[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-s-hertogenbosch":3},{"court":4,"decisions":10},{"id":5,"name":6,"country":7,"level":8,"jurisdiction":9},72,"'s-Hertogenbosch","nl","first_instance","administrative",[11,24,32,40,47,54,61,70,77,84,91,100,107,116,125,132,140,147,154,162],{"id":12,"ecli":13,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":16,"language":7,"source":17,"sourceUrl":18,"summary":14,"slug":19,"metadata":20},"570","ECLI:NL:RBOBR:2026:4793","","2026-07-08T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nLocatie 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummer: 01.243457.25\n\nDatum uitspraak: 08 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [2001] ,\n\nthans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 december 2025, 11 maart 2026, 01 juni 2026 en 24 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe tenlastelegging.\n\nDe zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 november 2025.\n\nNa wijziging van de tenlastelegging op 11 maart 2026 is aan verdachte ten laste gelegd dat:\n\n1hij in of omstreeks de periode van 4 september 2025 tot en met 5september 2025 te Uden, gemeente Maashorst en\u002Fof te Eindhoven,althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijkeen minderjarige, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [2012] ,heeft onttrokken aan het wettig over haar gesteld gezag en\u002Fof aanhet opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefende;( art 279 lid 1 Wetboek van Strafrecht, art 47 lid 1 ahf\u002Fsub 1 Wetboek van Strafrecht )\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordelingmocht of zou kunnen leiden:\n\nhij in of omstreeks de periode van 4 september 2025 tot en met 5september 2025 te Uden, gemeente Maashorst en\u002Fof te Eindhoven,althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk,een minderjarige, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [2012] ,die onttrokken was of zich onttrokken had aan het wettig over haargesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haaruitoefende, heeft verborgen en\u002Fof aan de nasporing van de ambtenarenvan de justitie of politie heeft onttrokken;( art 280 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n2hij op of omstreeks 15 september 2025 te Uden, gemeente Maashorst,althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijk,een minderjarige, te weten [slachtoffer 2] , geboren op [2010] ,die onttrokken was of zich onttrokken had aan het wettig over haargesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haaruitoefende,heeft verborgen en\u002Fof aan de nasporing van de ambtenaren van dejustitie of politie heeft onttrokken;( art 280 lid 1 Wetboek van Strafrecht )\n\n3hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari2024 tot en met 30 juni 2024 te Uden, gemeente Maashorst, althans inNederland,meermalen, althans eenmaal,door geweld of een andere feitelijkheid en\u002Fof bedreiging met geweld ofeen andere feitelijkheid, te weten- door [slachtoffer 3] mee te nemen naar en\u002Fof in zijn woning en\u002Fof- door het grote leeftijdsverschil en\u002Fof het fysieke en\u002Fof mentaleoverwicht dat hij op die [slachtoffer 3] had en\u002Fof- door op dwingende toon tegen die [slachtoffer 3] te praten en\u002Fof- door voorbij te gaan aan tekenen van verzet van die [slachtoffer 3] en\u002Fof- door die [slachtoffer 3] dreigend voor te houden dat als zij geen seks (meer) methem, verdachte, zou hebben, hij, verdachte, haar familie, zou latenweten dat hij, verdachte, en die [slachtoffer 3] (eerder) seks hadden gehad en\u002Fof- door die [slachtoffer 3] dreigend voor te houden dat als zij (tegen hem,verdachte) aangifte zou doen, hij verdachte, haar broer, althans haarfamilie, met een mes zou steken, althans iets zou aandoen,die [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meerhandelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueelbinnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , te weten- het in de mond van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes,penis en\u002Fof- het in de vagina van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes,vingers en\u002Fof penis;( art 242 Wetboek van Strafrecht )\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordelingmocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari2024 tot en met 30 juni 2024 te Uden, gemeente Maashorst, althans inNederland,met [slachtoffer 3] , geboren op [2009] , die de leeftijd van twaalf jarenmaar nog niet die van zestien jaren had bereikt,(telkens) buiten echt,een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit ofmede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die\n [slachtoffer 3] , te weten- het in de mond van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes,penis en\u002Fof- het in de vagina van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes,penis en\u002Fof vingers;( art 245 Wetboek van Strafrecht )De formele voorvragen.\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nDe bewijsvraag.\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie acht feit 3 primair niet wettig en overtuigend bewezen en heeft daarvoor vrijspraak gevorderd. De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten 1 primair, 2 en 3 subsidiair.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsman heeft overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnota – kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1 primair omdat niet is gebleken dat hij het minderjarige meisje ( [slachtoffer 1] ) met opzet heeft onttrokken aan het wettig over haar gestelde gezag. Evenmin is te bewijzen dat zijn handelen daarop van beslissende invloed is geweest.\n\nHet onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde kan niet bewezen worden omdat er onvoldoende bewijs is om vast te stellen waaruit het verbergen dan wel onttrekken van het minderjarige meisje heeft bestaan en welke rol verdachte hierin heeft gespeeld. Verdachte dient daarom ook van dit tenlastegelegde feit te worden vrijgesproken.\n\nTen aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte enige wetenschap had dat het minderjarige meisje ( [slachtoffer 2] )was weggelopen en zich had onttrokken aan het wettig over haar gestelde gezag. Evenmin is te bewijzen dat verdachte haar bewust verborgen heeft gehouden voor haar ouders of voor politie en justitie. Daarom dient verdachte van dit feit te worden vrijgesproken. Mocht de rechtbank het proces-verbaal van bevindingen (p. 115-116 van het dossier) willen betrekken om tot een bewezenverklaring te komen, dan wordt door de verdediging in dat geval (en dus voorwaardelijk) bezwaar gemaakt tegen de inhoud van dit proces-verbaal en met name de stelling dat het hier om een verklaring van het vermeende slachtoffer zou gaan. De verdediging wenst in dat geval dat het onderzoek heropend wordt en dat van de door de officier van justitie ter zitting overhandigde en aan het dossier toegevoegde dvd met geluidsopnamen een transcriptie wordt opgemaakt.\n\nDe raadsman kan zich vinden in de door de officier van justitie wat betreft feit 3 primair gevorderde vrijspraak. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de verklaringen van [slachtoffer 3] te wisselend en daardoor ongeloofwaardig zijn. [slachtoffer 3] is voorts de enige getuige ten aanzien van dit feit. Voldoende steunbewijs voor een bewezenverklaring ontbreekt en daarom dient verdachte van feit 3 primair te worden vrijgesproken.\n\nTen aanzien van een bewezenverklaring van feit 3 subsidiair merkt de raadsman op dat verdachte en [slachtoffer 3] destijds een liefdesrelatie hadden en dat sprake was van een relatief gering leeftijdsgeschil. Daarom was geen sprake van ontuchtig handelen en moet verdachte ook van dit feit worden vrijgesproken.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nTen aanzien van feit 1 primair\n\nUit het verhandelde ter terechtzitting en de stukken in het procesdossier volgt dat de dertienjarige [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) onder het wettig gezag stond van haar ouders. Zij heeft naar eigen zeggen in de avond van 4 september 2025 de laatste trein van Den Bosch naar haar woonplaats Oss gemist en is samen met anderen, waaronder verdachte, naar de woning van verdachte in Uden gegaan. Van verdachte mocht zij in zijn woning verblijven. Op 5 september 2025 is [slachtoffer 1] , nadat haar vader te weten was gekomen waar zij verbleef, door de politie uit de woning van verdachte gehaald en naar haar ouders teruggebracht.\n\nHet kan voorkomen dat een minderjarige zelf (actief) bijdraagt aan de onttrekking van het wettig over hem of haar gesteld gezag of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem of haar uitoefent. Bijvoorbeeld door van huis of uit een instelling weg te lopen en daarna bij een ander te verblijven. Dat een minderjarige zelf hiertoe het initiatief heeft genomen staat aan een veroordeling van die ander voor strafbare onttrekking niet zonder meer in de weg.\n\nVoor een strafbaar onttrekken is volgens vaste rechtspraak in dat geval wel vereist dat komt vast te staan dat de verdachte een beslissende invloed heeft gehad op de scheiding tussen de minderjarige en degene die het gezag of opzicht uitoefent, in dit geval de ouders van [slachtoffer 1] .\n\nVerdachte heeft steeds ontkend dat hij [slachtoffer 1] opzettelijk onttrokken heeft aan het wettig over haar gestelde gezag. De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte wetenschap had dat [slachtoffer 1] zich onttrokken had aan het over haar gestelde wettig gezag.\n\nDe door de officier van justitie gestelde omstandigheden dat door verdachte invloed is uitgeoefend op [slachtoffer 1] om haar mee naar zijn woning te krijgen en dat verdachte wist dat [slachtoffer 1] pas 14 jaar oud was, vinden naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steun in het dossier. Ook de door de officier van justitie genoemde omstandigheid dat [slachtoffer 1] van een Syrische jongen haar telefoon op vliegtuigstand moest zetten maakt dit niet anders. Er is geen bewijs dat dit een opdracht van verdachte was, of dat verdachte hier zelf van af wist.\n\nHoewel er vraagtekens geplaatst kunnen worden bij de situatie in het huis van verdachte (waar het een komen en gaan leek van (al dan niet) minderjarige personen, is over verdachtes handelen niet meer komen vast te staan dan dat hij [slachtoffer 1] heeft toegestaan in zijn woning te verblijven, nadat zij de laatste trein naar huis had gemist. Het enkele feit dat iemand een minderjarige, die bij hem op bezoek is gekomen, gedurende enige tijd onderdak verleent, is nog niet voldoende om te kunnen spreken van een ‘opzettelijke onttrekking van een minderjarige aan het ouderlijke gezag’.\n\nDat verdachte door zo te handelen wetenschap had van en een beslissende invloed heeft gehad op de scheiding tussen de minderjarige [slachtoffer 1] en haar ouders als degenen die het wettelijk gezag over haar uitoefenen is niet komen vast te staan. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van feit 1 primair.\n\nTen aanzien van feit 1 subsidiair\n\nHet voorgaande werkt ook door bij de beoordeling van het subsidiair ten laste gelegde feit.\n\nDe enige handeling van verdachte in dit verband waarvoor wettig en overtuigend bewijs bestaat is dat hij [slachtoffer 1] in zijn woning heeft laten verblijven nadat zij haar laatste trein gemist had. Dat is onvoldoende om van het verbergen of aan de nasporing van de ambtenaren van justitie of politie onttrekken in de betekenis die artikel 280, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht aan dat begrip geeft (Hoge Raad 19 december 2023, ECLI:NL:HR:2023:1775).\n\nDe rechtbank zal verdachte daarom ook vrijspreken van feit 1 subsidiair.\n\nTen aanzien van feit 2\n\nUit de inhoud van het procesdossier en uit het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank gebleken dat de vijftienjarige [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) onder het wettig gezag stond van haar ouders. Op 15 september 2025 – ten tijde waarvan zij woonachtig was in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp – heeft zij met toestemming van verdachte in zijn woning verbleven.\n\nIn de vroege ochtend van 15 september 2025 heeft de politie de woning van verdachte doorzocht omdat er sterke aanwijzingen waren dat [slachtoffer 1] , die als vermist was opgegeven nadat zij niet thuis gekomen was, daar verbleef. Verdachte en andere aanwezigen zijn in de woning door de politie gehoord. [slachtoffer 2] was, zo bleek later, op dat moment eveneens in de woning aanwezig, maar gaf bij de controle aan de politie een valse naam op en toonde daarbij een vals\u002Fvervalst ID-bewijs. Vlak voor de tweede doorzoeking van de woning is [slachtoffer 2] de woning ontvlucht toen zij de politie aan zag komen.\n\nUit het dossier volgt niet dat verdachte wist dat [slachtoffer 2] zich onttrokken had over het over haar gestelde gezag of opzicht. Sterker nog, uit de verklaring van [slachtoffer 2] zelf bij de rechter-commissaris is het tegendeel af te leiden. Het was ook [slachtoffer 2] zelf die bij controle door de politie een valse naam en vals of vervalst ID-bewijs gaf. Gelet daarop acht de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig dat verdachte [slachtoffer 2] opzettelijk heeft verborgen en\u002Fof aan de nasporing van justitie en politie heeft onttrokken.\n\nDe rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van feit 2.\n\nVoorwaardelijk verzoek\n\nBij wijze van voorwaardelijk verzoek heeft de verdediging verzocht om een transscriptie van op een dvd geplaatste gesprekken die gevoerd zijn met [slachtoffer 2] . Aangezien de voorwaarde (voor zover de rechtbank niet aanstonds tot vrijspraak komt) niet in vervulling gaat, komt de rechtbank aan behandeling van dat verzoek niet meer toe.\n\nTen aanzien van feit 3 primair\n\nDe rechtbank moet de vraag beantwoorden of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de verkrachting(en) waarvan verdachte wordt beschuldigd.\n\nIn zaken over zedendelicten in de relationele sfeer is er vaak weinig bewijs, vooral als de verdachte het feit ontkent.\n\nOver het algemeen zijn er geen getuigen van de gebeurtenissen, omdat ze zich veelal afspelen in de beslotenheid van een woning, buiten aanwezigheid van derden. De verklaringen van het vermeende slachtoffer nemen dan ook een belangrijke plaats in bij de beoordeling van het bewijs. Het is bij de beoordeling van het bewijs in dergelijke zaken daarom noodzakelijk dat de rechtbank eerst beoordeelt of de verklaringen van het vermeende slachtoffer betrouwbaar zijn.\n\nDaarnaast kan volgens de wet een feit niet worden bewezen op grond van één getuige. Ook niet als de rechtbank deze verklaring betrouwbaar acht. Naast de betrouwbaarheid van de verklaringen van het vermeende slachtoffer is het daarom van belang of er voldoende ander bewijs is dat die verklaring ondersteunt; het zogenaamde steunbewijs. Dat steunbewijs moet van een andere bron afkomstig zijn dan van het vermeende slachtoffer. Volgens de Hoge Raad hoeven niet alle handelingen waarvan verdachte wordt beschuldigd, ondersteund te worden door ander bewijs. De verklaring van het vermeende slachtoffer moet wel op concrete, wezenlijke punten worden ondersteund. Ook mag het steunbewijs niet in een te ver verwijderd verband staan tot wat moet worden bewezen.\n\nGelet op de verklaringen van verdachte en [slachtoffer 3] staat het niet ter discussie dat er (in ieder geval éénmaal) seksueel contact heeft plaatsgevonden.\n\nVoor een bewezenverklaring van “verkrachting” (zoals bedoeld in artikel 242 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat gold in de ten laste gelegde pleegperiode) is echter een mate van dwang vereist.\n\nVerdachte ontkent dat sprake was van dwang. Volgens verdachte vond de seks plaats met wederzijdse toestemming en was sprake van een liefdesrelatie.\n\nDe rechtbank heeft geconstateerd dat de verklaringen van [slachtoffer 3] over het feit dat er sprake was van seksueel contact in de kern voldoende consistent zijn geweest, maar over het aspect ‘dwang’ kan dat niet gezegd worden. Mede gelet op het feit dat de dwang niet door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund en verdachte dit stellig ontkent, acht de rechtbank de ‘dwang’ niet bewezen.\n\nMet de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank daarom van oordeel dat verdachte wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem primair onder 3 ten laste is gelegd.\n\nTen aanzien van feit 3 subsidiair\n\nDe vraag waarvoor de rechtbank zich vervolgens gesteld ziet, is of de subsidiair ten laste gelegde ontuchtige handelingen, te weten het seksueel binnendringen bij een persoon die nog geen zestien jaar oud is, bewezen kunnen worden. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.\n\nIn artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (oud) is bepaald dat het niet is toegestaan om met iemand tussen de twaalf en zestien jaar ontuchtige handelingen te plegen, die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. Onder het begrip ‘ontuchtig handelen’ heeft de wetgever begrepen handelingen van seksuele aard die in strijd zijn met de sociaal-ethische norm, welke maatstaf ook door de Hoge Raad wordt gehanteerd. Onder omstandigheden kan aan seksuele handelingen met een persoon tussen de twaalf en zestien jaren het ontuchtig karakter ontbreken. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien die handelingen vrijwillig plaatsvinden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen. Uit het voorgaande vloeit voort dat het – bij de beantwoording van de vraag of sprake is van omstandigheden die meebrengen dat seksuele handelingen niet als ontuchtig kunnen worden aangemerkt – in belangrijke mate aankomt op de weging en waardering van de omstandigheden van het geval. Hiervoor heeft de rechtbank gekeken naar de inhoud van het dossier.\n\n [slachtoffer 3] heeft verklaard dat er meerdere malen seksueel contact is geweest tussen verdachte en haar en dat verdachte zijn penis in haar vagina en mond en zijn vingers in haar vagina heeft gebracht. Zij waren niet gehuwd. Verdachte heeft gesteld dat hij éénmaal seks (penis in vagina) heeft gehad met [slachtoffer 3] .\n\n [slachtoffer 3] heeft verklaard dat er meerdere malen seksueel contact is geweest tussen verdachte en haar en dat verdachte zijn penis in haar vagina en mond en zijn vingers in haar vagina heeft gebracht. Zij waren niet gehuwd.\n\nVerdachte heeft gesteld dat hij éénmaal seks (penis in vagina) heeft gehad met [slachtoffer 3] .\n\n [slachtoffer 3] is zwanger geraakt van verdachte. Haar moeder ontdekte op enig moment dat zij niet meer menstrueerde. [slachtoffer 3] heeft gekozen tot abortus over te gaan, die plaatsvond op 26 september 2024. Zij was toen ongeveer 20 weken zwanger. Dat betekent dat de conceptie dan begin mei 2024 zou moeten hebben plaatsgevonden.\n\nVerdachte wist dat [slachtoffer 3] minderjarig was toen hij seks met haar had. Desgevraagd heeft verdachte ter zitting verklaard dat het klopt dat hij in zijn telefoon de password\u002Fkeychain-notitie “ [naam] ” had staan en dat hij wist dat “2009” stond voor het geboortejaar van [slachtoffer 3] .\n\n [slachtoffer 3] zou hem, aldus haar verklaring bij de rechter-commissaris, ook gezegd hebben dat zij vijftien jaar was.\n\nDe rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de verklaring van [slachtoffer 3] betrouwbaar is en in voldoende mate steun vindt in andere, van haar verklaring onafhankelijke, bewijsmiddelen, waaronder de (deels) bekennende verklaring van verdachte en het feit dat zij zwanger is geraakt. De conclusie is dat er sprake is geweest van meermalen seksueel binnendringen door verdachte van het lichaam van een persoon tussen de twaalf en de zestien jaar.\n\nDe vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden, is of voornoemde seksuele handelingen moeten worden aangemerkt als ontuchtige handelingen in de zin van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (oud), anders gezegd: of de seksuele handelingen in strijd zijn met de sociaal-ethische norm of dat in dit geval het ontuchtige karakter ontbreekt.\n\nVerdachte was bij aanvang van de tenlastegelegde periode 22,5 jaar oud en [slachtoffer 3] vijftien jaar oud. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat een kalenderleeftijdsverschil van zeven en een half jaar oud in die leeftijdscategorie geen gering leeftijdsverschil is. Verdachte en [slachtoffer 3] bevonden zich in totaal andere levensfasen. Zo was verdachte getrouwd en woonde hij op zichzelf, terwijl [slachtoffer 3] schoolgaand was en nog bij haar ouders woonde. Dit maakt dat sprake was van een volkomen ongelijke verhouding tussen hen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de seksuele handelingen tussen verdachte en [slachtoffer 3] in deze omstandigheden niet aan de sociaal-ethische norm voldoen. De seksuele handelingen tussen verdachte en [slachtoffer 3] zijn als ontuchtig aan te merken in de zin van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (oud).\n\nDe rechtbank is van oordeel dat het onder 3 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.\n\nOmwille van de leesbaarheid van dit vonnis, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan in de bijlage bij dit vonnis.\n\nDe beslissing dat verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de in de bewijsbijlage bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nDe bewezenverklaring.\n\nOp grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:\n\nten aanzien van feit 3 subsidiair\n\nop tijdstippen in de periode van 1 januari 2024 tot en met 30 juni 2024 te Uden, gemeente Maashorst, met [slachtoffer 3] , geboren op [2009] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt,\n\nontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3] , te weten\n\n-het in de mond van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes, penis en\n\n-het in de vagina van die [slachtoffer 3] duwen\u002Fbrengen van zijn, verdachtes, penis en vingers.\n\nHetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.\n\nDe strafbaarheid van het feit.\n\nHet bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\nDe strafbaarheid van verdachte.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.Oplegging van straf en\u002Fof maatregel.\n\nDe eis van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd verdachte voor de feiten 1 primair, 2 en 3 subsidiair te veroordelen tot een gevangenisstraf van 42 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van 3 jaar, met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd in het reclasseringsrapport van 8 juni 2026.\n\nDe officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om te bepalen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn.\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de goederen die onder verdachte in beslag zijn genomen en nog niet teruggegeven zijn aan hem geretourneerd kunnen worden.\n\nEen kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe verdediging stelt zich op het standpunt dat bij de oplegging van een straf rekening moet worden gehouden met de in de pleitnota genoemde persoonlijke omstandigheden van verdachte. De verdediging heeft verzocht om verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van maximaal tien maanden op te leggen met daarbij een forse voorwaardelijk gevangenisstraf van bijvoorbeeld acht maanden. Verdachte is bereid om zich gedurende een proeftijd van 3 jaren te houden aan de bijzondere voorwaarden zoals opgesteld in het reclasseringsadvies.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nBij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een destijds vijftienjarig meisje. Verdachte wist ook dat zij zo jong was. Vanwege het aanzienlijke leeftijdsverschil tussen hem en het slachtoffer en het feit dat zij zich in andere levensfasen bevonden , had verdachte moeten inzien dat er sprake was van een volkomen ongelijke verhouding. Door zijn handelen heeft verdachte niet alleen de lichamelijke, maar ook de geestelijke integriteit van het slachtoffer geschonden. Het slachtoffer is ongewenst zwanger geraakt en heeft een abortus ondergaan. Dat moet, zeker ook binnen de context van haar familiesituatie, grote indruk op haar hebben gemaakt. Verdachte heeft op geen enkel moment rekening gehouden met de belangen, de gevoelens en het welzijn van het slachtoffer en heeft kennelijk enkel gehandeld ter bevrediging van zijn eigen lustgevoelens.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 26 mei 2026 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden.\n\nDe rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte van negen maanden voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.\n\nAan deze (deels) voorwaardelijke straf worden na te noemen bijzondere voorwaarden gekoppeld. De rechtbank acht de geadviseerde proeftijd van 3 jaren noodzakelijk om risicomanagement te kunnen toepassen en om verdachte de tijd te geven om echt aan een gedragsverandering te werken.\n\nHet advies van de reclassering om de bijzondere voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren neemt de rechtbank niet over, nu naar het oordeel van de rechtbank niet is voldaan aan de voorwaarden voor dadelijke uitvoerbaarheid. Het ontbreekt de rechtbank aan argumenten om vast te stellen dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.\n\nDe rechtbank legt met de genoemde straf een lichtere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank verdachte zal vrijspreken van de feiten 1 en 2, terwijl de officier van justitie die feiten wel in haar eis betrok. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.\n\nVoorlopige hechtenis\n\nBij afzonderlijke beslissing heeft de rechtbank reeds het bevel voorlopige hechtenis opgeheven, vanwege het ontbreken van gronden.\n\nDe vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 1 primair, subsidiair)\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij (deels) toewijsbaar, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij vanwege de verzochte vrijspraak niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering.\n\nBeoordeling.\n\nDe rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien de verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vordering van de benadeelde partij betrekking heeft. De rechtbank zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van de verdachte als bedoeld in artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering. Deze kosten worden begroot op nihil.\n\nDe vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 3 subsidiair).\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie acht de vordering van de benadeelde partij integraal toewijsbaar, inclusief de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe benadeelde partij dient, aldus de raadsman, vanwege de verzochte vrijspraak niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering.\n\nSubsidiair wordt enige vorm van schade en aantasting in de persoon op andere wijze betwist en ook ontbreekt daarvoor iedere vorm van onderbouwing. Het is te ingewikkeld om de opgelopen psychische schade in deze strafzaak te beoordelen, zodat de benadeelde partij ook om die reden niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.\n\nMeer subsidiair is gesteld dat niet op de juiste wijze aansluiting is gezocht bij de Rotterdamse schaal. Verwezen wordt naar de uitspraken ECLI:NL:RBOBR:2026:2759 en ECLI:NL:RBOBR:2026:2798 waarin duidelijk andere bedragen zijn toegewezen. Daarom wordt verzocht om matiging van het toe te wijzen bedrag.\n\nBeoordeling.\n\nDe benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert een bedrag van 15.000,- euro aan immateriële schade.\n\nDe benadeelde partij heeft de vordering gebaseerd op artikel 6:106, sub b, van het BW. Vergoeding van immateriële schade op grond van dit artikel is mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn\u002Fhaar eer of goede naam of 'op andere wijze' in zijn\u002Fhaar persoon is aangetast.​\n\nNaar het oordeel van de rechtbank brengen de aard en de ernst van de normschending in dit geval mee dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Dit geldt temeer nu uit het dossier en het onderzoek op de zitting bovendien is gebleken dat de destijds vijftienjarige benadeelde partij zwanger is geraakt van verdachte en dat zij deze zwangerschap na ongeveer 4,5 maand middels een abortus heeft afgebroken.\n\nImmateriële schade wordt naar billijkheid begroot met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt.\n\nVerder wordt bij de begroting, zoveel als mogelijk, gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.\n\nNaast de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, heeft de rechtbank bij de begroting van de immateriële schade acht geslagen op de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen.\n\nDe rechtbank zoekt aansluiting bij categorie C onder 15.2 met bandbreedte 12.500,- euro en 32.000,- euro nu sprake is geweest van ontucht met binnendringen waarbij sprake is geweest van ernstige gevolgen voor de benadeelde, namelijk een afgebroken zwangerschap.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom geheel toe, vermeerderd met de wettelijk rente vanaf 1 januari 2024, de aanvangsdatum van de tenlastegelegde periode.\n\nSchadevergoedingsmaatregel.\n\nDe rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2024 tot de dag der algehele voldoening.\n\nAangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.\n\nToepasselijke wetsartikelen.\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen:\n\n14a, 14b, 14c, 36f, 57, 63, 245 (oud) Wetboek van Strafrecht.DE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart niet bewezen de onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 en 3 primair aan verdachte tenlastegelegde feiten en spreekt hem daarvan vrij;\n\n- verklaart het onder 3 subsidiair ten laste gelegde feit bewezen zoals hiervoor is omschreven;\n\n- verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op het misdrijf:\n\nten aanzien van feit 3 subsidiair:\n\nmet iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd\n\nDe rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf en maatregel.\n\nT.a.v. feit 3 subsidiair:\n\n Een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht waarvan 9 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren.\n\nVoorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.\n\nEn stelt als bijzondere voorwaarden:\n\nMeldplicht bij reclassering\n\nDat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn.\n\nVoor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij het Leger des Heils, reclassering op het adres Dr. Cuyperslaan 80 te Eindhoven.\n\nAmbulante behandeling\n\nDat verdachte zich gedurende de proeftijd laat diagnosticeren en behandelen door een nog nader te bepalen Forensische GGz-instelling of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start na de intake procedure. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op diagnostiek en de daaruit\n\nvoortvloeiende problematiek. Gelet op de vastgestelde problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.\n\nVerblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang\n\nDat verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een nader te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start direct na aanmelding en opname. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.\n\nVerbod verdovende middelen\n\nDat verdachte gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit geschied middels Urineonderzoek.\n\nDe reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.\n\nContactverbod\n\nDat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met:\n\n [slachtoffer 3] , geboren op [2009]\n\nDagbesteding\n\nVerdachte spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en\u002Fof vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur, nader te bepalen in overleg met de reclassering. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delict gedrag.\n\nAflossing schulden\n\nVerdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.\n\nVermijden contact met minderjarigen\n\nVerdachte zoekt op geen enkele wijze contact met minderjarigen. Hij vermijdt deze contacten zoveel mogelijk.\n\nGeeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.\n\nT.a.v. feit 1 primair en subsidiair:\n\n Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :\n\nDe rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en veroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.\n\nT.a.v. feit 3 subsidiair:\n\n Een maatregel tot schadevergoeding.\n\nDe rechtbank legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 3] , van een bedrag van 15.000,00 euro.\n\nBepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 100 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.\n\nVoormeld bedrag bestaat uit immateriële schade.\n\nDe vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 01 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\n Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]:\n\nDe rechtbank wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 3] , van een bedrag van 15.000,00 euro, bestaande uit immateriële schade.\n\nDe vergoeding van immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 01 januari 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nDe rechtbank veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.\n\nVerdachte is van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde bevrijd voor zover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. C.A. Mandemakers, voorzitter,\n\nmr. E.L. Traag en mr. I.C. Meuris, leden,\n\nin tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Wentholt, griffier,\n\nen is uitgesproken op 08 juli 2026.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4793","ecli-nl-rbobr-2026-4793",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",{"id":25,"ecli":26,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":27,"language":7,"source":17,"sourceUrl":28,"summary":14,"slug":29,"metadata":30},"632","ECLI:NL:RBOBR:2026:4830","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: SHE 26\u002F1698 en SHE 26\u002F1699\n\nuitspraak van de voorzieningenrechter van 8 juli 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen\n\n [verzoekers]\n\n [verzoekers], samen verzoekers,\n\n(gemachtigde: [naam] ),\n\nen\n\nHet bestuur van de Onderwijsstichting Zelfstandige Gymnasia (OSZG),\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Goot - Koenig).\n\nSamenvatting\n\n1.1.. Deze uitspraak gaat over de verwijdering een leerling van een middelbare school. De ouders van de leerling zijn het niet eens met het besluit tot verwijdering en hebben daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n1.2.. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van OSZG geen stand kan houden, omdat het niet goed is onderbouwd. [leerling's] ouders krijgen dus gelijk in deze procedure. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter ook direct uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.\n\n1.3.. Vanaf punt 4 in deze uitspraak wordt – ten behoeve van de leesbaarheid – de verwerende partij OSZG aangeduid als ‘de school’, al gaat het om een besluit van (het bestuur van) de overkoepelende stichting.\n\nAanloop en procesverloop\n\n2. Op 13 maart 2026 is geconstateerd dat er een incident heeft plaatsgevonden waarbij [leerling] betrokken was. Vanaf 18 maart 2026 is [leerling] geschorst, in afwachting van nader onderzoek naar het incident.\n\n2.1.. Op 30 maart 2026 heeft de school een schorsingsbesluit en een voornemen tot verwijdering van [leerling] genomen. Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het schorsingsbesluit, een zienswijze ingediend tegen het voornemen en daarbij vermeld bezwaar te zullen maken als er een definitief verwijderingsbesluit wordt genomen. Op 10 april 2026 heeft de school het definitieve besluit tot verwijdering van [leerling] genomen.\n\n2.2.. Op 14 april 2026 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden over het schorsingsbesluit. OSZG heeft daarop op 20 april 2026 het bezwaar tegen het schorsingsbesluit ongegrond verklaard. De schorsing maakt verder geen deel uit van deze procedure bij de rechtbank.\n\n2.3.. Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het verwijderingsbesluit van 10 april 2026 en op 27 mei 2026 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden. Met het bestreden besluit van 3 juni 2026 op het bezwaar van verzoekers is OZSG bij het besluit tot verwijdering gebleven. Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en ze hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.4.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van verzoekers en de gemachtigde van het bestuur samen met [naam] , rector ad interim (hierna: de rector).\n\n2.5.. Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist zij ook op het beroep van verzoekers daartegen.\n\n2.6.. Nadien hebben verzoekers nog een e-mail toegestuurd, die niet meer wordt meegenomen bij de beoordeling, omdat het onderzoek op dat moment al was gesloten en er geen aanleiding is om het onderzoek te heropenen.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\nDe vaststaande feiten\n\n3.1.. Verzoekers zijn de ouders van [leerling] . [leerling] was tijdens de gebeurtenissen in deze zaak 13 jaar oud en zit in de brugklas van het [middelbare school 1] een school die valt onder de onderwijsstichting waarvan verweerder het bestuur vormt. Op 13 maart 2026 is vastgesteld dat [leerling] betrokken is geweest bij het vervaardigen en verspreiden van een aantal filmpjes via TikTok. Op die filmpjes is één van zijn docenten op een zeer racistische manier afgebeeld. De filmpjes zijn gemaakt met GrokAI. [leerling] is door de schoolleiding geconfronteerd met de filmpjes en heeft erkend dat hij ze heeft gemaakt. Hij is geschorst en vervolgens is het besluit tot verwijdering genomen.\n\n3.2.. In het dossier zitten 9 screenshots van de – inmiddels verwijderde – filmpjes. Van een deel van die screenshots staat vast dat ze van door [leerling] gemaakte AI-filmpjes afkomstig zijn. Op de screenshots is onder meer te zien dat de docente is afgebeeld terwijl zij katoen plukt in een katoenveld, met achter haar een slavendrijver die een zweep vasthoudt en waarbij de tekst staat “Hoooo.. ik werkte niet snel genoeg”en de hashtags“#minderwaardig #zwart”, voorafgegaan door een hashtag met de achternaam van de betreffende docente.Ook is er een screenshot waarop de docente is afgebeeld met het hoofd van een gorilla. Eén van de screenshots bevat de tekst“Een dag in mijn leven als minderwaardig persoon”.\n\nHet standpunt van de school\n\n4. De school heeft besloten tot definitieve verwijdering van [leerling] omdat zij vindt dat voortzetting van het onderwijs aan [leerling] niet langer verantwoord is en dat de rust, orde en veiligheid binnen de school ernstig in het geding zijn gekomen. In het bestreden besluit staat dat nadat de TikTok-filmpjes waren ontdekt, sprake was van acute en breed gedragen gevoelens van onrust en onveiligheid onder het onderwijspersoneel. De aard van de filmpjes is diep racistisch en discriminerend. Daarmee is de menselijke waardigheid van de betrokken medewerker aangetast, terwijl de gedraging tegelijkertijd de sociale veiligheid binnen de school als geheel raakt en dus haaks staat op de zorgplicht die de school heeft om een sociaal veilige omgeving te waarborgen. Volgens de school staat het incident niet op zichzelf en is er een patroon van incidenten. Interventies daarop hebben niet tot een gedragsverandering geleid. Er is verder uitvoerig onderzocht of een minder ingrijpende maatregel mogelijk was. Uit overleg met de mentoren van de brugklassen bleek echter dat er geen draagvlak voor was om [leerling] in een andere klas te plaatsen.\n\nHet standpunt van verzoekers\n\n5. Verzoekers betwisten de door de school aan [leerling] tegengeworpen feitelijke omstandigheden. Zo wordt [leerling] ten onrechte verweten dat hij alle filmpjes waarvan screenshots zijn gemaakt, heeft vervaardigd. Er is ook content opgenomen in het dossier die niet door [leerling] , maar door een andere leerling is gemaakt. Ook wordt hem ten onrechte verweten dat hij de filmpjes pas verwijderd zou hebben nadat hij erop was aangesproken. Hij heeft de filmpjes namelijk al eerder, uit eigen beweging en anderhalve dag nadat hij ze geplaatst had, verwijderd, omdat hij zich realiseerde dat het niet kon wat hij had gedaan. Verder worden eerdere incidenten die in het logboek van school zijn opgenomen, betwist. Bij sommige van de incidenten was [leerling] helemaal niet aanwezig en bij andere incidenten was zijn aandeel minimaal. Verzoekers zijn zich bewust van de impact die racistische en discriminerende content op een docent kan hebben en zij vinden het heel erg wat [leerling] heeft gedaan. Maar verzoekers vinden dat de school niet heeft gemotiveerd waarom de veiligheid van de hele school zou zijn geraakt. Er is aan [leerling] of verzoekers ook geen mogelijkheid tot herstel geboden omdat het aan hen verboden is om met de docente in kwestie of met andere docenten contact te zoeken. Het ging juist heel goed met [leerling] in dit tweede schooljaar, hij had baat bij het doubleren en heeft vrienden gemaakt die hij nu erg mist. Verzoekers beroepen zich ook op het gelijkheidsbeginsel. Een andere leerling is verantwoordelijk voor een deel van de racistische content en die mag wel op school blijven. Tot slot vinden verzoekers het alternatief dat de school heeft geboden – een ander [middelbare school 2] dat 30 kilometer van de woning van vader is gelegen – niet passend.\n\nToetsingskader\n\n7. In artikel 8.15, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs 2020 (WVO 2020) staat dat het bevoegd gezag een leerling van school kan verwijderen. Uit de wetsgeschiedenis bij dit artikel blijkt dat de leerling, om te kunnen worden verwijderd, door zijn wangedrag een ernstige bedreiging moet vormen voor de rust, orde of veiligheid binnen de school. Uit het gebruik van het woord “kan” in het eerste lid van artikel 8.15 volgt dat het gaat om een discretionaire bevoegdheid die door de rechter dus terughoudend moet worden getoetst. Het besluit moet wel evenredig zijn als bedoeld in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat houdt in dat het – belastende – besluit geschikt, noodzakelijk en evenwichtig moet zijn. \n\nSpoedeisend belang\n\n8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang uit de aard van het besluit volgt. [leerling] wil zo snel mogelijk terug naar school om daar weer toegang te krijgen tot het voor hem meest passende onderwijs en dat is alleen te bereiken met deze procedure.\n\nWat vindt de voorzieningenrechter van het bestreden besluit?\n\n9.1.. Dat [leerling] filmpjes heeft gemaakt met GrokAI waarin zijn docente op een zeer racistische en discriminerende manier is afgebeeld, is niet in geschil. Van een deel van het beeldmateriaal (screenshots) staat vast dat [leerling] degene is die de betreffende filmpjes heeft gemaakt. Van een ander deel staat dat niet vast. Maar dat er alleen al op grond van het beeldmateriaal dat met zekerheid van [leerling] afkomstig is, alle reden was voor de school om een maatregel te treffen, staat voor de voorzieningenrechter buiten kijf – en is ook niet tussen partijen in geschil. Wel is in geschil of de school in redelijkheid heeft kunnen komen tot de zwaarst mogelijke maatregel: verwijdering. De voorzieningenrechter zal dat in het hiernavolgende toetsen.\n\nGeschiktheid en noodzakelijkheid\n\n9.2.. Voorop staat dat als de school zo’n zware, verstrekkende maatregel treft die grote gevolgen heeft voor een minderjarige leerling, zeer goed moet worden onderbouwd waarom juist die maatregel nodig is. De school moet goed duidelijk maken dat dit de juiste en enig mogelijke oplossing is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de school in dit geval niet heeft onderbouwd dat het nodig was om deze zwaarst mogelijke maatregel te treffen om het doel – het waarborgen van een veilige leer- en werkomgeving – te bereiken. Daartoe is het volgende van belang.\n\n9.2.1.. Volgens de school was de maatregel noodzakelijk, omdat de aard van het beeldmateriaal en de circulatie ervan op een openbaar sociale mediaplatform hebben geleid tot acute en breed gedragen gevoelens van onrust en onveiligheid onder het onderwijspersoneel. De voorzieningenrechter vindt het zeker voorstelbaar dat de filmpjes shockerend waren voor degenen die ze hebben gezien, en het is ook voorstelbaar dat ook anderen dan de bewuste docente er aanstoot aan hebben genomen of erdoor zijn gekwetst. De voorzieningenrechter stelt echter vast dat de school niet heeft onderbouwd dat sprake was van breed gedragen gevoelens van onrust en onveiligheid bij het onderwijspersoneel, zodanig dat verwijdering van [leerling] daardoor noodzakelijk werd. Er zijn bijvoorbeeld geen verklaringen overgelegd waaruit dat blijkt. Wel is er één verklaring overgelegd van de conrector. Daarin wordt uiteengezet wat de impact van de filmpjes is geweest voor de betrokken docente die op de filmpjes is afgebeeld. Over breed gedragen gevoelens van onrust en onveiligheid onder het onderwijspersoneel is in de verklaring niets vermeld. De rector heeft tijdens de zitting gezegd dat hij met de mentoren van alle brugklassen heeft overlegd, en dat er tijdens een studiemiddag met alle andere collega’s (inclusief het docententeam van [leerling's] klas) over is gesproken. Daaruit is volgens de rector naar voren gekomen dat geen van de mentoren het zag zitten om [leerling] nog in hun brugklas te hebben, en dat de andere docenten breed hebben aangegeven buikpijn te hebben van de situatie en ermee in de maag te zitten. Ook heeft de rector gezegd dat toen vanuit het docentenkorps de opmerking kwam dat men niet met de rug naar [leerling] voor de klas durfde te staan, uit vrees dat er dan filmpjes worden gemaakt of dat er “iets anders” gebeurt. Het is voor de voorzieningenrechter niet duidelijk geworden wat dat “iets anders” dan is waarvoor zou worden gevreesd en waarom. Volgens de rector waren personeelsleden niet bereid om met naam en toenaam verklaringen af te leggen. Maar dat is ook niet vereist, verklaringen hadden immers ook met toepassing van artikel 8:29 van de Awb (onder geheimhouding) kunnen worden overgelegd. Nu dat niet is gebeurd, en ook niet op andere wijze een onderbouwing is gevolgd, kan de voorzieningenrechter niet zonder meer uitgaan van de stelling van de school dat er breed gedragen gevoelens van onrust en onveiligheid onder het onderwijspersoneel heersen, zeker niet waar dat door [leerling's] ouders uitdrukkelijk is betwist. Volgens hen rijmt de stelling van de school in het geheel niet met hun en [leerling's] ervaringen met de docenten en de positieve commentaren in Magister (geciteerd in een verklaring van de ouders) die [leerling] in de loop der tijd, vooral in dit tweede brugklasjaar, heeft gekregen over zijn houding en gedrag.\n\n9.2.2.. De voorzieningenrechter vindt ook niet dat de ernst van het gedrag maakt, dat de noodzaak van de maatregel een vanzelfsprekendheid is, als gevolg waarvan een nadere onderbouwing van de noodzakelijkheid niet meer nodig zou zijn. De school heeft in dit verband verwezen naar verschillende uitspraken van de Geschillencommissie Passend Onderwijs (GPO) die volgens haar vergelijkbaar zijn met deze situatie.Wat de voorzieningenrechter constateert, is dat tegenover deze door de school genoemde uitspraken ook meerdere uitspraken van de GPO kunnen worden geplaatst waarin in eveneens meerdere of mindere mate vergelijkbare situaties is geoordeeld dat verwijderingnietnoodzakelijk was om de rust, orde en veiligheid te herstellen.De beoordeling is dus sterk casuïstisch en – vanzelfsprekend – van de omstandigheden afhankelijk en de verwijzing naar de GPO-uitspraken kan de school hier dan ook niet baten.\n\n9.2.3.. De school heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook niet goed kunnen uitleggen waarom ten aanzien van de andere leerling die betrokken was bij dit incident, [leerling 2] , anders is gehandeld dan ten aanzien van [leerling] . [leerling 2] wordt niet verwijderd van school en heeft na het incident kunnen terugkeren naar school. Over deze leerling heeft de rector tijdens de zitting gezegd dat wordt verondersteld dat ook hij een deel van het racistische beeldmateriaal heeft vervaardigd, maar dat het bij hem niet vaststaat zoals dat bij [leerling] wel het geval is. Verder zou deze leerling in het aankomende schooljaar sowieso al naar een andere school gaan, en had de leerling geen voorgeschiedenis van incidenten zoals [leerling] die wel heeft. De voorzieningenrechter vindt dat hiermee niet duidelijk is geworden waarom de maatregel van verwijdering bij [leerling 2] niet, en bij [leerling] wel noodzakelijk was. Ouders hebben hier wat dat aangaat terecht de vraag gesteld waarom de aanwezigheid van [leerling 2] dan geen ‘breed gedragen gevoelens van onrust en onveiligheid’ op school heeft veroorzaakt. Het feit dat [leerling 2] later de school zou verlaten, kan dat niet verklaren, omdat hij immers gedurende de rest van het huidige schooljaar nog wel op school aanwezig mocht zijn. Het feit dat bij hem niet 100% vaststond dat er beeldmateriaal door hem is vervaardigd en bij [leerling] – die dat heeft toegegeven – wel, kan ook niet als verklaring dienen, zeker niet daar waar volgens de rector wél wordt veronderstelddat [leerling 2] racistisch beeldmateriaal heeft vervaardigd. Maar ook omdat dat de vraag oproept in hoeverre de bekentenis van [leerling] in zoverre tot zijn nadeel zou strekken. De ernst van de incidenten die zijn opgetekend in het leerlingendossier tot slot is ook niet van dien aard dat daarmee het verschil in handelen ten aanzien van deze twee leerlingen kan worden verklaard. Dit nog los van het feit dat die incidenten door ouders en [leerling] gemotiveerd zijn betwist en de onderbouwing ervan door school summier is: gefragmenteerde aantekeningen in het logboek, waarbij niet altijd even duidelijk is omschreven wat er nu precies tussen wie is voorgevallen. Verder ontstijgt een niet onaanzienlijk deel van de incidenten het niveau van kattenkwaad niet. Dat betekent dat ook deze omstandigheid – het feit dat [leerling 2] niet is verwijderd – afdoet aan de geschiktheid en noodzakelijkheid van de maatregel.\n\n9.2.4.. Bij dit alles komt dat [leerling] verschillende keren heeft aangeboden om aan de betrokken docente persoonlijk excuses te maken, maar dat hij die mogelijkheid niet heeft gekregen. De rector heeft hierover op de zitting gezegd dat de betrokken docente hier niet voor open stond. Zij wilde geen enkel contact met [leerling] en heeft bij de schoolleiding aangegeven geen les meer te willen geven als [leerling] naar school zou terugkeren. Toen door [leerling] en zijn ouders werd aangeboden om in plaats van een gesprek een brief te sturen, heeft de docente tegen de schoolleiding gezegd dat ze niet wist of ze die brief dan wel zou gaan lezen. De rector heeft tijdens de zitting gezegd dat hij de docente niet kan dwingen tot contact met [leerling] . Wat daarvan ook zij, vaststaat dat [leerling] heeft getracht om een begin te maken met herstel en dat dit door de school niet is gefaciliteerd. Ook aan ouders is, getuige een mail die door de rector aan hen is gestuurd, verzocht om alleen nog via de schoolleiding te communiceren en niet met individuele docenten. Dat laatste is op zichzelf zeker niet onbegrijpelijk, maar het kleurt naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel het beeld in dat ouders schetsen van een deur die al vroeg werd dichtgegooid en waar overleg of een gesprek niet meer mogelijk was. Dat ouders door hun opstelling ervoor hebben gezorgd dat er geen sprake meer is van samenwerking in een veilige en werkbare pedagogische driehoek, heeft de school gesteld, maar niet aannemelijk gemaakt en blijkt ook uit geen enkel stuk in het dossier. Omgaan met ouders die in meer of mindere mate als “lastig” worden ervaren mag bovendien – uiteraard tot op zekere hoogte en tot aan redelijke grenzen – van een school worden verwacht (daargelaten of die kwalificatie hier op haar plaats is, wat geenszins vast is komen te staan). Dat die redelijke grenzen in dit geval zijn bereikt, is niet aannemelijk geworden. Ouders hebben desgevraagd verklaard nog altijd veel vertrouwen te hebben in de school, docenten en schoolleiding en de samenwerking aan te willen blijven gaan. Bij die stand van zaken had het op de weg van de school gelegen om beter en nader te onderbouwen dat samenwerking niet meer mogelijk was of is.\n\n9.2.5.. De school heeft in het verweerschrift vermeld dat zij niet voorbij kan gaan aan dit incident zonder haar geloofwaardigheid en zorgplicht jegens het personeel aan te tasten. Dat de school hier zeker niet aan voorbij hoeft te gaan, heeft de voorzieningenrechter al in punt 9.1 van deze uitspraak bevestigd. Maar het gaat er zoals gezegd om of deze zwaarst mogelijke maatregel hier het juiste en enig mogelijke middel was. Dat dat zo is, heeft de school – zoals hierboven is geoordeeld – niet goed onderbouwd. Daarbij speelt tot slot ook een rol dat [leerling] niet eerder is geschorst, dat zich nooit eerder een soortgelijk incident van vergelijkbare ernst (of zelfs maar iets dat erbij in de buurt komt) heeft voorgedaan en dat deze verwijdering dus rauwelijks, dat wil zeggen direct, is opgelegd. Dat [leerling] wat dat betreft een gewaarschuwd persoon was, kan daarmee zeker niet worden gezegd.\n\nEvenwichtigheid\n\n9.3.. De voorzieningenrechter vindt de maatregel ook niet evenwichtig, omdat de school niet genoeg rekening gehouden heeft met [leerling's] belangen. Volgens de school worden die belangen ondervangen doordat [leerling] naar een andere passende school kan. Maar er is geen kenbare aandacht besteed aan het door [leerling] gestelde belang dat hij veel baat heeft bij het doubleren, dat hij in dit tweede brugklasjaar vrienden heeft gemaakt en dat hij, hoewel hij onderkent dat het moeilijk zal zijn om terug te keren, er alles aan wil doen om te laten zien wie hij is en zich van zijn beste kant te laten zien. Ook heeft de school geen kenbare aandacht besteed aan het feit dat [leerling] pas 13 jaar oud was tijdens het incident, een leeftijd waarop kinderen nog niet goed in staat zijn om alle gevolgen van hun handelen te overzien.Natuurlijk gaat wat [leerling] heeft gedaan, over alle grenzen van wat aanvaardbaar is en zelfs over de grenzen van wat strafbaar is, heen. Maar dat betekent niet dat het handelen helemaal los kan worden beschouwd van [leerling's] leeftijd, iets wat de school hier onmiskenbaar wel doet. Zeker in het licht van wat de voorzieningenrechter hierboven heeft overwogen over hoe [leerling] niet de ruimte heeft gekregen om persoonlijk excuses aan te bieden, vindt zij dat de school hierin een flinke steek heeft laten vallen.\n\n9.4.. De conclusie is dat de school niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot verwijdering van [leerling] . Het bestreden besluit moet daarom worden vernietigd. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor toepassing van een bestuurlijke lus of om aan de school de opdracht te geven een nieuw besluit te nemen. Zij vindt namelijk dat het geconstateerde gebrek zich niet leent voor herstel, aan de ene kant omdat er niet is gebleken van bereidheid om een onderbouwing via verklaringen te bewerkstelligen en omdat zij vindt dat de maatregel rauwelijks is opgelegd, maar aan de andere kant ook om de verwijdering en de vergaande consequenties niet langer als een onzekere factor boven de markt te laten hangen. Beide partijen hebben nu belang bij duidelijkheid. De voorzieningenrechter voorziet daarom zelf in de zaak en herroept het (primaire) verwijderingsbesluit. Dat betekent dat [leerling] weer direct tot school moet worden toegelaten.\n\nTot slot: aan [leerling]\n\n9.5.. De voorzieningenrechter vindt het heel belangrijk dat [leerling] kennis neemt van de volgende passage.\n\n [leerling] , ik heb jouw ouders in deze uitspraak nu gelijk gegeven. Dat komt vooral doordat ik vind dat de school te snel voor deze zware maatregel heeft gekozen, en niet goed aan mij heeft kunnen uitleggen waarom dat nu (al) nodig was. Maar laat één ding duidelijk zijn. De school heeft groot gelijk als ze zegt dat wat jij hebt gedaan, volkomen onaanvaardbaar en zelfs strafbaar is. Met de filmpjes heb je niet alleen jouw docente, maar mogelijk ook anderen die de filmpjes hebben gezien en zich erdoor gekwetst voelen, beschadigd en echt pijn gedaan. Je ouders hebben gezegd dat je dat nooit zo bedoeld hebt. Dat je bent opgegroeid in een omgeving waarin racisme en discriminatie absoluut niet mogen en kunnen, en dat je vrienden hebt uit allerlei verschillende culturen. En dat je – toen je GrokAI de opdracht gaf om de filmpjes te maken – bent beïnvloed door kinderen uit hogere klassen en er zelf de ernst op dat moment niet van inzag. Laat dit een les voor je zijn [leerling] , een heel belangrijke les. Die ernst is er wél. Daarover valt echt niet te twisten. En je krijgt nu een kans, grijp die kans goed. Zorg dat het niet weer zo ver komt en laat, zoals je ouders zeiden tijdens de zitting, zien wie je echt bent. Laat in het nieuwe schooljaar je beste kant zien. Een volgende keer krijg je zo’n kans misschien niet meer.\n\nConclusie en gevolgen\n\n10.1.. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:4 van de Awb. Het bestreden besluit wordt vernietigd en de voorzieningenrechter neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, zelf een beslissing door het (primaire) verwijderingsbesluit te herroepen. Er is gelet hierop geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Dat verzoek wordt dus afgewezen.\n\n10.2.. \n\nDe school moet het griffierecht voor zowel het verzoek tot voorlopige voorziening als het beroep aan de ouders vergoeden en de ouders krijgen ook een proceskostenvergoeding. De school moet die vergoeding betalen. De vergoeding is\n\n€ 2.802,– omdat de gemachtigde van verzoekers een beroepschrift heeft ingediend, een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.Van andere kosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken. Om vergoeding van kosten die in de bezwaarfase zijn gemaakt, is pas bij deze voorlopige voorziening en niet al in de bezwaarfase verzocht, zodat die om die reden niet kunnen worden vergoed.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt het bestreden besluit van 3 juni 2026;\n\nherroept het primaire besluit van 10 april 2026;\n\nbepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;\n\nwijst het verzoek om voorlopige voorziening af;\n\nbepaalt dat de school het griffierecht van € 400,– (2 x € 200,–) aan verzoekers moet terugbetalen;\n\nveroordeelt de school in de betaling van de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 2.802,–.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J. Lie, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van\n\nmr. V. Vonk, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 8 juli 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.\n\n Artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nZie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) ECLI:NL:RVS:2022:285, ECLI:NL:RVS:2022:334 en ECLI:NL:RVS:2022:335.\n\nGPO 15 juni 2021, zaaknummer 3433 en GPO 25 januari 2021, zaaknummer 109579. Vgl. onder meer GPO 22 september 2023, zaaknummer 49347, en GPO 24 januari 2020, zaaknummer 109056; in dezelfde lijn de zaaknummers 67124, 45377, 43172, 40195, 38183, 29602, 26765, 17689 en 109668.\n\nZie bijvoorbeeld de uitspraken van de GPO van 16 juni 2025, zaaknummer 110651, van 31 maart 2026, zaaknummer 130566 en van 24 maart 2026, zaaknummer 130055.\n\nVgl. ECLI:NL:RBNHO:2023:8961\n\n Zie het Besluit proceskosten bestuursrecht, alle drie 1 punt waard, met een waarde van € 934,– per punt.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4830","ecli-nl-rbobr-2026-4830",{"courtName":6,"legalDomain":31,"decisionType":22,"procedureType":23},"Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":35,"fullText":36,"language":7,"source":17,"sourceUrl":37,"summary":14,"slug":38,"metadata":39},"1262","ECLI:NL:RBOBR:2026:4763","2026-07-07T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nLocatie 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummer: 01.085805.26\n\nDatum uitspraak: 07 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1993,\n\nzonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,\n\nthans gedetineerd te: P.I. [vestigingsplaats] .\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe tenlastelegging.\n\nDe zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 26 mei 2026.\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nT.a.v. feit 1:\n\nhij op of omstreeks 21 maart 2026 te Boxtel, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 5503 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.\n\nT.a.v. feit 2:\n\nhij op of omstreeks 21 maart 2026 te Boxtel, althans in Nederland, een vervoermiddel, te weten een personenauto voorzien van het Duitse kenteken [kenteken] , voorhanden heeft gehad, wetende dat dit vervoermiddel was toegerust en\u002Fof ingericht met een ruimte die kennelijk bestemd was om de opsporing van een of meer strafbare feiten te beletten en\u002Fof te bemoeilijken.\n\nDe formele voorvragen.\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nDe bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden op grond van de bewijsmiddelen in het dossier. Van vormverzuimen in het vooronderzoek, als gevolg van een onrechtmatige doorzoeking en schending van de verbaliseringsplicht, is volgens de officier van justitie geen sprake.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nOp de in de pleitnota genoemde gronden heeft de verdediging bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de ten laste gelegde feiten. Kort samengevat is hiertoe het navolgende aangevoerd. Er was nog geen sprake van een redelijk vermoeden van schuld van overtreding van de Opiumwet, waardoor er geen grond bestond om de auto te betreden en hierin zoeken rond te kijken. Laat staan dat er aanleiding bestond om te doorzoeken. Hoewel er wellicht een verdenking bestond van overtreding van artikel 189a, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), is doorzoeking van de auto op grond van artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) uitsluitend mogelijk in geval van een heterdaad situatie of verdenking van een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Daarvan was geen sprake. Gelet op het voorgaande stelt de verdediging zich op het standpunt dat er sprake is van een onrechtmatige betreding van de auto en dat er daaropvolgend sprake is geweest van een onrechtmatige doorzoeking. Dit is een onherstelbaar vormverzuim.