is [geïntimeede] daarin niet geslaagd. Aan de enkele mededeling die [appellant] en [appellante] op 3 oktober 2023 aan [naam4] hebben gedaan, mocht [geïntimeede] , mede gelet op de losse en summiere formulering ervan en het feit dat deze niet verwijst naar de ontbindende voorwaarde, niet het vertrouwen ontlenen dat op die voorwaarde door hen geen beroep meer zou worden gedaan. Voor een dergelijk gerechtvaardigd vertrouwen is in een zaak als de onderhavige meer nodig en dat ‘meer’ is door [geïntimeede] niet aangevoerd. Dat [geïntimeede] in de gegeven omstandigheden onredelijk zou zijn benadeeld doordat enkele dagen na het genoemde mailtje door [appellant] en [appellante] wel een beroep op de ontbindende voorwaarde is gedaan, is gesteld noch gebleken Andere omstandigheden die een beroep op de rechtsverwerking zouden kunnen dragen, zijn evenmin door [geïntimeede] aan de orde gesteld.\n\nWaren [appellant] en [appellante] te laat met het inroepen van de ontbindende voorwaarde?\n\n4.5. \n\nOp grond van artikel 5 van de koopovereenkomst moest de mededeling dat de ontbindende voorwaarde werd ingeroepen uiterlijk de eerste werkdag na 6 oktober 2023 door [geïntimeede] of haar makelaar zijn ontvangen. Zoals [geïntimeede] ook heeft erkend, was dat niet\n\n7 oktober 2023, zoals de rechtbank heeft aangenomen, maar 9 oktober 2023. Dat is hier van bepalend belang: [naam2] ! heeft [naam4] op 6 oktober 2023 bericht dat het niet gelukt is om een bindend financieringsaanbod te verkrijgen voor € 455.000. [appellant] en [appellante] hebben dit zelf op 7 oktober 2023 ook aan [naam4] laten weten. De e-mail van [bank1] heeft [geïntimeede] , zo blijkt uit de memorie van antwoord, op 9 oktober 2023 ontvangen. [appellant] en [appellante] hebben dan ook tijdig een beroep gedaan op de ontbindende voorwaarde en eveneens tijdig de afwijzing van [bank1] aan [geïntimeede] gestuurd.4.6. Dan blijft de vraag over of artikel 5 van de koopovereenkomst vereist dat de mededeling van het inroepen van de ontbindende voorwaarde en het bericht van afwijzing door de geldverstrekker op hetzelfde moment moeten worden gestuurd, zoals de rechtbank heeft overwogen. Bij de uitleg van een bepaling in een overeenkomst als de onderhavige komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op wat zij hierbij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (de Haviltex-maatstaf). Hierbij kunnen omstandigheden die zich hebben voorgedaan voor het sluiten van de overeenkomst een rol spelen, maar ook omstandigheden die zich daarna tussen partijen hebben voorgedaan.\n\n4.7. Het staat vast dat [appellant] en [appellante] enerzijds en [geïntimeede] anderzijds voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst op 16 augustus 2023 niet met elkaar hebben gesproken over de inhoud en de omvang van het financieringsvoorbehoud, behalve dan dat het financieringsvoorbehoud in de overeenkomst moet worden opgenomen. Partijen hebben ook niet onderhandeld over de tekst van het financieringsvoorbehoud.\n\n4.8. In artikel 5 van de koopovereenkomst staat niets meer en niets minder dan dat beide berichten (dus zowel de mededeling dat een beroep op de ontbindende voorwaarde wordt gedaan als de afwijzing van de geldverstrekker) uiterlijk op de eerste werkdag na 6 oktober 2023 (dus op 9 oktober 2023) door [geïntimeede] of haar makelaar moeten zijn ontvangen. Niet valt in te zien waarom die mededelingen gelijktijdig moeten worden gedaan, wil het inroepen van de ontbindende voorwaarde effect kunnen hebben. De ratio van de bepaling is immers dat de verkoper uiterlijk op de laatste dag van de overeengekomen termijn weet dat de koper de ontbindende voorwaarde inroept met als onderbouwing de afwijzende mededeling van de geldverstrekker en dat is hier gebeurd. Niet ter discussie staat dat het beroep op de ontbindende voorwaarde tijdig zou zijn gedaan als alle relevante mededelingen tegelijkertijd (pas) op 9 oktober 2023 zouden zijn gedaan. Ook in dat licht is er geen reden om aan te nemen dat niet aan de eisen van artikel 5 is voldaan wanneer een van die mededelingen een paar dagen aan de andere is voorafgegaan.\n\nKwalificeert het toesturen van de e-mail van 9 oktober 2023 door [bank1] aan [naam2] ! als “goed gedocumenteerd”?\n\n4.9. Volgens [geïntimeede] was de mededeling van [appellant] en [appellante] niet goed gedocumenteerd, omdat – zo begrijpt het hof – de e-mail van 9 oktober 2023 van [bank1] niet aan [appellant] en [appellante] is verstuurd maar aan [naam2] !. Volgens [geïntimeede] verlangt artikel 5 van de koopovereenkomst dat “tenminste de door aanvrager van de bank ontvangen afwijzing” wordt overgelegd.\n\n4.10. Zoals hiervoor al is overwogen, moet het hof deze bepaling uitleggen aan de hand van de Haviltex-maatstaf en hebben partijen over deze bepaling niet onderhandeld.\n\n4.11. In artikel 5 van de koopovereenkomst staat dat [appellant] en [appellante] schriftelijk en goed gedocumenteerd mededeling moeten doen van het inroepen van de ontbindende voorwaarde en dat onder “goed gedocumenteerd” wordt verstaan dat de afwijzing van een geldverstrekkende instelling aan verkoper moet worden overgelegd. Verder zijn geen eisen gesteld aan de afwijzing van de geldverstrekker, bijvoorbeeld inhoudende dat de afwijzing rechtstreeks aan [appellant] en [appellante] moet zijn gestuurd en door hen moet zijn ontvangen. Dat dit wel de bedoeling zou zijn is in deze zaak ook bepaald niet logisch, omdat de contacten met Orca Bank altijd via [naam2] ! zijn gelopen. Zij heeft de financieringsaanvraag ingediend met de daarbij behorende stukken en heeft dus ook de afwijzing ontvangen.\n\n4.12. Naar het oordeel van het hof volgt uit artikel 5 van de koopovereenkomst dan ook niet dat de afwijzing alleen goed gedocumenteerd is wanneer deze rechtstreeks aan [appellant] en [appellante] is gestuurd.\n\n4.13. Voor zover [geïntimeede] vindt dat de mededeling dat de ontbindende voorwaarde wordt ingeroepen niet goed gedocumenteerd is, omdat het een “eenregelige, niet aan hen gerichte, mail van een bankmedewerker met een onduidelijke positie” betreft, gaat zij er ten onrechte aan voorbij dat uit het overgelegde uittreksel uit de kamer van koophandel van [bank1] blijkt dat Giselle Groilo “Proxy holder” is met als “Title description” Interim Retail Manager, en kennelijk in die hoedanigheid bevoegd was om [bank1] te vertegenwoordigen. Dat [bank1] de hypotheekaanvraag inderdaad heeft afgewezen, staat bovendien niet ter discussie.\n\nStonden andere omstandigheden het inroepen van de ontbindende voorwaarde in de weg?\n\n4.14. \n [geïntimeede] heeft nog aangevoerd dat [appellant] en [appellante] wel degelijk de aankoop van de vakantiewoning konden financieren, maar dat het feit dat ze de koopovereenkomst wilden ontbinden een andere reden had. Dit is echter in tegenspraak met de e-mail van 9 oktober 2023 van [bank1] , zodat het hof aan deze stelling voorbij gaat.\n\n4.15. \n [geïntimeede] vindt daarnaast dat [appellant] en [appellante] niet al het redelijkerwijs mogelijke hebben gedaan om een bindend aanbod tot een hypothecaire geldlening te verkrijgen. De financieringsaanvraag is op 21 september 2023 gedaan en dat was volgens [geïntimeede] te laat, omdat de aanvraag daardoor niet op tijd is goedgekeurd door de bank. Naar het oordeel van het hof gaat ook dit argument niet op. Nog daargelaten dat [appellant] en [appellante] onweersproken hebben gesteld dat zij in de periode van 16 augustus 2023 tot 21 september 2023 bezig zijn geweest met het verzamelen van alle benodigde informatie die nodig was voor het opstellen van de financieringsaanvraag, verliest [geïntimeede] met deze stelling uit het oog dat [bank1] kennelijk genoeg tijd heeft gehad om de aanvraag te beoordelen en daarover een beslissing te nemen. Zij heeft deze immers afgewezen, en die afwijzing is tijdig doorgegeven.\n\nConclusie\n\n4.16. Uit wat het hof hiervoor heeft overwogen vloeit voort dat [appellant] en [appellante] op tijd en op de juiste manier aan [geïntimeede] hebben meegedeeld dat zij een beroep willen doen op de ontbindende voorwaarde en dat zij dus geen 10% van de verkoopprijs aan [geïntimeede] verschuldigd zijn geworden.\n\n4.17. Het hoger beroep slaagt dus. Omdat [geïntimeede] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [geïntimeede] tot betaling van de proceskosten zowel in hoger beroep als bij de rechtbank veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.4.18. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n5. De beslissing\n\nHet hof:\n\n5.1. vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle van 15 januari 2025 en beslist dat de vorderingen van [geïntimeede] worden afgewezen;\n\n5.2. veroordeelt [geïntimeede] tot terugbetaling aan [appellant] en [appellante] van alles wat [appellant] en [appellante] op grond van het vonnis van 15 januari 2025 aan [geïntimeede] \u002Fhebben betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling door [appellant] en [appellante] tot aan de dag van terugbetaling;\n\n5.3. \n\nveroordeelt [geïntimeede] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] en [appellante] tot aan de uitspraak van de rechtbank:\n\n€ 1.352,00 aan griffierecht\n\n€ 2.428,00 aan salaris van de advocaat van [appellant] en [appellante] (2,00 procespunten x het toepasselijke tarief VI € 1.214,00)\n\nen tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] en [appellante] in hoger beroep:\n\n€ 827,00 aan griffierecht\n\n€ 145,45 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeede]\n\n€ 4.704,00 aan salaris van de advocaat van [appellant] en [appellante] (2 procespunten x het toepasselijke tarief IV € 2.352,00)\n\n5.4. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente;\n\n5.5. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.6. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. C.P. Lunter, M.W. Zandbergen en P.S. Bakker en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op\n\n30 juni 2026.\n\n Dit betekent dat grieven 1 en 3 slagen en dat [appellant] en [appellante] geen belang meer hebben bij grief 2.\n\nHR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4228","ecli-nl-gharl-2026-4228",{"courtName":6,"legalDomain":49,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":94,"ecli":95,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":96,"fullText":97,"language":7,"source":17,"sourceUrl":98,"summary":14,"slug":99,"metadata":100},"1147","ECLI:NL:RBNNE:2026:2457","2026-06-24T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Leeuwarden\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12165818 \\ AR VERZ 26-26\n\nBeschikking van 24 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nSTICHTING KWADRANT,\n\nte Drachten,\n\nverzoekende partij,\n\nverwerende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: Kwadrant,\n\ngemachtigde: mr. L. Sandberg,\n\ntegen\n\n [verweerder],\n\nte [woonplaats] ,\n\nverwerende partij,\n\nverzoekende partij in het tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: [verweerder] ,\n\nprocederend met toevoeging,\n\ngemachtigde: mr. J.S. Bauer.\n\nDe zaak in het kort\n\nIn deze zaak verzoekt de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat er een redelijke grond is voor ontbinding, te weten verwijtbaar handelen (de e-grond). De kantonrechter beoordeelt het gedrag van de werknemer ook als ernstig verwijtbaar. Het (voorwaardelijk) tegenverzoek van werknemer om ten laste van de werkgever een transitie- en billijke vergoeding toe te kennen wordt afgewezen. Wel ziet de kantonrechter aanleiding om het tegenverzoek tot loonbetaling van werknemer te honoreren.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift\n\n- het verweerschrift, met een tegenverzoek\n\n- een wijziging van verzoek met aanvullende producties van 13 mei 2026 - aanvullende producties van Kwadrant van 20 mei 2026\n\n- de mondelinge behandeling van 21 mei 2026 en de daarbij overgelegde spreekaantekeningen van Kwadrant.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [verweerder] , geboren [geboortedatum] 1989, is sinds 1 december 2023 in dienst bij Kwadrant. De functie van [verweerder] is [functie] met een loon van € 5.787,48 bruto per maand, exclusief vakantiegeld en overige emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO VVT van toepassing. [verweerder] houdt zich bezig met het in kaart brengen van ICT vragen vanuit Kwadrant en met name met de implementatie van een softwaresysteem genaamd AFAS.\n\n2.2.. In de mailbox van [verweerder] is op 2 juni 2025 ’s ochtends een concept e-mail opgesteld met de volgende tekst:\n\nBeste relatie,\n\nGraag verwijs ik naar de factuur in de bijlage.\n\nMet vriendelijke groet,\n\n [bedrijf 2]\n\nEveneens op 2 juni 2025 is ’s middags bij Kwadrant via de mail een factuur binnengekomen met als afzender [mailadres 1] met dezelfde hiervoor genoemde begeleidende tekst die ’s ochtends was aangemaakt in de mailbox van [verweerder] .\n\n2.3.. Op een via [naam 1] (hierna: [naam 1] ) aan Kwadrant gestuurde uitdraai van Whatsappgesprekken waarop de namen [verweerder] en [naam 1] als gespreksdeelnemers zijn vermeld (hierna de uitdraai van WhatsAppgesprekken) staat onder andere het volgende vermeld:\n\n Op 16 mei 2025:\n\n [verweerder] : Hieronder zijn de gegevens die normaal gesproken op een factuur staan. Het enige risico is dat mijn organisatie een IT-klusje gaan factureren aan een eenmanszaak dat staat ingeschreven als modellenbureau. Ik moet even goed nadenken hoe we dat risico kunnen vermijden. Kun jij de volgende gegevens met mij delen zodat ik een conceptfactuur kan opstellen.\n\nOp 21 mei 2025:\n\n [verweerder] : Perfect. Als jij de gegevens hebt aangeleverd dan kan ik verder met het aanmaken van de eerste factuur.\n\nOp 2 juni 2025, in antwoord op de vraag van [naam 1] wanneer de eerste betaling wordt gedaan:\n\n [verweerder] : Yo bro, dat durf ik niet te zeggen. Ik heb de betaling in het proces gedrukt\n\nOp 3 juni 2025:\n\n [verweerder] : Kijk bro, dit is de factuur die ik namens jou heb ingediend\n\nOp 19 juni 2025:\n\n [verweerder] : Ik heb net gecheckt. De vervaldatum in het systeem van de factuur is volgende week donderdag. Dan gaat de opdracht naar de bank en dan duurt het nog 1 a 2 dagen\n\nOp 26 juni 2025:\n\n [verweerder] : Bro, het gaat vandaag naar je worden overgemaakt. Laat ff weten als je het hebt ontvangen. [verweerder] : Het netto bedrag wat je ontvangt is 1940. Voor mij 70 procent is 1358. En voor jou 30 procent is 582. Je moet zelf kijken wat je met het BTW bedrag doet. Als je het hebt ontvangen stuur ik je wel een tikkie.\n\n(…)\n\n [verweerder] : Ik heb een betaalverzoek gemaakt van € 1.358,00 voor 2025. Je kunt met elke bank in Nederland betalen. Dank je wel!\n\nOp 16 juli 2025\n\n [verweerder] : Bro het lijkt me slimmer om die nabetaling te skippen. Ik laat in de le of 2e week van augustus rond de 7K uitbetalen en eind september rond de 12K. Eens?\n\n [verweerder] : Mijn broer spreek ik dit weekend. Bel je daarna wel mbt de BTW aangifte\n\nOp 7 september 2025:\n\n [verweerder] : Zeker nu het lekker loopt\n\n(…)\n\n [verweerder] : Helemaal vergeten te zeggen dat we komende donderdag ook nog wat krijgen. Het is momenteel chaos bij ons waardoor ik heel eenvoudig uurtjes jou kan laten uitbetalen. Donderdag gaan we ongeveer 2400 extra ontvangen\n\nOp 29 september 2025:\n\n [verweerder] : Als we afspreken kunnen we gelijk bespreken hoe we de komende maanden nog maximaal kunnen verdienen\n\n2.4.. Op 19 september 2025 ’s ochtends is er vanuit de mailbox van [verweerder] een mailbericht gestuurd aan [mailadres 2] met de volgende tekst:\n\nOnderwerp: Implementatie Front Vision Koppeling\n\nMail:\n\nGoedemorgen [verweerder] ,\n\nHoe verloopt het testen van de Front Vision Koppeling? We horen graag of de inrichting naar wens is verlopen. Laat het ons gerust weten als we je verder kunnen ondersteunen.\n\nActie voor jou:\n\nMaak een handtekening met bedrijfsnaam inclusief naam en functie.\n\nVervolgens is dezelfde dag, 19 september 2025, ’s middags in de mailbox van [verweerder] een e-mailbericht binnengekomen van [mailadres 3] met als onderwerp: Front Vision Koppeling en de volgende tekst:\n\nGoedemiddag [verweerder] ,\n\nHoe verloopt het testen van de Front Vision Koppeling? We horen graag of de inrichting naar wens is verlopen. Laat het ons gerust weten als we je verder kunnen ondersteunen.\n\nMet vriendelijke groet,\n\n [naam 2]\n\nSenior IT Consultant\n\n2.5.. Op een via [naam 1] aan Kwadrant gestuurde uitdraai van Signalgesprekken (hierna de uitdraai van Signalgesprekken) staat, naast diverse betaalverzoeken, onder andere het volgende vermeld:\n\nOp 10 december 2025:\n\n Bro what's up? Ik heb ons mannetje van de BD gesproken. Dat moeten wij even bespreken\n\nOp 28 december 2025:\n\nVorige week heb ik €1K aanbetaald. Het belasting mannetje gaat nu uitzoeken wat we moeten aanleveren om zo min mogelijk te betalen. Onze verdeling is 70\u002F30 dus dat heb ik zo berekend. Ik wil 100 procent zeker zijn dat dit ook goed gaat\n\n2.6.. Op 27 januari 2026 om 10.30 is er vanuit de mailbox van [verweerder] een e-mailbericht gestuurd naar [mailadres 2] met in de bijlage een factuur van [bedrijf 1] . Dezelfde dag om 10.58 wordt in de crediteurenmailbox van Kwadrant een mailbericht ontvangen afkomstig van [mailadres 3] met dezelfde tekst als voormelde mail aan [mailadres 2] met als bijlage dezelfde factuur van [bedrijf 1] .\n\n2.7.. Begin 2026 heeft de business controller van Kwadrant vastgesteld dat er een forse kostenoverschrijding had plaatsgevonden op de begroting van ICT. Uit nadere bestudering bleek dat aan twee crediteuren, namelijk [bedrijf 2] en [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) betalingen waren gedaan op basis van 23 facturen over de periode 26 juni 2025 tot en met 29 januari 2026 voor een totaalbedrag van € 121.797,80 terwijl niets daarvoor was begroot. De omschrijvingen op de facturen gaven aan dat het om ICT-gerelateerde werkzaamheden ging. Omdat het vermoeden bestond bij Kwadrant dat het om spookfacturen ging, heeft zij [bedrijfsrecherche] (hierna: [bedrijfsrecherche] ) ingeschakeld om nader onderzoek te doen.\n\n2.8.. Op 2 februari 2026 heeft Kwadrant een melding gedaan bij haar bank, de ING, dat zij ten onrechte facturen heeft ontvangen van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] .\n\n2.9.. Op 3 februari 2026 heeft de leidinggevende van [verweerder] , de heer [leidinggevende] , [verweerder] bevraagd over mogelijke onregelmatigheden omtrent facturatie.\n\n2.10.. Op of omstreeks 3 en 4 februari 2026 heeft de ING bank informatie gevraagd aan [bedrijf 1] en [naam 1] over de facturen.\n\n2.11.. Op 5 februari 2026 heeft [verweerder] zich ziek gemeld. Op de uitdraai van Signalgesprekken staan op dezelfde dag, 5 februari 2026, naast een reeks facturen, de volgende gesprekken genoteerd:\n\n ( [naam 1] ) Bro kan je bellen?\n\n Belangrijke info van de bank\n\nBen ermee bezig\n\nStel dat ze vragen om een naam van eem contactpersoon moet je niet mijn naam noemen\n\nDan is de cirkel rond\n\nBro wat je nog kunt zeggen. Je bent door functioneel beheer kwadrant gevraagd om te helpen bij het doorontwikkelen van Afas. Dat heb je dan ook steeds gedaan. Naam weet je niet meer zo goed\n\n(…)\n\nDit is het overzicht van alle betalingen, inclusief het bedrag en de datum van ontvangst.\n\nWaar een V staat betekent dat ik de betaling heb ontvangen. Voor de overige betalingen heb ik nog geen correcte factuur ontvangen. Zou je deze zsm kunnen delen?\n\n(…)\n\nHet mailadres is [mailadres 1]\n\nVoordat ze het vragen\n\n(…)\n\nBelangrijk dat je beetje in het midden laat wie je aanspreekpunt is want als ik in het verhaal kom in combinatie met betalingen naar mij\n\nDan wordt het kut\n\n2.12.. Op 16 februari 2026 heeft [bedrijfsrecherche] de leidinggevende van de ICT afdeling op de hoogte gesteld van haar tussentijdse bevindingen in het onderzoek en heeft [bedrijfsrecherche] aangegeven [verweerder] te willen horen. Dezelfde dag, 16 februari 2026, is herhaaldelijk tevergeefs getracht telefonisch contact met [verweerder] te krijgen. Kwadrant is daarom ’s middags naar het huis van [verweerder] te gaan. Bij aankomst bleek dit te zijn leeggehaald en niet te worden bewoond.\n\n2.13.. Bij brief en per e-mail van 16 februari 2026 heeft Kwadrant [verweerder] uitgenodigd voor een gesprek op 17 februari 2026 om 10.30 uur op de locatie van Kwadrant om hem te horen in het kader van het onderzoek naar de onregelmatigheden die aan het licht waren gekomen. Verder heeft Kwadrant meegedeeld aan [verweerder] dat hij gedurende het onderzoek op non-actief werd gesteld, dat het hoorgesprek niet vrijblijvend was en dat niet-verschijnen van [verweerder] arbeidsrechtelijke consequenties zou hebben, waarbij een ontslag op staande voet niet werd uitgesloten. Per separate e-mail van 16 februari 2026 heeft Kwadrant [verweerder] geattendeerd op voormelde uitnodiging en hem meegedeeld dat niet-verschijnen van [verweerder] aanleiding zou zijn voor Kwadrant om aangifte te doen bij de politie.\n\n2.14.. Per e-mail van 17 februari 2026 om 00.18 uur heeft [verweerder] , voor zover van belang, de volgende reactie aan Kwadrant gestuurd:\n\n(…) Ik ben bereid volledig mee te werken aan het aangekondigde onderzoek en er is geen sprake van weigering. Ik zal mij daarnaast houden aan de voorwaarden die gelden tijdens mijn non-actiefstelling.\n\nIk ben momenteel ziekgemeld en mijn huisarts is op de hoogte van de aard van mijn klachten en kan dit desgewenst bevestigen. Een gesprek op korte termijn is in mijn ogen niet verantwoord. Ik verzoek je alternatieve data voor volgende week of de week erop voor te stellen.\n\nVoorafgaand aan het gesprek ontvang ik graag schriftelijk:\n\n- een concrete omschrijving van de vermeende onregelmatigheden\n\n- wie aanwezig zal zijn en in welke hoedanigheid\n\nIn de afgelopen week is contact geweest met meerdere directe collega’s en onbereikbaarheid is niet aan de orde. Ik ben per e-mail bereikbaar en zal tijdig reageren.\n\nGezien de korte termijn van het geplande gesprek en het belang van een correcte procedure, verzoek ik je om bovenstaande punten schriftelijk te bevestigen voordat verdere stappen worden ondernomen.\n\nTer voorbereiding op het gesprek behoud ik mij het recht voor juridisch advies in te winnen.\n\n(…)\n\n2.15.. In de ochtend van 17 februari 2026 heeft Kwadrant tevergeefs telefonisch contact gezocht met [verweerder] , waarna ze een e-mail bericht heeft gestuurd. In deze e-mail heeft Kwadrant aan [verweerder] verzocht om wel om 10.30 uur op de afspraak te komen en aan hem uitgelegd dat er op dat moment een onderzoek door [bedrijfsrecherche] plaatsvond, dat [bedrijfsrecherche] met hem in gesprek wilde gaan en dat het gesprek uitstellen met één of twee weken niet mogelijk was. Verder werd de optie geboden aan [verweerder] om het gesprek bij hem thuis of via teams plaats te laten vinden. Ten slotte heeft Kwadrant [verweerder] verzocht om telefonisch contact op te nemen en zijn verblijfadres aan Kwadrant te verstrekken.\n\n2.16.. Per e-mail van dezelfde dag, 17 februari 2026, om 10.29 uur heeft [verweerder] gereageerd en aan Kwadrant meegedeeld dat hij vanwege gezondheidsproblemen niet op gesprek kon komen. Tevens heeft [verweerder] aangegeven dat hij op dat moment tijdelijk ergens anders verbleef en te allen tijde per e-mail bereikbaar was en binnen een redelijke termijn zou reageren.\n\n2.17.. Per e-mail van dezelfde dag, 17 februari 2026, om 14.13 uur heeft Kwadrant [verweerder] opgeroepen om op 19 februari 2026 om 10.30 uur op gesprek te komen en hem nogmaals gewezen op de arbeidsrechtelijke consequenties bij niet-verschijnen. Verder heeft Kwadrant meegedeeld dat [verweerder] verplicht was zijn huidige verblijfplaats door te geven in verband met de Wet Verbetering Poortwachter, dat een en ander (waaronder het al een week niet bereikbaar zijn voor zijn leidinggevende) niet acceptabel was en dat hij bereikbaar diende te zijn, niet enkel per mail.\n\n2.18.. Per e-mail en per sms van 17 februari 2026 heeft de bedrijfsarts [verweerder] opgeroepen voor het spreekuur via teams op 18 februari 2026 om 9 uur. Per e-mail van 17 februari 2026 om 15.47 uur heeft Kwadrant [verweerder] geattendeerd op voormelde oproep van de bedrijfsarts en op zijn verplichting op grond van de Wet Verbetering Poortwachter om hieraan gehoor te geven om te kunnen beoordelen in hoeverre er sprake is van arbeidsongeschiktheid van [verweerder] en of hij recht heeft op salaris. [verweerder] is 18 februari 2026 niet verschenen op het spreekuur van de bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft die dag herhaaldelijk tevergeefs geprobeerd telefonisch contact met [verweerder] te krijgen.\n\n2.19.. \n\nPer e-mail van 18 februari 2026 met als titel: ‘Contact en terugkoppeling bedrijfsarts’ heeft Kwadrant het volgende, voor zover van belang, aan [verweerder] meegedeeld:\n\nJe hebt tot heden niet gereageerd op mijn mails van gistermiddag. Je hebt telefonisch geen contact opgenomen met je leidinggevende en je neemt je telefoon niet op wanneer wij je proberen te bellen. Gistermiddag heb je per mail en per sms een uitnodiging ontvangen van de bedrijfsarts voor een consult via teams voor vanmorgen om 9.00u. Je bent niet verschenen. Ook was je voor de bedrijfsarts telefonisch niet bereikbaar. Bijgaand ontvang je de terugkoppeling van de bedrijfsarts.\n\nJe houd je niet aan de verplichtingen, voortvloeiende uit de Wet Verbetering Poortwachter. Ook overtreed je onze interne afspraken die wij met elkaar hebben ten aanzien van ziekmelding, bereikbaarheid bij ziekte etc. We kunnen hierdoor niet vaststellen of er sprake is van ziekte en of je recht hebt op salaris. Hierbij deel ik je dan ook mede dat je salaris per vandaag wordt opgeschort. Salarisbetaling zal hervat worden, nadat de bedrijfsarts heeft kunnen constateren dat er sprake is van arbeidsongeschiktheid.\n\nGisteren heb je een uitnodiging ontvangen om morgen om 11.30u aanwezig te zijn bij de [adres] te Drachten om in gesprek te gaan met [bedrijfsrecherche] , in het kader van een onderzoek dat zij aan het verrichten zijn in opdracht van Kwadrant. Je bent verplicht te verschijnen. Zoals aangegeven zal niet verschijnen arbeidsrechtelijke consequenties hebben.\n\nIk wil dat je vandaag nog telefonisch contact opneemt met de bedrijfsarts om een nieuwe afspraak in te plannen. De gegevens staan in het verslag van de bedrijfsarts opgenomen. Daarnaast wil ik dat je vandaag nog telefonisch contact met mij opneemt en bevestigt dat je morgen op de afspraak zult verschijnen. Ook wil ik dat je vandaag je verblijfadres aan ons doorgeeft.\n\n(…)\n\n2.20.. Per e-mail van 19 februari 2026 om 00.59 uur heeft [verweerder] aan Kwadrant, voor zover van belang, meegedeeld dat hij vanwege zijn gezondheidsklachten niet in staat is om deel te nemen aan het gesprek met [bedrijfsrecherche] op 19 februari 2026 en heeft hij verzocht het gesprek naar de week daarop te verplaatsen. Verder heeft [verweerder] geschreven dat hij geen vaste verblijfplaats heeft maar voor de komende periode aan [adres] verblijft en uitsluitend via e-mail bereikbaar is. Ook heeft [verweerder] aangegeven dat hij het gezien de korte aanzeggingstermijn van minder dan 24 uur niet redelijk acht en dat hij niet akkoord gaat met het opschorten van zijn loon vanwege zijn afwezigheid bij de afspraak met de bedrijfsarts.\n\n2.21.. Op 19 februari 2026 heeft [verweerder] contact opgenomen met de bedrijfsarts waarop meteen per videocall een consult heeft plaatsgevonden. In de terugkoppeling van dit consult staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:\n\nProbleem en Vraagstelling van werkgever\n\nProbleem:Werknemer heeft zich ziek gemeld terwijl er problemen bestaan die gerelateerd zijn aan het werk. Werkgever wil graag met werknemer in gesprek over de bestaande problemen. Werknemer geeft bij werkgever aan dat werknemer medische belemmeringen ervaart om in gesprek te gaan met werkgever.\n\nVragen:\n\n1. Heeft werknemer beperkingen op medische grond om een gesprek met werkgever te voeren?\n\n2. Zo ja, zijn er voorwaarden op medische grond waar aan voldaan moet worden om een gesprek wel\n\nmogelijk te maken?\n\n3. Als werknemer medische belemmeringen heeft, is er voldoende zorg voor werknemer? Zo neen,\n\ngraag advies geven aan werknemer voor adequate zorg.\n\nAntwoord op de gestelde vragen:\n\n1. Werknemer is verminderd belastbaar op medische grond t.a.v. veel prikkels uit de omgeving en t.a.v. een zwaar emotioneel appel. Mijns inziens is een gesprek met werkgever wel mogelijk, mits rekening gehouden met specifieke voorwaarden.\n\n2. Specifieke voorwaarden voor een gesprek:\n\na. Eenvoudige, duidelijke informatie, welke overzichtelijk gedeeld wordt. Denk daarbij aan maximaal 4 personen inclusief werknemer zelf. Waarbij om de beurt gesproken wordt. En waarbij werknemer eventuele informatie geprint of per mail mee naar huis krijgt.\n\nb. Advies is dat werknemer zelf een vertrouwd persoon mee neemt.\n\nc. Duur van een gesprek maximaal 30 minuten.\n\nd. Indien er informatie gedeeld wordt met een zware emotionele lading, adviseer ik om een vervolg\n\nvan het gesprek op een ander moment te plannen.\n\ne. Organiseer dat werknemer niet zelf hoeft te rijden rondom een gesprek met emotionele lading.\n\n3. Dit is startende. Werknemer heeft daarover maandag weer contact. Ik spreek werknemer weer over 3\n\nweken en zal dit ook blijven volgen met werknemer.\n\nAdvies:\n\nGraag wil ik werkgever en werknemer de volgende adviezen geven:\n\n• Ga met elkaar probleem oplossend in gesprek. Houdt daarbij rekening met de vermelde voorwaarden.