\n\nDaarbij komt dat sprake is van schending van de verbaliseringsplicht. De ambtsedige processen-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] (pagina 10 t\u002Fm 11 einddossier) en verbalisant [verbalisant 2] (pagina 12 t\u002Fm 16 einddossier) staan diametraal tegenover elkaar. Omdat de processen-verbaal niet allebei waar kunnen zijn, heeft de verdediging verzocht tot het opstellen van nadere processen-verbaal. Ondanks herhaaldelijke verzoeken hiertoe van de officier van justitie, hebben de verbalisanten dit verzoek geweigerd. Gelet op deze weigering is er sprake van een onherstelbaar vormverzuim.\n\nDe verdediging stelt dat deze combinatie en ernst van vormverzuimen aanleiding geven om over te gaan tot bewijsuitsluiting, waardoor al hetgeen is aangetroffen in de auto van verdachte van het bewijs dient te worden uitgesloten. In het kader van ‘fruits of the poisonous tree’ moeten ook de door verdachte afgelegde verklaringen worden uitgesloten van het bewijs. Het voorgaande betekent dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken.\n\nBovendien heeft verdachte ter terechtzitting aangevoerd dat hij - ondanks het feit dat hij wel wist dat hij drugs vervoerde die ook wel ‘chocolade’ wordt genoemd - niet wist om wat voor soort drugs het precies ging. Hij wist niet dat de drugs die hij vervoerde harddrugs betrof.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nBeoordeling van het verweer t.a.v. de verbaliseringsplicht\n\nDe verbaliseringsplicht is neergelegd in artikel 152 Sv. Dit artikel schrijft voor dat ambtenaren, die zijn belast met de opsporing van strafbare feiten, ten spoedigste proces-verbaal opmaken van het door hen opgespoorde strafbare feit of van hetgeen door hen tot opsporing is verricht of bevonden. Redelijke uitleg van die bepaling in het licht van de aan een eerlijk proces te stellen eisen brengt met zich mee dat het opsporingsambtenaren slechts dan vrij staat het opmaken van een proces-verbaal achterwege te laten ingeval hetgeen door hen is verricht of bevonden redelijkerwijs niet van belang kan zijn voor enige door de rechter in het eindonderzoek te nemen beslissing.\n\nDe rechtbank overweegt dat de verrichtingen en bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van 21 maart 2026 die hebben geleid tot de verdenking, de staandehouding, doorzoeking, inbeslagneming en aanhouding zijn vastgelegd in de processen-verbaal van 21 maart 2026 (verbalisant [verbalisant 1] ) en 22 maart 2026 (verbalisant [verbalisant 2] ).\n\nHoewel de rechtbank ook heeft geconstateerd dat de processen-verbaal van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] niet uitblinken in nauwkeurigheid en duidelijkheid, is de rechtbank van oordeel dat op basis van de inhoud van de processen-verbaal wel objectief vastgesteld kan worden hoe een en ander verlopen is op 21 maart 2026. Op grond van voornoemde processen-verbaal stelt de rechtbank het navolgende vast.\n\nVerbalisant [verbalisant 1] zag op 21 maart 2026 om 10:23 uur dat er op de weg A77 in Nederland een Automatic Number Plate Recognition (hierna: ANPR) hit kwam\n\nop een voertuig met het Duitse kenteken [kenteken] . Uit de Duitse politiesystemen bleek dat het voertuig was voorzien van een verborgen ruimte en dat het voertuig gebruikt wordt om verdovende middelen mee te vervoeren. Hierna heeft [verbalisant 1] de volgende reisbewegingen waargenomen van voornoemd voertuig in het ANPR-systeem:\n\n- 21-03-2026, 10:50 uur, A15 links Valburg;\n\n- 21-03-2026, 11:07 uur, A15 links Geldermalsen;\n\n- 21-03-2026, 11:21 uur, A15 links Gorinchem;\n\n- 21-03-2026, 11:26 uur, A15 links Hardinxveld;\n\n- 21-03-2026, 11:43 uur, A16 links Brienenoord;\n\n- 21-03-2026, 11:48 uur, A20 rechts afrit richting Alexandrium;\n\n- 21-03-2026, 12:24 uur, A16 rechts Brienenoord;\n\n- 21-03-2026, 12:51 uur, A15 rechts Hardinxveld;\n\n- 21-03-2026, 12:57 uur, A5 rechts Gorinchem;\n\n- 21-03-2026, 13:16 uur, A2 rechts Oud Empel.\n\nVerbalisant [verbalisant 1] beschrijft dat bij hem het vermoeden bestond dat de bestuurder mogelijk verdovende middelen had gehaald en deze nu aan het vervoeren was, aangezien het voertuig ongeveer 41 minuten in Rotterdam is verbleven en gezien het feit dat het voertuig was voorzien van een verborgen ruimte. Dit vermoeden komt de rechtbank niet vreemd voor gelet op de informatie die hem op dat moment bekend was.\n\nVerbalisant [verbalisant 1] eindigt zijn proces-verbaal met de opmerking dat hij telefonisch contact heeft opgenomen met een collega van de Nationale Politie met het verzoek voornoemd voertuig te controleren. De rechtbank heeft geconstateerd dat in het proces-verbaal van [verbalisant 1] niet beschreven is hoe laat dit telefonisch contact plaatsvond. De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat deze opmerking onderaan het proces-verbaal staat, ondanks de indruk die dit wekt, niet de conclusie rechtvaardigt dat het telefonisch contact pas heeft plaatsgevonden na de laatste ANPR-hit van 13:16 uur. Verbalisant [verbalisant 2] lijkt immers wel het tijdstip te beschrijven in zijn proces-verbaal waarop het contact tussen hem en verbalisant [verbalisant 1] plaatsvond, namelijk: omstreeks 10:57 uur.\n\nVerbalisant [verbalisant 2] beschrijft dat hij van [verbalisant 1] de volgende startinformatie kreeg: dat er vanuit Duitsland een voertuig met daarin twee personen vermoedelijk naar Rotterdam onderweg was om daar harddrugs op te halen om het vervolgens naar Duitsland te brengen. Het betrof een voertuig van het merk Opel, type Insignia en voorzien van het kenteken [kenteken] . Hoewel verbalisant [verbalisant 1] in zijn proces-verbaal niet heeft gerept over twee personen in het voertuig en evenmin specifiek over harddrugs, overweegt de rechtbank dat het niet onvoorstelbaar is dat verbalisant [verbalisant 2] zijn waarneming van de latere staande houding van de twee inzittenden en het aantreffen van de harddrugs abusievelijk heeft vervlochten met de startinformatie van [verbalisant 1] bij het opmaken van het onderhavige proces-verbaal. Bovendien is niet uitgesloten dat de verbalisanten naar aanleiding van de ANPR-hit de beschikking hadden over beelden van het voertuig, waaruit bleek dat het om twee inzittenden ging. Het vermoeden dat het voertuig vanuit Duitsland onderweg was naar Rotterdam om daar harddrugs op te halen om dit vervolgens naar Duitsland te brengen, komt de rechtbank niet vreemd voor gelet op het volgende. Uit de eerste ANPR-hit volgt dat de auto, met Duits kenteken, in Nederland is gesignaleerd om 10:23 uur op de A77. De Rijksweg A77 betreft een verbindingsweg tussen Duitsland en Nederland. Mede gelet op het Duitse kenteken, staaft deze route het vermoeden dat de auto vanuit Duitsland Nederland is binnengekomen. Uit de ANPR-hits kan verder worden afgeleid welke route het Duitse voertuig door Nederland volgde, te weten: richting Rotterdam. Het voertuig is enige tijd in (de buurt van) Rotterdam geweest waarna de auto zijn route vervolgde naar het oosten van Nederland. De rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat Rotterdam een belangrijke spil is in de handel in harddrugs in West-Europa. Daarbij komt dat, zoals hiervoor reeds is overwogen, ook uit de startinformatie vanuit de Duitse politiesystemen bleek dat het betreffende voertuig, dat voorzien was van een verborgen ruimte, gebruikt werd om verdovende middelen mee te vervoeren.\n\nVerbalisant [verbalisant 2] beschrijft vervolgens dat hij hoorde dat het voertuig inmiddels door de ANPR was gekomen op de rijksweg A15 komende uit de richting van Tiel gaande richting Rotterdam. Het voorgaande bevestigt overigens dat [verbalisant 2] al eerder telefonisch contact had met [verbalisant 1] dan de laatste door verbalisant [verbalisant 1] beschreven ANPR-hit van 13:16 uur.\n\nVervolgens beschrijft [verbalisant 2] dat hij omstreeks 13:16 uur een ANPR-hit ontving dat het voertuig was gezien op de rijksweg A2 (rechts, hm-paal 110,1). De rechtbank overweegt dat hieruit volgt dat verbalisant [verbalisant 2] deze ANPR-hit zelf ontving, dit was geen informatie die hij via [verbalisant 1] ontving. Verder blijkt uit zijn proces-verbaal dat hij niet veel later achter het betreffende voertuig reed en dat het voertuig en de twee inzittenden gecontroleerd werden aan de Bosscheweg te Boxtel. De staandehouding vond plaats om 13:22 uur. Hoewel de verdediging heeft aangevoerd dat het vrijwel onmogelijk is dat de staandehouding slechts 6 minuten na de laatste ANPR-hit van 13:16 uur plaatsvond, overweegt de rechtbank dat dit haar niet vreemd voorkomt aangezien verbalisant [verbalisant 2] blijkens zijn proces-verbaal werkzaam is bij het Grensoverschrijdend Politie Team. Hij was op 21 maart 2026 belast was met bilaterale patrouilles en voor de uitvoering van deze taak maakte hij gebruik van een – niet als zodanig herkenbaar – politievoertuig. De officier van justitie heeft ter zitting toegelicht dat het proces-verbaal is opgemaakt door het team LX (voluit: De Eenheid Landelijke Expertise en Operaties, wat onderdeel uitmaakt van het Grensoverschrijdend Politie Team) en dat dit een landelijk verkeersteam betreft dat vrijwel altijd onderweg is. Gelet op het voorgaande en de constatering dat verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] al eerder contact moeten hebben gehad is het zeer aannemelijk dat verbalisant [verbalisant 2] zich al op de weg bevond en aanrijdend was op het moment dat hij de laatste ANPR-hit ontving. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat politieagenten zeer snel kunnen schakelen, snel aanrijdend zijn en snel ter plaatse zijn naar aanleiding van een melding of informatie (zoals een ANPR-hit) die zij ontvangen.\n\nGelet op het voorgaande deelt de rechtbank het standpunt van de verdediging, inhoudende dat de inhoud van de processen-verbaal diametraal tegenover elkaar staan en niet allebei waar kunnen zijn, niet. Hoewel de processen-verbaal op detailniveau enkele verschillen tonen, overweegt de rechtbank dat de verschillen niet met zich meebrengen dat een van de twee processen-verbaal onjuist of onbruikbaar is. Beide verbalisanten hebben aan de officier van justitie verklaard dat zij in deze processen-verbaal ieder vanuit hun eigen beleving naar waarheid hebben verklaard. Het menselijk geheugen is niet feilloos. Bovendien, en meest belangrijk, is dat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van het ontbreken van cruciale informatie die redelijkerwijs van belang is voor enige in deze strafzaak te nemen beslissing. De enkele omstandigheid dat verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] op (herhaaldelijk) verzoek van de officier van justitie hebben geweigerd aanvullend proces-verbaal op te maken over de nadere duidingsvragen van de verdediging, waarbij zij aangeven te persisteren bij de inhoud van de op 21 en 22 maart 2026 opgestelde processen-verbaal, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders. In het onderhavige geval leiden de geringe verschillen en de weigering van de verbalisanten, gelet op de achtergrond zoals hiervoor geschetst, dan ook niet tot een schending van de verbaliseringsplicht.\n\nHet verweer ten aanzien van de verbaliseringsplicht is hiermee verworpen.\n\nBeoordeling van het rechtmatigheidsverweer\n\nUit het proces-verbaal van 22 maart 2026 van verbalisant [verbalisant 2] volgt dat na de staandehouding van verdachte op 21 maart 2026 toegang is verschaft tot zijn voertuig op grond van artikel 9, eerste lid, van de Opiumwet (Ow). Dit artikel geeft opsporingsambtenaren de bevoegdheid een voertuig te betreden en zoekend rond te kijken in geval redelijkerwijs kan worden vermoed dat met dit vervoermiddel drugs vervoerd wordt of dat hierin drugs aanwezig zijn. Het betreft echter geen bevoegdheid tot doorzoeking van het voertuig.\n\nGelet op de omstandigheid dat uit het proces-verbaal volgt dat in de kofferbakruimte een verborgen ruimte werd aangetroffen en getracht is deze verborgen ruimte te openen, is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een doorzoeking in plaats van slechts een betreding, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, Ow.\n\nVerder blijkt uit het proces-verbaal dat het voertuig vervolgens inbeslaggenomen is op grond van artikel 1:37 Algemene Douanewet. Dit artikel geeft opsporingsambtenaren de bevoegdheid over te gaan tot inbeslagname van onder meer vervoermiddelen die kennelijk ingericht of toegerust zijn om goederen aan het ambtelijk toezicht te onttrekken.\n\nDe rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de doorzoeking en inbeslagname rechtmatig zijn geweest. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.\n\nOp grond van artikel 96b Sv zijn opsporingsambtenaren bevoegd ter inbeslagneming een vervoermiddel te doorzoeken, in geval van een ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of in geval van verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.\n\nDe rechtbank overweegt dat het een feit van algemene bekendheid is dat een aangebrachte verborgen ruimte in een voertuig enkel dient om strafbare goederen, zoals drugs, maar ook vuurwapens en uit misdrijf verkregen geld, aan het ambtelijk toezicht te onttrekken. Gelet op de feiten en omstandigheden zoals vermeld in het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] van 21 maart 2026 en het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 2] van 22 maart 2026 (zoals hiervoor reeds uiteengezet bij het bespreken van de beoordeling van het verweer aangaande de verbaliseringsplicht), is de rechtbank van oordeel dat er sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, te weten: het verbergen of verhullen van drugs. Immers, er reed een voertuig met een buitenlands kenteken met daarin volgens Duitse informatie een verborgen ruimte die werd gebruikt om drugs te vervoeren vanuit de richting van de Duitse grens naar Rotterdam. Alwaar het voertuig kortstondig verbleef, om vervolgens de weg te vervolgen (terug) richting het oosten van het land, mogelijk het land weer uit. Gelet op het voorgaande waren de verbalisanten op grond van artikel 96b Sv de bevoegd het voertuig te doorzoeken ter inbeslagneming.\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 2] van 22 maart 2026 weliswaar niet de juiste wettelijke grondslag voor de doorzoeking staat vermeld, maar dat wel een wettelijke grondslag voor de doorzoeking bestond. Van een onrechtmatige doorzoeking is daarom geen sprake.\n\nHet rechtmatigsheidsverweer is hiermee verworpen\n\nConclusie\n\nNu de rechtbank heeft vastgesteld dat geen sprake is geweest van schending van de verbaliseringsplicht en geen sprake is geweest van een onrechtmatige doorzoeking, stelt de rechtbank vast dat van vormverzuimen in het vooronderzoek geen sprake is. Gelet op deze conclusie gaat de rechtbank over tot de beoordeling van de bewijsmiddelen.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nT.a.v. feit 1:\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de in de bijlage uitgewerkte bewijsmiddelen, vast komen te staan dat er op 21 maart 2026 in de verborgen ruimte van de auto van verdachte, voorzien van het Duitse kenteken [kenteken] , zes pakketten heroïne zijn aangetroffen. Het totaal nettogewicht van deze heroïne betrof 5503 gram. Verdachte heeft hiermee door Nederland gereden.\n\nVerdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat hij wist dat er in zijn auto een verborgen ruimte aanwezig was, dat hij in Rotterdam pakketten in de verborgen ruimte heeft zien liggen en deze ook heeft aangeraakt en dat hij wist dat het om drugs ging, die – zo was hem verteld - ook wel ‘chocolade’ wordt genoemd. Hij wist echter niet precies om welke soort drugs het ging, laat staan dat het om harddrugs ging.\n\nDe rechtbank overweegt in dit verband als volgt.\n\nVerdachte heeft verklaard dat hij in Duitsland heeft ingestemd met een opdracht van een [onbekend gebleven] man. Deze opdracht hield in dat verdachte vanuit Duitsland naar Nederland zou rijden. Hij zou drugs gaan ophalen op een afgesproken locatie in Rotterdam. Hij moest deze drugs vervolgens van Rotterdam naar een dorpje in de buurt van Aken (Duitsland) brengen. Verdachte zou hier een bedrag van 3.000,- euro voor krijgen. Hij heeft nagelaten vragen te stellen aan de man om wat voor soort drugs het ging en heeft ook niet naar de inhoud van de pakketten gekeken. Gelet op deze feiten en omstandigheden, in samenhang bezien, concludeert de rechtbank dat verdachte zich, door zich niet ervan te vergewissen wat voor soort drugs het transport betrof, willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat hij zich zou inlaten met het vervoeren van harddrugs in zijn personenauto. Verdachte heeft derhalve gehandeld met het vereiste opzet in de zin van voorwaardelijk opzet.\n\nGelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op 21 maart 2026 in Nederland schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk vervoeren van 5503 gram heroïne.\n\nDe rechtbank ziet onvoldoende aanwijzingen in het dossier dat verdachte het feit gepleegd heeft in bewuste en nauwe samenwerking met een of meer anderen. Er zijn onvoldoende aanwijzingen in het dossier dat verdachte de feiten heeft gepleegd in vereniging met zijn vriend, die zich als bijrijder in de auto bevond, of met een of meer andere onbekend gebleven personen uit Duitsland. Uit de verklaring van verdachte blijkt weliswaar dat hij afspraken heeft gemaakt met deze personen ten aanzien van het transport van de drugs, maar hij heeft - gezien de uitvoering van deze enkele opdracht, waar alleen hij verantwoordelijk voor was - slechts een beperkte en uitvoerende rol vervuld in het grotere geheel. Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van medeplegen. De rechtbank zal verdachte daarom partieel vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.\n\nT.a.v. feit 2:\n\nDe rechtbank is van oordeel dat, op grond van de in de bijlage uitgewerkte bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van een personenauto, terwijl verdachte wist dat dit voertuig was toegerust of ingericht met een verborgen ruimte die kennelijk bedoeld was om de opsporing van strafbare feiten te beletten of te bemoeilijken. Daarmee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 189a, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDe bewezenverklaring.\n\nOp grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bijlage uitgewerkte bewijsmiddelen - in onderling verband en samenhang bezien - komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:\n\nT.a.v. feit 1:\n\nop 21 maart 2026 in Nederland, opzettelijk heeft vervoerd, 5503 gram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.\n\nT.a.v. feit 2:\n\nop 21 maart 2026 in Nederland, een vervoermiddel, te weten een personenauto voorzien van het Duitse kenteken [kenteken] , voorhanden heeft gehad, wetende dat dit vervoermiddel was toegerust en\u002Fof ingericht met een ruimte die kennelijk bestemd was om de opsporing van een of meer strafbare feiten te beletten en\u002Fof te bemoeilijken.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nHetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.\n\nDe bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.\n\nDe strafbaarheid van de feiten.\n\nHet bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\nDe strafbaarheid van verdachte.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.\n\nOplegging van straf.\n\nDe eis van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat ter zake van de twee ten laste gelegde feiten aan verdachte wordt opgelegd een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 20 maanden.\n\nEen kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe verdediging heeft primair verzocht om vrijspraak en subsidiair bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het feit dat hij (gelet op de justitiële documentatie in Nederland en Duitsland) dient te worden beschouwd als een ‘first offender’, hij medewerking heeft verleend aan het strafrechtelijk onderzoek, direct een bekennende verklaring heeft afgelegd, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan alsmede de beperkte rol van verdachte in het grotere geheel. Gelet op de straffen die blijkens de jurisprudentie in soortgelijke gevallen worden opgelegd, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de door de officier van justitie gevorderde straf te hoog is en gematigd dient te worden tot een gevangenisstraf tussen de 14 en 18 maanden.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nBij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Voorts houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarnaast heeft de rechtbank bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.\n\nDe aard en ernst van de feiten.\n\nVerdachte heeft zich op 21 maart 2026 schuldig gemaakt aan het opzettelijk vervoeren van 5503 gram heroïne. De heroïne werd vervoerd in een speciaal daarvoor gemaakte verborgen ruimte in zijn personenauto. Deze verborgen ruimte was kennelijk bedoeld om de opsporing van strafbare feiten te belemmeren of bemoeilijken.\n\nDe aangetroffen hoeveelheid heroïne vertegenwoordigt een aanzienlijke straatwaarde. De verdachte heeft met zijn handelen een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van harddrugs schadelijk is voor de volksgezondheid. Bovendien leidt de handel in en het gebruik van harddrugs vaak tot andere vormen van criminaliteit, waaronder ernstige geweldscriminaliteit. De verdachte heeft zich hier niet door laten weerhouden en heeft zich kennelijk alleen laten leiden door zijn eigen financiële situatie. Daarbij is extra kwalijk dat voor het drugstransport een verborgen ruimte in de auto is gebruikt, wat de opsporing van dit soort feiten kan bemoeilijken. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat aangebrachte verborgen ruimtes enkel dienen om strafbare goederen, zoals drugs, maar ook vuurwapens en uit misdrijf verkregen geld, aan het ambtelijk toezicht te onttrekken. Een dergelijke verborgen ruimte is naar haar aard en gelet op de kosten die met het maken van deze verborgen ruimte zijn gemoeid ook bedoeld voor herhaald gebruik.\n\nPersoonlijke omstandigheden\n\nDe rechtbank houdt bij de bepaling van de strafmaat rekening met de omstandigheid dat hij blijkens de hem betreffende uittreksels uit de Justitiële Documentatie in Nederland en Duitsland niet eerder veroordeeld is voor soortgelijke delicten en zo bezien beschouwd dient te worden als een ‘first offender’.\n\nVerdachte heeft ter zitting verklaard dat hij in Albanië is geboren, naar Duitsland is gegaan en daar een verblijfsvergunning heeft gekregen om te werken. In Duitsland raakte hij in de financiële problemen vanwege het verlies van zijn baan, de medische situatie van zijn ouders die de nodige kosten met zich meebrachten en oplopende leningen\u002Fschulden. De rechtbank overweegt dat dit echter geen excuus is om dergelijke ernstige strafbare feiten te plegen. Verdachte had anders kunnen en anders moeten handelen dan hij heeft gedaan. De rechtbank neemt verdachte dat kwalijk. Verdachte heeft daarentegen wel verantwoordelijkheid getoond door openheid van zaken te geven ten aanzien van zijn eigen handelen en de door hem gepleegde strafbare feiten toegegeven. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij het verkeerde van zijn handelen inziet en heeft oprecht berouw getoond.\n\nDe strafsoort, strafmaat en strafmodaliteit\n\nDe rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving, en rekening houdend met alle hiervoor genoemde omstandigheden, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de straf hanteert de rechtbank als uitgangspunt de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor het vervoeren van harddrugs. In deze oriëntatiepunten wordt voor het opzettelijk vervoeren van 5503 gram heroïne, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 20 tot 24 maanden voorgesteld.\n\nDe rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf, nu de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het medeplegen van feit 1 en meer gewicht toekent aan de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals hiervoor vermeld.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank is van oordeel dat een gevangenisstraf van 20 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds heeft doorgebracht in voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden is. Aan het voorwaardelijk strafdeel zal de rechtbank de algemene voorwaarde verbinden dat verdachte zich onthoudt van het plegen van strafbare feiten. De rechtbank wil daarmee enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds beoogt zij daarmee invloed uit te oefenen op het gedrag van de verdachte gericht op het maken van andere keuzes wanneer hij zich opnieuw in een financieel benarde positie bevindt en (daarmee) op het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.\n\nDe voorlopige hechtenis.\n\nOnder verwijzing naar de bepleite vrijspraak, heeft de verdediging ter terechtzitting de opheffing verzocht van de voorlopige hechtenis. Gelet op de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf ter zake van het bewezenverklaarde, wijst de rechtbank het verzoek af.\n\nBeslag.\n\nDe rechtbank overweegt dat geen beslissing meer genomen hoeft te worden ten aanzien van de op de beslaglijst van 22 juni 2026 vermelde inbeslaggenomen goederen. De officier van justitie heeft ter terechtzitting toegelicht dat reeds de teruggave is gelast van het onder verdachte inbeslaggenomen geldbedrag van 1.075,- euro (zoals vermeld onder 1 op de beslaglijst) en verdachte heeft afstand gedaan van alle inbeslaggenomen drugs.\n\nToepasselijke wetsartikelen.\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen:\n\n14a, 14b, 14c, 57 en 189a Wetboek van Strafrecht;\n\n2 en 10 Opiumwet.DE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank:\n\nVerklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezenzoals hiervoor is omschreven.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op de misdrijven:\n\n opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod\n\n voorhanden hebben van een vervoermiddel, wetende dat dit vervoermiddel is toegerust of ingericht met een ruimte die kennelijk is bestemd om de opsporing van strafbare feiten te beletten of te bemoeilijken\n\nVerklaart verdachte hiervoor strafbaar.\n\nLegt op de volgende straf.\n\nT.a.v. feit 1, feit 2:\n\n een gevangenisstraf voor de duur van 20 maandenmet aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrechtwaarvan 6 maanden voorwaardelijken een proeftijd van 2 jaren\n\nVoorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. M.W.M. Bankers, voorzitter,\n\nmr. J.H.P.G. Wielders en mr. A. Maas, leden,\n\nin tegenwoordigheid van mr. F.E.M. Freese - de Haas, griffier,\n\nen is uitgesproken op 07 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4763","ecli-nl-rbobr-2026-4763",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":41,"ecli":42,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":35,"fullText":43,"language":7,"source":17,"sourceUrl":44,"summary":14,"slug":45,"metadata":46},"1263","ECLI:NL:RBOBR:2026:4791","vonnisRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nLocatie 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummer: 01.020221.23\n\nDatum uitspraak: 07 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1962,\n\nwonende te [adres] .\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe tenlastelegging.\n\nDe zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 juni 2026.\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nhij op één of meerdere tijdstippen op of omstreeks 14 mei 2022 te Luyksgestel, althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en\u002Fof bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten:\n\n- het kussen van\u002Fop haar lichaam en\u002Fof\n\n- met haar (tong)zoenen en\u002Fof\n\n- het brengen en\u002Fof duwen en\u002Fof bewegen van zijn penis en\u002Fof vinger(s) in haar vagina en\u002Fof\n\n- het zich door haar laten aftrekken en\u002Fof pijpen,en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheid en\u002Fof bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid hierin dat verdachte:\n\n- haar kleding uit heeft getrokken en\u002Fof\n\n- haar heeft vastgegrepen en\u002Fof haar hoofd richting zijn penis heeft geduwd en\u002Fof\n\n- heeft gezegd dat ze hem moest pijpen en\u002Fof aftrekken en\u002Fof\n\n- boven op haar is geklommen en\u002Fof is gaan liggen en\u002Fof\n\n- daarbij voorbij is gegaan aan en\u002Fof niet heeft geluisterd naar het mondelinge verzet dat die [slachtoffer] heeft getoond.\n\nDe formele voorvragen.\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nBewijs.\n\nInleiding.\n\nVerdachte wordt ervan verdacht dat hij [slachtoffer] , een destijds 21-jarige vriendin van zijn dochter, heeft verkracht op de wijze zoals in de tenlastelegging staat omschreven.\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen te verklaren.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het tenlastegelegde. De raadsman heeft aangevoerd dat de aangifte niet betrouwbaar is. Indien de aangifte wel betrouwbaar wordt geacht, dan is er volgens de raadsman onvoldoende steunbewijs. Verdachte heeft het tenlastegelegde ontkend.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nDe bewijsmiddelen\n\nDe door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.\n\nBijzondere overwegingen omtrent het bewijs\n\nBeoordelingskader van het bewijs in zedenzaken\n\nDeze zaak betreft de verdenking van een zedendelict. Dergelijke zaken kenmerken zich doorgaans door het feit dat in de regel slechts twee personen aanwezig zijn bij de beweerde seksuele handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Als de verdachte ontkent, komt het vaak neer op het woord van het vermeende slachtoffer (in dit geval [slachtoffer] ) tegen dat van de verdachte. Bij de beoordeling van het bewijs moet de rechtbank de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] beoordelen, beoordelen of er voldoende ander bewijs aanwezig is dat deze verklaring ondersteunt en beoordelen of er tegenaanwijzingen zijn.\n\nVolgens artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan een beschuldiging niet alleen op grond van de verklaring van één getuige (van het slachtoffer) worden bewezen. Ook niet als de rechtbank deze verklaring betrouwbaar vindt. Er moet altijd ander bewijs (steunbewijs) in het dossier zitten. Of sprake is van voldoende steunbewijs is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.\n\nVolgens de Hoge Raad moet deze bewijsminimumregel in zedenzaken niet zo uitgelegd worden dat vereist is dat de (seksuele) handelingen die op de beschuldiging staan als zodanig bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal, maar is het voldoende wanneer de verklaring van het vermeende slachtoffer op bepaalde punten bevestiging vindt in andere bewijsmiddelen. Die andere bewijsmiddelen moeten afkomstig zijn van een andere bron dan van het vermeende slachtoffer.\n\nBeoordeling\n\nBetrouwbaarheid\n\nDe rechtbank moet allereerst beoordelen of de verklaringen van [slachtoffer] betrouwbaar zijn.\n\nDe rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] op twee momenten een verklaring heeft afgelegd, te weten tijdens het informatieve gesprek met de politie op 14 mei 2022 en in haar aangifte op 23 juni 2022. Over belangrijke onderdelen van de verdenking, te weten de aard van de seksuele handelingen en de volgorde en plaats van die handelingen heeft [slachtoffer] consistente verklaringen afgelegd. Zowel tijdens het informatieve gesprek met de politie als in haar aangifte heeft [slachtoffer] immers verklaard dat de seksuele handelingen plaatsvonden in de slaapkamer van verdachte en dat deze in drie ‘rondes’ hebben plaatsgevonden. Verder zijn haar verklaringen voldoende gedetailleerd en authentiek, bijvoorbeeld over dat zij ter afleiding met de hond van verdachte ging spelen in de hoop dat er verder niets zou gebeuren of dat zij tussen de seksuele handelingen door de badjas van verdachte aantrok. De rechtbank heeft ook in aanmerking genomen dat [slachtoffer] haar begeleidster [betrokkene] direct heeft verteld over hetgeen haar was overkomen, waarna zij op dezelfde avond nog forensisch-medisch werd onderzocht in het ziekenhuis en ook het informatieve gesprek heeft plaatsgevonden. Ook de hierna te bespreken resultaten uit het DNA-onderzoek dragen bij aan de betrouwbaarheid van de verklaring van [slachtoffer] . Deze wijzen immers onmiskenbaar op seksueel contact tussen verdachte en [slachtoffer] .\n\nDe rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van [slachtoffer] en acht deze dan ook in de kern, voor wat betreft de seksuele handelingen, betrouwbaar.\n\nDe rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de verklaring van [slachtoffer] voldoende worden ondersteund door andere bewijsmiddelen (steunbewijs).\n\nSteunbewijs\n\nDoor het NFI is DNA-onderzoek verricht aan de lichaamsbemonsteringen die bij een Forensisch Medisch Onderzoek van [slachtoffer] zijn afgenomen.\n\nIn de bemonstering van de buitenste schaamlippen is, naast een relatief grote hoeveelheid DNA van [slachtoffer] , een relatief geringe hoeveelheid DNA gevonden dat afkomstig kan zijn van verdachte. Dit DNA-mengprofiel is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer de bemonstering DNA bevat van [slachtoffer] en verdachte, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van [slachtoffer] en een willekeurige onbekende persoon.\n\nOok in de bemonsteringen van de rechterborst, de linkerborst en de linker bil is DNA van [slachtoffer] en DNA dat afkomstig kan zijn van verdachte gevonden. Het DNA-mengprofiel is voor wat betreft de rechter- en linkerborst meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van [slachtoffer] en verdachte, dan wanneer het DNA afkomstig is van het [slachtoffer] en een willekeurige onbekende persoon. Voor wat betreft het DNA-mengprofiel in de bemonstering van de linker bil is dat ongeveer 35 miljoen keer waarschijnlijker.\n\nVoor de bemonstering van de binnenste schaamlippen + ondiep vaginaal en de bemonstering diep vaginaal is een aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van een relatief kleine hoeveelheid mannelijk DNA in deze bemonsteringen. Van dit DNA zijn (met elkaar overeenkomende) Y-chromosomale DNA-profielen verkregen van minimaal één man. Het Y-chromosomale DNA-profiel van verdachte komt overeen met deze Y- chromosomale DNA-profielen. Dit betekent dat het mannelijk DNA in deze bemonsteringen afkomstig kan zijn van verdachte of van een in de mannelijke lijn aan hem verwante man.\n\nHet NFI heeft aangegeven dat de DNA-profielen uit de bemonsteringen zeer veel waarschijnlijker zijn wanneer – kort gezegd – verdachte of een man in de vaderlijke lijn van verdachte de donor is dan wanneer dit niet zo is.\n\nDe resultaten van het NFI-onderzoek ondersteunen naar het oordeel van de rechtbank de verklaring van [slachtoffer] dat seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen haar en verdachte. Gelet op de bevindingen van het NFI en de verklaring van [slachtoffer] is de rechtbank van oordeel dat verdachte donor is van het celmateriaal op de buitenste schaamlippen, de rechter- en linkerborst en de linker bil, alsmede op de binnenste schaamlippen en de (ondiepe en diepe) vagina van [slachtoffer] , en dat het gaat om dadersporen.\n\nAlternatief scenario\n\nVerdachte heeft ontkend dat [slachtoffer] alleen bij hem thuis is geweest en dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden met [slachtoffer] . Verdachte zegt geen verklaring te hebben voor de resultaten van het DNA-onderzoek, De raadsman heeft aangevoerd dat de broer van verdachte niet is betrokken in het DNA-onderzoek. Deze broer zou [slachtoffer] , volgens haar verklaring, naar het huis van verdachte hebben gebracht waarna het ten laste gelegde heeft plaatsgevonden.\n\nDe rechtbank overweegt dat zij de stelling van de raadsman – voor zover die zou moeten worden gezien als een alternatief scenario – volstrekt onaannemelijk acht. Het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat de broer van verdachte seksueel contact met [slachtoffer] heeft gehad. [slachtoffer] heeft dat niet verklaard en verdachte zelf ook niet. Bovendien is er in meerdere lichaamsbemonsteringen van [slachtoffer] , waaronder op de buitenste schaamlippen, autosomaal DNA van verdachte gevonden met een hoge bewijskracht.\n\nTussenconclusie\n\nGelet op de aangifte van [slachtoffer] en de bevindingen van het NFI is de rechtbank van oordeel dat is komen vast te staan dat tussen [slachtoffer] en verdachte seksuele handelingen hebben plaatsgevonden zoals vermeld in de tenlastelegging.\n\nDwang\n\nDwang in de zin van artikel 242 (oud) van het Wetboek van Strafrecht kan plaatsvinden door middel van geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid. Van geweld of bedreiging met geweld is gelet op de inhoud van het dossier geen sprake. Van een door middel van een andere feitelijkheid dwingen tot seksuele handelingen is sprake indien verdachte opzettelijk heeft veroorzaakt dat [slachtoffer] die handelingen heeft ondergaan tegen haar wil. Of een dergelijke dwang heeft plaatsgevonden laat zich niet in het algemeen beantwoorden, maar hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.\n\nDe rechtbank heeft hierbij het volgende in aanmerking genomen.\n\nTussen verdachte en [slachtoffer] bestond een groot leeftijdsverschil. Verdachte was ten tijde van het ten laste gelegde 59 jaar en [slachtoffer] was 21 jaar.\n\n [slachtoffer] was een kwetsbare jonge vrouw. Zij had forse psychische problematiek, ze was daarvoor opgenomen en verdachte heeft verklaard dat hij daarvan op de hoogte was.\n\n [slachtoffer] heeft onder meer het volgende verklaard.\n\nIk heb hem duidelijk uitgelegd en gezegd dat dat niet kon, dat hij te ver ging. Ik heb gezegd ik ben de beste vriendin van je dochter, ik wil dit niet, stop. Maar daar werd niet naar geluisterd.\n\nHij duwde mijn hoofd naar zijn onderstuk. Hij zei dat ik hem moest pijpen.\n\nToen hij mij zoende, zei ik ook al, nee wat doe je, stop. Hij zei toen, kom op kom op.\n\nIk heb tijdens de seks gezegd dat het pijn deed. Hij zei, het is zo over.\n\nGelet op het leeftijdsverschil tussen verdachte en [slachtoffer] , de kwetsbare positie van [slachtoffer] en haar verklaring, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van dwang.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank heeft op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte [slachtoffer] heeft verkracht.\n\nDe bewezenverklaring.\n\nOp grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte\n\nop 14 mei 2022 te Luyksgestel door een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten:\n\n- het kussen van\u002Fop haar lichaam en\n\n- met haar zoenen en\n\n- het brengen van zijn penis en vinger(s) in haar vagina en\n\n- het zich door haar laten aftrekken en pijpen,en bestaande die andere feitelijkheid hierin dat verdachte:\n\n- haar kleding uit heeft getrokken en\n\n- haar heeft vastgegrepen en haar hoofd richting zijn penis heeft geduwd en\n\n- heeft gezegd dat ze hem moest pijpen en aftrekken en\n\n- boven op haar is geklommen en is gaan liggen en\n\n- daarbij voorbij is gegaan aan en niet heeft geluisterd naar het mondelinge verzet dat die [slachtoffer] heeft getoond.\n\nDe strafbaarheid van het feit.\n\nHet bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\nDe strafbaarheid van verdachte.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.\n\nOplegging van straf en\u002Fof maatregel.\n\nDe eis van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 36 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht en een ambulante behandeling.\n\nEen kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsman heeft vrijspraak bepleit. De raadsman heeft geen opmerkingen gemaakt ten aanzien van de strafmaat. Verdachte heeft verklaard dat hij bereid is de door de reclassering geadviseerde ambulante behandeling te volgen.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nBij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nVerdachte heeft in 2022 zich schuldig gemaakt aan verkrachting van een destijds 21-jarige vriendin van zijn dochter. De rechtbank houdt bij de strafoplegging in strafverzwarende zin rekening met het grote leeftijdsverschil tussen verdachte en het slachtoffer en haar psychische kwetsbaarheid. Er was sprake van verregaande seksuele handelingen gedurende een aantal uren. Verdachte heeft met zijn handelen een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en haar lichamelijke integriteit aangetast. Dit ernstige zedenmisdrijf moet een enorme impact op [slachtoffer] hebben gehad. De rechtbank rekent het verdachte, die de problematiek van het slachtoffer kende, zwaar aan dat hij zijn eigen seksuele behoefte volledig boven het belang van deze kwetsbare jonge vrouw heeft gesteld.\n\nDe rechtbank houdt in strafverzwarende zin ook rekening met de omstandigheid dat verdachte eerder, weliswaar lang geleden, is veroordeeld voor zedenfeiten.\n\nDe rechtbank stelt vast dat sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Bij de berechting van een zaak heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak op de terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen 2 jaar na aanvang van de redelijke termijn. Als beginpunt van de in artikel 6 EVRM bedoelde termijn geldt het moment waarop vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De rechtbank stelt in dit geval als begindatum vast de datum van aanhouding van verdachte, te weten 9 januari 2024. Tussen die datum en de datum van het eindvonnis (7 juli 2026) ligt een periode van 2 jaar en bijna 6 maanden. Er is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met bijna 6 maanden. Naar het oordeel van de rechtbank is er in deze zaak geen sprake van bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat de overschrijding van de redelijke termijn niet dient te worden meegewogen in de strafoplegging. De rechtbank zal het door het tijdsverloop veroorzaakte nadeel langs de weg van strafvermindering compenseren. De rechtbank heeft dit gedaan door in het voordeel van verdachte het oude oriëntatiepunt voor verkrachting als uitgangspunt te nemen en een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen, zoals hierna zal worden toegelicht.\n\nDe rechtbank houdt bij de strafoplegging verder rekening met het omtrent verdachte opgemaakte reclasseringsrapport van 27 mei 2026. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.\n\nGezien de ontkennende houding van betrokkene is het niet mogelijk om een analyse te maken van de risico’s of verbanden te leggen tussen de leefgebieden en de tenlastelegging.\n\nBetrokkene is eerder veroordeeld voor zedendelicten; aanranding van de eerbaarheid in 2002 en plegen van ontuchtige handelingen in 2004. Omdat dit echter ruim twintig jaar geleden is, kunnen we niet spreken van een actueel delictpatroon. Wel is het opvallend dat betrokkene, buiten deze eerdere veroordeling, vaker als verdachte is aangemerkt met betrekking tot een zedenmisdrijf, al is ook dit meer dan twintig jaar geleden. Uit het gesprek met betrokkene komt naar voren dat hij geen antwoord heeft op de vraag hoe het komt dat hij bij herhaling als verdachte van een zedenmisdrijf wordt aangemerkt. Betrokkene staat ervoor open dit te onderzoeken. Uit de risicotaxatie instrumenten komt, in het geval van een veroordeling, een laag recidiverisico naar voren. Echter zien we ook dat betrokkene met name scoort op de dynamische (veranderbare) risicofactoren en niet op de statische (onveranderbare) factoren. Om deze reden, achten wij een behandeling, in het geval van een veroordeling, geïndiceerd.\n\nBij een veroordeling adviseren wij een (deels) voorwaardelijke straf met de onderstaande bijzondere voorwaarden.\n\n• Meldplicht bij reclassering.\n\n• Ambulante behandeling (gericht op seksueel grensoverschrijdend gedrag en\u002Fof andere problematiek).\n\nBij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Het oriëntatiepunt voor een verkrachting met een beperkte mate van dwang was in 2022, toen nog de oude wetsbepaling gold en het strafklimaat milder was dan heden, een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. De rechtbank zal daarom een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf.\n\nAlles afwegende is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.\n\nDe rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte, te weten voor de duur van 6 maanden, voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld, te weten een meldplicht en een ambulante behandeling gericht op seksueel grensoverschrijdend gedrag en\u002Fof andere problematiek.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nToepasselijke wetsartikelen.\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen:\n\n14a, 14b, 14c, 242 (oud) Wetboek van Strafrecht.\n\nDE UITSPRAAK\n\nVerklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op het misdrijf:\n\nverkrachting\n\nVerklaart verdachte hiervoor strafbaar.\n\nLegt op de volgende straf.\n\nEen gevangenisstrafvoor de duur van24 maandenwaarvan6 maanden voorwaardelijken een proeftijd van 2 jaren.\n\nVoorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.\n\nEn stelt als bijzondere voorwaarden:\n\n1. Meldplicht bij reclassering\n\nDat veroordeelde zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt veroordeelde zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres Polluxstraat 114 te Eindhoven, telefoonnummer 088-8041504.\n\n2. Ambulante behandeling\n\nDat veroordeelde zich gedurende de proeftijd laat behandelen door forensische polikliniek De Omslag van GGZ Eindhoven of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo snel mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op seksueel grensoverschrijdend gedrag en\u002Fof andere problematiek.\n\nGeeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.\n\nHierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:\n\n- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;\n\n- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. J.H.P.G. Wielders, voorzitter,\n\nmr. A. Maas en mr. M.W.M. Bankers, leden,\n\nin tegenwoordigheid van mr. H. Wildeman, griffier,\n\nen is uitgesproken op 07 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4791","ecli-nl-rbobr-2026-4791",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":48,"ecli":49,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":35,"fullText":50,"language":7,"source":17,"sourceUrl":51,"summary":14,"slug":52,"metadata":53},"1264","ECLI:NL:RBOBR:2026:4792","vonnis\n\nRECHTBANK OOST-BRABANT\n\n Parketnummers vorderingen: 01.299547.24 en 96.298959.24 Parketnummers: 01.105619.26 en 01.236767.23 (ter terechtzitting gevoegd) [verdachte]\n\nLocatie 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummers: 01.105619.26 en 01.236767.23 (ter terechtzitting gevoegd) Parketnummers vorderingen: 01.299547.24 en 96.298959.24\n\nDatum uitspraak: 07 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,\n\nthans gedetineerd te: P.I. [vestigingsplaats] .\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 juni 2026.\n\nOp deze zitting heeft de rechtbank de tegen verdachte\u002Fveroordeelde, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte\u002Fveroordeelde naar voren is gebracht.\n\nDe tenlastelegging.\n\nDe zaken zijn aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van telkens 20 mei 2026.\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nt.a.v. 01-105619-26:\n\nhij op of omstreeks 8 april 2026 te Eindhoven opzettelijk heeft geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd,\n\nin elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,\n\n- ongeveer 80 gram (1 witte brok), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en\u002Fof\n\n- ongeveer 4,4 gram (17 sealbags), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,\n\nzijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nt.a.v. 01-236767-23:\n\nhij op of omstreeks 31 augustus 2023 te Eindhoven, althans in Nederland,\n\nopzettelijk brand heeft gesticht aan een scooter en\u002Fof bij een woning aan [adres] , door (open) vuur en\u002Fof een brandend middel in aanraking te brengen met een scooter die nabij\u002Ftegen de (voor)gevel van voornoemde woning stond, terwijl daarvan\n\n-gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten voornoemde woning en\u002Fof scooter te\n\n duchten was en\u002Fof\n\n- levensgevaar en\u002Fof gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor een\n\n of meer bewoner(s) van en\u002Fof aanwezigen in voornoemde woning en\u002Fof naastgelegen\n\n woning(en) te duchten was;\n\nDe vorderingen na voorwaardelijke veroordeling.\n\nDe zaak met parketnummer 01.299547.24 is aangebracht bij vordering van 13 mei 2026. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de meervoudige strafkamer te\n\n's-Hertogenbosch van 13 februari 2025. (bijlage 1)\n\nDe zaak met parketnummer 96.298959.24 is aangebracht bij vordering van 13 mei 2026. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter te 's-Hertogenbosch\n\nvan 20 mei 2025. (bijlage 2)\n\nDe formele voorvragen.\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nRechtmatigheid verkregen bewijs\n\nt.a.v. 01.105619.12\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsvrouw heeft gesteld dat de doorzoeking van de auto van verdachte onrechtmatig\n\nis geweest, omdat er op dat moment onvoldoende verdenking van overtreding van een strafbaar feit bestond. Dit onherstelbare vormverzuim moet in de visie van de raadsvrouw tot bewijsuitsluiting van de aangetroffen cocaïne leiden. De raadsvrouw heeft ter onderbouwing van haar standpunt verwezen naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 4 maart 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:2010).\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende verdenking bestond om tot doorzoeking van het voertuig over te gaan.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nOp grond van artikel 96b, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is de opsporingsambtenaar bevoegd, in geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar of\n\nin geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid Sv, een vervoermiddel te doorzoeken en zich daartoe de toegang te verschaffen.\n\nDe rechtbank dient de vraag te beantwoorden of – en zo ja, wanneer – ten aanzien van verdachte een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit (in casu: een Opiumwetdelict) bestond. De rechtbank dient te toetsen of de betrokken verbalisanten\n\ntot een redelijk vermoeden hebben kunnen komen.\n\nZoals de raadsvrouw terecht heeft gesteld, dient een verdenking te berusten op concrete en objectiveerbare feiten. Daarmee wordt bedoeld dat het vermoeden objectiveerbaar moet zijn en in redelijkheid moet kunnen worden afgeleid uit voor het strafbare feit relevante en concrete gegevens. Uit bestendige jurisprudentie volgt verder dat ervaring en deskundigheid van de verbalisant, evenals een feit van algemene bekendheid, bijdragen aan het bestaan van een redelijke vermoeden van schuld en mitsdien van een verdenking.\n\nDe rechtbank overweegt het volgende.\n\nVerbalisanten hebben op basis van artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994 het voertuig met verdachte als bestuurder aan een controle onderworpen en zijn op grond van de navolgende combinatie van feiten en omstandigheden tot een doorzoeking van het voertuig overgegaan. (proces-verbaal van bevindingen pag. 5-9)\n\nVerbalisanten zagen dat verdachte tijdens de controle heel zenuwachtig was. Zo keek hij continu om zich heen, vermeed hij oogcontact met de verbalisanten, transpireerde hij op\n\nzijn voorhoofd, hield hij het stuurwiel gedurende de hele controle stevig vast en vroeg hij meerdere keren naar de reden van de controle.\n\nVerbalisanten zagen in het voertuig twee telefoons liggen en dat verdachte continu werd gebeld door nummers die hij niet als een contact had opgeslagen.\n\nVerbalisanten zagen in de politiesystemen dat verdachte stond geregistreerd voor het\n\nbezit en de handel in harddrugs op 19 september 2024 en het bezit van hard- en softdrugs\n\nop 3 oktober 2023.\n\nVerbalisant [verbalisant 1] zag ter hoogte van de voeten van verdachte meerdere biljetten geld liggen: briefjes van 50 euro, 20 euro en 5 euro. Het is verbalisanten ambtshalve bekend dat personen die handelen in verdovende middelen doorgaans contant geld bij zich dragen\n\nof voorhanden hebben.\n\nVerbalisant [verbalisant 2] rook een zoete, frisse lucht, die afkomstig was uit een parfumdoosje in het voertuig. Het is verbalisanten bekend dat personen die handelen in drugs een parfum in hun voertuig bij zich hebben om zo de geur van de drugs te verdoezelen.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank levert het algehele samenstel van deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, een gerechtvaardigde\n\nen voldoende verdenking van een Opiumwetdelict op. Dat betekent dat de verbalisanten bevoegd waren om de auto van verdachte te doorzoeken op grond van artikel 96b, eerste lid, Sv. Daarmee is sprake van een rechtmatige doorzoeking. De resultaten hiervan kunnen worden voor het bewijs worden gebruikt. Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen.\n\nDe bewijsvraag.\n\nInleiding.\n\nt.a.v. 01.105619.12\n\nVerdachte wordt ervan beschuldigd dat hij ongeveer 84 gram cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad.\n\nt.a.v. 01.236767.23\n\nVerdachte wordt ervan beschuldigd dat hij brand heeft gesticht, door een scooter in brand te steken.\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft tot bewezenverklaringen van het Opiumwetdelict, het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne, en de brandstichting gerekwireerd. Bij de brandstichting was volgens de officier van justitie sprake van gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van de woning.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsvrouw heeft op gronden als verwoord in haar pleitnota op het standpunt gesteld dat het bewijs in beide zaken tekortschiet en dat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken.\n\nBewijsbijlage.\n\nDe bewijsmiddelen die de rechtbank bij de beoordeling heeft gebruikt, zijn opgenomen in de bewijsbijlage die deel uitmaakt van dit vonnis. De inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nT.av. 01.105619.26\n\nVoor een bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne is op grond van vaste jurisprudentie vereist dat verdachte wist van de aanwezigheid van de cocaïne in de auto en dat die cocaïne zich in zijn machtssfeer bevond.\n\nDe rechtbank overweegt daarover als volgt.\n\nOp 8 april 2026 werd in een door verdachte bestuurde personenauto circa 84 gram cocaïne\n\nin een verborgen ruimte in de elektrische raambediening aan de bestuurderszijde aangetroffen. Verdachte was de enige inzittende van het voertuig,\n\nVerdachte stelt zich op het standpunt dat hij niet wist van de aanwezigheid van cocaïne. Hij heeft verklaard dat hij de auto van zijn moeder heeft geleend en dat zijn moeder de auto ook aan anderen uitleende.\n\nDe rechtbank acht niet aannemelijk dat een ander ruim 80 gram cocaïne – die een behoorlijke straatwaarde vertegenwoordigd – in een geleende auto achterlaat. Voor zover verdachte dat met zijn verklaring heeft willen zeggen, vindt de rechtbank dat dus niet aannemelijk. De rechtbank merkt daarbij op dat verdachte zijn verklaring ook niet met concrete feiten en omstandigheden heeft onderbouwd.\n\nDe rechtbank merkt verder op dat de verbalisant in het vak van het bestuurdersportier keek en zag dat het kapje van de elektrische raambediening niet goed bevestigd was. Dit was blijkbaar direct zichtbaar voor de verbalisant, nader onderzoek was kennelijk niet nodig. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat ook verdachte dit heeft gezien of in ieder geval heeft moeten zien.\n\nVerder betrekt de rechtbank een aantal van de hiervoor genoemde omstandigheden bij haar oordeel. Namelijk dat geldbriefjes bij de voeten van verdachte lagen, dat hij twee telefoons bij zich had, waarvan een van de telefoons werd gebeld door onbekende nummers en het gedrag van verdachte: de politie omschrijft dat verdachte zenuwachtig gedrag vertoonde, namelijk oogcontact vermijden, continu om zich heen kijken en zweten.\n\nGelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het niet anders kan dan dat verdachte wist dat cocaïne in de auto lag. Hij kon hier ook over beschikken.\n\nDe rechtbank stelt gelet op het voorgaande dus vast dat de cocaïne zich in de machtssfeer van verdachte bevond en hij hiervan wetenschap had. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte de cocaïne opzettelijk aanwezig heeft gehad.\n\n01.236767.23\n\nOp 31 augustus 2023, omstreeks 04:00 uur, werd een scooter die geparkeerd stond tegen de voorzijde van de woning gelegen aan [adres] in Eindhoven in brand gestoken. De brand sloeg over naar de gevel van de woning. Op de eerste etage sliepen op dat moment zowel aan de voorzijde als achterzijde de (vier) bewoners van de woning. Op camerabeelden is te zien dat een persoon vloeistof uit een witte emmer over de scooter goot en deze vervolgens in brand stak.\n\nDe rechtbank dient te beoordelen of er wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte deze brandstichting heeft gepleegd.\n\nDe rechtbank overweegt hierover als volgt.\n\nKort na de brandstichting werd door de politie op circa 10 meter afstand van de plaats delict een witte emmer met een benzinegeur aangetroffen. Naar alle waarschijnlijkheid gaat het hier om de emmer waarmee de vloeistof over de scooter is gegoten. Deze emmer is bemonsterd. Uit deze bemonstering is een DNA-mengprofiel afkomstig van celmateriaal van minimaal twee donoren verkregen, waaruit een DNA-profiel van één man kon worden afgeleid. Het afgeleide DNA-profiel is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer – kort gezegd – verdachte één van de donoren is dan wanneer dit niet zo is. De additionele DNA-kenmerken van de minder prominente aanwezige donoren zijn niet geschikt voor vergelijkend DNA-onderzoek.\n\nHoewel het opmerkelijk is dat verdachte donor is van het celmateriaal op de emmer, is de rechtbank van oordeel dat alleen deze omstandigheid onvoldoende is om verdachte als dader van de brandstichting aan te merken. De rechtbank merkt in dit verband op dat het celmateriaal is aangetroffen op een verplaatsbaar object en dat hierop ook celmateriaal van minimaal één andere donor is aangetroffen. Om vast te kunnen stellen dat verdachte degen is die de scooter in brand heeft gestoken en dus om tot een bewezenverklaring te komen, moet er naar het oordeel van de rechtbank in dit geval meer bewijs zijn waaruit blijkt dat het verdachte was die de scooter in brand heeft gestoken.\n\nDat bewijs is er naar het oordeel van de rechtbank niet. Daarover overweegt zij het volgende.\n\nDe ex-partner van verdachte heeft een verklaring afgelegd bij de politie. Zij heeft onder meer verklaard dat zij denkt haar ex, verdachte, te herkennen op de camerabeelden op basis van zijn postuur. Zij zag dat de persoon op de beelden ‘boven bij zijn schouders wat breder was’ en ‘dat de benen heel dun\u002Frecht waren’. Vervolgens verklaart zij dat zij de kleding en schoenen van de persoon op de beelden niet herkent. Nog los van de omstandigheid dat zij verdachte slechts denkt te herkennen, is een herkenning enkel vanwege het postuur en niet onderbouwd met specifieke kenmerken naar het haar oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet. De verklaring van de ex-partner kan op dit punt, anders dan de officier van justitie heeft gesteld, dus niet als ondersteunend bewijs worden aangemerkt.\n\nDe ex-partner van verdachte heeft verder verklaard dat de relatie door haar is beëindigd omdat zij van verdachte niet met haar vriendin mocht omgaan. Zij denkt dat verdachte daarom in staat zou zijn om de scooter van die vriendin in brand te steken.\n\nDe rechtbank ziet anders dan de officier van justitie in deze verklaring geen steun voor het scenario dat verdachte de scooter in brand heeft gestoken. De enkele gedachte van de ex-partner dat verdachte daartoe in staat zou zijn, vindt de rechtbank daarvoor onvoldoende. De rechtbank merkt voor de volledigheid nog op dat de relatie al enige tijd beëindigd was toen de brand werd gesticht en de rechtbank ziet ook geen andere aanwijzingen in het dossier dat er sinds of vanwege de relatiebreuk sprake was van enige wrok van verdachte naar de vriendin van zijn ex-partner.\n\nDe rechtbank heeft in het dossier ook verder geen aanwijzingen aangetroffen op basis waarvan betrokkenheid van verdachte bij deze brandstichting kan worden vastgesteld.\n\nGelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs niet bewezen kan worden dat verdachte degene is die de brandstichting heeft gepleegd, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.\n\nDe bewezenverklaring.\n\nOp grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierna in de bijlage uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:\n\n t.a.v. 01.105619.26\n\nop 8 april 2026 te Eindhoven opzettelijk aanwezig heeft gehad:\n\n-ongeveer 80 gram (1 witte brok) van een materiaal bevattende cocaïne en\n\n-ongeveer 4,4 gram (17 sealbags) van een materiaal bevattende cocaïne,\n\nzijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nHetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.\n\nDe strafbaarheid van het feit.\n\nHet bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\nDe strafbaarheid van verdachte.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.\n\nOplegging van straf.\n\nDe eis van de officier van justitie.(bijlage 3)\n\nDe officier van justitie heeft een gevangenisstraf van 6 maanden met aftrek van voorarrest gevorderd. Volgens de officier van justitie is niet voldaan aan de formele vereisten voor het opleggen van een ISD-maatregel.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsvrouw van verdachte heeft zich niet over een eventuele strafoplegging uitgelaten.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nBij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst feit\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van ruim 84 gram cocaïne. Het is algemeen bekend dat die verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Bovendien bekostigen gebruikers hun drugsgebruik vaak door diefstal of ander crimineel gedrag, waardoor schade en overlast wordt toegebracht\n\naan anderen. Tot slot is inmiddels ook algemeen bekend dat Opiumwetdelicten veelal tot het\n\nverdienmodel en werkterrein van zware criminaliteit behoren waarbij (vuurwapen)geweld en intimidatie niet worden geschuwd. Verdachte heeft zich kennelijk niet bekommerd om deze gevolgen.\n\nStrafblad\n\nHet uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte bevat vanaf 2017 veroordelingen vanwege vermogensdelicten, geweldsdelicten, verkeersdelicten maar ook voor Opiumwetdelicten (15 april 2024, 13 februari 2025). Verdachte is bij die laatste veroordeling aangemerkt als stelselmatige dader en heeft toen – kort gezegd – een voorwaardelijke ISD-maatregel opgelegd gekregen. Deze voorwaardelijke maatregel\n\nheeft echter niet het gewenste effect gehad, immers heeft verdachte het onderhavige\n\nOpiumwetdelict tijdens de proeftijd van die veroordeling gepleegd. Verdachte heeft aldus die geboden kans niet aangegrepen om zijn leven een andere wending te geven. Verdachte is kennelijk niet in staat of bereid om het criminele pad te verlaten.\n\nOriëntatiepunten\n\nDe rechtbank heeft gekeken naar de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor strafbare feiten als bewezenverklaard en straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. Voor het bezit van 84 gram cocaïne is de oplegging van een taakstraf van 150 uren het uitgangspunt. Echter, verdachte is een recidivist op het gebied van drugsdelicten, hetgeen strafverzwarend doorwerkt.\n\nRapport reclassering d.d. 16 juni 2026\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsrapport van 16 juni 2026. Dit rapport kent een sombere teneur. De reclassering ziet huisvesting, dagbesteding, financiën, sociaal netwerk, psychosociaal functioneren en houding als delict gerelateerde criminogene factoren. De reclassering rapporteert dat de voorwaardelijke ISD maatregel verdachte niet lijkt te motiveren zijn leven aan te passen. Verdachte is onvoldoende open geweest waardoor interventies van de reclassering onvoldoende bijdragen aan het beperken van de risico's op recidive en het stabiliseren van het leven van betrokkene, zo stelt de reclassering die dan ook het risico op recidive inschat als hoog en het risico op onttrekken aan voorwaarden als gemiddeld. De reclassering concludeert het volgende:\n\n“ De heer [verdachte] staat te boek als stelselmatige dader en hij loopt in een voorwaardelijke ISD maatregel. De onstabiele leefsituatie van betrokkene, het psychosociaal functioneren, zijn pro criminele houding en zijn houding ten opzichte van hulpverlening, maken dat het recidive risico hoog blijft. Om de kans op recidive terug te dringen is het van belang dat betrokkene klinisch behandeld wordt. Wij zien de ISD maatregel als meest aangewezen manier of middel om dit te verwezenlijken en om het patroon van het terugvallen in delictgedrag te doorbreken.(,..) Derhalve zien wij op dit moment geen andere mogelijkheid dan de rechtbank te adviseren om bij veroordeling aan betrokkene een ISD-maatregel op te leggen. De hoge justitiële druk van de ISD-maatregel in combinatie met de duur van de maatregel is naar onzes inziens de enige mogelijkheid om een positieve gedragsverandering en stabiliteit in het leven van betrokkene te bewerkstelligen.”\n\nStrafoplegging\n\nVolgens de wet kan de rechter enkel op vordering van het openbaar ministerie een ISD-maatregel opleggen. De officier van justitie heeft echter op formele gronden hiervan afgezien. Hoewel de oplegging van een ISD-maatregel gezien het rapport van de reclassering de meest passende afdoening zou zijn, is de rechtbank dus gebonden aan\n\nde strafeis van de officier van justitie. Dit brengt de rechtbank tot de volgende strafoplegging.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen met aftrek van voorarrest. Dit betekent dat een straf wordt opgelegd die is gelijk aan de duur van het ondergane voorarrest. Dat brengt met zich dat\n\nde voorlopige hechtenis van verdachte zal worden opgeheven. In zoverre wordt het opheffingsverzoek van de raadsvrouw gehonoreerd.\n\nDe rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst en aard van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.\n\nDe vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en\n\n [benadeelde 4](01.236767.23)\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vier vorderingen tot schadevergoeding integraal kunnen worden toegewezen, met telkens oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en telkens met vermeerdering van de wettelijke rente.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsvrouw heeft onder verwijzing naar de door haar bepleite vrijspraak in de strafzaak de afwijzing van de vorderingen dan wel de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen in hun vorderingen bepleit. Laatstgenoemde beslissing zou ook dienen te volgen omdat de verdediging door het late tijdstip van indienen van de vorderingen de verzoeken niet adequaat heeft kunnen voorbereiden en een aanhouding van de zaak een onevenredige belasting van het geding oplevert.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nDe rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering aangezien verdachte wordt vrijgesproken van het feit waarop de vorderingen van de benadeelde partijen betrekking hebben. De rechtbank zal, nu de vorderingen niet worden toegewezen, de benadeelde partijen veroordelen in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vorderingen gemaakt. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.\n\nBeslag.(01.105619.26)\n\nDe rechtbank zal, overeenkomstig de standpunten van de officier van justitie en de verdediging, de teruggave aan verdachte gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen (geld en telefoon), nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.\n\nBeslissing na voorwaardelijke veroordeling(01.299547.24)\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging van een ISD-maatregel van 2 jaren gevorderd.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsvrouw heeft onder verwijzing naar de door haar bepleite vrijspraak in de onderliggende strafzaak om afwijzing van de vordering verzocht.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nDe vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel in de weg staan zijn niet aanwezig. Integendeel: uit het hiervoor besproken rapport van de reclassering volgt veeleer de noodzaak en het belang van een ISD-maatregel. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging van – kort gezegd- de ISD-maatregel van 2 jaren gelasten.\n\nBeslissing na voorwaardelijke veroordeling(96.298959.24)\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van 2 weken gevorderd.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsvrouw heeft onder verwijzing naar de door haar bepleite vrijspraak in de onderliggende strafzaak om afwijzing van de vordering verzocht.\n\nHet oordeel van de rechtbank,\n\nDe vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt\n\nDe rechtbank zal echter de gevorderde tenuitvoerlegging afwijzen. De rechtbank acht toewijzing van de vordering in het licht van de hiervoor onder parketnummer 01.299547.24 gelaste tenuitvoerlegging van een ISD-maatregel van 2 jaren niet opportuun.\n\nToepasselijke wetsartikelen.\n\nDe beslissing is gegrond op artikel 63 (oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.\n\nDE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank:\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder het parketnummer 01.236767.23 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.\n\nVerklaart het ten laste gelegde onder het parketnummer 01.105619.26 bewezen zoals hiervoor is omschreven.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op het misdrijf:\n\nt.a.v. 01.105619.26\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod\n\nVerklaart verdachte hiervoor strafbaar.Legt op de volgende straf.\n\nt.a.v. 01.105619.26:\n\nEen gevangenisstrafvoor de duur van 90 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nHeft ophet tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.\n\nt.a.v. beslag (01.105619.26)\n\nGelast de teruggave van de inbeslaggenomen goederen aan verdachte, te weten:\n\n-0,40 EUR Geld\n\n-1,00 EUR Geld\n\n-10,00 EUR Geld\n\n-50,00 EUR Geld\n\n-10,00 EUR Geld\n\n-80,00 EUR Geld\n\n-1 STK GSM (G2467387)\n\nt.a.v. de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] en [benadeelde 4](01.236767.23)\n\nBepaalt dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding. Veroordeelt de benadeelde partijen in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vorderingen gemaakt, tot op heden begroot op nihil.\n\nBeslissing na voorwaardelijke veroordeling (01.299547.24)\n\nBeveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer te Oost-Brabant van 13 februari 2025, gewezen onder parketnummer 01.299547.24, te weten: een plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren.\n\nBeslissing na voorwaardelijke veroordeling: (96.298959.24)\n\nWijst af de vordering met parketnummer 96.298959.24 van de officier van justitie d.d.\n\n13 mei 2026.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. I.M. Rinzema, voorzitter,\n\nmr. N. Flikkenschild en mr. R.J. Heuft, leden,\n\nin tegenwoordigheid van D.A. Koopmans, griffier,\n\nen is uitgesproken op 07 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4792","ecli-nl-rbobr-2026-4792",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":55,"ecli":56,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":35,"fullText":57,"language":7,"source":17,"sourceUrl":58,"summary":14,"slug":59,"metadata":60},"885","ECLI:NL:RBOBR:2026:4828","vonnis\n\nRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nLocatie 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummer: 01.214632.25\n\nDatum uitspraak: 07 juli 2026\n\nVerkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [1989] ,\n\nwonende te [adres] .\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe tenlastelegging.\n\nDe zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 20 mei 2026.\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nt.a.v. feit 1:\n\nhij in of omstreeks de periode van 16 augustus 2022 tot en met 11 september 2024 te Heesch, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal,\n\nin de periode van 16 augustus 2022 tot en met 30 juni 2024\n\neen of meer afbeeldingen en\u002Fof - gegevensdragers, bevattende afbeeldingen - van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt was betrokken en\u002Fof schijnbaar was betrokken heeft verspreid en\u002Fof aangeboden en\u002Fof openlijk tentoongesteld en\u002Fof vervaardigd en\u002Fof ingevoerd en\u002Fof doorgevoerd en\u002Fof uitgevoerd en\u002Fof verworven en\u002Fof in bezit heeft gehad en\u002Fof zich door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst de toegang daartoe heeft verschaft\n\nen\u002Fof\n\nin de periode van 1 juli 2024 tot en met 11 september 2024\n\neen of meer visuele weergaven van seksuele aard en\u002Fof met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt was betrokken of schijnbaar was betrokken heeft verspreid en\u002Fof aangeboden en\u002Fof openlijk tentoongesteld en\u002Fof vervaardigd en\u002Fof ingevoerd en\u002Fof doorgevoerd en\u002Fof uitgevoerd en\u002Fof verworven en\u002Fof in bezit heeft gehad en\u002Fof zich daartoe de toegang heeft verschaft\n\nte weten:\n\n-mobiele telefoon (Smartphone Razer) en\u002Fof\n\n-mobiele telefoon (Smartphone Samsung S24) en\u002Fof\n\n-harde schijf (HGST),\n\nwaarop te zien is dat:\n\ndie persoon oraal, vaginaal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis en\u002Fof vinger\u002Fhand, en\u002Fof het eigen lichaam vaginaal wordt gepenetreerd met een vinger\u002Fhand en\u002Fof voorwerp door die persoon\n\n- Afbeelding #00 toonmap, p. 157 eind-pv\n\n- Afbeelding #05 toonmap, p. 163 t\u002Fm 168 eind-pv\n\n- Afbeelding #07 toonmap, p. 170 eind-pv\n\n- Afbeelding #08 toonmap, p. 171 eind-pv\n\n- Afbeelding #10 toonmap, p. 172 t\u002Fm 174 eind-pv\n\n- Afbeelding #11 toonmap, p. 175 eind-pv\n\n- Afbeelding #12 toonmap, p. 176 eind-pv\n\n- Afbeelding #14 toonmap, p. 177 eind-pv\n\nen\u002Fof\n\ndie persoon het eigen geslachtsdeel en\u002Fof de eigen borsten met een vinger\u002Fhand aanraakt\n\n- Afbeelding #01 toonmap, p. 158 eind-pv\n\nen\u002Fof\n\ndie persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij - die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en\u002Fof\n\nin een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij zijn\u002Fhaar leeftijd past en\u002Fof\n\n-die persoon zich in opeenvolgende afbeeldingen\u002Ffilmfragmenten van zijn\u002Fhaar kleding\n\n ontdoet\n\n en\u002Fof\n\n-door het camerastandpunt en\u002Fof de (onnatuurlijke) pose en\u002Fof de wijze van kleden van die persoon en\u002Fof de uitsnede van de foto’s\u002Ffilms nadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en\u002Fof billen van die persoon in beeld worden gebracht\n\n- Afbeelding #02 toonmap, p. 158\u002F159 eind-pv\n\n- Afbeelding #04 toonmap, p. 160 t\u002Fm 162 eind-pv\n\n- Afbeelding #06 toonmap, p. 169 eind-pv\n\n- Afbeelding #09 toonmap, p. 172 eind-pv\n\n- Afbeelding #13 toonmap, p. 177 eind-pv\n\nen\u002Fof\n\ndat bij\u002Fop het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon sperma wordt gespoten\n\n- Afbeelding #03 toonmap, p. 159 eind-pv\n\nterwijl van het begaan van dit feit een beroep of gewoonte werd gemaakt;\n\nt.a.v. feit 2:\n\nhij in of omstreeks de periode van 16 augustus 2022 tot en met 30 juni 2024 te Heesch, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) afbeeldingen, te weten 540 foto’s en\u002Fof video’s en\u002Fof gegevensdragers bevattende afbeeldingen, te weten:\n\n-mobiele telefoon (Smartphone Razer) en\u002Fof\n\n-mobiele telefoon (Smartphone Samsung S24) en\u002Fof\n\n-harde schijf (HGST),\n\nin bezit heeft gehad en\u002Fof heeft vervaardigd en\u002Fof heeft verspreid, terwijl op die afbeelding(en) (een) ontuchtige handeling(en) zichtbaar is\u002Fzijn, waarbij (telkens) een mens en een dier is\u002Fzijn betrokken of schijnbaar is\u002Fzijn betrokken, welke voornoemde ontuchtige handeling(en) (zakelijk weergegeven) bestond(en) uit:\n\nhet door een dier (met de penis) oraal en\u002Fof vaginaal penetreren van het lichaam van een (volwassen) persoon\n\n- Afbeelding #07 toonmap, p. 185 eind-pv\n\n- Afbeelding #08 toonmap, p. 186 t\u002Fm 188 eind-pv\n\n- Afbeelding #09 toonmap, p. 189 eind-pv\n\n- Afbeelding #10 toonmap, p. 190 eind-pv\n\nen\u002Fof\n\nhet door een (volwassen) persoon likken en\u002Fof aanraken van het geslachtsdeel van een dier\n\n- Afbeelding #00 toonmap, p. 178 en 179 eind-pv\n\n- Afbeelding #01 toonmap, p. 180 eind-pv\n\n- Afbeelding #03 toonmap, p. 182 eind-pv\n\n- Afbeelding #04 toonmap, p. 183 eind-pv\n\n- Afbeelding #06 toonmap, p. 185 eind-pv\n\nen\u002Fof\n\nhet door een dier likken van het geslachtsdeel van een (volwassen) persoon\n\n- Afbeelding #02 toonmap, p. 181 eind-pv\n\n- Afbeelding #05 toonmap, p. 184 eind-pv\n\n- Afbeelding #11 toonmap, p. 190 eind-pv;\n\nt.a.v. feit 3:\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 11 september 2024 te Heesch, althans in Nederland, een visuele weergave van een seksuele handeling, waarbij een mens en een dier waren betrokken of schijnbaar waren betrokken, heeft verspreid, openlijk tentoon heeft gesteld, heeft vervaardigd, heeft ingevoerd, heeft doorgevoerd, heeft uitgevoerd, en\u002Fof in bezit heeft gehad, te weten:\n\n-mobiele telefoon (Smartphone Razer) en\u002Fof\n\n-mobiele telefoon (Smartphone Samsung S24) en\u002Fof\n\n-harde schijf (HGST),\n\nwaarop te zien is dat:\n\neen mens oraal en\u002Fof vaginaal wordt gepenetreerd met een penis door een dier\n\n- Afbeelding #07 toonmap, p. 185 eind-pv\n\n- Afbeelding #08 toonmap, p. 186 t\u002Fm 188 eind-pv\n\n- Afbeelding #09 toonmap, p. 189 eind-pv\n\n- Afbeelding #10 toonmap, p. 190 eind-pv\n\nen\u002Fof\n\neen mens het geslachtsdeel van het dier likt en\u002Fof aanraakt\n\n- Afbeelding #00 toonmap, p. 178 en 179 eind-pv\n\n- Afbeelding #01 toonmap, p. 180 eind-pv\n\n- Afbeelding #03 toonmap, p. 182 eind-pv\n\n- Afbeelding #04 toonmap, p. 183 eind-pv\n\n- Afbeelding #06 toonmap, p. 185 eind-pv\n\nen\u002Fof\n\neen dier het geslachtsdeel van het mens likt\n\n- Afbeelding #02 toonmap, p. 181 eind-pv\n\n- Afbeelding #05 toonmap, p. 184 eind-pv\n\n- Afbeelding #11 toonmap, p. 190 eind-pv;\n\nt.a.v. feit 4:\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 december 2022 tot en met 30 juni 2024 te Heesch, althans in Nederland, ontuchtige handelingen heeft gepleegd met een dier, te weten een of meerdere honden, welke ontuchtige handelingen bestonden uit:\n\n-het laten likken van zijn, verdachtes, penis door een hond en\u002Fof\n\n-het maken van trekkende bewegingen aan de penis van een hond door verdachte en\u002Fof\n\n-het maken van wrijvende bewegingen over de penis van een hond door verdachte;\n\nt.a.v. feit 5:\n\nhij in of omstreeks de periode van 1 juli 2024 tot en met 9 september 2024 te Heesch, althans in Nederland,\n\n-een of meer seksuele handelingen heeft verricht met een dier en\u002Fof\n\n-een dier een of meer seksuele handelingen heeft laten verrichten met verdachte en\u002Fof met\n\n een derde en\u002Fof\n\n-een dier een of meer seksuele handelingen heeft laten ondergaan, die zijn verricht door een\n\n derde,\n\nte weten:\n\n- het laten likken van zijn, verdachtes, penis door een hond en\u002Fof\n\n- het maken van trekkende bewegingen aan de penis van een hond door verdachte en\u002Fof\n\n- het maken van wrijvende bewegingen over de penis van een hond door verdachte.\n\nDe formele voorvragen.\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nDe bewijsvraag.\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle vijf feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsman van verdachte heeft zich voor wat betreft de bewijstechnische waardering van alle feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nVerdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting volmondig toegegeven zich schuldig te hebben gemaakt aan – kort gezegd - de diverse tenlastegelegde gedragingen die zien op kinderporno, dierenporno en seks met dieren.\n\nGezien het bewijstechnische standpunt van de raadsman van verdachte (referte) en de bekennende verklaring van verdachte over zijn daderschap, komt de rechtbank zonder verdere bespreking van de inhoud van de overige redengevende bewijsmiddelen tot bewezenverklaringen van alle (vijf) feiten zoals hierna uitgeschreven.\n\nDe door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen zullen nader worden uitgewerkt in\n\neen aanvulling op dit verkort vonnis als daartegen hoger beroep wordt ingesteld\n\n(artikel 365a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering).\n\nDe bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.\n\nDe bewezenverklaring.\n\nDe rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:\n\nt.a.v. feit 1:\n\nin de periode van 16 augustus 2022 tot en met 11 september 2024 te Heesch, meermalen,\n\n-in de periode van 16 augustus 2022 tot en met 30 juni 2024 afbeeldingen en gegevensdragers, bevattende afbeeldingen van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt was betrokken heeft verspreid en\u002Fof aangeboden en\u002Fof vervaardigd en verworven en\u002Fof in bezit heeft gehad\n\nen\n\n-in de periode van 1 juli 2024 tot en met 11 september 2024 visuele weergaven van seksuele aard en met onmiskenbaar seksuele strekking waarbij een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt was betrokken heeft verspreid en aangeboden en\n\nvervaardigd en verworven en in bezit heeft gehad\n\nte weten:\n\n-mobiele telefoon (Smartphone Razer) en\n\n-mobiele telefoon (Smartphone Samsung S24) en\n\n-harde schijf (HGST),\n\nwaarop te zien is dat:\n\ndie persoon oraal, vaginaal en\u002Fof anaal wordt gepenetreerd met een penis en\u002Fof vinger\u002Fhand, en\u002Fof het eigen lichaam vaginaal wordt gepenetreerd met een vinger\u002Fhand en\u002Fof voorwerp door die persoon\n\n- Afbeelding #00 toonmap,\n\n- Afbeelding #05 toonmap\n\n- Afbeelding #07 toonmap,\n\n- Afbeelding #08 toonmap,\n\n- Afbeelding #10 toonmap,\n\n- Afbeelding #11 toonmap,\n\n- Afbeelding #12 toonmap,\n\n- Afbeelding #14 toonmap,\n\nen\u002Fof\n\ndie persoon het eigen geslachtsdeel en\u002Fof de eigen borsten met een vinger\u002Fhand aanraakt\n\n- Afbeelding #01 toonmap\n\nen\u002Fof\n\ndie persoon poserend of in een pose is afgebeeld, waarbij - die persoon geheel of gedeeltelijk naakt is en\u002Fof\n\nin een (erotisch getinte) houding op een wijze die niet bij zijn\u002Fhaar leeftijd past en\u002Fof\n\n-die persoon zich in opeenvolgende afbeeldingen\u002Ffilmfragmenten van zijn\u002Fhaar kleding\n\n ontdoet\n\n en\u002Fof\n\n-door het camerastandpunt en\u002Fof de (onnatuurlijke) pose en\u002Fof de wijze van kleden van die persoon en\u002Fof de uitsnede van de foto’s\u002Ffilms nadrukkelijk het geslachtsdeel, de borsten en\u002Fof billen van die persoon in beeld worden gebracht\n\n- Afbeelding #02 toonmap,\n\n- Afbeelding #04 toonmap\n\n- Afbeelding #06 toonmap\n\n- Afbeelding #09 toonmap\n\n- Afbeelding #13 toonmap\n\nen\u002Fof\n\ndat bij\u002Fop het gezicht en\u002Fof het lichaam van die persoon sperma wordt gespoten\n\n- Afbeelding #03 toonmap\n\nterwijl van het begaan van dit feit een gewoonte werd gemaakt;\n\nt.a.v. feit 2:\n\nin de periode van 16 augustus 2022 tot en met 30 juni 2024 te Heesch afbeeldingen en gegevensdragers bevattende afbeeldingen, te weten:\n\n-mobiele telefoon (Smartphone Razer) en\n\n-mobiele telefoon (Smartphone Samsung S24)\n\nin bezit heeft gehad en\u002Fof heeft vervaardigd en\u002Fof heeft verspreid, terwijl op die afbeeldingen ontuchtige handelingen zichtbaar zijn, waarbij telkens een mens en een dier zijn betrokken,\n\nwelke voornoemde ontuchtige handelingen (zakelijk weergegeven) bestonden uit:\n\nhet door een dier (met de penis) oraal en\u002Fof vaginaal penetreren van het lichaam van een (volwassen) persoon\n\n- Afbeelding #07 toonmap\n\n- Afbeelding #08 toonmap\n\n- Afbeelding #09 toonmap\n\n- Afbeelding #10 toonmap\n\nen\u002Fof\n\nhet door een (volwassen) persoon likken en\u002Fof aanraken van het geslachtsdeel van een dier\n\n- Afbeelding #00 toonmap\n\n- Afbeelding #01 toonmap\n\n- Afbeelding #03 toonmap\n\n- Afbeelding #04 toonmap\n\n- Afbeelding #06 toonmap\n\nen\u002Fof\n\nhet door een dier likken van het geslachtsdeel van een (volwassen) persoon\n\n- Afbeelding #02 toonmap\n\n- Afbeelding #05 toonmap\n\n- Afbeelding #11 toonmap;\n\nt.a.v. feit 3:\n\nin de periode van 1 juli 2024 tot en met 11 september 2024 te Heesch, een visuele weergave van een seksuele handeling, waarbij een mens en een dier waren betrokken, heeft verspreid, heeft vervaardigd en in bezit heeft gehad, te weten:\n\n-mobiele telefoon (Smartphone Razer) en\n\n-mobiele telefoon (Smartphone Samsung S24\n\nwaarop te zien is dat:\n\neen mens oraal en\u002Fof vaginaal wordt gepenetreerd met een penis door een dier\n\n- Afbeelding #07 toonmap\n\n- Afbeelding #08 toonmap\n\n- Afbeelding #09 toonmap\n\n- Afbeelding #10 toonmap\n\nen\u002Fof\n\neen mens het geslachtsdeel van het dier likt en\u002Fof aanraakt\n\n- Afbeelding #00 toonmap\n\n- Afbeelding #01 toonmap\n\n- Afbeelding #03 toonmap\n\n- Afbeelding #04 toonmap\n\n- Afbeelding #06 toonmap\n\nen\u002Fof\n\neen dier het geslachtsdeel van het mens likt\n\n- Afbeelding #02 toonmap\n\n- Afbeelding #05 toonmap\n\n- Afbeelding #11 toonmap\n\nt.a.v. feit 4:\n\nin de periode van 1 december 2022 tot en met 30 juni 2024 in Nederland, ontuchtige handelingen heeft gepleegd met een dier, te weten honden, welke ontuchtige handelingen bestonden uit:\n\n-het laten likken van zijn, verdachtes, penis door een hond en\u002Fof\n\n-het maken van trekkende bewegingen aan de penis van een hond door verdachte en\u002Fof\n\n-het maken van wrijvende bewegingen over de penis van een hond door verdachte;\n\nt.a.v. feit 5:\n\nin de periode van 1 juli 2024 tot en met 9 september 2024 in Nederland,\n\n-seksuele handelingen heeft verricht met een dier en\u002Fof\n\n-een dier een of meer seksuele handelingen heeft laten verrichten met verdachte\n\nte weten:\n\n- het laten likken van zijn, verdachtes, penis door een hond en\u002Fof\n\n- het maken van trekkende bewegingen aan de penis van een hond door verdachte en\u002Fof\n\n- het maken van wrijvende bewegingen over de penis van een hond door verdachte.\n\nDe strafbaarheid van de feiten.\n\nHet bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\nDe strafbaarheid van verdachte.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.\n\nOplegging van straffen.\n\nDe eis van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Voor het voorwaardelijke deel van de straf zouden de door de reclassering in haar rapport van 26 februari 2026 geformuleerde bijzondere voorwaarden moeten gelden.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsman van verdachte heeft gesteld dat verdachte na zijn aanhouding zelf professionele hulp heeft gezocht en gevonden. Een ongestoorde voortgang van het ingezette behandeltraject is volgens de raadsman van groot belang. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou dat behandeltraject doorkruisen. Gelet op het aan de orde zijnde taakstrafverbod heeft de raadsman de volgende strafoplegging voorgesteld:\n\n-een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 1 dag;\n\n-een voorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden met een proeftijd van 3 jaren met\n\n de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden en\n\n-een taakstraf, eventueel per afzonderlijk feit opgelegd.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nDe rechtbank legt verdachte een gevangenisstraf op van 360 dagen, waarvan 359 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf zullen de door de reclassering geadviseerde voorwaarden worden verbonden. Ook legt de rechtbank een taakstraf op voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze straf komt.\n\nDe bewezenverklaarde feiten.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verwerven, verspreiden, aanbieden, vervaardigen en in bezit hebben van kinderpornografische afbeeldingen en video’s in een periode van (in ieder geval) bijna twee jaar. Op die afbeeldingen en video’s waren ook baby’s en peuters te zien. Ook heeft verdachte Snapchat video’s van minderjarigen opgenomen en verspreid. Via een internetprogramma heeft hij bovendien virtuele kinderpornografische afbeeldingen gecreëerd.\n\nDoor het verzamelen en vervaardigen van dit materiaal heeft verdachte een bijdrage geleverd aan het in stand houden van de productie en verspreiding van kinderporno. Hierdoor heeft hij ook meegewerkt aan het misbruik en de exploitatie van de betrokken minderjarigen. Door zijn handelen heeft verdachte de industrie die deze minderjarigen misbruikt mede in stand gehouden. Dergelijk misbruik kan zeer nadelige gevolgen hebben (in de zin van psychische, emotionele en lichamelijke schade) bij de desbetreffende minderjarigen en zij kunnen daardoor ernstig worden geschaad in hun verdere ontwikkeling.\n\nVerdachte heeft zich bovendien schuldig gemaakt aan het in bezit hebben en verspreiden van dierenpornografisch materiaal. Een deel van dat materiaal was zelf vervaardigd door het verrichten en filmen van seksuele handelingen met honden. Voor de vervaardiging van dit materiaal zijn dieren misbruikt ten behoeve van de behoeftebevrediging van verdachte en andere personen. Seksueel contact tussen mens en dier is in strijd met de goede zeden. Dergelijke feiten veroorzaken maatschappelijke onrust en verontwaardiging.\n\nZoveel mogelijk gelijke straffen in vergelijkbare zaken.\n\nDe rechtbank heeft gekeken naar de ‘oriëntatiepunten straftoemeting’ van de rechtspraak. Dit zijn uitgangspunten die strafrechters in Nederland hebben afgesproken om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen. Voor de feiten met betrekking tot het kinderpornografisch materiaal wordt in de oriëntatiepunten als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf genoemd. Voor de feiten met betrekking tot de dieren bestaan geen oriëntatiepunten. De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij een (voorwaardelijke) vrijheidsbeneming op zijn plaats. Daarbij speelt ook een rol dat de wetgever expliciet voor kinderporno heeft bepaald dat het taakstrafverbod van toepassing is.\n\nDe verdachte.\n\nUit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en niet eerder met justitie in aanraking is gekomen.\n\nVerdachte heeft na zijn aanhouding professionele hulp gezocht en is sindsdien in behandeling. Verdachte heeft direct openheid van zaken gegeven bij de politie en heeft zijn rol op geen enkele wijze kleiner willen maken of de strafwaardigheid van zijn handelen gebagatelliseerd. Hij staat onder behandeling bij de GGZ en heeft ambulante begeleiding. Verdachte ziet inmiddels in dat het bekijken van kinderporno verwerpelijk is en bijdraagt aan kindermisbruik. De behandeling is er onder meer op gericht om seksueel gezond gedrag aan te leren en een terugval te voorkomen.\n\nOver verdachte is op 26 februari 2026 een reclasseringsrapport uitgebracht. De reclassering spreekt van een openheid in contact met politie, justitie, hulpverlening en de reclassering. Verdachte houdt zich aan afspraken. De reclassering schat de kans op recidive in als gemiddeld. De reclassering adviseert bij veroordeling een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden.\n\nOplegging straf.\n\nGelet op al het voorgaande acht de rechtbank het in het belang van de samenleving dat de hulp die verdachte ontvangt niet wordt geblokkeerd of doorkruist door een straf die met zich zou brengen dat verdachte lange tijd in detentie moet verblijven. Hierdoor zouden namelijk veel beschermende factoren wegvallen, terwijl het juist van groot belang is dat de hulpverlening wordt voortgezet om recidive te voorkomen. Anderzijds heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten. De rechtbank zal dan ook, zoals gezegd, een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 360 dagen, waarvan 359 dagen voorwaardelijk én een taakstraf van 240 uren. De rechtbank wil hiermee enerzijds de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten tot uitdrukking brengen en anderzijds met het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf voorkomen dat verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.\n\nDe voorwaardelijke gevangenisstraf zal niet ten uitvoer worden gelegd als verdachte zich tot het einde van de hierna vast te stellen proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt en de hierna te melden bijzondere voorwaarden naleeft. De rechtbank is daarbij van oordeel dat een proeftijd van drie jaar in deze zaak passend is.\n\nDe rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt en rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.\n\nToepasselijke wetsartikelen.\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 (oud), 240b (oud), 252, 254 (oud), 254, 254a (oud), 254c en 254d van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank:\n\nVerklaart het ten laste gelegde onder feiten 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen zoals hiervoor is omschreven.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op de misdrijven:\n\nfeit 1\n\neen afbeelding en een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken is betrokken, verspreiden, aanbieden, vervaardigen, verwerven en in bezit hebben\n\nen\n\neen visuele weergave van seksuele aard en met een onmiskenbare seksuele strekking, verspreiden, aanbieden, vervaardigen, verwerven en in bezit hebben\n\nterwijl van het begaan van dit feit een gewoonte wordt gemaakt\n\nfeit 2\n\neen afbeelding en een gegevensdrager, bevattende een afbeelding van een ontuchtige handeling, waarbij een mens en een dier zijn betrokken, verspreiden, vervaardigen en in bezit hebben, meermalen gepleegd\n\nfeit 3\n\neen visuele weergave van een seksuele handeling waarbij een mens en een dier zijn betrokken, verspreiden, vervaardigen en in bezit hebben, meermalen gepleegd\n\nfeit 4\n\nontuchtige handelingen plegen met een dier, meermalen gepleegd\n\nfeit 5\n\nseksuele handelingen verrichten met een dier\n\nen\n\neen dier seksuele handelingen laten verrichten met zichzelf, meermalen gepleegd\n\nVerklaart verdachte hiervoor strafbaar.\n\nLegt op de volgende straffen.\n\nt.a.v. feit 1, feit 2, feit 3, feit 4 en feit 5:\n\nEen gevangenisstrafvoor de duur van 360 dagen waarvan 359 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.\n\nDe rechtbank stelt daarbij als algemene voorwaarde dat de veroordeelde:\n\n- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;\n\n-meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs\n\n ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;\n\n-meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het\n\n zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.\n\nDe rechtbank stelt als bijzondere voorwaarden:\n\n- Meldplicht bij reclassering. De veroordeelde meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland, locatie 's-Hertogenbosch op het adres Eekbrouwersweg 6\u002Ftelefoonnummer 088-8041504.\n\n- Ambulante behandeling. De veroordeelde laat zich gedurende de proeftijd behandelen door De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zodra de aanmelding wordt geaccepteerd. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, sociale vaardigheden, seksueel grensoverschrijdend gedrag en\u002Fof andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken.\n\n- Dagbesteding. De veroordeelde spant zich in voor het vinden en behouden van een zinvolle dagbesteding met een vaste structuur.\n\n- Vermijden digitale omgevingen seksueel kindermisbruik.\n\n Dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:\n\n 1.digitale omgevingen vermijdt waarin hij in aanraking kan komen met\n\n kinderpornografisch materiaal;\n\n 2.digitale omgevingen vermijdt waarin over seksuele handelingen met minderjarigen\n\n en\u002Fof dieren wordt gecommuniceerd; waaronder ook games met chatfunctie, die\n\n specifiek ontwikkeld zijn voor minderjarigen;\n\n 3.geen gebruik maakt van virtuele machines, versleutelprogramma’s (zoals Bitlocker,\n\n Veracrypt) of applicaties die helpen de identiteit te verbergen (zoals een VPN), tenzij\n\n de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik (zoals voor werk of voor\n\n bankzaken);\n\n 4. inzicht geeft in de wijze waarop hij de omgevingen genoemd onder 1. en 2. Zal\n\n vermijden en bespreekt hoe dit verlopen is voor het verstreken deel van de proeftijd.\n\n Het toezicht op de naleving van de onderdelen 1. tot en met 3. beperkt zich tot\n\n geautomatiseerde controles van digitale apparaten (zoals computers, smart devices,\n\n USB-sticks, SD-kaarten, externe harde schijven) waarop bestanden kunnen worden\n\n opgeslagen en\u002Fof waarmee internet kan worden benaderd en die de veroordeelde in\n\n gebruik heeft.\n\n De veroordeelde werkt mee aan deze controles tijdens (on)aangekondigde\n\n huisbezoeken en verschaft toegang tot alle aanwezige digitale apparaten die\n\n veroordeelde in gebruik heeft. Hieronder wordt begrepen het verstrekken van\n\n wachtwoorden, codes of andere wijzen van ontgrendeling of ontsluiting zoals\n\n vingerafdrukken, die nodig zijn voor toegang. Op verzoek past de veroordeelde de\n\n instellingen zodanig aan dat controle mogelijk is. De wijzigingen mogen niet leiden\n\n tot definitieve wijzigingen aan het apparaat en worden aan het einde van de controle\n\n weer teruggezet.\n\n De controles worden uitgevoerd door de reclassering. Indien en voor zover\n\n noodzakelijk mag de reclassering voor ondersteuning op technisch en digitaal gebied\n\n een specialist, niet zijnde een opsporingsambtenaar meenemen.\n\n De controles mogen gedurende de gehele proeftijd maximaal (circa) drie keer per jaar\n\n gedurende de proeftijd worden uitgevoerd, waarbij de persoonlijke levenssfeer van de\n\n veroordeelde zoveel mogelijk wordt geëerbiedigd. De controles strekken er in het\n\n bijzonder niet toe een min of meer volledig beeld te krijgen van het persoonlijke leven\n\n van de veroordeelde.\n\n- Andere voorwaarden het gedrag betreffende:\n\n- Indien tijdens het toezicht nodig wordt gevonden, werkt de veroordeelde mee aan\n\n verder onderzoek gericht op zijn delictgedrag, persoonlijkheid en mogelijke\n\n beperkingen in zijn psychosociaal functioneren en\u002Fof houding. Hij werkt mee aan de\n\n daaruit voortkomende adviezen, ook als dit een behandeling inhoudt door een\n\n forensische zorgverlener en\u002Fof een gedragstraining, te bepalen door de reclassering.\n\n De eventuele behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering\n\n nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de\n\n zorgverlener dan geeft voor de behandeling en\u002Fof de trainer wanneer het een\n\n gedragstraining betreft.\n\n- De veroordeelde werkt mee aan de bestaande (ambulante) zorg uitgevoerd door Unitio\n\n of soortgelijke zorgverlener.\n\nDe rechtbank geeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.\n\nEen taakstrafvoor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. S.V. Vullings, voorzitter,\n\nmr. N. Flikkenschild en mr. R.J. Heuft, leden,\n\nin tegenwoordigheid van D.A. Koopmans, griffier,\n\nen is uitgesproken op 07 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4828","ecli-nl-rbobr-2026-4828",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":64,"fullText":65,"language":7,"source":17,"sourceUrl":66,"summary":14,"slug":67,"metadata":68},"1606","ECLI:NL:RBOBR:2026:4762","2026-07-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 26\u002F1562 OWNATU\n uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 juli 2026 in de zaak tussen\n [verzoekers]\n\n ,\n\nuit [woonplaats] ,\n\nverzoekers\n\nen\n\nGedeputeerde Staten van de provincie Noord- Brabant, het college\n\n(gemachtigde: S.J.S. van Gils en L.A.M. Kroon)\n\nAls derde-partij heeft deelgenomen: Stichting [naam] , vergunninghouder\n\n(gemachtigde: mr. H.C. Lagouw)\n\nSamenvatting\n\n1.1.. De derde-partij is voornemens wijkgebouw [adres] en verpleeghuis [naam] aan de [adres] in [woonplaats] te slopen om daar nieuwbouw te realiseren. In dat kader heeft de derde-partij een omgevingsvergunning aangevraagd voor het verrichten van flora- en fauna-activiteiten als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet om de gewone dwergvleermuis opzettelijk te verstoren en om voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleemuis (opzettelijk) te beschadigen of te vernielen, voor de periodes van 15 april tot en met 15 mei en 15 juli tot en met 15 augustus. Dit geldt vanaf de dag na de bekendingmaking van het besluit tot en met 15 mei 2031.\n\n1.2.. Met het besluit van 12 mei 2026 heeft het college deze omgevingsvergunning met voorschriften aan de derde-partij verleend. Het college is – kort samengevat – van oordeel dat voor het doel van het project geen andere bevredigende oplossing is waarbij minder negatieve effecten op de beschermde soorten optreden en dat er een wettelijk belang is om de negatieve effecten te rechtvaardigen.\n\n1.3.. Verzoekers zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of de bezwaren van verzoekers tegen de omgevingsvergunning een redelijke kans van slagen hebben. Dat kan een reden zijn om de omgevingsvergunning te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekers.\n\n1.4.. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek tot schorsing van het bestreden besluit af. Er wordt wel een voorziening getroffen met betrekking tot de geplande werkzaamheden totdat de huidige verblijfplaatsen conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning ongeschikt zijn gemaakt. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2.1.. Vergunninghouder heeft op 23 juli 2025 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 12 mei 2026 toegewezen. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.\n\n2.2.. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] en [naam] namens verzoekers. Verder waren aanwezig de gemachtigden van het college. Namens de derde-partij was aanwezig [naam] , bijgestaan door de gemachtigde. Ook waren aanwezig [naam] en [naam] , beide werkzaam als ecoloog..\n\nInleiding\n\n3.1.. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten.\n\n3.2.. Vergunninghouder wil nieuwbouw realiseren aan de [adres] (wijkgebouw) en [adres] (verpleeghuis) te [woonplaats] (de locatie). In de nieuwbouw komt een zorglocatie, 18 driekamerappartementen en gesloten parkeergarage. De herontwikkeling vindt plaats in twee fases. In de eerste fase wordt het bestaande verpleeghuis [naam] gesloopt en worden het nieuwe zorgcentrum gerealiseerd. In de tweede fase wordt het bestaande wijkgebouw [naam] gesloopt en wordt gestart met de bouw van de huurappartementen. Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in het activiteitenplan, dat op 10 maart 2026 definitief is geworden.\n\n3.3.. Om te bepalen of met het project negatieve effecten optreden ten aanzien van de eventueel in het gebied voorkomende beschermde diersoorten heeft vergunninghouder ecologisch onderzoek laten uitvoeren en is gebleken dat de volgende verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis in de bebouwing aanwezig zijn:\n\n- 1 zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis;\n\n- 1 kraamverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis;\n\n- 1 potentiële (massa)winterverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis.\n\nEen essentiële vliegroute voor vleermuizen is wel aanwezig, maar wordt niet aangetast zolang er geen additionele verlichting aanwezig zal zijn.\n\n3.4.. Om het bouwplan te realiseren, moet vergunninghouder de gewone dwergvleermuis verstoren en zijn voorplanting- en rustplaatsen vernielen. Dit is een overtreding van de bepalingen als bedoeld in artikel 11.46, eerste lid onder b en d van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).3.5.. Om deze reden heeft vergunninghouder op 23 juli 2025 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit.De ontheffing is gevraagd op grond van het belang “in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten” zoals genoemd in artikel 8.74k van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).\n\n3.6.. \n\nMet het besluit van 15 mei 2026 heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend met voorschriften. De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling resulteert in het opheffen van vaste rust- en verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, maar zal door het nemen van maatregelen geen wezenlijke invloed hebben op de instandhouding van het soort. Maatregelen bestaan onder anderen uit dat het ongeschikt maken van de huidige verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis moet plaatsvinden in de periode van 15 april tot en met 15 mei of 15 juli tot en met 15 augustus. Ongeschikt maken mag uitsluitend plaatsvinden nadat een voorafgaande controle\n\ndoor een deskundige ecoloog heeft vastgesteld dat de verblijfplaatsen niet (meer) in\n\ngebruik zijn. Verder bestaan de maatregelen uit het realiseren van tijdelijke en permanente mitigatie voor de gewone dwergvleermuis en het werken buiten kwetsbare periode van de gewone dwergvleermuis. Het college heeft hierbij niet bepaald dat het besluit vier weken later in werking treedt (en dus geen toepassing gegeven aan artikel 16.79, tweede lid van de Omgevingswet).\n\n3.7.. Verzoekers wonen op verschillende adressen aan [adres] en [adres] en hebben tegen de omgevingsvergunning bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n4.1.. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet. Het wettelijk kader dat relevant is voor de beoordeling van dit geschil is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.\n\n4.2.. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter moet de voorlopige voorziening tot schorsing van het bestreden besluit worden afgewezen. Er is wel aanleiding om een voorziening te treffen met betrekking tot de geplande stripwerkzaamheden voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning De voorzieningenrechter legt dit hierna uit.\n\nHebben verzoekers spoedeisend belang bij de beoordeling door de voorzieningenrechter?\n\n5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers spoedeisend belang hebben bij een beoordeling door de voorzieningenrechter, nu vergunninghouder op korte termijn gebruik wil maken van de omgevingsvergunning.\n\nZijn verzoekers belanghebbenden?\n\n6. Bij de beoordeling of een natuurlijke persoon belanghebbende is bij een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is bepalend of de handelingen waarvoor de omgevingsvergunning is verleend ruimtelijke uitstraling hebben op de woon- en leefomgeving van de betrokkene. De ruimtelijke uitstraling van het project dat mede door de ontheffing mogelijk wordt gemaakt - in dit geval in dit geval de bouw van de zorglocatie en woningen - is bij die beoordeling niet van belang.\n\n6.1. In dit geval is de ontheffing verleend voor het opzettelijk verstoren en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis.\n\n6.2. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over de Wet natuurbescherming-ontheffing kan worden afgeleid dat bij een afstand van meer dan 100 meter het niet aannemelijk is dat de ontheffing (nu de omgevingsvergunning) invloed zal hebben op de betreffende directe woon- en leefomgeving.Verzoekers wonen in dit geval echter op een afstand van minder dan 100 meter van de projectlocatie, waarbij de dichtstbijzijnde woningen zijn gelegen op een afstand van ongeveer 25 meter van de projectlocatie en ongeveer 45 meter van plaatsen waar vleermuizen verblijven. Gelet op de hiervoor genoemde afstanden acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat het gebruiken van de verleende omgevingsvergunning ruimtelijke uitstraling heeft op de woon- en leefomgeving van verzoekers.Dat geldt in ieder geval voor verzoekers 3 en 5 die schuin tegenover de locatie wonen. Dit betekent dat de voorzieningenrechter voor deze verzoekers zonder meer toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek en dat in het midden kan blijven of de overige verzoekers een rechtstreeks betrokken belang hebben.\n\nHet verzoek\n\n7. Het verzoek strekt tot schorsing van de verleende omgevingsvergunning ter voorkoming van onomkeerbare gevolgen voor de beschermde fauna (de gewone dwergvleermuis). Volgens verzoekers start vergunninghouder ten onrechte op 6 juli 2026 met de sloopwerkzaamheden. Verzoekers hebben verzocht een voorziening te treffen die van kracht blijft totdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak heeft gedaan in een lopende procedure over het bestemmingsplan.\n\nAanvang sloopwerkzaamheden op 6 juli 2026\n\n8. Vergunninghouder heeft aangegeven dat zij voornemens is om vanaf 6 juli 2026 te starten met werkzaamheden. Het zou gaan om stripwerkzaamheden die volgens haar geen invloed zouden hebben op de aanwezige beschermde soort (de gewone dwergvleermuizen) en daarom zijn toegestaan. Vanaf 15 juli 2026 (afhankelijk van weersomstandigheden maar niet eerder) gaat vergunninghouder beginnen met ongeschikt maken van de bebouwing voor de vleermuizen. Ook de stripwerkzaamheden zullen daarna naar alle waarschijnlijkheid nog plaatsvinden. Vanaf 17 augustus 2026 zal worden gestart met de sloopwerkzaamheden.\n\n8.1.. Uit de omgevingsvergunning blijkt dat het ongeschikt maken van de bebouwing voor vleermuizen voorafgaand aan de werkzaamheden moet plaatsvinden in de periode van 15 april tot 15 mei of van 15 juli tot 15 augustus. Dit om te zorgen dat de vleermuizen weg zijn voordat aan de sloop van de bebouwing wordt begonnen. De sloopwerkzaamheden mogen pas plaatsvinden als na een controleronde is vastgesteld dat er geen vleermuizen meer aanwezig zijn en pas na expliciete toestemming van de ecoloog. In de voorschriften is ook bepaald dat alle werkzaamheden moeten plaatsvinden volgens het activiteitenplan dat aan de omgevingsvergunning is gehecht. Hierin is het volgende bepaald: “Voordat de bebouwing kan worden gesloopt, dient voorkomen te worden dat op moment van de werkzaamheden nog vleermuizen aanwezig zijn in de bebouwing. De bebouwing dient dan ook ongeschikt gemaakt te worden, waarbij de vleermuizen de mogelijkheid krijgen om uit zichzelf te vertrekken voordat de sloop plaatsvindt.” In voorschrift 1 is bepaald dat met werkzaamheden en\u002Fof activiteiten alle handelingen worden bedoeld die invloed hebben op de beschermde soorten, zoals het ongeschikt maken van de verblijfplaatsen.\n\n8.2. Tijdens de zitting is gebleken dat het hoogst waarschijnlijk is dat er nog vleermuizen in de bebouwing aanwezig zijn in verband met de kraamperiode.\n\n8.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook de door vergunninghouder bedoelde stripwerkzaamheden werkzaamheden zijn die vallen binnen het bereik van de vergunning. Het zijn handelingen die invloed kunnen hebben op de vleermuizen. De voorzieningenrechter beschouwt stripwerkzaamheden als onderdeel van de sloopwerkzaamheden. Het verrichten van de stripwerkzaamheden voordat de vleermuisverblijfplaatsen ongeschikt zijn gemaakt, is dus een handeling in strijd met algemeen voorschrift 6 van de omgevingsvergunning. Het uitvoeren van de stripwerkzaamheden vanaf 6 juli 2026 vóór het ongeschikt maken van de stripwerkzaamheden is dus verboden op grond van artikel 5.5, eerste lid onder g, van de Omgevingswet. Het is ook een economisch delict als bedoeld in artikel 1a, eerste lid in combinatie met artikel 6, eerste lid onder 1 van de Wet op de economische delicten.\n\n8.4. Het college geeft terecht aan dat dit een kwestie is van handhaving, en heeft ter zitting ook aangegeven dat steekproefsgewijs controles worden uitgevoerd. Het college heeft niet aangegeven of de uitvoering van stripwerkzaamheden is toegestaan en lijkt dit te laten afhangen van de aard van de werkzaamheden tijdens de controles. Gelet op het voorgaande oordeel dat stripwerkzaamheden onderdeel zijn van de sloopwerkzaamheden ziet de voorzieningenrechter aanleiding bij wijze van voorlopige voorziening expliciet te verbieden dat stripwerkzaamheden worden verricht voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning.\n\n8.5. Volledigheidshalve wijst de voorzieningenrechter er op dat het uitvoeren van de werkzaamheden, in de wetenschap dat er hoogstwaarschijnlijk vleermuizen in de bebouwing aanwezig zijn in verband met de kraamperiode, mede gelet op de te treffen voorlopige voorziening, wordt beschouwd als een overtreding van de specifieke zorgplicht in 11.27 eerste lid onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Nu hoogstwaarschijnlijk vleermuizen aanwezig zijn en de bebouwing op korte termijn ongeschikt wordt gemaakt voor vleermuizen, kan van vergunninghouder redelijkerwijze worden verwacht dat zij voor die tijd geen werkzaamheden uitvoert teneinde verstoring van de vleermuizen te voorkomen. Mocht een vleermuis als gevolg van verstoring door deze werkzaamheden overlijden, is sprake van een overtreding van artikel 11.46 eerste lid onder a, van het Bal omdat vergunninghouder dan willens en wetens de niet te verwaarlozen kans aanvaardt dat een beschermd dier wordt gedood .Dan is sprake van zogenoemde voorwaardelijke opzet.Daaronder valt dan bijvoorbeeld ook werkzaamheden aan een gebouw, waarvan je kunt verwachten dat het direct of indirecte schadelijke effecten heeft op de aanwezige vleermuizen en\u002Fof hun verblijfplaats.\n\nHeeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?\n\n9. Dan resteert de vraag of de bezwaren van verzoekers tegen de omgevingsvergunning een redelijke kans van slagen hebben. Dat kan een reden zijn om de omgevingsvergunning te schorsen.\n\nToetsingskader\n\n10. De verleende omgevingsvergunning moet worden beoordeeld op grond van artikel 8.74 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op grond van dit artikel wordt een omgevingsvergunning uitsluitend verleend indien is voldaan aan elk van de daarin genoemde voorwaarden, die voor zover hier van belang luiden:\n\n- er bestaat geen andere bevredigende oplossing;\n\n- op grond van het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieuwezenlijke gunstige effecten;\n\n- de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.\n\nDwingende redenen van groot openbaar belang\n\n11. Volgens verzoekers kan de omgevingsvergunning niet worden verleend op grond van \"dwingende redenen van groot openbaar belang\". Het maatschappelijke argument van ‘wijkintegratie’ en de realisatie van een gecombineerde multifunctionele accommodatie (MFA) wordt op oneigenlijke wijze als een deken over het ene project wordt gelegd. Zij wijzen erop dat de specifieke kwetsbare doelgroep in het verzorgingstehuis geenszins zelfstandig zal of kan participeren in het openbare wijkleven of de geplande MFA. Voor zover de nieuwbouw daarnaast voorziet in reguliere huisvesting (zoals in de woontoren), geldt dat voor die bewoners geen sprake is van een specifieke, dwingende zorgbehoefte die de aantasting van beschermde fauna rechtvaardigt.\n\n11.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de huidige gebouw niet voldoet aan de (psychiatrische) ondersteuningsbehoefte van haar huidige bewoners. Zij zijn daarom op een andere locatie ondergebracht, maar kunnen hier niet blijven. Door het realiseren van een multifunctionele accommodatie met onder andere een gezamenlijke buurthuiskamer, waar ook zowel bewoners van de wijk als bewoners van de zorglocatie kunnen komen, verbetert de wijkintegratie. Ten slotte wordt ook het belang van woningbouw vermeld ter onderbouwing van het wettelijk belang. Er wordt verwezen naar de woningopgave van de gemeente Oss. Het betreft hier sociale huurwoningen waar in de gemeente Oss grote vraag naar is. Dit project draagt ook weer bij om aan de woningopgave te voldoen.\n\n11.2. Vergunninghouder wijst erop dat het vaste rechtspraak is dat woningbouw onder omstandigheden kan worden aangemerkt als een maatschappelijke reden van sociale of economische aard, op basis waarvan sprake kan zijn van een groot openbaar belang op een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit te verlenen. Uit de Woonagenda 2025-2207 volgt dat de gemeente Oss tot 2024 10.000 extra woningen wil bouwen. Op grond van de Regionale Woondeal zal Oss in de periode tot 2023 5217 sociale huurwoningen moeten bouwen. Het staat niet ter discussie dat er een dringende behoefte bestaat aan sociale huurwoningen.\n\n11.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college in de behoefte aan een zorglocatie en woningen, een dwingende reden van groot openbaar belang heeft mogen zien. Het college heeft voldoende onderbouwd dat er behoefte is aan een zorglocatie voor zware zorg in de regio omdat de huidige bewoners uit noodzaak elders zijn ondergebracht, maar daar niet kunnen blijven. Doordat de nieuwbouw vertraging heeft opgelopen neemt de wachtlijst en de urgentie toe. Ook is er lokale behoefte aan woningbouw. Het college heeft daarbij gewezen op de woningopgave in de regio Oss van 600 woningen per jaar. De 18 te realiseren appartementen kunnen daaraan bijdragen. De voorzieningenrechter kan deze toelichting volgen en ziet geen reden hieraan te twijfelen.\n\nAndere bevredigende oplossing\n\n12. Verzoekers voeren aan dat ten onrechte het alternatief dat door verzoekers op 20 juni 2025 is aangedragen, na een quickscan is afgewezen omdat het niet past binnen de intern gestelde financiële kaders. Nadere uitwerking leert dat een alternatief wel haalbaar is en de volledige sloop overbodig maakt en meer zorgwoningen oplevert.\n\n12.1.. Het college heeft gesteld dat verzoekers het door hen voorgedragen alternatief niet nader hebben onderbouwd. Het kan daardoor niet reageren op de vraag of dit een redelijk alternatief zou zijn voor de uitvoering van het project. De vraag of er alternatieven beschikbaar zijn kan door het college alleen worden betrokken wanneer het doel van het project ook bereikt zou kunnen worden op een manier die tot minder effecten zou leiden voor de aanwezige flora en fauna. Het doel van dit project is het realiseren van 18 driekamerappartementen, een gesloten parkeergarage en een zorglocatie. Uit nader onderzoek, niet enkel uit de QuickScan, is gebleken dat de doelen van het project niet kunnen worden gehaald met enkel renovatie. Met renovatie kunnen namelijk minder appartementen worden gerealiseerd, buitenruimten kunnen niet worden geïnstalleerd en de duurzaamheidseisen kunnen niet worden gehaald met renovatie. Ten slotte zou ook bij renovatie de spouwmuur verloren gaan, hetgeen leidt tot het verlies van verblijfplaatsen.\n\n12.2. Vergunninghouder wijst erop dat het door verzoekers voorgestelde alternatief qua uitgangspunten een geheel ander bouwplan betreft en dus geen alternatief bevat voor haar wensen, die van BrabantZorg en de gemeente. Uit hoofdstuk 3 van de presentatie van verzoekers \"Voorstel van een alternatief ontwerp\" blijken de verschillen. Het programma van verzoekers behelst 74 zorgappartementen, terwijl het programma van vergunninghouder 48 zorgappartementen, 18 woningen en een MFA. Nu het niet om hetzelfde bouwplan gaat, is het ook geen alternatief.\n\n12.3.. \n\nDe voorzieningenrechter is van oordeel dat het college in het bestreden besluit heeft mogen stellen dat er geen andere bevredigende oplossing is voor het project, die minder effect heeft op de gewone dwergvleermuis. Het college heeft toegelicht dat uit nader onderzoek is gebleken dat de doelen van het project niet kunnen worden gehaald met enkel renovatie. Met renovatie kunnen namelijk minder appartementen worden gerealiseerd, buitenruimten kunnen niet worden geïnstalleerd en de duurzaamheidseisen kunnen niet worden gehaald met renovatie. Daarbij acht de voorzieningenrechter het voldoende aannemelijk dat bij renovatie de spouwmuren ook verloren gaan en dat leidt tot het verlies van verblijfplaatsen.\n\nGunstige staat van instandhouding\n\n13. Verzoekers stellen dat de voorgestelde mitigerende maatregelen niet effectief zijn, omdat verzuimd zou zijn om de toekomstige fysieke gebruikssituatie te betrekken. De beoogde locaties voor de permanente voorzieningen zullen zich namelijk in de nabijheid zullen bevinden van installaties zoals warmtepompen- en luchtbehandelingskasten.\n\n13.1. Het college heeft gesteld dat verzoeker verwijst naar de permanente inbouwvoorzieningen die pas tijdens de nieuwbouw worden geplaatst. Het college merkt op dat deze grond daarom niet spoedeisend is, aangezien de permanente voorzieningen niet op korte termijn worden geplaatst. Ten overvloede overweegt het college dat de exacte locaties van de inbouwkasten voor de zomerverblijfplaats en de kraamverblijfplaats nog moeten worden afgestemd met de initiatiefnemer in verband met de nieuwbouw. Alleen voor de massawinterverblijfplaats is de exacte locatie al bekend. Met de opsomming van eigenschappen en maatregelen ten aanzien van de permanente voorzieningen opgenomen op pagina 11 van de verleende omgevingsvergunning wordt de effectiviteit van de voorzieningen gewaarborgd.\n\n13.2. Vergunninghouder heeft daaraan toegevoegd dat vleermuizen veel geluiden niet waarnemen. Als er al enig geluid waarneembaar (voor mensen) zou zijn op de locaties van de permanente nestkasten, dan betekent dat dus niet dat die geluiden ook voor vleermuizen waarneembaar zouden zijn, laat staat dat dat zou betekenen dat deze geluiden tot verstoring zou leiden. Het is vergunninghouder op dit moment niet duidelijk óf en zo ja hoeveel trillingen de installaties veroorzaken. Hij gaat dit onderzoeken en zal zo nodig de locaties van de permanente voorzieningen hierop afstemmen.\n\n13.3. De voorzieningenrechter overweegt dat met de beschrijving van de eigenschappen en maatregelen en de in de voorschriften vervatte verplichting tijdelijke en permanente voorzieningen te treffen, in het bestreden besluit voldoende is geborgd dat er voldoende alternatieve verblijfsmogelijkheden in de directe omgeving behouden blijven tijdens en na uitvoering van de werkzaamheden. Mede in combinatie met het ongeschikt maken van de verblijfplaatsen buiten de kwetsbare periode, heeft het college voldoende bewerkstelligt dat door deze maatregelen en verplichtingen de gunstige staat van instandhouding niet in het geding komt.\n\n13.4.. Bij de volledige heroverweging in bezwaar moet nog wel meer concreet worden geborgd waar precies de exacte locaties van de permanente inbouwvoorzieningen van de vier inbouwkasten voor de zomerverblijfplaats en twee inbouwkasten voor de kraamverblijfplaats geplaatst moeten worden. De enkele verplichting om de locatie af te stemmen met vergunninghouder in verband met de nieuwbouw is onvoldoende. De voorzieningenrechter beschouwt de permanente voorzieningen als een mitigerende maatregel en dat de locaties van deze inbouwkasten ten tijde van de besluitvorming bepaald hadden moeten zijn. De voordelige effecten van de maatregel moeten bij mitigerende maatregelen namelijk op voorhand vaststaan. Zolang er onduidelijkheid blijft bestaan waar deze inbouwkasten worden gerealiseerd, staat niet vast dat met deze mitigerende maatregelen voldoende is geborgd dat geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populatie van de gewone dwergvleermuis in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. De voorzieningenrechter ziet hierin geen reden om het besluit te schorsen omdat de nieuwbouw niet op korte termijn gerealiseerd zal zijn en het college dit nog in bezwaar kan herstellen.\n\nOnderzoeken niet uitgevoerd conform het protocol\n\n14. Verzoekers voeren aan dat de brondata uit het Activiteitenplan fundamentele protocolfouten aantonen. Verzoekers geven hierbij aan dat in de nacht van 18 op 19 augustus 2025 opeenvolgende onderzoeksronden binnen één etmaal zijn samengepropt in plaats van 10 dagen tussentijd. Verzoekers verwijzen naar de reactie van de eigen onafhankelijke deskundige van de initiatiefnemer (Twisk) waarin schriftelijk wordt bevestigd dat deze najaarsronden niet voldoen aan de richtlijn van het vleermuisprotocol.