\n\n• Werknemer blijft onder behandeling van de behandelaar.\n\n(…)\n\n2.22.. \n [verweerder] is niet verschenen op het gesprek met [bedrijfsrecherche] van 19 februari 2026 om 11.30 uur. Per e-mail van dezelfde dag met als onderwerp contact en afspraken heeft Kwadrant aan [verweerder] meegedeeld dat hij ondanks het advies van de bedrijfsarts dat hij medisch in staat is om onder voorwaarden in gesprek te gaan, niet verschenen is op de afspraak om 11.30 uur terwijl het vanwege het onderzoek naar de onregelmatigheden van facturaties zeer belangrijk is dat het gesprek plaatsvindt en dat aan niet verschijnen arbeidsrechtelijke consequenties zijn verbonden waarbij een ontslag op staande voet niet is uitgesloten. Verder wordt [verweerder] wederom opgeroepen voor een gesprek op maandag 23 februari 2026 met een vervolggesprek op woensdag 25 februari 2026 en wordt hem dringend verzocht telefonisch contact op te nemen om afspraken te kunnen maken over de locatie van het gesprek en het vervoer.\n\n2.23.. Op vrijdag 20 februari 2026 heeft de volgende e-mail correspondentie tussen partijen plaatsgevonden:\n\n- Om 8.09 uur heeft [verweerder] aan Kwadrant meegedeeld dat hij bereid is mee te werken aan de gesprekken, zoals door de bedrijfsarts is geadviseerd maar dat hij de wijze waarop druk wordt uitgeoefend door Kwadrant (namelijk directe eisen, korte termijnen en dwingende contactmomenten) niet als zorgvuldig en daarmee niet in lijn met het advies van de bedrijfsarts ervaart. [verweerder] heeft een nieuw datumvoorstel gedaan voor de komende woensdag (25 februari 2026) en de vrijdag daarna (27 februari), zodat hij tijd heeft om te bepalen wie hem bijstaat en hij heeft aangegeven de komende maandag (23 februari 2026) na zijn afspraak bij de huisarts tussen 10 en 11 uur te kunnen bellen.\n\n- Om 9.42 uur heeft Kwadrant gereageerd en aan [verweerder] , voor zover van belang, meegedeeld dat hij diezelfde dag nog tussen 10 en 11 uur telefonisch contact dient op te nemen met Kwadrant om af te stemmen hoe laat hij maandag 23 februari 2026 naar de huisarts moet, zodat de afspraak met [bedrijfsrecherche] daarop afgestemd kan worden.\n\n- Om 11.02 uur heeft [verweerder] hierop per e-mail gereageerd en aangegeven dat hij zich die dag emotioneel niet in staat voelt om te bellen en maandag 23 februari 2026 na 10 uur kan bellen en woensdag 25 februari 2026 aanwezig kan zijn voor het gesprek.\n\n- Om 13:21 uur heeft Kwadrant [verweerder] gesommeerd om op maandag 23 februari 2026 om 14.30 uur naar Kwadrant te komen voor een gesprek met [bedrijfsrecherche] en heeft Kwadrant verder het volgende, voor zover van belang, aan [verweerder] meegedeeld:\n\n(…)\n\nWe hebben je afgelopen woensdag bericht dat je salaris werd opgeschort omdat we niet vast konden stellen of er sprake was van arbeidsongeschiktheid. Inmiddels is er contact met de bedrijfsarts geweest, zodat het salaris wordt hervat. Echter, omdat je je niet aan redelijke (werk)instructies houdt, waartoe je wel gehouden kunt worden conform het advies van de bedrijfsarts, heb je geen recht op salaris. Vanaf vandaag wordt je salaris dan ook stopgezet. Het recht op salaris neemt weer een aanvang wanneer je je wel aan redelijke (werk) instructies houdt. Je bent afgelopen week herhaaldelijk niet op een gesprek verschenen, waartoe je wel in staat wordt geacht door de bedrijfsarts. Je neemt daarnaast geen telefonisch contact met ons op, ondanks herhaald verzoek. Hiermee voldoe je niet aan redelijke werkopdrachten. Ook ben je reeds herhaaldelijk erop gewezen dat dit arbeidsrechtelijke gevolgen heeft. Voor nu wordt het salaris stopgezet.\n\n(…)\n\n2.24.. Op 23 februari 2026 heeft Kwadrant tevergeefs geprobeerd [verweerder] telefonisch te bereiken. Per e-mail van dezelfde dag om 11.37 uur heeft [verweerder] aan Kwadrant meegedeeld dat hij bereid is om mee te werken aan gesprekken en zijn re-integratie conform het advies van de bedrijfsarts van 19 februari 2026, maar dat de gesprekken herhaaldelijk eenzijdig zijn ingepland, op korte termijn en zonder afstemming met [verweerder] , waarbij de voorwaarden van de bedrijfsarts niet zijn nageleefd. Verder heeft [verweerder] , voor zover van belang, het volgende geschreven:\n\n(…)\n\nIk begrijp dat wordt gesteld dat ik medisch in staat ben om gesprekken te voeren. Dit is echter nadrukkelijk gekoppeld aan de randvoorwaarden geformuleerd door de bedrijfsarts.\n\nWanneer deze voorwaarden niet worden nageleefd, is deelname aan het vanmiddag geplande gesprek niet verantwoord. Dit is geen werkweigering maar handelen binnen het medisch advies.\n\nOp dezelfde dag gesprek met de huisarts (gemeld in verslag bedrijfsarts) als gesprek met [bedrijfsrecherche] is voor mij niet haalbaar vanwege mijn belastbaarheid en de voorwaarden van de bedrijfsarts.\n\nDaarnaast zijn de richtlijnen van de bedrijfsarts bij de planning voor dit gesprek niet aantoonbaar nageleefd. Om die reden kan ik hier niet aan deelnemen.\n\nDe wijze van handelen vanuit Kwadrant ervaar ik als zeer ingrijpend en intimiderend. Mijn salaris is opgeschort en vervolgens stopgezet. Er is herhaaldelijk gedreigd met consequenties. Er zijn afspraken opgelegd met te korte voorbereidingstijd.\n\nDit alles is gericht op het afdwingen van een gesprek. Tegelijkertijd ervaar ik weinig tot geen aandacht voor mijn ziekmelding, belastbaarheid en herstel en mij als persoon.\n\nHet stopzetten van mijn salaris op basis van vermeende werkweigering acht ik onterecht. Ik werk mee binnen de grenzen van het advies van de bedrijfsarts. Ik verzoek u om dit besluit per direct terug te draaien.\n\nIk verzoek u ook om het advies van de bedrijfsarts leidend te laten zijn.\n\n(…)\n\n2.25.. Per e-mail van 24 februari 2026 heeft Kwadrant aan [verweerder] onder meer meegedeeld dat zij zich wel aan de voorwaarden van de bedrijfsarts heeft gehouden bij de geplande afspraak van de dag ervoor en dat [verweerder] zonder bericht niet op de afspraak is verschenen, telefonisch niet bereikbaar was en niet per e-mail binnen een redelijke termijn heeft gereageerd. Kwadrant heeft twee nieuwe opties voor een moment van een gesprek voorgesteld aan [verweerder] . Verder heeft Kwadrant aan [verweerder] meegedeeld dat – samengevat - zij vasthoudt aan de stopzetting van het salaris zolang [verweerder] zich niet houdt aan de redelijke voorschriften en (werk) instructies.\n\n2.26.. Per e-mail van 26 februari 2026 heeft [verweerder] aan Kwadrant meegedeeld dat hij beschikbaar is om op 3 maart 2026 op gesprek te komen binnen de randvoorwaarden zoals de bedrijfsarts die heeft geadviseerd en dat hij uiterlijk 2 maart 2026 zal doorgeven wie hij als vertrouwenspersoon meeneemt.\n\n2.27.. Per e-mail van 2 maart 2026 heeft [verweerder] aan Kwadrant onder meer meegedeeld dat de afspraak voor de volgende dag niet door kan gaan omdat zijn vertrouwenspersoon door overmacht niet beschikbaar is.\n\n2.28.. Op 4 maart 2026 heeft Kwadrant een lijst van [bedrijfsrecherche] aan [verweerder] gestuurd met vragen over – samengevat – zijn rol in de ‘frauduleuze constructie’ met de facturen. Kwadrant heeft [verweerder] verzocht om de vragen schriftelijk te beantwoorden op uiterlijk 9 maart 2026.\n\n2.29.. Per e-mail van 10 maart 2026 heeft [verweerder] de volgende, voor zover van belang, reactie aan Kwadrant gestuurd:\n\nHet verbaast mij enigszins dat mij deze vragen worden voorgelegd. In de afgelopen twee jaar ben ik medeverantwoordelijk geweest voor de implementatie van AFAS (…).\n\nHiervoor heb ik met veel verschillende partijen samengewerkt. In mijn ogen is het heel gemakkelijk om mij nu een aantal partijen voor de voeten te werpen met dit soort vragen.\n\n(…)\n\nIk kan een hele lijst opstellen van nog meer organisaties, partijen of individuen die geen of slechts een minimale bijdrage hebben geleverd tegen forse onkostenvergoedingen.\n\n(…)\n\nNogmaals: als je mij zulke vragen stelt zonder enige context over hoe er intern wordt gehandeld en hoe eenvoudig opdrachten worden verstrekt, dan wordt er een beeld geschetst waarin mijn handelen als verdacht wordt neergezet. Terwijl dat handelen juist volledig in lijn ligt met de manier waarop binnen de organisatie wordt gewerkt.\n\n(…)\n\n2.30.. In het op 20 maart 2026 gedateerde onderzoeksrapport van [bedrijfsrecherche] , heeft zij het volgende geconcludeerd:\n\nUit het onderzoek blijkt dat de heer [verweerder] instructies heeft gegeven en letterlijke teksten heeft gedicteerd aan het e-mailadres ' [mailadres 2] ', over de wijze van indienen van facturen bij zijn werkgever Kwadrant. De heer [verweerder] heeft ook een factuur van [bedrijf 1] naar dat e-mailadres verzonden, voordat deze factuur door [bedrijf 1] bij Kwadrant werd ingediend.\n\nOok is gebleken dat de heer [verweerder] een conceptmail had opgesteld in zijn zakelijke mailbox van Kwadrant met de ondertekening ' [bedrijf 2] '. Deze conceptmail bleek exact dezelfde tekst en ondertekening te bevatten als de e-mail met de eerste factuur van [bedrijf 2] naar de crediteuren mailbox van Kwadrant. Deze conceptmail bleek bovendien op dezelfde dag te zijn opgesteld, maar enkele uren eerder, als de dag waarop de eerste factuur van [bedrijf 2] aan Kwadrant is verzonden. De heer [verweerder] heeft daarnaast de Crediteurenafdeling er ook op geattendeerd dat een factuur van [bedrijf 1] niet was betaald.\n\n(…)\n\nDe heer [verweerder] heeft geen gebruikgemaakt van de gelegenheid om de vastgestelde handelswijze toe te lichten. Ook op de schriftelijke vragen ten aanzien van deze casus heeft de heer [verweerder] niet gereageerd.\n\nBovenstaande bevindingen wijzen erop dat de heer [verweerder] zijn kennis van de organisatie heeft gebruikt om op onrechtmatige wijze geld van zijn werkgever te onttrekken.\n\n2.31.. Per e-mail van 26 maart 2026 heeft [naam 3] namens [bedrijf 1] het volgende, voor zover van belang, aan Kwadrant meegedeeld:\n\nNaar aanleiding van het contact dat ik met ING heb gehad, neem ik vertrouwelijk contact met u op om te komen tot een oplossing voor de kwestie waar u en ik ons mee geconfronteerd weten.\n\nUit de informatie die mij ter beschikking is gesteld, blijkt dat [bedrijf 1] in 2025 meerdere malen aan Kwadrant heeft gefactureerd voor AFAS-gerelateerde consultwerkzaamheden. Ik wil daarbij uitdrukkelijk vermelden dat ikzelf niet betrokken ben geweest bij de uitvoering van of de besluitvorming rondom deze werkzaamheden. Ik heb hiervan pas kennisgenomen naar aanleiding van de melding die Kwadrant recent bij ING heeft ingediend, inhoudende dat de gefactureerde diensten niet zouden zijn geleverd.\n\nZonder vooruit te lopen op een inhoudelijke beoordeling van de situatie, doe ik u het volgende voorstel. Namens [bedrijf 1] ben ik bereid over te gaan tot volledige terugbetaling van de gefactureerde bedragen, zodat deze kwestie voor beide partijen definitief kan worden afgesloten.\n\n(…).\n\n2.32.. Op 2 april 2026 heeft [naam 3] namens [bedrijf 1] een bedrag van € 18.997,00 op de rekening van Kwadrant gestort.\n\n2.33.. Bij brief van 13 april 2026 heeft Kwadrant [naam 1] , voor zover van belang, gesommeerd het ten onrechte ontvangen bedrag van € 102.800,80 te vermeerderen met rente en incassokosten te voldoen. Bij de brief aan [naam 1] heeft Kwadrant een overzicht van de door haar ontvangen facturen in de periode 27 mei tot en met 31 december 2025 ten titel van ‘consultancy werkzaamheden’ gevoegd.\n\n2.34.. Per e-mail van 23 april 2026 heeft [naam 1] het volgende, voor zover van belang, aan Kwadrant meegedeeld:\n\n(…)\n\nIk ben op de hoogte van de kwestie rondom de factureringen in de genoemde periode en wens dit in goed overleg af te wikkelen.\n\nIk ben bereid het door mij ingehouden bedrag terug te betalen. Ter verduidelijking: hoewel het volledige bedrag van € 102.800,80 op mijn rekening is ontvangen, heb ik slechts 30% behouden. 70% is overgemaakt aan de heer [verweerder] , werkzaam bij Stichting Kwadrant, tegen wie momenteel een gerechtelijke procedure loopt voor dezelfde feiten (…). Volgens mijn kennis en inzicht is de constructie door de heer [verweerder] opgezet; hij kende de financieel-logistieke processen binnen Stichting Kwadrant.\n\nHet bewijs van de overmakingen aan de heer [verweerder] heb ik in februari 2026 aan de bank overgelegd.\n\n(…).\n\n [naam 1] heeft, naast de eerder genoemde uitdraaien van Whatsapp- en Signalgesprekken, bankafschriften waarop overboekingen van hem aan [verweerder] staan vermeld over de periode juni 2025 tot januari 2026 aan Kwadrant gestuurd.\n\n2.35.. Op 23 april 2026 is een document aangemaakt waarvan in de broninformatie [verweerder] als auteur en als degene die het document het laatst heeft gewijzigd wordt vermeld. In het document, met als titel ‘Betalingsverklaring’ (hierna: de betalingsverklaring) staat vermeld dat [verweerder] zich verplicht om 70% van het totaal verschuldigde bedrag van € 106.451,11 in termijnen te betalen op voorwaarde dat zijn naam niet zal worden genoemd in ieder geval tot de datum van de rechtszitting op 22 mei 2026.\n\n2.36.. Per e-mail van 28 april 2026 van de gemachtigde van Kwadrant aan de gemachtigde van [verweerder] wordt [verweerder] naar aanleiding van het dringend advies van de bedrijfsarts om met elkaar in gesprek te gaan, uitgenodigd voor een viergesprek tussen een afgevaardigde van Kwadrant en [verweerder] en hun beider gemachtigden, met inachtneming van de belemmeringen die de bedrijfsarts kenbaar heeft gemaakt. De uitnodiging is vervolgens namens [verweerder] afgewezen.\n\n2.37.. Op 12 mei 2026 heeft Kwadrant, na daartoe op dezelfde datum verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, conservatoir derdenbeslag doen leggen onder een viertal bankrekeningen van [verweerder] (ING en ABN AMRO). De vordering waarvoor het beslag is verleend is daarbij bepaald op € 152.745,93.\n\n2.38.. Op 13 mei 2026 heeft [bedrijfsrecherche] gesproken met [naam 1] . In het naar aanleiding daarvan door [naam 1] ondertekende gespreksverslag is, voor zover van belang, vermeld dat [naam 1] heeft verklaard dat hij [verweerder] via [naam 3] heeft leren kennen en dat [verweerder] degene was die het account beheerde van [mailadres 1] van waaruit de facturen naar Kwadrant werden verstuurd, terwijl [naam 1] zelf nooit toegang heeft gehad tot dit account. Ook heeft [naam 1] verklaard de facturen niet zelf te hebben opgesteld en pas van [verweerder] via de Signalchat te hebben ontvangen nadat de bank begin februari 2026 contact opnam. Op de vraag hoe het contact met [verweerder] is verlopen heeft [naam 1] het volgende verklaard:\n\n(…) Hij heeft mij uitgelegd wat voor constructie hij had bedacht en of ik mijn gegevens wilde delen, zodat hij mijn bedrijfsgegevens kon gebruiken. Hij vertelde wanneer er een betaling zou worden gedaan. De afspraak was dat ik 30% mocht houden en de overige 70% moest ik doorsturen naar zijn rekeningnummer.\n\n(…)\n\nIk heb na berichtgeving van de advocaat van Kwadrant [verweerder] benadert om voor te stellen alles gezamenlijk terug te betalen. [verweerder] wilde daar niet aan meewerken. Hij gaf aan dat hij twijfelde of hij terug wilde betalen. Op enig moment heeft hij gezegd dat hij wel akkoord wilde gaan met alles terugbetalen als ik beloofde zijn naam niet te noemen. Hij heeft een document opgesteld waarin hij belooft mij het volledige bedrag over te maken in ruil voordat ik zijn naam niet noem. Ik toon u dat document. Dat heeft hij opgemaakt en ondertekend op 23 april. Daarna heb ik niets meer van hem gehoord.\n\n(…)\n\n2.39.. Op 18 mei 2026 heeft [naam 1] de betalingsverklaring en het door hem geaccordeerde en ondertekende verslag van het gesprek van 13 mei 2026 aan [bedrijfsrecherche] gestuurd.\n\n2.40.. Kwadrant heeft aangifte bij de politie gedaan tegen [verweerder] .\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. \n\nKwadrant verzoekt – na wijziging van verzoek - de kantonrechter om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoer bij voorraad:\n\nI. de arbeidsovereenkomst tussen partijen met onmiddellijke ingang te ontbinden, althans op zo kort mogelijk termijn, althans met ingang van een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen tijdstip op een redelijke grond in de zin van de wet, zonder toekenning van transitievergoeding;\n\nII. [verweerder] te veroordelen tot het betalen van een bedrag van € 102.800,80 aan Kwadrant, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de betaling van de bedragen, althans vanaf de dag van indienen van het verzoekschrift, tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nIII. [verweerder] te veroordelen tot het betalen van de schade welke Kwadrant lijdt door het instellen van onderzoek, waaronder de facturen van [bedrijfsrecherche] ad € 18.696,07, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der verschuldigdheid, althans vanaf een door de kantonrechter te bepalen datum, alsmede de kosten van de accountant, nader op te maken bij staat, met een verwijzing naar de schadestaatprocedure;\n\nIV. met veroordeling van [verweerder] in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen het salaris van de gemachtigde van Kwadrant en de kosten van het leggen van beslag.\n\n3.2.. Kwadrant heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd – kort weergegeven – dat [verweerder] zodanig verwijtbaar heeft gehandeld dat van Kwadrant in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. [verweerder] is de initiator van een constructie waarbij hij zichzelf financieel heeft verrijkt ten koste van Kwadrant. Op zeer geraffineerde wijze heeft [verweerder] ervoor gezorgd dat Kwadrant voor in totaal € 121.797,80 aan onterechte facturen heeft voldaan. Door dit frauduleuze handelen van [verweerder] is er sprake van zeer ernstige integriteitsschendingen. Dit is volgens Kwadrant ernstig verwijtbaar zodat er moet worden ontbonden op de kortst mogelijke termijn zonder toekenning van de transitievergoeding. Daarbij heeft Kwadrant door het onrechtmatig handelen schade geleden en heeft zij kosten moeten maken om de aansprakelijkheid van [verweerder] vast te stellen, waardoor zij recht heeft op schadevergoeding, aldus Kwadrant.\n\n4. Het verweer en de tegenverzoeken\n\n4.1.. \n [verweerder] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen. [verweerder] voert daartoe - samengevat – het volgende aan. Het opzegverbod tijdens ziekte staat aan het ontbindingsverzoek in de weg. Verder wordt betwist dat [verweerder] valse facturen zou hebben gestuurd en \u002Fof enige betrokkenheid zou hebben gehad bij de verzending van valse facturen. Ook wordt betwijfeld of er wel sprake is van spookfacturen, omdat Kwadrant geen beleid heeft bij het uitbesteden van opdrachten en iedereen binnen de organisatie maar wat doet. Er is dan ook geen sprake van (ernstig) verwijtbaar handelen van [verweerder] en het verzoek tot schadevergoeding van Kwadrant moet worden afgewezen. Overigens kan het verzoek sowieso niet als nevenverzoek worden behandeld, gezien de complexiteit ervan, aldus [verweerder] .\n\n4.2.. \n [verweerder] heeft een voorlopige voorziening ingediend tot – samengevat - betaling van het salaris vanaf 19 februari 2026 en wedertewerkstelling bij herstel, op straffe van een dwangsom. Ook heeft [verweerder] een zelfstandig tegenverzoek gedaan. [verweerder] verzoekt – samengevat - veroordeling van Kwadrant tot betaling van het loon vanaf 19 februari 2026 tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente, alsmede wedertewerkstelling zodra hij voldoende hersteld is onder verbeurte van een dwangsom.\n\n4.3.. Voor zover er toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] – samengevat - om toekenning van een billijke vergoeding van € 50.000,00 en betaling van de transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Tevens verzoekt [verweerder] veroordeling van Kwadrant tot betaling van zijn salaris en de volledig eindafrekening, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente.\n\n5. De beoordeling van het verzoek\n\n5.1.. Bij aanvang van de mondelinge behandeling heeft mr. Bauer namen [verweerder] bezwaar gemaakt tegen het late tijdstip van indiening door Kwadrant van de akte met producties 39 tot en met 42. De kantonrechter zal het namens [verweerder] ingediende bezwaar passeren. De goede procesorde staat niet aan toelating in de weg. Daarbij wordt in aanmerking genomen de – niet weersproken - toelichting van Kwadrant inhoudende dat de stukken niet eerder door haar konden worden ingediend en ook deels bekend waren. Dat [verweerder] niet voldoende gelegenheid heeft gehad om te kunnen reageren op de stukken is niet gebleken. De stukken worden daarmee geacht deel uit te maken van het procesdossier.\n\n5.2.. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.\n\n5.3.. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is.Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.Verder mag er geen opzegverbod in de weg staan aan een ontbinding van de arbeidsovereenkomst.\n\nhet opzegverbod tijdens ziekte staat niet in de weg aan ontbinding\n\n5.4.. De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een opzegverbod, omdat [verweerder] sinds 5 februari 2026 wegens ziekte ongeschikt is voor zijn werk. Dit opzegverbod staat echter niet in de weg aan ontbinding, omdat het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft. Het verzoek om ontbinding is gegrond op verwijtbaar gedrag (frauduleus handelen en het frustreren van het onderzoek) en dat staat in dit geval los van de ziekte van [verweerder] .\n\ner is een redelijke grond voor ontbinding\n\n5.5.. De kantonrechter oordeelt dat er een redelijke grond is voor ontbinding, omdat sprake is van zodanig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] dat van Kwadrant in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dat wordt als volgt toegelicht.\n\n5.6.. Kwadrant legt aan haar ontbindingsverzoek ten grondslag dat sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen door [verweerder] doordat hij de initiator is geweest van een constructie waarbij derden, namelijk [naam 1] en [bedrijf 1] , facturen bij Kwadrant indienden voor niet verrichte werkzaamheden en waarbij hij zelf een substantieel deel van de opbrengsten ontving. [verweerder] heeft gebruikmakend van zijn kennis van de organisatie en van het betaalproces gefraudeerd en daarbij gelden onttrokken aan Kwadrant voor een bedrag van € 121.97,80.\n\n5.7.. Ter onderbouwing van haar stellingen heeft Kwadrant zich onder meer gebaseerd op het onderzoek van [bedrijfsrecherche] . Hieruit is volgens Kwadrant gebleken dat [verweerder] instructies heeft gegeven aan [bedrijf 1] ( [naam 3] ) en [naam 1] over het indienen van facturen bij Kwadrant. Ook is uit het onderzoek gebleken dat in de mailbox van [verweerder] concepten en e-mails zijn aangetroffen die rechtstreeks aansloten bij de ingediende facturen terwijl er geen aanwijzingen waren dat er daadwerkelijk werkzaamheden door [naam 1] en [bedrijf 1] waren verricht voor Kwadrant. Het enkele verweer dat [verweerder] hier tegenover stelt, namelijk dat iedereen in zijn computer kon en e-mails kon opstellen en versturen, dat gemotiveerd is weersproken door Kwadrant - onder meer met het argument van het clean desk\u002Fclear screen-beleid - wordt in dit verband onvoldoende geacht. Het had op de weg van [verweerder] gelegen zijn verweer nader te specificeren, bijvoorbeeld door onderbouwd aan te geven wie dit dan gedaan zou (kunnen) hebben, op welke wijze en met welke reden, hetgeen [verweerder] niet heeft gedaan. De kantonrechter acht de conclusie van [bedrijfsrecherche] dat [verweerder] zijn kennis van de organisatie heeft gebruikt om op onrechtmatige wijze geld van zijn werkgever te onttrekken dan ook gerechtvaardigd.\n\n5.8.. Kwadrant heeft haar stelling dat [verweerder] bovendien als spin in het web van de door [bedrijfsrecherche] geconstateerde fraude moet worden beschouwd, onderbouwd met de via [naam 1] in het geding gebrachte Whatsapp- en Signalcorrespondentie, en zijn bankafschriften. Volgens Kwadrant blijkt uit de inhoud van die overgelegde correspondentie en bankafschriften dat [verweerder] en [naam 1] elkaar kennen, dat [verweerder] het initiatief heeft genomen tot de facturatie, dat [verweerder] facturen heeft opgesteld of laten opstellen, dat hij de betaling binnen Kwadrant heeft gevolgd en dat [naam 1] vervolgens 70% van de ontvangen bedragen aan [verweerder] heeft doorbetaald. [verweerder] betwist dat hij [naam 1] kent en dat hij heeft deelgenomen aan de in het geding gebrachte Whatsapp- en Signalcorrespondentie. Volgens [verweerder] is de correspondentie gefabriceerd en niet van hem afkomstig.\n\n5.9.. De kantonrechter oordeelt als volgt. Vast staat dat er in de periode juni 2025 tot en met januari 2026 facturen zijn ingediend door [naam 1] en [bedrijf 1] . Ook staat vast dat het bedrag ad € 18.997,00 dat Kwadrant aan [bedrijf 1] heeft betaald, inmiddels volledig is terugbetaald door [bedrijf 1] aan Kwadrant. Het verweer van [verweerder] dat [bedrijf 1] in opdracht van [verweerder] (naar genoegen) werkzaamheden zou hebben verricht zonder dat [verweerder] betrokken was bij de facturering hiervan faalt. Nog daargelaten dat uit het onderzoek van [bedrijfsrecherche] reeds is gebleken dat [verweerder] wel degelijk betrokken was bij de (instructies over de) facturering, wordt zijn stelling dat in opdracht werkzaamheden zijn verricht door [bedrijf 1] gelogenstraft door de terugbetaling van het gehele bedrag door [bedrijf 1] .\n\n5.10.. Wat [naam 1] betreft heeft Kwadrant onder overlegging van bankafschriften gesteld dat [naam 1] € 72.061,00 aan [verweerder] heeft overgemaakt, wat als zodanig ook niet wordt betwist door [verweerder] . De kantonrechter neemt daarom tot uitgangspunt dat [verweerder] in ieder geval € 72.061,00 heeft ontvangen. De verklaring ter zitting van [verweerder] dat het overboekingen waren vanwege privézaken acht de kantonrechter niet geloofwaardig, temeer nu [verweerder] anderzijds heeft betoogd dat hij [naam 1] niet kent. Beide stellingen vallen niet met elkaar te rijmen. Kwadrant heeft naast de betalingsverklaring en het daarbij behorende brondocument (zie r.o. 2.35) correspondentie in het geding gebracht waarin onder meer in detail wordt gesproken over (de wijze, het aanmaken, en de aankondiging van) de facturering, waarin betaalverzoeken worden gedaan, de 70\u002F30 verdeling van gelden wordt besproken en instructies worden gegeven over wat [naam 1] wel en niet moet zeggen als de bank vragen stelt. [verweerder] heeft hier tegenover enkel als algemeen verweer aangevoerd dat de betalingsverklaring en de correspondentie fake zijn en niet van hem afkomstig zijn. Dit verweer wordt onvoldoende geacht. Het had op de weg van [verweerder] gelegen om tegenover de concrete, specifieke feiten en omstandigheden die Kwadrant ter onderbouwing van haar stellingen naar voren heeft gebracht, ook met een gemotiveerd en specifiek verweer te komen. Het algemene, niet nader onderbouwde verweer van [verweerder] volstaat in dat verband niet.\n\ner is sprake van ernstige verwijtbaarheid\n\n5.11.. De conclusie van de kantonrechter is dat Kwadrant voldoende heeft gesteld dat [verweerder] als spin in het web van frauduleuze handelingen, in de vorm van spookfacturen, ten nadele van Kwadrant heeft gefungeerd en daarmee een aanzienlijk bedrag aan zorggeld heeft onttrokken. Naar het oordeel van de kantonrechter zijn deze gedragingen van [verweerder] zodanig verwijtbaar dat van Kwadrant in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Het is – zoals zij heeft aangevoerd - voor Kwadrant, die werkt met publieke middelen, van groot belang dat zij kan vertrouwen op de integriteit van haar medewerkers en dat geldt zeker voor een [functie] die toegang heeft tot systemen, processen en informatie. Van een [functie] mag volstrekt integer handelen worden verwacht en naar het oordeel van de kantonrechter moet [verweerder] zich ook bewust zijn geweest van het onoirbare karakter van zijn gedragingen en de integriteitsschending die hij hiermee heeft gepleegd. De kantonrechter kwalificeert het handelen van [verweerder] dan ook niet slechts als verwijtbaar maar tevens als ernstig verwijtbaar.\n\ngeen herplaatsing en ontbindingsdatum per heden\n\n5.12.. Omdat de kantonrechter het handelen van [verweerder] als ernstig verwijtbaar kwalificeert ligt herplaatsing niet in de rede. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op 24 juni 2026, de datum van deze beschikking.Dat is conform het verzoek van Kwadrant op een eerdere datum dan die waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd.\n\ngeen transitievergoeding en geen billijke vergoeding\n\n5.13.. Omdat het eindigen van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] is op grond van artikel 7:673 lid 7 sub c BW geen transitievergoeding verschuldigd. Nu [verweerder] geen aanspraak heeft op een transitievergoeding, wordt zijn (voorwaardelijk) tegenverzoek op dit punt afgewezen.\n\n5.14.. Voor toekenning van een billijke vergoeding aan [verweerder] bestaat evenmin grond. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.Daarvan is in dit geval geen sprake, nu de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbare gedragingen van [verweerder] . Hetgeen [verweerder] heeft aangevoerd over onterechte beschuldigingen aan zijn adres met als gevolg reputatieschade en stress, alsmede de verwijten die Kwadrant worden gemaakt ten aanzien van werkdruk en werkomstandigheden die tot arbeidsongeschiktheid van [verweerder] zouden hebben geleid – hetgeen door Kwadrant wordt weersproken - kunnen [verweerder] dan ook, wat daar ook van zij, niet baten.\n\n5.15.. Kwadrant hoeft geen gelegenheid te krijgen het ontbindingsverzoek in te trekken, omdat aan de ontbinding geen billijke vergoeding wordt verbonden.\n\nKwadrant heeft schade geleden\n\n5.16.. Kwadrant heeft aan haar verzoek tot schadevergoeding het volgende ten grondslag gelegd. Door de bedrijfsfraude is € 121.797,80 aan Kwadrant onttrokken. Hiervan is later € 18.997,00 door [bedrijf 1] terugbetaald. Het resterende bedrag van € 102.800,80 dat ziet op de onterecht door Kwadrant betaalde facturen van [naam 1] dient voor rekening van [verweerder] te komen, die aansprakelijk is vanwege zijn onrechtmatige en ernstig verwijtbare handelen alsmede op grond van artikel 7:661 BW, nu er sprake is van opzettelijk handelen door [verweerder] . Ter onderbouwing van de gestelde schade van € 102.800,80 heeft Kwadrant de aan haar gerichte facturen van [bedrijf 1] en [naam 1] in het geding gebracht. Tevens vordert Kwadrant op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW de kosten van het onderzoek naar bedrijfsfraude van [bedrijfsrecherche] (ad € 18.696,07) en de accountant (nader op te maken bij staat) die zij heeft moeten maken.\n\n5.17.. \n [verweerder] heeft de verschuldigdheid van enige schadevergoeding betwist, primair omdat volgens hem de grondslag voor aansprakelijkheid ontbreekt, subsidiair omdat de schadevordering te complex zou zijn om als nevenverzoek te kunnen worden behandeld in de onderhavige procedure.\n\n5.18.. Naar het oordeel van de kantonrechter kwalificeert het handelen van [verweerder] niet alleen als ernstig verwijtbaar maar tevens als onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW. Daarmee is de grondslag voor de aansprakelijkheid van [verweerder] voor de door zijn handelen veroorzaakte schade al gegeven en faalt zijn verweer op dit punt. Nu de schade verband houdt met de (beëindiging van de) arbeidsovereenkomst en met het handelen van [verweerder] als werknemer kan de verzochte schadevergoeding ingevolge het bepaalde in artikel 7:686a lid 3 BW als nevenverzoek worden behandeld.\n\n5.19.. Ten aanzien van de omvang van de schade wordt overwogen dat voldoende onderbouwd gesteld en niet (voldoende) weersproken is dat Kwadrant (ten gevolge van het onrechtmatig handelen van [verweerder] ) ten onrechte een bedrag van € 102.800,80 aan [naam 1] heeft voldaan, zodat vaststaat dat dit bedrag onttrokken is aan Kwadrant.\n\n5.20.. \n [verweerder] heeft ter zitting de omvang van de schade waarvoor hij aansprakelijk kan worden gehouden betwist met het argument dat er op grond van de stukken onvoldoende bewijs is dat hij dermate grote bedragen heeft ontvangen. Dit verweer faalt. Zoals hiervoor reeds is geoordeeld kan ervan worden uitgegaan dat een bedrag van in ieder geval € 72.061,00 van [naam 1] naar [verweerder] is overgemaakt. Maar, ongeacht of het resterende ontbrekende bedrag nog in bezit is van [naam 1] of iemand anders, acht de kantonrechter dat, gelet op alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang en verband bezien, voldoende aannemelijk is geworden dat [verweerder] een allesbepalende, coördinerende en prominente rol in de gehele constructie van de spookfacturen heeft gespeeld. Dit kan genoegzaam worden afgeleid uit onder meer de in het geding gebrachte WhatsApp- en Signalcorrespondentie. Daarmee is [verweerder] naar het oordeel van de kantonrechter aansprakelijk voor de totale schade die Kwadrant heeft geleden door het ten onrechte betalen van de facturen aan [naam 1] . De vordering onder II. zal dan ook worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectievelijke betaaldata door Kwadrant van de onderliggende facturen.\n\n5.21.. Kwadrant heeft verder nog om vergoeding van kosten verzocht voor het onderzoek van [bedrijfsrecherche] als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b BW. Kwadrant heeft haar schade onderbouwd met in het geding gebrachte facturen van [bedrijfsrecherche] . [verweerder] heeft de (omvang van de) schade niet weersproken en ook anderszins is niet gebleken dat deze niet redelijk is. De onder III. verzochte schadevergoeding zal daarom als onweersproken worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectievelijke data van verschuldigdheid van de facturen van [bedrijfsrecherche] . Nu de grondslag voor de aansprakelijkheid van [verweerder] vast staat en aannemelijk is dat er (een mogelijkheid voor) schade is in verband met het boekenonderzoek door de accountant, zal de onweersproken verzochte verwijzing naar de schadestaatprocedure in verband met accountantskosten eveneens worden toegewezen.\n\nproceskosten\n\n5.22.. De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat hij overwegend ongelijk krijgt en er sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] . De proceskosten aan de zijde van Kwadrant worden begroot op € 2.513,00 (€ 1.504,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\nbeslagkosten\n\nKwadrant verzoekt [verweerder] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 873,04 voor kosten deurwaardersexploten en € 577,00 voor salaris gemachtigde (1,0 punt × € 577,00), totaal € 1.450,04.\n\n6. De beoordeling van het tegenverzoek\n\ngeen wedertewerkstelling\n\n6.1.. Het oordeel dat de arbeidsovereenkomst met [verweerder] zal eindigen per heden, betekent dat het verzoek tot wedertewerkstelling en de daaraan gekoppelde dwangsom niet voor toewijzing in aanmerking komen.\n\nloonbetaling\n\n6.2.. \n [verweerder] heeft verzocht om zijn salaris vanaf 19 februari 2026 tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd te betalen. [verweerder] heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de loonstop die Kwadrant per die datum heeft ingevoerd onterecht was. [verweerder] heeft volgens hem meegewerkt aan alles wat er gevraagd werd, alleen niet op de manier die Kwadrant voor ogen stond. [verweerder] heeft gereageerd op de verzoeken van zijn werkgever en van de bedrijfsarts en ook aangegeven dat hij mediation wilde. Kwadrant wilde echter openheid over de kwestie rond de facturen en de afspraken die zij wilde maken waren daarop gericht en niet op zijn re-integratie, aldus [verweerder] .\n\n6.3.. Kwadrant betwist dat zij nog loon is verschuldigd aan [verweerder] en heeft daartoe – samengevat – het volgende aangevoerd. De bedrijfsarts heeft op 19 februari 2026 geoordeeld dat een gesprek tussen [verweerder] en de werkgever mogelijk was onder voorwaarden. Kwadrant heeft die voorwaarden gerespecteerd en zij heeft expliciet bij de bedrijfsarts gevraagd of [verweerder] tot een gesprek in staat was. Vanwege het weigeren te voldoen aan deze redelijke instructie van Kwadrant, namelijk het in gesprek gaan over de facturen, dat conform het advies van de bedrijfsarts kon worden verlangd van [verweerder] , is het loon – na opschorting – terecht stopgezet, aldus Kwadrant.\n\n6.4.. De kantonrechter is van oordeel dat Kwadrant het loon van [verweerder] ten onrechte heeft stopgezet. Ingevolge het bepaalde in artikel 7:629 BW heeft een werknemer tijdens ziekte in beginsel aanspraak op doorbetaling van loon. Enkel onder bepaalde, strikte voorwaarden kan hiervan worden afgeweken. Aan deze voorwaarden is naar het oordeel van de kantonrechter hier niet voldaan. Als volgt wordt overwogen.\n\n6.5.. Volgens Kwadrant heeft [verweerder] geweigerd mee te werken aan een redelijke werkinstructie van zijn werkgever, waardoor hij geen aanspraak heeft op loon. Dit is echter onvoldoende voor stopzetting van het loon, nu niet gebleken is dat de instructie in kwestie gericht was op de re-integratie van [verweerder] . [verweerder] heeft in dit verband gesteld dat de aan hem gerichte verzoeken van Kwadrant enkel bedoeld waren om het gesprek aan te gaan over de facturenkwestie met [bedrijfsrecherche] . Deze stelling vindt steun in de feiten en wordt ook niet (voldoende) betwist door Kwadrant. De enkele stelling ter zitting dat redelijke instructies en noodzakelijke communicatie niet alleen voor het onderzoek maar ook in het kader van de re-integratie van [verweerder] bedoeld waren, wordt niet gehonoreerd. Daartoe wordt van belang geacht dat in de in het geding gebrachte correspondentie steevast naar voren komt dat Kwadrant [verweerder] wilde (laten) horen in het kader van het onderzoek naar de facturen. De bedrijfsarts staat, zoals Kwadrant zelf ook ter zitting heeft aangevoerd, buiten het geschil en oordeelt uitsluitend over de belastbaarheid en gespreksmogelijkheid. Uitgangspunt is de re-integratie van de werknemer en niet het verkrijgen van informatie in verband met een fraudeonderzoek. Dit blijkt ook wel uit de terugkoppeling van de bedrijfsarts van 19 februari 2026 waarin geadviseerd wordt om ‘probleem oplossend’ met elkaar in gesprek te gaan (zie r.o.2.21). De weigering van [verweerder] om mee te werken aan de ondervraging door [bedrijfsrecherche] en het afhouden van de door Kwadrant voorgestelde gesprekken die enkel gericht waren op het fraude-onderzoek, kan [verweerder] weliswaar worden verweten maar rechtvaardigt niet de stopzetting van het loon van [verweerder] tijdens ziekte.\n\n6.6.. Het voorgaande betekent dat het verzoek tot loonbetaling van [verweerder] over de periode van 19 februari 2026 tot aan de datum van beëindiging van de arbeidsrelatie, 24 juni 2026, zal worden toegewezen. De kantonrechter ziet in de omstandigheden van het geval, met name de ernstige verwijtbaarheid aan het adres van [verweerder] , aanleiding de wettelijke verhoging te matigen tot nihil. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf het moment van opeisbaarheid van het loon.\n\n6.7.. De proceskosten in het tegenverzoek komen voor rekening van Kwadrant, omdat zij overwegend ongelijk krijgt. Gelet op de samenhang met het verzoek en omdat ten behoeve van het tegenverzoek geen zelfstandige proceshandelingen zijn verricht, worden de proceskosten aan de zijde van [verweerder] vastgesteld op nihil.\n\nVoorlopige voorziening\n\n6.8.. Nu uitspraak is gedaan in het tegenverzoek wordt niet toegekomen aan de behandeling van de verzochte voorlopige voorzieningen.\n\n7. De verdere beoordeling in het verzoek en het tegenverzoek\n\nVerrekening\n\n7.1.. Kwadrant beroept zich op verrekening. Op grond van artikel 6:127 lid 2 BW heeft een schuldenaar de bevoegdheid tot verrekening wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van betaling van de vordering. Gelet op hetgeen hiervoor over het verzoek is overwogen en geoordeeld, heeft Kwadrant recht op betaling van schadevergoeding van in ieder geval € 121.496,87 en heeft zij aldus een vordering op [verweerder] . De vordering van achterstallig loon die [verweerder] op Kwadrant heeft is lager. Het verzoek van Kwadrant om toe te staan dat hetgeen zij nog aan [verweerder] verschuldigd is wordt verrekend met haar opeisbare vordering, wordt dan ook toegestaan.\n\n8. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin de zaak van het verzoek\n\n8.1.. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 24 juni 2026;\n\n8.2.. bepaalt dat [verweerder] geen recht heeft op een transitievergoeding;\n\n8.3.. veroordeelt [verweerder] tot betaling van € 121.496,87 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 102.800,80 vanaf de respectievelijke betaaldata van de onderliggende facturen en over € 18.696,07 vanaf de dag der verschuldigdheid van de onderliggende facturen van [bedrijfsrecherche] ;\n\n8.4.. veroordeelt [verweerder] tot betaling aan Kwadrant van de accountantskosten gemaakt in het kader van het fraudeonderzoek naar de facturen van [bedrijf 1] en [naam 1] , nader op te maken bij staat;\n\n8.5.. veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 2.513,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;\n\n8.6.. veroordeelt [verweerder] in de beslagkosten van € 1.450,04;\n\n8.7.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;\n\n8.8.. wijst het meer of anders verzochte af;\n\nIn de zaak van het tegenverzoek\n\n8.9.. veroordeelt Kwadrant om een [verweerder] te betalen het salaris vanaf 19 februari 2026 tot 24 juni 2026 van € 5.787,48 bruto per maand, alsmede het vakantiegeld en overige emolumenten over deze periode, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van opeisbaarheid van de loonbetalingen tot aan de dag van volledige betaling;\n\n8.10.. veroordeelt Kwadrant in de proceskosten, tot op heden vastgesteld op nihil;\n\n8.11.. wijst het meer of anders verzochte af;\n\nEn voorts in de zaak van het verzoek en het tegenverzoek\n\n8.12.. bepaalt dat Kwadrant het op grond van r.o. 8.9 verschuldigde bedrag mag verrekenen met het op grond van r.o. 8.3 van [verweerder] te ontvangen bedrag.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. T.K. Hoogslag en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2026.\n\n426.\n\n Artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).\n\n Artikel 7:669 lid 1 BW.\n\n Artikel 7:671b lid 2 BW.\n\n Artikel 7:671b lid 9, onder b, BW\n\n Artikel 7:671b lid 9, onder c, BW.\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2457","ecli-nl-rbnne-2026-2457",{"courtName":6,"legalDomain":101,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht; Arbeidsrecht",{"id":103,"ecli":104,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":105,"fullText":106,"language":7,"source":17,"sourceUrl":107,"summary":14,"slug":108,"metadata":109},"784","ECLI:NL:RBNNE:2026:2524","2026-06-23T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-NEDERLAND\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Leeuwarden\n\nZaaknummer: 11884450 \\ CV EXPL 25-5043\n\nVonnis van 23 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n1. [eiser sub 1] ,\n\nte [plaats] ,\n\nhierna te noemen: [eiser sub 1] , 2. [eiser sub 2],\n\nen\n\n3. [eiser sub 3],\n\nbeiden te [plaats] ,\n\nhierna samen te noemen: [eiser sub 2 en 3] , 4. [eiser sub 4],\n\nte [plaats] ,\n\nhierna te noemen: [eiser sub 4] ,\n\neisende partijen in conventie,\n\nverwerende partijen in reconventie,\n\ngedaagden samen te noemen: de huurders,\n\ngemachtigde: mr. D. F. Briedé,\n\ntegen\n\nRECREATIECENTRUM DE HOLLE POARTE B.V.,\n\nte Makkum,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: De Holle Poarte,\n\ngemachtigde: mr. S.J. van Susante.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. \n\nHet verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding - de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie - de conclusie van antwoord in reconventie - de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie en vermeerdering van eis - de conclusie van dupliek in reconventie.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De zaak in het kort\n\n2.1.. Eisers huren een staanplaats op veld [nummer] van Recreatiecentrum De Holle Poarte te Makkum. De Holle Poarte wil het veld herstructureren en heeft - met inachtneming van de Recron-voorwaarden - de huurovereenkomsten met 50 huurders, waaronder eisers, opgezegd tegen 30 september 2026. De huurders stellen kortgezegd dat de opzegging in strijd is met Europese consumentenrecht en met de redelijkheid en billijkheid. Er wordt volgens de huurders onvoldoende rekening gehouden met de door hen gedane investeringen in de kampeermiddelen en de (financiële) gevolgen die de opzegging voor hen heeft. De kantonrechter is van oordeel dat De Holle Poarte de huurovereenkomsten rechtsgeldig heeft opgezegd en dat er geen aanleiding bestaat om op grond van de redelijkheid en billijkheid anders te oordelen en\u002Fof een aanvullende vergoeding aan de huurders toe te komen. De kantonrechter legt dat oordeel hierna uit.\n\n3. De achtergrond van het geschil\n\n3.1.. De huurders huren staanplaatsen op De Holle Poarte te Makkum. Het gaat hier om plaatsen op veld [letter] [eiser sub 4] huurt sinds 15 augustus 1997 staanplaats [staanplaats 1] , [eiser sub 2 en 3] huurt sinds 2011 staanplaats [staanplaats 2] en [eiser sub 1] huurt sinds 3 april 2023 staanplaats [staanplaats 3] . Huurders hebben bedragen variërend van € 20.000,00 tot € 37.500,00 besteed aan de aanschaf (overname) van kampeermiddelen (caravan\u002Fchalet).\n\n3.2.. Van de huurovereenkomst met [eiser sub 4] is geen schriftelijke overeenkomst voorhanden. In de schriftelijke overeenkomsten met [eiser sub 1] en [eiser sub 2 en 3] zijn de Recron-voorwaarden van toepassing verklaard. De Recron-voorwaarden bepalen onder meer:\n\n Artikel 11: Beëindiging door de ondernemer\n\n 1. De ondernemer kan de overeenkomst schriftelijk beëindigen indien:\n\n (…..)\n\n h. de ondernemer een herstructureringsplan voor (een deel van) het terrein tot uitvoering gaat brengen waarvoor de plaats van recreant, waarop een verplaatsbaar of niet meer verplaatsbaar kampeermiddel is geplaatst, nodig is.\n\nOm tot opzegging te kunnen overgaan, moet de ondernemer een concreet en uitvoerbaar plan hebben in die zin dat een eventueel benodigde vergunning, wijziging of ontheffing van het bestemmingsplan is verleend, dan wel op redelijke termijn te verwachten is.\n\n 2. (…..)\n\n3. Bij opzegging wegens herstructurering zoals vermeld onder sub h van het eerste lid dient de ondernemer een opzegtermijn van één jaar in acht te nemen voor afloop van het lopende overeenkomstjaar.\n\n(,,,,,)\n\nArtikel 12: Herstructurering\n\n (…..)\n\n3. In geval van herstructurering waarbij de ondernemer de overeenkomst beëindigt, is de ondernemer verplicht de recreant zo mogelijk een plaats (minimaal gelijkwaardig) op het terrein aan te bieden, tenzij het kampeermiddel gezien de leeftijd van het kampeermiddel en\u002Fof de staat waarin dit verkeert, niet meer op het terrein past.\n\n(…..)\n\n5. a. Indien sprake is van een verplaatsbaar kampeermiddel en een minimaal\n\n gelijkwaardige plaats niet op het terrein beschikbaar is, heeft de recreant de plaats te ontruimen en heeft hij recht op een tegemoetkoming in de verplaatsingskosten indien hij de plaats heeft ontruimd overeenkomstig artikel 15 lid 1. (…..)\n\n6. De tegemoetkoming in de verplaatsingskosten van het kampeermiddel als bedoeld in lid 5 onder a (…..) bedraagt € 1.482. (…..)\n\n7. (…..) De laatste 6 maanden van de opzegtermijn van één jaar kan de recreant gratis gebruik maken van de plaats. (…..)\n\n3.3.. In november 2023 heeft De Holle Poarte haar plannen voor een herstructurering van de camping aan de huurders bekend gemaakt en in een informatiebijeenkomst op 16 maart 2024 heeft zij haar plannen toegelicht. Blijkens de versie van 1 maart 2025 betreft de herstructurering de jaarplaatsen [nummer] t\u002Fm [nummer] en [nummer] t\u002Fm [nummer] . Deze jaarplaatsen voor chalets en stacaravans zullen worden gewijzigd in kampeervelden bestaande uit gras voor 40 toeristische kampeerplekken (waarvan acht met privé-sanitair) voor tenten, toercaravans of campers. Het herstructureringsplan vermeld voorts:\n\nGezien de gestegen en veranderende vraag, willen we daarom het toeristisch kamperen op onze camping graag anders indelen en in omvang uitbreiden. Tegelijkertijd is het [letter] -terrein naar onze mening erg verouderd en zijn de kleine, smalle jaarplaatsen niet meer van deze tijd, waardoor er op dit terreingedeelte naar onze mening veel ruimte voor verbetering is.\n\nBij het plan zijn ook een plattegrond en sfeerbeelden van de nieuwe situatie gevoegd.\n\n3.4.. Bij brief van 28 maart 2025 heeft De Holle Poarte de huurovereenkomsten met de huurders opgezegd op grond van artikel 11, lid 1 aanhef en h van de Recron-voorwaarden tegen 1 oktober 2026 in verband met de voorgenomen herstructurering van de camping. Daarbij is een vergoeding aangeboden op grond van de Recron-voorwaarden, bestaande uit een tegemoetkoming in de kosten van € 1.920,00 indien de staanplaats leeg en opgeruimd wordt opgeleverd. Daarnaast heeft De Holle Poarte aangeboden het staangeld over de laatste zes maanden van de huurperiode te restitueren bij tijdige en lege oplevering.\n\n3.5.. Het betreft de beëindiging van huurovereenkomsten voor vaste plaatsen op slechts een deel van het gehele terrein, te weten veld [letter] Daarbij gaat het om in totaal 50 huurders, waarvan 47 hebben ingestemd met de beëindiging van de huurovereenkomsten en de staanplaatsen hebben ontruimd\u002Fzullen ontruimen.\n\n3.6.. Bij brief van 23 april 2025 is namens de huurders bezwaar gemaakt tegen de opzegging. De Holle Poarte heeft hier bij brief van 8 mei 2025 op gereageerd.\n\n4. De vorderingen\n\nin conventie\n\n4.1.. \n [eisers] vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:\n\nvoor zover Recron-voorwaarden niet van toepassing zijn:\n\n1. te verklaren voor recht dat De Holle Poarte onrechtmatig heeft gehandeld door bij aanvang van de huurovereenkomsten voor staanplaatsen met consument-huurders op onevenwichtige wijze voorwaarden te stellen, en\u002Fof zich schuldig heeft gemaakt aan oneerlijke handelspraktijken door geen rekening te houden met de gerechtvaardigde belangen van de huurders;\n\n2. te verklaren voor recht dat de huuropzegging door De Holle Poarte naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zodat de huurovereenkomst dient voort te duren;\n\n3. voor het geval de opzegging in stand blijft of er opnieuw wordt opgezegd, of terugkeer van de huurder feitelijk onmogelijk wordt gemaakt, te verklaren voor recht dat De Holle Poarte gehouden is aan de huurder(s) schadevergoeding te betalen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.\n\nvoor zover Recron-voorwaarden (analoog) van toepassing zijn:\n\nprimair:\n\n4. te verklaren voor recht dat de artikelen 11 lid 1 sub h, 11 lid 2-3 en 12 van de Recron-voorwaarden (herstructurering en beëindiging door de ondernemer) oneerlijke bedingen zijn in de zin van artikel 6:233 sub a BW juncto Richtlijn 93\u002F13\u002FEEG, en deze bepalingen te vernietigen wegens strijd met dwingendrechtelijke consumentenbescherming;\n\nsubsidiair:\n\n5. voor zover de artikelen niet volledig worden vernietigd, te verklaren voor recht dat genoemde bepalingen in dit concrete geval oneerlijk zijn en derhalve buiten toepassing blijven, met als gevolg dat beëindiging van de huurovereenkomst door De Holle Poarte op grond van herstructurering ongeldig is;\n\nmeer subsidiair:\n\n6. voor het geval de beëindiging van de huurovereenkomst door De Holle Poarte rechtsgeldig wordt geacht, te bepalen dat De Holle Poarte gehouden is tot volledige schadevergoeding van de door huurders gedane investeringen, nu het beding leidt tot een ongerechtvaardigde verschuiving van de financiële lasten van de ondernemer naar de consument, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;\n\nuiterst subsidiair:\n\n7. te verklaren voor recht dat De Holle Poarte gehouden is een billijke en evenredige compensatie te betalen aan de huurder(s) bij beëindiging wegens herstructurering, waarbij de tegemoetkoming zoals voorzien in artikel 12 lid 6 Recron (€ 1.482 \u002F\n\n€ 2.233) buiten toepassing blijft, voor zover deze kennelijk onredelijk is en strijdig met de vereisten van evenwicht en proportionaliteit uit Richtlijn 93\u002F13\u002FEEG;\n\nproceskosten\n\n8. De Holle Poarte te veroordelen in de kosten van de procedure, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente vanaf veertien dagen na betekening van het te wijzen vonnis.\n\n4.2.. De Holle Poarte voert verweer. De Holle Poarte concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] in de kosten van deze procedure.\n\n4.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\nin reconventie\n\n4.4.. \n\nDe Holle Poarte vordert bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren voor recht dat de huurovereenkomst met de huurders per 30 september 2026 is opgezegd en dat de huurders vanaf 1 oktober 2026 zonder recht of titel (jegens De Holle Poarte) op de betreffende jaarplaats verblijven, met veroordeling van de huurders in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\nBij conclusie van dupliek in conventie tevens repliek in reconventie heeft De Holle Poarte haar eis vermeerderd met een veroordeling van elk van de huurder om de door hen gehuurde staanplaats, met al degene die en al hetgeen - niet zijnde bij de kavel behorende zaken - dat zich daarin of daarop of elders op Recreatiecentrum De Holle Poarte bevinden respectievelijk bevindt, uiterlijk 1 oktober 2026, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, te verlaten en ontruimen en ter vrije en algehele beschikking aan De Holle Poarte te stellen, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag, of een gedeelte van een dag dat elk van de huurders in gebreke blijft om aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen, met een maximum van\n\n€ 20.000,00, althans een dwangsom die de kantonrechter in goede justitie rechtmatig acht.\n\n4.5.. \n [eisers] voert verweer. [eisers] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van De Holle Poarte, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van De Holle Poarte in de kosten van deze procedure.\n\n4.6.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nin conventie en in reconventie\n\nDe vorderingen en de vermeerdering van eis\n\n5.1.. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld. De huurders hebben geen conclusie van repliek in conventie genomen, maar gelet op hun verweer tegen de reconventionele vordering van De Holle Poarte, gaat de kantonrechter ervan uit dat zij hun vorderingen in conventie onverkort handhaven.\n\n5.2.. De Holle Poarte heeft bij conclusie van dupliek in conventie tevens repliek in reconventie haar eis vermeerderd met ontruiming door de huurders van de door hen gehuurde staanplaatsen. De kantonrechter zal deze eisvermeerdering toestaan, nu huurders hierdoor niet in hun verdediging zijn geschaad. Uit de gevorderde verklaring voor recht dat de huurovereenkomsten per 1 oktober zijn geëindigd vloeit immers de verplichting van de huurders tot ontruiming van het gehuurde voort.\n\nPrejudiciële vragen\n\n5.3.. Huurders hebben drie prejudiciële vragen geformuleerd. De kantonrechter ziet geen aanleiding om deze vragen aan de Hoge Raad voor te leggen. Er is niet sprake van een procedure waarin een rechtsvraag aan de orde is die ook de afhandeling van vele vergelijkbare geschillen kan bevorderen. Daarvoor zijn de procedures te casuïstisch en is de uitkomst afhankelijk van alle omstandigheden van het geval.\n\nHuurovereenkomsten voor onbepaalde tijd\n\n5.4.. De kantonrechter stelt vast dat de huurovereenkomsten niet zijn aangegaan met het doel om voor één bepaalde periode te gelden en dan te eindigen. Het gaat daarentegen om huurovereenkomsten die jaarlijks automatisch worden verlengd, die in de praktijk vele jaren tot tientallen jaren plegen te blijven bestaan en die op grond van de toepasselijke contractuele voorwaarden alleen door opzegging door de huurder of verhuurder kunnen eindigen. De huurovereenkomsten hebben daarmee het karakter van duurovereenkomsten voor onbepaalde tijd. De huurders sluiten ook niet jaarlijks een nieuwe overeenkomst met De Holle Poarte, althans dit is gesteld noch gebleken. De aan de huurders in eigendom toebehorende caravans en chalets blijven ook gewoon op de kavels staan.\n\nToetsingsmaatstaf opzegging\n\n5.5.. De huurovereenkomsten tussen de huurders en Holle Poarte hebben betrekking op de huur van onbebouwde grond (staanplaatsen voor caravans en chalets). De wettelijke regelingen die aan huurders bijzondere bescherming bieden, zoals huurbescherming en\u002Fof ontruimingsbescherming bij de huur van woonruimte en\u002Fof bedrijfsruimte, zijn op deze huurovereenkomsten niet van toepassing. Wel zijn van toepassing de algemene regels uit de huurtitel van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW), aangevuld met de gewone regels van het verbintenissenrecht.\n\n5.6.. Dit betekent dat op de beëindiging van de huurovereenkomsten artikel 7:228 BW van toepassing is. Volgens lid 2 van dit artikel eindigt een huur die voor onbepaalde tijd is aangegaan of voor onbepaalde tijd is verlengd, door opzegging met een opzegtermijn van tenminste één maand. Artikel 7:228 BW is echter van regelend recht. Dat betekent dat partijen over het beëindigen van de huurovereenkomst andere afspraken kunnen maken, waarbij zij afwijken van artikel 7:228 BW.\n\n5.7.. \n\nVoor zover de Recron-voorwaarden van toepassing zijn - waarover hierna meer - dan zijn in dit geval partijen in artikel 11 van de deze voorwaarden overeengekomen dat De Holle Poarte de huurovereenkomst kan opzeggen wanneer zij een herstructureringsplan voor (een deel van) het terrein tot uitvoering gaat brengen waarvoor de plaats van recreant, waarop een verplaatsbaar of niet meer verplaatsbaar kampeermiddel is geplaatst, nodig is.\n\nOm tot opzegging te kunnen overgaan, moet de ondernemer een concreet en uitvoerbaar plan hebben in die zin dat een eventueel benodigde vergunning, wijziging of ontheffing van het bestemmingsplan is verleend, dan wel op redelijke termijn te verwachten is. Bij die opzegging wegens herstructurering dient De Holle Poarte een opzegtermijn van één jaar in acht te nemen.\n\nDe Recron-voorwaarden\n\n5.8.. Vast staat de er geen schriftelijke overeenkomst is met [eiser sub 4] . Dat bij het sluiten van de overeenkomst met [eiser sub 4] de Recron-voorwaarden van toepassing zijn verklaard, kan dan ook niet worden vastgesteld. Gelet op de datum waarop de overeenkomst met [eiser sub 4] is gesloten, kan in ieder geval worden vastgesteld dat dit niet de Recron-voorwaarden zijn zoals die in werking zijn getreden per 1 maart 2016. Dat deze voorwaarden bepalen dat ze ook van toepassing zijn op lopende contracten, maakt dat niet anders. Desalniettemin is ook [eiser sub 4] regelmatig (bij de verlenging van de huurovereenkomst) over de Recron-voorwaarden geïnformeerd, zoals De Holle Poarte gemotiveerd heeft onderbouwd. Zo staat een verwijzing naar de Recron-voorwaarden op de jaarlijkse facturen, zodat [eiser sub 4] met de inhoud van de door De Holle Poarte gehanteerde Recron-voorwaarden bekend wordt verondersteld. Dat brengt echter nog geen toepasselijkheid met zich.