\n\n14.1. Het college stelt dat verzoekers verwijzen naar processtuk 10, de aanvullingen van 24 april 2026. Hierin is het volgende opgenomen: “De genoemde bezoeken op 7 en 19 augustus voldoen aan de richtlijnen van het Vleermuisprotocol ten aanzien van onderzoek naar massa-winterverblijven, maar werd in het plangebied geen zwermgedrag waargenomen. Bij de bezoeken op 18 augustus en 8 september werd vroeger gestart en werd rond middernacht (18augustus) af een uur ervoor (8 september) gestopt, waarmee deze ronden niet voldoen aan de richtlijn in het Vleermuisprotocol voor massa-winterverblijven. Uit een vergelijking met de hiervoor beschreven informatie over zwermgedrag bij bekende massa winterverblijven kan echter geconcludeerd worden dat ook op 18 augustus de kans groot was dat zwermende gewone dwergvleermuizen zouden zijn waargenomen als er een massa winterverblijfplaats aanwezig was. Dat er alleen op 18 augustus, bijna anderhalf uur voor middernacht, vijf zwermende gewone dwergvleermuizen werden waargenomen, en niet tijdens de overige drie bezoeken die zijn uitgevoerd, maakt het zeer onwaarschijnlijk dat in de gebouwen aan de [adres] in [woonplaats] een massa-winterverblijfplaats van gewone dwergvleermuizen aanwezig is.” Deze afwijking waar verzoekers naar verwijzen gaat enkel over de potentiële massawinterverblijfplaats. In het bestreden besluit is hierover opgenomen dat er in de nazomerzwermperiode 5 gewone dwergvleermuizen zijn waargenomen. Deze vleermuizen keerden regelmatig terug rondom de kozijnen van één van de raampartijen aan de westzijde van het (voormalig) verpleeghuis, wat erop wijst dat de verblijfplaats zich ergens langs de kozijnen bevindt. Deze waarneming heeft plaatsgevonden om 22:33 uur. Gelet op het tijdstip, aantal individuen en de periode in het jaar, kan niet worden uitgesloten dat deze verblijfplaats een massawinterverblijfplaats betreft. Daarom wordt deze als zodanig beschouwd. De afwijking ten opzichte van het Vleermuisprotocol op twee van de dagen voldoen dus niet aan het Vleermuisprotocol. Echter, door het beschouwen van deze verblijfplaats als winterverblijfplaats en het nemen van maatregelen ten aanzien van deze massawinterverblijfplaats, komt de staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis niet in het geding.\n\n14.2. Vergunninghouder merkt op dat haar deskundige (Twisk) in zijn rapport 'Beoordeling verblijfplaats gewone dwergvleermuis, [adres] , [woonplaats] ' concludeert dat er geen massawinterverblijfplaats aanwezig is. Hij stelt dat de twee door Sweco uitgevoerd bezoeken op 7 en 19 augustus aan de richtlijnen van het Vleermuisprotocol voldoen. Dat is ook voldoende. De andere twee uitgevoerde rondes hadden een ander doel, namelijk het waarnemen van paar- en baltsgedrag. Deze hoeven dus ook niet volgens het massawinterprotocol uitgevoerd te worden.\n\n14.3. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is er geen aanleiding om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het aan de besluitvorming ten grondslag gelegde onderzoeken. Weliswaar heeft Het collefge toegelicht dat sprake is van afwijking ten opzichte van het Vleermuisprotocol op twee van de dagen en die voldoen dus niet aan het Vleermuisprotocol. Echter, door het beschouwen van deze verblijfplaats als winterverblijfplaats en het nemen van maatregelen ten aanzien van deze massawinterverblijfplaats, komt de staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis niet in het geding. Verder is in het activiteitenplan van 15 september 2025 inderdaad een fout geslopen. Er staat 15 juli 2025 in de voetteksten, maar dat had de datum van 15 september 2025 moeten zijn. Dat maakt niet dat de gehele besluitvorming onzorgvuldig is en dat de omgevingsvergunning daarom niet verleend had mogen worden. Hierin ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.\n\nTransportroute en volksgezondheid\n\n15 Verzoekers stellen dat de route van de vrachtwagen in de sloopmelding anders loopt dan de route die is opgenomen in rapporten van de Aeriusberekeningen. Nu de vergunning expliciet eist dat verstoring van de fauna te allen tijde moet worden voorkomen, dwingt deze gewijzigde rijroute tot een hernieuwde ecologische beoordeling. De totale sloop van de huidige bebouwing vormt bovendien een acute bedreiging voor zowel de volksgezondheid als de lokale fauna.\n\n15.1. Het college stelt dat de AERIUS-berekeningen geen onderdeel uitmaken van het bestreden besluit. Deze procedure heeft geen betrekking op een Natura 2000-activiteit. Het college wijst erop dat het in de procedurele overwegingen van het besluit hebben overwogen dat er een toestemming op basis van andere wet- en regelgeving van toepassing kan zijn. Verzoekers hebben verder niet aangevoerd hoe de gekozen transportroute een zware belasting vormt qua trillingen en geluid.\n\n15.2.. Vergunninghouder merkt hierover op dat de vrachtwagens de route zullen rijden zoals aangegeven in de sloopmelding. Op het moment dat de vrachtwagen van de sloop gaan rijden, zullen de vleermuizen zich niet meer in de te slopen gebouwen bevinden vanwege de ontmoedigingsmaatregelen. Er zijn voor deze periode tijdelijke voorzieningen aangebracht op de woningen. Slechts een deel van de locaties van de tijdelijke voorzieningen ligt langs de aanvoerroute van de vrachtwagen. Dit is bovendien op redelijke grote afstand. Bovendien zal het zware verkeer als gevolg van de sloop geen significant effect hebben ten opzichte van het reeds bestaande zware verkeer op de verschillende omliggende straten.\n\n15.3.. Het bestreden besluit ziet niet op de stikstofemissies vanwege transport. Tijdens de zitting is voldoende aannemelijk geworden dat de verblijfplaatsen niet dicht in de buurt bij de transportroute zitten. Het college heeft dit gesteld en eisers hebben het niet weersproken. De voorzieningenrechter acht het op grond daarvan onvoldoende aannemelijk dat de transportroute zal leiden tot verstoring.\n\n15.4.. Verzoekers maken zich zorgen vanwege de stofoverlast door de sloop van de huidige bebouwing die een acute bedreiging zou vormen voor zowel de volksgezondheid als de lokale fauna. Vergunninghouder mag op grond van voorschrift 1 van de verleende omgevingsvergunning geen werkzaamheden uitvoeren die invloed hebben op een beschermde soort. Daarmee is voldoende geborgd dat de transporten een acute dreiging kunnen vormen voor de lokale (beschermde) fauna. De volksgezondheid is niet een belang dat het college bij deze besluitvorming heeft hoeven te betrekken.\n\nConclusie en gevolgen\n\n16. Teneinde iedere verwarring omtrent de stripwerkzaamheden weg te nemen, ziet de voorzieningenrechter aanleiding bij wijze van voorlopige voorziening expliciet te verbieden dat stripwerkzaamheden worden verricht voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning in redelijkheid kunnen verlenen en ziet hij hierin geen reden om het bestreden besluit te schorsen en wijst hij het verzoek voor het overige af.\n\n17 Omdat het verzoek gedeeltelijk wordt toegewezen moet het college de door verzoekers betaalde griffierechten vergoeden. Er is geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\nverbiedt bij wijze van voorlopige voorziening expliciet dat stripwerkzaamheden worden verricht voordat het ongeschikt maken van de vleermuisverblijfplaatsen is uitgevoerd conform voorschrift 12 van de omgevingsvergunning;\n\nwijst het verzoek om voorlopige voorziening voor het overige af;\n\nbepaalt dat het college het griffierecht van € 200 aan verzoekers moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H. M. Verhoeven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.M.C. van Og, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nTegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.\n\nBijlage\n\nWettelijk kader\n\nArtikel 5.1. tweede lid van de Omgevingswet\n\n2Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten:\n\na.een bouwactiviteit,\n\nb.een milieubelastende activiteit,\n\nc.een lozingsactiviteit op:\n\n1°.een oppervlaktewaterlichaam,\n\n2°.een zuiveringtechnisch werk,\n\nd.een wateronttrekkingsactiviteit,\n\ne.een mijnbouwlocatieactiviteit,\n\nf.een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot:\n\n1°.een weg,\n\n2°.een waterstaatswerk,\n\n3°.een luchthaven,\n\n4°.een hoofdspoorweg, lokale spoorweg of bijzondere spoorweg,\n\n5°.een installatie in een waterstaatswerk,\n\ng.een flora- en fauna-activiteit,\n\nvoor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.\n\nArtikel 11.27 Bal\n\n1. Degene die een flora- en fauna-activiteit of een activiteit als bedoeld in artikel 11.22, eerste lid, onder b tot en met g, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.23, is verplicht:\n\na.alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;\n\nb.voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en\n\nc.als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.\n\n2. voor flora- en fauna-activiteiten houdt deze plicht in ieder geval in dat:\n\na.voorafgaand aan het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van:\n\n1°.van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in die bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van die richtlijn;\n\n2°.van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V bij de habitatrichtlijn;\n\n3°.dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3°, van de wet; en\n\n4°.voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats;\n\nb.als deze aanwijzingen er zijn: wordt vastgesteld of op voorhand op grond van objectieve gegevens nadelige gevolgen kunnen worden uitgesloten voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten;\n\nc.als die gevolgen niet kunnen worden uitgesloten: wordt nagegaan welke gevolgen de activiteit kan hebben voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren, of voor planten van die soorten;\n\nd.alle passende preventieve maatregelen worden getroffen om die nadelige gevolgen te voorkomen;\n\ne.tijdens en na het verrichten van de activiteit wordt nagegaan of de getroffen maatregelen de beoogde effecten hebben; en\n\nf. het verrichten van de activiteit wordt gestaakt als de nadelige gevolgen toch niet worden voorkomen, of, als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is, passende herstelmaatregelen worden getroffen.\n\n3 Voor de uitoefening van de jacht en activiteiten om populaties van in het wild levende dieren te beheren of om schade door dieren te bestrijden houdt deze plicht in ieder geval in, dat een ieder die een in het wild levend dier doodt of vangt voorkomt dat het dier onnodig lijdt.\n\nArtikel 11.46 Bal\n\nHet verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor:\n\na. het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn,bijlage IIbij het verdrag van Bern ofbijlage Ibij het verdrag van Bonn;\n\nb. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a;\n\nc. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a;\n\nd. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en\n\ne. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn ofbijlage Ibij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied.\n\nArtikel 8.74k Besluit kwaliteit leefomgeving\n\n1Voor zover een aanvraag een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.46, eerste lid,11.47, eerste lid, of11.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:\n\na.er geen andere bevredigende oplossing voor het verrichten van de activiteit bestaat;\n\nb.de activiteit nodig is:\n\n1°.in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;\n\n2°.voor het voorkomen van ernstige schade aan met name gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;\n\n3°.in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;\n\n4°.voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daarvoor benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten; of\n\n5°.om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, respectievelijk een beperkt bij de omgevingsvergunning vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; en\n\nc.de activiteit geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.\n\n2Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld inartikel 11.46, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgevingtot beperking van de omvang van een populatie van dieren van soorten als bedoeld in dat lid, worden bij de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, alleen de belangen, bedoeld in dat onderdeel onder 1°, 2° en 3°, in aanmerking genomen.\n\n3Een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid wordt alleen verleend aan een faunabeheereenheid, tenzij de noodzaak ontbreekt voor het verrichten van de activiteiten door tussenkomst van een faunabeheereenheid. In dat geval kan de omgevingsvergunning ook worden verleend aan een wildbeheereenheid of aan anderen.\n\n Artikel 5.1. tweede lid onder g van de Omgevingswet\n\nZie de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3682\n\n Zie de uitspraken van de Afdeling van 29 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1830, 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4197 en van 10 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1234.\n\nZie de uitspraak van de Afdeling van 24 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3682\n\n voorschrift 1 van de vergunning\n\nZie onder meer uit de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1423.\n\nZie onder meer uit de uitspraak van de Afdeling van 25 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1423.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4762","ecli-nl-rbobr-2026-4762",{"courtName":6,"legalDomain":69,"decisionType":22,"procedureType":23},"Bestuursrecht; Omgevingsrecht",{"id":71,"ecli":72,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":64,"fullText":73,"language":7,"source":17,"sourceUrl":74,"summary":14,"slug":75,"metadata":76},"1643","ECLI:NL:RBOBR:2026:4753","vonnisRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nLocatie 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummer: 01.054680.22\n\nDatum uitspraak: 06 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe tenlastelegging.\n\nDe zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 21 mei 2026.\n\nNadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 22 juni 2026 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 1 oktober 2021 te Veldhoven, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen,door het aannemen van een valse naam en\u002Fof van een valse hoedanigheid en\u002Fofdoor listige kunstgrepen en\u002Fof door een samenweefsel van verdichtsels\n [bedrijf 1] heeft bewogen tot de afgifte van 12 pallets met dozen met sneakers (ter waarde van ongeveer 200.000 euro)door:- (onder valse voorwendselen) een vrachtwagen\u002Ftrekker met oplegger te regelen en\u002Fof- (met) die vrachtwagen\u002Ftrekker met oplegger het terrein van [bedrijf 1] op te (laten) rijden en\u002Fof contact te (laten) zoeken met een medewerker op het terrein en\u002Fof deze vrachtwagen\u002Ftrekker met oplegger te (laten) parkeren aan een dok (waar goederen worden geladen) en\u002Fof- medewerkers van [bedrijf 1] pallets met sneakers in de oplegger te laten laden en\u002Fof- een vrachtbrief (CMR) te (laten) ondertekenen, waarin valselijk en in strijd met de waarheid is vermeld dat de goederen werden opgehaald door [bedrijf 2] en\u002Fof- zich aldus (overeenkomstig de gebruikelijke bedrijfsprocessen voor het laden en lossen binnen [bedrijf 1] ) voor te doen als een bonafide transporteur welke (dagelijks) in opdracht van [bedrijf 1] sneakers, althans goederen, komt laden en transporteren;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 1 oktober 2021 te Veldhoven, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,12 pallets met dozen met sneakers (ter waarde van ongeveer 200.000 euro), in elk geval enig goed, die\u002Fdat geheel of ten deleaan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n), heeft weggenomen met het oogmerk om die\u002Fhet zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\nmeer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 1 oktober 2021 te Veldhoven en\u002Fof Engelen en\u002Fof ’s-Hertogenbosch, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,12 pallets met dozen met sneakers (ter waarde van ongeveer 200.000 euro), althans een goed, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en\u002Fof heeft overgedragen,terwijl hij tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van die goederenwist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;De formele voorvragen.\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nBewijs\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie is van oordeel dat sprake is van oplichting en van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). Door een onjuiste voorstelling van zaken zijn medewerkers van [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) bewogen tot de afgifte van een lading sneakers.\n\n [medeverdachte] heeft een initiërende rol gespeeld bij het regelen van het transport en heeft actief meegeholpen bij het overladen van de buit in Engelen. [medeverdachte] heeft het adres in Veldhoven doorgegeven, hij heeft zijn Caddy bij een tankstation naast de A2 achtergelaten, hij heeft verdachte de weg gewezen naar een loods op het bedrijventerrein in Veldhoven, wist in welk dock ze moesten zijn en is aldaar zelf bewust uit het zicht achterin de cabine van de vrachtwagen gaan zitten. [medeverdachte] wist goed waar hij mee bezig was.\n\nVerdachte heeft verklaard dat hij was ingeschakeld om iemand te verhuizen. Bij hem hadden echter al snel de alarmbellen moeten gaan rinkelen, toen de Caddy werd achtergelaten, [medeverdachte] en de andere inzittende, [betrokkene 1] , achterin, uit het zicht, in de vrachtwagen zijn gaan zitten, hij naar een loods in Veldhoven in plaats van Berlicum moest rijden, en zeker op het moment dat hij de dozen met schoenen op de pallets zag staan. Op dat moment moet verdachte hebben geweten dat hij ingezet was voor criminele zaken. Hij koos er niet voor om vragen te stellen, weg te gaan of de politie te bellen, wat hij wel had moeten doen. Hij ging door en vervulde een actieve rol. Hij liet zijn oplegger laden met de sneakers, tekende een vrachtbrief af waarop hij deed of hij van [bedrijf 2] was, vertrok naar de locatie waar werd overgeladen en hielp toen ook mee.\n\nDit alles maakt dat hier sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen beide verdachten. Het primair ten laste gelegde, medeplegen van oplichting, kan aldus de officier van justitie, bewezen worden.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde en daartoe onder meer het volgende aangevoerd. Verdachte is gevraagd iemand te verhuizen die in nood was. Hij was dan ook in de veronderstelling dat hij de spullen van iemand ging verhuizen. Verdachte heeft na het inladen vluchtig in de vrachtwagen gekeken en een lading met dozen gezien. Dit was voor hem aanleiding om vragen te stellen aan de mannen in de cabine. Het antwoord van de mannen was voldoende plausibel voor hem. De gebeurtenissen daarna wekten argwaan bij hem. Dat was voor hem aanleiding contact op te nemen met [betrokkene 2] en met zijn broer.\n\nVerdachte kan niet worden gezien als pleger van de oplichting of de diefstal. De voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan eveneens niet worden bewezen.\n\nTen aanzien van de heling had verdachte bij de verkrijging van de goederen de wetenschap of het vermoeden moeten hebben dat de goederen van misdrijf afkomstig waren. Dat kan niet worden bewezen. Dat hij het vermoeden had dat het foute boel was, is op een later moment geweest, maar niet op het moment dat de goederen verkregen zijn. De verkrijging van de goederen was toen al voltooid.\n\nMocht de rechtbank toch tot een bewezenverklaring komen, dan zou dit hooguit een schuldheling kunnen opleveren.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nDe bewijsmiddelen.\n\nVoor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage.\n\nBewijsoverweging.\n\nDe verklaring van verdachte.\n\nVerdachte heeft bij de politie en\u002Fof ter terechtzitting verklaard dat hij op 1 oktober 2021 in opdracht van [betrokkene 2] van het transportbedrijf [bedrijf 3] , een vrachtwagen heeft bestuurd, met de bedoeling om een vrouw uit Berlicum te verhuizen. Twee voor hem onbekende mannen zijn die dag naar het transportbedrijf gekomen met een blauwe Volkswagen Caddy. Eén van de mannen is bij hem in de vrachtwagen gestapt. Hij moest van deze man richting Eindhoven rijden. De andere man is hem voor gereden in de Caddy. Bij een tankstation, ter hoogte van Boxtel, moest verdachte stoppen van de man in zijn cabine. De Caddy is daar ook gestopt. De man van de Caddy is bij het tankstation in de vrachtwagen gestapt, waarbij de Caddy bij het tankstation is achtergebleven.\n\nTijdens de rit kreeg verdachte van deze twee personen in de cabine het adres in Veldhoven. Verdachte is met deze twee personen naar dat adres in Veldhoven gereden. Ter plaatse heeft hij de vrachtwagen op hun aanwijzen in een dock van een bedrijf gereden. Verdachte heeft de achterklep van de vrachtwagen geopend, zodat er een en ander kon worden ingeladen. Tijdens het inladen zijn de in zijn cabine aanwezige twee personen niet buiten de cabine geweest. Nadat medewerkers van het bedrijf een aantal pallets hadden ingeladen, heeft verdachte de achterdeur van de vrachtwagen gesloten. Daarbij zag hij in het laaddeel van de vrachtwagen geen verhuisdozen of huisraad, maar op de pallets kleine, ingepakte doosjes. De pallets waren geseald. Verdachte vond dit op dat moment vreemd. Verdachte heeft voor ontvangst een vrachtbrief getekend, waarop als geadresseerde stond vermeld: [bedrijf 2] .\n\nDe rechtbank volgt verdachte in zijn verklaring dat hij in eerste instantie dacht dat het om een verhuizing ging en dat hij niet wist dat de rit met de vrachtwagen was bedoeld om een lading sneakers bij een bedrijf in Veldhoven op te halen. De rechtbank vindt daarvoor bevestiging in de verklaring van [betrokkene 2] , die heeft verklaard dat de vrachtwagen door [medeverdachte] is geregeld om, zoals deze heeft verklaard, een vrouw te verhuizen, alsmede de WhatsApp-berichten die verdachte korte tijd na het ophalen van de lading aan [betrokkene 2] en aan de broer van verdachte heeft gestuurd, waarin verdachte (onder meer) -zakelijk weergegeven- aangeeft dat het helemaal geen verhuizing is, dat het pallets met dozen zijn en dat hij bang is gestolen spullen te hebben vervoerd.\n\nHet is vervolgens de vraag of verdachte zich desondanks door zijn handelen heeft schuldig gemaakt aan oplichting, diefstal of opzet- of schuldheling, al dan niet met een of meer anderen.\n\nVrijspraak ten aanzien van het primair en subsidiair ten laste gelegde.\n\nDe rechtbank acht bewezen dat [medeverdachte] , op wiens verzoek verdachte naar het adres in Veldhoven is gereden, zich samen met een of meer anderen schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde oplichting. De rechtbank is echter van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met [medeverdachte] en\u002Fof een of meer anderen, en op 1 oktober 2021 het opzet heeft gehad [bedrijf 1] op te lichten, dan wel zich de 12 pallets met dozen met sneakers wederrechtelijk toe te eigenen. Ook voor voorwaardelijk opzet acht de rechtbank geen bewijs aanwezig.\n\nDe rechtbank acht dan ook niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.\n\nTen aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde.\n\nOpzetheling.\n\nDe rechtbank acht de meer subsidiair ten laste gelegde opzetheling niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte daarvan vrijspreken.\n\nDe rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ten tijde van het overdragen en\u002Fof voorhanden krijgen van de goederen wist, ook niet in voorwaardelijke zin, dat deze goederen door misdrijf verkregen waren.\n\nSchuldheling.\n\nVoor een veroordeling ter zake van schuldheling is ingevolge artikel 417bis lid 1 sub a Wetboek van Strafrecht vereist dat ten tijde van het verwerven en\u002Fof het voorhanden krijgen van het bewuste goed sprake is van schuld ten aanzien van de omstandigheid dat het desbetreffende goed door misdrijf is verkregen. In de woorden “redelijkerwijs moeten vermoeden” komt de schuld tot uitdrukking. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat het hier gaat om “grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid” en dat daarvan sprake is indien de verdachte in de gegeven omstandigheden bij enig nadenken had kunnen vermoeden dat het goed gestolen\u002Fvan misdrijf afkomstig was en derhalve zonder nader onderzoek niet had mogen handelen. Wat van de verdachte omtrent de in acht te nemen voorzichtigheid verwacht mag worden, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.\n\nVan belang in dit verband is de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de verdachte de sneakers voorhanden heeft gekregen.\n\nUit de verklaring van verdachte en de hierna opgenomen bewijsmiddelen blijkt dat het niet gebruikelijk was dat er mensen meegingen met een transport. Verdachte had een raar gevoel bij de hele situatie vanaf het moment dat hij zag dat de Caddy van de tweede man werd achtergelaten op het tankstation.\n\nOp het moment dat verdachte de parkeerplaats bij het tankstation afreed, heeft hij van de twee mannen gehoord dat hij naar Veldhoven moest rijden. Dit was anders dan de eerdere informatie die hij zegt van [betrokkene 2] te hebben gekregen. Op het industrieterrein in Veldhoven heeft hij zijn vrachtwagen op aanwijzen van de in zijn cabine aanwezige personen in een laaddock van een bedrijf gereden. Medewerkers van het bedrijf hebben ingesealde pallets met sneakers in de vrachtwagen geladen. Verdachte heeft een vrachtbrief getekend, met daarop vermeld als expediteur\u002Fafzender [bedrijf 1] , en als ontvanger [bedrijf 2] . Bij het sluiten van de achterdeur van de vrachtwagen zag verdachte geen verhuisdozen of huisraad, maar kleine, ingepakte doosjes. Verdachte vond dit op dat moment vreemd, maar is toch met de twee mannen naar ’s-Hertogenbosch gereden, waarna de doosjes in een andere auto zijn geladen.\n\nGelet op voornoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verdachte ten tijde van het verwerven en voorhanden krijgen van de lading, redelijkerwijs had moeten vermoeden dat er iets niet in de haak was met de lading en had hij zich ervan moeten distantiëren en\u002Fof de politie op enig moment moeten inschakelen. Verdachte heeft dit echter niet gedaan, terwijl hij daartoe wel in de gelegenheid was, maar is met de lading weg- en doorgereden. De rechtbank begrijpt dat de hele situatie intimiderend voor verdachte moet zijn geweest, maar dat neemt niet weg dat hij zich had moeten realiseren dat het niet om een verhuizing van iemand ging en zich had kunnen distantiëren.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat verdachte aldus met de voor schuldheling vereiste schuld, in de zin van aanmerkelijke onvoorzichtigheid, heeft gehandeld.\n\nDe bewezenverklaring.\n\nOp grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte\n\nmeer subsidiair:\n\nop 1 oktober 2021 in Nederland,12 pallets met dozen met sneakers (ter waarde van ongeveer 200.000 euro), voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verkrijgen en het voorhanden krijgen van die goederen, redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.De strafbaarheid van het feit.\n\nHet bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\nDe strafbaarheid van verdachte.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.\n\nOplegging van straf en\u002Fof maatregel.\n\nDe eis van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft ten aanzien van het primair ten laste gelegde een taakstraf gevorderd van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis, waarvan 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de duur van de inverzekeringstelling.\n\nEen kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsvrouw heeft aangevoerd dat er misbruik van verdachte is gemaakt door hem als chauffeur in te schakelen. Verdachte is niet beter geworden van dit feit, alleen maar slechter. Hij heeft jarenlang stress door deze zaak en is bang voor represailles.\n\nDe raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de forse overschrijding van de redelijke termijn. Het is heel zwaar geweest voor verdachte, dat de afdoening van de zaak zo lang op zich heeft laten wachten.\n\nDe raadsvrouw heeft, gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, verzocht bij een bewezenverklaring verdachte op grond van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een schuldheling, waarbij hij een hoeveelheid sneakers voorhanden heeft gehad, die een aanzienlijke materiële waarde hadden.\n\nDe rechtbank volgt verdachte in zijn verklaring dat hij in eerste instantie dacht dat het om een verhuizing van een persoon in nood ging en later pas door had dat er iets niet in de haak was. Dat neemt niet weg dat verdachte zich door anderen heeft laten gebruiken voor hun criminele activiteiten.\n\nDoor zijn handelen heeft verdachte een bijdrage aan deze criminele activiteiten geleverd, waardoor [bedrijf 1] aanzienlijke financiële schade heeft geleden.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte. Daaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld. De rechtbank houdt daarmee in het voordeel van verdachte rekening bij de afdoening van de zaak.\n\nDe rechtbank houdt verder rekening met de omstandigheid dat verdachte vanaf het begin, zonder enig voorbehoud, heeft meegewerkt aan het onderzoek en openheid van zaken heeft gegeven.\n\nVerder houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte, zo blijkt uit het rapport van de reclassering van 14 mei 2026 en uit de behandeling van de zaak ter terechtzitting, zichtbaar heeft geleden onder de gevolgen van de zaak.\n\nTot slot houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met een overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM (van twee jaar), in dit geval een overschrijding van twee jaar en twee maanden (uitgaande van de dag van inverzekeringstelling op 4 april 2022 als aanvangsdatum en 6 juli 2026 als datum eindvonnis), welke overschrijding niet aan de verdediging te wijten is Daarbij neemt de rechtbank in ogenschouw dat de onderhavige zaak niet van een dusdanig uitzonderlijke aard of complexiteit is dat daarmee de termijnoverschrijding zou kunnen worden gerechtvaardigd.\n\nGelet op de persoon van de verdachte, de omstandigheden waaronder het feit is begaan zoals hiervoor is vermeld en de overschrijding van de redelijke termijn vindt de rechtbank passend en geboden om verdachte geen straf of maatregel op te leggen en te volstaan met een schuldigverklaring overeenkomstig artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDe vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1]\n\nDe vordering.\n\nDe benadeelde partij [bedrijf 1] heeft materiële schade gevorderd,\n\nte weten 233.557 dollar (omgerekend € 203.195,--) voor de weggenomen sneakers en\n\n€ 8.535,-- betreffende onderzoekskosten, met wettelijke rente en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft hoofdelijke toewijzing van een bedrag van € 203.195,-- bepleit, met de wettelijke rente. Tevens heeft de officier van justitie het opleggen van de maatregel van 36f van het Wetboek van Strafrecht gevorderd.\n\nTen aanzien van de post ‘onderzoekskosten’ heeft de officier van justitie bepleit de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, nu deze post summier is onderbouwd.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsvrouw heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Primair gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair omdat de machtiging de rechtspersoon te vertegenwoordigen ontbreekt. Meer subsidiair omdat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert omdat de vordering, ook voor wat betreft de kosten van het onderzoeksbureau, onvoldoende is onderbouwd.\n\nBeoordeling.\n\nDe rechtbank constateert dat bij de vordering geen machtiging is gevoegd, waaruit blijkt dat [betrokkene 8] bevoegd is de rechtspersoon in deze strafzaak te vertegenwoordigen.\n\nOok na overleg met de officier van justitie enige tijd voor de zitting is er, ter terechtzitting, geen machtiging overgelegd. Het heropenen van de zaak, teneinde de benadeelde partij alsnog de gelegenheid te geven te voorzien in zo’n machtiging levert, mede in het licht van het belang van een voortvarende afdoening van de zaak en de thans reeds aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn, een onevenredige belasting van het strafgeding op. Om die reden zal de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de vordering.\n\nDe benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nDE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair en subsidiair meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.\n\nverklaart het meer subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nverklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.\n\nHet bewezen verklaarde levert op het misdrijf:\n\nTen aanzien van meer subsidiair:\n\nSchuldheling\n\nverklaart verdachte hiervoor strafbaar.\n\nOplegging straf en\u002Fof maatregel (artikel 9a Wetboek van Strafrecht)\n\nTen aanzien van feit 1 meer subsidiair:\n\nSchuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.\n\nVordering benadeelde partij [bedrijf 1]\n\nBepaalt dat de benadeelde partij [bedrijf 1] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.\n\nBepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. H.M. Hettinga, voorzitter,\n\nmr. E.M.J. Raeijmaekers en mr. A.M. de Koning, leden,\n\nin tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,\n\nen is uitgesproken op 6 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4753","ecli-nl-rbobr-2026-4753",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":78,"ecli":79,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":64,"fullText":80,"language":7,"source":17,"sourceUrl":81,"summary":14,"slug":82,"metadata":83},"1641","ECLI:NL:RBOBR:2026:4752","vonnisRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nLocatie 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummer: 01.042924.22\n\nDatum uitspraak: 06 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe tenlastelegging.\n\nDe zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 21 mei 2026.\n\nNadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 22 juni 2026 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 1 oktober 2021te Veldhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen,door het aannemen van een valse naam en\u002Fof van een valse hoedanigheid en\u002Fofdoor listige kunstgrepen en\u002Fof door een samenweefsel van verdichtsels\n [bedrijf 1] heeft bewogen tot de afgifte van 12 pallets met dozen met sneakers (ter waarde van ongeveer 200.000 euro) door:- (onder valse voorwendselen)een vrachtwagen\u002Ftrekker met oplegger te regelen en\u002Fof- (met) die vrachtwagen\u002Ftrekker met oplegger het terrein van [bedrijf 1] op te (laten) rijden en\u002Fofcontact te (laten) zoeken met een medewerker op het terrein en\u002Fofdeze vrachtwagen\u002Ftrekker met oplegger te (laten) parkeren aan een dok (waar goederen worden geladen) en\u002Fof- medewerkers van [bedrijf 1] pallets met sneakers in de oplegger te laten laden en\u002Fof- een vrachtbrief (CMR) te (laten) ondertekenen, waarin valselijk en in strijd met de waarheid is vermeld dat de goederen werden opgehaald door [bedrijf 2] en\u002Fof- zich aldus (overeenkomstig de gebruikelijke bedrijfsprocessen voor het laden en lossen binnen [bedrijf 1] ) voor te doen als een bonafide transporteur welke (dagelijks) in opdracht van [bedrijf 1] sneakers, althans goederen, komt laden en transporteren\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 1 oktober 2021 te Veldhoven, althans in Nederland,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,12 pallets met dozen met sneakers (ter waarde van ongeveer 200.000 euro), in elk geval enig goed, die\u002Fdat geheel of ten deleaan [bedrijf 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) toebehoorde(n), heeft weggenomenmet het oogmerk om die\u002Fhet zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\nmeer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 1 oktober 2021 te Veldhoven en\u002Fof Engelen en\u002Fof ’s-Hertogenbosch, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,12 pallets met dozen met sneakers (ter waarde van ongeveer 200.000 euro), althans een goed, heeft verworven, voorhanden heeft gehad en\u002Fof heeft overgedragen,terwijl hij tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van die goederen wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;\n\nDe formele voorvragen.\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nBewijs\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie is van oordeel dat sprake is van oplichting en een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) . Door een onjuiste voorstelling van zaken zijn medewerkers van [bedrijf 1] (hierna ook: [bedrijf 1] ) bewogen tot de afgifte van de sneakers.\n\nVerdachte heeft een initiërende rol gespeeld bij het regelen van het transport en heeft actief meegeholpen bij het overladen van de buit in Engelen. Verdachte heeft het adres in Veldhoven aan chauffeur [medeverdachte] gegeven, hij heeft zijn Caddy bij een tankstation naast de A2 achtergelaten, hij is bewust uit het zicht achterin de cabine van de vrachtwagen gaan zitten en hij heeft [medeverdachte] de weg gewezen naar een loods op het bedrijventerrein in Veldhoven en wist in welk dock ze moesten zijn. Verdachte wist wel degelijk waar hij mee bezig was.\n\n [medeverdachte] heeft verklaard dat hij was ingeschakeld om iemand te verhuizen. Bij hem hadden al snel de alarmbellen moeten gaan rinkelen, toen de Caddy werd achtergelaten, verdachte en de andere inzittende, [betrokkene 1] , achterin uit het zicht in de vrachtwagen zijn gaan zitten, hij naar een loods in Veldhoven in plaats van Berlicum moest rijden, en zeker op het moment dat hij de dozen met schoenen op de pallets zag staan. Op dat moment moet [medeverdachte] hebben geweten dat hij ingezet was voor criminele zaken. Hij koos er niet voor om vragen te stellen, weg te gaan of de politie te bellen, wat hij wel had moeten doen. Hij ging door en vervulde een actieve rol. Hij liet zijn oplegger laden met de sneakers, tekende een vrachtbrief af waarop stond dat hij van [bedrijf 2] was, vertrok naar de locatie waar werd overgeladen en hielp toen ook mee.\n\nDit alles maakt dat hier sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen beide verdachten. Het primair ten laste gelegde, medeplegen van oplichting, kan aldus de officier van justitie, bewezen worden.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde en daartoe onder meer het volgende aangevoerd.\n\nVerdachte was in de veronderstelling dat hij iemand hielp met verhuizen.\n\nWanneer alle verklaringen, onderzoeksbevindingen en objectieve gegevens in onderlinge samenhang worden beschouwd, kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte wetenschap had van een oplichting van [bedrijf 1] dan wel van een diefstal van de pallets met sneakers. Uit het dossier volgt hooguit dat verdachte betrokken is geweest bij het regelen van transport en aanwezig is geweest bij onderdelen van het logistieke proces.\n\nDat is echter onvoldoende om te kunnen spreken van oplichting of diefstal.\n\nOok kan niet worden bewezen dat sprake is van een voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking en dat zijn bijdrage van voldoende gewicht is geweest.\n\nVoor een bewezenverklaring van opzetheling of schuldheling moet worden vastgesteld dat verdachte ten tijde van het verwerven of voorhanden krijgen van de goederen wist, of redelijkerwijs moest vermoeden, dat de goederen door misdrijf afkomstig waren.\n\nVerdachte wist niet dat de goederen afkomstig waren van misdrijf. Hij was in de veronderstelling iemand te verhuizen. Voor zover verdachte gedurende de dag vragen kreeg bij hetgeen zich afspeelde, geldt dat een achteraf ontstaan vermoeden niet gelijk kan worden gesteld aan de wetenschap of het redelijkerwijs moeten vermoeden op het moment van het verwerven of voorhanden krijgen van de goederen.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nDe bewijsmiddelen.\n\nVoor de leesbaarheid van het vonnis wordt voor de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de bij dit vonnis gevoegde bewijsbijlage.\n\nBewijsoverweging\n\nVaststelling van de feiten.\n\nOp basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast.\n\nVerdachte heeft via de telefoon van zijn toenmalige vriendin [betrokkene 2] contact gezocht met [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ), mede-eigenaar van [bedrijf 3] . Hij heeft haar gevraagd een vrachtwagen ter beschikking te stellen voor een verhuizing. In eerste instantie gaf verdachte aan dat hij zelf kon rijden, maar dat wilde [betrokkene 3] niet.\n\n [betrokkene 3] heeft vervolgens [medeverdachte] gevraagd op 1 oktober 2021 met een vrachtwagen te rijden ten behoeve van de veronderstelde verhuizing.\n\nOp 1 oktober 2021 zijn verdachte en [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4] ) naar het bedrijf van [bedrijf 3] in Waalwijk gekomen, met een blauwe Volkswagen Caddy.\n\nVerdachte is bij [medeverdachte] in de vrachtwagen gestapt. Op aanwijzen van verdachte is [medeverdachte] richting Eindhoven gereden. [betrokkene 4] is met de Caddy voor de vrachtwagen uitgereden. Bij een tankstation, ter hoogte van Boxtel, moest [medeverdachte] van verdachte stoppen. De Caddy is daar ook gestopt. [betrokkene 4] is bij het tankstation in de vrachtwagen gestapt, waarbij de Caddy bij het tankstation is achtergebleven.\n\nVerdachte en [betrokkene 4] zijn achterin de cabine van de vrachtwagen gaan zitten, buiten het zicht van derden.\n\nTijdens de rit heeft [medeverdachte] van verdachte en [betrokkene 4] het adres in Veldhoven gekregen.\n\n [medeverdachte] is met verdachte en [betrokkene 4] naar Veldhoven gereden, naar het bedrijventerrein waar [bedrijf 1] gevestigd is. Bij dit bedrijf komen dagelijks twee vrachtwagens, één van [bedrijf 4] en één van [bedrijf 2] om lading op te halen. Op sommige dagen komt een vrachtwagen om een tweede lading voor [bedrijf 2] op te halen. Op die bewuste dag waren er reeds één vrachtwagen voor [bedrijf 4] en één vrachtwagen van [bedrijf 2] geweest om lading op te halen.\n\nTer plaatse heeft [medeverdachte] , op aanwijzen van verdachte en [betrokkene 4] , de vrachtwagen in een laaddock van het bedrijf [bedrijf 1] gereden en de achterklep van de vrachtwagen geopend. Er stonden pallets met sneakers klaar die daarop in de vrachtwagen zijn geladen door medewerkers van [bedrijf 1] , overeenkomstig de gebruikelijke werkwijze. Tijdens het inladen zijn verdachte en [betrokkene 4] niet buiten de cabine geweest. Nadat de medewerkers van het bedrijf de pallets hebben ingeladen, heeft [medeverdachte] de achterdeur van de vrachtwagen gesloten. [medeverdachte] heeft een vrachtbrief afgetekend, waarop in strijd met de waarheid is vermeld dat de goederen door [bedrijf 2] zouden zijn opgehaald.\n\nDe vrachtwagen is daarop vertrokken en op aanwijzen van verdachte en [betrokkene 4] naar de [adres 2] in ’s-Hertogenboch (Engelen) gereden. Daar hebben verdachte en [betrokkene 4] de sneakers overgeladen in een Volkswagen Crafter.\n\nDe rechtbank stelt met betrekking tot de rol van verdachte vast dat verdachte een initiërende rol heeft gehad door het transport te regelen, dat hij daarover veelvuldig contact heeft gehad met [betrokkene 4] , dat verdachte op de hoogte was van het adres van [bedrijf 1] en dit adres ook heeft doorgegeven aan [medeverdachte] , dat de Caddy van verdachte zonder goede reden bij het tankstation is achtergelaten, dat verdachte en [betrokkene 4] uit het zicht achterin de cabine van de vrachtwagen zijn gaan zitten en zich bij [bedrijf 1] niet hebben laten zien, dat [medeverdachte] op aanwijzen van verdachte en [betrokkene 4] met de vracht naar ’s-Hertogenbosch is gereden en dat de sneakers daar door verdachte en [betrokkene 4] zijn overgeladen.\n\nOp grond van deze feiten en omstandigheden vindt de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte onder valse voorwendselen het transport heeft geregeld bij [bedrijf 3] , met de bedoeling en wetenschap de lading sneakers, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, bij [bedrijf 1] te Veldhoven mee te nemen en zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en listige kunstgrepen.\n\nDe rechtbank acht, gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden, de verklaring van verdachte dat hij de vrachtwagen heeft geregeld voor een verhuizing ongeloofwaardig. Dat verdachte tegenover [betrokkene 3] en [betrokkene 2] heeft verklaard over een verhuizing, doet daar niets aan af, nu het aannemelijk is dat verdachte dit heeft verklaard om het werkelijke doel van het gebruik van de vrachtwagen, namelijk het zonder toestemming meenemen van de sneakers, te verdoezelen.\n\nDe rechtbank vindt het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, voor zover hierna bewezen is verklaard.\n\nDe bewezenverklaring.\n\nOp grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:\n\nop 1 oktober 2021 in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,\n\nmet het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen,door het aannemen van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen\n\n [bedrijf 1] heeft bewogen tot de afgifte van 12 pallets met dozen met sneakers (ter waarde van ongeveer 200.000 euro) door:- onder valse voorwendselen een vrachtwagen te regelen en- met die vrachtwagen het terrein van [bedrijf 1] op te laten rijden encontact te laten zoeken met een medewerker op het terrein en deze vrachtwagen te laten parkeren aan een dok (waar goederen worden geladen) en\u002Fof- medewerkers van [bedrijf 1] pallets met sneakers in de vrachtwagen te laten laden en- een vrachtbrief (CMR) te laten ondertekenen, waarin valselijk en in strijd met de waarheid is vermeld dat de goederen werden opgehaald door [bedrijf 2] en- zich aldus overeenkomstig de gebruikelijke bedrijfsprocessen voor het laden en lossen binnen [bedrijf 1] voor te doen als een bonafide transporteur welke dagelijks in opdracht van [bedrijf 1] goederen, komt laden en transporteren.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nDe strafbaarheid van het feit.\n\nHet bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\nDe strafbaarheid van verdachte.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.\n\nOplegging van straf en\u002Fof maatregel.\n\nDe eis van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft ten aanzien van het primair ten laste gelegde een taakstraf gevorderd van 160 uren subsidiair 80 dagen hechtenis, met aftrek van de duur van de inverzekeringstelling en een gevangenisstraf van één maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nEen kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsvrouw heeft, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en zijn beperkte rol, die niet verder gaat dan het regelen van een vrachtwagen en zijn aanwezigheid bij onderdelen van het transport.\n\nEen langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou geen recht doen aan de concrete rol van verdachte.\n\nDe raadsvrouw verzoekt, bij een bewezenverklaring te volstaan met een taakstraf of een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nBij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nVerdachte heeft [bedrijf 1] op een geraffineerde en brutale wijze, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opgelicht door zich voor te doen als bonafide transporteur en op deze wijze een grote hoeveelheid sneakers in een vrachtwagen te laten laden en deze sneakers weg te maken. Deze sneakers vertegenwoordigen een aanzienlijke financiële waarde. Verdachte heeft de vrachtwagen met chauffeur geregeld, is betrokken geweest bij het ophalen, vervoeren, overladen en wegmaken van de sneakers.\n\nEen oplichting als deze corrumpeert het handelsverkeer en schaadt het maatschappelijk vertrouwen. Verdachte heeft bij het plegen van het feit gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van [bedrijf 1] .\n\nHet feit heeft veel overlast en financiële schade veroorzaakt voor [bedrijf 1] . Uit het handelen van verdachte spreekt minachting voor andermans eigendom.\n\nDe rechtbank constateert dat verdachte een verklaring heeft afgelegd en enige openheid van zaken heeft gegeven, maar constateert ook dat verdachte pas is gaan verklaren nadat hij de beschikking had over het complete dossier.\n\nGelet op de ernst van het feit en het aandeel van verdachte in deze, acht de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats.\n\nDe rechtbank constateert echter dat de redelijke termijn in de zin van artikel 6 EVRM (van twee jaar), is overschreden met ruim twee jaar (uitgaande van de dag van inverzekeringstelling op 27 juni 2022 als aanvangsdatum en 6 juli 2026 als datum eindvonnis), welke overschrijding niet aan de verdediging te wijten is.\n\nDe rechtbank houdt bij het bepalen van de straf in het voordeel van verdachte rekening met deze overschrijding van de redelijke termijn en ziet om die reden af van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.\n\nAlles afwegend acht de rechtbank een taakstraf van 160 uren subsidiair 80 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, passend en geboden. Daarnaast acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaren op zijn plaats om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.\n\nDe rechtbank zal een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt.\n\nDe vordering van de benadeelde partij [bedrijf 1]\n\nDe vordering.\n\nDe benadeelde partij [bedrijf 1] heeft materiële schade gevorderd, te weten 233.557 dollar (omgerekend € 203.195,--) voor de weggenomen sneakers en\n\n€ 8.535,-- betreffende onderzoekskosten, met wettelijke rente en het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft hoofdelijke toewijzing van een bedrag van € 203.195,-- bepleit, met de wettelijke rente. Tevens heeft de officier van justitie het opleggen van de maatregel van 36f van het Wetboek van Strafrecht gevorderd.\n\nTen aanzien van de post ‘onderzoekskosten’ heeft de officier van justitie bepleit de benadeelde partij ten aanzien van dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, nu deze post summier is onderbouwd.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe raadsvrouw heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Primair omdat de vordering niet is gedateerd, noch is ondertekend. Daarnaast blijkt uit het dossier niet op grond waarvan mevrouw [betrokkene 5] de vordering namens de rechtspersoon heeft ingediend. Een machtiging ontbreekt. Subsidiair gelet op de bepleite vrijspraak en meer subsidiair omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd.\n\nBeoordeling.\n\nDe rechtbank constateert dat bij de vordering geen machtiging is gevoegd, waaruit blijkt dat [betrokkene 5] bevoegd is de rechtspersoon in deze strafzaak te vertegenwoordigen.\n\nOok na overleg met de officier van justitie enige tijd voor de zitting is er, ter terechtzitting, geen machtiging overgelegd. Het heropenen van de zaak, teneinde de benadeelde partij alsnog de gelegenheid te geven te voorzien in zo’n machtiging levert, mede in het licht van het belang van een voortvarende afdoening van de zaak en de thans reeds aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn, een onevenredige belasting van het strafgeding op. Om die reden zal de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in de vordering.\n\nDe benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nToepasselijke wetsartikelen.\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen:\n\n9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 63, 326 Wetboek van Strafrecht.DE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank:\n\nBewezenverklaring\n\nverklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.\n\nverklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.\n\nKwalificatie en strafbaarheid\n\nHet bewezen verklaarde levert op het misdrijf:\n\nMedeplegen van oplichting\n\nverklaart verdachte hiervoor strafbaar.\n\nStraffen\n\nlegt op de volgende straffen.\n\n Een taakstraf voor de duur van 160 uren subsidiair 80 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht\n\nDe rechtbank waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid.\n\n Een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren\n\nVoorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.\n\nVordering benadeelde partij [bedrijf 1]\n\nBepaalt dat de benadeelde partij [bedrijf 1] niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de benadeelde partij in de proceskosten door verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.\n\nBepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. H.M. Hettinga, voorzitter,\n\nmr. E.M.J. Raeijmaekers en mr. A.M. de Koning, leden,\n\nin tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,\n\nen is uitgesproken op 06 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4752","ecli-nl-rbobr-2026-4752",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":85,"ecli":86,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":64,"fullText":87,"language":7,"source":17,"sourceUrl":88,"summary":14,"slug":89,"metadata":90},"1644","ECLI:NL:RBOBR:2026:4759","vonnisRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nLocatie 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummers: 01.049939.26, 01.029098.26, 01.232213.25 en 01.142086.25 (ter terechtzitting gevoegd), 01.110429.23 (tul)\n\nDatum uitspraak: 6 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2002,\n\nthans gedetineerd en ingeschreven te: [vestigingsplaats]\n\n .\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 augustus 2025 en 2 april 2026 (zaaknummer 01.142086.25) en 22 juni 2026 (alle zaaknummers).\n\nOp de zitting van 22 juni 2026 heeft de rechtbank de tegen verdachte\u002Fveroordeelde (hierna: verdachte), onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe tenlastelegging\n\nDe zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 21 mei 2026 (01.049939.26, 01.029098.26 en 01.232213.25) en 11 juli 2025 (01.142086.25).\n\nDe tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.\n\nVerdachte wordt - kort samengevat - van het volgende beschuldigd:\n\n01.049939.26\n\nBedreiging van [slachtoffer 1] op 1 januari 2026 (feit 1), 15 september 2025 (feit 2) en 7 september 2025 (feit 3) te Heeze;\n\nVernieling van een ruit van een woning welke ruit aan [slachtoffer 2] toebehoorde op 11 september 2025 te Veldhoven (feit 4);\n\nDiefstal van een telefoon van [slachtoffer 3] (feit 5) en vernieling van een politiecel (feit 6), beide op 24 maart 2026 te Geldrop;\n\n01.029098.26\n\n- Mishandeling van [slachtoffer 4] , terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel tot gevolg had op 25 oktober 2025 te Geldrop;\n\n01.232213.25\n\n- Mishandeling van zijn moeder (feit 1) en belediging van een aspirant politieagent (feit 2) op 3 september 2025 te Geldrop;\n\n01.142086.25\n\n- Niet voldoen aan de verplichting om een identiteitsbewijs te tonen (feit 1) en verzet bij zijn aanhouding (feit 2), beide op 10 mei 2025 te Geldrop.\n\nDe formele voorvragen\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Verder zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nBewijs\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft namens verdachte geen verweer gevoerd tegen bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank zal voor de feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot de feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.\n\nDe rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:\n\n01.049939.26\n\nWaar hierna wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, genummerd PL2100-2026027705.\n\nFeit 1:\n\n- De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026;\n\nHet proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , opgemaakt op 12 januari 2026, p. 48-52;\n\nHet proces-verbaal van aanvullend verhoor van aangeefster [slachtoffer 1] , opgemaakt op 8 februari 2026, p. 55-57;\n\nHet proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 16 januari 2026, p. 63-67.\n\nFeit 2 en 3:\n\nDe bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026;\n\nHet proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , opgemaakt op 12 januari 2026, p. 48-52;\n\nHet proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 8 februari 2026, p. 112-177.\n\nFeit 4:\n\nDe bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026;\n\nHet proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , opgemaakt op 23 september 2025, p. 33-41.\n\nWaar hierna wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, genummerd PL2100-2026067000.\n\nFeit 5:\n\nDe bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026;\n\nHet proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] , opgemaakt op 24 maart 2026, p. 6-9.\n\nFeit 6:\n\nDe bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026;\n\nHet proces-verbaal van aangifte door [verbalisant 1] , opgemaakt op 25 maart 2026, p. 12-14.\n\n01.029098.26\n\nWaar hierna wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, genummerd PL2100-2025240963.\n\nDe bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026;\n\nHet proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 4] , opgemaakt op 25 oktober 2025, p. 46-47;\n\nHet proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 januari 2026, p. 20-22;\n\nHet proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 januari 2026, p. 55-75.\n\n01.232213.25\n\nWaar hierna wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, genummerd PL2100-2025199104.\n\nFeit 1:\n\nDe bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026;\n\nHet proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt 3 september 2025, p. 5-7.\n\nFeit 2:\n\nDe bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026;\n\nHet proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 3 september 2025, p. 8-10.\n\n01.142086.25\n\nWaar hierna wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, genummerd PL2100-2025102549.\n\nFeit 1 en 2:\n\nDe bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026;\n\nHet proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 10 mei 2025, p 5-8.\n\nDe rechtbank concludeert op basis van de bewijsmiddelen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.\n\nDe bewezenverklaring\n\nOp grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven vermelde bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte\n\n01.049939.26\n\n1\n\nop 1 januari 2026 in Nederland [slachtoffer 1] indirect heeft bedreigd, immers door het sturen van whatsapp berichten aan een wijkagent, met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen \"ik blaas alles op dat is een belofte, ik knal alles kapot, ik maak hun af, dat ga ik doen\" \"ik breek alles af, het is oorlog\";\n\n2\n\nop 15 september 2025 in Nederland [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en\u002Fof met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend middels het sturen van berichten de woorden toe te voegen \"Geloof mij, test mij, ik maak jou kapot, jij bent niet meer veilig\" en \"Denk goed na wat je doet, ik sla de bord dwars door je kanus heen\" en \"Ik maak jou dood, jij komt niet bij mijn kind onder de drugs want ik maak jou dood\" en \"Maak jou dood geloof mij\";\n\n3\n\nop 7 september 2025 in Nederland [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [slachtoffer 1] dreigend middels het sturen van berichten de woorden toe te voegen \"Jij hebt problemen met mij gemaakt, jij gaat er aan geloof me, ik niks, jij niks\";\n\n4\n\nop 11 september 2025 te Veldhoven opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een woning aan de van [adres] die aan een ander dan aan verdachte toebehoorde, heeft beschadigd;\n\n5\n\nop 24 maart 2026 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo een gsm die aan [slachtoffer 3] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;\n\n6\n\nhij op 24 maart 2026 te Eindhoven opzettelijk en wederrechtelijk een politiecel die aan politie eenheid Oost Brabant toebehoorde onbruikbaar heeft gemaakt.\n\n01.029098.26\n\nhij op 25 oktober 2025 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo [slachtoffer 4] heeft mishandeld, door die [slachtoffer 4] tegen het hoofd te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbasisfractuur en een contusiehaard (kneuzing hersenen) en een mandibulafractuur (kaakfractuur), ten gevolge had.\n\n01.232213.25\n\n1\n\nop 3 september 2025 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo [slachtoffer 5] heeft mishandeld door die [slachtoffer 5] bij de nek\u002Fkeel vast te pakken\n\nen\n\nvervolgens te duwen; terwijl verdachte dit misdrijf beging tegen zijn moeder;\n\n2\n\nop 3 september 2025 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo opzettelijk\n\neen ambtenaar, te weten [slachtoffer 6] , werkzaam als aspirant bij de Eenheid Oost-Brabant,\n\ngedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen:\n\n- jij kutwout,\n\n- kankerhomo,\n\n- je hebt een kankerkop en\u002Fof\n\n- je bent een kankerhoerenzoon.\n\n01.142086.25\n\n1\n\nop 10 mei 2025 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, niet op eerste vordering heeft voldaan aan de verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden, hem opgelegd krachtens de Wet op de identificatieplicht en het Wetboek van Strafrecht;\n\n2\n\nop 10 mei 2025 te Geldrop, gemeente Geldrop-Mierlo, zich met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar, [slachtoffer 7] (hoofdagent) en\u002Fof [slachtoffer 8] (hoofdagent), werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte door éénmaal en\u002Fof meermalen,\n\n- zijn hoofd met kracht achterwaarts te drukken,\n\n- met zijn armen te duwen,\n\n- in een andere richting, dan waarin bovengenoemde ambtenaren hem wilden geleiden, te bewegen.\n\nDe strafbaarheid van het feit\n\nHet bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\nDe strafbaarheid van verdachte\n\nTen aanzien van het onbruikbaar maken van de politiecel (feit 6 van parketnummer 01.049939.26) heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte nodig moest plassen en dit via de intercom heeft laten weten aan de politieagenten, maar dat hij niet naar de wc mocht. Er was volgens haar sprake van overmacht, waardoor verdachte niet strafbaar is. De rechtbank gaat echter uit van de juistheid van het proces-verbaal van bevindingen van de politie, waarin staat dat verdachte de intercom niet heeft gebruikt. De rechtbank verwerpt het verweer.\n\nEr zijn verder geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.\n\nOplegging van straf\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie vordert een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met de voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De officier vordert een proeftijd van 3 jaar. De officier van justitie heeft verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft de rechtbank verzocht in de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en een groot deel van de straf voorwaardelijk op te leggen. De verdediging heeft zich gerefereerd ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nBij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe ernst van de feiten\n\nVerdachte heeft een flink aantal strafbare feiten gepleegd. De rode draad in deze feiten is dat dat verdachte met gewelddadig, ongecontroleerd en dreigend gedrag in een korte tijd veel slachtoffers heeft gemaakt.\n\nVerdachte heeft zijn ex-partner op drie momenten met meerdere zeer nare berichten met de dood bedreigd. Zijn ex-partner heeft verklaard doodsbang te zijn geweest voor verdachte, niet alleen voor haarzelf maar ook voor haar kind en haar moeder. Ook heeft verdachte toen hij op bezoek kwam bij zijn kind uit woede en frustratie de ruit van de woning van de moeder van zijn ex-partner beschadigd.\n\nVerdachte heeft bij het uitgaan uit het niets slachtoffer [slachtoffer 4] tegen zijn hoofd geslagen waardoor deze knock-out is neergevallen en zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Slachtoffer [slachtoffer 4] heeft toegelicht in zijn slachtofferverklaring dat hij tot de dag van vandaag nog herstellende is en door het letsel in zijn dagelijks leven minder vreugde ervaart dan voorheen.\n\nVerdachte heeft ook zijn moeder bij haar keel gepakt. Uit haar verklaring bij de politieagenten die ter plaatse waren begrijpt de rechtbank dat zij doodsbang is geweest en in haar slachtofferverklaring licht ze toe dat ze erg is geschrokken van wat er is gebeurd.\n\nOok heeft verdachte zich met geweld verzet tegen agenten toen hij werd aangehouden omdat hij zijn ID-bewijs niet kon overhandigen aan de politie. Na een andere aanhouding heeft hij een agent beledigd. Dit handelen getuigt er wederom van dat verdachte zichzelf niet in de hand heeft. Voor de agenten geldt dat zij ongehinderd hun werk moeten kunnen doen en zich nu geconfronteerd zien met het vervelende en agressieve gedrag van verdachte.\n\nVerdachte heeft ook een telefoon gestolen. Verdachte heeft verklaard – en de rechtbank ziet hiervoor ook voldoende aanwijzingen in het dossier - dat hij dit feit heeft gepleegd in een wanhoopspoging om opgenomen te worden vanwege psychische problemen. Dit neemt echter niet weg dat hij hiermee het slachtoffer in een zeer vervelende situatie heeft gebracht.\n\nVerdachte heeft daarnaast nog een minder ernstig, maar toch een hinderlijk feit gepleegd. Hij heeft zijn cel onbruikbaar gemaakt door erin te plassen.\n\nOok heeft verdachte een overtreding gemaakt doordat hij zijn ID-kaart niet kon overhandigen toen de politie deze vorderde.\n\nPersoonlijke omstandigheden\n\nDe rechtbank stelt vast dat verdachte in de afgelopen vijf jaar eerder is veroordeeld voor huiselijk geweld, mishandeling, bedreiging met zware mishandeling, wederspannigheid en belediging van agenten in functie. Ook liep hij in een proeftijd vanwege een veroordeling voor wapenbezit.\n\nUit het reclasseringsrapport blijkt dat verdachte kampt met ernstige psychische- en verslavingsproblematiek. De reclassering schat gelet hierop de situatie van verdachte in als ernstig en vreest voor ernstige escalaties. De reclassering ziet mogelijkheden om met bijzondere voorwaarden het recidiverisico in te perken, mits verdachte in een klinische forensische kliniek met een hoog beveiligingsniveau kan worden opgenomen.\n\nIndien dit mogelijk is, adviseert de reclassering de volgende bijzondere voorwaarden:\n\n• Meldplicht bij reclassering\n\n• Opneming in een zorginstelling\n\n• Ambulante behandeling\n\n• Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang\n\n• Verbod verdovende middelen\n\n• Alcoholverbod\n\n• Contactverbod met [slachtoffer 1] ,\n\n• Locatieverbod voor het adres Van [adres] .\n\nVerdachte heeft verklaard dat hij inziet hulp nodig te hebben voor zijn psychische problemen en is bereid zich aan de voorwaarden te houden. Alleen het begeleid wonen ziet hij niet zitten, omdat hij na de klinische opname bij zijn partner en kind wil intrekken.\n\nDe strafoplegging\n\nTen aanzien van het niet overhandigen van de ID-kaart ziet de rechtbank, gelet op de geringe ernst van dit feit, reden om verdachte geen straf of maatregel op te leggen.\n\nTen aanzien van de andere feiten overweegt de rechtbank als volgt.\n\nDe rechtbank ziet met de reclassering dat verdachte op dit moment een gevaar is voor zichzelf en zijn omgeving. Het recidiverisico, met name op geweldsdelicten, acht de rechtbank hoog.\n\nDe rechtbank zal met het oog de ernst van de feiten en ter bescherming van de maatschappij een gevangenisstraf opleggen. De rechtbank zal een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen met als doel het recidiverisico zoveel als mogelijk in te perken.\n\nDe rechtbank zal de voorwaarden opleggen zoals geadviseerd door de reclassering. Verblijf in een maatschappelijke opvang acht de rechtbank echter niet geschikt voor verdachte en zal de rechtbank daarom niet opleggen als bijzondere voorwaarde.\n\nDe rechtbank zal, anders dan verdachte voor ogen heeft, wel begeleid wonen als bijzondere voorwaarde opnemen. De rechtbank vindt het van belang dat de reclassering de mogelijkheid heeft om zo nodig toezicht te houden op verdachte in zijn woonsetting. Het is aan de reclassering om na zijn klinische opname kritisch te beoordelen of het daadwerkelijk nodig zal zijn dat verdachte begeleid gaat wonen of dat de reclassering van mening is dat in het geval verdachte bij zijn vriendin woont de risico’s met de andere voorwaarden voldoende kunnen worden ingeperkt.\n\nTer zitting heeft de officier van justitie medegedeeld dat de reclassering heeft laten weten dat er op dit moment geen plek is voor verdachte voor een klinische opname in een forensische kliniek, vanwege zijn complexe problematiek. Om het recidiverisico voldoende in te perken is het van groot belang dat verdachte na vrijlating in een klinische setting wordt behandeld voor zijn problematiek. De rechtbank doet dan ook een dringend beroep op de reclassering om zich te blijven inspannen om een geschikte plek te vinden voor klinische opname van verdachte.\n\nGelet op de ernstige problematiek van verdachte zal de rechtbank aan het voorwaardelijk strafdeel een proeftijd van 3 jaar verbinden.\n\nAlles afwegende legt de rechtbank op een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren. Aan de voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.\n\n Omdat er een ernstig gevaar van recidive is zal de rechtbank bepalen dat de gestelde voorwaarden en het toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.\n\nDe vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]\n\n , wettelijk vertegenwoordigd en ter zitting bijgestaan door mr. B.C.J. Herijgers, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert een vergoeding van schade van een bedrag van € 64.680,11, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 44.680,11 aan materiële schade en € 20.000,00 aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij ontvankelijk is in zijn vordering en dat de vordering goed onderbouwd is.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft primair niet-ontvankelijkheid van de gehele vordering bepleit, nu deze vordering een werkdag voor de zitting bij haar is binnengekomen en deze complex van aard is. De raadsvrouw heeft geen gelegenheid gehad om onderdelen van de vordering te (laten) onderzoeken, wat een schending van het recht op een eerlijk proces oplevert.\n\nSubsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade in de kostenposten ‘huishoudelijke hulp’, ‘verlies van zelfwerkzaamheid’ en ‘verlies van arbeidsvermogen’ niet-ontvankelijk dient te worden verklaard vanwege de complexiteit daarvan. Ten aanzien van de overige materiële kostenposten refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank. De gevorderde immateriële schade moet worden verminderd tot een bedrag van hoogstens € 10.000,00.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering:\n\nHet verblijf in het ziekenhuis: € 228,00;\n\nDe kosten van vervoer naar de behandelende sector: € 17,62;\n\nDe parkeerkosten bij de behandelende sector: € 25,00;\n\nDiverse medische kosten: € 1.097,82;\n\nDe kosten van verzorging\u002Fbegeleiding: € 52,50.\n\nVoornoemde onderdelen zijn voldoende gemotiveerd en door de verdediging niet betwist. De rechtbank zal deze kostenposten toewijzen, te weten € 1.420,94, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nTen aanzien van de onderdelen ‘huishoudelijke hulp’ (€ 4.405,20), ‘verlies van zelfwerkzaamheid’ (€ 1.034,96) en ‘verlies van arbeidsvermogen’ (€ 37.819,01) overweegt de rechtbank dat het gaat om aanzienlijke bedragen waaraan een complexere berekening ten grondslag ligt. Van dit gedeelte van de vordering is niet eenvoudig vast te stellen of en in hoeverre deze kosten zijn gemaakt in directe relatie tot het bewezen verklaarde feit.\n\nNader onderzoek naar de juistheid van deze kostenposten zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nImmateriële schade\n\nDe rechtbank overweegt dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen door toedoen van verdachte en acht de vordering ten aanzien van de immateriële schade gedeeltelijk toewijsbaar tot een bedrag van € 10.000,00. Nu er nog onzekerheid is over het (volledige) herstel van het opgelopen letsel, zal de rechtbank de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan het restant van het immateriële gedeelte van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nKostenveroordeling\n\nDe rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.\n\nAangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.\n\nDe vordering van de benadeelde partij Nationale Politie Eenheid Oost-Brabant\n\nDe Nationale Politie Eenheid Oost-Brabant heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert een vergoeding van schade van een bedrag van\n\n€ 90,75, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op materiële schade. Ook worden door de benadeelde partij proceskosten ter hoogte van € 20,00 gevorderd en is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte bereid is de schade te vergoeden.\n\nHet oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.\n\nKostenveroordeling\n\nDe rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op € 20,00. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.\n\nAangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.\n\nBeslag\n\nDe rechtbank is van oordeel dat het valmes aan het verkeer onttrokken dient te worden verklaard, omdat blijkens het onderzoek ter terechtzitting dit voorwerp bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane misdrijven is aangetroffen, terwijl dit voorwerp kan dienen tot het begaan of ter voorbereiding van soortgelijke misdrijven, dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan, en dit voorwerp toebehoort aan verdachte en van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet.\n\nDe vordering na voorwaardelijke veroordeling 01.110429.23\n\nDe zaak met parketnummer 01.110429.23 is aangebracht bij vordering van 11 juli 2025. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter te 's-Hertogenbosch van 7 juli 2023. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.\n\nDe vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.\n\nUit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.\n\nToepasselijke wetsartikelen\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen:\n\n14a, 14b, 14c, 36b, 36d, 36f, 57, 60a, 62, 180, 266, 267, 285, 300, 304, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.DE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;\n\nhet bewezen verklaarde levert op de misdrijven en overtreding:\n\n01.049939.26\n\nFeit 1 en 3, telkens:\n\nbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;\n\nFeit 2\n\nbedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met zware mishandeling;\n\nFeit 4\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen;\n\nFeit 5\n\ndiefstal\n\nFeit 6\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken;\n\n01.029098.26\n\nmishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;\n\n01.232213.25\n\nFeit 1\n\nmishandeling, begaan tegen zijn moeder;\n\nFeit 2\n\neenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, niet zijnde een lid van een algemeen vertegenwoordigend lichaam\u002Feen openbaar lichaam\u002Feen openbare instelling;\n\n01.142086.25\n\nFeit 1\n\nniet voldoen aan de hem krachtens artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht opgelegde verplichting om een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden;\n\nFeit 2\n\nwederspannigheid;\n\nverklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\nT.a.v. 01-142086-25 feit 1 (overtreding)\n\nverklaart verdachte schuldig zonder oplegging van straf of maatregel;\n\nT.a.v. 01-049939-26 feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5, feit 6, 01-029098-26 feit 1, 01-142086-25 feit 2, 01-232213-25 feit 1, feit 2\n\nlegt op de volgende straf:\n\neen gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar;\n\nstelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:\n\n1. zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de veroordeelde zich binnen drie werkdagen dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij SVG reclassering in de regio waar klinische behandeling zal plaatsvinden, dan wel bij verslavingsreclassering Novadic Kentron te Eindhoven;\n\n2. zich tijdens de proeftijd voor de duur die de behandelaar beoogt of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in, diagnosticeren en behandelen door een forensisch klinische zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk nadat de proeftijd is gestart en zodra de plaatsing mogelijk is, bij voorkeur aansluitend aan detentie. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op diagnostiek, psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden en sociale vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren;\n\n3. zich gedurende de proeftijd en aansluitend aan de klinische behandeling laat behandelen door een forensische zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start in aansluiting op de klinische behandeling. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op het vasthouden en bestendigen van aangeleerde vaardigheden in de klinische setting. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\n4. indien de reclassering dat noodzakelijk vindt, gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, (al dan niet aansluitend aan de klinische opname) verblijft in instelling voor beschermd danwel begeleid wonen, te bepalen door de reclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;\n\n5. gedurende de proeftijd geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs), lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Veroordeelde moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek, ademonderzoek en\u002Fof speekseltesten. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\n6. gedurende de proeftijd geen alcohol gebruikt. Veroordeelde moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek, ademonderzoek en\u002Fof speekseltesten. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;\n\n7. gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met: [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] ;\n\n8. zich gedurende de proeftijd niet bevindt in een straal van 300 meter bij de Van [adres] ;\n\ngeeft opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.\n\nHierbij gelden als voorwaarden dat de veroordeelde:\n\n- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt om de identiteit vast te stellen;\n\n- meewerkt aan reclasseringstoezicht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;\n\nverklaart de voornoemde bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar;\n\nBeslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] (01.029098.26 feit 1)\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [slachtoffer 4] , van een bedrag van 11.420,94 euro, bestaande uit 1.420,94 euro materiële schade en 10.000,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nveroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\nbepaalt dat de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen;\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer 4] , van een bedrag van 11.420,94 euro. Voormeld bedrag bestaat uit 1.420,94 euro materiële schade en 10.000,00 euro immateriële schade. De vergoeding van materiële en immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 82 dagen. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;\n\nVordering benadeelde partij Nationale Politie Eenheid Oost-Brabant (01.049939.26 feit 6)\n\nwijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, Nationale Politie Eenheid Oost-Brabant, van een bedrag van 90,75 euro, bestaande uit materiële schade. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 maart 2026 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nveroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op 20,00 euro, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nlegt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van Nationale Politie Eenheid Oost-Brabant, van een bedrag van 90,75 euro. Voormeld bedrag bestaat uit materiële schade. De vergoeding van materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 maart 2026 tot aan de dag der algehele voldoening;\n\nbepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 1 dag. De toepassing van deze gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.\n\nBeslag (01.029098.26)\n\nonttrekt aan het verkeer het inbeslaggenomen goed:\n\n1 STK Valmes.\n\nBeslissing tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf\n\nbeveelt de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Oost-Brabant van 25 januari 2024, gewezen onder parketnummer 01.110429.23, te weten:\n\neen gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. I.M. Rinzema, voorzitter,\n\nmr. H.M. Hettinga en mr. E.M.J. Raeijmaekers, leden,\n\nin tegenwoordigheid van mr. R. van Warners, griffier,\n\nen is uitgesproken op 6 juli 2026.\n\n.\n\n Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4759","ecli-nl-rbobr-2026-4759",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":92,"ecli":93,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":94,"fullText":95,"language":7,"source":17,"sourceUrl":96,"summary":14,"slug":97,"metadata":98},"1568","ECLI:NL:RBDHA:2026:18519","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats ‘s-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.35195\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. W.M. Blaauw),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\n(gemachtigde: mr. J.A.A. Willems).\n\nProcesverloop\n\n1. Met het bestreden besluit van 24 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n1.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n1.2.. De rechtbank heeft partijen op 25 juni 2026 uitgenodigd voor de behandeling van de zaak op zitting. Partijen hebben vervolgens ingestemd met schriftelijke afdoening van de zaak en de behandeling ter zitting op 25 juni 2026 is niet door gegaan.\n\n1.3.. Eiser heeft op 29 juni 2026 beroepsgronden ingediend. De minister heeft daarop op 1 juli 2026 gereageerd. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op 3 juli 2026 gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nKan de kennisgeving van de minister worden ingetrokken door eiser?\n\nFeiten en omstandigheden\n\n2. Nadat de rechtbank de kennisgeving van de inbewaringstelling van eiser had ontvangen, is onmiddellijk het tijdstip van het onderzoek ter zitting bepaald.Gemachtigde van eiser heeft daarop contact opgenomen met de rechtbank en aangegeven dat hij op dat tijdstip verhinderd is. De dag van de zitting heeft hij, verdeeld over het land, meerdere bewaringszittingen en van hem kan niet verwacht worden dat hij overal kan verschijnen. Gemachtigde van eiser heeft aangegeven de zaak te willen intrekken en heeft vervolgens een intrekkingsverklaring aan het digitale dossier toegevoegd. De rechtbank heeft daarop contact opgenomen met de gemachtigde van eiser en aangegeven dat de behandeling van de zaak wordt voorgezet, ondanks de aan het digitale dossier toegevoegde intrekkingsverklaring. De gemachtigde van eiser heeft vervolgens verzocht de zaak schriftelijk te behandelen. De minister heeft ingestemd met schriftelijke behandeling.\n\nStandpunt eiser\n\n3. In de gronden van beroep van 29 juni 2026 persisteert eiser bij zijn intrekking. Namens eiser is nogmaals aangegeven dat het voor zijn gemachtigde niet mogelijk is om op meerdere plaatsen tegelijkertijd op bewaringszittingen te verschijnen en in dat kader wordt gewezen op de (on)mogelijkheden voor het CIV om meerdere zaken van één gemachtigde gebundeld te laten plannen bij een zittingsplaats. Indien de intrekking door de rechtbank niet wordt geaccepteerd dan hoort eiser graag waarom dat zo is en verzoekt hij de rechtbank de maatregel van bewaring ambtshalve te beoordelen.\n\nStandpunt minister\n\n4. De minister stelt zich op het standpunt dat, gelet op artikel 94, vijfde lid van de Vw 2000 en artikel 11, derde lid, van de Opvangrichtlijnhet beroep door middel van een kennisgeving niet kan worden ingetrokken door (de gemachtigde van) de vreemdeling. Op het moment dat een kennisgeving door (de gemachtigde van) de vreemdeling kan worden ingetrokken, heeft dat tot gevolg dat de rechtmatigheid van de bewaring niet (meer) door de rechter wordt getoetst. Dit is strijdig met artikel 11, derde lid, van de Opvangrichtlijn omdat de rechtmatigheid van de bewaring in een dergelijk geval ongetoetst blijft.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n5. Bij deze beoordeling gaat het om een maateregel van bewaring die is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000 en deze maatregel van bewaring duurde tot het moment van sluiting van het onderzoek nog voort.\n\n5.1.. Omdat het gaat om een maatregel op grond van artikel 59b van de Vw 2000 is de Opvangrichtlijn van toepassing. Uit artikel 11, tweede lid, van de Opvangrichtlijn volgt dat bewaring wordt bevolen door rechterlijke of administratieve instanties. Artikel 11, derde lid, van de Opvangrichtlijn bepaalt dat wanneer de bewaring wordt bevolen door een administratieve instantie, de lidstaten er ambtshalve of op verzoek van de verzoeker, of beide, voor zorgen dat de rechtmatigheid van de bewaring door de rechter met spoed wordt getoetst.\n\n5.2.. In artikel 94, eerste lid van de Vw 2000 is opgenomen dat de minister onverwijld na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in de artikel 59b van de Vw 2000 de rechtbank hiervan in kennis stelt.\n\n5.3.. Dit betekent dat de wetgever ervoor gekozen heeft de toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring ambtshalve aan de rechter voor te leggen door middel van het verzenden van een kennisgeving. De mogelijkheid voor het instellen van beroep door de vreemdeling is niet (meer) opgenomen in de Vw 2000. Dat dit een bewuste keuze is, blijkt expliciet uit de Memorie van Toelichting (MvT)waarin is opgenomen dat:\n\n“In dit wetsvoorstel wordt artikel 94, eerste lid, Vw 2000 aangepast aan de keuze van de regering om enkel ambtshalve beroep open te stellen tegen een vrijheidsontnemende maatregel. De vreemdeling hoeft daardoor niet zelf beroep in te stellen. In verband met de kortere uitspraaktermijn in bewaringszaken wordt in het voorgestelde artikel 94, eerste lid, Vw 2000 opgenomen dat de Minister van Asiel en Migratie de rechtbank onverwijld in kennis stelt van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel na de bekendmaking daarvan.\n\nAanvankelijk werd beoogd zowel de ambtshalve toetsing door de rechter als de mogelijkheid voor de vreemdeling om zelf beroep in te stellen, open te houden. Naar aanleiding van de consultatiereacties, in het bijzonder met betrekking tot de uitvoerbaarheid, kiest de regering ervoor alleen nog de ambtshalve toetsing door de rechter te behouden, waarbij de rechtbank onverwijld na de bekendmaking in kennis wordt gesteld van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Dit levert namelijk minder administratieve lasten op voor de uitvoering en de rechtspraak en zorgt ervoor dat de kortere uitspraaktermijn optimaal kan worden benut.”\n\n5.4.. Gelet op de bewoordingen van artikel 11 van de Opvangrichtlijn, waarin is aangegeven dat de lidstaat er ambtshalve ofop verzoek van de verzoeker,ofbeide voor zorgdraagt dat de rechtmatigheid van de bewaring zo spoedig mogelijk wordt getoetst, heeft de wetgever er dus voor kunnen kiezen het eerste beroep ter toetsing van de inbewaringstelling telkens in te leiden met een kennisgeving en daarmee alleen de ambtshalve weg open te stellen.\n\n5.5.. Ter waarborging van de spoedige rechterlijke toetsing is in artikel 11, derde lid, van de Opvangrichtlijn eveneens bepaald dat deze toets zo snel mogelijk wordt afgerond, rekening houdend met de omstandigheden van elk geval, en uiterlijk 15 dagen of, in uitzonderlijke omstandigheden, uiterlijk 21 dagen na de aanvang van de bewaring. Indien de in de eerste alinea bedoelde rechterlijke toetsing ambtshalve wordt uitgevoerd en niet binnen 21 dagen na de aanvang van de bewaring is afgerond, wordt de betrokken verzoeker onmiddellijk vrijgelaten. Deze bepalingen uit de Opvangrichtlijn zijn opgenomen in artikel 94, vijfde lid, van de Vw 2000.\n\n5.6.. Voorgaande betekent dat de spoedige rechtelijke toetsing van het opleggen van de maatregel van bewaring alleen kan worden ingeleid via de kennisgeving daarvan door de minister en dat met deze kennisgeving vervolgens ook de verplichting ontstaat voor de rechtbank om de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring te toetsen.\n\n5.7.. Hoewel in artikel 94, eerste lid, tweede volzin van de Vw 2000 is bepaald dat wanneer de kennisgeving is ontvangen, de vreemdeling wordt geacht beroep te hebben ingesteld, betekent dit niet dat het de vreemdeling ook vrijstaat de met een beroep gelijkgestelde kennisgeving in te trekken. Als deze mogelijkheid open zou staan dan wordt het de rechtbank onmogelijk gemaakt te voldoen aan de bepalingen uit de Opvangrichtlijn zoals deze zijn opgenomen in artikel 94, vijfde lid van de Vw 2000. De rechtbank kan dan immers niet binnen 15, uiterlijk 21 dagen de rechterlijke toetsing uitvoeren. De consequentie daarvan is dat de maatregel van bewaring moet worden opgeheven na 21 dagen.\n\n5.8.. De rechtbank verwijst in dit kader ook naar het arrest C.B.X. (ambtshalve toetsing van de bewaring) van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof). Hoewel dit arrest is gewezen onder de werking van de inmiddels herziene Opvangrichtlijn van 2013, gelden de uitgangspunten uit dat arrest onverkort. In de punten 92 en 93 van het arrest benadrukt het Hof dat, het door de Uniewetgever vastgestelde strikte kader voor bewaring en voortduring van een bewaringsmaatregel, tot een situatie leidt die niet geheel te vergelijken valt met een bestuursrechtelijk geschil waarin het initiatief en de afbakening van het geschil bij de partijen berusten. Voor de rechterlijke autoriteit geldt de verplichting om ambtshalve vast te stellen of een uit het Unierecht voortvloeiende voorwaarde voor de rechtmatigheid van een dergelijke maatregel niet is nageleefd. De rechtbank overweegt dat, nu alleen met het verzenden van de kennisgeving de maatregel van bewaring aan de rechtbank ter toetsing kan worden voorgelegd, de rechtbank de rechtmatigheid daarvan ook alleen via die weg kan en ook moet beoordelen. Dat in bestuursrechtelijke geschillen een ingesteld beroep kan worden ingetrokken, doet niet af aan de uit de Opvangrichtlijn volgende verplichting voor de rechterlijke autoriteit om een aan de rechtbank voorgelegde maatregel van bewaring, spoedig te toetsen, ook al heeft de vreemdeling daaraan -kennelijk- geen behoefte.\n\n5.9.. Daarbij komt dat de door het Hof genoemde strikte kaders met de huidige Opvangrichtlijn nog strikter zijn geworden, nu een niet tijdige rechterlijke toets tot onmiddellijke invrijheidsstelling leidt. Een mogelijkheid voor de vreemdeling om deze rechtelijke toets onmogelijk te maken door de met een beroep gelijkgestelde kennisgeving in te trekken en daarmee zijn invrijheidstelling te bewerkstelligen, verdraagt zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet met de doelstellingen van het Unierecht.\n\n5.10.. Dit betekent dat de rechtbank, in ieder geval zolang de vrijheidsontneming nog voortduurt, de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring die is ingeleid met de kennisgeving moet kunnen toetsen, ook als de vreemdeling daarop geen prijs stelt en de kennisgeving, die wordt aangemerkt als een beroep, wil intrekken.\n\n5.11.. In de concrete zaak van eiser betekent dit dat de rechtbank, nu eiser geen inhoudelijke gronden heeft ingediend, het opleggen en het voortduren van de maatregel ambtshalve zal beoordelen.\n\n5.12.. Naar aanleiding van het standpunt van de gemachtigde van eiser dat hij niet in staat was te verschijnen op de door de rechtbank geplande zitting en daarom geen andere keuze had dan een intrekkingsverklaring aan het digitale dossier toevoegen, merkt de rechtbank nog het volgende op. De gemachtigde had in dat geval had kunnen verzoeken om verplaatsing van de zitting naar een andere dag of tijdstip of, zoals uiteindelijk ook is gebeurd, in overleg met eiser kunnen verzoeken de zaak schriftelijk af te doen.\n\nDe aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring\n\n6. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de identiteit of nationaliteit en het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer sprake is van een onderduikrisico.\n\n6.1.. In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:\n\na. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;\n\nb. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;\n\nc. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;\n\nd. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;\n\np. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;\n\nq. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;\n\nr. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;\n\ns. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\nKunnen de door de minister vermelde gronden de maatregel dragen?\n\n7. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door de minister in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, niet betwist. Ook naar het ambtshalve oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden, bezien in samenhang met de daarop in de maatregel gegeven toelichting, het bestaan van een risico op onderduiken dragen.\n\nLeidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?\n\n8. De rechtbank overweegt dat ook de ambtshalve rechtmatigheidsbeoordeling van de maatregel van vreemdelingenbewaring niet tot de conclusie leidt dat het opleggen van de maatregel en het voortduren daarvan tot het moment van het sluiten van het onderzoek onrechtmatig was.\n\nConclusie en gevolgen\n\n9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.H. van Marle, rechter, in aanwezigheid van mr. D.E. Maas, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 3 juli 2026.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000.\n\n Dit volgt uit artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000.\n\n Richtlijn (EU) 2024\u002F1346 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming\n\n MvT, 2025-2026, 36 871, nr. 3, pagina 84 e.v.\n\n Arrest van 8 november 2022, C, B, en X, ECLI:EU:C:2022:858\n\n Richtlijn 2013\u002F33\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking)\n\n Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18519","ecli-nl-rbdha-2026-18519",{"courtName":6,"legalDomain":99,"decisionType":22,"procedureType":23},"Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":101,"ecli":102,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":94,"fullText":103,"language":7,"source":17,"sourceUrl":104,"summary":14,"slug":105,"metadata":106},"1755","ECLI:NL:RBOBR:2026:4709","vonnisRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nLocatie 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummer: 01.269414.23\n\nDatum uitspraak: 03 juli 2026\n\nVonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op 1 [1995],\n\nwonende te [adres] .\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 april 2026 en 19 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdediging naar voren is gebracht.\n\nDe tenlastelegging.\n\nDe zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 2 maart 2026. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nhij, in of omstreeks de periode van 10 augustus 2023 tot en met 11 augustus 2023, te Helmond, met [slachtoffer] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige psychische stoornis en\u002Fof verstandelijke handicap leed dat deze niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten:\n\n- het meermalen, althans eenmaal betasten met zijn, verdachtes, hand(en) en\u002Fof vinger(s) van de borsten en\u002Fof vagina en\u002Fof schaamstreek van die [slachtoffer] en\u002Fof- het meermalen, althans eenmaal brengen\u002Fduwen en\u002Fof houden van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina en\u002Fof tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en\u002Fof- het meermalen, althans eenmaal (op en neer) bewegen van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina en\u002Fof tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] en\u002Fof- het meermalen, althans eenmaal, brengen\u002Fduwen en\u002Fof houden van zijn, verdachtes, penis tegen\u002Fin de vagina en\u002Fof schaamlippen en\u002Fof anus van die [slachtoffer] en\u002Fof- het meermalen, althans eenmaal, op en neer bewegen van zijn, verdachtes, penis tegen\u002Fin de vagina en\u002Fof schaamlippen en\u002Fof anus van die [slachtoffer] .\n\nDe formele voorvragen.\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nOnderzoek Asea.\n\nOp 10 augustus 2023 werd [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) als vermist opgegeven door de instelling waar zij op dat moment verbleef. In de nacht van 10 op 11 augustus 2023 werd [slachtoffer] overstuur in een sloot aangetroffen in Helmond. Nadat de politie ter plaatse kwam, werd er telefonisch contact gelegd met de moeder van [slachtoffer] . Ze heeft tegen haar moeder verteld dat ze verkracht is. Hierna werd het onderzoek Asea opgestart.\n\nVerdachte wordt verweten dat hij bij [slachtoffer] handelingen heeft gepleegd, waaronder het seksueel binnendringen, terwijl hij wist dat zij een zodanige verstandelijke beperking had dat zij niet of onvolkomen in staat was haar wil kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden.\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nHet Openbaar Ministerie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde. De officier van justitie stelt allereerst vast dat er sprake is geweest van seksueel binnendringen. Er is ook sprake van seksueel binnendringen in de anus, gelet op de verklaring van [slachtoffer] en het belastende DNA-rapport. Ten tweede is er sprake van een zodanige verstandelijke beperking dat [slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was haar wil kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden. Dit blijkt uit de rapporten die over [slachtoffer] zijn opgemaakt en uit de verklaring van de moeder van [slachtoffer] . Verdachte wist ook van de verstandelijke beperking van [slachtoffer] en het daaruit voortvloeiende wilsgebrek. Om deze wetenschap bij verdachte aan te nemen, is voorwaardelijk opzet voldoende. Daarvan was in de visie van het de officier van justitie sprake.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe verdediging heeft, overeenkomstig de inhoud van de aan de rechtbank overgelegde pleitnota van 19 juni 2026, bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.\n\nHet oordeel van de rechtbank: vrijspraak.\n\nDe rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken, en overweegt als volgt.\n\nSeksueel binnendringen.\n\nDe rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat verdachte bij [slachtoffer] handelingen heeft verricht die ook bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam.\n\nDe geestestoestand van [slachtoffer] .\n\nIn het dossier bevindt zich een Gedragswetenschappelijk verslag dat op 18 augustus 2023 door Lore over [slachtoffer] is opgemaakt (hierna: verslag). Daarnaast bevindt zich in het dossier een rapport betreffende psychologisch onderzoek van [slachtoffer] van Amarant van 23 januari 2020 (hierna: rapport). Op basis van het verslag en het rapport, stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] een verstandelijke beperking heeft. De rechtbank is van oordeel dat de verstandelijke beperking van [slachtoffer] kan worden aangemerkt als een zodanige verstandelijke beperking dat zij onvolkomen in staat is haar wil met betrekking tot de seksuele handelingen te bepalen, kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden. Hieruit volgt immers dat [slachtoffer] gedrag laat zien dat passend is bij een (aanzienlijk) jongere ontwikkelingsleeftijd. Naast de verstandelijke beperking is sprake van een hechtingsstoornis en een achterstand in haar emotionele ontwikkeling.\n\nDe wetenschap van de verdachte.\n\nTot slot dient de vraag te worden beantwoord of verdachte wist van de verstandelijke beperking van [slachtoffer] en het daaruit voortvloeiende wilsgebrek. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.\n\nDe rechtbank stelt voorop dat, op basis van het dossier en wat op zitting is besproken, niet zonder meer kan worden vastgesteld dat verdachte van de verstandelijke beperking van [slachtoffer] wist.\n\nDe vraag die de rechtbank vervolgens moet beantwoorden is of verdachte daarop bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard.\n\nDe beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Onder ‘de naar algemene ervaringsregels aanmerkelijke kans’ moet worden verstaan de in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.\n\nDe rechtbank overweegt daarover het volgende.\n\nDe rechtbank stelt vast dat dit de eerste keer was dat verdachte en [slachtoffer] elkaar hebben ontmoet. Verdachte zat op een bankje terwijl [slachtoffer] , met natte kleding, naar hem toe kwam lopen en hem vroeg hoe laat het was. Zij raakten aan de praat, waarbij [slachtoffer] onder andere aangaf dat zij zojuist, met kleding aan, is gaan zwemmen. De rechtbank merkt op dat dit een niet alledaagse situatie is.\n\nVerdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] ook heeft verteld dat zij op een groep verbleef, waar zij was weggegaan, omdat zij problemen had.\n\nVerdachte heeft ook verklaard dat hij fysiek en verbaal niets heeft gemerkt van de verstandelijke beperking van [slachtoffer] . Voor zijn gevoel praatte hij met een volwassen vrouw, die normaal was.\n\nHetzelfde geldt voor de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . [getuige 2] heeft bij de politie verklaard dat [slachtoffer] er normaal uitzag en bij de rechter-commissaris dat hij niets raars aan haar heeft gemerkt. Over [getuige 1] merkt de rechtbank nog op dat uit de verklaringen van [slachtoffer] en verdachte blijkt dat [getuige 1] haar leuk vond. Hieruit leidt de rechtbank af dat de verstandelijke beperking van [slachtoffer] voor [getuige 1] en [getuige 2] niet (direct) kenbaar was.\n\nDe rechtbank heeft verder gezien dat uit het verslag en het rapport blijkt dat [slachtoffer] op het gebied van verbaal begrip relatief sterk functioneert. Daarnaast komt naar voren dat zij zich presenteert als iemand die zelfstandig veel aankan, terwijl dit in de praktijk niet altijd het geval is. Zij heeft de neiging haar eigen mogelijkheden te overschatten en wordt daardoor door haar omgeving regelmatig overschat. Deze omstandigheden maken naar het oordeel van de rechtbank dat niet kan worden vastgesteld dat de beperking [slachtoffer] zich zodanig heeft geuit dat deze voor verdachte (direct) kenbaar was.\n\nZoals hiervoor gezegd, blijkt uit de verklaring van [slachtoffer] en verdachte dat [getuige 1] [slachtoffer] leuk vond. Hieruit blijkt ook dat zij daar niet in mee is gegaan. Verdachte verklaart daarover: “Toen kwamen ze weer terug en later gingen ze weer een keer praten. Hij zei tegen haar dat hij haar leuk vond en zij zei tegen hem dat ze hem niet wilde.” [slachtoffer] zegt daarover het volgende: “Toen begon eerst een andere jongen te zeggen: ik vind je leuk, ik vind dat je mooi haar hebt, ik vind je leuk, ik wil... ja zo. Zo. Maar toen had ik gezegd: dat ik... wat had ik gezegd? Dat ik eigenlijk ook niet toe aan een relatie was” en “Ik heb liever iemand van eigen leeftijd zei ik toen maar gewoon.” Dit wordt bevestigd in het telefoongesprek dat [slachtoffer] heeft gevoerd met de broer van verdachte, waarin ze onder meer heeft gezegd: “(…) Is het niet gewoon een zwaar misverstand geweest tussen [verdachte] , die dacht van: zij vindt mij leuk? Want dat heb ook wel gezegd in die kamer. Want toen vroeg een andere jongen: wil jij verkering met mij? En toen zei ik nee, dat wil ik niet.” De rechtbank leidt hieruit af dat [slachtoffer] op enig moment haar wil richting [getuige 1] heeft geuit en dat verdachte dit heeft waargenomen. Ook deze omstandigheden bieden ondersteuning aan het oordeel dat verdachte niet wist of had moeten weten dat [slachtoffer] een zodanige beperking had dat zij niet of onvolkomen in staat was haar wil kenbaar te maken en daartegen weerstand te bieden.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat onder de hiervoor genoemde omstandigheden niet kan worden gezegd dat een aanmerkelijke kans bestond dat verdachte seksuele handelingen zou verrichten met een persoon die – kort gezegd – haar wil niet zelf kon bepalen of daartegen geen weerstand kon bieden. De rechtbank kan op basis van het dossier niet vaststellen dat verdachte dit wist of had moeten weten. Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat zij de omstandigheden dat verdachte wist dat [slachtoffer] op een groep zat en dat zij met kleding aan is gaan zwemmen daarvoor niet voldoende acht, zeker niet in het licht van de verder omschreven omstandigheden. Dat betekent dat niet kan worden bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet had.\n\nConcluderend oordeelt de rechtbank dat het ten laste gelegde feit niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken.\n\nDe rechtbank begrijpt uit hetgeen namens [slachtoffer] tijdens het spreekrecht naar voren is gebracht dat de gebeurtenissen voor [slachtoffer] ingrijpend zijn geweest en dat die een grote impact op haar heeft gehad. De rechtbank heeft oog voor de gevoelens van [slachtoffer] en haar familie en realiseert zich dat deze uitspraak mogelijk niet overeenkomt met hetgeen zij hadden gehoopt of verwacht. In het Nederlandse strafrecht kan een verdachte echter alleen worden veroordeeld als er wettig en overtuigend bewijs is voor zijn schuld. Daarvan is in dit geval geen sprake.\n\nDe vordering van [slachtoffer] .\n\nVolgens de wet kan de strafrechter bij een vrijspraak geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.\n\nProceskosten\n\nDe benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, waardoor niet is komen vast te staan of en in hoeverre de vordering terecht is ingediend. De benadeelde partij moet daarom de kosten vergoeden die de verdachte heeft gemaakt om tegen deze vordering in te gaan. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de verdachte daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.\n\nDE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank:\n\nVrijspraak\n\nVerklaart het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nBeslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .\n\nDe rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijkis in de vordering tot schadevergoeding en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijk rechter kan aanbrengen.\n\nDe rechtbank veroordeelt de benadeelde partij tot betaling van de kosten die verdachte in dit kader heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. N. Flikkenschild, voorzitter,\n\nmr. J.H.L.M. Snijders en mr. W.B. Kok, leden,\n\nin tegenwoordigheid van mr. K.D.A.J. Hombergen, griffier,\n\nen is uitgesproken op 03 juli 2026.\n\n Vergelijk Hoge Raad, 3 december 2012, ECLI:NL:HR:2002:AE8908.\n\n Hoge Raad, 21 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:689.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4709","ecli-nl-rbobr-2026-4709",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":108,"ecli":109,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":110,"fullText":111,"language":7,"source":17,"sourceUrl":112,"summary":14,"slug":113,"metadata":114},"1076","ECLI:NL:RBOBR:2026:4781","2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 24\u002F1298\n uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juli 2026 in de zaak tussen\n \n [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres\n\n(gemachtigde: [naam] ),\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant\n\n(gemachtigde: S.A. Van Eck).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de hoogte van de WOZ-waarde van haar woning aan de [adres] in [woonplaats] (de woning) voor het kalenderjaar 2023.\n\n1.1.. De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van de woning met de beschikking van 30 september 2023 vastgesteld op € 280.000. De waarde is vastgesteld per waardepeildatum 1 januari 2022 en voor het kalenderjaar 2023. De WOZ-beschikking is opgenomen in het aanslagbiljet van dezelfde datum. In dit aanslagbiljet heeft de heffingsambtenaar ook de aanslag onroerendezaakbelasting eigenaar woning 2023 en de aanslag watersysteemheffing gebouwd 2023 opgelegd.\n\n1.2.. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarde van de woning verlaagd naar € 248.000 en de opgelegde aanslagen verminderd.\n\n1.3.. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.\n\n1.4.. Eiseres heeft op het verweerschrift gereageerd met een conclusie van repliek.\n\n1.5.. De heffingsambtenaar heeft gereageerd met een conclusie van dupliek. Eiseres heeft daarop nog gereageerd.\n\n1.6.. De rechtbank heeft het beroep op 12 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.\n\n1.7.. De rechtbank heeft partijen tijdens de zitting doorverwezen naar mediation en de behandeling van de zaak geschorst. Het mediationtraject heeft niet geleid tot een oplossing van het geschil.\n\n1.8.. Eiseres heeft nadere stukken ingediend.\n\n1.9.. De rechtbank heeft de behandeling op 5 februari 2026 op zitting voortgezet. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de heffingsambtenaar.\n\nFeiten\n\n2. Eiseres is eigenaar van de woning, een vrijstaande bedrijfswoning uit 1990. De woning bestaat uit een hoofdbouw van 165 m2 en een serre van 20 m2. Het perceel heeft een oppervlakte van ongeveer 405 m².\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de WOZ-waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.\n\n4. Het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nZijn het verweerschrift en de dupliek te laat ingediend?\n\n5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het verweerschrift en de dupliek van de heffingsambtenaar niet ontvankelijk moeten worden verklaard. Het verweerschrift is namelijk buiten de door de rechtbank bepaalde termijn van 16 september 2024 op 23 september 2024 ingediend en de dupliek is binnen de 10 dagentermijn ingediend. De rechtbank begrijpt dat eiseres bedoelt dat het verweerschrift vanwege strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten en de dupliek wegens schending artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten beschouwing moet worden gelaten, waarin is bepaald dat tot tien dagen voor de zitting partijen nadere stukken kunnen indienen. De hiervoor genoemde bepaling beoogt een behoorlijk verloop van de procedure te waarborgen. Binnen het kader van de goede procesorde heeft de rechter de mogelijkheid stukken al dan niet in de procedure toe te laten. Een goede procesorde brengt mee dat de rechter de inhoud van de stukken alleen aan het oordeel ten grondslag legt als de andere partij voldoende in de gelegenheid is geweest daarvan kennis te nemen en daarop te reageren.De termijn van tien dagen is dus geen harde grens; stukken die gelet op die termijn op tijd zijn ingediend, maar die vanwege bijvoorbeeld hun omvang de wederpartij niet meer in staat stellen om er adequaat op te reageren, kunnen alsnog worden geweigerd. En stukken die gelet op die termijn te laat zijn ingediend, maar waarop gelet op hun inhoud of beperkte omvang een wederpartij nog prima kan reageren, kunnen toch worden toegelaten.\n\n5.1.. De (eerste) zittingsdag was op 12 december 2024 en de heffingsambtenaar heeft het stuk op 2 december 2024 ingediend. In beginsel is dat in strijd met artikel 8:58, eerste lid, van de Awb en dus te laat. De rechtbank constateert echter dat eiseres uitgebreid heeft kunnen reageren in haar reactie van 5 december 2024 op de dupliek. Daarnaast heeft eiseres doordat de zaak wegens mediation is geschorst haar stellingen kunnen aanvullen. De rechtbank betrekt daarom de dupliek bij de beoordeling. Aangezien er na indiening van het verweerschrift gelegenheid is geweest voor re- en dupliek en eiseres daarna ook nog heeft gereageerd op de dupliek, is er ook geen aanleiding om het verweerschrift buiten beschouwing te laten wegens schending van de goede procesorde.\n\nFormele stellingen van eiseres\n\n6. Eiseres voert aan dat de heffingsambtenaar niet op al haar bezwaren heeft gereageerd. Eiseres vindt verder dat het taxatieverslag niet voldoet aan het wettelijk vastgelegde model taxatieverslag. Ook staat er een aantal onjuistheden in en wijst zij erop dat de foto’s van de vergelijkingsobjecten ontbreken. Verder zijn zonder haar toestemming foto’s van haar woning openbaar gemaakt, wat een aantasting is van haar privacy. Ook voert zij aan dat dat de heffingsambtenaar dezelfde onderbouwing geeft als hij heeft gegeven tegen de vastgestelde WOZ-waarde voor het belastingjaar 2022, terwijl daarover een procedure is gevoerd bij de rechtbank en daarover uitspraakis gedaan. Zij handhaaft de in die procedure aangevoerde bezwaren.\n\n6.1.. De rechtbank volgt eiseres niet in haar stellingen. In de bestreden uitspraak is de heffingsambtenaar op de door eiseres aangevoerde gronden ingegaan. Maar ook al zou het onvoldoende gemotiveerd zijn dan nog leidt dat niet tot een gegrond beroep. Volgens vaste rechtspraakhoeft het enkele feit dat een aanslag onzorgvuldig is voorbereid, niet te leiden tot vernietiging van die aanslag. Eventuele onzorgvuldigheden en onjuistheden\u002Fmotiveringsgebreken in de uitspraak op bezwaar kunnen in beroep worden hersteld en hoeven niet te betekenen dat de waardevaststelling onjuist is. Verder vindt de rechtbank niet dat eiseres is benadeeld doordat er geen foto’s van de vergelijkingsobjecten in het taxatieverslag staan. De vergelijkingsobjecten liggen op relatief korte afstand van de woning. Eiseres heeft de vergelijkingsobjecten zelf van dichtbij kunnen bekijken door daarbij langs te gaan, wat zij ook heeft gedaan. De rechtbank overweegt verder dat de heffingsambtenaar de foto’s van de woning heeft gebruikt in de beroepszaak van eiseres. Daarmee zijn de foto’s niet openbaar gemaakt. Zittingen van de belastingrechter vinden namelijk achter gesloten deuren plaats, juist om de privacy van de belastingplichtige te borgen. De heffingsambtenaar moet zich in beroep kunnen verweren tegen de stellingen van eiseres dat hij de waarde op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Om aan zijn bewijslast te voldoen heeft de heffingsambtenaar zich genoodzaakt gezien om fotomateriaal te verzamelen en aan de dossiers toe te voegen. Dit fotomateriaal dient er ook toe om de rechtbank inzicht te geven op basis van welke uitgangspunten de heffingsambtenaar de woning heeft getaxeerd. Tot slot heeft eiseres niet kenbaar gemaakt welke bezwaren eiseres tegen de WOZ-waarde voor het belastingjaar 2022 naar voren heeft gebracht en waarom die moeten leiden tot een geslaagd beroep. De enkele overlegging van het betreffende beroepschrift over dat belastingjaar is daarvoor onvoldoende. De beroepsgronden slaagt niet.\n\nHet verzoek om foto’s uit het bestand van de heffingsambtenaar te laten verwijderen\n\n7. Eiseres verzoekt de rechtbank om de heffingsambtenaar op te dragen foto’s van haar woning uit zijn bestand te laten verwijderen en dit te bevestigen. De belastingrechter beoordeelt slechts of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij de waarde van de woning niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld en heeft dus niet de bevoegdheid om over een verzoek zoals dat hier door eiseres is gedaan, te oordelen. Zij gaat er daarom aan voorbij.\n\nWaarde van de woning\n\n8. Partijen zijn het niet eens over de waarde van de woning voor het kalenderjaar 2023. De waardepeildatum is 1 januari 2022.\n\n9. Eiseres vindt dat de waarde € 203.877 moet zijn. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning onderbouwd met een taxatierapport en een waardematrix. Met dit taxatierapport, opgesteld op 12 november 2024 door gediplomeerd WOZ-taxateurs [naam] en [naam] is de WOZ-waarde (€ 248.000) bepaald op een lager bedrag, namelijk € 215.000.\n\n10. Aangezien het waardestandpunt van de heffingsambtenaar in beroep lager is dan de beschikte WOZ-waarde, is het beroep alleen al om die reden gegrond. De rechtbank begrijpt het standpunt van de heffingsambtenaar aldus dat hij in beroep van mening is, dat de WOZ-waarde op € 215.000 moet worden vastgesteld. De rechtbank zal beoordelen of de heffingsambtenaar de nieuw bepleite waarde aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.\n\n11. Eiseres heeft de objectafbakening van de woning niet aan de orde gesteld. Van een onjuiste objectafbakening is ook de rechtbank niet gebleken. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep daarom uit van wat daarover is opgenomen in het taxatierapport van de heffingsambtenaar.\n\n12. Eiseres heeft aangevoerd dat de heffingsambtenaar is uitgegaan van een onjuist aantal vierkante meters gebruikersoppervlakte, omdat hij in strijd met de meetinstructie het vloeroppervlak van de zolder heeft meegerekend. Tijdens de zitting heeft de heffingsambtenaar toegelicht dat hij het vloeroppervlak van de zolder buiten beschouwing heeft gelaten in zijn nieuwe waardestandpunt. De rechtbank constateert dat partijen hierover niet (meer) met elkaar van mening verschillen.\n\n13. De heffingsambtenaar heeft de waarde in de beroepsfase onderbouwd door de woning te vergelijken met vijf objecten, te weten: Het [adres] in [woonplaats] , [adres] in [woonplaats] , [adres] in [woonplaats] , [adres] in [woonplaats] , en [adres] in [woonplaats] . Deze woningen worden de vergelijkingsobjecten genoemd. De waardeonderbouwing is opgenomen in een waardematrix. De vergelijkingsobjecten zijn vrijstaande bedrijfswoningen die binnen een jaar rond de waardepeildatum zijn verkocht. De heffingsambtenaar heeft de transactieprijzen geïndexeerd naar de waardepeildatum. In het taxatierapport en de waardematrix heeft de heffingsambtenaar de uit de transactiecijfers van de vergelijkingsobjecten afgeleide m²-prijzen gecorrigeerd voor de door hem benoemde waarderelevante verschillen.\n\n14. Eiseres voert aan dat de onderbouwing van de heffingsambtenaar niet inzichtelijk is. Gelet op het black box-arrest moet een gemeente op een inzichtelijke en controleerbare wijze uitleg moeten kunnen geven over de onderbouwing van een WOZ-waarde die zij hebben berekend ook als deze berekend is aan de hand van geautomatiseerd modelberekening. Dat heeft de heffingsambtenaar niet gedaan. Verder wijst zij erop dat er verschillen zijn tussen de objectkenmerken van de vergelijkingsobjecten zoals deze staan geregistreerd in het WOZ-waardeloket en de BAG en de gegevens waarvan de heffingsambtenaar in de matrix is uitgegaan. Volgens eiseres heeft de heffingsambtenaar ook onvoldoende rekening gehouden met de ligging van de woning; er komen windmolens en mogelijk een mestfabriek in de buurt van de woning. Eiseres verwijst ook naar haar bezwaargrond die ziet op de haven. Eiseres vindt dat het taxatierapport meerdere fouten bevat. Het grootste deel van de tuin ligt op het noorden respectievelijk noord-oosten in plaats van het zuiden waar de heffingsambtenaar van uitgaat. Er is een perceel grond van een andere eigenaar opgenomen bij de tuin. Ook het dak van de woning is niet gemiddeld en zij kan de waardering van de serre, aanbouw bij de woning en de inpandige garage niet volgen. Eiseres wijst erop dat de heffingsambtenaar een compromisvoorstel van € 215.000 heeft gedaan en dat dit hetzelfde is als de taxatie. Volgens haar is de taxatie ‘fake’.\n\n15. De heffingsambtenaar wijst erop dat voor de ligging van de woning een correctie is toegepast die resulteert in een factor 1, waarmee rekening is gehouden met de nadelige omgevingsfactoren, waaronder de geplande windmolen en mogelijke mestfabriek. Hij wijst verder op de door hem overgelegde luchtfoto, waaruit blijkt dat een substantieel gedeelte van de tuin en de tuindeur zich op het zuiden bevinden. Verder stelt de heffingsambtenaar dat de waarden van de verschillende onderdelen van de woning, zoals de serre, aanbouw en de inpandige correct zijn vastgesteld. Over het door hem aangeboden compromisvoorstel van € 215.000 licht de heffingsambtenaar toe dat de oorspronkelijk vastgestelde WOZ-waarde van € 280.000 naar aanleiding van het beroepschrift bij het compromisvoorstel is verlaagd naar € 215.000, in lijn met de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 22 december 2023, waarbij de WOZ-waarde van de woning voor belastingjaar 2022 op € 215.000 is vastgesteld in goede justitie.In het kader van een compromis en naar aanleiding van deze uitspraak is de vierkante meterprijs verlaagd naar € 921, wat resulteert in een totale taxatiewaarde van € 215.000. Deze correcties zijn zorgvuldig en inzichtelijk doorgevoerd. De heffingsambtenaar handhaaft in beroep deze waarde.\n\n16. De rechtbank ziet aanleiding om allereerst in te gaan op het nieuwe waardestandpunt van € 215.000 en het door partijen aangeduide ‘compromisvoorstel’. De rechtbank begrijpt uit de stellingen over en weer dat de heffingsambtenaar naar aanleiding van de uitspraak van 22 december 2023 van deze rechtbank, waarin de waarde voor het belastingjaar 2022 per waardepeildatum 1 januari 2021 in goede justitie is bepaald op € 215.000, aan eiseres bij wijze van compromis heeft aangeboden om ook voor het belastingjaar 2023 de WOZ-waarde vast te stellen op € 215.000. Dit voorstel zou dan in de plaats komen van de bij aanslag vastgestelde WOZ-waarde van € 280.000. Eiseres heeft dit voorstel niet aanvaard. Vervolgens heeft de heffingsambtenaar de woning opnieuw getaxeerd en een taxatierapport en matrix opgesteld, waaruit volgt dat de waarde van de woning € 215.000 is voor het belastingjaar 2023. De gemachtigde van de heffingsambtenaar heeft op de zitting verklaard dat nadat het compromisvoorstel is afgewezen, er een matrix voor de waarde-onderbouwing is toegevoegd. De eenheidsprijs is daarin bepaald om uit te komen bij € 215.000, aldus de gemachtigde. Ook heeft de gemachtigde verklaard dat het geen toeval is dat de matrix uitkomt op € 215.000. De heffingsambtenaar handhaaft de matrix ter onderbouwing van het nieuwe waardestandpunt. De rechtbank kan deze werkwijze van de heffingsambtenaar niet volgen. Het heeft er namelijk alle schijn van dat – nadat eiseres het compromisvoorstel heeft afgewezen – de heffingsambtenaar met de door hem opgestelde waardematrix en bijbehorende taxatierapport heeft toegerekend naar een waarde, in dit geval € 215.000, om aan te sluiten bij de door de rechtbank bepaalde waarde voor het kalenderjaar 2022. Zo is bij de eenheidsprijs een waardeaftrek toegepast van € 9.040. Een steekhoudende, onderbouwende toelichting hiervoor ontbreekt. De rechtbank wijst er bovendien op dat het doel en de strekking van de Wet WOZ met zich brengen dat de waarde van een onroerende zaak voor elk belastingtijdvak opnieuw wordt bepaald aan de hand van feiten en omstandigheden die zich voordoen op of rond de waardepeildatum. De WOZ-waarde van een eerder jaar vormt niet een feit of omstandigheid dat relevant is voor de huidige waardepeildatum. Dit betekent dat er voor de waardebepaling in deze zaak geen betekenis toekomt aan een uitspraak van de rechtbank die gaat over een eerdere waardepeildatum. Dit leidt ertoe dat de rechtbank het taxatierapport en de matrix verwerpt als onderbouwing van het nieuwe waardestandpunt van de heffingsambtenaar. Nu er geen andere onderbouwing ten grondslag ligt aan het waardestandpunt van de heffingsambtenaar, is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar ook de in beroep verdedigde waarde niet aannemelijk heeft gemaakt. Bij deze stand van zaken behoeven de andere argumenten van eiseres niet te worden behandeld.\n\nHeeft eiseres de waarde aannemelijk gemaakt?\n\n17. Eiseres bepleit een waarde van € 203.877. Daartoe heeft zij aangevoerd dat zij is uitgegaan van de waarde van € 215.000 die door de rechtbank voor het belastingjaar 2022 is vastgesteld en een correctie vanwege de gebruikersoppervlakte van de zolder heeft toegepast. Eiseres heeft dezelfde indexering van 8,81% als de heffingsambtenaar heeft gehanteerd en komt dan op dit bedrag uit. De rechtbank kan eiseres hierin niet volgen, alleen al omdat de waarde is gebaseerd op de WOZ-waarde voor een andere waardepeildatum. Eiseres heeft ook geen andere stukken overgelegd die de door haar bepleite waarde aannemelijk maken.