\n\n5.9.. Op de overeenkomsten met [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 1] zijn de Recron-voorwaarden wel van toepassing verklaard, zij het dat het in de overeenkomst met [eiser sub 2 en 3] uitsluitend is geschied in de 'koopovereenkomst met behoud van staanplaats'. Met het verweer van [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 1] dat de Recron-voorwaarden niet van toepassing zijn omdat deze niet ter hand zijn gesteld, miskennen zij dat een wederpartij ook dan aan de algemene voorwaarden gebonden is als bij het sluiten van de overeenkomst de gebruiker (De Holle Poarte) begreep of moest begrijpen dat zij de inhoud daarvan niet kende. De Recron-voorwaarden zijn dus wel van toepassing.\n\n5.10.. Het niet ter hand stellen van de Recron-voorwaarden zou kunnen leiden tot vernietigbaarheid van (een) beding(en) in die voorwaarden. Zowel [eiser sub 2 en 3] als [eiser sub 1] hebben echter in de 'koopovereenkomst met behoud van staanplaats' verklaart te hebben ontvangen en kennis te hebben genomen van de op het recreatiebedrijf geldende regels, zoals de Recron-voorwaarden. Nu [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 1] deze koopovereenkomsten hebben ondertekend, levert die verklaring in die overeenkomst dwingend bewijs op dat zij de Recron-voorwaarden hebben ontvangen. Het is aan [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 1] om tegenbewijs aan te dragen, maar [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 1] hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd die hun stelling dat zij de Recron-voorwaarden desondanks niet hebben ontvangen onderbouwen. Het beroep op vernietigbaarheid omdat de Recron-voorwaarden niet ter hand zouden zijn gesteld gaat dan ook niet op.\n\n5.11.. Dat een redelijke mogelijkheid tot kennisneming is geboden om van de voorwaarden kennis te nemen als bedoeld in artikel 6:233 onderdeel b en artikel 6:234 BW, sluit niet uit dat in een concreet geval sprake is van strijd met het transparantievereiste, wat kan leiden tot het oordeel dat een beding oneerlijk is en vernietigbaar op grond van art. 6:233 onderdeel a BW.\n\n5.12.. Bij de beoordeling of daarvan sprake is stelt de kantonrechter voorop dat de Recron-voorwaarden zijn opgesteld door ondernemersorganisatie Recron en de Consumentenbond. Gelet op de betrokkenheid van de Consumentenbond dient als uitgangspunt te gelden dat de belangen van de consumenten met deze voorwaarden voldoende zijn geborgd. De kantonrechter volgt huurders niet in hun stelling dat de Consumentenbond zich inmiddels heeft gedistantieerd van deze voorwaarden omdat deze niet zouden voldoen aan de vereisten van Europese richtlijnen. Uit de door huurders overgelegde productie blijkt dat de Consumentenbond stopt met tweezijdige algemene voorwaarden omdat deze overbodig zijn geworden doordat de wettelijke rechten van consumenten de laatste jaren sterk zijn uitgebreid. Nu de Consumentenbond wel betrokken is geweest bij de totstandkoming van de Recron-voorwaarden, acht de kantonrechter de belangen van de huurders voldoende gewaarborgd door deze voorwaarden. Desalniettemin zal de kantonrechter het beroep van de huurders op de Europese consumentenbescherming en de implementatie van de desbetreffende richtlijnen in de Nederlandse wetgeving hierna bespreken.\n\nEuropese consumentenbescherming\n\n5.13.. De huurders doen een beroep op de wettelijke rechten van de consumenten. De huurders beroepen zich op de Richtlijn 2005\u002F29\u002FEG (oneerlijke handelspraktijken), de Richtlijn 93\u002F13\u002FEEG (oneerlijke bedingen) en de Richtlijn 2011\u002F83EU (informatie bij consumentenovereenkomsten). Volgens huurders ontbreekt in de huurovereenkomst een deugdelijk en transparant opzegbeding, hetgeen in verband met de aanzienlijke financiële belangen van de huurders en de bekendheid van De Holle Poarte met de aard van de investeringen bijzonder problematisch is. Ook de Recron-voorwaarden bieden geen evenwichtige opzegregeling die rekening houdt met de financiële belangen van de huurders.\n\n5.14.. \n\nDe kantonrechter overweegt als volgt.\n\nDe huurders hebben zich in algemene bewoorden beroepen op de regels van het Europees consumentenrecht zonder specifiek aan te geven welke bepalingen in de overeenkomst en\u002Fof de Recron-voorwaarden nietig of vernietigbaar zijn. De kantonrechter zal (ambtshalve) toetsen of er sprake is van strijd met voormelde richtlijnen. Daarbij zal de kantonrechter aansluiten bij recente jurisprudentie op dit punt in vergelijkbare zaken over de opzegging van huurovereenkomsten van staanplaatsen op recreatieparken.\n\n5.15.. Richtlijn 93\u002F13 EEG bepaalt in artikel 3 lid 1 dat een beding in een overeenkomst waarover niet afzonderlijk is onderhandeld als oneerlijk wordt beschouwd indien dit beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoord. Deze regel is geïmplementeerd in artikel 6:233 van het Burgerlijk Wetboek (BW). In deze procedure staat niet ter discussie dat de huurders consument zijn en dat De Holle Poarte een professionele partij is in de zin van deze Richtlijnen. Beoordeeld dient te worden of het contractuele evenwicht tussen De Holle Poarte als professionele partij en huurders als consumenten aanzienlijk is verstoord met de in artikel 11 van de Recron-voorwaarden opgenomen opzeggingsregeling. Daarvan is niet gebleken. Vast staat immers dat de wet de huurder in gevallen als deze geen huurbescherming biedt. Als in dit geval de opzeggingsregels uit de Recron-voorwaarden niet zouden gelden, zou teruggevallen moeten worden op regelend recht. Onderdeel van dit regelend recht is artikel 7:228 lid 2 BW. Het gaat hier namelijk om een duurovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan en de huur heeft betrekking op een onroerende zaak (de staanplaats) zonder gebouw. Er is volgens die regeling alleen de verplichting om, kort gezegd, een huurtermijn van een maand in acht te nemen. De kantonrechter volgt de huurders niet voor zover zij stellen dat de wettelijke regeling een impliciet beding behelst, dat een ernstige verstoring van het contractuele evenwicht oplevert.\n\n5.16.. In dit geval bevatten de Recron-voorwaarden in artikel 11 e.v. opzeggingsregels die voor de huurder gunstiger zijn dan de wettelijke regeling. Huurders hebben onvoldoende onderbouwd waarom de opzeggingsregeling niettemin oneerlijk is. Daarbij verwijst de kantonrechter nogmaals naar de betrokkenheid van de Consumentenbond bij de totstandkoming van de Recron-voorwaarden. Evenmin valt in te zien waarom het opzeggingsbeding als zodanig is aan te merken als een oneerlijke handelspraktijk in de zin van Richtlijn 2025\u002F29EG (en artikel 6:193a e.v. BW). Waarom sprake zou zijn van onjuiste of misleidende informatie hebben huurders ook niet nader toegelicht.\n\n5.17.. Het beroep van huurders op de Richtlijn informatieplichten wordt evenmin gevolgd. Deze richtlijn, in de Nederlandse wet geïmplementeerd in artikel 6:230h lid 2, aanhef en onder f BW, is niet van toepassing op overeenkomsten voor het doen ontstaan, het verkrijgen of het overdragen van onroerend goed of rechten op onroerend goed. Bij de huurovereenkomst op grond van een jaarplaats op een camping verkrijgt de huurder op grond van een overeenkomst het gebruiksrecht op een onroerende zaak, zodat de bepalingen voor overeenkomsten tussen handelaren en consumenten niet van toepassing zijn in deze situatie.\n\n5.18.. Het betoog dat de opzeggingsregeling nietig of vernietigbaar is in verband met Europese consumentenbescherming zoals neergelegd in de diverse richtlijnen en de Nederlandse wetgeving, wordt daarom verworpen.\n\nOpzegging conform de Recron-voorwaarden\n\n5.19.. Zoals hiervoor reeds is overwogen, bevatten de Recron-voorwaarden in artikel 11 opzeggingsregels die voor de huurder gunstiger zijn dan de wettelijke regeling. De kantonrechter zal bij de beoordeling dan ook tot uitgangspunt nemen de vraag of De Holle Poarte bij de opzegging van de huurovereenkomsten het bepaalde in artikel 11 van de Recron-voorwaarden in acht heeft genomen.\n\n5.20.. De kantonrechter is van oordeel dat De Holle Poarte voldoende heeft aangetoond dat zij ten tijde van de opzegging serieuze, concrete plannen had voor herstructurering van het terrein en dat zij daartoe de staanplaatsen nodig had. Dat er belemmeringen zijn die aan de realisatie van de herstructurering in de weg staan of zouden kunnen staan, is niet gebleken. Daarbij acht de kantonrechter met name van belang dat het uitsluitend een interne inrichting van een deel van het terrein (veld F) betreft, waarbij 50 vaste staanplaatsen ruimte moeten maken voor toeristische kampeerplekken. Dat De Holle Poarte bepaalde bouwactiviteiten uit de vergunningaanvraag heeft verwijderd, maakt dat naar het oordeel van de kantonrechter niet anders. Bovendien heeft De Holle Poarte gemotiveerd toegelicht dat bepaalde bouwwerken vergunningsvrij geplaatst kunnen worden en dat zij voor infrastructurele werkzaamheden (zekerheidshalve) een vergunning heeft aangevraagd. Uit de correspondentie met de gemeente blijkt ook genoegzaam dat er geen nadere vergunningsvereisten zijn die aan de realisatie in de weg staan of zouden kunnen staan. De huurders hebben ook niet nader onderbouwd waarom de plannen van De Holle Poarte desondanks niet voldoende concreet en\u002Fof niet uitvoerbaar zouden zijn.\n\n5.21.. De Holle Poarte heeft niet alleen de in de Recron-voorwaarden genoemde termijn van een jaar in acht genomen, zij heeft de huurders reeds in november 2023 geïnformeerd over de herstructureringsplannen, waardoor zij bijna drie jaar de tijd hebben (gehad) om te anticiperen op de gevolgen van de opzegging. Daarnaast heeft De Holle Poarte de huurders de tegemoetkoming als bedoeld in artikel 12 van de Recron-voorwaarden aangeboden.\n\n5.22.. De kantonrechter komt dan ook tot de slotsom dat de opzegging is geschied overeenkomstig de Recron-voorwaarden.\n\nRedelijkheid en billijkheid\n\n5.23.. In het Goglio-arrest (ECLI:NL:HR:2018:141) over duurovereenkomsten heeft de Hoge Raad overwogen dat indien wet en overeenkomst niet voorzien in een regeling van de opzegging, de overeenkomst in beginsel opzegbaar is. Op grond van art. 6:248 lid 1 BW kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Die eisen kunnen voorts in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen òf dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. Ook als de wet of een duurovereenkomst wel voorziet in een regeling van de opzegging, kunnen, indien de wet en hetgeen tussen partijen is overeengekomen daarvoor ruimte laten, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval op grond van art. 6:248 lid 1 BW meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen gesteld worden.\n\n5.24.. Dat de huurders belang hebben bij een ongewijzigde situatie, mede omdat zij met veel plezier om De Holle Poarte verblijven en ze de nodige kosten hebben gemaakt voor de aanschaf van hun kampeermiddel, staat niet ter discussie. Dat betekent echter niet dat De Holle Poarte handelt in strijd met de redelijkheid en billijkheid door de huurovereenkomsten conform de Recron-voorwaarden op te zeggen omdat ze wenst over te gaan tot herstructurering van een deel van de camping.\n\n5.25.. Het betoog van de huurders dat het herstructureringsplan geen 'voldoende zwaarwegende grond' oplevert, zal de kantonrechter als ongegrond passeren. Anders dan de huurders menen is daarvoor niet vereist dat er sprake is van een dwingende noodzaak zoals veiligheidstekorten, milieuvervuiling, structureel verval of een overheidsopdracht. Dat voor opzegging van een duurovereenkomst een noodsituatie vereist zou zijn, zoals de huurders betogen, blijkt niet uit vaste jurisprudentie hierover. Ook wanneer het recreatiebedrijf uit commerciële overwegingen haar bedrijfsvoering wenst aan te passen aan de ontwikkelingen in de toeristensector, dan staat haar dat in beginsel vrij. Wel moeten haar herstructureringsplannen voldoende concreet en uitvoerbaar zijn en dient zij een redelijke opzegtermijn in acht te nemen. Zoals hiervoor reeds is overwogen heeft De Holle Poarte hier aan voldaan.\n\n5.26.. Bij een overeenkomst als deze kan het voorkomen dat de partij tot wie de opzegging is gericht, met het oog op het voortduren van de overeenkomst investeringen heeft gedaan welke niet enkel worden gecompenseerd door, of verdisconteerd in een bepaalde opzegtermijn. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kunnen, ondanks de redelijke duur van de opzegtermijn, de eisen van redelijkheid en billijkheid nopen tot toekenning van een schadevergoeding. Volgens huurders brengt de redelijkheid en billijkheid met zich dat De Holle Poarte een gepast aanbod tot betaling van schadevergoeding heeft te doen. De huurders hebben investeringen in hun kampeermiddel gedaan en De Holle Poarte heeft dit bevorderd en ervan geprofiteerd, aldus huurders.\n\n5.27.. De kantonrechter is van oordeel dat uit de redelijkheid en billijkheid geen eisen voortvloeien waaraan De Holle Poarte niet heeft voldaan. Zoals hiervoor reeds is overwogen rechtvaardigt de door De Holle Poarte voorgenomen herstructurering van haar terrein en de daarbij gehanteerde opzegtermijn de opzegging van de overeenkomst. Deze voorgenomen herstructurering acht de kantonrechter voldoende zwaarwegend en de opzegtermijn alleszins redelijk. Bovendien heeft De Holle Poarte de huurders een tegemoetkoming in de verplaatsingskosten aangeboden. De kantonrechter volgt de huurders niet in hun betoog dat deze schadeloosstelling onvoldoende is. Het gaat om in beginsel verplaatsbare chalets en caravans die in eigendom toebehoren aan de huurders. Dat het kampeermiddel van [eiser sub 4] door zijn technische\u002Fconstructieve staat niet meer verplaatsbaar zou zijn, zoals van de zijde van huurders gesteld, kan De Holle Poarte niet worden tegengeworpen. Dat de door de huurders betaalde prijs voor de kampeermiddelen mede is bepaald door, en onlosmakelijk is verbonden met de staanplaats zelf, kunnen de huurders De Holle Poarte evenmin tegenwerpen. Dat De Holle Poarte daarvan zou hebben geprofiteerd, zoals de huurders aanvoeren, is door De Holle Poarte gemotiveerd betwist. De huurders hebben ook niet nader toegelicht op welke wijze De Holle Poarte betrokken zou zijn geweest bij de totstandkoming van de prijs die de huurders voor hun kampeermiddel hebben betaald, anders dan dat De Holle Poarte in het verleden wel hebben bemiddeld bij de totstandkoming van de koopovereenkomst met behoud van staanplaats. Dat het voor de huurders lastig is om voor hun kampeermiddel een andere plek te vinden en dat een verhuizing kosten met zich brengt, betekent echter niet dat De Holle Poarte verplicht is in deze kosten bij te dragen of anderszins een hogere vergoeding aan de huurders te betalen dan in de Recron-voorwaarden staat vermeld (geïndexeerd naar het prijspeil van 2025 een bedrag van € 1.920).\n\n5.28.. Voorts acht de kantonrechter van belang dat De Holle Poarte beschikbaar gekomen vervangende plekken op de camping aan de huurders heeft aangeboden. Dat De Holle Poarte daarbij voorrang heeft gegeven aan huurders van wie het kampeermiddel wel voldeed aan de richtlijnen van De Holle Poarte, levert, anders dan huurders stellen, geen willekeur op. Gelet op de leeftijd en uitstraling van het kampeermiddel van de huurders heeft De Holle Poarte aangegeven dat het kampeermiddel niet voor verplaatsing in aanmerking komt, maar dat de huurders een chalet dienen te plaatsen dat voldoet aan de richtlijnen van De Holle Poarte. De huurders hebben niet betwist dat hun kampeermiddel alle ten minste 30 jaar zijn en dat deze qua uitstraling niet voldoen aan de richtlijnen van De Holle Poarte. Evenmin hebben zij betwist dat De Holle Poarte een gerechtvaardigd belang heeft bij een goede uitstraling van de camping in zijn geheel. Dat de huurders niet in staat zijn om een nieuw of jong-gebruikt kampeermiddel aan te schaffen, maakt echter niet dat de opzegging door De Holle Poarte naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.\n\n5.29.. Met betrekking tot [eiser sub 1] overweegt de kantonrechter tot slot dat zij weliswaar redelijk recent (in 2023) het kampeermiddel heeft gekocht, maar [eiser sub 1] heeft niet betwist dat er op dat moment geen herstructureringsplannen met betrekking tot veld [letter] waren. De Holle Poarte kan dan ook niet verweten worden dat zij [eiser sub 1] daarover niet heeft geïnformeerd. Voorts acht de kantonrechter van belang dat zowel in de 'koopovereenkomst met behoud van staanplaats' en in het 'Mietvertrag' is verwezen naar de Recron-voorwaarden. In de Recron-voorwaarden staat uitdrukkelijk vermeld dat de koopprijs van het kampeermiddel niet meer kan zijn dan de waarde van het kampeermiddel zelf, dus zonder de grond, zonder vergoeding van het plekje, de ligging en het uitzicht. Dat De Holle Poarte op enige wijze betrokken is geweest bij de totstandkoming van de koopovereenkomst met [eiser sub 1] , is niet gebleken. Er bestaat naar het oordeel van de kantonrechter dan ook geen aanleiding om, ondanks de relatief korte periode dat [eiser sub 1] van haar kampeermiddel en staanplaats heeft kunnen genieten, een hogere schadevergoeding toe te kennen.\n\n5.30.. Het door de huurders gedane beroep artikel 6:248 BW slaagt dan ook niet.\n\nMisbruik van recht\u002Fonrechtmatige daad\n\n5.31.. Uit de overwegingen over de rechtsgeldigheid van de door Holle Poarte gedane opzeggingen volgt dat er geen sprake is van misbruik van recht. Evenmin hebben de huurders bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat er binnen de contractuele relatie sprake is van een onrechtmatig handelen van De Holle Poarte jegens de huurders.\n\nSlotsom\n\n5.32.. Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de alle vorderingen van de huurders, die er enerzijds op gericht zijn de rechtsgeldigheid van de opzegging van de huurovereenkomsten aan te tasten en anderzijds om een financiële schadevergoeding te bewerkstelligen, zullen worden afgewezen.\n\nProceskosten\n\n5.33.. De huurders zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van De Holle Poarte worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n506,00\n\n(2 punten × € 253,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n126,50\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n632,50\n\nvoorts in reconventie\n\nEinde huurovereenkomst en ontruiming\n\n5.34.. De Holle Poarte vordert een verklaring voor recht dat de huurovereenkomsten per 30 september 2026 zijn opgezegd en dat de huurders vanaf 1 oktober 2026 zonder recht of titel op de betreffende jaarplaats verblijven. Bij vermeerdering van eis heeft De Holle Poarte daarnaast ontruiming van de gehuurde jaarplaatsen gevorderd. Nu er sprake is van een rechtsgeldige opzegging en de huurders geen aanspraak kunnen maken op een (schade)vergoeding die de aangeboden vergoeding op grond van de Recron-voorwaarden overstijgt, zijn de vorderingen toewijsbaar.\n\nUitvoerbaar bij voorraad\n\n5.35.. De veroordeling van huurders om de gehuurde staanplaatsen te ontruimen zal daarbij uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De huurders hebben zich daartegen verzet, waarbij zij hebben verwezen naar het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 mei 2025, waarbij het hof oordeelde dat het recreatiebedrijf jegens bepaalde huurders schadeplichtig was op grond van onrechtmatige daad en dat ontruiming pas mocht plaatsvinden na betaling van de schadevergoeding. Van een vergelijkbare situatie is echter geen sprake. Voorts hebben de huurders nog verwezen naar een tussenarrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 31 december 2024, waarbij een belangenafweging is uitgevallen in het voordeel van de recreanten. Ook deze vergelijking gaat niet op, omdat in die zaak het recreatiebedrijf nog geen concrete plannen voor de betreffende staanplaatsen had zodat haar belang bij ontruiming van de staanplaatsen beperkt was. Bovendien bevond in die zaak de procedure in hoger beroep zich inmiddels in een vergevorderd stadium. In het onderhavige geval, waarbij er wel concrete plannen zijn en 47 van de 50 staanplaatsen wel per 1 oktober 2026 zullen zijn ontruimd, weegt naar het oordeel van de kantonrechter het belang bij De Holle Poarte om haar herstructureringsplannen te kunnen verwezenlijken zwaarder dan het belang van de huurders dat zich feitelijk vertaalt in een financieel belang.\n\nDwangsom\n\n5.36.. Met betrekking tot de door De Holle Poarte gevorderde dwangsom, die de huurders disproportioneel vinden, overweegt de kantonrechter tot slot dat hij deze zal matigen tot een bedrag van € 100,00 per dag dat de huurders na betekening van dit vonnis per 1 oktober 2026 in gebreke blijven met de ontruiming van de door hen gehuurde staanplaatsen. Uiteraard zijn [eiser sub 1] , [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 4] slechts gehouden de door henzelf gehuurde staanplaats te ontruimen. De kantonrechter zal hier een maximum aan verbinden van € 5.000,00. De kantonrechter acht dit een voldoende prikkel voor nakoming.\n\nProceskosten\n\n5.37.. \n\nDe huurders zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van De Holle Poarte worden begroot op\n\n€ 253,00 (0,5 x 2 punten x € 253,00) aan salaris gemachtigde.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin conventie\n\n6.1.. wijst de vorderingen van [eiser sub 1] , [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 4] af,\n\n6.2.. veroordeelt [eiser sub 1] , [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 4] in de proceskosten van € 632,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\nin reconventie\n\n6.3.. verklaart voor recht dat de huurovereenkomst met [eiser sub 1] , [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 4] per 30 september 2026 is opgezegd en dat zij vanaf 1 oktober 2026 zonder recht of titel op de desbetreffende jaarplaatsen verblijven,\n\n6.4.. veroordeelt [eiser sub 1] , [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 4] om de door hen gehuurde staanplaatsen, met al degene die en al hetgeen - niet zijnde bij de kavel behorende zaken - dat zich daarin of daarop bevindt, uiterlijk 1 oktober 2026 te verlaten en te ontruimen en ter vrije en algehele beschikking aan De Holle Poarte te stellen,\n\n6.5.. veroordeelt [eiser sub 1] , [eiser sub 2 en 3] en [eiser sub 4] ieder om aan De Holle Poarte een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij na betekening van dit vonnis niet aan de hoofdveroordeling onder 6.4. met betrekking tot de ontruiming van de door hen gehuurde staanplaats voldoen, tot een maximum van € 5.000,00 is bereikt,\n\n6.6.. veroordeelt de huurders in de proceskosten van € 253,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,\n\nin conventie en in reconventie\n\n6.7.. veroordeelt de huurders tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald, vermeerderd met de kosten van betekening als de huurders niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n6.8.. verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen onder 6.2. en 6.4 tot en met 6.7. uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.R. Gans en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.\n\n471\n\n Artikel 6: 232 Burgerlijk Wetboek (BW)\n\n Artikel 6: 233 BW\n\n Artikel 157 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)\n\n vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27 mei 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:3191), Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 november 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:7084) en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 maart 2026 (ECLI:NL:GHARL:2026;1465).\n\n ECLI:NL:GHARL:2025:3191\n\n ECLI:NL:GHARL:2024:7991","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2524","ecli-nl-rbnne-2026-2524",{"courtName":6,"legalDomain":110,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht; Burgerlijk procesrecht",{"id":112,"ecli":113,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":114,"fullText":115,"language":7,"source":17,"sourceUrl":116,"summary":14,"slug":117,"metadata":118},"1304","ECLI:NL:GHARL:2026:4096","2026-06-22T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht\n\nzaaknummer gerechtshof 200.367.209\n\nzaaknummers rechtbank Overijssel 11749851 en 12041202\n\nbeschikking van 22 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [verzoeker]\n\nhierna te noemen: werknemer\n\ndie woont in [woonplaats]\n\nadvocaat: mr. E.P. Cornel\n\nen\n\nSmit Supply Chain Advies B.V.\n\nhierna te noemen: werkgever\n\ndie is gevestigd in Zwartewaterland\n\nadvocaat: mr. J.C.F. Kooijmans\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\nWerknemer heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikkingdie de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, op 6 januari 2026 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nhet beroepschrift\n\nhet verweerschrift en\n\nhet verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 5 juni 2026 is gehouden.\n\n2. De kern van de zaak en de uitkomst\n\n2.1. Werknemer is op 6 januari 2025 bij werkgever in dienst getreden. Op 28 januari 2025 heeft werkgever met een beroep op een overeengekomen proeftijdbeding de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang opgezegd. Werknemer stelt dat die opzegging niet geldig is en dat de arbeidsovereenkomst voortduurt. Werknemer heeft daarop verzoeken ingediend, onder meer gericht op wedertewerkstelling en doorbetaling van loon en bijkomende vergoedingen.\n\n2.2. Het hof zal beslissen dat werknemer te laat tegen zijn ontslag is opgekomen en dat zijn primaire verzoeken tot – samengevat – wedertewerkstelling en doorbetaling van loon daarom inhoudelijk onbesproken blijven. Het subsidiaire verzoek tot schadeloosstelling is ook in hoger beroep niet toewijsbaar. Het hof licht dat hierna toe.\n\n3. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nDe feiten\n\nIn hoger beroep staan de volgende feiten vast, waarbij het hof rekening heeft gehouden met wat partijen daarover in hoger beroep hebben aangevoerd.\n\n3.1. Werkgever drijft een onderneming gericht op bedrijfsadvisering aan MKB-bedrijven. Werkgever is een dochtervennootschap van TNP Groep B.V. Samen met andere dochter-\u002Fzustervennootschappen treedt werkgever ook wel naar buiten onder de naam ‘TNP Groep’.\n\n3.2. De heer [naam] (hierna: [naam] ) is via zijn holdingvennootschap en TNP Groep B.V. (middellijk) bestuurder van werkgever.\n\n3.3. Onder de naam ‘TNP Groep’ is eind oktober \u002F begin november 2024 een vacature gepubliceerd voor de functie van bedrijfsadviseur. Werknemer heeft daarvoor zijn interesse kenbaar gemaakt, waarna via een e-mailadres van ‘@tnpgroep.nl’ een aantal e-mailberichten met hem zijn gewisseld.\n\n3.4. Op 28 november 2024 is een arbeidsovereenkomst tot stand gekomen waarbij werknemer met ingang van 6 januari 2025 voor onbepaalde tijd bij werkgever in dienst is getreden. Werkgever is daarbij vertegenwoordigd door [naam] , die de arbeidsovereenkomst heeft ondertekend.\n\n3.5. In artikel 1 lid 2 van de arbeidsovereenkomst is bepaald dat er een proeftijd geldt van twee maanden, te rekenen vanaf het moment van indiensttreding en dat tijdens de proeftijd de arbeidsovereenkomst met directe ingang kan worden beëindigd door ieder van partijen.\n\n3.6. Op 28 januari 2025 heeft [naam] aan werknemer meegedeeld dat zijn arbeidsovereenkomst in de proeftijd per direct wordt beëindigd. De beëindiging is door [naam] via een e-mail, verzonden via een e-mailadres van ‘@tnpgroep.nl’, aan werknemer bevestigd. Dit is diezelfde dag ook per brief aan werknemer bevestigd. In het briefhoofd staat ‘TNP Groep’ vermeld en de brief is ondertekend door [naam] onder vermelding van ‘Directeur TNP Groep’.\n\n3.7. \n\nWerknemer heeft naar de reden gevraagd voor de ontslagaanzegging. Per mail van 31 januari 2025 heeft [naam] – via een e-mailadres van ‘@tnpgroep.nl’ – geantwoord:\n\nSamengevat zijn dit de redenen waarom we besloten hebben om de arbeidsovereenkomst binnen de proeftijd te beëindigen:\n\nDe senioriteit\u002Fkwaliteit staat niet in verhouding met onze verwachting voor inzet binnen onze opdrachtgevers\n\nWe hebben geconstateerd dat jouw digitale vaardigheden niet aansluiten bij onze hands-on aanpak binnen programma’s en projecten\n\nWe hebben geconstateerd dat je als persoon niet goed aansluit op onze kernwaarden\n\nWe zien de kwaliteiten van jou als persoon beter tot zijn recht komen binnen één organisatie en niet bij verschillende opdrachtgevers\n\n3.8. Met een dagvaarding van 28 mei 2025 heeft werknemer de kantonrechter gevraagd voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst niet op 28 januari 2025 is geëindigd en nog voortduurt en werkgever te veroordelen tot wedertewerkstelling van werknemer en tot doorbetaling van salaris met bijkomende vergoedingen. Subsidiair heeft werknemer gevraagd een schadevergoeding toe te kennen wegens schending van goed werkgeverschap.