\n\n18. Omdat geen van beide partijen is geslaagd om de waarde aannemelijk te maken, bepaalt de rechtbank de waarde van de woning voor het kalenderjaar 2023 op de waardepeildatum 1 januari 2022 in goede justitie op € 210.000. De rechtbank zal verder bepalen dat de heffingsambtenaar de aanslag onroerende zaaksbelasting en de watersysteemheffing gebouwd overeenkomstig die waarde vermindert en dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden uitspraak.\n\nSchadevergoeding\n\n19. Eiseres vraagt om een schadevergoeding van een symbolisch bedrag van € 25, omdat het haar veel tijd en geld kost om onder andere de referentielocaties te bezoeken en alle fouten van de heffingsambtenaar te weerleggen. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de heffingsambtenaar jegens eiseres door en\u002Fof vanwege deze procedure schadeplichtig is geworden en wijst het verzoek daarom af.\n\nConclusie en gevolgen\n\n20. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht terug dat door de heffingsambtenaar moet worden betaald. Zij krijgt geen vergoeding van haar proceskosten omdat de werkzaamheden van de gemachtigde van eiseres gelet op het besluit proceskosten bestuursrecht niet voor vergoeding in aanmerking komen.\n\n21. Eiseres heeft nog verzocht om te bepalen dat de heffingsambtenaar de wettelijke rente vergoedt over de door haar op de aanslag teveel betaalde belasting en andere vergoedingen. De rechtbank wijst dit verzoek af. Bij de invordering van de gemeentelijke belastingen geldt op grond van artikel 231 van de Gemeentewet de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de Invorderingswet 1990. Artikel 28a e.v. van de Invorderingswet 1990 bevat een regeling voor de vergoeding van invorderingsrente. Voor vergoeding van wettelijke rente over het bedrag waarmee de aanslag wordt verminderd is daarnaast geen grond (ECLI:NL:HR:2005:AT2884). Het met ingang van 1 juli 2009 in artikel 4:102, lid 1, van de Awb bepaalde omtrent de vergoeding van de wettelijke rente is ingevolge artikel 4:103 van de Awb niet van toepassing indien bij formele wet een andere regeling omtrent verzuim en de gevolgen daarvan is getroffen. Dit is voor de heffing van (gemeentelijke) belastingen het geval (MvT, Kamerstukken II 2003\u002F04, 29 702, blz. 52).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep gegrond;\n\nvernietigt de bestreden uitspraak op bezwaar;\n\nstelt de waarde van de woning per de waardepeildatum van 1 januari 2022, voor het kalenderjaar 2023, vast op € 210.000 en vermindert de voor dat kalenderjaar opgelegde aanslagen onroerende zaaksbelasting en watersysteemheffing gebouwd overeenkomstig die waarde;\n\nbepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden uitspraak op bezwaar;\n\nbepaalt dat de heffingsambtenaar aan eiseres het betaalde griffierecht van € 51 moet vergoeden.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J. Lie, voorzitter, en mr. M. Cune en mr. F.J.H.L. Makkinga, leden, in aanwezigheid van mr. P. van Berkel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.\n\ngriffier\n\nvoorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘sHertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ‘sHertogenbosch.\n\n Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ)\n\n Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 mei 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:4948.\n\n Rb. Oost-Brabant 19 februari 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:555.\n\n Zie de arresten van de Hoge Raad van 28 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5146, en 4 mei 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC5668 of: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 6 februari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:396\n\n ECLI:NL:RBOBR:2023:6003.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4781","ecli-nl-rbobr-2026-4781",{"courtName":6,"legalDomain":115,"decisionType":22,"procedureType":23},"Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":117,"ecli":118,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":119,"fullText":120,"language":7,"source":17,"sourceUrl":121,"summary":14,"slug":122,"metadata":123},"915","ECLI:NL:RBOBR:2026:4636","2026-07-01T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 25\u002F2933\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [verzoekster], uit [vestigingsplaats] , verzoekster\n\n(gemachtigde: [naam] ),\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV\n\n(gemachtigde: M.A. Brouwer).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de vraag welke schade het UWV aan verzoekster moet vergoeden als gevolg van te late besluitvorming door het UWV. Verzoekster heeft de rechtbank gevraagd hierover te oordelen.\n\n1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de schade van verzoekster heeft vergoed. De overige schade waarvan verzoekster vergoeding vraagt komt niet voor vergoeding in aanmerking. Verzoekster krijgt dus geen gelijk en het verzoek om veroordeling van het UWV tot een hogere schadevergoeding wordt afgewezen. Verzoekster krijgt wel een vergoeding van een deel van haar proceskosten, omdat het UWV een nieuw besluit heeft genomen over de schadevergoeding aan verzoekster, nadat verzoekster haar verzoek bij de rechtbank had ingediend. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.\n\nProcesverloop\n\n2. Verzoekster heeft op 13 augustus 2025 een verzoek om schadevergoeding ingediend bij het UWV. Op 15 oktober 2025 heeft het UWV op dit verzoek beslist en aan verzoekster een schadevergoeding toegekend van € 1.450,19.\n\n2.1. Verzoekster heeft op 31 oktober 2025 een verzoekschrift met bijlagen ingestuurd.\n\n2.2. Het UWV heeft op 18 november 2025 een nieuwe beslissing genomen met betrekking tot het verzoek om schadevergoeding en daarbij een schadevergoeding aan verzoekster toegekend van in totaal € 24.625,19.\n\n2.3. Verzoekster heeft haar verzoekschrift aangevuld.\n\n2.4. Het UWV heeft gereageerd met een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift.\n\n2.5. Verzoekster heeft op het aanvullende verweerschrift gereageerd.\n\n2.6. De rechtbank heeft het verzoek op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het UWV.\n\n2.7. De rechtbank heeft ter zitting verzoekster een termijn verleend voor het indienen van nadere stukken en het onderzoek aangehouden.\n\n2.8. Verzoekster heeft nadere stukken overgelegd. Het UWV heeft hierop gereageerd. Verzoekster heeft vervolgens gereageerd op de reactie van het UWV.\n\n2.9. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn om een nadere zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een nadere zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak of de schade die verzoekster claimt voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank is van oordeel dat het UWV met de toekenning van een schadevergoeding van € 24.625,19 de geleden schade van verzoekster heeft vergoed en dat daarom het verzoek van verzoekster om een hogere schadevergoeding moet worden afgewezen. Hierna wordt dit uitgelegd.\n\nDe aanleiding voor het verzoek en de standpunten van partijen\n\n4. De ex-werknemer van verzoekster is in februari 2022 ziek geworden. Nadat hij twee jaar ziek is gebleven en verzoekster twee jaar zijn loon had doorbetaald, heeft de ex-werknemer een WIA-uitkering aangevraagd bij het UWV. Naar aanleiding van een verzoek om herbeoordeling op 30 oktober 2024, heeft het UWV op 23 juni 2025 besloten een IVA-uitkering toe te kennen aan de ex-werknemer vanaf 30 oktober 2024 (het WIA-besluit). De uitkering is dus met terugwerkende kracht van toepassing, vanaf het moment van ontvangst van het verzoek om herbeoordeling.\n\n4.1. Tijdens de behandeling van het verzoek om herbeoordeling heeft verzoekster het loon van de ex-werknemer doorbetaald. Nu het UWV het besluit om aan de ex-werknemer een hogere uitkering toe te kennen te laat heeft genomen heeft verzoekster het loon van de ex-werknemer langer doorbetaald dan nodig was. Verzoekster heeft het UWV dan ook gevraagd om het te veel betaalde loon te vergoeden vanaf 30 oktober 2024 tot en met juni 2025 samen met een vergoeding voor andere door verzoekster gemaakte kosten. In totaal heeft verzoekster volgens het UWV € 46.1943,63 aan kosten gemaakt en zij heeft het UWV in eerste instantie verzocht om € 20.305,09 te vergoeden.\n\n4.2. Het UWV heeft aanvankelijk € 1.450,19 vergoed. Meer schade die voor vergoeding in aanmerking komt had verzoekster volgens het UWV niet geleden. Het loon van de ex-werknemer over de maanden november 2024 tot en met juni 2025 was € 46.1943,63. Een deel van dit loon, €21.569,44, heeft eiseres van het UWV ontvangen vanwege de WGA-uitkering van de ex-werknemer en € 23.175,- is vergoed aan eiseres door haar verzuimverzekeraar Sazas verzuimverzekeringen (Sazas). Na indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank heeft het UWV aan verzoekster laten weten dat ook de € 23.175,- door het UWV wordt vergoed. Het UWV heeft eiseres gevolgd in haar standpunt dat deze kosten door Sazas zijn teruggevorderd. De schade van verzoekster wordt door het UWV hiermee vastgesteld op € 24.625,19.\n\n4.3. Verzoekster heeft de rechtbank verzocht het UWV te veroordelen tot een hogere schadevergoeding. Verzoekster stelt meer schade te hebben dan het UWV tot nu toe heeft vergoed. Verzoekster stelt dat Sazas € 28.350,- terugvordert in plaats van € 23.175,-, zodat UWV is gehouden om nog € 5.175,- te vergoeden. Ook vraagt zij om de kosten van Merks Advies (haar gemachtigde) te vergoeden. Deze kosten zijn volgens eiseres gemaakt om de fouten van het UWV te moeten corrigeren en kosten die verband houden met de\n\nre-integratie van de ex-werknemer. De kosten hiervan zijn € 6.260,- voor de periode november 2024 tot en met juni 2025 en € 4.772,- voor de periode juli 2025 tot en met november 2025. In totaal vraagt verzoekster voor de kosten van Merks Advies dus € 11.032,-.\n\n4.4. Het UWV heeft zich op het standpunt gesteld dat hij een termijn van 8 weken heeft om een beslissing te nemen op het verzoek tot herbeoordeling van eiseres. Het verzoek is op 30 oktober 2024 ingediend, zodat deze termijn eindige op 27 december 2024. Pas na deze datum is de schade van verzoekster ontstaan, omdat vanaf dat moment vaststaat dat het UWV te laat op het verzoek om herbeoordeling heeft beslist. Het UWV heeft de schade van verzoekster vergoed vanaf 1 november 2024. Daarmee heeft het UWV verzoekster niet tekort gedaan. Het UWV schrijft verder dat hij de kosten die verzoekster heeft gemaakt en daarna zijn teruggevorderd door Sazas heeft vergoed. Dat Sazas nu een hoger bedrag terugvordert dan dat het UWV aan verzoekster heeft betaald, is volgens het UWV een kwestie tussen verzoekster en Sazas. Er is geen causaal verband tussen het hogere bedrag dat Sazas terugvordert en de te late beslissing. De door verzoekster geclaimde schade vanwege de kosten voor Merks Advies komen volgens het UWV niet voor vergoeding in aanmerking, omdat deze schade niet een rechtsreeks gevolg is van het te late WIA-besluit. De kosten gemaakt vanwege re-integratie zijn geen gevolg van het te late besluit, maar gingen daaraan vooraf. De facturen die zijn overgelegd laten volgens het UWV alleen zien dat er werkzaamheden zijn verricht door Merks Advies, maar specificeren niet welke werkzaamheden dat dan zijn geweest en hoe deze het gevolg waren van het te late WIA-besluit. Het verzoek om de nabetaling IVA aan de werkgever over te maken, het verzoek om de maandelijkse uitkering aan de werkgever over te maken, het verzoek om schadevergoeding en de toelichting op de geclaimde loonschade zijn wel inzichtelijk. Toch komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking volgens het UWV, omdat deze werkzaamheden behoren tot reguliere taken van een werkgever en bij de reguliere bedrijfsvoering horen. Dat de werkgever deze taken heeft uitbesteed, is een keuze van de werkgever. Het UWV beroept zich op de jurisprudentie waarin dit is beslist.\n\nBeoordelingskader\n\n5. De bestuursrechter is bevoegd om op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van het niet tijdig nemen van een besluit.\n\n5.1. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter bij de beoordeling van zo’n verzoek om schadevergoeding zoveel mogelijk aansluit bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. De vraag die in deze zaak aan de rechtbank voorligt is of er een oorzakelijk (causaal) verband bestaat tussen enerzijds de te late besluitvorming en anderzijds de schadeposten die verzoekster claimt. Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of die schadeposten aan het UWV kunnen worden toegerekend, zodat het UWV die schade moet betalen.Tot slot vergelijkt de rechtbank de uitkomst van deze beoordeling met de schadevergoeding die het UWV al heeft toegekend en de onderbouwing daarvan.\n\n5.2. Bij dit alles geldt als uitgangspunt dat de schadevergoeding de verzoekster zoveel mogelijk in de toestand moet brengen waarin zij zou verkeren als het schadeveroorzakende feit – de te late besluitvorming – niet zou hebben plaatsgevonden. Dat betekent in deze zaak dat de hoogte van de schade het positieve verschil is tussen enerzijds het door verzoekster betaalde loon aan de ex-werknemer en de kosten die daarbij kwamen kijken en anderzijds de kosten die zij had gehad als het UWV op tijd een besluit had genomen op het verzoek om herbeoordeling van de ex-werknemer.\n\nBeoordeling van het verzoek om schadevergoeding\n\n6. Tussen verzoekster en het UWV staat niet ter discussie dat te laat is besloten op het verzoek om herbeoordeling en dat verzoekster daardoor schade heeft geleden. Het geschil gaat over de hoogte van de schade. In beroep zijn nog twee schadeposten in geschil: te weten: 1. de loonkosten die door eiseres zijn doorbetaald aan de ex-werknemer en aanvankelijk door Sazas zijn uitgekeerd, maar uiteindelijk door Sazas zijn teruggevorderd. Het betreft nog een bedrag van € 5.175,-; 2. de kosten van Merks Advies van in totaal € 11.032,-. De rechtbank zal deze gevorderde schadeposten beoordelen.\n\n1. De terugvordering van de uitkering van Sazas van € 5.175,-\n\n7. De rechtbank volgt het UWV niet in zijn standpunt dat de uitkering die door Sazas is teruggevorderd niet voor vergoeding in aanmerking komt. Eiseres heeft aannemelijk gemaakt dat het totale bedrag van € 28.350,- betrekking heeft op door eiseres aan de ex-werknemer doorbetaalde loonkosten van na 27 december 2024. Er is dus een causaal verband tussen enerzijds het schadeveroorzakende feit, te weten de te late WIA-beslissing en de door eiseres geleden schade. Dat eiseres aan het UWV aanvankelijk om een te lage vergoeding van deze schadepost heeft verzocht, houdt de rechtbank op een omissie van eiseres, die zij in beroep heeft hersteld door alsnog deze schadepost te specificeren. Toch leidt dit niet tot het oordeel dat het UWV is gehouden om het nog niet vergoede bedrag van € 5.175,- aan eiseres te betalen. Dat motiveert de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat het UWV eiseres meer dan volledig schadeloos heeft gesteld met de toekenning van in totaal € 24.625,19. Met het UWV is de rechtbank het eens dat hij aan eiseres over de maanden november 2024 en december 2024 onterecht schadevergoeding heeft betaald, omdat in deze maanden het schadeveroorzakende feit, het te laat beslissen, nog niet plaatsgevonden. Dit betekent dat het UWV € 8.654,27 ten onrechte aan verzoekster heeft vergoed. Dit bedrag is door verzoekster niet betwist. Omdat het UWV € 8.654,27 te veel schadevergoeding heeft betaald, kan de door verzoekster gevraagde € 5.175,- niet leiden tot toekenning van een hogere schadevergoeding dan die zij al heeft ontvangen van het UWV. Een ander oordeel zou leiden tot de situatie waarin verzoekster door de schadevergoeding in een betere financiële positie komt te verkeren en dit druist in tegen het uitgangspunt dat de schadevergoeding verzoekster zoveel mogelijk in de toestand moet brengen waarin zij zou verkeren als het schadeveroorzakende feit – de te late besluitvorming – niet zou hebben plaatsgevonden. Voor dit oordeel is ook van belang dat de rechtbank de door verzoekster gevraagde schadepost van € 11.032,- voor de kosten van Merks Advies afwijst. Hoe de rechtbank tot dit oordeel komt, licht de rechtbank hieronder toe.2. De kosten van Merks Advies van € 11.032,-7.1.. De kosten van Merks zijn volgens verzoekster gemaakt om de fouten van het UWV te herstellen. Voor zover daarvan al sprake is, kan dat niet leiden tot toewijzing van het gevorderde bedrag, omdat verzoekster niet aannemelijk heeft kunnen maken dat deze kosten verband houden met het schadeveroorzakende feit. Daar komt bij dat de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 9 december 2015heeft geoordeeld dat kosten voor reguliere, binnen het dienstverband verrichte werkzaamheden niet voor schadevergoeding in aanmerking komen. De werkzaamheden die Merks Advies heeft uitgevoerd in verband met het voldoen aan re-integratieverplichtingen en een eventuele discussie hierover met een uitvoeringsinstantie zoals het UWV, behoren, als deze binnen bepaalde grenzen blijven, tot de normale bedrijfsvoering. Dat verzoekster deze werkzaamheden aan haar gemachtigde heeft uitbesteed doet niets af aan dit uitgangspunt. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat de werkzaamheden deze grens hebben overschreden. Verzoekster heeft niet aan de hand van een inzichtelijke berekening duidelijk gemaakt waarin de noodzaak lag voor de geclaimde uren aan werkzaamheden naar aanleiding van het te laat beslissen door het UWV. Met het ingebrachte urenoverzicht van de gemachtigde heeft verzoekster hierin niet voorzien. De werkzaamheden die de gemachtigde van verzoekster naar aanleiding van het te laat beslissen heeft verricht behoorden daarom tot de normale bedrijfsvoering en komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking. Over de kosten die verzoekster claimt omdat haar gemachtigde kosten heeft gemaakt voor deze procedure, oordeelt de rechtbank dat volgens vaste rechtspraak er geen plaats is voor een aanvullende vergoeding van proceskosten via de weg van een aanvullend verzoek om schadevergoeding.Voor zover de kosten van juridische bijstand moeten worden gezien als buitengerechtelijke kosten heeft verzoekster niet voldoende concreet en inzichtelijk onderbouwd dat van deze kosten sprake is geweest en dat het maken van de kosten, in de gegeven omstandigheden, redelijk is en dat de omvang van de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk was om vergoeding van de schade te verkrijgen.\n\n7.2.. De slotsom is dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen, voor zover de hoogte daarvan de door het UWV toegekende schadevergoeding te boven gaat.\n\nConclusie en gevolgen\n\n8. Het verzoek om aanvullende schadevergoeding wordt afgewezen. Dat betekent dat verzoekster geen gelijk krijgt.\n\n8.1.. Het UWV heeft een aanvullende schadevergoeding toegekend met het besluit van 18 november 2025 naar aanleiding van het verzoek. In de omstandigheid dat verzoekster een verzoek heeft moeten indienen om die aanvullende schadevergoeding te krijgen, ziet de rechtbank aanleiding om het UWV te veroordelen in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Daarom krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar griffierecht. Het UWV moet deze vergoeding betalen.\n\n8.2.. De hoogte van de proceskosten stelt de rechtbank vast op € 934,-. De rechtbank gaat hierbij uit van 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift. De rechtbank kent in dit geval geen punt toe voor het bijwonen van de zitting omdat het nieuwe schadebesluit door het UWV twee weken na het indienen van het verzoek is genomen, nog voor de zaak op zitting is gepland.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- wijst het verzoek om aanvullende schadevergoeding af;\n\n- draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 385,- aan verzoekster te vergoeden;\n\n- veroordeelt het UWV in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Cune, rechter, in aanwezigheid van N. Verhoeven, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\n Wet werk en inkomensvoorziening naar arbeidsvermogen.\n\n Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten.\n\n Centrale Raad van Beroep 9 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4452 en Centrale Raad van Beroep 22 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:130.\n\n Artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb.\n\n Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1466.\n\n Centrale Raad van beroep 9 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4452.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 30 juni 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1319.\n\n Centrale Raad van Beroep 3 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2094, en 16 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:87.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4636","ecli-nl-rbobr-2026-4636",{"courtName":6,"legalDomain":124,"decisionType":22,"procedureType":23},"Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht",{"id":126,"ecli":127,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":119,"fullText":128,"language":7,"source":17,"sourceUrl":129,"summary":14,"slug":130,"metadata":131},"1719","ECLI:NL:GHSHE:2026:1694","Parketnummer : 20-003327-24\n\nUitspraak : 1 juli 2026\n\nTEGENSPRAAKArrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 13 december 2024, in de strafzaak met parketnummer 03-268326-22 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1978,\n\nthans verblijvende in [penitentiaire inrichting] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘doodslag’ (feit 1) en ‘een lijk verbranden en wegmaken met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen’ (feit 2) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur 14 jaren, met aftrek van voorarrest. De vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] zijn beide toegewezen tot een bedrag van € 52.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partijen zijn voor het overige in de vordering niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft de rechtbank de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 3] en [benadeelde 3] beide integraal toegewezen tot een bedrag van € 17.500,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft de verdachte ten slotte veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op de datum van het vonnis begroot op nihil.\n\nNamens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep integraal zal bevestigen.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder feit 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde (met uitzondering van de onder feit 1 meer subsidiair impliciet tenlastegelegde mishandeling) en het onder feit 2 tenlastegelegde, meer specifiek ‘het oogmerk de oorzaak van het overlijden te verhelen’. Verder heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de omstandigheid dat enkel een deel van feit 1 meer subsidiair en feit 2 kan worden bewezen, de voorlopige hechtenis van de verdachte dient te worden opgeheven en de onder de verdachte inbeslaggenomen voorwerpen aan hem dienen te worden teruggegeven. Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de raadsman ten slotte primair bepleit dat deze niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsman de vorderingen, voor zover deze niet door de rechtbank zijn toegewezen, betwist. Indien het hof anders dan de rechtbank beslist en een groter gedeelte van de vorderingen zal toewijzen, heeft de raadsman het hof voorwaardelijk verzocht hem in de gelegenheid te stellen (schriftelijk) op die vorderingen te reageren.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.\n\nIn verband met de leesbaarheid van dit arrest, zal het hof hierna het slachtoffer [slachtoffer] ook aanduiden met haar voornaam [slachtoffer] .\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is tenlastegelegd dat:\n\n1. hij in of omstreeks de periode van 11 juni 2022 tot en met 15 juni 2022 te Reuver, gemeente Beesel, althans in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] een of meerdere malen tegen\u002Fop de keel en\u002Fof het gezicht, althans tegen het lichaam te slaan en\u002Fof stompen en\u002Fof verstikkend, samendrukkend en\u002Fof smorend geweld op en\u002Fof tegen de keel en\u002Fof hals en\u002Fof mond en\u002Fof neus van die [slachtoffer] toe te passen en\u002Fof met een scherp en\u002Fof puntig voorwerp in het lichaam van die [slachtoffer] te steken, in ieder geval door geweld toe te passen op\u002Ftegen\u002Faan het lichaam van die [slachtoffer] ;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\n hij in of omstreeks de periode van 11 juni 2022 tot en met 15 juni 2022 te Reuver, gemeente Beesel, althans in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] , zijnde de echtgenote van verdachte, tot wiens onderhoud, verpleging en verzorging verdachte krachtens de wet of overeenkomst verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gebracht en\u002Fof gelaten, door geen adequate en\u002Fof tijdige medische hulp\u002Fverzorging in te schakelen en\u002Fof door lichamelijke verzorging te onthouden, immers,\n\n- is hij, verdachte nadat die [slachtoffer] op de grond terecht is gekomen en\u002Fof bloedde uit haar neus\u002Fmond en\u002Fof schokkende bewegingen maakte met haar armen en\u002Fof benen en\u002Fof niet meer ademhaalde en\u002Fof niet meer bewoog, naar buiten gegaan, althans heeft verdachte de kamer waar die [slachtoffer] op de grond lag, verlaten, terwijl het feit de dood van voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad;\n\nmeer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\n hij in of omstreeks in de periode van 11 juni tot en met 15 juni te Reuver, gemeente Beesel, [slachtoffer] heeft mishandeld door haar een of meerdere malen tegen\u002Fop de keel en\u002Fof het gezicht, althans tegen het lichaam te slaan en\u002Fof stompen, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;\n\n2. hij in of omstreeks de periode van 11 juni 2022 tot en met 15 juni 2022 te Reuver en\u002Fof Münster-Sarsheim (Kreis Mainz-Bingen), althans in Nederland en\u002Fof Duitsland, het lijk van [slachtoffer] heeft verbrand en\u002Fof weggemaakt met het oogmerk om het feit en\u002Fof de oorzaak van het overlijden te verhelen.\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:\n\n1. hij in de periode van 11 juni 2022 tot en met 15 juni 2022 te Reuver, gemeente Beesel, [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd, door geweld toe te passen op\u002Ftegen\u002Faan het lichaam van die [slachtoffer] ;\n\n2. hij in de periode van 11 juni 2022 tot en met 15 juni 2022 in Nederland en Duitsland het lijk van [slachtoffer] heeft verbrand en weggemaakt, met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nOmwille van de leesbaarheid van dit arrest worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.\n\nBewijsoverwegingen\n\nStandpunt advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd om de verdachte, naast het onder feit 2 tenlastegelegde, te weten het verbranden van het lijk met het oogmerk om het feit én de oorzaak van het overlijden te verhelen, ter zake van de onder feit 1 primair tenlastegelegde doodslag te veroordelen. De advocaat-generaal stelt zich voorts op het standpunt dat de aanwijzingen die zich in het dossier bevinden onvoldoende zijn om te komen tot een bewezenverklaring van voorbedachte raad.\n\nStandpunt verdediging\n\nDe raadsman van de verdachte heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken ter zake van het onder feit 1 tenlastegelegde – met uitzondering van de onder feit 1 meer subsidiair impliciet tenlastegelegde mishandeling – alsmede, zo begrijpt het hof, van het onder feit 2 tenlastegelegde, te weten het verbanden van het lijk met het oogmerk om de oorzaak van het overlijden te verhelen. Daartoe is – op gronden zoals nader in de pleitnota omschreven – in de kern het volgende aangevoerd. De verdachte heeft vanaf het eerste contact met de politie naar aanleiding van het overlijden van het slachtoffer telkens opnieuw verklaard dat er onenigheid was, hetgeen heeft geresulteerd in een handgemeen waarbij het slachtoffer de verdachte heeft gebeten en hem in het gezicht heeft gekrast. Het slachtoffer had op enig moment een mes in haar handen en er ontstond een korte worsteling, waarna de verdachte het slachtoffer op haar hals\u002Fkeel\u002Fergens in het aangezicht heeft geslagen. Het slachtoffer belandde op de grond, maar was nog aanspreekbaar. De verdachte heeft het huis verlaten en zich over zijn buiten spelende kinderen bekommerd. Bij terugkomst in de woning heeft hij geconstateerd dat het slachtoffer geen tekenen van leven meer vertoonde. De verdediging stelt zich aldus op het standpunt dat de verdachte het slachtoffer niet heeft gedood laat staan vermoord, in een hulpeloze toestand heeft gebracht en achtergelaten of heeft mishandeld ten gevolge waarvan het slachtoffer is overleden. Er was geen enkel motief voor de verdachte om dit te doen en een overlijden veroorzaakt door geweld van de zijde van verdachte kan op grond van het procesdossier niet worden vastgesteld. Alle onderzoeken hebben geen bewijs opgeleverd voor een gewelddadige dood van [slachtoffer] : zo zijn er geen bloedsporen gevonden. Derhalve kan niet worden uitgesloten dat het slachtoffer spontaan is overleden door een lichamelijk defect dat niet eerder opgespeeld heeft of dat niet eerder is opgemerkt, zoals spontaan hartfalen of ademnood.\n\nTen slotte is er geen enkele redenen om aan te nemen dat er een vorm van geweld is geweest waarbij sprake was van voorbedachten rade.\n\nTen aanzien van feit 2 heeft de verdediging aangevoerd dat er geen bewijs is dat de verdachte het lichaam van [slachtoffer] heeft weggemaakt teneinde de oorzaak van het overlijden te verhelen.\n\nHet hof overweegt dienaangaande als volgt.\n\nJuridisch kader\n\nHet hof stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen (HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342, HR 15 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:963, HR 23 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2761).\n\nHet hof leidt uit de gebezigde bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden af:\n\n- Sinds 24 mei 2022 was het slachtoffer, [slachtoffer] , in het bezit van haar Nederlandse paspoort (bewijsmiddel 8); Zodra zij genaturaliseerd zou zijn, wilde zij [verdachte] verlaten (bewijsmiddelen 14 en 15);\n\n- De broer van [slachtoffer] , [getuige 1] , heeft op 16 augustus 2022 – toen [slachtoffer] al wel was vermist, maar haar lichaam nog niet als zodanig was geïdentificeerd – verklaard dat [slachtoffer] tegen hem had gezegd dat de verdachte haar zou vermoorden als zij bij hem weg zou gaan en dat hij iets over haar heen zou gooien, zodat niemand haar ooit kon vinden (bewijsmiddel 9);\n\n- Op 8 augustus 2023 (bewijsmiddel 11) heeft [getuige 1] verklaard dat [slachtoffer] , de verdachte en de kinderen vanaf 22 april 2022, met de Ramadan, ca. 18 dagen in Tunesië waren. De sfeer was toen erg gespannen omdat de verdachte met niemand wilde praten en steeds schreeuwde. Door de familie is tegen [slachtoffer] gezegd dat zij niet meer terug moest gaan naar Nederland. [getuige 1] heeft tijdens het verhoor van 8 augustus 2023 herhaald hetgeen hij reeds een jaar eerder verklaarde, namelijk dat de verdachte tegen [slachtoffer] zou hebben gezegd dat hij een vloeistof – iets wat brandend is – over haar heen zou gooien;\n\n- De verdachte heeft – in de periode dat hij nog op werk kwam en, zo begrijpt het hof, aldus voorafgaand aan het weekend van 11 en 12 juni 2022 – aan een collega, [getuige 2] , verteld dat hij door hem gemaakte opnames van [slachtoffer] had beluisterd en hoorde dat zij had gezegd dat zij hem zou verlaten zodra zij genaturaliseerd zou zijn en dat hij het niet zou toelaten dat zij daarvan zou kunnen genieten. Eveneens heeft de verdachte tegen diezelfde collega verteld dat degene die haar man verraad, de doodstraf krijgt. De verdachte was volgens [getuige 2] de laatste keer toen hij terugkwam van vakantie (het hof begrijpt: na het vieren van de Ramadan in Tunesië vanaf 22 april 2022) heel boos en verdrietig richting [slachtoffer] . Hij liet [getuige 2] weten dat hij ‘een einde ging maken’. [getuige 2] zag aan zijn gezichtsuitdrukking dat hij iets ging doen (bewijsmiddel 14);\n\n- Nog voordat het lichaam van [slachtoffer] werd geïdentificeerd en [betrokkene 1] , vriend van de verdachte en buurman van de familie van [slachtoffer] , op de hoogte raakte van wat de verdachte met het lichaam van [slachtoffer] had gedaan, heeft [betrokkene 1] in een telefoongesprek op 14 augustus 2022 tegen de verdachte gezegd: “Je vertelde me, [verdachte] : “Als ze haar papieren krijgt, zal ik iets ongelofelijks doen”” en “Je vertelde: “Als zij de papieren krijgt, dan zul je wel zien wat ik zal doen (bewijsmiddel 15)”. De verdachte had dit tegen [betrokkene 1] gezegd tijdens het verblijf in Tunesië tijdens de Ramadan (bewijsmiddel 11);\n\n- De verdachte heeft op 11 juni 2022 voor € 20,00 aan benzine getankt en heeft op 12 juni 2022 om 16:30 uur, toen [slachtoffer] nog in leven was, bij de Lidl in Reuver een aansteker en vuilniszakken van 240 liter gekocht (bewijsmiddelen 17 en 18);\n\n- Op 12 juni 2022 na 16:30 uur heeft verdachte geweld jegens [slachtoffer] uitgeoefend (bewijsmiddel 18);\n\n- Op 12 juni 2022 heeft de verdachte nadat [slachtoffer] was overleden haar lichaam achter de bank in de woonkamer gelegd. Naderhand heeft hij de op 12 juni 2022 gekochte vuilniszakken gebruikt om [slachtoffer] in te pakken en heeft hij het lichaam vervolgens gewikkeld in het tapijt van de woonkamer en op de achterbank van zijn BMW gelegd (bewijsmiddelen 17 en 18);\n\n- Op 14 juni 2022 heeft de verdachte zijn kinderen om 17:25 uur bij [getuige 3] ondergebracht en is daarna direct doorgereden naar Duitsland, omdat naar zijn zeggen Duitsland groot is en het makkelijker zou zijn het lichaam daar in het donker te verstoppen. De verdachte had benzine bij zich (bewijsmiddelen 18, 19 en 20);\n\n- In de nacht van 14 op 15 juni 2022 heeft de verdachte het lichaam van [slachtoffer] onder een viaduct in Duitsland, ongeveer 240 kilometer verwijderd van zijn woonplaats, na het tapijt om haar lichaam te hebben verwijderd, overgoten met benzine uit een jerrycan en het vervolgens met een aansteker in brand gestoken (bewijsmiddel 18);\n\n- Op 15 juni 2022 om 01:43 uur treft de Duitse politie onder een brug van de A61 bij Münster-Sarmsheim een brandend menselijk lichaam aan (bewijsmiddel 1);\n\n- Na de dood van [slachtoffer] zet de verdachte een dwaalspoor uit waarbij hij doet voorkomen alsof [slachtoffer] nog in leven is, een slechte moeder en vrouw was, en vrijwillig is vertrokken: zo doet de verdachte op 19 juni 2022 aangifte van vermissing van zijn vrouw [slachtoffer] . In dat kader vertelde de verdachte dat hij het vermoeden had dat zijn vrouw hem voor een andere man had verlaten, zij zou hebben gewacht totdat zij haar Nederlandse paspoort had ontvangen en dat zij al haar zomerkleding, gouden sieraden en 28.300,00 euro aan cashgeld zou hebben meegenomen. Op 19 juni 2022 en 6 juli 2022 neemt de verdachte uit naam van [slachtoffer] contact op met de familie van [slachtoffer] door hen uit eerdere opnames geconstrueerde spraakberichten te sturen om het te laten lijken dat ze nog leeft en hem heeft verlaten. Met datzelfde doel stuurt hij berichten vanuit zijn eigen telefoon naar de Huawei van [slachtoffer] , waarin hij bericht dat hij contact met haar wil, wil praten, van haar houdt en haar mist. Op 25 augustus 2022 doet de verdachte een valse aangifte van diefstal jegens [slachtoffer] . Hij levert die dag ook een USB-stick aan bij de politie waarop te horen zou zijn dat [slachtoffer] haar kinderen zou mishandelen. (bewijsmiddelen 9,17, 21, 22, 23, 24, 25 en 26);\n\n- Op 7 oktober 2022 wordt het lichaam van [slachtoffer] geïdentificeerd (bewijsmiddel 1);\n\n- Uit de rapportages van de deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 2] , het huisartsenjournaal betreffende het slachtoffer, en de getuigenissen van de broer van [slachtoffer] en drie vrouwen die haar hebben gekend volgt dat [slachtoffer] voorafgaande aan haar overlijden een gezonde vrouw was, zonder (noemenswaardige) lichamelijke klachten, een concrete doodsoorzaak niet kon worden vastgesteld, een levensdelict in geen geval kan worden uitgesloten ( [deskundige 1] ), en dat het overlijden van [slachtoffer] waarschijnlijker is als gevolg van een niet-ziekelijke oorzaak dan gegeven een ziekelijke oorzaak en waarschijnlijker is als gevolg van een traumatische oorzaak dan gegeven een niet-traumatische oorzaak ( [deskundige 2] ) (bewijsmiddelen 2, 3, 4, 6, 7 en 10).\n\nHet hof leidt uit vorenstaande feiten en omstandigheden af dat de verdachte rond de vakantie in Tunesië, ergens in eind april\u002Fmei 2022, toen de verdachte duidelijk was dat zijn vrouw [slachtoffer] hem na de verkrijging van haar paspoort zou willen verlaten, het plan heeft opgevat om haar na terugkomst in Nederland van het leven te beroven en te zorgen dat haar lichaam niet meer zou worden teruggevonden, en dat hij vervolgens vanaf 11 juni 2022 uitvoering heeft gegeven aan dat plan, inclusief het opzetten van een dwaalspoor om de verdwijning van [slachtoffer] in een hem ontlastend kader te plaatsen.\n\nBij de weging en waardering van de omstandigheden, ter beantwoording van de vraag of er sprake is van voorbedachte raad in onderhavige zaak, stuit het hof enkel op aanwijzingen en bewijsmiddelen die buiten redelijke twijfel de conclusie onontkoombaar maken dat de verdachte het plan heeft opgevat [slachtoffer] van het leven te beroven en daaraan uitvoering heeft gegeven, terwijl aanwijzingen van enig gewicht dat verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling volledig ontbreken. Dat maakt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord, het aan hem onder feit 1 primair tenlastegelegde.\n\nBespreking verweren verdediging\n\nAnders dan de raadsman betoogt, is er geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat het gesprek tussen de verdachte en [betrokkene 1] op 14 augustus 2022 erop was gericht verdenkingen van de familie te onderbouwen, en – zo begrijpt het hof – dit gesprek als ongeloofwaardig te betitelen. Dit gelet op de context die de broer van [slachtoffer] (in bewijsmiddel 11) schetst van dit gesprek en het feit dat een collega van de verdachte omstreeks diezelfde tijd voor de vermissing van [slachtoffer] soortgelijke uitspraken uit de mond van de verdachte heeft opgevangen (bewijsmiddel 14).\n\nDat de verdachte de vuilniszakken, aansteker en benzine had gekocht voor het reguliere huishouden, zoals de verdediging stelt, acht het hof ongeloofwaardig, gelet op het feit dat de verdachte deze middelen kort voor de levensberoving aanschaft en daarvan bijna onmiddellijk daarna gebruik maakt. Het aanschaffen van benzine, een aansteker en zeer grote vuilniszakken op 11 en 12 juni 2022, op momenten dat [slachtoffer] nog in leven is, en het aanwenden hiervan in de daarop volgende gebeurtenissen kunnen niet anders dan ter uitvoering van het eerder opgevatte plan worden geduid.\n\nDe verdediging stelt zich verder op het standpunt dat niet kan worden uitgesloten dat [slachtoffer] spontaan is overleden door een lichamelijk defect dat niet eerder opgespeeld heeft of dat niet eerder is opgemerkt, zoals spontaan hartfalen of, zoals verdachte heeft verklaard, ademnood. De verdachte heeft – samengevat – immers verklaard dat hij en [slachtoffer] op 12 juni 2022 in een worsteling zijn geraakt, waarbij hij haar op enig moment tegen haar neus\u002Fmond\u002Fhals\u002Fkeel heeft geslagen. [slachtoffer] zou daarna, omdat zij last had van ademhalingsproblemen, tegen de bank aan in elkaar zijn gezakt, waar zij schokkende bewegingen maakte met haar armen en benen. Zij bood vervolgens haar excuses aan en zei dat ze naar de verdachte zou luisteren. De verdachte is hierna met zijn kinderen een ijsje gaan halen. Toen hij terugkwam, was [slachtoffer] dood. De verdachte stelt dat [slachtoffer] is overleden aan ademhalingsproblemen, astma dan wel hyperventilatieproblemen. De verdachte heeft geen geweld gebruikt jegens zijn vrouw dat de dood ten gevolge heeft gehad. Alle forensische onderzoeken hebben hiervoor geen bewijs opgeleverd, aldus de raadsman. Zo zijn geen bloedsporen gevonden.\n\nHoe (met welk geweld) de verdachte [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, is niet komen vast te staan. Het hof acht de verklaring van de verdachte dat hij [slachtoffer] enkel tegen haar neus\u002Fmond\u002Fkeel heeft geslagen en dat zij zou zijn overleden aan ademhalingsproblemen, astma dan wel hyperventilatieproblemen, evenwel volstrekt ongeloofwaardig. Niet alleen volgt uit de bewijsmiddelen dat zij niet bekend was met dergelijke problemen. Bovendien geldt dat eventuele hyperventilatieproblemen volgens de deskundigen niet tot de dood hebben kunnen leiden. Ook het standpunt van de verdediging hieromtrent volgt het hof niet. Hoewel een concrete doodsoorzaak, door de verbranding van het stoffelijk overschot, niet kon worden vastgesteld, volgt uit de deskundigenrapportages wel dat er op grond van de bevindingen van de autopsie, waarbij de belangrijke organen nog voldoende intact waren om te onderzoeken, geen ziekelijke oorzaak kan worden aangetoond die van belang zou kunnen zijn geweest voor het overlijden. Een dergelijke ziekelijke oorzaak kan eveneens niet op grond van het medische dossier van [slachtoffer] worden geconcludeerd. Daar komt bij dat [slachtoffer] ten tijde van haar overlijden slechts 35 jaar oud was. Een dergelijk door de verdediging gesteld spontaan overlijden betreft derhalve een hoogst onwaarschijnlijke mogelijkheid.\n\nHet hof is aldus van oordeel dat, gelet op de rapportages van de deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 2] alsmede de overige bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, het niet anders kan zijn dan dat de verdachte [slachtoffer] in hun woning opzettelijk (vol opzet) om het leven heeft gebracht door geweld toe te passen op\u002Ftegen\u002Faan haar lichaam, teneinde aan zijn plan om haar te doden, uitvoering te geven.\n\nUit de gebezigde bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang volgt tevens genoegzaam dat de verdachte het lichaam van [slachtoffer] heeft verbrand en weggemaakt, niet alleen met het oogmerk om het feit van het overlijden, maar tevens om de oorzaak daarvan te verhelen.\n\nResumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.\n\nHet hof verwerpt mitsdien de door de verdediging gevoerde verweren in al hun onderdelen. Al hetgeen overigens door de verdediging is aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.\n\nDe verdediging heeft ten slotte nog een voorwaardelijk verzoek gedaan: indien het hof van oordeel is dat de rapportages van [deskundige 2] een andere conclusie rechtvaardigen dan die van [deskundige 1] , wenst de verdediging laatstgenoemde te horen over het verschil. Het hof wijst dit verzoek af. Beide deskundigen komen tot de conclusie dat inwerking van mechanisch geweld\u002Fwurgen\u002Fsmoren als doodsoorzaak en daarmee een levensdelict niet kan worden uitgesloten terwijl postmortale computertomografie \u002F forensische obductie \u002F uitgebreid macroscopisch en lichtmicroscopisch onderzoek van de organen geen ziekelijke doodsoorzaak hebben aangetoond en [deskundige 2] is wat explicieter, door te overwegen dat de belangrijke organen nog goed genoeg te onderzoeken waren; dat op grond van het haar ter beschikking gestelde medische dossier er geen ziekelijke afwijking was die van belang kon zijn voor het overlijden, en dat ook uit het verrichte toxicologische onderzoek geen toxicologische oorzaak van\u002Fbijdrage aan het overlijden is gebleken. Aldus komt zij tot de door haar gedane weging van de twee hypothesen die alleen aan haar zijn voorgelegd. Voor zover de verdediging de deskundigheid van [deskundige 2] in twijfel trekt: het hof heeft geen enkele aanleiding hieraan te twijfelen gelet op haar registratie en lange staat van dienst. Ook overigens ziet het hof voor de beantwoording van de vragen van 348 en 350 Wetboek van Strafvordering geen noodzaak om [deskundige 1] nader te horen, mede in het licht van de overige bewijsmiddelen.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 primair bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\nmoord.\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\neen lijk verbranden en wegmaken met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nHet hof heeft kennisgenomen van het de verdachte betreffende psychiatrisch en psychologisch onderzoek Pro Justitia van respectievelijk 20 april 2023 en 18 april 2023. Daaruit komt samengevat als conclusie naar voren dat bij de verdachte geen sprake is van een psychische stoornis, verstandelijke handicap en\u002Fof psychogeriatrische aandoening en dat de tenlastegelegde feiten hem volledig kunnen worden toegerekend.\n\nEr zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen straf\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd het vonnis van de rechtbank te bevestigen en derhalve aan de verdachte ter zake van de onder feit 1 tenlastegelegde doodslag en het onder feit 2 tenlastegelegde een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren op te leggen.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft bepleit dat enkel het onder feit 2 tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard, de verdachte de maximumstraf voor dat feit reeds heeft uitgezeten en de voorlopige hechtenis derhalve dient te worden opgeheven. Voor het overige heeft de raadsman geen straftoemetingsverweer gevoerd.\n\nHet hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de moord op zijn partner [slachtoffer] . De verdachte heeft [slachtoffer] ergens in de periode van 11 juni 2022 tot 15 juni 2022 met voorbedachten rade om het leven gebracht. Met deze daad heeft de verdachte [slachtoffer] het meest kostbare dat een mens bezit, namelijk het recht op leven, ontnomen.\n\nNadat dat de verdachte [slachtoffer] om het leven had gebracht, heeft hij haar lichaam achter het bankstel in de woonkamer van hun woning, waar op dat moment ook hun zoontjes van 4 en 6 woonachtig waren, verborgen gehouden. Enkele dagen na het overlijden begon het lichaam van [slachtoffer] te ontbinden, waarna de verdachte het lichaam heeft ingepakt in vuilniszakken, vervolgens in een tapijt heeft gerold en op de achterbank van zijn auto heeft gelegd. Met zijn twee zoontjes op de bijrijdersstoel rijdt hij het lichaam onder andere van en naar school. Uiteindelijk rijdt de verdachte ongeveer 240 kilometer met het lichaam van [slachtoffer] en dumpt haar lichaam midden in de nacht onder een viaduct in Duitsland, waarna hij benzine over het lichaam gooit, het vervolgens in brand steekt en vertrekt. Haar lichaam wordt diezelfde nacht nog gevonden, maar pas maanden later, in oktober 2022, geïdentificeerd.\n\nIn de maanden na het verbranden van haar lichaam doet de verdachte alsof [slachtoffer] vrijwillig is vertrokken en geeft haar als vermist op bij de politie. Hij schetst tegenover de politie een beeld van een vrouw die haar kinderen mishandelde, haar gezin zou hebben verlaten voor een andere man en daarbij een groot geldbedrag en goud zou hebben meegenomen. De verdachte doet daarvan zelfs valse aangifte bij de politie en levert de politie meerdere geluidsbestanden aan om zijn leugens kracht bij te zetten. Tegenover de familie van [slachtoffer] doet de verdachte, door het sturen van spraakberichten van [slachtoffer] , het voorkomen dat [slachtoffer] zelf is weggegaan en nog in leven is. Aan de kinderen vertelde de verdachte dat mama zou zijn vertrokken naar Tunesië. Het hof acht dit handelen van de verdachte bijzonder kwalijk: niet alleen ontnam hij [slachtoffer] het leven, maar daarna bezoedelde hij ook nog haar reputatie om zelf vrijuit te kunnen gaan.\n\nDe verdachte heeft het leven van een jonge vrouw beëindigd en daarmee onherstelbaar leed en onomkeerbaar verlies toegebracht aan de twee zoontjes en familie van het slachtoffer. Dit blijkt ook uit de door de broer en zus van het slachtoffer ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaringen. De verdachte heeft de nabestaanden van [slachtoffer] bovendien – door de wijze waarop hij met het stoffelijk overschot van [slachtoffer] is omgegaan – de mogelijkheid ontnomen om op een waardige wijze afscheid van [slachtoffer] te nemen.\n\nDe verdachte heeft iedere betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] ontkend, waardoor tot op heden onduidelijk is gebleven wat zich tussen de verdachte en [slachtoffer] heeft afgespeeld en wat heeft geleid tot haar dood. Dit heeft de verwerking van het verlies van [slachtoffer] en van de feiten die jegens haar zijn gepleegd voor de nabestaanden extra bemoeilijkt, temeer nu [slachtoffer] in de periode voor haar overlijden regelmatig aan haar familie liet weten bang te zijn voor de verdachte en te vrezen voor haar leven. De nabestaanden zullen in onzekerheid achterblijven met vragen over wat [slachtoffer] precies is overkomen en wat zij in de laatste momenten van haar leven heeft doorgemaakt. De verdachte heeft hiermee onnodig extra leed bij de nabestaanden veroorzaakt. De verdachte heeft geen enkel berouw getoond. Het hof realiseert zich dat geen straf ooit recht zal kunnen doen aan het persoonlijk leed van de nabestaanden.\n\nTen aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 februari 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.\n\nVoorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan één van de ernstigste delicten die het Nederlandse Wetboek van Strafrecht kent. Het opzettelijk en met voorbedachte raad benemen van iemands leven is immers de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, te weten het recht op leven. Dit blijkt ook uit de strafbedreiging die op het delict moord is gesteld, te weten een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste 30 jaren. Reeds hierom kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van zeer lange duur met zich brengt. Nu het hof anders dan de advocaat-generaal van oordeel is dat moord in plaats van doodslag bewezen dient te worden verklaard, doet de door advocaat-generaal gevorderde straf naar het oordeel van het hof geen recht aan de ernst van het bewezenverklaarde zoals hiervoor uiteengezet.\n\nAlles afwegende acht het hof in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.\n\nMet betrekking tot het procesverloop overweegt het hof evenwel het navolgende.\n\nHet hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Het hof gaat in dit geval uit van een termijn van 16 maanden per instantie, nu de verdachte het gehele proces in voorarrest heeft doorgebracht.\n\nHet hof stelt in de onderhavige zaak vast dat de redelijke termijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is overschreden (in eerste aanleg met bijna 10 maanden en in hoger beroep met ongeveer 2,5 maand), terwijl geen bijzondere omstandigheden aanwezig worden geacht die deze overschrijdingen rechtvaardigen. Er is dan ook in twee instanties sprake van een overschrijding van de redelijke termijn voor berechting, als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Het hof is van oordeel dat dit dient te worden verdisconteerd in de strafoplegging.\n\nZonder schending van de redelijke termijn zou, zoals hiervoor door het hof is overwogen, een gevangenisstraf voor de duur van 22 jaren, met aftrek van voorarrest, passend zijn geweest. Nu evenwel de redelijke termijn in twee instanties is geschonden, zal worden volstaan met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 21 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nBeslag\n\nMet betrekking tot de op de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen 6 tot en met 20, in het dictum nader omschreven, is het hof van oordeel dat deze dienen te worden teruggegeven aan de verdachte, nu is gebleken dat die voorwerpen aan de verdachte toebehoren en het belang van strafvordering zich tegen teruggave hiervan niet verzet.\n\nHet hof is voorts van oordeel dat van de op de beslaglijst vermelde inbeslaggenomen voorwerpen 22 tot en met 35, in het dictum nader omschreven, niet genoegzaam is komen vast te staan wie in juridische zin als rechthebbende(n) kan\u002Fkunnen worden aangemerkt. Het hof zal derhalve ten aanzien van deze voorwerpen de bewaring daarvan ten behoeve van de rechthebbende(n) gelasten.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]\n\nDe benadeelde partij [benadeelde 1] (zoon van [slachtoffer] ) heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 206.155,50, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in de volgende posten:\n\n€ 50.000,00 aan materiële schade (shockschade);\n\n€ 76.538,00 (primair) aan gederfd levensonderhoud in natura, € 40.580,00 (subsidiair);\n\n€ 2.117,50 (primair) aan kosten Laumen expertise, € 1.058,75 (subsidiair);\n\n€ 25.000,00 aan immateriële schade (shockschade);\n\n€ 32.500,00 aan immateriële schade (aantasting in persoon);\n\n€ 20.000,00 aan affectieschade\n\nBij vonnis waarvan beroep is de vordering toegewezen tot een bedrag van € 52.500,00 (posten v. en vi.) aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022.\n\nDe benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd. Namens de benadeelde partij is verzocht op dit moment een bedrag van € 131.155,50 (posten ii., iii. (primair), v. en vi.) toe te wijzen en het overige deel van de vordering vooralsnog niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien dat deel van de vordering op dit moment niet is onderbouwd.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft het hof, indien het hof anders dan de rechtbank beslist en een groter gedeelte van de vordering zal toewijzen, verzocht hem in de gelegenheid te stellen (schriftelijk) op de vordering te reageren.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nPosten i. en iv.\n\nIn overeenstemming met hetgeen namens de benadeelde partij is aangevoerd, zal het hof de vordering voor zover deze ziet op de posten i. en iv. niet-ontvankelijk verklaren.\n\nPost ii en iii.\n\nTen aanzien van post ii. kan het hof op grond van de namens de benadeelde partij overgelegde stukken niet vaststellen of er door de benadeelde partij gederfd levensonderhoud in natura, zoals bedoeld in artikel 6:108, eerste lid, onder d, BW, is of zal worden geleden. Nader onderzoek daarnaar zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren, zodat het hof de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren en zal bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nHet hof stelt vast dat voor de berekening van het gederfde levensonderhoud (post ii.) een rekenkundig bureau is ingeschakeld (post iii.). Hoewel het hof van oordeel is dat onderzoek naar post ii. een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, betekent daarmee niet dat de kosten onder post iii. ten onrechte zijn gemaakt in het kader van de vaststelling van de geleden schade. Het hof zal die post derhalve voor het subsidiaire bedrag, te weten\n\n€ 1.058,75, toewijzen, zodat aan ieder van de kinderen de helft van het bedrag van de totale factuur van € 2.117,50 wordt toegekend. Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2024.\n\nHet verzoek van de raadsman om hem in de gelegenheid te stellen op deze toewijzing schriftelijk te reageren, wijst het hof af. De raadsman heeft terzake van deze vordering ter zitting in hoger beroep voldoende gelegenheid gehad zijn standpunt hierover te bepalen.\n\nPost v.\n\nIngevolge het bepaalde in artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde “op andere wijze in zijn persoon is aangetast”.\n\nHet hof stelt voorop dat van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW slechts sprake is als het slachtoffer als gevolg van het strafbaar feit naar objectieve maatstaven vast te stellen geestelijk letsel oploopt. Het bestaan van geestelijk letsel in voormelde zin zal de benadeelde moeten onderbouwen met medische stukken, waaruit dergelijk letsel blijkt. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.\n\nHet hof overweegt dat de benadeelde partij door toedoen van de verdachte, zijn vader, op een gruwelijke wijze zijn moeder heeft verloren. Het handelen van de verdachte heeft onomkeerbare gevolgen voor de benadeelde partij. Hiermee is de benadeelde partij niet alleen zijn moeder kwijtgeraakt, maar is ook zijn relatie met zijn vader ingrijpend veranderd. De benadeelde partij is samen met zijn broertje sinds de aanhouding van de verdachte meermalen verhuisd en van school gewisseld. Tevens zijn de benadeelde partij en zijn broertje door de verdachte in onwetendheid gelaten over het lot van hun moeder en hebben zij geen afscheid van haar kunnen nemen. Gelet op vorenstaande is het hof van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelden zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW kan worden aangenomen. Het hof acht het billijk deze immateriële schade te begroten op het gevorderde bedrag van € 32.500,00.\n\nPost vi.\n\nArtikel 6:108 BW geeft een regeling voor schadevergoeding die nabestaanden kunnen vorderen als gevolg van het overlijden van iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hen aansprakelijk is.\n\nOp 1 januari 2019 is de Wet affectieschade en verplaatste schade in werking getreden. Op grond van deze wet is het voor naasten van slachtoffers met ernstig en blijvend letsel en nabestaanden van overleden slachtoffers mogelijk om vergoeding van immateriële schade in de vorm van affectieschade te vorderen. Het letsel of het overlijden van het slachtoffer moet dan het gevolg zijn van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is.\n\nDe kring van gerechtigden die zonder meer aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade is in het Besluit vergoeding affectieschade uitdrukkelijk beperkt tot (pleeg\u002Fstief)ouders en -kinderen, echtgenoten en geregistreerd partners. Voor de toekenning van affectieschade gelden de bedragen genoemd in het Besluit vergoeding affectieschade.\n\nHet hof stelt vast dat de benadeelde partij, een kind van het overleden slachtoffer, tot de kring van gerechtigden behoort. Het gevorderde bedrag van € 20.000,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. Dit bedrag zal door het hof derhalve worden toegewezen.\n\nDe totaal toe te wijzen immateriële schade (posten v. en vi.), te weten € 52.500,00, zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022.\n\nProceskosten\n\nDe verdachte zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten op de wijze als in het dictum van dit arrest is vermeld.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]\n\nDe benadeelde partij [benadeelde 2] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 217.451,50, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in de volgende posten:\n\n€ 50.000,00 aan materiële schade (shockschade);\n\n€ 87.834,00 (primair) aan gederfd levensonderhoud in natura, € 46.569,00 (subsidiair);\n\n€ 2.117,50 (primair) aan kosten Laumen expertise, € 1.058,75 (subsidiair);\n\n€ 25.000,00 aan immateriële schade (shockschade);\n\n€ 32.500,00 aan immateriële schade (aantasting in persoon);\n\n€ 20.000,00 aan affectieschade\n\nBij vonnis waarvan beroep is de vordering toegewezen tot een bedrag van € 52.500,00 aan immateriële schade (posten v. en vi.), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022.\n\nDe benadeelde partij heeft de vordering in hoger beroep gehandhaafd. Namens de benadeelde partij is verzocht op dit moment een bedrag van € 142.451,50 (posten ii., iii. (primair), v. en vi.) toe te wijzen en het overige deel van de vordering vooralsnog niet-ontvankelijk te verklaren, aangezien dat deel van de vordering op dit moment niet is onderbouwd.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft het hof, indien het hof anders dan de rechtbank beslist en een groter gedeelte van de vordering zal toewijzen, verzocht hem in de gelegenheid te stellen (schriftelijk) op de vordering te reageren.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nPosten i. en iv.\n\nIn overeenstemming met hetgeen namens de benadeelde partij is aangevoerd, zal het hof de vordering voor zover deze ziet op de posten i. en iv. niet-ontvankelijk verklaren.\n\nPost ii en iii.\n\nTen aanzien van post ii. kan het hof op grond van de namens de benadeelde partij overgelegde stukken niet vaststellen of er door de benadeelde partij gederfd levensonderhoud in natura, zoals bedoeld in artikel 6:108, eerste lid, onder d, BW, is of zal worden geleden. Nader onderzoek daarnaar zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren, zodat het hof de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren en zal bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nHet hof stelt vast dat voor de berekening van het gederfde levensonderhoud (post ii.) een rekenkundig bureau is ingeschakeld (post iii.). Hoewel het hof van oordeel is dat onderzoek naar post ii. een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, betekent daarmee niet dat de kosten onder post iii. ten onrechte zijn gemaakt in het kader van de vaststelling van de geleden schade. Het hof zal die post derhalve voor het subsidiaire bedrag, te weten € 1.058,75, toewijzen, zodat aan ieder van de kinderen de helft van het bedrag van de totale factuur van € 2.117,50 wordt toegekend. Het toe te wijzen bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 augustus 2024.\n\nHet verzoek van de raadsman om hem in de gelegenheid te stellen op deze toewijzing schriftelijk te reageren, wijst het hof af. De raadsman heeft terzake van deze vordering ter zitting in hoger beroep voldoende gelegenheid gehad zijn standpunt hierover te bepalen.\n\nPost v.\n\nIngevolge het bepaalde in artikel 6:106 aanhef en onder b BW heeft de benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde “op andere wijze in zijn persoon is aangetast”.\n\nHet hof stelt voorop dat van ‘aantasting in de persoon op andere wijze’ zoals bedoeld in artikel 6:106 aanhef en onder b BW slechts sprake is als het slachtoffer als gevolg van het strafbaar feit naar objectieve maatstaven vast te stellen geestelijk letsel oploopt. Het bestaan van geestelijk letsel in voormelde zin zal de benadeelde moeten onderbouwen met medische stukken, waaruit dergelijk letsel blijkt. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.\n\nHet hof overweegt dat de benadeelde partij door toedoen van de verdachte, zijn vader, op gruwelijke wijze zijn moeder heeft verloren. Het handelen van de verdachte heeft onomkeerbare gevolgen voor de benadeelde partij. Hiermee is de benadeelde partij niet alleen zijn moeder kwijtgeraakt, maar is ook zijn relatie met zijn vader ingrijpend veranderd. De benadeelde partij is samen met zijn broertje sinds de aanhouding van de verdachte meermalen verhuisd en van school gewisseld. Tevens zijn de benadeelde partij en zijn broertje door de verdachte in onwetendheid gelaten over het lot van hun moeder en hebben zij geen afscheid van haar kunnen nemen. Gelet op vorenstaande is het hof van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelden zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek kan worden aangenomen. Het hof acht het billijk deze immateriële schade te begroten op het gevorderde bedrag van € 32.500,00.\n\nPost vi.\n\nArtikel 6:108 BW geeft een regeling voor schadevergoeding die nabestaanden kunnen vorderen als gevolg van het overlijden van iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hen aansprakelijk is.\n\nOp 1 januari 2019 is de Wet affectieschade en verplaatste schade in werking getreden. Op grond van deze wet is het voor naasten van slachtoffers met ernstig en blijvend letsel en nabestaanden van overleden slachtoffers mogelijk om vergoeding van immateriële schade in de vorm van affectieschade te vorderen. Het letsel of het overlijden van het slachtoffer moet dan het gevolg zijn van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is.\n\nDe kring van gerechtigden die zonder meer aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade is in het Besluit vergoeding affectieschade uitdrukkelijk beperkt tot (pleeg\u002Fstief)ouders en -kinderen, echtgenoten en geregistreerd partners. Voor de toekenning van affectieschade gelden de bedragen genoemd in het Besluit vergoeding affectieschade.\n\nHet hof stelt vast dat de benadeelde partij, een kind van het overleden slachtoffer, tot de kring van gerechtigden behoort. Het gevorderde bedrag van € 20.000,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. Dit bedrag zal door het hof derhalve worden toegewezen.\n\nDe totaal toe te wijzen immateriële schade (posten v. en vi.),te weten € 52.500,00, zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022.\n\nProceskosten\n\nDe verdachte zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten op de wijze als in het dictum van dit arrest is vermeld.\n\nVordering van de benadeelde partijen [benadeelde 4] en [benadeelde 3]\n\nDe benadeelde partijen [benadeelde 4] en [benadeelde 3] hebben in eerste aanleg ieder een aparte vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 17.500,00 aan affectieschade, te vermeerderen met de wettelijke rente.\n\nDe vorderingen zijn bij vonnis waarvan beroep integraal toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022 tot aan de dag der algehele voldoening.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nArtikel 6:108 BW geeft een regeling voor schade die nabestaanden kunnen vorderen als gevolg van het overlijden van iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hen aansprakelijk is.\n\nOp 1 januari 2019 is de Wet affectieschade en verplaatste schade in werking getreden. Op grond van deze wet is het voor naasten van slachtoffers met ernstig en blijvend letsel en nabestaanden van overleden slachtoffers mogelijk om vergoeding van immateriële schade in de vorm van affectieschade te vorderen. Het letsel of het overlijden van het slachtoffer moet dan het gevolg zijn van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is.\n\nDe kring van gerechtigden die zonder meer aanspraak kan maken op vergoeding van affectieschade is in het Besluit vergoeding affectieschade uitdrukkelijk beperkt tot (pleeg\u002Fstief)ouders en -kinderen, echtgenoten en geregistreerd partners. Voor de toekenning van affectieschade gelden de bedragen genoemd in het Besluit vergoeding affectieschade.\n\nMet de rechtbank stelt het hof vast dat de benadeelde partijen, de vader ( [benadeelde 4] ) en moeder ( [benadeelde 3] ) van het overleden slachtoffer, tot de kring van gerechtigden behoren. Het door hen gevorderde bedrag van € 17.500,00 is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en is door de verdediging niet betwist. Het hof zal dit bedrag derhalve aan ieder van de benadeelde partijen toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2022.\n\nProceskosten\n\nDe verdachte zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten op de wijze als in het dictum van dit arrest is vermeld.\n\nAlgemene overwegingen schadevergoedingsmaatregel en gijzeling\n\nHet hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ten behoeve van de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 4] en [benadeelde 3] , nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat gijzeling zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft. Het hof heeft acht geslagen op de artikelen 36f, vijfde lid, en 60a van het Wetboek van Strafrecht. Daaruit volgt dat de totale duur van de gijzeling maximaal een jaar betreft. Het hof zal dit maximale aantal dagen gijzeling, te weten 365 dagen, op de navolgende wijze evenredig verdelen over de maatregelen van de toegewezen vorderingen, nu het totale aantal dagen gijzeling zonder toepassing van dit maximum boven 365 dagen zou uitstijgen:\n\nTen behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] : 137 dagen gijzeling\n\nTen behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 2] : 137 dagen gijzeling\n\nTen behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 4] : 46 dagen gijzeling\n\nTen behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 3] : 45 dagen gijzeling\n\nDe schadevergoedingsmaatregel en het aantal dagen gijzeling zullen nader worden genoemd in het dictum.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57, 60a, 151 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nvernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nverklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van21 (eenentwintig) jaren en 6 (zes) maanden;\n\nbeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\ngelast de teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\n6. 1 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1549166, rood, merk: hoody met opschrift);\n\n7. 1 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1549167, blauw);\n\n8. 1 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1549169, zwart);\n\n9. 2 STK Schoenen (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1549170, wit, merk: onbekend sport);\n\n10. 2 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1549172, bruin);\n\n11. 1 STK GSM (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1549183, blauw, merk: Samsung);\n\n12. 1 STK Sleutelbos (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1549194);\n\n13. 1 STK Schoenen (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562584, wit);\n\n14. 1 STK Schoenen (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562587, wit);\n\n15. 1 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562599);\n\n16. 1 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562600, zwart);\n\n17. 1 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562601, rood);\n\n18. 1 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562603, blauw);\n\n19. 1 STK Kleiding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562604, blauw, merk: Springfield);\n\n20. 2 STK Kleding (Omschrijving: PL2300-2022162540-G1562608, zwart);\n\ngelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbendevan de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:\n\n22. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758357, goud);\n\n23. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758360, goud);\n\n24. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758361, goud);\n\n25. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758358, goud);\n\n26. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758347, goud);\n\n27. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758346, goud);\n\n28. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758340, goud);\n\n29. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758342, goud);\n\n30. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758349, goud);\n\n31. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758351, goud);\n\n32. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758354, goud);\n\n33. 1 STK Ring (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_758362, goud);\n\n34. ,1 EUR (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_741378, ibn 19-10-22);\n\n35. 7,75 EUR (Omschrijving: PL2300-LB1R022090_741443, ibn 19-10-22);\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]\n\nwijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 1] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 53.558,75 (drieënvijftigduizend vijfhonderdachtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) bestaande uit € 1.058,75 (duizend achtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) materiële schade en € 52.500,00 (tweeënvijftigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;\n\nverklaart de vordering tot schadevergoeding voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt, voor zover de vordering ziet op het gederfde levensonderhoud in natura, dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;\n\nlegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 1] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 53.558,75 (drieënvijftigduizend vijfhonderdachtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) bestaande uit € 1.058,75 (duizend achtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) materiële schade en € 52.500,00 (tweeënvijftigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;\n\nbepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 137 (honderdzevenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;\n\nbepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;\n\nbepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op\n\n20 augustus 2024 en van de immateriële schade op 15 juni 2022;\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 2]\n\nwijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 2] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 53.558,75 (drieënvijftigduizend vijfhonderdachtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) bestaande uit € 1.058,75 (duizend achtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) materiële schade en € 52.500,00 (tweeënvijftigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;\n\nverklaart de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt, voor zover de vordering ziet op het gederfde levensonderhoud in natura, dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;\n\nlegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 2] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 53.558,75 (drieënvijftigduizend vijfhonderdachtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) bestaande uit € 1.058,75 (duizend achtenvijftig euro en vijfenzeventig cent) materiële schade en € 52.500,00 (tweeënvijftigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;\n\nbepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 137 (honderdzevenendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;\n\nbepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;\n\nbepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op\n\n20 augustus 2024 en van de immateriële schade op 15 juni 2022;\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]\n\nwijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 4] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;\n\nlegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 4] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;\n\nbepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 46 (zesenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;\n\nbepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;\n\nbepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 15 juni 2022;\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]\n\nwijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde 3] ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;\n\nveroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;\n\nlegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde 3] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening;\n\nbepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 45 (vijfenveertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;\n\nbepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt;\n\nbepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 15 juni 2022.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. C.M. Hilverda, voorzitter,\n\nmr. R. Lonterman en mr. M.J.M.A. van der Put, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. M. Peperkamp, griffier,\n\nen op 1 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.\n\nMr. Van der Put is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1694","ecli-nl-ghshe-2026-1694",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":133,"ecli":134,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":135,"fullText":136,"language":7,"source":17,"sourceUrl":137,"summary":14,"slug":138,"metadata":139},"1771","ECLI:NL:RBOBR:2026:4751","2026-06-30T00:00:00.000Z","vonnisRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummer: 82.227010.22\n\nDatum uitspraak: 30 juni 2026\n\nVonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [bedrijf 1]\n\ngevestigd op het adres [adres] .\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 februari 2026, 2 maart 2026 en 16 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe tenlastelegging.\n\nDe zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 15 oktober 2025.\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nzij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 4 november 2016 tot en met heden in de gemeente Utrecht, althans in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft\u002Fhebben verdachte en\u002Fof haar mededader(s) (van) aankoopbedrag(en), geld(en) en\u002Fof voorwerp(en), te weten de woning gelegen aan het adres [adres] , kadastraal bekend als [kadaster] ,\n\n(sub a)\n\nde werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing verborgen en\u002Fof verhuld, dan wel verborgen en\u002Fof verhuld wie de rechthebbende(n) op dat\u002Fdie voorwerp(en) was\u002Fwaren, en\u002Fof verborgen en\u002Fof verhuld wie dat\u002Fdie voorwerp(en) voorhanden had(den)\n\n(sub b)\n\nverworven en\u002Fof voorhanden gehad en\u002Fof omgezet en\u002Fof daarvan gebruik gemaakt,\n\nterwijl zij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die\u002Fdat aankoopbedrag(en), geld(en) en\u002Fof voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was\u002Fwaren uit enig misdrijf.\n\nDe formele voorvragen.\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Verder zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nHet verzoek om aanhouding voor het horen van een getuige van de verdediging\n\nInleiding\n\nNa de inhoudelijke zitting van 12 februari jl. was de rechtbank voornemens het onderzoek op 2 maart 2026 te sluiten, maar is door de verdediging verzocht om het onderzoek ter terechtzitting te hervatten. Het bleek namelijk dat in het kader van een al sinds 2020 lopend rechtshulpverzoek van het Openbaar Ministerie de getuige [getuige] alsnog, op 12 maart 2026, zou worden gehoord door de rechtbank in Johannesburg, Zuid-Afrika. De verdediging verwachtte dat deze getuige ontlastend zou verklaren. Het Openbaar Ministerie verzette zich tegen dit verzoek maar de rechtbank heeft dit verzoek van de verdediging gehonoreerd door te beslissen dat het onderzoek ter terechtzitting op 2 maart 2026 zou worden hervat zodat het verhoor kon worden afgewacht. Ook zijn de verdediging en het Openbaar Ministerie in de gelegenheid gesteld om binnen 14 dagen na ontvangst van het proces-verbaal van dat getuigenverhoor daarop te reageren. Het proces-verbaal van het getuigenverhoor is op 4 juni 2026 (Engelstalig) en 12 juni 2026 (vertaald) verzonden naar de verdediging. De verdediging en het Openbaar Ministerie hebben voorafgaand aan de zitting van 16 juni 2026 een standpunt ingenomen ten aanzien van de getuigenverklaring.\n\nOp de zitting van 16 juni 2026 zijn de reacties van de verdediging en het Openbaar Ministerie op het getuigenverhoor besproken, en heeft de verdediging opnieuw om aanhouding van de behandeling ter terechtzitting verzocht en het verzoek gedaan de getuige [getuige] te horen.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht [getuige] als getuige te mogen horen om de volgende redenen. Ten eerste omdat sprake is van een zogenaamde Keskin-getuige, deze getuige tegen de verwachting van de verdediging in belastend heeft verklaard en de verdediging geen behoorlijke ondervragingsmogelijkheid heeft gehad zodat het recht van de verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is geschonden. Ten tweede omdat de verdediging niet door het Openbaar Ministerie in de gelegenheid is gesteld vooraf vragen in te dienen of te reageren op de door het Openbaar Ministerie opgestelde vragenlijst. Ten derde heeft de verdediging gesteld dat verschillende vormvereisten tijdens het verhoor zijn geschonden zodat ook om die reden die getuigenverklaring niet betrouwbaar en dus onbruikbaar is als zij niet eerst in de gelegenheid wordt gesteld de getuige te horen.\n\nHet standpunt van het OM\n\nHet Openbaar Ministerie heeft zich tegen dit verzoek verweerd, door, kort gezegd, te stellen dat de verdediging dit verzoek om deze getuige te horen niet eerder heeft gedaan en ook zonder voorbehoud om het afwachten van deze getuigenverklaring heeft gevraagd. Uit het dossier blijkt dat de verdediging steeds de mogelijkheid heeft gehad om contact te hebben met [getuige] en daar ook gebruik van heeft gemaakt (op de dag van het verhoor is er nog contact geweest tussen de vertegenwoordiger van verdachte en de getuige). De betrokkenheid van verdachte blijkt voldoende uit andere bewijsmiddelen zodat de belastende verklaring van [getuige] niet van doorslaggevend belang is en tenslotte is de verdediging voldoende compensatie geboden.\n\nDe beoordeling van de rechtbank\n\nDe rechtbank wijst het verzoek van de verdediging af. Daarvoor is het procesverloop, zoals hiervoor ook geschetst, redengevend. Door de verdediging is voorafgaand aan of tijdens de zitting van 12 februari 2026 niet verzocht de getuige [getuige] te horen. Het Openbaar Ministerie vond het na de behandeling ter terechtzitting niet nodig het getuigenverhoor van [getuige] in Zuid-Afrika af te wachten en verzette zich tegen het aanhoudingsverzoek van de verdediging. Door de verdediging, die verzocht heeft om de uitkomst van het getuigenverhoor wel af te wachten, is geen voorbehoud gemaakt ten aanzien van het verdere verloop na ontvangst van het getuigenverhoor, niet gevraagd de getuige te horen in haar aanwezigheid, noch is er verzocht om de vraagstelling aan de getuige mee te bepalen. De rechtbank heeft het verzoek van de verdediging om de getuigenverklaring van [getuige] af te wachten gehonoreerd, maar daarbij ook nadrukkelijk bepaald dat er geen langer uitstel zou worden geboden dan tot de zitting van 16 juni 2026. In het licht van dit procesverloop acht de rechtbank het verzoek om een getuigenverhoor een gepasseerd station. De verdediging heeft gedurende de procedure onvoldoende initiatief getoond om de getuige te kunnen ondervragen, zodat de zaak niet alsnog om die reden zal worden aangehouden.\n\nVoor de beoordeling of daarmee nog wel wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, is het gewicht van de verklaring van de betreffende getuige in de bewijsconstructie een belangrijke beoordelingsfactor. Naarmate het gewicht van de verklaring van de getuige groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan. (Vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rechtsoverwegingen 2.12.2 en 2.12.3, en HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1418, rechtsoverweging 2.4.2.). In dit geval is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van getuige [getuige] voldoende steun vindt in andere feiten en omstandigheden en niet van dragend belang is. De rechtbank zal hieronder op die andere feiten en omstandigheden ingaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van schending van artikel 6 EVRM en dat de getuigenverklaring van [getuige] ook bruikbaar is voor de bewezenverklaring.\n\nTen aanzien van de door het OM ingediende vragenlijst overweegt de rechtbank als volgt. Waar het in de onderzoeksfase van een procedure gebruikelijk is dat een rechtshulpverzoek zelfstandig door het OM wordt uitgevoerd, zonder daar overleg over te hebben met de verdediging of de rechtbank, had het in dit geval, waarin het verhoor pas na de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting zou plaatsvinden, naar het oordeel van de rechtbank wel in de rede gelegen dat het Openbaar Ministerie de verdediging en de rechtbank had geïnformeerd over de nazending van vragen aan de Zuid-Afrikaanse autoriteiten, ook om de verdediging en de rechtbank indien gewenst in de gelegenheid te stellen vragen in te dienen. Echter, nu zowel de rechtbank en de verdediging daar niet om hadden verzocht en de aanvullende vragen niet wezenlijk afwijken van de eerder in het rechtshulpverzoek aangekondigde vragen, is de rechtbank van oordeel dat dat geen strijd met de goede procesorde oplevert en de verdediging niet in een rechtens te respecteren belang is geschaad door de gang van zaken.\n\nVan een concrete schending van de procesorde naar Zuid-Afrikaans recht is evenmin gebleken, zodat op basis van het vertrouwensbeginsel er van mag worden uitgegaan dat de getuigenverklaring rechtmatig is verkregen.\n\nDe bewijsvraag.\n\nInleiding.\n\nEnig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] ( [verdachte] , hierna: [verdachte] ) is op 12 augustus 2016 vanuit Zuid-Afrika naar Nederland geïmmigreerd en heeft hier op 26 september 2016 de besloten vennootschap [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) opgericht. Op 28 september 2016 heeft [bedrijf 1] een koopovereenkomst gesloten voor een appartement aan de [adres] . Op 28 oktober 2016 heeft [bedrijf 1] een bankrekening bij de [bank 1] geopend, waar op 4 november 2016 een bedrag ter grootte van € 402.787,29 is bijgeschreven afkomstig van een bankrekening van [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ). [bedrijf 2] is een [bedrijf 2] die staat geregistreerd in Hong Kong. Het gaat hier om een overboeking van $ 450.000. Op 15 november 2016 heeft [bedrijf 1] vervolgens € 400.000,- betaald voor het appartement in Utrecht. Hiermee heeft [bedrijf 1] zich volgens het OM schuldig gemaakt aan witwassen, en enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] aan het feitelijk leiding geven aan witwassen.\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om tot een bewezenverklaring te komen ten aanzien van het ten laste gelegde. Daartoe heeft de officier van justitie – kort gezegd – aangevoerd dat er een vermoeden van witwassen is dat de verklaring van (namens) verdachte onvoldoende concreet en hoogst onwaarschijnlijk is, waardoor het Openbaar Ministerie geen onderzoek hoeft te doen naar deze verklaring. Bovendien stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat ook uit het onderzoek dat is gedaan door de FIOD en het Openbaar Ministerie niets naar voren is gekomen dat de verklaring van verdachte ondersteunt. Tot slot heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte ook wetenschap had van het witwassen.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe verdediging heeft de rechtbank verzocht om verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde feit. Daartoe heeft de verdediging – kort gezegd – aangevoerd dat verdachte concreet en verifieerbaar heeft verklaard over de herkomst van de gelden die zijn gebruikt voor de aankoop van het appartement. Het onderzoek naar deze verklaring door het Openbaar Ministerie is volgens de verdediging onvoldoende geweest. De rechtbank kan daarom niet met zekerheid vaststellen dat het geld waarmee het pand in Utrecht is aangekocht van misdrijf afkomstig is, en dat verdachte zich daardoor schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om verdachte vrij te spreken wegens het ontbreken van wetenschap.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nDe door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.\n\nNadere bewijsoverwegingen.\n\nDe vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de gelden die door [bedrijf 1] zijn gebruikt voor de hiervoor beschreven aankoop van het pand in Utrecht uit enig misdrijf afkomstig zijn.\n\nHet juridisch kader: witwassen zonder bekend gronddelict (6-stappenplan).\n\nDe rechtbank moet eerst vaststellen of er een concreet misdrijf is geweest waar het witgewassen voorwerp van afkomstig is. Wanneer er geen directe relatie tussen het witgewassen voorwerp en een concreet misdrijf bestaat of wanneer deze relatie niet kan worden vastgesteld, betekent dit niet dat witwassen niet bewezen kan worden. Als door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.\n\nAls de verdachte zo'n concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo'n verklaring is uitgebleven, mag de rechtbank die omstandigheid betrekken in de bewijsoverwegingen.\n\nStap 1 Is er sprake van een bekend gronddelict?\n\nVan een concreet misdrijf waar dit geld mee zou zijn verdiend is niet gebleken.\n\nStap 2 is er een vermoeden van witwassen?\n\nDeze vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Daarvoor zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.\n\nEnig aandeelhouder en bestuurder van verdachte had in 2016 geen in Nederland bekend inkomen. [bedrijf 1] betrof een nieuw opgerichte B.V., waar geen activiteit in plaatsvond en waar geen vermogen in zat tot de overboeking vanuit Hong Kong. Het feit dat er geen (legaal) inkomen aanwezig was in Nederland, terwijl er wel een pand is aangekocht zonder dat daarvoor een hypotheek hoefde te worden afgesloten, betreft op zichzelf een indicator dat sprake is van witwassen.\n\nDe overboeking vanuit Hong Kong bleek afkomstig van de bankrekening van een daar geregistreerde [bedrijf 2] , te weten [bedrijf 2] . Er is niet gebleken van enige betrokkenheid van [bedrijf 2] met de Nederlandse vastgoedmarkt. [bedrijf 2] is online niet vindbaar als financier en er zijn geen contactgegevens beschikbaar van [bedrijf 2] . De vertegenwoordiger van verdachte, [verdachte] , heeft verklaard zelf ook geen contactgegevens te hebben van medewerkers van [bedrijf 2] . De oorsprong van het geld is daarmee niet transparant of verifieerbaar, en de herkomst van de financier is ongebruikelijk voor de aankoop van Nederlands vastgoed.\n\nUit de stukken die de vertegenwoordiger van verdachte, [verdachte] , bij de [bank 1] heeft overgelegd, blijkt dat zij stelt dat de leningovereenkomst met [bedrijf 2] later is overgenomen door de Zuid-Afrikaanse onderneming [bedrijf 3] , waarna zij met een Zuid-Afrikaanse “shelved” onderneming een leningovereenkomst zou hebben afgesloten bij [bedrijf 3] . Ook dit betreft een financier zonder online zichtbaarheid, ditmaal afkomstig uit Zuid-Afrika. De (papieren) oversluiting van de lening naar Zuid-Afrika maakt de herkomst van het geld minder transparant en draagt daarbij eveneens bij aan het vermoeden van witwassen.\n\nDit betreffen naar het oordeel van de rechtbank omstandigheden die, in onderling verband en samenhang beschouwd, een vermoeden van witwassen in het leven roepen. Gelet hierop mag van vertegenwoordiger van verdachte worden verlangd dat zij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van voornoemde bedragen.\n\nStap 3 heeft verdachte een verklaring gegeven voor de herkomst van het geld of de goederen?\n\n [verdachte] heeft verklaard via een zakelijk contact van een van haar bedrijven in Zuid-Afrika, de heer [betrokkene 1] , in contact te zijn gekomen met [bedrijf 2] in Hong Kong. Naar aanleiding van een gesprek met een medewerker van [bedrijf 2] in oktober 2016 heeft zij voor [bedrijf 1] een lening verkregen bij [bedrijf 2] ten behoeve van de aankoop van een appartement in Utrecht. Deze lening is vervolgens in oktober 2017 afgelost door een zakelijk contact van [verdachte] , namelijk de heer [getuige] als directeur van [bedrijf 3] in Zuid-Afrika. [verdachte] heeft een lening afgesloten bij [bedrijf 3] namens [bedrijf 4] , een (‘shelved’) onderneming op haar naam in Zuid-Afrika. [verdachte] heeft verklaard dat zij voldoende liquide middelen had in Zuid-Afrika om deze lening af te kunnen sluiten, nu zij (persoonlijk) een aantal panden in Zuid-Afrika bezit en hier huurinkomsten mee genereert. Zij zou nog steeds voldoen aan de aflossingsverplichting. [verdachte] heeft documenten overgelegd ter onderbouwing van deze verklaring.\n\nStap 4 is de verklaring concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk?\n\nTen aanzien van de lening met [bedrijf 2] overweegt de rechtbank dat de vragen die deze lening op zichzelf al oproept, door de verklaring van [verdachte] en de door haar overgelegde stukken eerder zijn toe- dan afgenomen. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat deze verklaring niet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.\n\nDaarvoor weegt allereerst mee de manier waarop de lening met [bedrijf 2] tot stand zou zijn gekomen volgens [verdachte] . [verdachte] heeft verklaard dat zij met [bedrijf 2] in contact is gebracht door een goed, al lang bestaand, zakelijk contact van haar, de heer [betrokkene 1] . Desgevraagd heeft verdachte mailverkeer met de heer [betrokkene 1] opgestuurd naar de [bank 1] ter onderbouwing van deze verklaring. Dit mailverkeer, dat zich in het dossier bevindt (p. 266 e.v.), duidt naar het oordeel van de rechtbank echter niet op jarenlang goed contact tussen verdachte en de heer [betrokkene 1] . Het lijkt er op basis van de inhoud van de mailberichten op dat verdachte en de heer [betrokkene 1] elkaar voor het eerst hebben ontmoet op een beurs in oktober 2016 en er is geen enkele aanwijzing dat de heer [betrokkene 1] een rol heeft gespeeld in het contact tussen verdachte en [bedrijf 2] .\n\nVerder weegt mee de onwaarschijnlijkheid van de verklaring van [verdachte] in het verhoor op 18 december 2024 dat zij vervolgens in een café een meeting zou hebben gehad met een vertegenwoordiger van [bedrijf 2] , maar dat zij niet meer weet wie deze persoon was. De afspraak zou ongeveer een uur hebben geduurd, voordat de lening werd afgesloten. Deze gang van zaken acht de rechtbank, gelet op de omvang van het geleende bedrag en het feit dat [bedrijf 2] volgens [verdachte] een lening zou gaan verstrekken voor een appartement in het buitenland, zonder een gevestigd pandrecht op dat appartement, aan een persoon die tot voor de ‘meeting’ nog onbekend was geweest, hoogst onwaarschijnlijk.\n\nDaar komt nog bij dat de leningovereenkomst volgens de inhoud van die overeenkomst vervolgens zou zijn ondertekend door [verdachte] en een vertegenwoordiger van [bedrijf 2] in Hong Kong op 31 oktober 2016. De rechtbank stelt vast dat [verdachte] op dat moment niet in Hong Kong was. De rechtbank stelt eveneens vast dat er geen mailwisseling of andere gegevens zijn overgelegd tussen haar en [bedrijf 2] en er na aangaan van de overeenkomst geen rente- en afbetalingen zijn gedaan door [bedrijf 1] . Ook dit gedeelte acht de rechtbank hoogst onwaarschijnlijk.\n\nTot slot overweegt de rechtbank ten aanzien van de leningovereenkomst tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 1] het volgende. Zoals hiervoor reeds aangehaald ontplooide [bedrijf 1] in 2016 geen activiteiten, had het bedrijf geen vermogen en was het pas kort voor de transactie opgericht. Het onderpand dat volgens de leningsovereenkomst die verdachte heeft overgelegd werd gegeven door [bedrijf 1] , te weten alle aandelen van de onderneming, kan naar het oordeel van de rechtbank in het normaal economisch verkeer niet gelden als onderpand voor een dergelijk hoge lening. Te meer nu er geen pandrecht is gevestigd op het appartement. Dat een investeerder, in het normaal economisch verkeer, een dergelijke lening zou afsluiten is naar het oordeel van de rechtbank concluderend hoogst onwaarschijnlijk, waardoor de rechtbank tot de conclusie komt dat deze lening niet op zakelijke gronden is aangegaan. Nu een andere – geloofwaardige – verklaring ontbreekt, brengt dat de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte het hiervoor al benoemde vermoeden tot witwassen niet heeft weerlegd met haar verklaring.\n\nDat de lening van [bedrijf 1] met [bedrijf 2] een jaar later zou zijn overgenomen door [bedrijf 3] , zoals [verdachte] heeft verklaard, is voor de beoordeling van de verdenking ten aanzien van de aankoop in 2016 niet van doorslaggevend belang. Desalniettemin zal de rechtbank ook bij deze verklaring stilstaan, nu de feiten en omstandigheden die uit het dossier blijken ten aanzien van deze overboeking de verklaring van verdachte dat sprake was van een bonafide leningsconstructie bij de aankoop van het pand extra ongeloofwaardig maken.\n\n [bedrijf 3] is wederom een bedrijf dat online niet zichtbaar is als financier. Dit Zuid-Afrikaanse bedrijf zou de lening tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 1] op verzoek van [verdachte] volledig hebben afgelost, maar de condities waaronder zouden, naar eigen verklaring van [verdachte] ter zitting, langs haar heen zijn gegaan: zij zou daar niet bij betrokken zijn. Ook dit acht de rechtbank in het normaal economisch verkeer niet begrijpelijk. [bedrijf 4] , het bedrijf dat vervolgens een lening zou zijn aangegaan bij [bedrijf 3] , is net als de andere bedrijven niet vindbaar online en bovendien heeft [verdachte] verklaard dat het een ‘shelved company’ is, waaruit de rechtbank opmaakt dat er geen bedrijfsactiviteiten worden ontplooid. Dat betekent dat [bedrijf 3] , net als [bedrijf 2] , een leningsovereenkomst zou hebben verstrekt zonder ook maar enige zekerheid te hebben dat die lening wordt terugbetaald. De rechtbank acht ook dit aspect van de verklaring van [verdachte] hoogst onwaarschijnlijk. Dat [verdachte] haar persoonlijke onroerende goederen in onderpand gegeven zou hebben – die in waarde de hoogte van de lening niet dekken - waar met behulp van een huurconstructie de aflossingen van de lening zouden worden betaald, acht de rechtbank eveneens hoogst onwaarschijnlijk.\n\nTot slot weegt de rechtbank nog de volgende omstandigheid uit het dossier mee, die op geen enkele wijze te rijmen is met de verklaring van [verdachte] . Tijdens de doorzoeking van de woning van [verdachte] zijn twee bankkaarten van de bank [bank 2] , gevestigd in Zuid-Afrika, aangetroffen. De ene kaart stond op naam van [bedrijf 4] , de andere op naam van [bedrijf 3] . Beide kaarten waren volgens de envelop op hetzelfde adres geleverd (het adres van de bank) en op dezelfde datum aangevraagd. De lening tussen Royal Square en [bedrijf 4] zou op 26 oktober 2017 zijn afgesloten, de bankkaarten dateren van 23 december 2019. Het voorgaande sterkt de rechtbank in de overtuiging dat ook de (papieren) leningsconstructie met Royal Square Investment uitsluitend bedoeld is geweest om te verhullen wat de daadwerkelijke herkomst van de gelden is. De verklaring van [verdachte] dat zij samen met de heer [getuige] naar de bank is gegaan – zonder daartoe voorafgaand met de bank een afspraak te maken- om de rekeningen te openen, dat ze direct de bankpassen meekregen, en dat zij per ongeluk ook de pas van [bedrijf 3] heeft meegenomen is naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardig.\n\nDe getuigenverklaring van de heer [getuige] bevestigt hetgeen hierboven reeds is overwogen. [getuige] heeft verklaard slechts op papier directeur van [bedrijf 3] te zijn en er verder niets van weten. Ten aanzien van het openen van de bankrekening bij [bank 2] heeft hij desgevraagd verklaard dat dit in opdracht van de heer [betrokkene 2] (rechtbank: ook [betrokkene 2] genoemd) is gedaan, maar dat hij ook daar verder niets van wist. Ook zou hij geen lening tussen [bedrijf 3] en [bedrijf 4] hebben ondertekend of goedgekeurd en geen lening tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] hebben afgelost. Hij zou de gegevens van de [bank 2] -rekening hebben overgedragen in de veronderstelling dat [betrokkene 2] een woning kocht voor verdachte in Nederland. Volgens getuige [getuige] was [verdachte] de persoonlijk assistent van deze [betrokkene 2] . Deze verklaring van de heer [getuige] staat haaks op de verklaring van [verdachte] dat sprake zou zijn geweest van een reële contractsovername.\n\nAlles afwegende concludeert de rechtbank dat het vermoeden van witwassen niet is weerlegd door de verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte. Het Openbaar Ministerie behoefde hier geen nader onderzoek naar te doen. Met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de aankoop van het appartement aan de [adres] te Utrecht met geld is gefinancierd uit legale herkomst. Naar het oordeel van de rechtbank kan een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring van de waargenomen feiten en omstandigheden gelden.\n\nWetenschap.\n\nDe volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de vertegenwoordiger van verdachte wetenschap had van de illegale herkomst van dit geld. De rechtbank overweegt daartoe dat gelet op de hierboven geschetste constructie – een lening tussen een lege Nederlandse B.V. met een onvindbare [bedrijf 2] uit Hong Kong, overgesloten naar een lening bij een Zuid-Afrikaans bedrijf met een directeur die heeft verklaard alleen op papier een functie te hebben, met een “shelved” Zuid-Afrikaans bedrijf – er bewust moet zijn gekozen voor verhulling van de daadwerkelijke herkomst van de gelden. Gelet op de rol van [verdachte] binnen de verschillende bedrijven kan het niet anders zijn geweest dan dat [verdachte] zich bewust is geweest van die verhullende constructie. Het verweer dat andere partijen in Nederland, zoals de notaris en de [bank 1] , ook geen vragen hebben gesteld bij de aankoop van de woning treft geen doel, nu zij anders dan [verdachte] geen zicht hadden op de onwaarachtigheid van de constructie. Gelet op het hiervoor overwogene komt de rechtbank tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat de vertegenwoordiger van verdachte op het moment van afsluiten van de leningovereenkomst met [bedrijf 2] wist van de illegale herkomst van het geld.\n\nToerekenbaarheid rechtspersoon.\n\nDe vertegenwoordiger van verdachte is een leningovereenkomst aangegaan namens [bedrijf 1] met [bedrijf 2] , waarna vanuit [bedrijf 2] het geld is overgeboekt naar [bedrijf 1] waarvan de aankoop van het appartement in Utrecht is gefinancierd. Aan de hand van het Uittreksel van de Kamer van Koophandel stelt de rechtbank vast dat de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 1] onder meer zouden omvatten het investeren in onroerend goed. De aankoop van het appartement valt daarmee naar het oordeel van de rechtbank onder de normale bedrijfsvoering. Het ontvangen van het geld van [bedrijf 2] is naar het oordeel van de rechtbank ook dienstig geweest aan het uitgeoefende bedrijf binnen de rechtspersoon, nu daarmee het appartement kon worden aangeschaft.\n\nOp grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de ten laste gelegde gedragingen hebben zijn verricht in de sfeer van de rechtspersoon.\n\nDie gedragingen kunnen daarom in redelijkheid aan de verdachte worden toegerekend.\n\nConclusie.\n\nDe rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het witwassen.\n\nDe bewezenverklaring.\n\nOp grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen in de bewijsmiddelenbijlage komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte\n\nin de periode van 4 november 2016 tot en met heden in Nederland zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft verdachte van geld en de woning gelegen aan het adres [adres] , kadastraal bekend als [kadaster] ,\n\n(sub a)\n\nde werkelijke aard en de herkomst verhuld\n\n(sub b)\n\nverworven en voorhanden gehad en omgezet en daarvan gebruik gemaakt,\n\nterwijl zij wist dat dat geld en voorwerp geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig waren uit enig misdrijf.\n\nDe strafbaarheid van het feit.\n\nHet bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\nDe strafbaarheid van verdachte.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.\n\nOplegging van straf.\n\nDe eis van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om aan verdachte een geldboete ter hoogte van € 20.000,00 op te leggen en de verbeurdverklaring van het pand aan de [adres] te Utrecht. Voorts heeft de officier van justitie een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aangekondigd indien de rechtbank niet zal overgaan tot verbeurdverklaring van het pand.\n\nEen kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe verdediging heeft strafmaatverweer gevoerd, door aan te voeren dat bij verbeurverklaring van het pand de vertegenwoordiger van de verdachte zwaar zou treffen omdat het haar woning is.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nBij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met draagkracht van de rechtspersoon.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst van het feit.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen door de aankoop van een pand in Utrecht te financieren met uit misdrijf afkomstig geld. Witwassen leidt tot ontwrichting van het economische en financiële verkeer, omdat daarbij de (criminele) herkomst van gelden wordt verhuld en daarmee aan het zicht van de opsporingsautoriteiten wordt onttrokken. De integriteit van het financieel en economisch bestel wordt daardoor ernstige schade toegebracht. Verdachte heeft gebruik gemaakt van een schimmige en ondoorzichtige financieringsconstructie voor de aanschaf van het pand, waarbij gebruik is gemaakt van internationale schakels. Verdachte is voor de aanschaf van het pand listig en geraffineerd te werk gegaan en heeft geen enkel inzicht gegeven in de werkelijke financiering daarvan. Dit rekent de rechtbank verdachte zeer aan.\n\nVoorts overweegt de rechtbank dat [bedrijf 1] enkel is opgericht voor de aanschaf van de [adres] te Utrecht, en daarmee voor het plegen van een strafbaar feit. De rechtbank houdt hiermee in het nadeel van verdachte rekening mee.\n\nAan de andere kant weegt de rechtbank mee dat de feitelijke leidinggevende van verdachte ook is vervolgd voor witwassen, en daarvoor een gevangenisstraf krijgt opgelegd.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 13 oktober 2025 betreffende verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder veroordeeld is geweest voor strafbare feiten. De rechtbank houdt hier in het voordeel van verdachte rekening mee.\n\nSchending van de redelijke termijn.\n\nDe rechtbank overweegt dat in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat jegens verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft in dit kader te gelden dat de behandeling op de zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.\n\nDe vertegenwoordiger van verdachte is op 22 februari 2023 voor het eerst door de politie verhoord.\n\nHoewel het (eerste) verhoor van de verdachte in de jurisprudentie in beginsel niet als een handeling wordt beschouwd waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een strafvervolging zal worden ingesteld, gaat de rechtbank daar in deze zaak wel vanuit. De redelijke termijn is dus aangevangen op 22 februari 2023. De rechtbank heeft einduitspraak gedaan op 30 juni 2026. Daarmee is de redelijke termijn met 1 jaar en 4 maanden overschreden. De rechtbank houdt hier in het voordeel van verdachte rekening mee. Daarnaast houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met de oudheid van het gepleegde feit.\n\nStraf\n\nDe rechtbank ziet, gelet op het voorgaande en op hetgeen hierna wordt overwogen met betrekking tot het in beslag genomen pand, geen aanleiding om naast de verbeurdverklaring van het pand nog een geldboete op te leggen.\n\nVerbeurdverklaring beslag\n\nDe rechtbank is van oordeel dat het pand aan de [adres] te Utrecht vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat – zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit een voorwerp is met betrekking tot welke het witwasfeit is begaan en dit voorwerp ten tijde van het begaan van het feit aan verdachte toebehoorde. De rechtbank is van oordeel dat de straf van verbeurdverklaring van het onroerend goed dat verdachte door de strafbare feiten heeft verkregen een passende straf is.\n\nToepasselijke wetsartikelen.\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen:\n\n33, 33a, 51, 420bis van het Wetboek van Strafrecht.DE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;\n\nhet bewezenverklaarde levert op het misdrijf:\n\nwitwassen, begaan door een rechtspersoon\n\nverklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\nlegt op de volgende straf:\n\n* verbeurdverklaring van het pand aan de [adres] te Utrecht.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. S.H.C. Merkx, voorzitter.\n\nmr. A.C. Palmboom en mr. F.H.E. Boerma, leden, en\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.A.P.H. Kirkels en mr. S.B.J. de Leeuw, griffier.\n\nen is uitgesproken op 30 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4751","ecli-nl-rbobr-2026-4751",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":141,"ecli":142,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":135,"fullText":143,"language":7,"source":17,"sourceUrl":144,"summary":14,"slug":145,"metadata":146},"1769","ECLI:NL:RBOBR:2026:4746","vonnisRECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nStrafrecht\n\nParketnummer: 82.227005.22\n\nDatum uitspraak: 30 juni 2026\n\nVonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [1979] ,\n\nwonende te [adres 1] .\n\nDit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 februari 2026, 2 maart 2026 en 16 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe tenlastelegging.\n\nDe zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 15 oktober 2025.\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n [medeverdachte] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 4 november 2016 tot en met heden in de gemeente Utrecht, althans in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft\u002Fhebben verdachte en\u002Fof haar mededader(s) (van) aankoopbedrag(en), geld(en) en\u002Fof voorwerp(en), te weten de woning gelegen aan het adres [adres 2] , kadastraal bekend als [kadaster] ,\n\n(sub a)\n\nde werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing verborgen en\u002Fof verhuld, dan wel verborgen en\u002Fof verhuld wie de rechthebbende(n) op dat\u002Fdie voorwerp(en) was\u002Fwaren, en\u002Fof verborgen en\u002Fof verhuld wie dat\u002Fdie voorwerp(en) voorhanden had(den),\n\n(sub b)\n\nverworven en\u002Fof voorhanden gehad en\u002Fof omgezet en\u002Fof daarvan gebruik gemaakt, terwijl zij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die\u002Fdat aankoopbedrag(en), geld(en) en\u002Fof voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was\u002Fwaren uit enig misdrijf,\n\ntot welk strafbaar feit\u002Faan welke strafbare gedraging zij opdracht dan wel feitelijk leiding heeft gegeven.\n\nDe formele voorvragen.\n\nBij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Verder zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.\n\nHet verzoek om aanhouding voor het horen van een getuige van de verdediging\n\nInleiding\n\nNa de inhoudelijke zitting van 12 februari jl. was de rechtbank voornemens het onderzoek op 2 maart 2026 te sluiten, maar is door de verdediging verzocht om het onderzoek ter terechtzitting te hervatten. Het bleek namelijk dat in het kader van een al sinds 2020 lopend rechtshulpverzoek van het Openbaar Ministerie de getuige [getuige] alsnog, op 12 maart 2026, zou worden gehoord door de rechtbank in Johannesburg, Zuid-Afrika. De verdediging verwachtte dat deze getuige ontlastend zou verklaren. Het Openbaar Ministerie verzette zich tegen dit verzoek maar de rechtbank heeft dit verzoek van de verdediging gehonoreerd door te beslissen dat het onderzoek ter terechtzitting op 2 maart 2026 zou worden hervat zodat het verhoor kon worden afgewacht. Ook zijn de verdediging en het Openbaar Ministerie in de gelegenheid gesteld om binnen 14 dagen na ontvangst van het proces-verbaal van dat getuigenverhoor daarop te reageren. Het proces-verbaal van het getuigenverhoor is op 4 juni 2026 (Engelstalig) en 12 juni 2026 (vertaald) verzonden naar de verdediging. De verdediging en het Openbaar Ministerie hebben voorafgaand aan de zitting van 16 juni 2026 een standpunt ingenomen ten aanzien van de getuigenverklaring.\n\nOp de zitting van 16 juni 2026 zijn de reacties van de verdediging en het Openbaar Ministerie op het getuigenverhoor besproken, en heeft de verdediging opnieuw om aanhouding van de behandeling ter terechtzitting verzocht en het verzoek gedaan de getuige [getuige] te horen.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft verzocht [getuige] als getuige te mogen horen om de volgende redenen. Ten eerste omdat sprake is van een zogenaamde Keskin-getuige, deze getuige tegen de verwachting van de verdediging in belastend heeft verklaard en de verdediging geen behoorlijke ondervragingsmogelijkheid heeft gehad zodat het recht van de verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is geschonden. Ten tweede omdat de verdediging niet door het Openbaar Ministerie in de gelegenheid is gesteld vooraf vragen in te dienen of te reageren op de door het Openbaar Ministerie opgestelde vragenlijst. Ten derde heeft de verdediging gesteld dat verschillende vormvereisten tijdens het verhoor zijn geschonden zodat ook om die reden die getuigenverklaring niet betrouwbaar en dus onbruikbaar is als zij niet eerst in de gelegenheid wordt gesteld de getuige te horen.\n\nHet standpunt van het OM\n\nHet Openbaar Ministerie heeft zich tegen dit verzoek verweerd, door, kort gezegd, te stellen dat de verdediging dit verzoek om deze getuige te horen niet eerder heeft gedaan en ook zonder voorbehoud om het afwachten van deze getuigenverklaring heeft gevraagd. Uit het dossier blijkt dat de verdediging steeds de mogelijkheid heeft gehad om contact te hebben met [getuige] en daar ook gebruik van heeft gemaakt (op de dag van het verhoor is er nog contact geweest tussen de verdachte en de getuige). De betrokkenheid van verdachte blijkt voldoende uit andere bewijsmiddelen zodat de belastende verklaring van [getuige] niet van doorslaggevend belang is en tenslotte is de verdediging voldoende compensatie geboden.\n\nDe beoordeling van de rechtbank\n\nDe rechtbank wijst het verzoek van de verdediging af. Daarvoor is het procesverloop, zoals hiervoor ook geschetst, redengevend. Door de verdediging is voorafgaand aan of tijdens de zitting van 12 februari 2026 niet verzocht de getuige [getuige] te horen. Het Openbaar Ministerie vond het na de behandeling ter terechtzitting niet nodig het getuigenverhoor van [getuige] in Zuid-Afrika af te wachten en verzette zich tegen het aanhoudingsverzoek van de verdediging. Door de verdediging, die verzocht heeft om de uitkomst van het getuigenverhoor wel af te wachten, is geen voorbehoud gemaakt ten aanzien van het verdere verloop na ontvangst van het getuigenverhoor, niet gevraagd de getuige te horen in haar aanwezigheid, noch is er verzocht om de vraagstelling aan de getuige mee te bepalen. De rechtbank heeft het verzoek van de verdediging om de getuigenverklaring van [getuige] af te wachten gehonoreerd, maar daarbij ook nadrukkelijk bepaald dat er geen langer uitstel zou worden geboden dan tot de zitting van 16 juni 2026. In het licht van dit procesverloop acht de rechtbank het verzoek om een getuigenverhoor een gepasseerd station. De verdediging heeft gedurende de procedure onvoldoende initiatief getoond om de getuige te kunnen ondervragen, zodat de zaak niet alsnog om die reden zal worden aangehouden.\n\nVoor de beoordeling of daarmee nog wel wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, is het gewicht van de verklaring van de betreffende getuige in de bewijsconstructie een belangrijke beoordelingsfactor. Naarmate het gewicht van de verklaring van de getuige groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan. (Vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rechtsoverwegingen 2.12.2 en 2.12.3, en HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1418, rechtsoverweging 2.4.2.). In dit geval is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van getuige [getuige] voldoende steun vindt in andere feiten en omstandigheden en niet van dragend belang is. De rechtbank zal hieronder op die andere feiten en omstandigheden ingaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van schending van artikel 6 EVRM en dat de getuigenverklaring van [getuige] ook bruikbaar is voor de bewezenverklaring.\n\nTen aanzien van de door het OM ingediende vragenlijst overweegt de rechtbank als volgt. Waar het in de onderzoeksfase van een procedure gebruikelijk is dat een rechtshulpverzoek zelfstandig door het OM wordt uitgevoerd, zonder daar overleg over te hebben met de verdediging of de rechtbank, had het in dit geval, waarin het verhoor pas na de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting zou plaatsvinden, naar het oordeel van de rechtbank wel in de rede gelegen dat het Openbaar Ministerie de verdediging en de rechtbank had geïnformeerd over de nazending van vragen aan de Zuid-Afrikaanse autoriteiten, ook om de verdediging en de rechtbank indien gewenst in de gelegenheid te stellen vragen in te dienen. Echter, nu zowel de rechtbank en de verdediging daar niet om hadden verzocht en de aanvullende vragen niet wezenlijk afwijken van de eerder in het rechtshulpverzoek aangekondigde vragen, is de rechtbank van oordeel dat dat geen strijd met de goede procesorde oplevert en de verdediging niet in een rechtens te respecteren belang is geschaad door de gang van zaken.\n\nVan een concrete schending van de procesorde naar Zuid-Afrikaans recht is evenmin gebleken, zodat op basis van het vertrouwensbeginsel er van mag worden uitgegaan dat de getuigenverklaring rechtmatig is verkregen.\n\nDe bewijsvraag.\n\nInleiding.\n\nVerdachte is op 12 augustus 2016 vanuit Zuid-Afrika naar Nederland geïmmigreerd en heeft hier op 26 september 2016 de besloten vennootschap [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) opgericht. Op 28 september 2016 heeft [medeverdachte] een koopovereenkomst gesloten voor een appartement aan de [adres 2] . Op 28 oktober 2016 heeft [medeverdachte] een bankrekening bij de [bank 1] geopend, waar op 4 november 2016 een bedrag ter grootte van € 402.787,29 is bijgeschreven afkomstig van een bankrekening van [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ). [bedrijf 2] is een [bedrijf 2] die staat geregistreerd in Hong Kong. Het gaat hier om een overboeking van $ 450.000. Op 15 november 2016 heeft [medeverdachte] vervolgens € 400.000,- betaald voor het appartement in Utrecht. Hiermee heeft [medeverdachte] zich volgens het OM schuldig gemaakt aan witwassen, en verdachte aan het feitelijk leiding geven aan witwassen.\n\nHet standpunt van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om tot een bewezenverklaring te komen ten aanzien van het ten laste gelegde. Daartoe heeft de officier van justitie – kort gezegd – aangevoerd dat er een vermoeden van witwassen is en dat de verklaring van verdachte onvoldoende concreet en hoogst onwaarschijnlijk is, waardoor het Openbaar Ministerie geen onderzoek hoeft te doen naar deze verklaring. Bovendien stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat ook uit het onderzoek dat is gedaan door de FIOD en het Openbaar Ministerie niets naar voren is gekomen dat de verklaring van verdachte ondersteunt. Tot slot heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte ook wetenschap had van het witwassen.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft de rechtbank verzocht om verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde feit. Daartoe heeft de verdediging – kort gezegd – aangevoerd dat verdachte concreet en verifieerbaar heeft verklaard over de herkomst van de gelden die zijn gebruikt voor de aankoop van het appartement. Het onderzoek naar deze verklaring door het Openbaar Ministerie is volgens de verdediging onvoldoende geweest. De rechtbank kan daarom niet met zekerheid vaststellen dat het geld waarmee het pand in Utrecht is aangekocht van misdrijf afkomstig is, en dat verdachte zich daardoor schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om verdachte vrij te spreken wegens het ontbreken van wetenschap.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nDe door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.\n\nNadere bewijsoverwegingen.\n\nDe vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de gelden die door [medeverdachte] zijn gebruikt voor de hiervoor beschreven aankoop van het pand in Utrecht uit enig misdrijf afkomstig zijn.\n\nHet juridisch kader: witwassen zonder bekend gronddelict (6-stappenplan).\n\nDe rechtbank moet eerst vaststellen of er een concreet misdrijf is geweest waar het witgewassen voorwerp van afkomstig is. Wanneer er geen directe relatie tussen het witgewassen voorwerp en een concreet misdrijf bestaat of wanneer deze relatie niet kan worden vastgesteld, betekent dit niet dat witwassen niet bewezen kan worden. Als door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.\n\nAls de verdachte zo'n concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo'n verklaring is uitgebleven, mag de rechtbank die omstandigheid betrekken in de bewijsoverwegingen.\n\nStap 1 Is er sprake van een bekend gronddelict?\n\nVan een concreet misdrijf waar dit geld mee zou zijn verdiend is niet gebleken.\n\nStap 2 is er een vermoeden van witwassen?\n\nDeze vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Daarvoor zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.\n\nVerdachte had in 2016 geen in Nederland bekend inkomen. [medeverdachte] betrof een nieuw opgerichte B.V., waar geen activiteit in plaatsvond en waar geen vermogen in zat tot de overboeking vanuit Hong Kong. Het feit dat er geen (legaal) inkomen aanwezig was in Nederland, terwijl er wel een pand is aangekocht zonder dat daarvoor een hypotheek hoefde te worden afgesloten, betreft op zichzelf een indicator dat sprake is van witwassen.\n\nDe overboeking vanuit Hong Kong bleek afkomstig van de bankrekening van een daar geregistreerde [bedrijf 2] , te weten [bedrijf 2] . Er is niet gebleken van enige betrokkenheid van [bedrijf 2] met de Nederlandse vastgoedmarkt. [bedrijf 2] is online niet vindbaar als financier en er zijn geen contactgegevens beschikbaar van [bedrijf 2] . Verdachte heeft verklaard zelf ook geen contactgegevens te hebben van medewerkers van [bedrijf 2] . De oorsprong van het geld is daarmee niet transparant of verifieerbaar, en de herkomst van de financier is ongebruikelijk voor de aankoop van Nederlands vastgoed.\n\nUit de stukken die de verdachte bij de [bank 1] heeft overgelegd, blijkt dat zij stelt dat de leningovereenkomst met [bedrijf 2] later is overgenomen door de Zuid-Afrikaanse onderneming [bedrijf 3] , waarna zij met een Zuid-Afrikaanse “shelved” onderneming een leningovereenkomst zou hebben afgesloten bij [bedrijf 3] . Ook dit betreft een financier zonder online zichtbaarheid, ditmaal afkomstig uit Zuid-Afrika. De (papieren) oversluiting van de lening naar Zuid-Afrika maakt de herkomst van het geld minder transparant en draagt daarbij eveneens bij aan het vermoeden van witwassen.\n\nDit betreffen naar het oordeel van de rechtbank omstandigheden die, in onderling verband en samenhang beschouwd, een vermoeden van witwassen in het leven roepen. Gelet hierop mag van verdachte worden verlangd dat zij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van voornoemde bedragen.\n\nStap 3 heeft verdachte een verklaring gegeven voor de herkomst van het geld of de goederen?\n\nVerdachte heeft verklaard via een zakelijk contact van een van haar bedrijven in Zuid-Afrika, de heer [betrokkene 1] , in contact te zijn gekomen met [bedrijf 2] in Hong Kong. Naar aanleiding van een gesprek met een medewerker van [bedrijf 2] in oktober 2016 heeft zij voor [medeverdachte] een lening verkregen bij [bedrijf 2] ten behoeve van de aankoop van een appartement in Utrecht. Deze lening is vervolgens in oktober 2017 afgelost door een zakelijk contact van verdachte, namelijk de heer [getuige] als directeur van [bedrijf 3] in Zuid-Afrika. Verdachte heeft een lening afgesloten bij [bedrijf 3] namens [bedrijf 4] , een (‘shelved’) onderneming op haar naam in Zuid-Afrika. Verdachte heeft verklaard dat zij voldoende liquide middelen had in Zuid-Afrika om deze lening af te kunnen sluiten, nu zij een aantal panden in Zuid-Afrika bezit en hier huurinkomsten mee genereert. Zij zou nog steeds voldoen aan de aflossingsverplichting. Verdachte heeft documenten overgelegd ter onderbouwing van deze verklaring.\n\nStap 4 is de verklaring concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk?\n\nTen aanzien van de lening met [bedrijf 2] overweegt de rechtbank dat de vragen die deze lening op zichzelf al oproept, door de verklaring van verdachte en de door haar overgelegde stukken eerder zijn toe- dan afgenomen. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat deze verklaring niet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.\n\nDaarvoor weegt allereerst mee de manier waarop de lening met [bedrijf 2] tot stand zou zijn gekomen volgens verdachte. Verdachte heeft verklaard dat zij met [bedrijf 2] in contact is gebracht door een goed, al lang bestaand, zakelijk contact van haar, de heer [betrokkene 1] . Desgevraagd heeft verdachte mailverkeer met de heer [betrokkene 1] opgestuurd naar de [bank 1] ter onderbouwing van deze verklaring. Dit mailverkeer, dat zich in het dossier bevindt (p. 266 e.v.), duidt naar het oordeel van de rechtbank echter niet op jarenlang goed contact tussen verdachte en de heer [betrokkene 1] . Het lijkt er op basis van de inhoud van de mailberichten op dat verdachte en de heer [betrokkene 1] elkaar voor het eerst hebben ontmoet op een beurs in oktober 2016 en er is geen enkele aanwijzing dat de heer [betrokkene 1] een rol heeft gespeeld in het contact tussen verdachte en [bedrijf 2] .