\n\nde beslissing van de kantonrechter en de bezwaren van partijen daartegen\n\n3.9. De kantonrechter heeft allereerst geoordeeld dat werknemer de procedure had moeten inleiden met een verzoekschrift in plaats van een dagvaarding omdat aan zijn vorderingen ten grondslag ligt het standpunt dat geen sprake is van een rechtsgeldig gegeven proeftijdontslag, en vervolgens een ‘spoorwissel’ toegepast als bedoeld in artikel 69 Rv. Nadat de kantonrechter heeft vastgesteld dat werkgever geen beroep heeft gedaan op de in artikel 7:686a lid 4 sub a BW bedoelde vervaltermijn voor het indienen van verzoekschrift ter zake, is hij tot het oordeel gekomen dat de bevoegdheid van werknemer om vernietiging van de opzegging te verzoeken, niet is vervallen. De kantonrechter heeft daarna geoordeeld dat [naam] als middellijk bestuurder van werkgever de arbeidsovereenkomst heeft kunnen opzeggen en dat werknemer die opzegging ook niet anders heeft kunnen opvatten dan een opzegging van zijn arbeidsovereenkomst. De kantonrechter heeft tot slot op het subsidiaire verzoek van werknemer geoordeeld dat werkgever in verband met die opzegging niet heeft gehandeld in strijd met goed werkgeverschap. De door werknemer gevraagde vergoedingen zijn daarop afgewezen, onder zijn veroordeling in de kosten van de procedure.\n\n3.10. Volgens werknemer heeft de kantonrechter de feiten te beperkt vastgesteld (beroepsgrond 1), ten onrechte een spoorwissel toegepast en moet de procedure worden ‘teruggewisseld’ (beroepsgrond 2), ten onrechte een rechtsgeldig proeftijdontslag aangenomen (beroepsgronden 3 tot en met 5) en ten onrechte geoordeeld dat er niet is gehandeld in strijd met goed werkgeverschap (beroepsgrond 6). Werknemer heeft daarop de toewijzing gevorderd (bij arrest) van zijn bij de kantonrechter ingestelde vorderingen.\n\n3.11. Volgens werkgever falen alle beroepsgronden, in welk verband zij zich in randnummer 12 van haar verweerschrift in hoger beroep uitdrukkelijk heeft beroepen op de in artikel 7:686a lid 4 BW bedoelde vervaltermijn.\n\n3.12. Een en ander brengt het hof tot de volgende thematische behandeling.\n\nbezwaar over de tot uitgangspunt genomen feiten\n\n3.13. Werknemer heeft in zijn beroepschrift aangevoerd dat de kantonrechter niet alle relevante feiten (juist en volledig) heeft vastgesteld. Bij bespreking van dat bezwaar heeft werknemer geen belang omdat het hof de van belang zijnde, hiervoor weergegeven feiten zelfstandig (en opnieuw) heeft vastgesteld.\n\nwelke soort procedure\n\n3.14. Tegen het oordeel van de kantonrechter dat de procedure op een verkeerde wijze is ingeleid en in het spoor van een verzoekschriftprocedure moet worden gesteld, staat krachtens artikel 69 lid 5 Rv in beginsel geen hoger beroep open. Omdat werknemer uitdrukkelijk aanvoert dat artikel 69 Rv ten onrechte is toegepast, zal dat, gelet op de regels met betrekking tot doorbreking van het rechtsmiddelenverbod, worden beoordeeld.\n\n3.15. Werknemer stelt dat het ontslag van 28 januari 2025 geen rechtsgeldig gegeven ontslag maar een ‘non-existent ontslag’ is, omdat hij is ontslagen door TNP Groep B.V. en niet door zijn werkgever. Volgens werknemer mist afdeling 7.10.9 BW daarom toepassing en is alleen sprake van een op artikel 7:625 BW gebaseerde loonvordering. Dat betekent dat hij terecht een procedure bij dagvaarding is gestart, aldus werknemer. Werkgever beroept zich met haar verweer op artikel 7:671 lid 1 sub b BW, namelijk dat zij – via haar directeur [naam] – werknemer een (rechtsgeldig) proeftijdontslag heeft gegeven, als gevolg waarvan zij geen vergoeding of loon verschuldigd is.\n\n3.16. Het hof deelt het oordeel van de kantonrechter dat de rechtsgeldigheid van een proeftijdontslag, zoals hier aan de orde, in een verzoekschriftprocedure beoordeeld moet worden. Artikel 7:686a lid 2 BW schrijft immers voor dat procedures gebaseerd op het bepaalde in afdeling 9 van titel 10 van boek 7 BW met een verzoekschrift moeten worden ingeleid, welke bepaling een ruim toepassingsbereik heeft.Afdeling 7.10.9 BW gaat over het einde van de arbeidsovereenkomst en omvat in dat verband onder meer de bepalingen over opzegging door werkgever (artikel 7:669 BW), eventuele daarvoor benodigde toestemming van de werknemer (artikel 7:671 BW), de proeftijd (artikel 7:676 BW) en vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst (artikel 7:681 BW). In artikel 7:671 lid 1 sub b BW is bepaald dat een werkgever de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig kan opzeggen zonder toestemming van de werknemer tenzij dit plaatsvindt tijdens de proeftijd. In artikel 7:681, aanhef en sub a BW is bepaald dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer de opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever kan vernietigen als de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW.\n\n3.17. In dit geval staat de vraag centraal of het proeftijdontslag van 28 januari 2025 al dan niet aan de verzoeken van werknemer in de weg staat; werknemer vraagt in de eerste plaats om voor recht te verklaren dat de arbeidsovereenkomst níet op 28 januari 2025 is geëindigd. Daaruit volgt dat ook in de visie van werknemer een oordeel over het aan hem gegeven ontslag nodig is om tot een wedertewerkstelling en doorbetaling van loon te komen. De omstandigheid dat hij de geldigheid van het aan hem meegedeelde proeftijdsontslag ontkent en in dat verband niet expliciet de vernietiging van de gedane opzegging vordert, betekent dus niet dat daarmee tussen partijen niet het einde van arbeidsovereenkomst in geschil is. Dat is duidelijk wel het geval. Werknemer kan dan ook niet gevolgd worden in zijn standpunt dat hij kon volstaan met de verzoeken als verwoord en dat die verzoeken hier bepalend zijn.\n\n3.18. Het bezwaar van werknemer tegen de door kantonrechter toegepaste ‘spoorwissel’ naar een verzoekschriftprocedure faalt daarom. Daarmee is gegeven dat werknemer de procedure tegen werkgever met een verzoekschriftprocedure had moeten inleiden.\n\nde procedure is niet op tijd begonnen\n\n3.19. Volgens artikel 7:686a lid 4 sub a BW moet een verzoekschrift dat zich keert tegen een ontslag uiterlijk twee maanden na het ontslag zijn ingediend bij de kantonrechter. Deze vervaltermijn kan niet worden gestuit, geschorst of verlengd vanuit de gedachtedat aan de werknemer en werkgever zo snel mogelijk duidelijkheid moet worden verstrekt over de vraag of er nog rechten en verplichtingen tussen hen bestaan.\n\n3.20. Omdat werkgever werknemer op 28 januari 2025 heeft ontslagen, moest het verzoekschrift in dit geval uiterlijk op 28 maart 2025 zijn ingediend bij de kantonrechter. Werknemer is deze procedure op 28 mei 2025 gestart door het laten uitbrengen van een dagvaarding. De laatste zin van lid 1 van artikel 69 Rv bepaalt dat daarmee de procedure aanhangig is. De wisseling in ‘spoor’ van een dagvaardingsprocedure naar een verzoekschriftprocedure maakt dat niet anders.\n\n3.21. Werkgever heeft, anders dan bij de kantonrechter, zich in hoger beroep uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat de verzoeken van werknemer niet-ontvankelijk zijn. Volgens werkgever is werknemer te laat geweest met het aanhangig maken van de procedure – en daarmee met het indienen van zijn verzoeken – en is de vervaltermijn van artikel 7:686a lid 4 sub a BW overschreden.\n\n3.22. Werknemer betoogt dat werkgever geen beroep toekomt op genoemde vervaltermijn omdat hij op 28 januari 2025 niet door werkgever maar door TNP Groep B.V. is ontslagen. Volgens hem is daarmee geen sprake van een ontslag of andere situatie die onder het bereik van de vervaltermijn valt. Het hof volgt werknemer daarin niet. Nog daargelaten dat werknemer zelf stelt lang in de veronderstelling te zijn geweest dat hij op 28 januari 2025 is ontslagen door ‘zijn werkgever TNP Groep B.V.’, geldt dat werknemer op en na 28 januari 2025 had kunnen en moeten beseffen dat zijn arbeidsovereenkomst met werkgever werd beëindigd. Het staat immers vast dat werknemer op 28 november 2024 met ingang van 6 januari 2025 in dienst was getreden van werkgever en dat er niet ook een andere arbeidsovereenkomst was aangegaan met TNP Groep B.V. of een andere vennootschap die tot de TNP Groep behoorde. De omstandigheid dat in de communicatie, zowel tijdens en kort na de sollicitatieprocedure als tijdens het bestaan van de arbeidsovereenkomst, veelvuldig gebruik is gemaakt van de groepsnaam ‘TNP Groep’ waaronder – zo is tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep in voldoende mate gebleken – ook werkgever communiceerde en naar buiten trad, maakt dan niet dat de ontslagaanzegging van 28 januari 2025 alleen maar begrepen kon worden als zijnde gedaan door TNP Groep B.V., oftewel de moedervennootschap van onder meer werkgever. Zo’n begrip bij werknemer is in de gegeven omstandigheden onvoldoende onderbouwd. Met een en ander moet voorbij worden gegaan aan de stelling van een werknemer dat een door zijn werkgever veroorzaakte einde van de arbeidsovereenkomst niet aan de orde kon zijn en dat daarmee alleen sprake zou zijn van een loonvordering.\n\n3.23. Een en ander betekent dat werknemer de mededeling van 28 januari 2025 niet anders heeft kunnen opvatten dan een opzegging van zijn arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang. Werknemer is tegen dit ontslag als zodanig niet opgekomen. Na 28 maart 2025 was werknemer niet langer bevoegd de vernietiging van het hem aangezegde ontslag te vorderen. Pas in de dagvaarding van 28 mei 2025 is werknemer opgekomen tegen het ontslag en heeft de geldigheid daarvan ter discussie gesteld. Dat is te laat. Dat ontslag staat daarmee vast. In het verlengde daarvan bestaat er daarmee (al) geen grond (meer) voor een wedertewerk-stelling en\u002Fof een doorbetaling van loon. Al om die reden kunnen de beroepsgronden 3 tot en met 5 niet tot een andere uitkomst van de procedure leiden. Het hof zal deze beroepsgronden voor het overige onbesproken laten.\n\ngeen reden voor schadevergoeding wegens schending goed werkgeverschap\n\n3.24. Werknemer heeft subsidiair betoogt dat werkgever aan hem een schadevergoeding is verschuldigd is. Volgens werknemer heeft werkgever zowel tijdens het dienstverband als met de opzegging zelf gehandeld in strijd met goed werkgeverschap. Werknemer voert daartoe aan dat hij door onvoldoende aanbod van werk niet heeft kunnen laten zien hoe goed hij in zijn functie was en heeft werkgever ondanks een uitvoerige sollicitatie- en selectieprocedure met hem onmiddellijk een andere werknemer aangenomen voor zijn functie. Werkgever heeft een en ander gemotiveerd betwist.\n\n3.25. Als uitgangspunt geldt dat de partij die de arbeidsovereenkomst tijdens de proeftijd opzegt niet snel schadeplichtig is. Aan de proeftijd ligt immers de gedachte ten grondslag dat partijen – als ze dat willen – gelegenheid moeten hebben om, voordat zij in de toekomst gebonden zijn, zich gedurende een, met het oog op de belangen van de werknemer, beperkte periode proefondervindelijk op de hoogte kunnen stellen van elkaars hoedanigheden en van de geschiktheid van de werknemer voor de bedongen arbeid. De mogelijkheid om tijdens de proeftijd de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen sluit daar bij aan. Niet vereist is daarbij dat de opzeggende partij een redelijke grond heeft voor opzegging in de zin van de wet.Onder omstandigheden kan het geven van ontslag tijdens de proeftijd leiden tot schadeplichtigheid als daarbij is gehandeld in strijd met de verplichting om zich als goed werkgever in de zin van artikel 7:611 BW te gedragen.\n\n3.26. Het hof stelt allereerst vast dat werknemer niet is ingegaan op wat werkgever in de mail van 31 januari 2025 aan hem heeft opgegeven als beweegredenen om de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang op te zeggen. Deze door werkgever opgegeven beweegredenen voor het ontslag in de proeftijd vormen in het licht van de aan de proeftijd ten grondslag liggende en hiervoor opgenomen gedachte, op zichzelf een legitieme grond om het dienstverband in de proeftijd te beëindigen. Werkgever heeft hiermee haar bevoegdheid om de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang in de proeftijd te beëindigingen, gebruikt voor het doel waarvoor deze bevoegdheid is verleend.\n\n3.27. Daaraan doet niet af dat werknemer zelf meent dat hij onvoldoende kans heeft gehad om zichzelf te bewijzen. Een inhoudelijke rechtmatigheidstoets van de reden voor ontslag is immers in strijd met de gedachte en bedoeling van een proeftijdbeding. Het hof treedt dus niet in de beoordeling of werkgever heeft kunnen concluderen dat werknemer onvoldoende bij haar en de vervulde functie paste. Ditzelfde geldt voor de door werkgever weersproken stelling van werknemer dat werkgever in zijn plaats iemand anders heeft aangenomen voor dezelfde functie, al is het maar omdat werknemer niet heeft betwist dat binnen TNP Groep meerdere ‘bedrijfsadviseurs’ werkzaam zijn. En ook als werkgever een nieuwe medewerker heeft aangenomen voor de functie van werknemer, en werknemer in verband daarmee tijdens de proeftijd heeft ontslagen, is dat op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat de werkgever niet als goed werkgever heeft gehandeld. Daarvoor moet sprake zijn van bijkomende omstandigheden, die in dit geval gesteld noch gebleken zijn.\n\n3.28. De slotsom is dat niet tot de conclusie kan worden gekomen dat werkgever tijdens de arbeidsovereenkomst met werknemer en\u002Fof door gebruik te maken van het proeftijdbeding zich niet heeft gedragen als een goed werkgever. De daarop steunende vordering tot schadevergoeding is daarmee niet toewijsbaar. Ook beroepsgrond 6 is daarmee tevergeefs opgeworpen.\n\nbewijsaanbod\n\n3.29. Werknemer heeft nog een bewijsaanbod gedaan. Het hof gaat daaraan voorbij omdat geen voldoende concrete feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die tot een ander oordeel zouden leiden als zij zouden worden bewezen.\n\nslotsom\n\n3.30. Het hoger beroep van werknemer faalt en zal worden verworpen.\n\n3.31. Het hof zal werknemer als de in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de kosten van werkgever in hoger beroep. Daaronder vallen de nakosten die nodig zijn voor betekening van de uitspraak.\n\n4. De beslissing\n\nHet hof:\n\nverwerpt het hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 6 januari 2026;\n\nveroordeelt werknemer tot betaling van de kosten van de procedure in hoger beroep van werkgever, tot aan deze uitspraak aan de zijde van werkgever begroten op:\n\n€ 851 voor griffierecht;\n\n€ 2.580 aan salaris advocaat (2 punten × € 1.290 (tarief II) volgens de geldende standaard (zogenaamd liquidatietarief));\n\nverklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. W.F. Boele, D.W.J.M. Kemperink en H.M.J. van den Hurk en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2026.\n\n De beschikking is niet gepubliceerd.\n\n Vgl. HR 11 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1576, rov. 3, en paragraaf 13 van de daaraan voorafgegane conclusie van de AG van 11 februari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:137.\n\nKamerstukken II2013\u002F14, 33 818, nr. 3, p. 37.\n\n Artikel 7:669 lid 3 BW.\n\n HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4096","ecli-nl-gharl-2026-4096",{"courtName":6,"legalDomain":101,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":120,"ecli":121,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":122,"fullText":123,"language":7,"source":17,"sourceUrl":124,"summary":14,"slug":125,"metadata":126},"472","ECLI:NL:RBNNE:2026:2635","2026-06-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling strafrecht\n\nLocatie Leeuwarden\n\nparketnummer 18-077555-25\n\nTussenvonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 19 juni 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte\n\n[verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] , wonende aan [adres] .\n\nDit tussenvonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 juni 2026.\n\nVerdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S. Broekstra.\n\nTenlastelegging\n\nAan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:\n\nhij in of omstreeks de periode van 30 juli 2019 tot en met 15 november 2023 te Leeuwarden, althans in Nederland, afbeeldingen van seksuele gedragingen waarbij een of meer (onbekend gebleven) perso(o)n(en) die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, in het bezit heeft gehad en\u002Fof zich door middel van een geautomatiseerd werk en\u002Fof met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe heeft verschaft en\u002Fof die afbeeldingen heeft verspreid, welke seksuele gedragingen - zakelijk weergegeven - bestonden uit:\n\n- het met een penis en\u002Fof een voorwerp penetreren van de vagina en\u002Fof mond en\u002Fof anus van een\n\npersoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt (afbeeldingen 1,2,3,4,5,6,7,8,9,10,11,26) en\u002Fof\n\n- het (laten) betasten en\u002Fof spreiden van de vagina en\u002Fof schaamlippen en\u002Fof billen van een persoon die\n\nkennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt (afbeeldingen 12,13,14,15) en\u002Fof\n\n- het drukken van een (stijve) penis en\u002Fof mond tegen\u002Fbij de vagina van een persoon die kennelijk de\n\nleeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt (afbeeldingen 16,17, 21,22) en\u002Fof\n\n- het geheel of gedeeltelijk naakt (laten) poseren van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar\n\nnog niet heeft bereikt, waarbij door de stand van de camera en\u002Fof de (onnatuurlijke) pose van die persoon nadrukkelijk de (ontblote) geslachtsdelen in beeld worden gebracht (afbeeldingen 18,19,20) en\u002Fof\n\n- het masturberen (dicht) bij het lichaam van een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet\n\nhad bereikt\n\nBeoordeling van het bewijs\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit, zowel voor kort gezegd het bezit als het verspreiden van kinderpornografisch materiaal. Zij heeft daartoe aangevoerd dat op de gegevensdragers van verdachte dergelijk materiaal is aangetroffen en heeft verwezen naar het technisch onderzoek dat aan deze gegevensdragers is verricht. Uit het onderzoek blijkt dat verdachte kinderpornografisch materiaal in bezit heeft gehad en een deel daarvan via een door hem aangemaakt Instagram-account heeft verspreid.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.\n\nTen aanzien van het bezit van het kinderpornografisch materiaal heeft de raadsman het volgende aangevoerd. Verdachte stelt zich niet bewust te zijn geweest van de aanwezigheid van het kinderpornografisch materiaal op de gegevensdragers, zodat niet kan worden vastgesteld dat verdachte opzet had op het bezit van kinderpornografisch materiaal. Daarnaast is het onduidelijk of de in de tenlastelegging genoemde afbeeldingen benaderbaar waren voor de gebruiker en of het videos of fotos betrof. Ook om die reden ontbreekt het voor een bewezenverklaring vereiste opzet op het bezit van kinderpornografisch materiaal.\n\nTen aanzien van het verspreiden van het kinderpornografisch materiaal heeft de raadsman aangevoerd dat hiervoor geen bewijs aanwezig is in het dossier. Het is onbekend wat de inhoud is van de link waarover in een gesprek met [accountnaam] is gesproken. Bovendien zijn er geen videos ten laste gelegd.\n\nGelet op vorenstaande verzoekt de raadsman verdachte vrij te spreken van zowel het ten laste gelegde bezit van als verspreiden van kinderpornografisch materiaal.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft op de zitting van 5 juni 2026 deze strafzaak behandeld en op dezelfde dag is het onderzoek gesloten. Tijdens de beraadslaging in raadkamer is de rechtbank echter gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. De rechtbank overweegt hierover het volgende.\n\nOp onder verdachte in beslag genomen gegevensdragers een telefoon, tablet en notebook zijn blijkens het procesdossier in totaal 630 kinderpornografische afbeeldingen aangetroffen. Volgens het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant] (p. 113 e.v. van het procesdossier) waren 57 van de kinderpornografische afbeeldingen benaderbaar voor de gebruiker. In het belang van de waarheidsvinding acht de rechtbank het noodzakelijk dat de politie in een aanvullend proces-verbaal over de onderstane vragen nader verklaart:\n\nZijn de in de tenlastelegging genummerde afbeeldingen die op de gegevensdragers zijn aangetroffen zonder verdere handelingen benaderbaar voor de gebruiker?\n\nBevinden zich onder de in de tenlastelegging genummerde afbeeldingen ook één of meer van de acht\n\nkinderpornografische videos die in het proces-verbaal van bevindingen (p. 28 e.v. van het procesdossier) genoemd worden?\n\nHeropening onderzoek\n\nGelet op het voorgaande zal de rechtbank het onderzoek heropenen en de officier van justitie opdracht geven teneinde de politie een aanvullend proces-verbaal te laten opstellen en antwoord te geven op de bij de rechtbank levende vragen.\n\nUitspraak\n\nDe rechtbank\n\n- heropenthet onderzoek ter terechtzitting;\n\n- geeft opdracht aan de officier van justitieom een aanvullend proces-verbaal door de politie te laten\n\nopstellen en stelt daartoe de stukken in handen van de officier van justitie;\n\n- schorsthet onderzoek ter terechtzitting vooronbepaalde tijd, welke schorsing in verband met de\n\nklemmende reden dat het onderzoek nog niet is afgerond en het zittingsrooster van de rechtbank een eerdere voortzetting niet toelaat, langer is dan één maand maar niet langer dan drie maanden;\n\n- beveelt de oproeping van verdachte, met afschrift aan zijn raadsman, tegen het tijdstip waarop het\n\nonderzoek ter terechtzitting wordt hervat.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. K. Bunk en mr. H.K. de Haan rechters, bijgestaan door mr. J.R. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 juni 2026.\n\nMr. H.K. de Haan is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2635","ecli-nl-rbnne-2026-2635",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":128,"ecli":129,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":122,"fullText":130,"language":7,"source":17,"sourceUrl":131,"summary":14,"slug":132,"metadata":133},"488","ECLI:NL:RBNNE:2026:2636","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling strafrecht\n\nLocatie Leeuwarden\n\nparketnummer 18-264665-25\n\nter terechtzitting gevoegd parketnummer 18-384537-24\n\nVonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 19 juni 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte\n\n[verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] , wonende aan [adres] .\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 juni 2026.\n\nVerdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A. Kilinç, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S. Broekstra.\n\nTenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nTen aanzien van parketnummer 18-264665-25\n\nhij op of omstreeks 7 oktober 2025 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, in een woning gelegen aan of bij het Noord aldaar, aan een ander, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (onder meer) een aan de linker- en rechterzijde gebroken onderkaak en een gebroken neus, heeft toegebracht, immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer 1] meermalen met gebalde vuist(en) en\u002Fof met kracht in het gezicht, althans tegen het hoofd, geslagen en\u002Fof gestompt;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 7 oktober 2025 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, in een woning gelegen aan of bij het Noord aldaar, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door die [slachtoffer 1] meermalen met gebalde vuist(en) en\u002Fof met kracht in het gezicht, althans tegen het hoofd, te slaan en\u002Fof te stompen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nmeer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 7 oktober 2025 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, in een woning gelegen aan of bij het Noord aldaar, [slachtoffer 1] heeft mishandeld, immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer 1] meermalen met gebalde vuist(en) en\u002Fof met kracht in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen en\u002Fof gestompt, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten (onder meer) een aan de linker-en rechterzijde gebroken onderkaak en een gebroken neus, in elk geval enig lichamelijk letsel, tengevolge heeft gehad;\n\nTen aanzien van parketnummer 18-384537-24\n\n1. Hij op of omstreeks 21 januari 2024 te Harkstede, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door met een gaspistool, in elk geval een vuurwapen van categorie III onder 1, meermalen voor de woning gelegen aan [adres] , in de lucht te schieten en\u002Fof proberen te schieten.\n\n2 Hij op of omstreeks 21 januari 2024 te Harkstede, althans in Nederland, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen van het merk Zoraki, type M906, kaliber 9mm PAK, en\u002Fof een patroonmagazijn, te weten een onderdeel van het vuurwapen van het merk Zoraki, type M906, kaliber 9mm PAK, voorhanden heeft gehad.\n\nBeoordeling van het bewijs\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde in de zaak met parketnummer 18-264665-25 en voor feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer 18-384537-24.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van parketnummer 18-264665-25\n\nDe raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Verdachte kan worden veroordeeld voor het meer subsidiair ten laste gelegde.\n\nTen aanzien van parketnummer 18-384537-24\n\nDe raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte heeft niet op de woning geschoten. Er was bovendien geen sprake van een vooropgezet plan om te schieten, althans verdachte was daarvan niet op de hoogte. Tot slot heeft aangever verklaard dat hij zich niet echt bedreigd voelde. Van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling is derhalve geen sprake.\n\nVoor wat betreft feit 2 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nBewijsmiddelen\n\nDe rechtbank acht in de zaak met parketnummer 18-264665-25 het primair ten laste gelegde feit en in de zaak met parketnummer 18-384537-24 feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte de feitelijke gedragingen die onder deze feiten zijn tenlastegelegd duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Op de verweren van de raadsman zal de rechtbank hieronder afzonderlijk ingaan.\n\nTen aanzien van parketnummer 18-264665-25\n\nDeze opgave luidt als volgt:\n\nde verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 juni 2026;\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 7 oktober 2025, opgenomen op pagina 12 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2025271728 d.d. 16 december 2025, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] ;\n\neen schriftelijk bescheid, te weten een brief d.d. 8 oktober 2025 van [ziekenhuis] , opgenomen op pagina 21 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [naam] .\n\nBewijsoverweging\n\nMet de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde zware mishandeling. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.\n\nVerdachte heeft bekend dat hij op 7 oktober 2025 aangeefster meermalen met zijn vuisten en met kracht in haar gezicht heeft geslagen. Als gevolg daarvan heeft aangeefster letsel opgelopen, te weten een gebroken onderkaak aan de linker- en rechterzijde. Uit het dossier blijkt dat zij hiervoor twee operatieve ingrepen heeft moeten ondergaan. Aangeefster heeft weken moeten revalideren, zo blijkt uit de toelichting\n\nop de vordering van de benadeelde partij. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat sprake is van zwaar lichamelijk letsel.\n\nTen aanzien van het opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel overweegt de rechtbank als volgt. Uit het letsel van aangeefster, de dubbele gebroken onderkaak, kan worden afgeleid dat verdachte zodanig veel kracht moet hebben gebruikt bij het toepassen van het geweld, dat het niet anders kan dan dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij bij aangeefster zwaar lichamelijk letsel zou veroorzaken. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat het met gebalde vuisten met veel kracht meermalen slaan in het gezicht tot breuken kan leiden.\n\nTen aanzien van parketnummer 18-384537-24\n\nFeit 1\n\nDeze opgave luidt als volgt:\n\nde verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 juni 2026;\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 21 januari 2024,\n\nopgenomen op pagina 144 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2024018046 d.d. 11 november 2024, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 2] .\n\nBewijsoverweging\n\nDe rechtbank stelt op basis van het dossier de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nVerdachte heeft bekend dat hij op 21 januari 2024 te Harkstede voor de woning van aangever meermalen met een gaspistool in de lucht heeft geschoten. Verdachte heeft hierover bij de politie en ter zitting verklaard dat hij samen met vier anderen naar de woning van aangever is gereden. Tijdens de autorit vertelde de bestuurder dat hij een langdurig conflict had met aangever. Aangekomen bij de woning is verdachte uitgestapt en heeft hij voor de woning in de lucht meerdere schoten gelost. Volgens verdachte werd hij door de bestuurder van de auto aangespoord om uit te stappen en in de lucht te schieten als “waarschuwing” voor aangever. Het vuurwapen werd verdachte aangereikt door de persoon die naast hem in het voertuig zat.\n\nDe rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof zware mishandeling is vereist dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat diegene zijn of haar leven zou kunnen verliezen en\u002Fof zwaar mishandeld zou worden. Bij de vraag of sprake is van een bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht is van belang of de bedreiging in het algemeen geschikt is om de vrees voor een inbreuk op de persoonlijke vrijheid teweeg te brengen. De beoordeling of sprake is van vrees bij de bedreigde is daarmee geobjectiveerd. Het is dus niet van belang dat aangever zelf heeft verklaard dat hij zich door de schoten niet echt bedreigd heeft gevoeld. De rechtbank is van oordeel dat het meermalen in de lucht schieten met een gaspistool voor de woning van aangever, in een context van een bestaand conflict met de bestuurder van het voertuig, naar de uiterlijke verschijningsvorm een strafbare bedreiging oplevert.\n\nVoorts is de rechtbank van oordeel dat verdachte de bedreiging tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd. Dit leidt de rechtbank af uit de omstandigheden dat verdachte samen met anderen naar de woning van aangever is gereden, dat de bestuurder van die auto een voortdurend conflict had met aangever en dat verdachte het vuurwapen kreeg van een andere inzittende van het voertuig. De rechtbank is van oordeel dat hiermee sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en de andere personen die in het voertuig aanwezig waren.\n\nFeit 2\n\nDeze opgave luidt als volgt:\n\nde verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 5 juni 2026;\n\neen naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal onderzoek wapen d.d. 13 februari 2024, opgenomen op pagina 211 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] .\n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht in de zaak met parketnummer 18-264665-25 het primair ten laste gelegde feit en in de zaak met parketnummer 18-384537-24 feiten 1 en 2 en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:\n\nTen aanzien van parketnummer 18-264665-25\n\nHij op 7 oktober 2025 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, in een woning gelegen aan het Noord aldaar, aan [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een aan de linker- en rechterzijde gebroken onderkaak, heeft toegebracht, immers heeft hij, verdachte, die [slachtoffer 1] meermalen met gebalde vuisten en met kracht in het gezicht, althans tegen het hoofd, geslagen en gestompt.\n\nTen aanzien van parketnummer 18-384537-24\n\n1. Hij op 21 januari 2024 te Harkstede tezamen en in vereniging met anderen, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling, door met een gaspistool, in elk geval een vuurwapen van categorie III onder 1, meermalen voor de woning gelegen aan [adres] , in de lucht te schieten.\n\n2. Hij op 21 januari 2024 te Harkstede een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen van het merk Zoraki, type M906, kaliber 9mm PAK, en een patroonmagazijn, te weten een onderdeel van het vuurwapen van het merk Zoraki, type M906, kaliber 9mm PAK, voorhanden heeft gehad.\n\nVerdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nStrafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nTen aanzien van parketnummer 18-264665-25 primairzware mishandeling\n\nTen aanzien van parketnummer 18-384537-24\n\nmedeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling;\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III\n\nen\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.\n\nDeze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nDe rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.\n\nStrafmotivering\n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het primair ten laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 18-264665-25 en feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer 18-384537-24 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarbij vordert de officier van justitie de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering op te leggen.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft verzocht om aan verdachte geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarbij heeft de raadsman onder andere verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn en het advies van de reclassering, waaruit blijkt dat een dergelijke straf ontwrichtend kan werken voor verdachte.\n\nVerdachte is nog relatief jong en reeds gestart met een forensische ambulante behandeling.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van Reclassering Nederland d.d. 21 mei 2026, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 11 mei 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst van de feiten\n\nDe rechtbank stelt vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige strafbare feiten. Verdachte heeft zijn destijds zestienjarige vriendin zwaar mishandeld door meermalen met gebalde vuisten en met kracht in haar gezicht te slaan. Als gevolg van dit geweld heeft het slachtoffer een dubbele onderkaakfractuur opgelopen, waarvoor zij twee operaties heeft moeten ondergaan. Dergelijk geweld in de relationele sfeer wordt door de rechtbank als bijzonder ernstig aangemerkt. Door zijn handelen heeft verdachte niet alleen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, maar ook haar psychisch welzijn geschonden, zoals blijkt uit de toelichting op de vordering van de benadeelde partij.\n\nDaarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging in vereniging door in de nacht voor de woning van aangever met een gaspistool in de lucht te schieten. Door aldus te handelen heeft verdachte niet alleen het gevoel van veiligheid van aangever aangetast, maar ook gevoelens van onrust en angst in de directe woonomgeving veroorzaakt.\n\nDeze feiten getuigen van een gewelddadige houding en een gebrek aan respect voor de lichamelijke integriteit en veiligheid van anderen. De rechtbank rekent dit alles verdachte zeer aan.\n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank heeft daarnaast acht geslagen op het reclasseringsadvies van 21 mei 2026.\n\nUit het reclasseringsadvies blijkt dat de reclassering de volgende risicofactoren bij verdachte signaleert: partnerrelaties, sociale contacten\u002Fnetwerk, psychosociaal functioneren en de houding van verdachte.\n\nBeschermende factoren zijn volgens de reclassering gelegen in de stabiele huisvesting bij zijn betrokken ouders, zijn baan en een gezonde financiële situatie. Het recidiverisico wordt ingeschat als gemiddeld tot hoog. Hoewel er geen zwaarwegende contra-indicaties zijn voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, merkt de reclassering op dat een dergelijke straf voor verdachte ontwrichtend kan werken, gezien zijn relatief jonge leeftijd en het feit dat hij recentelijk is gestart met een forensische ambulante behandeling.\n\nOp te leggen straf\n\nNaar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de straftoemeting houdt de rechtbank echter rekening met een aantal strafmatigende omstandigheden. Daarbij betrekt zij in het bijzonder de relatief jonge leeftijd van verdachte en het feit dat verdachte reeds is gestart met een forensische ambulante behandeling. De rechtbank acht het onwenselijk deze behandeling te doorkruisen door een straf op te leggen die ertoe zou leiden dat verdachte opnieuw gedetineerd raakt. Om die reden ziet de rechtbank aanleiding om niet een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die langer is dan de dan de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.\n\nAlles afwegende acht de rechtbank een combinatie van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest, met daarnaast een groot voorwaardelijk deel, enerzijds om daarmee de ernst van de bewezenverklaarde feiten te onderstrepen en anderzijds om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, en daarnaast de maximale taakstraf passend en geboden.\n\nDe rechtbank legt aan verdachte op een taakstraf voor de duur van 240 uren en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van drie jaren en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, met uitzondering van het contactverbod. De rechtbank ziet geen aanleiding om een contactverbod op te leggen, nu verdachte ter zitting heeft aangegeven geen contact meer te hebben met aangeefster. Gelet op het recidiverisico dat wordt ingeschat als gemiddeld tot hoog, acht de rechtbank het noodzakelijk om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren en de proeftijd, in afwijking van de eis van de officier van justitie, te stellen op\n\ndrie jaren.\n\nBenadeelde partij\n\nTen aanzien van parketnummer 18-264665-25\n\n[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 12.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van 10.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsman heeft zich, onder verwijzing naar de Rotterdamse Schaal, op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden gematigd tot een bedrag van ten hoogste 6.000,00.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder het primair bewezen verklaarde. Gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek schat de rechtbank de hoogte van de schade op 6.000,00. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen en voor het overige deel afwijzen.\n\nNu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.\n\nDe rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.\n\nToepassing van wetsartikelen\n\nDe rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 57, 63, 285, 302, van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.\n\nUitspraak\n\nDe rechtbank\n\nVerklaart het primair ten laste gelegde feit in de zaak met parketnummer 18-264665-25 en feiten 1 en 2 in de zaak met parketnummer 18-384537-24 bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nVeroordeelt verdachte tot:\n\nEen gevangenisstraf voor de duur van 378 dagen.\n\nBepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 360 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.\n\nBeveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.\n\nVoorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.\n\nStelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd:\n\nzich meldt op afspraken met Reclassering Nederland, [adres] , zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.\n\nzich laat behandelen door Forensische Polikliniek GGZ Friesland of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling is reeds gestart. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling.\n\ndat betrokkene zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en\u002Fof vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur.\n\nGeeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.\n\nVoorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde:\n\nten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\nmedewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.\n\nBeveelt dat de gestelde voorwaarden en het uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.\n\nEen taakstraf voor de duur van 240 uren.\n\nBeveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.\n\nHeft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.\n\nTen aanzien van parketnummer 18-264665-25\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 1] te betalen:\n\neen bedrag van 6.000,00 (zegge: zesduizend euro);\n\nde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening;\n\nde proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.\n\nLegt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 6.000,00 (zegge: zesduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 oktober 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.\n\nWijst de vordering voor het overige af.\n\nBepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 55 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. K. Bunk en mr. H.K. de Haan rechters, bijgestaan door mr. J.R. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 juni 2026.\n\nMr. H.K. de Haan is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2636","ecli-nl-rbnne-2026-2636",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":135,"ecli":136,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":122,"fullText":137,"language":7,"source":17,"sourceUrl":138,"summary":14,"slug":139,"metadata":140},"994","ECLI:NL:GHARL:2026:4078","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nzittingsplaats Leeuwarden\n\nZaaknummer\n\n: Wahv 200.362.575\u002F01\n\nCJIB-nummer\n\n: 259413423\n\nUitspraak d.d.\n\n: 19 juni 2026\n\nArrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank OostBrabant van 13 oktober 2025, betreffende\n\n [betrokkene] (hierna: de betrokkene),\n\nwonende te [woonplaats] .\n\nDe beslissing van de kantonrechter\n\nDe kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 165,-.\n\nHet verloop van de procedure\n\nDe officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.\n\nDe betrokkene heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.\n\nDe beoordeling\n\n1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 440,- voor: “parkeren op gehandicaptenparkeerplaats anders dan met het voor die gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats bestemde voertuig”. Deze gedraging zou zijn verricht op 20 juni 2023 om 9:26 uur op de Sint-Elisabethstraat in Vught met het voertuig met het kenteken [kenteken] .\n\n2. De kantonrechter heeft de sanctie gematigd tot een bedrag van € 165,- om twee redenen. De kantonrechter heeft het sanctiebedrag met 50 procent gematigd omdat de hoogte van de opgelegde sanctie voor de onderhavige gedraging onevenredig hoog is. Vervolgens heeft de kantonrechter het sanctiebedrag verder gematigd met 25 procent in verband met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg.\n\n3. De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat de kantonrechter buiten de omvang van het geschil is getreden. De gronden van de betrokkene zijn niet beoordeeld conform het daarvoor toepasselijke kader, zijnde artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv. Het door de kantonrechter in acht genomen evenredigheidsbeginsel is niet ambtshalve aan de orde.\n\nSubsidiair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de aard van het Besluit van 26 januari 2023 tot wijziging van de bijlage, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wahv en de bijlagen bij het Besluit OM-afdoening in verband met onder meer de jaarlijkse indexering van de tarieven (hierna: Besluit 2023)zich, gelet op de samenhang met de Wahv, verzet tegen de toepassing van afdeling 3.2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), of in ieder geval tegen toepassing van het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb opgenomen evenredigheidsbeginsel. Dat brengt met zich dat de kantonrechter zich niet uit had mogen laten over de algemene evenredigheid van het sanctietarief voor de onderhavige gedraging. Het Besluit 2023 behoort bij artikel 2, vijfde lid, van de Wahv en dient bij te dragen aan de doelstellingen van de Wahv, namelijk een efficiënte, snellere en effectievere afdoening van veelvoorkomende lichte verkeersovertredingen. Daarnaast is in artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv expliciet een bepaling opgenomen waaruit volgt dat bij het sanctietarief in de Wahv rekening gehouden moet worden met zowel de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden als de omstandigheden waarin een betrokkene verkeert. Hiermee is het evenredigheidsbeginsel al in de wet zelf verankerd. Dat afdeling 3.2 van de Awb, dan wel artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, niet uitdrukkelijk is uitgesloten van de Wahv doet hieraan niet af. Daarbij merkt de officier van justitie op dat in artikel 2a van de Wahv de toepassing van onder meer titel 5.4 van de Awb, met daarin een specifiekere bepaling over de hoogte van bestuurlijke boetes, wel nadrukkelijk is uitgesloten. Nu de Wahv al een specifiekere bepaling bevat en de wetgever hiermee zowel de officier van justitie als de rechter een volledige toetsingsbevoegdheid heeft gegeven is een bredere toets op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb niet wenselijk. Vanuit het oogpunt van rechtsbescherming is dit ook niet nodig. De doelstellingen van de Wahv verzetten zich tegen een bredere toets, want dit leidt tot verzwaring van de werklast van het openbaar ministerie en de rechtspraak. Opgemerkt wordt nog dat de Wahv als regeling sui generis moet worden gezien.\n\nMeer subsidiair neemt de officier van justitie het standpunt in dat de kantonrechter het Besluit 2023 niet ten volle had mogen toetsen aan het evenredigheidsbeginsel en uit had moeten gaan van het door de regelgever vastgestelde sanctietarief. De officier van justitie dient daarvan ook uit te gaan. De kantonrechter is het rechterlijke beoordelingskader te buiten gegaan. Het tarievenhuis, dat het beoordelingskader vormt voor alle tarieven van feiten die zijn opgenomen in de bijlage bij de Wahv en bijlage I bij het Besluit OM-afdoening, laat geen ruimte voor een individuele straftoemeting. Het is in beginsel aan de regelgever voorbehouden om alle betrokken belangen af te wegen bij de vaststelling van het sanctietarief en de rechter moet het resultaat daarvan in beginsel respecteren. In individuele zaken kan de rechter het Besluit 2023 exceptief toetsen aan geschreven of ongeschreven recht, zoals het evenredigheidsbeginsel. In 2012 heeft de regelgever ervoor gekozen om het sanctietarief voor onder meer de onderhavige feitcode te verhogen van € 180,- naar € 360,- omdat de onderhavige gedraging door de regelgever is gekwalificeerd als ‘hufterigheid’ in het verkeer. Deze verhoging had mede tot gevolg dat het sanctietarief voor deze gedraging ten opzichte van het sanctietarief voor een reguliere parkeerboete werd verviervoudigd. In de jaren daarna zijn de sanctietarieven meegegroeid met de inflatiecorrectie. De kantonrechter heeft het bij het Besluit vastgestelde sanctietarief in volle omvang getoetst. De kantonrechter heeft hiermee miskend dat de regelgever een ruime beslissingsruimte heeft ten aanzien van het vaststellen van de hoogte van de sanctietarieven en dat de sanctiebedragen in Wahv-zaken in het algemeen niet kunnen worden beschouwd als ingrijpend in het leven van betrokkenen. Voor zover de kantonrechter de sanctietarieven heeft vergeleken met boetebedragen voor eenvoudige misdrijven zoals mishandeling of winkeldiefstal is het aan de wet- en regelgever voorbehouden om hierover te beslissen. De officier van justitie merkt tot slot op dat indien iedere rechter afzonderlijk zijn oordeel gaat vormen over de hoogte van het sanctietarief in de zaak die aan hem is voorgelegd dit kan leiden tot een veelvoud aan verschillende sanctietarieven voor eenzelfde gedraging. Dit terwijl het doel van de Wahv is om deze lichte verkeersovertredingen efficiënt, uniform en effectief af te doen. Het komt zowel de rechtszekerheid als de rechtseenheid niet ten goede als iedere rechter afzonderlijk gaat oordelen over de algemene hoogte van sanctietarieven. De officier van justitie concludeert daarom tot vernietiging van de beslissing van de kantonrechter.\n\n4. Het hof dient eerst te beoordelen wat als de omvang van het geschil in beroep bij de kantonrechter moet worden aangemerkt. De omvang van het geschil wordt in bestuursrechtelijke procedures bepaald door de gronden die de indiener van het beroepschrift aanvoert in relatie tot het bestreden besluit.\n\n5. Door de betrokkene is in beroep bij de kantonrechter het volgende aangevoerd. De betrokkene is medewerkster van het nabijgelegen verzorgingshuis en was een mindervalide bewoner uit de auto aan het begeleiden. De bebording was niet duidelijk zichtbaar en hiervoor is er abusievelijk op een gereserveerde gehandicaptenparkeerplaats geparkeerd. De bebording stond na de parkeerplaats en is kort na de gedraging verplaatst. Het voertuig van de betrokkene stond niet langer dan een uur ter plaatse. De betrokkene heeft de kantonrechter verzocht de sanctie te vernietigen.\n\n6. Naar het oordeel van het hof is de kantonrechter, door te toetsen of de hoogte van het bedrag van de aan de betrokkene opgelegde sanctie niet onevenredig is, niet buiten de omvang van het geschil getreden. In de door de betrokkene aangevoerde gronden ligt besloten, zo heeft de officier van justitie in het hoger beroepschrift ook gesteld, dat, als oplegging van de sanctie niet achterwege kan blijven, het bedrag van de sanctie moet worden gematigd. Dit brengt mee dat de kantonrechter, die tot het oordeel was gekomen dat er geen grond was om de sanctie achterwege te laten, de hoogte van de opgelegde sanctie diende te beoordelen. Daarbij dient de kantonrechter ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen (vgl. artikel 8:69, tweede lid, van de Awb).\n\n7. Bij de beoordeling van de hoogte van de opgelegde sanctie is van belang dat de rechter de door de regelgever voor de verrichte gedraging bepaalde hoogte van de sanctie exceptief kan toetsen aan geschreven of ongeschreven hoger recht.Tot het hoger recht waaraan kan worden getoetst behoort onder andere het evenredigheidsbeginsel. Het evenredigheidsbeginsel is opgenomen in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb en houdt in dat de voor één of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. In artikel 3:1 van de Awb is bepaald dat op besluiten, inhoudende algemeen verbindende voorschriften, afdeling 3.2 slechts van toepassing is, voor zover de aard van de besluiten zich daartegen niet verzet. Artikel 3:4, tweede lid, van de Awb valt onder deze afdeling.\n\n8. De aard van het Besluit 2023 verzet zich niet tegen toepassing van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Dat het Besluit 2023 dient bij te dragen aan de doelstellingen van de Wahv ontslaat de regelgever niet van de verplichting om bij de bepaling van de hoogte van het sanctietarief voor een gedraging het evenredigheidsbeginsel in acht te nemen. Dit beginsel brengt mee dat bij de bepaling van de hoogte van de sanctie uitgangspunt is dat deze in redelijke verhouding staat tot de aard en ernst van de gedraging waarbij doel van de sanctie is het sanctioneren van strafwaardig gedrag en het dienen van de belangen waartoe de in artikel 2, eerste lid, van de Wahv genoemde regelgeving strekt. Indien de regelgever deze verplichting in acht neemt, is van verzwaring van de werklast van openbaar ministerie en rechterlijke macht geen sprake en kunnen de officier van justitie en de rechter uitgaan van de door de regelgever vastgestelde tarieven.\n\n9. Voor zover de officier van justitie van opvatting is dat de rechter de hoogte van de sanctie slechts mag toetsen aan artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv en daarbij dient uit te gaan van het door de regelgever bepaalde sanctietarief, vindt deze opvatting derhalve geen steun in het recht. De rechter kan, ook bij de toetsing aan deze bepaling, beoordelen of de door de regelgever bepaalde hoogte van de sanctie evenredig is.\n\n10. Gelet hierop treffen de primair en subsidiair aangevoerde gronden van de officier van justitie geen doel.\n\n11. Met betrekking tot de meer subsidiair aangevoerde grond overweegt het hof dat de rechter bij de toetsing of de regelgever bij de bepaling van de hoogte van het sanctietarief voor een verrichte gedraging voldoende in acht heeft genomen, terughoudend dient te zijn.\n\n12. Het hof heeft in dit verband bij zijn arrest van 31 juli 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:4719 het volgende overwogen:\"9. Het hof stelt voorop dat de rechter bij de toetsing van een algemeen verbindend voorschrift aan algemene rechtsbeginselen niet tot taak heeft om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen. De intensiteit van de rechterlijke beoordeling is afhankelijk van onder meer de beslissingsruimte die het vaststellend orgaan heeft, gelet op de aard en de inhoud van de vaststellingsbevoegdheid en de daarbij te betrekken belangen. De beoordeling kan materieel terughoudend zijn bij feitelijke of technische complexiteit van de materie of als bij het nemen van de beslissing politiek-bestuurlijke afwegingen kunnen worden of zijn gemaakt. Wat de in acht te nemen belangen en de weging van belangen betreft, geldt dat de beoordeling intensiever kan zijn naarmate het algemeen verbindende voorschrift meer ingrijpt in het leven van de belanghebbende(n) en daarbij fundamentele rechten aan de orde zijn.10. In de onderhavige zaak beschikt de regelgever, gelet op de in overweging 5. genoemde artikelen van de Wahv, over een ruime beslissingsruimte. Er geldt een maximum voor de hoogte van het vast te stellen sanctiebedrag, maar voor het overige zijn in de tekst van de wet geen beperkingen vastgelegd.11. Bij de vaststelling van de hoogte van het sanctiebedrag kunnen, zoals hier ook daadwerkelijk het geval is geweest, politiek-bestuurlijke afwegingen een rol spelen. Het gaat voorts om sanctiebedragen die in het algemeen niet kunnen worden beschouwd als ingrijpend in het leven van de betrokkenen. Dit brengt mee dat de intensiteit waarmee het hof dient te toetsen gering is.\"\n\n13. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van het Besluit 2023 blijkt dat de sanctietarieven zijn verhoogd met 8,6 procent en dat dit percentage is gebaseerd op de ontwikkeling van de consumentenprijsindex. Zoals in de Nota van Toelichting bij dit besluit wordt opgemerkt, bewerkstelligt indexering dat de strafmaat in relatieve zin ongewijzigd blijft. Ook de voorgaande jaren (2013 tot 2022) zijn de sanctietarieven slechts geïndexeerd. Bij Besluit van 15 december 2011 tot wijziging van de bijlage, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften alsmede de bijlage bij het Besluit OM-afdoening onderscheidenlijk het Transactiebesluit 1994 in verband met onder meer een verhoging van de tarieven (hierna: Besluit 2012)is het sanctietarief voor de onderhavige gedraging verhoogd van\n\n€ 180,- naar € 340,-. De onderhavige gedraging wordt genoemd in bijlage A bij dit besluit. Deze bijlage bevat een lijst met - volgens de regelgever - asociale en gevaarlijke gedragingen waarvoor de tarieven aanzienlijk zijn verhoogd. Over deze verhoging is in de Nota van Toelichting bij het Besluit 2012 het volgende opgemerkt:\n\n“Alle tarieven zijn met vijftien procent verhoogd. In de behandeling van de begroting van het jaar 2011 was aangekondigd dat de verkeersboetes per 2012 met twintig procent zouden worden verhoogd (Kamerstukken II 2010\u002F11 32 500 VI, nr. 2, blz. 9). Dit percentage is gematigd tot vijftien procent vanwege de hierna beschreven uitvoering die wordt gegeven aan de motie Van der Staaij c.s.\n\nVoor een aantal asociale en gevaarlijke gedragingen zijn de tarieven verhoogd naar € 340,- per feit, een verhoging na indexering met ongeveer 55 procent. (…)\n\nMet deze wijzigingen van de tarieven in de nieuwe bijlage bij de Wahv wordt uitvoering gegeven aan de motie Van der Staaij c.s., waarin de regering is verzocht om binnen het beschikbare budget niet te kiezen voor een algehele procentuele verhoging voor alle verkeersboetes, maar voor gerichte boeteverhogingen voor in het bijzonder grote verkeersovertredingen, waaronder snelheidsovertredingen in woonwijken, hufterigheid in het verkeer en recidive. Dit betekent dat de opgave onder andere was het zoeken naar een gerichte verhoging van de in de motie genoemde overtredingen, die leidt tot een opbrengst die overeenkomt met het in de begroting voor 2012 opgenomen bedrag voor de aanvankelijk voorgenomen tariefsverhoging met 20 procent. Een bijkomende voorwaarde was dat de gerichte verhoging voor de asociale gedragingen niet tot gevolg heeft dat de boetes voor deze gedragingen niet meer in verhouding staat tot de overige overtredingen. Dit voerde tot de conclusie dat naast forse, gerichte verhogingen voor specifieke gedragingen ook een algehele verhoging met 15 procent noodzakelijk is om binnen hetzelfde budgettaire kader te blijven. (…)\n\nDe wenselijkheid van de tariefsverhoging wordt ingegeven door de verwachting dat de verkeersdeelnemers zich hierdoor beter aan de regels zullen houden. Overtreders worden door zwaardere sanctionering immers geconfronteerd met hogere boetes, terwijl men deze kosten ook kan vermijden door de wet niet te overtreden. Het effect op de naleving wordt versterkt doordat het bij de Wahv gaat om overtredingen waarvoor de (gepercipieerde) pakkans relatief hoog is. Met deze verhoging wordt beoogd het niveau van de naleving van verkeersvoorschriften over de gehele linie te verbeteren. De verhoging van de tarieven in dit besluit wordt daarnaast ingegeven door het feit dat de financiële opbrengsten substantieel achterblijven bij de daarover opgestelde ramingen, terwijl het aantal verkeersovertredingen hoog blijft. Kennelijk zijn die sancties niet hoog genoeg om voldoende afschrikwekkend te zijn. Naast het nastreven van een strikte handhaving is dit een bijkomende reden om de sancties op te hogen. (…)\n\nBij deze verhoging van de Wahv-boetes wordt – net als bij de voorgaande verhogingen – rekening gehouden met het zogenoemde tarievenhuis. Het tarievenhuis vormt een uniform beoordelingskader voor de tarieven bij gedragingen uit de bijlage bij de Wahv en de tarieven die zijn vastgelegd in de beleidsregels van het openbaar ministerie, waaronder de tarieven voor de feiten in de bijlage bij het Besluit OM-afdoening en het Transactiebesluit 1994. Dit beoordelingskader zorgt ervoor dat er vaste verhoudingen bestaat tussen de sancties voor de verschillende strafbare gedragingen. Op basis van het afgewogen systeem van het tarievenhuis worden daarom per 1 januari 2012 alle tarieven gelijkelijk verhoogd. Naast de Wahv-boetes gaat dit om de tarieven die in de beleidsregels van het openbaar ministerie zijn vastgelegd voor de strafrechtelijke handhaving. Met de verhogingen in voorgaande jaren en deze verhoging wordt over de volle breedte van de rechtshandhaving strikter gehandhaafd. Zolang er nog sprake is van een aanzienlijk tekort wat betreft de naleving van de verkeersvoorschriften, mag verondersteld worden dat de hoogte van de boetes, ook na deze verhoging, in een redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de overtredingen.”