\n\nVerder weegt mee de onwaarschijnlijkheid van de verklaring van verdachte in het verhoor op 18 december 2024 dat zij vervolgens in een café een meeting zou hebben gehad met een vertegenwoordiger van [bedrijf 2] , maar dat zij niet meer weet wie deze persoon was. De afspraak zou ongeveer een uur hebben geduurd, voordat de lening werd afgesloten. Deze gang van zaken acht de rechtbank, gelet op de omvang van het geleende bedrag en het feit dat [bedrijf 2] volgens verdachte een lening zou gaan verstrekken voor een appartement in het buitenland, zonder een gevestigd pandrecht op dat appartement, aan een persoon die tot voor de ‘meeting’ nog onbekend was geweest, hoogst onwaarschijnlijk.\n\nDaar komt nog bij dat de leningovereenkomst volgens de inhoud van die overeenkomst vervolgens zou zijn ondertekend door verdachte en een vertegenwoordiger van [bedrijf 2] in Hong Kong op 31 oktober 2016. De rechtbank stelt vast dat verdachte op dat moment niet in Hong Kong was. De rechtbank stelt eveneens vast dat er geen mailwisseling of andere gegevens zijn overgelegd tussen haar en [bedrijf 2] en er na aangaan van de overeenkomst geen rente- en afbetalingen zijn gedaan door [medeverdachte] . Ook dit gedeelte acht de rechtbank hoogst onwaarschijnlijk.\n\nTot slot overweegt de rechtbank ten aanzien van de leningovereenkomst tussen [bedrijf 2] en [medeverdachte] het volgende. Zoals hiervoor reeds aangehaald ontplooide [medeverdachte] in 2016 geen activiteiten, had het bedrijf geen vermogen en was het pas kort voor de transactie opgericht. Het onderpand dat volgens de leningsovereenkomst die verdachte heeft overgelegd werd gegeven door [medeverdachte] , te weten alle aandelen van de onderneming, kan naar het oordeel van de rechtbank in het normaal economisch verkeer niet gelden als onderpand voor een dergelijk hoge lening. Te meer nu er geen pandrecht is gevestigd op het appartement. Dat een investeerder, in het normaal economisch verkeer, een dergelijke lening zou afsluiten is naar het oordeel van de rechtbank concluderend hoogst onwaarschijnlijk, waardoor de rechtbank tot de conclusie komt dat deze lening niet op zakelijke gronden is aangegaan. Nu een andere – geloofwaardige – verklaring ontbreekt, brengt dat de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte het hiervoor al benoemde vermoeden tot witwassen niet heeft weerlegd met haar verklaring.\n\nDat de lening van [medeverdachte] met [bedrijf 2] een jaar later zou zijn overgenomen door [bedrijf 3] , zoals verdachte heeft verklaard, is voor de beoordeling van de verdenking ten aanzien van de aankoop in 2016 niet van doorslaggevend belang. Desalniettemin zal de rechtbank ook bij deze verklaring stilstaan, nu de feiten en omstandigheden die uit het dossier blijken ten aanzien van deze overboeking de verklaring van verdachte dat sprake was van een bonafide leningsconstructie bij de aankoop van het pand extra ongeloofwaardig maken.\n\n [bedrijf 3] is wederom een bedrijf dat online niet zichtbaar is als financier. Dit Zuid-Afrikaanse bedrijf zou de lening tussen [bedrijf 2] en [medeverdachte] op verzoek van verdachte volledig hebben afgelost, maar de condities waaronder zouden, naar eigen verklaring van verdachte ter zitting, langs haar heen zijn gegaan: zij zou daar niet bij betrokken zijn. Ook dit acht de rechtbank in het normaal economisch verkeer niet begrijpelijk. [bedrijf 4] , het bedrijf dat vervolgens een lening zou zijn aangegaan bij [bedrijf 3] , is net als de andere bedrijven niet vindbaar online en bovendien heeft verdachte verklaard dat het een ‘shelved company’ is, waaruit de rechtbank opmaakt dat er geen bedrijfsactiviteiten worden ontplooid. Dat betekent dat [bedrijf 3] , net als [bedrijf 2] , een leningsovereenkomst zou hebben verstrekt zonder ook maar enige zekerheid te hebben dat die lening wordt terugbetaald. De rechtbank acht ook dit aspect van de verklaring van verdachte hoogst onwaarschijnlijk. Dat verdachte haar persoonlijke onroerende goederen in onderpand gegeven zou hebben – die in waarde de hoogte van de lening niet dekken - waar met behulp van een huurconstructie de aflossingen van de lening zouden worden betaald, acht de rechtbank eveneens hoogst onwaarschijnlijk.\n\nTot slot weegt de rechtbank nog de volgende omstandigheid uit het dossier mee, die op geen enkele wijze te rijmen is met de verklaring van verdachte. Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte zijn twee bankkaarten van de bank [bank 2] , gevestigd in Zuid-Afrika, aangetroffen. De ene kaart stond op naam van [bedrijf 4] , de andere op naam van [bedrijf 3] . Beide kaarten waren volgens de envelop op hetzelfde adres geleverd (het adres van de bank) en op dezelfde datum aangevraagd. De lening tussen [bedrijf 3] en [bedrijf 4] zou op 26 oktober 2017 zijn afgesloten, de bankkaarten dateren van 23 december 2019. Het voorgaande sterkt de rechtbank in de overtuiging dat ook de (papieren) leningsconstructie met [bedrijf 3] uitsluitend bedoeld is geweest om te verhullen wat de daadwerkelijke herkomst van de gelden is. De verklaring van verdachte dat zij samen met de heer [getuige] naar de bank is gegaan – zonder daartoe voorafgaand met de bank een afspraak te maken- om de rekeningen te openen, dat ze direct de bankpassen meekregen, en dat zij per ongeluk ook de pas van [bedrijf 3] heeft meegenomen is naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardig.\n\nDe getuigenverklaring van de heer [getuige] bevestigt hetgeen hierboven reeds is overwogen. [getuige] heeft verklaard slechts op papier directeur van [bedrijf 3] te zijn en er verder niets van weten. Ten aanzien van het openen van de bankrekening bij [bank 2] heeft hij desgevraagd verklaard dat dit in opdracht van de heer [betrokkene 2] (rechtbank: ook [betrokkene 2] genoemd) is gedaan, maar dat hij ook daar verder niets van wist. Ook zou hij geen lening tussen [bedrijf 3] en [bedrijf 4] hebben ondertekend of goedgekeurd en geen lening tussen [medeverdachte] en [bedrijf 2] hebben afgelost. Hij zou de gegevens van de [bank 2] -rekening hebben overgedragen in de veronderstelling dat [betrokkene 2] een woning kocht voor verdachte in Nederland. Volgens getuige [getuige] was verdachte de persoonlijk assistent van deze [betrokkene 2] . Deze verklaring van de heer [getuige] staat haaks op de verklaring van verdachte dat sprake zou zijn geweest van een reële contractsovername.\n\nAlles afwegende concludeert de rechtbank dat het vermoeden van witwassen niet is weerlegd door de verklaring van verdachte. Het Openbaar Ministerie behoefde hier geen nader onderzoek naar te doen. Met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de aankoop van het appartement aan de [adres 2] met geld is gefinancierd uit legale herkomst. Naar het oordeel van de rechtbank kan een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring van de waargenomen feiten en omstandigheden gelden.\n\nWetenschap.\n\nDe volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte wetenschap had van de illegale herkomst van dit geld. De rechtbank overweegt daartoe dat gelet op de hierboven geschetste constructie – een lening tussen een lege Nederlandse B.V. met een onvindbare [bedrijf 2] uit Hong Kong, overgesloten naar een lening bij een Zuid-Afrikaans bedrijf met een directeur die heeft verklaard alleen op papier een functie te hebben, met een “shelved” Zuid-Afrikaans bedrijf – er bewust moet zijn gekozen voor verhulling van de daadwerkelijke herkomst van de gelden. Gelet op de rol van verdachte binnen de verschillende bedrijven kan het niet anders zijn geweest dan dat verdachte zich bewust is geweest van die verhullende constructie. Het verweer dat andere partijen in Nederland, zoals de notaris en de [bank 1] , ook geen vragen hebben gesteld bij de aankoop van de woning treft geen doel, nu zij anders dan verdachte geen zicht hadden op de onwaarachtigheid van de constructie. Gelet op het hiervoor overwogene komt de rechtbank tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat verdachte op het moment van afsluiten van de leningovereenkomst met [bedrijf 2] wist van de illegale herkomst van het geld.\n\nToerekenbaarheid rechtspersoon.\n\nVerdachte is een leningovereenkomst aangegaan namens [medeverdachte] met [bedrijf 2] , waarna vanuit [bedrijf 2] het geld is overgeboekt naar [medeverdachte] waarvan de aankoop van het appartement in Utrecht is gefinancierd. Aan de hand van het Uittreksel van de Kamer van Koophandel stelt de rechtbank vast dat de bedrijfsactiviteiten van [medeverdachte] onder meer zouden omvatten het investeren in onroerend goed. De aankoop van het appartement valt daarmee naar het oordeel van de rechtbank onder de normale bedrijfsvoering. Het ontvangen van het geld van [bedrijf 2] is naar het oordeel van de rechtbank ook dienstig geweest aan het uitgeoefende bedrijf binnen de rechtspersoon, nu daarmee het appartement kon worden aangeschaft.\n\nOp grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de ten laste gelegde gedragingen hebben zijn verricht in de sfeer van de rechtspersoon.\n\nDie gedragingen kunnen daarom in redelijkheid aan de verdachte worden toegerekend.\n\nFeitelijk leidinggeven.Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat verdachte enig aandeelhouder en bestuurder is van [medeverdachte] Verdachte is degene die alle hierboven genoemde handelingen namens [medeverdachte] heeft verricht en zij heeft daarmee feitelijk leidinggegeven aan het witwassen.\n\nConclusie.\n\nDe rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het feitelijk leidinggeven aan witwassen.\n\nDe bewezenverklaring.\n\nOp grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen in de bewijsmiddelenbijlage komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte\n\n [medeverdachte] in de periode van 4 november 2016 tot en met heden in Nederland zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft verdachte van geld en de woning gelegen aan het adres [adres 2] , kadastraal bekend als [kadaster] ,\n\n(sub a)\n\nde werkelijke aard en de herkomst verhuld\n\n(sub b)\n\nverworven en voorhanden gehad en omgezet en daarvan gebruik gemaakt,\n\nterwijl zij wist dat dat geld en voorwerp geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig waren uit enig misdrijf,\n\ntot welk strafbaar feit zij feitelijk leiding heeft gegeven.\n\nDe strafbaarheid van het feit.\n\nHet bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.\n\nDe strafbaarheid van verdachte.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.\n\nOplegging van straf.\n\nDe eis van de officier van justitie.\n\nDe officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden.\n\nEen kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.\n\nHet standpunt van de verdediging.\n\nDe verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd, door aan te voeren dat rekening moet worden gehouden met haar persoonlijke omstandigheden (herhaaldelijk direct en indirect als slachtoffer betrokken bij geweldsmisdrijven in Zuid-Afrika, waardoor zij PTSS heeft opgelopen) en dat verbeurdverklaring van het pand haar zwaar treft nu het haar woning is.\n\nHet oordeel van de rechtbank.\n\nBij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.\n\nDe rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst van het feit.\n\nVerdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het feitelijk leidinggeven aan witwassen door de aankoop van een pand in Utrecht te financieren met uit misdrijf afkomstig geld. Witwassen leidt tot ontwrichting van het economische en financiële verkeer, omdat daarbij de (criminele) herkomst van gelden wordt verhuld en daarmee aan het zicht van de opsporingsautoriteiten wordt onttrokken. De integriteit van het financieel en economisch bestel wordt daardoor ernstige schade toegebracht. Verdachte heeft gebruik gemaakt van een schimmige en ondoorzichtige financieringsconstructie voor de aanschaf van het pand, waarbij gebruik is gemaakt van internationale schakels. Verdachte is voor de aanschaf van het pand listig en geraffineerd te werk gegaan en heeft geen enkel inzicht gegeven in de werkelijke financiering daarvan. Dit rekent de rechtbank verdachte zeer aan.\n\nDe persoon van verdachte.\n\nDe rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 13 oktober 2025 betreffende verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder veroordeeld is geweest voor strafbare feiten. De rechtbank houdt hier in het voordeel van verdachte rekening mee.\n\nVoorts houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte ook getroffen zal worden door de verbeurdverklaring van het pand in de strafzaak tegen de rechtspersoon.\n\nSchending van de redelijke termijn.\n\nDe rechtbank overweegt verder dat in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat jegens verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft in dit kader te gelden dat de behandeling op de zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.\n\nVerdachte is op 22 februari 2023 voor het eerst door de politie verhoord.\n\nHoewel het (eerste) verhoor van de verdachte in de jurisprudentie in beginsel niet als een handeling wordt beschouwd waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een strafvervolging zal worden ingesteld, gaat de rechtbank daar in deze zaak wel vanuit. De redelijke termijn is dus aangevangen op 22 februari 2023. De rechtbank heeft einduitspraak gedaan op 30 juni 2026. Daarmee is de redelijke termijn met 1 jaar en 4 maanden overschreden. De rechtbank houdt hier in het voordeel van verdachte rekening mee. Daarnaast houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met de oudheid van het gepleegde feit.\n\nDe op te leggen straf.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van het feit niet kan worden volstaan met een andersoortige straf dan een gevangenisstraf. De rechtbank zal een lagere straf opleggen dan de officier van justitie heeft geëist omdat de op te leggen straf de ernst van het feit voldoende tot uitdrukking brengt. Bovendien zal de rechtbank rekening houden met de omstandigheden zoals hierboven weergegeven.\n\nAlles overziend zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.\n\nToepasselijke wetsartikelen.\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen:\n\n14a, 14b, 14c, 27, 51, 420bis van het Wetboek van Strafrecht.DE UITSPRAAK\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;\n\nhet bewezenverklaarde levert op het misdrijf:\n\nfeitelijk leidinggeven aan witwassen, begaan door een rechtspersoon\n\nverklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\nlegt op de volgende straf:\n\n* een gevangenisstrafvoor de duur van12 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht\n\nbepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op de grond dat verdachte voor het einde van eenproeftijd van 2 jaarde hierna te noemen voorwaarde niet heeft nageleefd;\n\nvoorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.\n\nDit vonnis is gewezen door:\n\nmr. S.H.C. Merkx, voorzitter.\n\nmr. A.C. Palmboom en mr. F.H.E. Boerma, leden, en\n\nin tegenwoordigheid van mr. L.A.P.H. Kirkels en mr. S.B.J. de Leeuw, griffier.\n\nen is uitgesproken op 30 juni 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4746","ecli-nl-rbobr-2026-4746",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":148,"ecli":149,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":135,"fullText":150,"language":7,"source":17,"sourceUrl":151,"summary":14,"slug":152,"metadata":153},"680","ECLI:NL:RBDHA:2026:18644","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats ‘s-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: AWB 25\u002F24378\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiseres] uit [vestigingsplaats] , eiseres,\n\n(gemachtigde: [naam] ),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister,\n\n(gemachtigde: mr. T.J.A.J. Tichelaar).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om verlening van een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (gvva) ten behoeve van [naam] (hierna: de vreemdeling). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Op 7 februari 2025 heeft eiseres namens de vreemdeling een aanvraag om een gvva ingediend. De minister heeft de aanvraag van eiseres bij besluit van 7 juli 2025 afgewezen onder verwijzing naar een advies van het Uitvoeringsinstituut werknemers- verzekeringen (UWV) van 4 juli 2025.\n\n2.1.. Eiseres heeft tegen het besluit van 7 juli 2025 bezwaar gemaakt. De minister heeft aanleiding gezien het UWV opnieuw om advies te vragen. Het UWV heeft op 25 november 2025 advies uitgebracht. Onder verwijzing naar dat advies is de minister met het besluit van 28 november 2025 op het bezwaar van eiseres (bestreden besluit) bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.\n\n2.2.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Op 27 mei 2026 heeft eiseres nog een nader stuk ingediend.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Namens het UWV zijn verschenen mr. M. Dundas en mr. S. Kruijthof.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nInleiding\n\n3. De vreemdeling is geboren op [geboortedatum] en heeft de Surinaamse nationaliteit. Aan haar is een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel ‘Arbeid in loondienst’ verstrekt met een geldigheidsduur van 2 mei 2023 tot 20 april 2025.\n\n3.1.. Eiseres heeft op 7 februari 2025 namens de vreemdeling een aanvraag om een gvva ingediend en daarmee om verlenging van de verleende verblijfsvergunning. Bij haar aanvraag heeft eiseres opgegeven, voor zover van belang, dat de naam van de te vervullen functie is “verzorgende IG”. Ook heeft eiseres daarbij opgegeven dat zij de vacature heeft gemeld bij het UWV, alsook dat zij heeft geworven in Nederland en in de andere landen van de EU\u002FEER.\n\nBestreden besluit\n\n4. De minister heeft de afwijzing van de aanvraag van eiseres gehandhaafd onder verwijzing naar het tweede negatieve advies van het UWV van 25 november 2025. In dat advies concludeert het UWV dat voldoende prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt aanwezig is. Volgens het UWV stonden ten tijde van het uitbrengen van het advies voor de functie van ‘Verzorgende Individuele Gezondheidszorg’ 809 werkzoekenden bij het UWV ingeschreven. Daarnaast stelt het UWV zich op het standpunt dat eiseres zich niet tot het uiterste heeft ingespannen om het prioriteit genietend aanbod te bereiken. Het UWV heeft de minister daarom geadviseerd de gevraagde vergunning op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) niet te verlenen.\n\nStandpunt eiseres\n\n5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de minister ten onrechte de aanvraag heeft afgewezen. Wat eiseres daartoe heeft aangevoerd, bespreekt de rechtbank hierna.\n\nWettelijk kader\n\n6. Op grond van artikel 3.31, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan – voor zover van belang – de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid in loondienst’ worden verleend indien geen afwijzingsgrond van toepassing is uit artikel 8 van de Wav.\n\n7. Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wav weigert de minister een gecombineerde vergunning:\n\na. indien voor de desbetreffende arbeidsplaats prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt aanwezig is;\n\nb. (…);\n\nc. indien de werkgever niet kan aantonen voldoende inspanningen te hebben gepleegd de arbeidsplaats door prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt te vervullen;\n\nd. (…).\n\n8. Bij wet van 25 november 2013 is de Wav herzien. In de memorie van toelichtingbij die wet is vermeld:\n\n\"Abstractere toets op prioriteitgenietend aanbod (artikel 8, eerste lid, onder a)\n\n(…). In deze benadering van de bemiddelingsfunctie van het UWV past niet meer dat het UWV in het kader van een aanvraag om een tewerkstellingsvergunning bij elke individuele vacature beoordeelt of er een geschikte kandidaat voorhanden is. Het UWV kan voortaan volstaan met het onderzoeken of er voldoende werkzoekenden op de arbeidsmarkt aanwezig zijn, in plaats van beschikbaar, die aan de functie-eisen van de vacature voldoen. Als dit zo is moet UWV de aanvraag afwijzen.\n\n(…).\n\nArtikel 8, eerste lid, aanhef, onderdeel a\n\nHet aanwezig zijn van prioriteitgenietend aanbod moet in het licht van de doelstelling van de Wav worden beschouwd als de centrale dwingende weigeringsgrond voor de afgifte van een tewerkstellingsvergunning. Onder prioriteitgenietend aanbod moet worden verstaan: aanbod van de zijde van Nederlanders, vreemdelingen waarvoor vrij verkeer van werknemers geldt en vreemdelingen die beschikken over een op grond van de Vreemdelingenwet 2000 afgegeven verblijfsvergunning waaruit blijkt dat daaraan geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid. Toetsen aan het prioriteitgenietend aanbod betekent niet dat dit aanbod concreet voor de werkgever beschikbaar moet zijn. De werkgever dient zelf actief op dit aanbod te werven. Als bij het UWV bekend is dat er voldoende werkzoekenden binnen de EER zijn die gezien hun opleiding of werkervaring de functie bij de werkgever zouden kunnen uitoefenen, dient het UWV deze weigeringsgrond toe te passen.”\n\n9. Artikel 3:31, eerste lid, van het Vb 2000 en artikel 8 van de Wav zijn dwingend recht. Dit betekent dat de minister de aanvraag voor een gvva moet weigeren als een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wav van toepassing is. De tekst van deze bepalingen bieden geen ruimte om hiervan af te wijken.\n\nOordeel rechtbank\n\n10. De rechtbank stelt voorop dat het advies van het UWV kan worden aangemerkt als een deskundigenadvies. Wanneer de minister – zoals in een geval als dit – een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, moet hij volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling)wel nagaan of het advies op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Als aan deze eisen is voldaan, mag de minister bij zijn besluitvorming van het advies uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten bestaan om de inhoud of de conclusie daarvan in twijfel te trekken.\n\n11. In dat wat door eiseres naar voren is gebracht ziet de rechtbank geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies van het UWV of twijfel aan de redenering en de getrokken conclusies in dat advies. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe aan de hand van de beroepsgronden.\n\nPrioriteitgenietend aanbod (artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wav)\n\n12. Eiseres voert aan dat het UWV ten onrechte in haar advies stelt dat voldoende personeel beschikbaar is op de Nederlandse arbeidsmarkt. Eiseres vindt dat deze aanname geen stand houdt bij toetsing aan de feitelijke inzetbaarheid. Het overgrote deel van de personen uit de diverse uitkeringsregelingen beschikt niet over de benodigde diploma- en kwalificatievereisten, zoals relevante diploma’s, een geldige verklaring omtrent het gedrag, scholing of beheersing van de Nederlandse taal. Scholingstrajecten vergen tijd en bieden geen oplossing voor acute personeelstekorten. Bovendien kunnen uitkeringsgerechtigden niet worden verplicht om in de zorgsector te werken. Zij hebben een vrije arbeidskeuze. Eiseres wijst verder erop dat er structurele en oplopende personeelstekorten zijn in de zorg. Het UWV heeft daarnaast niet onderbouwd hoe uitkeringsgerechtigden zonder zorgopleiding of taalvaardigheid reëel inzetbaar zijn. Eiseres stelt dat het UWV zich op een theoretische beschikbaarheid baseert, terwijl gekeken moet worden naar de feitelijke en reële mogelijkheden. Het advies van het UWV is onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd en kan daarom volgens eiseres het bestreden besluit niet dragen.\n\n13. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich, onder verwijzing naar het advies van het UWV, deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat voor de beoogde functie prioriteitgenietend aanbod op de arbeidsmarkt aanwezig is. In het advies van het UWV van 25 november 2025 is vermeld dat op dat moment landelijk 809 – en ten tijde van het verweerschrift van 18 mei 2026 811 – werkzoekenden stonden ingeschreven voor de functie “verzorgende IG”. De minister mocht volstaan met die vaststelling. Uit de in rechtsoverweging 8 opgenomen memorie van toelichting bij artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wav volgt al dat het UWV niet (meer) hoeft aan te tonen dat dit aanbod van werkzoekenden concreet voor eiseres geschikt en beschikbaar is.Zoals vaker overwogenis ook sprake van prioriteitgenietend aanbod indien werkzoekenden na een inwerkperiode of na enige scholing aan de functie-eisen kunnen voldoen.\n\nVoldoende inspanningen (artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wav)\n\n14. Eiseres stelt zich op het standpunt aantoonbare en voldoende wervingsinspanningen te hebben gepleegd door onder meer te werven via Facebook, (V)KP\u002F(V)PK vacaturebanken, Werk.nl, regionale zorgplatforms, opleidings- en samenwerkingspartners, de gemeente, het UWV, Instagram en LinkedIn. Eiseres betoogt dat de minister niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom deze inspanningen niet voldoen zijn en welke aanvullende werving redelijkerwijs nog verlangd kan worden van haar. Eiseres wijst daarbij op de structurele krapte in de zorg. Zij vindt dat het UWV een te formalistisch standpunt inneemt door aan haar tegen te werpen dat de vacatureteksten niet volledig zijn bijgevoegd en daaruit vervolgens af te leiden dat haar wervingsinspanningen onvoldoende zijn. Eiseres voert aan dat het gaat om standaard vacatureteksten die binnen de zorgsector algemeen worden gebruikt en waaruit ondubbelzinnig blijkt dat wordt gezocht naar zorgpersoneel. De inhoud van de teksten is niet maatgevend. Volgens eiseres dient doorslaggevend te zijn of en waar is geworven en met welk bereik. Eiseres vindt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de door haar overgelegde wervingsbewijzen onvoldoende zijn. Eiseres vindt verder dat het UWV zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat bij de beoordeling van de wervingsinspanningen geen rekening mag worden gehouden met een taalbarrière en de vraag of niet-Nederlandstalig personeel in de zorgsector kan worden ingezet. Dit standpunt miskent volgens eiseres de feitelijke zorginhoudelijke realiteit en haar wettelijke plicht om zorg te verlenen met inzet van deskundig en bekwaam zorgpersoneel. Eiseres wijst op de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg op grond waarvan zij slechts personeel kan inzetten dat beschikt over de juiste competenties, waaronder adequate communicatieve vaardigheden. Met name in de ouderenzorg is daarbij beheersing van de Nederlandse taal essentieel, aldus eiseres.\n\n15. Dit betoog kan eiseres ook niet baten. De minister heeft zich, onder verwijzing naar het advies van het UWV, deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiseres onvoldoende wervingsinspanningen heeft gepleegd om de arbeidsplaats door middel van prioriteitgenietend aanbod te vervullen. Het UWV heeft in zijn advies op goede gronden als uitgangspunt genomen dat het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat zij zich tot het uiterste heeft ingespannen om haar vacature te vervullen met prioriteitgenietend aanbod en dat daarbij slechts de wervingsinspanning in de periode van drie maanden voorafgaand aan de aanvraag van belang zijn, te weten de periode van 5 december 2024 tot en met 5 maart 2025. Het UWV heeft na een grondig onderzoek van het door eiseres overgelegde bewijs vastgesteld dat eiseres in die periode alleen via EURES en Facebook heeft gezocht naar kandidaten en dat daarbij bovendien de vacaturetekst geheel (Facebook) of gedeeltelijk (EURES) ontbrak. Van overige concrete wervingsinspanningen in de desbetreffende periode heeft eiseres geen stukken overgelegd. Eiseres heeft alleen daarom al niet aannemelijk gemaakt dat zij zich tot het uiterste heeft ingespannen om de vacature te vervullen met prioriteitgenietend aanbod. De enkele stelling van eiseres ter zitting dat zij in de periode van 5 december 2024 tot en met 5 maart 2025 ook heeft geworven via LinkedIn en diverse vacaturesites is – zonder verdere onderbouwing – onvoldoende. Ook de stelling van eiseres dat de inhoud van de vacaturetekst niet maatgevend is, kan geen doel treffen. Het UWV stelt zich op goede gronden op het standpunt dat met het ontbreken van die vacaturetekst niet te controleren is of eiseres een normaal uurloon had aangeboden. Het UWV heeft eiseres daarnaast terecht tegengeworpen dat ook vast is komen te staan dat naar aanleiding van de wervingsinspanningen van eiseres zich geïnteresseerden hebben gemeld bij haar, maar dat niet duidelijk is geworden waarom deze kandidaten ongeschikt waren voor het vervullen van de functie van “verzorgende IG”.\n\n16. Uit rechtsoverwegingen 13. en 15. volgt dat minister zich op goede gronden op het standpunt stelt dat de weigeringsgronden van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wav van toepassing zijn, zodat hij gehouden is de gevraagde ggva te weigeren.\n\nBelangenafweging, motiveringsbeginsel en evenredigheidsbeginsel\n\n17. Eiseres betoogt dat de afwijzing van haar aanvraag berust op een nationaalrechtelijke beoordelingsbevoegdheid en dat geen sprake is van dwingend voorgeschreven bepalingen uit het Unierecht. Dit betekent volgens eiseres dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur onverkort van toepassing zijn. Door vrijwel integraal het UWV-advies te volgen zonder zelfstandige toetsing en zonder expliciete afweging van de door eiseres aangevoerde feiten en belangen heeft de minister het motiverings- en evenredigheidsbeginsel geschonden. Dit klemt volgens eiseres temeer, nu het UWV in het advies van 25 november 2025 expliciet heeft aangegeven dat zij het loon op de juiste manier heeft nabetaald aan de vreemdeling en dat dit punt ook niet langer aan haar wordt tegengeworpen. Door deze erkenning niet zelfstandig mee te wegen en niet expliciet te motiveren waarom dit desondanks niet tot een ander besluit leidt, heeft de minister volgens eiseres niet voldaan aan zijn motiveringsplicht. Verder voert eiseres aan dat de afwijzing van de aanvraag zeer zware gevolgen heeft voor de vreemdeling vanwege het verlies van inkomen, bestaanszekerheid en verblijfsperspectief. Ook heeft het afwijzende besluit onevenredige gevolgen voor eiseres en haar cliënten. De minister had deze belangen volgens eiseres kenbaar moeten meewegen en tot de conclusie moeten komen dat de afwijzing van haar aanvraag niet evenredig is.\n\n18. Dit betoog van eiseres kan geen doel treffen. Artikel 3:31, eerste lid, van het Vb 2000 en artikel 8, eerste lid, van de Wav zijn dwingend geformuleerd. Zoals ook volgt uit rechtsoverweging 9. laat de tekst van deze wettelijke voorschriften de minister geen ruimte om daarvan af te wijken. De Wav is bovendien een wet in formele zin. De bestuursrechter kan deze wet daarom, zoals ter zitting ook al voorgehouden aan eiseres, niet toetsen aan het evenredigheidsbeginsel. Dit is alleen anders in het geval van bijzondere omstandigheden die de wetgever niet of niet ten volle in zijn afweging heeft verdisconteerd of bijzondere omstandigheden die meebrengen dat toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd is met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven.Daarvan is in dit geval echter geen sprake. De essentie van de dwingend geformuleerde bepaling van artikel 8, eerste lid, van de Wav is dat een gvva moet worden geweigerd als één van de in dat artikellid opgenomen weigeringsgronden zich voordoet. De striktheid van deze bepaling kan de wetgever niet zijn ontgaan. Daarbij is bovendien nog van belang dat de wetgever – zoals volgt uit de in rechtsoverweging 8. opgenomen memorie van toelichting – bij de totstandkoming van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wav uitdrukkelijk heeft aangegeven dat de aanwezigheid van prioriteitgenietend aanbod in het licht van de doelstelling van de Wav moet worden beschouwd als de centrale dwingende weigeringsgrond.\n\nGelijkheidsbeginsel\n\n19. Eiseres heeft ten slotte gesteld dat een bij haar vertrokken medewerker wel een gvva heeft gekregen voor het verrichten van vergelijkbaar werk bij een grotere zorginstantie. Ook heeft eiseres gesteld dat een grotere groep buitenlandse zorgprofessionals een vergunning heeft gekregen binnen de Nederlandse zorgsector.\n\n20. Dit beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Eiseres heeft met haar niet nader onderbouwde of geconcretiseerde stellingen aannemelijk gemaakt dat sprake is van vergelijkbare gevallen. Het UWV heeft ter zitting bovendien toegelicht dat in de situatie dat een desbetreffende werkgever – anders dan gedaan door eiseres – met diverse bewijsmiddelen aantoont voldoende wervingsinspanningen te hebben gepleegd, het UWV in dat geval tegenbewijs aanneemt voor de aanwezigheid van prioriteitgenietend aanbod voor de desbetreffende functie op dat moment.\n\nConclusie en gevolgen\n\n21. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag van eiseres in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.P. Schutte, rechter, in aanwezigheid van mr.I. van der Wijngaart, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n TK, 2012-2013, 33 475, nr. 3, blz. 5 en 12.\n\n Zie bijvoorbeeld uitspraken van 27 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2659, en 17 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2726.\n\n Vgl. de uitspraak van 26 april 2016 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2016:1236.\n\n Zie bijvoorbeeld rechtsoverweging 18 van de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 20 november 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:7575.\n\n Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 en de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1047.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18644","ecli-nl-rbdha-2026-18644",{"courtName":6,"legalDomain":99,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":155,"ecli":156,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":157,"fullText":158,"language":7,"source":17,"sourceUrl":159,"summary":14,"slug":160,"metadata":161},"920","ECLI:NL:RBOBR:2026:4607","2026-06-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK OOST-BRABANT\n\nZittingsplaats 's-Hertogenbosch\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: SHE 25\u002F2436\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2026 in de zaak tussen\n [eiser] , uit [woonplaats] , eiser\n\nen\n\nde Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV\n\n(gemachtigde: E.A.M. Vervoort).\n\nSamenvatting\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de terugvordering van een aan eiser verstrekt voorschot op zijn uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De rechtbank beoordeelt dit aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beslissing over die terugvordering in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Met het besluit van 7 juli 2025 heeft het UWV vastgesteld dat eiser € 782,51 bruto te veel aan voorschot op de WAO-uitkering heeft ontvangen en dat hij dit moet terugbetalen aan het UWV.\n\n2.1.. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het besluit op bezwaar van 17 september 2025 (het bestreden besluit) is het UWV bij dat besluit gebleven.\n\n2.2.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.\n\n2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door zijn partner, en de gemachtigde van het UWV.\n\n2.4.. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst om eiser in de gelegenheid te stellen een vraag van de rechtbank voor te leggen aan zijn voormalig werkgever. Eiser heeft van die gelegenheid gebruikgemaakt en de schriftelijke reactie van zijn voormalig werkgever (een brief van 23 maart 2026) in het geding gebracht. Het UWV is in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Van die gelegenheid heeft het UWV gebruikgemaakt.\n\n2.5.. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij het niet nodig vindt om in deze zaak een nadere zitting te houden en partijen de gelegenheid gegeven om het binnen vier weken te laten weten als zij wel op een nadere zitting willen worden gehoord. Geen van de partijen heeft binnen die termijn verzocht om een nadere zitting. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nDe relevante feiten\n\n3. Eiser bereikte op 26 juni 2025 de AOW-gerechtigde leeftijd. Eiser had tot die datum recht op een WAO-uitkering. Deze uitkering werd in de vorm van een voorschot verstrekt, waarbij achteraf de inkomsten werden verrekend met zijn uitkering. Eiser had namelijk naast zijn WAO-uitkering inkomen uit arbeid. Hij werkte voor [naam] Ook dat dienstverband eindigde op 26 juni 2025 wegens het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd.\n\n4. Eiser heeft voor de periode 1 juni 2025 tot en met 25 juni 2025 een voorschot ontvangen op zijn WAO-uitkering, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Het ging om een voorschot van € 724,54 bruto (exclusief vakantiegeld).\n\nEiser heeft in de maand juni 2025 in totaal € 4.541,10 bruto van zijn werkgever ontvangen, waaronder naast zijn gebruikelijke salaris een (eenmalig) bedrag van € 1.900 genaamd ‘uitkering Vut\u002FPensioen N\u002FBr.eenm’.\n\n5. Het UWV heeft op basis van de inkomensgegevens van de Belastingdienst een definitieve berekening van eisers WAO-uitkering uitgevoerd over juni 2025. Daarbij is berekend of het in juni 2025 verstrekte voorschot in overeenstemming was met het bedrag aan WAO-uitkering waar eiser in die maand recht op had. Dat heeft geleid tot de besluitvorming zoals weergegeven onder ‘Procesverloop’.\n\nDe standpunten van partijen\n\n6. Het UWV stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat het voorschot op de WAO-uitkering dat eiser in juni 2025 heeft ontvangen (€ 782,51 incl. vakantiegeld) hoger is dan de uitkering waar eiser in die maand recht op had (€ 0,00). Dat bedrag moet eiser daarom terugbetalen. Het UWV heeft dit berekend door in de maand juni 2025 een bedrag van € 4.541,10 aan SV-loon in aanmerking te nemen. Het loonverlies (en arbeidsongeschiktheidspercentage) wordt berekend door de volgende som: (maatmanloon - SV-loon)\u002F maatmanloon x 100%. Het maatmanloon van eiser bedraagt € 4.629,80. Voormelde som leidt dan tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 15%, zodat het uitkeringspercentage 0% bedraagt. De aan eiser in juni 2025 betaalde gift van\n\n€ 1.900, die onderdeel uitmaakt van het voormelde bedrag van € 4.541,10, is volgens het UWV door de werkgever (terecht) aangemerkt als SV-loon, zodat het moet worden verrekend met eisers WAO-uitkering. Dat dit is aangemerkt als SV-loon blijkt volgens het UWV uit de polisadministratie en eisers loonstrook. Volgens het UWV is deze gift, anders dan bijvoorbeeld extra salaris bij een 25-jarig of 40-jarig jubileum, niet uitgezonderd van het loonbegrip. Om die reden is het als loon in aanmerking genomen en verrekend met de uitkering.\n\n7. Eiser is het niet eens met de terugvordering. Hij voert aan dat hij, vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, in juni 2025 een financiële gift heeft ontvangen van zijn werkgever ter hoogte van € 1.900 (€ 50 netto per gewerkt jaar voor de door eiser gewerkte 38 dienstjaren). Eiser vindt het onterecht dat dit bedrag wordt verrekend met de WAO-uitkering. Dit is volgens eiser een ‘cadeau’ van zijn werkgever, wat ook zou blijken uit de personeelsgids van zijn werkgever. Ter onderbouwing van deze stelling heeft eiser (in bezwaar) zijn loonstrook over de maand juni 2025 overgelegd. Als dit ‘cadeau’ was verstrekt na 1 juli 2025, dan was er volgens eiser niets aan de hand geweest en zou het UWV niets hebben verrekend. Eiser heeft het ontstane probleem aangekaart bij de werkgever en die zal de betreffende ‘cadeaus’ in het vervolg een maand later uitkeren.\n\nEiser stelt dat het UWV het cadeau bij het 25-jarig jubileum wel akkoord vond. Verder voert eiser aan dat hem onduidelijk is waarom hij nu € 643,01 netto moet terugbetalen, terwijl hij in juni 2025 € 595,30 netto van het UWV heeft ontvangen.\n\nDe redenen voor de beslissing van de rechtbank\n\n8. De wet- en regelgeving die voor de beoordeling van het beroep belangrijk is, is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.\n\n9. De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht een bedrag van € 782,51 bruto van eiser heeft teruggevorderd.\n\n10. Om te kunnen bepalen of het UWV dit bedrag terecht van eiser heeft teruggevorderd is van belang of het UWV voor de maand juni 2025 het juiste bedrag aan inkomsten uit arbeid in aanmerking heeft genomen voor het berekenen van de arbeidsongeschiktheidsklasse op basis waarvan de WAO-uitkering van eiser over deze maand moet worden uitbetaald.\n\n11. Tussen partijen staat alleen ter discussie of het UWV de aan eiser gedane financiële verstrekking van € 1.900 terecht heeft betrokken in de verrekening met de WAO-uitkering, zoals bepaald in artikel 44 van de WAO. Op grond van deze bepaling moet het UWV een fictieve schatting te maken van de arbeidsongeschiktheid van de uitkeringsgerechtigde, indien hij inkomen uit arbeid ontvangt.\n\n12. Om te bepalen wat onder inkomen en loon als bedoeld in artikel 44 van de WAO wordt verstaan, wordt teruggevallen op het loonbegrip zoals dat in de fiscale wet- en regelgeving wordt omschreven. Dat is het zogeheten SV-loon. Dit is ook bepaald in de artikelen 2 en 2a van de Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomen. De strekking van die bepalingen is hetzelfde, namelijk dat, voor zover hier van belang, als loon en inkomen heeft te gelden het loon overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964, met uitzondering van hetgeen uit een vroegere dienstbetrekking als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 wordt genoten.\n\n13. Uit artikel 11, eerste lid, aanhef en onder o, van de Wet op de loonbelasting 1964 volgt dat niet tot loon behoort een uitkering of verstrekking die eenmaal wordt toegekend na het bereiken van een diensttijd van ten minste 25 jaar en een uitkering of verstrekking die eenmaal wordt toegekend na het bereiken van een diensttijd van ten minste 40 jaar, voor zover de waarde daarvan het loon over een maand niet overtreft.\n\n14. In de brief van 23 maart 2026 van de werkgever die eiser in het geding heeft gebracht, heeft de werkgever verklaard dat het verstrekte bedrag van € 1.900 geen verband houdt met het bereiken van een diensttijd van ten minste 25 jaar of na het bereiken van een diensttijd van ten minste 40 jaar. Hieruit volgt dat het bedrag niet valt onder de wettelijke uitzondering zoals genoemd in artikel 11, eerste lid, aanhef en onder o, van de Wet op de loonbelasting 1964. Er is dus geen sprake van een financiële verstrekking die buiten het (fiscale) loonbegrip valt. Dat het, zoals eiser stelt, door de werkgever een ‘cadeau’ wordt genoemd laat onverlet dat het wel een (gebruteerde) financiële verstrekking is waarvan de werkgever loonaangifte heeft gedaan. In zoverre is dus sprake van loon dat het UWV moet verrekenen met de WAO-uitkering.\n\n15. Eisers voormalig werkgever heeft het verstrekte bedrag van € 1.900 als SV-loon in de loonaangifte opgenomen in het aangiftetijdvak van juni 2025. Die informatie van de Belastingdienst komt terecht in de polisadministratie die het UWV gebruikt bij het vaststellen van het inkomen uit arbeid dat een uitkeringsgerechtigde ontvangt. Het UWV mag uitgaan van deze gegevens, tenzij wordt aangetoond dat die gegevens onjuist zijn. Eiser heeft de juistheid van deze gegevens van de Belastingdienst niet betwist. In artikel 44, tweede lid, van de WAO is uitdrukkelijk bepaald dat het loon wordt geacht te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de inhoudingsplichtige van dat loon opgave heeft gedaan. Dus in dit geval is dat juni 2025. Het UWV kan dus, voor zover eiser dat bedoelt aan te voeren, dat loon niet toerekenen aan een later dan wel ander tijdvak dan juni 2025.\n\n16. Het UWV heeft in het verweerschrift, onder verwijzing naar rechtspraak, verder uitgelegd dat hier sprake is van loon uit tegenwoordige arbeid en niet uit een vroegere dienstbetrekking, zodat de aan eiser gedane extra financiële verstrekking ook in die zin geen uitgezonderd loon vormt dat buiten beschouwing moet worden gelaten bij de schatting. Eiser heeft die uitleg niet betwist. Die uitleg van het UWV is ook in lijn met de rechtspraak van de hoogste rechter in Nederland in sociale zekerheidszaken, de Centrale Raad van Beroep.\n\n17. Gelet op het voorgaande heeft het UWV de financiële verstrekking van € 1.900 terecht als loon verrekend met de WAO-uitkering.\n\n18. Tussen partijen is verder niet in geschil dat de eenmalige uitkering van € 1.900 in juni 2025 de overschrijding van de inkomensgrens in die maand veroorzaakt, waardoor eiser in die maand terugvalt van de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45% naar de lagere klasse van 0 tot 15%. Dat heeft tot gevolg dat zijn uitkeringspercentage in die maand wijzigt van 28% naar 0% van de grondslag. Hierdoor heeft eiser over die maand een te hoog voorschot aan WAO-uitkering ontvangen. Cijfermatig betekent dit volgens het UWV dat eiser in de maand juni 2025 € 782,51 te veel (voorschot) WAO-uitkering (inclusief vakantiegeld) heeft ontvangen. Dat is het (bruto)bedrag dat van eiser is teruggevorderd.\n\n19. Over de hoogte van dat teruggevorderde bedrag, waarvan eiser vindt dat het onduidelijk is, overweegt de rechtbank als volgt. In het betreden besluit en in het verweerschrift is hierover uitgelegd dat bij het in juni 2025 verstrekte bruto bedrag van € 724,54 een bedrag aan gereserveerde vakantietoeslag van bruto € 57,97 moet worden opgeteld, waarmee het totaal terug te vorderen bedrag uitkomt op € 782,51. Eiser heeft die uitleg verder niet betwist. De rechtbank ziet dan ook geen reden om aan de hoogte van het teruggevorderde bedrag te twijfelen.\n\n20. Er zijn geen dringende redenen gesteld of gebleken op grond waarvan het UWV had moeten besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.\n\n21. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat het UWV terecht een bedrag van € 782,51 bruto van eiser heeft teruggevorderd. De beroepsgronden slagen niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft in stand. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M. Cune, rechter, in aanwezigheid van Z. Selkan, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.\n\nDigitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.\n\nBijlage: voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving\n\nWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)\n\nArtikel 44\n\n1. Indien degene, die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomen geniet doordat hij arbeid is gaan verrichten, wordt die arbeid gedurende een aaneengesloten tijdvak van vijf jaar niet aangemerkt als arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid, en wordt de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt de uitkering:\n\na. niet uitbetaald indien het inkomen zodanig is, dat als die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn, niet langer sprake zou zijn van een arbeidsongeschiktheid van ten minste 15%; of\n\nb. indien het bepaalde onder a niet van toepassing is, uitbetaald tot een bedrag ter grootte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals deze zou zijn vastgesteld, indien die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn.\n\nNa afloop van het in de aanhef genoemde tijdvak wordt de arbeid aangemerkt als arbeid als bedoeld in artikel 18, vijfde lid.\n\n2 Indien degene die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering in dienstbetrekking arbeid als bedoeld in het eerste lid verricht of heeft verricht, wordt het loon geacht te zijn genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever of de inhoudingsplichtige van dat loon opgave heeft gedaan.\n\n(…)\n\n8 Bij ministeriële regeling wordt bepaald wat onder inkomen en loon als bedoeld in dit artikel wordt verstaan. Daarbij kan tevens worden bepaald dat nader te bepalen inkomen dat gedeeltelijk, niet, of niet langer wordt genoten als gevolg van gewijzigde omstandigheden of enig handelen of nalaten van betrokkene in aanmerking wordt genomen alsof het wel volledig wordt genoten.\n\nArtikel 57\n\n1. De uitkering, de loonsuppletie, bedoeld in artikel 65c, en de inkomenssuppletie, bedoeld in artikel 65d, die als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 36a onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.\n\n2 De uitkering die onverschuldigd aan de werkgever is betaald, wordt door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van de werkgever teruggevorderd, indien de werkgever de uitkering op grond van artikel 629, vijfde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in mindering heeft kunnen brengen op het loon.\n\n(…)\n\n6 Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.\n\n7 Degene van wie wordt teruggevorderd is verplicht desgevraagd aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.\n\n8 In afwijking van het eerste lid kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, onder voorwaarden die Onze Minister kan stellen, besluiten van terugvordering af te zien indien het terug te vorderen bedrag een door Onze Minister vast te stellen bedrag niet te boven gaat.\n\nRegeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomen\n\nArtikel 2\n\n1. Onder loon als bedoeld in de artikelen 44, tweede lid, van de WAO en 58, tweede lid, van de Waz wordt verstaan het loon in de zin van artikel 16 van de Wet financiering sociale verzekeringen voor de werknemer in de zin van die wet, met uitzondering van:\n\na. het loon uit vroegere dienstbetrekking in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964;\n\nb. loondervingsuitkeringen, al dan niet vermeerderd met een toeslag op grond van de Toeslagenwet en de door de werkgever betaalde aanvullingen op die uitkeringen;\n\nc. de eindheffingsbestanddelen, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen b tot en met h, van de Wet op de loonbelasting 1964. (…)\n\nArtikel 2a\n\n1. Onder inkomen als bedoeld in de artikelen 44, eerste lid, van de WAO en 58, eerste lid, van de Waz wordt verstaan:\n\na.het loon, bedoeld in artikel 2;\n\n(…)\n\nc. het loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, voor zover de verzekerde niet als werknemer als bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van de Wet financiering sociale verzekeringen, inkomen verdient, met uitzondering van:\n\n1°.het loon uit vroegere dienstbetrekking in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964;\n\n(…)\n\n6 Bij de vaststelling van het inkomen wordt het in de relevante aangiftetijdvakken opgebouwde bedrag aan vakantiebijslag en de in die tijdvakken opgebouwde looncomponenten ten behoeve van een arbeidsvoorwaardenbedrag als bedoeld in artikel 1:1 van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten in aanmerking, waarbij het betaalde bedrag aan vakantiebijslag en de uitbetaalde looncomponenten ten laste van een arbeidsvoorwaardenbedrag in die tijdvakken niet in aanmerking worden genomen.\n\nWet financiering sociale verzekeringen\n\nArtikel 16\n\n1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder loon verstaan het loon en de gage overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964.\n\n2 Tot het loon behoren niet:\n\na. hetgeen uit een vroegere dienstbetrekking als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 wordt genoten met uitzondering van uitkeringen op grond van een werknemersverzekering of wachtgeld als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, tweede zin, van de Werkloosheidswet en de aanvullingen daarop van degene tot wie de werknemer in dienstbetrekking staat en met uitzondering van toeslagen op grond van de Toeslagenwet;\n\n(…).\n\nWet op de loonbelasting 1964\n\nArtikel 11\n\n1. Tot het loon behoren niet:\n\n(…)\n\no. een uitkering of verstrekking die eenmaal wordt toegekend na het bereiken van een diensttijd van ten minste 25 jaar en een uitkering of verstrekking die eenmaal wordt toegekend na het bereiken van een diensttijd van ten minste 40 jaar, voor zover de waarde daarvan het loon over een maand niet overtreft, mits is voldaan aan bij ministeriële regeling te stellen voorwaarden; (…).\n\n Algemene Ouderdomswet (AOW).\n\n Op grond van artikel 44 van de WAO.\n\n Vergelijk de uitspraak van 12 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1068","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOBR:2026:4607","ecli-nl-rbobr-2026-4607",{"courtName":6,"legalDomain":124,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":163,"ecli":164,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":165,"fullText":166,"language":7,"source":17,"sourceUrl":167,"summary":14,"slug":168,"metadata":169},"662","ECLI:NL:GHSHE:2026:1742","2026-06-26T00:00:00.000Z","Parketnummer : 20-003319-24\n\nUitspraak : 26 juni 2026\n\nTEGENSPRAAKArrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 13 december 2024, in de strafzaak met parketnummer 96-315596-23 tegen:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1985,\n\nwonende te [adres] .\n\nHoger beroep\n\nBij vonnis waarvan beroep is de eerder uitgevaardigde strafbeschikking vernietigd en is de verdachte ter zake van ‘overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan’ veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van\n\n€ 420,00, subsidiair 8 dagen hechtenis.\n\nVan de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zal bewezen verklaren hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd en de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke geldboete van € 300,00 met een proeftijd van 2 jaren.\n\nDe verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Met betrekking tot de afdoening heeft de verdediging primair verzocht dat het hof toepassing zal geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en subsidiair dat het hof zal volstaan met de oplegging van een geheel voorwaardelijke straf met een proeftijd van 1 jaar.\n\nVonnis waarvan beroep\n\nHet beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de economische politierechter.\n\nTenlastelegging\n\nHet hof zal de tenlastelegging verbeterd lezen (cursief weergegeven) in die zin dat de tenlastelegging komt te luiden dat:\n\nzij op of omstreeks 12 mei 2023 te Deurne op of in de omgeving van [straatnaam] zich van afvalstoffen, te wetenhout en\u002Fof plastic en\u002Fof papier en\u002Fof zilverfolie en\u002Fof metalen kabeltjes, althans een of meer afvalstoffen, heeft ontdaan door deze – al dan niet in verpakking – buiten een inrichting te verbranden.\n\nDe in de tenlastelegging voorkomende taal- en\u002Fof schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\nzij op 12 mei 2023 te Deurne op of in de omgeving van [straatnaam] zich van afvalstoffen, te weten plastic en papier en metalen kabeltjes heeft ontdaan door deze – al dan niet in verpakking – buiten een inrichting te verbranden.\n\nHet hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewijsmiddelen\n\nIn het geval tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.\n\nBewijsoverwegingen\n\nDe beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de\n\nfeiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.\n\nTer terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging vrijspraak bepleit vanwege het ontbreken van overtuigend bewijs. Hiertoe heeft de raadsvrouw van de verdachte aangevoerd dat het proces-verbaal milieu d.d. 8 juni 2023 door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] is opgemaakt en ondertekend, maar dat uit de inhoud van het proces-verbaal volgt dat er niets door verbalisant [verbalisant 2] wordt geconstateerd en er enkel waarnemingen van verbalisant [verbalisant 1] zijn weergegeven. Derhalve is er sprake van waarnemingen van één verbalisant en kan niet met zekerheid worden vastgesteld wat er is verbrand, nu het mogelijk is dat de verbalisant zich heeft vergist en er afvalstoffen zijn waargenomen van een eerder stookmoment. In het dossier zijn bovendien geen duidelijke foto’s aanwezig, dan wel een duidelijke omschrijving van hetgeen is waargenomen in de oven\u002Fbarbecue, aldus de verdediging.\n\nHet hof overweegt hieromtrent het navolgende.\n\nVoorafgaand aan de inhoud van het proces-verbaal milieu d.d. 8 juni 2023 is opgenomen ‘Wij verbalisanten, [verbalisant 1] , hoofdagent, Basisteam Peelland, Politie Brabant Zuid-Oost, [verbalisant 2] , hoofdagent, Basisteam Peelland, Politie Brabant Zuid-Oost, verklaren het volgende’ en het proces-verbaal is vervolgens op 8 juni 2023 op ambtsbelofte opgemaakt, gesloten en ondertekend door beide verbalisanten. Gelet op het voorgaande ziet het hof geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat verbalisant [verbalisant 2] zich – zoals het pleidooi van de verdediging ten aanzien van (de vorm van) het proces-verbaal zou impliceren – heeft gedistantieerd van hetgeen in het proces-verbaal is gerelateerd. Hoewel in het proces-verbaal schijnbaar enkel waarnemingen van verbalisant [verbalisant 1] zijn weergegeven en deze bovendien in de eerste persoon enkelvoud zijn geschreven, begrijpt het hof het proces-verbaal zo dat deze waarnemingen overeenstemmen met die van de medeondertekenaar van dit proces-verbaal. Evenmin in het gegeven dat in het dossier geen gedetailleerde foto’s dan wel een meer gedetailleerde omschrijving aanwezig is van hetgeen is waargenomen, ziet het hof een reden om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van de waarnemingen waarover door beide verbalisanten op ambtsbelofte in hun proces-verbaal is gerelateerd en gaat het hof dan ook uit van de juistheid van hetgeen hierin is gerelateerd.\n\nHoewel de in het dossier aanwezige foto’s wellicht niet heel scherp zijn, geven deze foto’s geen steun aan de verklaring van de verdachte dat er geen afvalstoffen zijn verbrand, nu op deze foto’s wel een (deel van een) voorwerp is te zien dat geen hout betreft. Het verweer dat dit mogelijk een afvalstof betreft van een eerder stookmoment behoeft geen verdere bespreking, nu het hof hiervoor heeft overwogen uit te gaan van de juistheid en de betrouwbaarheid van het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal en hieruit blijkt dat verbalisant [verbalisant 1] en, naar het hof begrijpt, ook verbalisant [verbalisant 2] een sterke brandlucht roken waaruit duidelijk kon worden opgemaakt dat deze afkomstig was van kunststofverbranding.\n\nHet tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging wordt mitsdien verworpen.\n\nResumerend acht het hof, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:\n\novertreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer.\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit, zijnde een overtreding, is strafbaar.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.\n\nOp te leggen sanctie\n\nHet hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.\n\nHet hof heeft in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.\n\nTen laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het zich ontdoen van afvalstoffen door deze buiten een inrichting te verbranden. Hiermee heeft zij een voorschrift van de Wet Milieubeheer overtreden. Het belang van dat voorschrift is de bescherming van bodem en milieu. Door haar handelen heeft de verdachte dit belang veronachtzaamd.\n\nTen aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 maart 2026, betrekking hebbend op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.\n\nVoorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. In dat kader heeft het hof acht geslagen op het e-mailbericht van [hulpverlener] , ambulant hulpverlener bij [bedrijf] , d.d. 11 juni 2026. Hieruit volgt dat zij intensief is betrokken bij de verdachte en de verdachte op diverse leefgebieden hulp nodig heeft. Hulpverlening komt twee keer per week op huisbezoek om alle zaken die spelen op te pakken en daarnaast is er veelvuldig telefonisch contact. De verdachte ervaart veel stress. Financieel heeft zij het zwaar en extra kosten zouden zwaar op haar budget drukken. Er is weinig financiële draagkracht. De verdachte heeft te kampen met ADHD en is voortdurend overbelast, aldus de ambulant begeleider. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte naar voren gebracht dat zij een uitkering ontvangt en een weekbudget heeft van € 83,00, waarvan zij moeilijk kan rondkomen.\n\nGelet op de ernst van het bewezenverklaarde, onder andere dat het een milieudelict betreft en de mogelijke overlast die omwonenden hebben ondervonden van het bewezenverklaarde, is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met toepassing van het rechterlijk pardon, zoals bedoeld in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht en verzocht door de verdediging.\n\nAlles afwegende acht het hof, in het bijzonder gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, de oplegging van een onvoorwaardelijke geldboete niet wenselijk. Het hof is van oordeel dat de oplegging van een geheel voorwaardelijke geldboete van € 300,00, subsidiair 3 dagen hechtenis, passend en geboden. Anders dan de verdediging ziet het hof aanleiding om hieraan een proeftijd van 2 jaren te verbinden.\n\nBij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.\n\nMet oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nDe beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 10.2 van de Wet milieubeheer, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt de eerder uitgevaardigde strafbeschikking d.d. 22 mei 2023 onder CJIB nummer [nummer] .\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een geldboetevan€ 300,00 (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door3 (drie) dagen hechtenis.\n\nBepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.\n\nAldus gewezen door:\n\nmr. A.R. Hartmann, voorzitter,\n\nmr. W.F. Koolen en mr. H.A.T.G. Koning, raadsheren,\n\nin tegenwoordigheid van mr. J. de Leijer, griffier,\n\nen op 26 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2026:1742","ecli-nl-ghshe-2026-1742",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23}]