\n\n14. Het evenredigheidsbeginsel brengt mee dat bij de bepaling van de hoogte van de sanctie uitgangspunt is dat deze in redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de gedraging, waarbij doel van de sanctie is het sanctioneren van strafwaardig gedrag en het dienen van de belangen waartoe de in artikel 2, eerste lid, van de Wahv genoemde regelgeving strekt, zoals de belangen genoemd in artikel 2 van de Wegenverkeerswet 1994.\n\n15. Uit de toelichting bij het Besluit 2012 blijkt dat de regelgever heeft beoordeeld of het nieuw vastgestelde sanctiebedrag nog evenredig is. Naar het oordeel van het hof kan niet worden gezegd dat het door de regelgever vastgestelde sanctietarief, gelet op de in die toelichting genoemde redenen om dit (fors) te verhogen, niet in redelijke verhouding tot de aard en de ernst van de gedraging. De gerechtigde op de parkeerplaats moet erop kunnen vertrouwen dat hij ter plaatse kan parkeren. Het door de regelgever voor de onderhavige gedraging vastgestelde tarief mag daarom door de ambtenaar worden toegepast.\n\n16. Beoordeeld dient vervolgens te worden of er aanleiding bestaat om in de onderhavige situatie, op de voet van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv, over te gaan tot matiging van het bedrag van de aan de betrokkene opgelegde sanctie. Daarbij gaat het om de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht en de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert.\n\n17. De betrokkene heeft aannemelijk gemaakt dat zij medewerkster is van het nabijgelegen verzorgingshuis en dat zij op dat moment bezig was een mindervalide bewoner uit de auto te begeleiden. Ook acht het hof aannemelijk dat het voertuig van de betrokkene daar niet langer dan een uur geparkeerd heeft gestaan. Onder deze omstandigheden kan de gedraging die door de betrokkene is verricht niet op één lijn worden gesteld met het hufterig gedrag waarop de regelgever het oog heeft gehad bij het vaststellen van het tarief voor deze gedraging. Het hof ziet in deze door de betrokkene aangevoerde redenen aanleiding het sanctiebedrag te matigen tot € 330,-.\n\n18. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en ook die beslissing vernietigen. Het hof zal, net als de kantonrechter, het gematigde sanctiebedrag vervolgens matigen met 25 procent in verband met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg.\n\nDe beslissing\n\nHet gerechtshof:\n\nvernietigt de beslissing van de kantonrechter;\n\nverklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;\n\nverklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;\n\nwijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het sanctiebedrag wordt gewijzigd in € 247,50.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. Van Schuijlenburg, Wijma en Orriëns-Schipper in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.\n\n Staatsblad 2023, 53\n\n ov. 6 van het arrest van het hof van 31 juli 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:4719.\n\n Staatsblad 2011, 630.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4078","ecli-nl-gharl-2026-4078",{"courtName":6,"legalDomain":40,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":142,"ecli":143,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":144,"fullText":145,"language":7,"source":17,"sourceUrl":146,"summary":14,"slug":147,"metadata":148},"1158","ECLI:NL:GHARL:2026:4034","2026-06-18T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden\n\nafdeling civiel recht, handel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.363.536\u002F01\n\n(zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, 11765438)\n\nbeschikking van 18 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nWaterschap Drents Overijsselse Delta\n\ngevestigd in Zwolle\n\nverzoekster in hoger beroep bij de kantonrechter: verweerster\n\nhierna: het Waterschap\n\nadvocaat: mr. M.J. Kolijn-Van der Merwe te Zwolle\n\ntegen\n\n [verweerder]\n\ndie woont in [woonplaats]\n\nverweerder in hoger beroep\n\nbij de kantonrechter: verzoeker\n\nhierna: [verweerder]\n\nadvocaat: mr. D. Warnink te Kampen\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\nHet Waterschap heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, op 7 oktober 2025 heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking). Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nhet beroepschrift van 6 januari 2026;\n\nhet verweerschrift van 17 april 2026;\n\nde op 1 mei 2026 door het Waterschap ingediende productie 28;\n\nde op 7 mei 2026 door [verweerder] nog ingediende productie 6;\n\nhet verslag (proces-verbaal) van de mondelinge behandeling die op 8 mei 2026 is gehouden.\n\n2. De kern van de zaak\n\n2.1. \n [verweerder] is op staande voet ontslagen, in essentie vanwege wat het Waterschap betitelt als urenfraude\u002Fdagdieverij. De kantonrechter heeft het ontslag op staande voet vernietigd omdat het niet onverwijld was verleend en niet berustte op een dringende reden en heeft ook de bij het voorwaardelijk tegenverzoek verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst afgewezen.2.2. Het Waterschap wil met een beslissing van het hof alsnog het einde van de arbeidsovereenkomst bewerkstelligen. [verweerder] wil dat de beslissing van de kantonrechter in stand blijft en anders wil hij, indien mogelijk, een billijke vergoeding.\n\n2.3. Het hof wijst de verzoeken van het Waterschap af en zal die beslissing hierna motiveren, nadat eerst de relevante feiten zijn vastgesteld. Aan de voorwaardelijke tegenverzoeken van [verweerder] komt het hof niet toe.\n\n3. De feiten\n\nHet hof gaat uit van de volgende feiten:\n\n3.1. \n [verweerder] , geboren in 1964, is [sinds] 1994 in dienst van het Waterschap dan wel van een van zijn rechtsvoorgangers. [verweerder] is aangesteld als muskusrattenvanger en is steeds als zodanig werkzaam geweest. Zijn loon bedroeg, inclusief toelagen, in 2025 ongeveer € 3.500,- bruto per maand bij een 36-urige werkweek.\n\n3.2. \n [verweerder] is in 2024, tot 2 september 2024, (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt geweest vanwege klachten voortvloeiende uit darmkanker waarvoor hij was behandelend en vanwege schouderklachten. [verweerder] is daarnaast bekend met ADHD waarvoor hij medicijnen voorgeschreven krijgt.\n\n3.3. Voor [verweerder] is vanaf 1 januari 2025, een ‘ontzie-maatregel’ getroffen. Dit houdt in dat hij per week 5 uur minder hoeft te werken, bij gelijkblijvend loon, pensioen en vakantie-uren.\n\n3.4. Muskusrattenbestrijders moesten wekelijk urenbriefjes invullen en verwerken in een computerprogramma met de naam AllSolutions.\n\n3.5. \n\nDe teamleider van het team van de Muskusrattenbestrijders (het MURA-team) was [naam1] (verder: [naam1] ). De verstandhouding tussen [verweerder] en [naam1] was slecht. In het jaargesprek (door het Waterschap aangeduid als het Goede Gesprek) van 16 oktober 2023 is dit benoemd.\n\nDaarin staat verder onder meer:\n\n“ [naam1] [ [naam1] , hof] verwacht van [verweerder] [ [verweerder] , hof] niet de productie die hij verwacht van een jongere bestrijder dat mag wel 30- 40% minder zijn maar de werkwijze kan universeel zijn dat staat los van de leeftijd. Als hij kijkt naar het aantal uren wat [verweerder] maakt is de productie van het aantal kilometers speuren minder dan bij de gemiddelde bestrijders. Daarnaast schrijft [verweerder] iedere week gemiddeld 8-9 uur organisatie en administratie. [verweerder] geeft aan dat hij de uren die hij rijdt onder dit vlak zet. [naam1] geeft aan wel een keer met [verweerder] een week mee te willen gaan om te zien hoeveel kilometer je op een dag kunt afspeuren. (…). [naam1] geeft aan dat [verweerder] wel goed tijd schrijft. [naam1] geeft aan dat [verweerder] regelmatig naar het hoofdkantoor gaat of aansluit bij andere bijeenkomsten hier heeft [naam1] nog nooit wat van gezegd maar wordt niet gemeld terwijl hier wel afspraken over zijn. Als je niet in je eigen gebied bezig bent dan geef je dat door dat doen anderen ook.”\n\n3.6. Op 15 november 2024 heeft het volgende Goede Gesprek plaatsgevonden. In het daarvan door [naam1] opgemaakte verslag (niet door [verweerder] ondertekend) is onder meer opgenomen:\n\n“ [verweerder] geeft aan wel ander werk te willen doen of iets naast de bestrijding, tegen [verweerder] gezegd dat dit nog niet zo gemakkelijk is en erover na moeten denken wat dan. We kunnen niet een functie waar geen formatie voor is invullen. [verweerder] zou wel iets met de rivierkreeften willen doen maar dat is geen wettelijke taak van het waterschap en doen we momenteel nog niet, ook werk voor de bever zou hij we willen doen maar is nu nog niet benodigd. Werken met de bosmaaier of exotenbestrijding wordt lastig gezien de problemen met de schouder, dan blijft er weinig over als we naar de functies binnen het waterschap kijken.\n\nHeb [verweerder] afgelopen jaar gevraagd om de functie van bode te gaan doen dan zou ik daar contact over opnemen, [verweerder] heeft mij aangegeven dat dit niet iets is wat bij hem past omdat hij een buitenman is.\n\nTen aanzien van de werkzaamheden in het veld maak ik me wel een beetje zorgen over de gemaakte velduren in relatie tot het aantal gespeurde kilometers. Gezien het aantal velduren zou [verweerder] met die uren een grotere oppervlakte en kilometers aan watergangen moeten kunnen speuren. Tegen [verweerder] al vaker gezegd dat hij van mij niet zo hard hoeft te lopen als een jonge bestrijder, al haal je 60% van de productie van een jongere collega dan ben ik al dik tevreden. Wanneer je met structuur je werk doet wat los staat van je leeftijd en de dag erop weer verder gaat waar je de dag ervoor bent gestopt met speuren dan moet het mogelijk zijn om 10 kilometer per dag te speuren en het gebied wat jou is toegewezen twee keer te speuren. Jouw collega’s helpen je nu anders was dat niet gelukt dit jaar om het gebied twee keer te speuren. Gezien het aantal vangsten in jouw gebied en het aantal vaste vangmiddelen en conibearklemmen gaat daar de tijd niet in zitten, er genoeg tijd om te speuren. Structuur in het werk help je bij de voortgang dat zie je bij de collega’s die zo werken. [verweerder] wordt dit jaar 60, het duurt nog zeven jaar voor hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. [verweerder] heeft het afgelopen jaar problemen gehad met zijn schouder en een paar jaar geleden gelukkig weer genezen van een niet te noemen ziekte het is te hopen voor [verweerder] dat hij de komende jaren gevrijwaard is van deze fysieke problemen.”\n\n3.7. Op 3 maart 2025 heeft [naam1] aan [verweerder] meegedeeld dat de black box van zijn dienstauto zou worden uitgelezen. Dit is gebeurd voor de periode 19 augustus 2024 tot en met 26 februari 2025. Daarna heeft [naam1] deze gegevens geplaatst naast de urenbriefjes en AllSolutions-registraties van [verweerder] en verwerkt in een deels in zijn vrije tijd gemaakt Excel schema. Deze gegevens zijn op 17 maart 2025 aan [verweerder] gepresenteerd waarbij een vervolggesprek is aangekondigd waarbij [verweerder] werd aangeraden juridische bijstand in de arm te nemen. Op 26 maart 2025 heeft een vervolggesprek plaatsgevonden met de advocaat van [verweerder] erbij, waarbij het Waterschap vragen heeft gesteld. Op die dag is per e-mail aan de advocaat van [verweerder] bericht dat [verweerder] “tot en met volgende week woensdag is vrijgesteld van werk” (dat is tot en met 2 april 2025). Deze non-actiefstelling is vervolgens tweemaal verlengd tot en met 18 april 2025. Ook zijn er op 2 april 2025 schriftelijk aanvullende vragen aan (de advocaat van) [verweerder] gesteld.\n\n3.8. \n\nOp 11 april 2025 heeft de advocaat van [verweerder] de vragen beantwoord, daarna is [verweerder] opgeroepen voor een gesprek op 17 april 2025. Op die dag heeft het Waterschap [verweerder] op staande voet ontslagen en hem een 10 pagina’s tellende ontslagbrief uitgereikt.\n\nDaarin staat aan het eind:\n\n“Voornoemde feiten en omstandigheden in overweging genomen zijn wij van mening dat je je met jouw handelswijze schuldig hebt gemaakt aan urenfraude. We rekenen je dit zwaar aan, omdat je op grond van het personeelshandboek en de gedragscode wist of behoorde te weten dat dergelijk gedrag niet past bij hetgeen van een werknemer van het waterschap wordt verwacht. Bovendien zijn er in 2023 twee van je collega's ontslagen wegens urenfraude. Van een goed werknemer mag worden verwacht dat zijn geschreven (werk)uren overeenkomen met de werkelijkheid. Daar komt nog eens bij dat we ervan uitgaan dat je zelf wist dat je meer uren schreef dan je daadwerkelijk werkte en je in de weekbrieven een ander beeld hebt geschetst dan de werkelijkheid. De verklaringen die je hiervoor hebt gegeven zijn niet afdoende. Eén en ander kan niet worden verklaard door een slordige administratie, problemen met systemen, gesprekken met de vertrouwenspersoon\u002Fbedrijfsmaatschappelijk ondersteuner (danwel het uitvoeren van opdrachten) en lichamelijke klachten. Bovendien zien we inconsistenties in je verklaringen. Daar komt bij dat er steeds in jouw voordeel is geschreven en niet in het voordeel van de werkgever. Dat samen maakt je verklaringen niet geloofwaardig. Je hebt in de gesprekken en in de schriftelijke verklaringen niet aangegeven spijt te hebben of op enige andere wijze excuses aangeboden. (…)\n\nJouw persoonlijke omstandigheden, zoals onder meer de gevolgen die het ontslag voor jou zal hebben, hebben wij afgewogen tegen de aard, ernst en omvang van de dringende redenen. Gelet op de duur van je dienstverband zijn wij van mening dat je als ervaren ambtenaar wist of behoorde te weten dat meer uren schrijven dan je daadwerkelijk werkt een goed ambtenaar niet betaamt en ernstig plichtsverzuim oplevert. (…)\n\nUitsluitend uit coulance en onder het uitdrukkelijke voorbehoud van alle rechten verlenen wij dit ontslag op staande voet onder de opschortende voorwaarde dat je vóór dinsdag 22 april 2025 om 16.00 uur zelf je arbeidsovereenkomst schriftelijk en met ingang van 1 augustus 2025 hebt opgezegd”\n\n3.9. \n [verweerder] heeft niet zelf de arbeidsovereenkomst opgezegd. Hij heeft wel op 22 april 2025 de bedrijfseigendommen bij het Waterschap ingeleverd.\n\n3.10. Op 16 oktober 2025, nadat de kantonrechter het ontslag op staande voet had vernietigd heeft het afdelingshoofd van de afdeling waaronder het team MURA viel en de bedrijfsjurist van het Waterschap een bespreking gehad met het hele team MURA – zonder [verweerder] – over de uitspraak van de kantonrechter en de terugkeer van [verweerder] . Daarbij is onder meer de medische situatie van [verweerder] besproken en is aangekondigd dat voor [verweerder] een verbetertraject geldt en is aangegeven wat er in dat traject zal worden opgenomen. Van deze bespreking – waarbij ook ongepaste grappen werden gemaakt over de stoelgangproblemen van [verweerder] – is een opname gemaakt die in het bezit is geraakt van [verweerder] .\n\n3.11. \n [naam1] is inmiddels met pensioen en opgevolgd door [naam2] als teamleider die met ingang van december 2025 het verbetertraject ter hand heeft genomen. Nadat op 16 januari 2026 nog een aanvaring tussen hen beiden is geweest heeft [verweerder] zijn werkzaamheden (in een ander zoekgebied) hervat en verricht hij zijn werkzaamheden naar tevredenheid van [naam2] .\n\n4. De beslissing van de kantonrechter\n\n4.1. De kantonrechter heeft het ontslag op staande voet vernietigd omdat het ontslag niet onverwijld was gegeven, dit omdat het Waterschap had gesteld dat de signalen van ‘urenfraude’ al in november 2024 bij het Waterschap bekend waren en er geen verklaring is gegeven waarom het onderzoek daarna pas op 3 maart 2025 is gestart.\n\n4.2. Verder heeft de kantonrechter geoordeeld dat ook materieel gezien geen sprake was van een dringende reden. De kantonrechter had niet de overtuiging dat sprake was van urenfraude, terwijl het op de weg van het Waterschap had gelegen om eerst [verweerder] te waarschuwen over de onjuiste wijze waarop uren werden weggeschreven. Ook heeft het Waterschap onvoldoende rekening gehouden met de invloed van (fysieke en andere) beperkingen van [verweerder] op de uitvoering van het werk en heeft het [verweerder] in een moeilijke situatie gebracht door met terugwerkende kracht een nadere verklaring van [verweerder] te verlangen voor de door hem verrichte werkzaamheden vanaf augustus 2024, terwijl het Waterschap verder onvoldoende rekening heeft gehouden met het arbeidsverleden van [verweerder] .\n\n4.3. De kantonrechter heeft het subsidiaire ontbindingsverzoek van het Waterschap afgewezen omdat het ernstige verwijtbare handelen niet is komen vast te staan, het onterechte wantrouwen van het Waterschap in [verweerder] onvoldoende is voor een ontbinding op de g-grond, en alles tezamen ook onvoldoende is voor een ontbinding op de i-grond.\n\n5. De beoordeling door het hof\n\nDe verzoeken in hoger beroep5.1. Het Waterschap verzoekt het hof om voor recht te verklaren dat het op 17 april 2025 verleende ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven en, naar het hof de vordering begrijpt, alsnog een moment vast te stellen waarop de arbeidsovereenkomst eindigt. Subsidiair verzoekt het Waterschap het hof om de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de -e- dan wel g- dan wel de i-grond.\n\n5.2. \n [verweerder] verzoekt het hof om de uitspraak van de arbeidsovereenkomst te bekrachtigen, dan wel – als het hof uitgaat van een geldig ontslag op staande voet – ten minste een termijn van vier maanden na arrestdatum aan te houden voor het einde van de arbeidsovereenkomst. Ingeval het hof tot ontbinding overgaat verzoekt [verweerder] om toekenning van de transitievergoeding en een billijke vergoeding van ruim € 150.000, en bij ontbinding op de i-grond op een cumulatievergoeding van 50% van de transitievergoeding.\n\nHet beoordelingskader5.3. Het hof schetst allereerst het juridische toetsingskader voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet. De werkgever heeft op grond van artikel 7:677 BW de mogelijkheid om de arbeidsovereenkomst op te zeggen wegens een dringende reden. Die reden moet onverwijld aan de werknemer worden meegedeeld. Artikel 7:678 BW bepaalt dat als dringende reden wordt beschouwd zodanige omstandigheden die als gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet gevraagd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De wet geeft daarvan ook voorbeelden. Uit die opsomming blijkt dat het moet gaan om zeer ernstige omstandigheden die objectief bekeken maken dat van de werkgever redelijkerwijs niet gevraagd kan worden om de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De bewijslast daarvan rust op de werkgever. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen.\n\nOnverwijldheid5.4. Een ontslag op staande voet is pas rechtsgeldig als het onverwijld is gegeven. De ‘onverwijldheidsklok’ begint te lopen wanneer een vermoeden van een dringende reden ontstaat. Voor het antwoord op de vraag of een ontslag op staande voet al dan niet rechtsgeldig is gegeven, is beslissend het tijdstip waarop de dringende reden van dat ontslag daadwerkelijk ter kennis is gekomen van degene die bevoegd was het ontslag te verlenen. Sprake moet zijn van een geïndividualiseerd en geconcretiseerd vermoeden, dat wil zeggen een redelijke mate van duidelijkheid over welke werknemer het betreft en de feitelijke grondslag die het bestaan van een dringende reden voor het ontslag van die werknemer redelijkerwijs aannemelijk maakt. Vanaf dat moment heeft de partij die een opzegging wegens dringende reden overweegt, enig, maar niet veel, respijt (bijvoorbeeld voor het verrichten van enig onderzoek) voordat daadwerkelijk tot ontslag wordt overgegaan.\n\n5.5. Het kernverwijt dat het Waterschap [verweerder] maakt – het hof komt daarop hierna in rov. 5.12 en volgende op terug – is dat [verweerder] feitelijk minder uren werkt voor het Waterschap dan uit zijn arbeidsovereenkomst voortvloeit en hij op zijn tijdschrijfformulieren dan wel in het programma AllSolutionsheeft verantwoord. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het Waterschap zelf heeft gesteld dat het Waterschap ten tijde van het ‘Goede Gesprek’ van 15 november 2024 beschikte over signalen dat [verweerder] zijn uren niet maakte en dat het Waterschap niet helder heeft uitgelegd waarom zij daar pas begin maart 2025 onderzoek naar heeft ingesteld. Het Waterschap heeft zich wel beroepen op nieuwe signalen ontvangen kort voor 3 februari 2025, maar heeft dat niet concreet gemaakt.\n\n5.6. \n\nIn hoger beroep voert het Waterschap aan dat er na november 2025 nieuwe signalen van collega’s van [verweerder] bij de toenmalige teamleider [naam1] binnenkwamen dat de auto van [verweerder] bij zijn huis was gezien, terwijl hij nog niet was afgemeld voor werk, en dat die signalen reden waren voor het onderzoek naar de black box van de dienstauto. Het Waterschap wil niet meedelen van wie die signalen afkomstig waren omdat anonimiteit zou zijn beloofd.\n\nHet hof stelt vast dat er volgens het Waterschap zowel voor november 2025 als daarna signalen bij de teamleider binnengekomen waren die er kort gezegd op neerkwamen dat [verweerder] zijn uren niet maakte. Waarom die signalen in november 2024 geen reden waren voor een nader onderzoek maar in maart 2025 wel, heeft het Waterschap niet goed uitgelegd. Het Waterschap stelt wel dat de eerdere signalen tijdens het Goede Gesprek van 15 november 2024 door [naam1] met [verweerder] zijn besproken, maar [verweerder] bestrijdt dit en in het - redelijke uitvoerige - verslag dat van dit gesprek is opgenomen staat niets over het (mogelijk) niet maken van zijn uren door [verweerder] , laat staan iets over een daarvoor gegeven waarschuwing.\n\nHet hof verwerpt dan ook het bezwaar van het Waterschap en is het met de kantonrechter eens dat het Waterschap niet onverwijld heeft gehandeld doordat zij, hoewel er volgens haar zelf in november 2025 als signalen waren dat [verweerder] minder uren werkte dan hij zou moeten, daar pas in maart 2025 nader onderzoek naar te doen.\n\nHet onderzoek naar de black box5.7. Het Waterschap heeft op 3 maart 2025 aan [verweerder] meegedeeld dat de black box van zijn dienstauto zou worden uitgelezen. Volgens het Waterschap mag zij dit doen bij het vermoeden van onregelmatigheden. Het Waterschap heeft daartoe het ‘Reglement track and trace digitale rittenregistratiesystemen Waterschap Drents Overijssels Delta 2020’ in het geding gebracht. In artikel 3 van dat reglement zijn de doeleinden van gegevensverwerking opgenomen. Dit zijn:\n\nhet kunnen voldoen aan fiscale wet- en regelgeving inzake een sluitende rittenregistratie (kort gezegd: onderscheid werk- dan wel privégebruik);\n\nhet optimaliseren van de bedrijfsvoering van het Waterschap door de analyse van vervoersbewegingen;\n\nhet onderzoeken van rechtmatig gebruik van het rijdend en varend materieel in relatie met het functioneren van medewerkers, indien sprake is van gerede twijfel;\n\nhet kunnen traceren van materieel zoals bij diefstal en eventuele vermissing van medewerkers.\n\n5.8. Het hof stelt vast dat geen van deze doeleinden ziet op het gebruik van de black box als een soort prikklok om vast te stellen of een medewerker zijn uren wel maakt, ook die genoemd onder het derde gedachtestreepje niet waarop het Waterschap zich heeft beroepen. Daar gaat het om het onrechtmatig gebruik van het dienstvoertuig. Daarvan is in het geval van [verweerder] geen sprake noch een vermoeden. Het hof heeft in de regeling ook geen bepaling aangetroffen dat een dergelijk onderzoek wel mogelijk is als de directeur bedrijfsvoering en\u002Fof de voorzitter van de ondernemingsraad daarvoor toestemming geeft.\n\n5.9. Het hof is het met [verweerder] eens dat het Waterschap niet heeft kunnen uitleggen waarom, als er eind februari\u002Fbegin maart 2025 signalen bij het Waterschap zijn binnengekomen dat de auto van [verweerder] ‘te vroeg’ (dus onder werktijd) bij zijn huis stond, hem niet diezelfde week is gevraagd daarover tekst en uitleg te verschaffen, in plaats van de gegevens van de black box uit de periode vanaf augustus 2024 (toen [verweerder] nog niet eens hersteld was gemeld) uit te lezen, te analyseren en [verweerder] om een verklaring te verzoeken voor daaruit volgens het Waterschap geconstateerde onregelmatigheden in die hele periode. Het op deze wijze verrichten van onderzoek is niet zorgvuldig of onverwijld te noemen. Dit alles betekent dat het oordeel van de kantonrechter op dit punt overeind blijft.\n\nDe meegedeelde dringende reden5.10. Naar vaste rechtspraak wordt de ontslaggrond gefixeerd door (de inhoud van) de opzeggingsbrief. Andere gronden, ook als die zich zouden hebben voorgedaan, kunnen daarmee geen reden voor het ontslag op staande voet vormen. Als meerdere redenen voor het ontslag op staande voet zijn meegedeeld, moet, eveneens volgens vaste jurisprudentie, de werkgever stellen en aannemelijk maken dat hij de werknemer ook op staande voet zou hebben ontslagen indien hij niet meer gronden zou hebben gehad dan in rechte zijn komen vast te staan. Dit laatste moet voor de werknemer in het licht van de gehele aanzegging en de overige omstandigheden van het geval ook duidelijk zijn geweest.\n\n5.11. \n\nDe ontslagbrief telt tien pagina’s. In die pagina’s worden door het Waterschap een groot aantal verwijten aan [verweerder] gemaakt, variërend van het te langzaam rijden met zijn auto, het met de auto speuren naar muskusratten, het stationair laten draaien van de auto, het in de ogen van het Waterschap te vaak bezoeken van het steunpunt in [plaats1] , het teveel uren besteden aan administratie en aan activiteiten als cursussen, bezoeken bedrijfsarts en gesprekken met de vertrouwenspersoon, tot het verschil tussen de gegevens uit de black box over tijdstippen van vertrek en thuiskomst en de tijdsregistratie op de formulieren \u002F in AllSolutionsvan 94 uur en 11 minuten.\n\nNa deze opsomming en bespreking vervolgt de ontslagbrief met “voornoemde feiten in overweging genomen zijn wij van mening dat je je met jouw handelswijze schuldig hebt gemaakt aan urenfraude”.\n\nDat lijkt erop te wijzen dat het Waterschap alle verwijten categoriseert als urenfraude of ‘dagdieverij’, terwijl veel van de gemaakte verwijten op uiteenlopende gedragingen zien die niet in die categorie passen. In het vervolg van de procedure wordt door het Waterschap voornamelijk ingezoomd op het laatste verwijt van de niet juist verantwoorde 94 uur en 11 minuten, maar dat neemt niet weg dat de ontslagbrief allesbehalve duidelijk is geformuleerd en dat het Waterschap niet voldaan heeft aan de hiervoor uit de vaste jurisprudentie voortvloeiende eisen die aan een ontslag met een meervoudige ontslagreden worden gesteld. Het hof is het met de kantonrechter eens dat een groot deel van de verwijten die het Waterschap aan [verweerder] maakt betrekking hebben op de wijze waarop hij functioneert – waarbij een verbetertraject is aangewezen – en geen dringende reden opleveren op grond waarvan de arbeidsovereenkomst onmiddellijk zou moeten worden beëindigd.\n\n5.12. Het hof is het ook met de kantonrechter eens dat het verschil tussen de door [verweerder] in AllSolutionsverantwoorde uren en de uren die het Waterschap heeft herleid uit de black box van de dienstauto in dit geval geen voldoende dringende reden oplevert. [verweerder] heeft gesteld dat hij thuis administratie verrichtte, werkte aan opdrachten die hij van de vertrouwenspersoon had gekregen en studeerde voor een VCA-examen (veiligheid, gezondheid en milieu) dat hij inmiddels heeft behaald. Verder heeft hij aangevoerd dat hij vanwege de doorgemaakte darmkanker problemen heeft met zijn stoelgang en vaker naar het toilet moet. Ter zitting bij het hof is ook aan de orde geweest dat hij, als hij zijn medicatie voor de ADHD niet slikte, hij soms vergat om de auto uit te schakelen. Ook heeft hij aangevoerd dat hij geen feeling had voor administratie en computers en dat het invullen van de administratie hem buitengewoon veel tijd kostte.\n\n5.13. Uit het dossier en het verhandelde ter zitting rijst het beeld dat [verweerder] in de periode na het herstel van zijn darmkanker niet goed in zijn vel zat, sneller aangebrand reageerde naar collega’s toe, zijn speurwerkzaamheden niet meer juist uitvoerde (vanuit de auto in plaats van met de ter beschikking gestelde middelen als de quad), zijn gebrek aan administratief talent en computervaardigheden een te groot en tijdrovend obstakel liet worden, een slechte verstandhouding had met zijn teamleider – waarbij een weinig geslaagd sinterklaasgedicht van [naam1] bestemd voor [verweerder] de sfeer bepaald niet verbeterde – en er, kort gezegd, de kantjes wat vanaf liep. Daaruit komt echter niet het beeld naar voren dat [verweerder] opzettelijk vrij nam zonder daarvoor verlofuren op te nemen. Daar komt nog bij dat [verweerder] vanaf januari 2025 ontzie-uren heeft toegekend gekregen vanwege zijn medische situatie terwijl zijn situatie in de periode in 2024 waarop het onderzoek zich richtte niet wezenlijk verschilde van de periode na 1 januari 2025.\n\n5.14. De kantonrechter heeft ook terecht waarde gehecht aan het feit dat [verweerder] geen – bij voorkeur schriftelijke – waarschuwing heeft gekregen voor het onjuist verantwoorden van zijn uren. Het hof gaat niet mee in de redenering van het Waterschap dat het voldoende is dat het Waterschap in het verleden ook andere medewerkers op staande voet heeft ontslagen vanwege wat zij noemt dagdieverij en dat die ontslagen in de organisatie breed zijn gecommuniceerd.\n\n5.15. Ook heeft het Waterschap er geen blijk van gegeven dat zij de bijzondere medische toestand en de verdere persoonlijke omstandigheden van [verweerder] op juiste wijze heeft afgewogen. Het Waterschap stelt dat pas tijdens de verhoren in maart 2025 aan de orde kwam dat [verweerder] darmklachten had en voor ADHD werd behandeld en dat, bij gebreke van afdoende bewijsstukken, het Waterschap daarmee geen rekening hoefde te houden bij de beslissing om ontslag te verlenen. Dat laatste is niet juist: het Waterschap had in ieder geval kennis van deze omstandigheden toen het ontslag op staande voet werd verleend en had dus deze omstandigheden moeten afwegen. Ook het lange, eenzijdige dienstverband van [verweerder] als muskusrattenvanger – een beroep dat bijna alleen bij een waterschap kan worden uitgeoefend – heeft het Waterschap niet op juiste wijze meegewogen. Het Waterschap heeft op dat punt ten onrechte alleen aangegeven dat juist omdat [verweerder] al zo lang ambtenaar was, hij meer bewust moest zijn dat hij integer moest handelen en zijn werkuren moest maken.\n\n5.16. Het hof is het, alles afwegende, eens met het oordeel van de kantonrechter dat in dit geval geen sprake is van een dringende reden in objectieve zin.\n\n5.17. \n [verweerder] heeft nog aangevoerd dat, gelet op het feit dat het ontslag op staande voet onder opschortende voorwaarde van ontslagname per 1 augustus 2025 was gegeven, ook geen sprake is van een subjectieve dringende reden. Als [verweerder] inderdaad bij ontslagname ‘gewoon’ tot 1 augustus 2025 zou mogen blijven, is dat slecht te rijmen met een ontslag op staande voet. Uit de tekst van de ontslagbrief blijkt niet wat de bedoeling van het Waterschap was op dit punt. Ter zitting heeft het Waterschap aangegeven dat, als [verweerder] op dat voorstel in zou gaan, hij dan feitelijk niet meer zou mogen werken. Uitgaande van die uitleg zou de opschortende voorwaarde als zodanig niet aan een geldig ontslag op staande voet in de weg hebben gestaan. Van groot belang is dit verder niet meer, omdat het ontslag op staande voet niet voldoet aan de eisen van onverwijldheid en een objectieve geldige reden voor dat ontslag.\n\n5.18. De primaire verzoeken van het Waterschap stuiten hierop af.\n\nGeen voldoende grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst5.19. De wet schrijft voor dat het hof een datum bepaalt waarop de arbeidsovereenkomst eindigt als het verzoek van de werkgever aan de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst te ontbinden ten onrechte is afgewezen (artikel 7:683 lid 5 BW). Ter beoordeling ligt dus allereerst voor of zich een redelijke ontslaggrond voordoet (artikelen 7:671b leden 1 en 2 BW en 7:669 lid 1 BW). Die beoordeling is uitdrukkelijk niet beperkt tot feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan vóór de beslissing van de kantonrechter, maar beslaat ook de huidige situatie.\n\n5.20. \n\nVolgens het Waterschap levert de constatering naar aanleiding van het onderzoek naar de black box dat sprake is van urenfraude ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] op en heeft de kantonrechter ten onrechte de arbeidsovereenkomst niet op de e-grond ontbonden.\n\nHet hof verwijst naar wat hiervoor over deze grond in het kader van de beoordeling van de dringende reden is overwogen. Dat [verweerder] zich aan fraude zoals het Waterschap heeft gesteld heeft schuldig gemaakt, is onvoldoende komen vast te staan.\n\n5.21. Wat de door het Waterschap gestelde verstoorde arbeidsverhouding betreft overweegt het hof dat het belang van de slechte verstandhouding tussen [verweerder] en [naam1] inmiddels is achterhaald omdat [naam1] met pensioen is gegaan. Voor zover het Waterschap heeft gewezen op de opname die van de bijeenkomst op 16 oktober 2025 (zie hiervoor onder 3.10) en het kwalijke karakter van heimelijke opnames in het algemeen, blijkt uit niets dat [verweerder] de hand heeft gehad in het feit dat van deze bijeenkomst – waar hij niet aanwezig was – een opname is gemaakt. Uit het door het Waterschap zelf in het geding gebrachte verslag van die bijeenkomst blijkt dat de daar aanwezige leidinggevenden minst genomen niet handig hebben geopereerd. Het hof wil wel aannemen dat dit niet de bedoeling was, maar het plenair bespreken met alle collega’s van het voorgenomen verbeterplan voor [verweerder] en zijn medische situatie geeft geen pas. Uit dat verslag en uit het dossier blijkt ook dat het ontslag van [verweerder] , ten onrechte, tot een teamaangelegenheid is geworden, waarbij het Waterschap bij het verweerschrift in eerste aanleg diverse steunbetuigingen aan [naam1] heeft ingebracht, dit naar aanleiding van de door [verweerder] overgelegde verklaring van een oud-collega die – ten onrechte – een relatie had gelegd tussen de zelfmoord van een andere collega en de handelwijze van [naam1] . Tijdens de zitting van het hof heeft het afdelingshoofd haar excuses aangeboden aan [verweerder] voor genoemde bijeenkomst en heeft [verweerder] richting [naam1] aangegeven dat het zo niet had gemoeten met de door hem ingebrachte steunverklaring van desbetreffende oud-collega.\n\n5.22. Uit het verslag van 16 oktober 2025 blijkt wel dat er op dat moment iets aan de hand was in het MURA-team en dat bij de positieve uitkomst van het medewerkerswaarderingsonderzoek waarop het Waterschap zich heeft beroepen, wel kanttekeningen zijn te maken. Dat sprake is van onherstelbaar beschadigde relaties tussen het managementteam van het Waterschap en [verweerder] danwel tussen [verweerder] en de rest van het MURA-team is het hof onvoldoende gebleken. Het Waterschap heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij voldoende pogingen heeft gedaan om die verstandhoudingen weer te verbeteren. Daarbij moet wel de kanttekening gemaakt worden dat het hof de indruk heeft dat de nieuwe teamleider [naam2] goed bezig is en dat tussen hem en [verweerder] (inmiddels) sprake is van goed werkbare verhoudingen. Het hof heeft er voldoende vertrouwen in dat [naam2] , als hij de nodige steun en verdere medewerking van het hogere management krijgt, de verstandhoudingen binnen het team kan normaliseren. Daarbij worden ook inspanningen van [verweerder] verwacht, in die zin dat hij blijft doorgaan op de manier waarop hij vanaf januari 2026 zijn activiteiten heeft hervat en dat hij de voorgeschreven ADHD- medicatie gebruikt.\n\n5.23. Voor een ontbinding op de i-grond acht het hof ook onvoldoende grond aanwezig. Uit het dossier blijkt dat vooral sprake is van een onvoldragen d-grond omdat [verweerder] door een aantal factoren niet meer goed functioneerde. Uit de overgelegde verslagen van het verbetertraject blijkt dat, nadat het tussen de nieuwe teamleider [naam2] en [verweerder] het medio januari 2026 nog even had geknetterd, bij [verweerder] de knop is omgegaan en hij naar behoren lijkt te functioneren en het plezier is zijn werk heeft teruggevonden en zich heeft gerealiseerd dat hij dit tot zijn pensioen wil blijven doen.\n\n5.24. Het hof zal daarom ook, in het voetspoor van de kantonrechter, de ontbinding van de arbeidsovereenkomst afwijzen.\n\nDe slotsom5.25. De grieven van het Waterschap treffen geen doel. Het hof zal het beroep van het Waterschap ongegrond verklaren en de in hoger beroep ingestelde vorderingen afwijzen. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof het Waterschap in de kosten van de procedure veroordelen, te begroten op het geheven griffierecht en een bedrag voor de kosten van de advocaat. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.\n\n5.26. De veroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n6. De beslissing\n\nHet hof:\n\n6.1. verwerpt het beroep;\n\n6.2. wijst de vorderingen van het Waterschap af;\n\n6.3. veroordeelt het Waterschap in de kosten van de procedure, aan de zijde van [verweerder] begroot op € 373,- aan verschotten en op € 2.580,- aan salaris advocaat (twee punten naar tarief II van het liquidatietarief) en verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;\n\n6.4. bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag. Als niet op tijd wordt betaald, dan worden die kosten verhoogd met de wettelijke rente en\n\n6.5. wijst af wat verder is verzocht.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Kuiper, K. Mans en R.J.A. Dil en is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.\n\n HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:283 \n\nHR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4034","ecli-nl-gharl-2026-4034",{"courtName":6,"legalDomain":101,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":150,"ecli":151,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":152,"fullText":153,"language":7,"source":17,"sourceUrl":154,"summary":14,"slug":155,"metadata":156},"419","ECLI:NL:RBNNE:2026:2695","2026-06-16T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nFamilie- en Jeugdrecht\n\nLocatie Leeuwarden\n\nZaaknummer: C\u002F18\u002F254912 \u002F JE RK 26-620\n\nDatum uitspraak: 16 juni 2026\n\nBeschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nhet Regiecentrum Bescherming en Veiligheid, gevestigd in Leeuwarden,\n\nhierna te noemen de GI (Gecertificeerde Instelling),\n\nover\n\n [naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] ,\n\nhierna te noemen [minderjarige] .\n\nDe kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:\n\n [naam],\n\nhierna te noemen de moeder,\n\nwonende in [woonplaats] ,\n\n [naam],\n\nhierna te noemen de vader,\n\nwonende in [woonplaats] .\n\n1. Het verdere verloop van de procedure\n\n1.1.. Bij beschikking van 12 mei 2026 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd voor de duur van een jaar, te weten tot 16 mei 2027. Daarnaast heeft de kinderrechter bij die beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verlengd voor de duur van zes weken, te weten tot 29 juni 2026. De beslissing op het overige deel van het verzoek is aangehouden tot de zitting met gesloten deuren op 16 juni 2026.\n\n1.2.. Daarna heeft de kinderrechter op 8 juni 2026 een brief van de GI ontvangen.1.3.. Op 16 juni 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:\n\n- de moeder;\n\nde vader;\n\n [naam jeugdbeschermer] , namens de GI.\n\n1.4.. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover voorafgaand aan de zitting een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Voor de vaststaande feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 12 mei 2026.\n\n3. Het verzoek\n\n3.1.. De GI handhaaft het verzoek om - uitvoerbaar bij voorraad - de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI onder meer het volgende naar voren gebracht.\n\n3.2.. Na de beschikking van 12 mei 2026, is de GI gelijk aan de slag gegaan met de opdrachten van de kinderrechter gericht op het onderzoeken of een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader mogelijk is. De GI heeft hiervoor meerdere hulpverleningsorganisaties benaderd. Op 26 mei 2026 heeft de GI te horen gekregen dat Feel Jeugd en Gezin (Feel) op korte termijn kan starten met zowel omgangsbegeleiding als een opvoedonderzoek bij de vader. Vervolgens heeft op 3 juni 2026 een startgesprek plaatsgevonden tussen de vader, een medewerker van Feel en de jeugdbeschermer. Tijdens dit gesprek zijn direct afspraken gemaakt over een huisbezoek bij de vader en is gekeken naar de mogelijkheden voor contactuitbreiding tussen de vader en [minderjarige] . De GI heeft begrepen dat de vader de voorkeur gaf aan twee omgangsmomenten in de week in plaats van de voorgestelde drie keer in de week. De GI weet niet waarom Feel ervoor kiest om de omgangsmomenten gedurende één uur te laten plaatsvinden en niet in tijdsduur uit te breiden.\n\n3.3.. De GI vindt het te vroeg om definitief te concluderen of een thuisplaatsing bij de vader duurzaam haalbaar is. De reden hiervan is niet een gebrek aan vertrouwen in de opvoedvaardigheden van de vader, maar dat de GI haar conclusies op een gedegen onderzoek wil en moet baseren. De bij de GI bekende zorgen over de vader zien op dat hij in het verleden pedagogische tikken uitdeelde aan [minderjarige] en dat [minderjarige] bang voor hem was. De GI heeft hierover met de vader gesproken en hij geeft aan dit niet meer te zullen doen. Daarnaast ziet de GI al vanaf het eerste omgangsmoment tussen [minderjarige] en de vader geen angst bij [minderjarige] . [minderjarige] ervaarde alleen bij het eerste omgangsmoment gezonde spanning omdat hij de vader een tijd niet had gezien, maar deze spanning verdween snel. De GI ziet een ontspannen [minderjarige] bij de omgang. Ook is de interactie tussen de vader en [minderjarige] goed. Bij de GI zijn verder geen zorgen over de opvoedvaardigheden van de vader bekend. De GI heeft daardoor vertrouwen in een positieve uitslag van het onderzoek. De GI heeft Feel meegegeven dat het onderzoek versneld moet plaatsvinden.\n\n4. De standpunten\n\n4.1.. \n [minderjarige] vertelt dat het goed met hem gaat. Hij ziet zijn vader nu één à twee keer in de week en dat vindt hij leuk. Hij heeft gehoord dat wordt onderzocht of hij bij zijn vader kan wonen en dat hij misschien voor 2027 bij zijn vader zal gaan wonen. Hij ziet zijn moeder ook wekelijks en dat vindt hij fijn. Hij zou ook graag zijn moeder vaker willen zien. Daarnaast wil [minderjarige] heel graag in de zomervakantie met zijn vader mee op vakantie naar Frankrijk en Marokko. Daar woont zijn familie die hij al twee jaar niet meer heeft gezien. Hij kijkt er daarom naar uit om zijn familie weer te zien.4.2.. De vader is blij dat onderzocht wordt of [minderjarige] bij hem thuis kan wonen. Hij voelt zich meer gehoord en gezien in zijn vaderrol. Wat de vader betreft kan [minderjarige] per direct bij hem komen wonen. De band tussen hem en [minderjarige] is sterker geworden. De vader zou in ieder geval graag zien dat de omgangsmomenten tussen hem en [minderjarige] in duur worden uitgebreid en dat zij samen tijd kunnen doorbrengen buiten de omgangslocatie. De vader gaat in de zomervakantie voor drie weken naar Frankrijk en Marokko en merkt dat [minderjarige] heel graag met hem mee wil daarheen.4.3.. De moeder vindt dat de thuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader niet snel genoeg gaat. Zij had - na de beschikking van 12 mei 2026 - verwacht dat de contacten tussen [minderjarige] en de vader veel sneller zouden worden uitgebreid. De moeder wil het liefst dat [minderjarige] zo snel mogelijk bij de vader gaat wonen. Zij heeft er vertrouwen in dat de vader hem de opvoedsituatie biedt die hij nodig heeft. Ook vindt zij het belangrijk dat [minderjarige] zijn normale dagritme weer oppakt en na de zomervakantie naar het voortgezet onderwijs gaat vanuit de situatie bij de vader. Om dit proces te bevorderen is de moeder bereid om zelf een stap terug te zetten. Zij vindt het op dit moment het belangrijkste dat de plaatsing van [minderjarige] bij de vader goed gaat. Ook zou zij graag zien dat [minderjarige] met de vader mee gaat op vakantie naar Frankrijk en Marokko. [minderjarige] is in goede handen bij zijn vader en zijn familie.\n\n5. De beoordeling\n\n5.1.. Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] nog voor een hele korte periode noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.De kinderrechter zal de machtiging verlengen voor de duur van vier dagen, te weten tot de start van de zomervakantie op 4 juli 2026. Het meer of anders gevraagde zal worden afgewezen. De kinderrechter zal hieronder uitleggen waarom deze beslissing is genomen.\n\n5.2.. De kinderrechter heeft bij beschikking van 12 mei 2026 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] toegewezen voor de duur van zes weken. De GI heeft daarbij de opdracht gekregen om het contact tussen de vader en [minderjarige] fors uit te breiden, hulpverlening bij de vader in te zetten en een gedegen plan van aanpak op te stellen gericht op een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader.\n\n5.3.. \n\nDe kinderrechter stelt vast dat de GI Feel heeft ingezet om te onderzoeken of een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader mogelijk is. Dit is conform wat de kinderrechter de GI had opgedragen. Tegelijkertijd had de kinderrechter net als de ouders verwacht dat het contact tussen de vader en [minderjarige] fors uitgebreid zou worden en inmiddels uitgebreid zou zijn, nu de kinderrechter ook hiertoe opdracht had gegeven. Toch is dit niet het geval.\n\nDe kinderechter begrijpt dat de GI geen belemmeringen voor een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader ziet, behoudens de wens voor een gedegen onderzoek door Feel. Ondanks dat de kinderrechter deze wens vanuit de GI begrijpt, vindt de kinderrechter niet dat de thuisplaatsing bij de vader moet worden uitgesteld totdat dit onderzoek is afgerond. Er zijn geen omstandigheden gebleken die maken dat [minderjarige] niet (per direct) bij de vader zou kunnen wonen. [minderjarige] is destijds vanwege grote zorgen bij de moeder uit huis geplaatst. Over de opvoedvaardigheden van de vader zijn geen zorgen bekend, afgezien van dat hij [minderjarige] in het verleden corrigerende tikken uitdeelde. Met de vader is gesproken over dat dit niet mag en dat dit schadelijk is voor [minderjarige] . De vader staat open voor de opvoedadviezen en geeft aan te begrijpen dat hij dit niet meer mag doen. Hiernaast verlopen de omgangsmomenten tussen de vader en [minderjarige] tot dusver positief. Er wordt gezien dat [minderjarige] zich prettig voelt bij de vader.\n\nDe kinderrechter ziet daarom mogelijkheden voor een plaatsing van [minderjarige] bij de vader en oordeelt dat deze minder ingrijpende mogelijkheid voorliggend is en daardoor de noodzaak voor een langere uithuisplaatsing ontbreekt. Ook acht de kinderrechter het meer in het belang van [minderjarige] dat hij vanuit de opvoedingsomgeving van de vader in het nieuwe schooljaar start op zijn nieuwe school en niet eerst vanuit het gezinshuis [naam gezinshuis] . Daarom verleent de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] slechts voor de duur van vier dagen, te weten tot de start van de zomervakantie op 4 juli 2026. In deze periode kunnen de (begeleide) omgangsmomenten fors uitgebreid worden met overnachtingen, zodat [minderjarige] zich kan voorbereiden op de zomervakantie met zijn vader en de thuisplaatsing bij de vader.\n\nDe beslissing geldt direct5.4.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht omdat het in het belang van [minderjarige] is dat hij zo snel mogelijk bij zijn vader kan gaan wonen. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.\n\n6. De beslissing\n\nDe kinderrechter:\n\n6.1.. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening tot 4 juli 2026;6.2.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;6.3.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2026 door\n\nmr. J. Teertstra, kinderrechter, in aanwezigheid van E. Massink als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 29 juni 2026.\n\n [-]\n\n [-]\n\n [-]\n\nTegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:\n\ndegenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;\n\nandere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.\n\n Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2695","ecli-nl-rbnne-2026-2695",{"courtName":6,"legalDomain":64,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":158,"ecli":159,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":160,"fullText":161,"language":7,"source":17,"sourceUrl":162,"summary":14,"slug":163,"metadata":164},"1462","ECLI:NL:GHARL:2026:4284","2026-06-10T00:00:00.000Z","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-003741-20\n\nUitspraakdatum: 10 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nOntnemingszaak\n\nVerkorte beslissingvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,\n\ngewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 2 mei 2019 met het parketnummer\n\n18-850004-16 op de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, in de zaak van\n [betrokkene] (de betrokkene),\n\ngeboren op [geboortedag] in [geboorteplaats] ,\n\nzonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,\n\nwonende in [land] ,\n\nblijkens de gegevens die het gerechtshof heeft verkregen in het kader van de betekening van de oproeping van de verdachte tegen de zitting van het gerechtshof van 10 juni 2026.\n\nHet hoger beroep\n\nDe betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de hierboven genoemde beslissing van de rechtbank Noord-Nederland.\n\nHet onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 17 januari 2023 en 10 juni 2026.\n\nHet gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene en diens terugbetalingsverplichting aan de Staat zal vaststellen op € 197.342,13.\n\nVerder heeft het gerechtshof kennisgenomen van hetgeen namens de betrokkene door zijn raadsman, mr. J.A. Schadd, is aangevoerd, zakelijk weergegeven inhoudende dat de raadsman zich refereert aan het oordeel van het gerechtshof over de betekening van de oproeping van de betrokkene tegen de zitting van vandaag en dat de raadsman niet gemachtigd is door zijn cliënt en daarom nu inhoudelijk niets over de zaak kan zeggen.\n\nDe beslissing waartegen het hoger beroep is gericht\n\nHet hoger beroep is gericht tegen de hierboven genoemde beslissing van de rechtbank.\n\nIn die beslissing heeft de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene en diens terugbetalingsverplichting aan de Staat vastgesteld op\n\n€ 232.240,14.\n\nHet gerechtshof verenigt zich niet met deze beslissing van de rechtbank. Daarom vernietigt het gerechtshof die beslissing en doet het gerechtshof opnieuw recht.\n\nDe vordering tot ontneming van wederrechtelijk voordeel\n\nHet openbaar ministerie heeft schriftelijk gevorderd dat het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 577.962,-. Daarnaast heeft het openbaar ministerie gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.\n\nOp de zitting van de rechtbank van 21 maart 2019 heeft de officier van justitie gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene en diens terugbetalings-verplichting aan de Staat zal worden vastgesteld op € 317.880,17.\n\nOp de zitting van het gerechtshof van 10 juni 2026 heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel, zoals de rechtbank dat - op basis van de transacties via de bankrekening van de gedupeerden - heeft vastgesteld, op een aantal punten dient te worden gecorrigeerd. Dit omdat in zeven gevallen van oplichting weliswaar het in de tenlastelegging genoemde bedrag is ontfutseld aan de gedupeerden, maar een deel van dat bedrag of het gehele bedrag niet bij de betrokkene terecht is gekomen door interventies van de bank met betrekking tot de betaalrekening van die gedupeerden. In zeven gevallen is volgens de advocaat-generaal het oplichtingsbedrag niet het bedrag dat op de tenlastelegging in de strafzaak bij de afzonderlijke oplichtingsfeiten onder feit 1 is opgenomen (en bewezen verklaard):\n\nbij [naam 1] niet € 12.000,00, maar € 3.000,00;\n\nbij [naam 2] niet € 3.750,00, maar € 1.750,00;\n\nbij [naam 3] niet € 7.000,00, maar € 3.500,00;\n\nbij [naam 4] niet € 13.100,00, maar € 500,00;\n\nbij [naam 5] niet € 11.500,00, maar nihil;\n\nbij [naam 6] niet € 10.000,00, maar nihil;\n\nbij [naam 7] € 11.500,00, maar € 10.500,00,\n\ndit alles op basis van de afzonderlijke aangiftes van de genoemde personen.\n\nDe vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel door het gerechtshof\n\nHet gerechtshof heeft onmiddellijk na het onderzoek op de terechtzitting van 10 juni 2026 uitspraak gedaan. De beslissing van het gerechtshof is toen mondeling gemotiveerd.\n\nDeze motivering luidt - in hoofdlijnen - als volgt:\n\nDe betrokkene is bij vonnis van de rechtbank van 19 oktober 2018 veroordeeld voor onder meer oplichting van 37 personen en medeplegen van oplichting van 4 personen.\n\nUit het strafdossier en de behandeling van de vordering op de zitting in hoger beroep blijkt dat de betrokkene uit dat feit financieel voordeel heeft behaald.\n\nOp grond van wettige bewijsmiddelen schat het gerechtshof dat voordeel op een bedrag van € 197.243,13. Dit bedrag is gebaseerd op de volgende berekening.\n\nDe correctie op de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene, zoals de advocaat-generaal die heeft opgevoerd, is juist. Het gerechtshof heeft die correctie gecontroleerd in raadkamer tijdens een schorsing van het onderzoek en correct bevonden. Dit houdt in dat de volgende berekening dient te worden gemaakt:\n\nTer zake van feit 1 dient op het door de rechtbank vastgestelde oplichtingsbedrag van\n\n€ 262.720,17 in mindering te worden gebracht een bedrag van € 43.600,00.\n\nHet bruto bedrag (zonder aftrek van door de betrokkene gemaakte kosten) dat de betrokkene heeft verkregen door de oplichtingsfeiten van feit 1 bedraagt dan € 262.720,17 - € 43.600,00 = € 219.120,17.\n\nHet netto bedrag (met aftrek van door de betrokkene gemaakte kosten, geschat op 20% van het bruto bedrag) dat de betrokkene heeft verkregen door de oplichtingsfeiten van feit 1 bedraagt dan € 174.702,13.\n\nDaarbij dient te worden opgeteld het (netto) oplichtingsbedrag dat door de betrokkene is verkregen door de oplichtingsfeiten van feit 2, te weten € 22.640,00.\n\nDit levert op een door de betrokkene verkregen wederrechtelijk voordeel van € 197.243,13.\n\nDe verplichting tot betaling aan de Staat\n\nHet gerechtshof stelt daarom de verplichting tot betaling aan de Staat vast op het hiervoor genoemde bedrag.\n\nGijzeling\n\nHet gerechtshof bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 540 dagen.\n\nWetsartikelen\n\nDe maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Dit wettelijk voorschrift is toegepast zoals het gold op het moment van de procedure.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt de beslissing waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nStelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 197.342,13 (honderdzevenennegentigduizend driehonderdtweeënveertig euro en dertien cent).\n\nLegt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van\n\n€ 197.342,13 (honderdzevenennegentigduizend driehonderdtweeënveertig euro en dertien cent).\n\nBepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd in geval van niet betaling op 540 dagen.\n\nDit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. H.J. Deuring en mr. L.J. Hofstra, in aanwezigheid van de griffier H. Kingma en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 10 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4284","ecli-nl-gharl-2026-4284",{"courtName":6,"legalDomain":40,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":166,"ecli":167,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":160,"fullText":168,"language":7,"source":17,"sourceUrl":169,"summary":14,"slug":170,"metadata":171},"1459","ECLI:NL:GHARL:2026:4363","Afdeling strafrecht\n\nParketnummer: 21-003740-20\n\nUitspraakdatum: 10 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,\n\ngewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Leeuwarden, van 19 oktober 2018 met het parketnummer\n\n18-850004-16 in de strafzaak tegen de verdachte\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedag] 1985 in [geboorteplaats] ,\n\nzonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,\n\nwonende in [land] ,\n\nblijkens de gegevens die het gerechtshof heeft verkregen in het kader van de betekening van de oproeping van de verdachte tegen de zitting van het gerechtshof van 10 juni 2026.\n\nHet hoger beroep\n\nDe verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen het hierboven genoemde vonnis van de rechtbank Noord-Nederland.\n\nHet onderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het gerechtshof van 17 januari 2023 en 10 juni 2026.\n\nHet gerechtshof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het gerechtshof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep, op grond van het bepaalde in artikel 416, tweede lid van het Wetboek van Strafvordering.\n\nVerder heeft het gerechtshof kennisgenomen van hetgeen namens de verdachte door zijn raadsman, mr. J.A. Schadd, is aangevoerd, zakelijk weergegeven inhoudende dat de raadsman zich refereert aan het oordeel van het gerechtshof over de betekening van de oproeping van de verdachte tegen de zitting van vandaag en dat de raadsman niet gemachtigd is door zijn cliënt en daarom nu inhoudelijk niets over de zaak kan zeggen.\n\nTevens heeft het gerechtshof kennisgenomen van hetgeen mr. M. Molenaar, de advocaat van de benadeelde partij [benadeelde] , heeft aangevoerd.\n\nDe ontvankelijkheid van het hoger beroep\n\nHet gerechtshof heeft onmiddellijk na het onderzoek op de terechtzitting van 10 juni 2026 uitspraak gedaan. De beslissing van het gerechtshof is toen mondeling gemotiveerd.\n\nDeze motivering luidt - in hoofdlijnen - als volgt:\n\nDoor of namens de verdachte zijn geen bezwaren opgegeven tegen het hierboven genoemde vonnis van de rechtbank. Het gerechtshof ziet zelf geen redenen die een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep noodzakelijk maken. Het gerechtshof verklaart de verdachte daarom niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.\n\nDit arrest is gewezen door mr. T.H. Bosma, mr. H.J. Deuring en mr. L.J. Hofstra, in aanwezigheid van de griffier H. Kingma en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 10 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:4363","ecli-nl-gharl-2026-4363",{"courtName":6,"legalDomain":40,"decisionType":22,"procedureType":23}]