[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"court-utrecht":3},{"court":4,"decisions":10},{"id":5,"name":6,"country":7,"level":8,"jurisdiction":9},63,"Utrecht","nl","first_instance","administrative",[11,24,31,38,46,53,61,70,79,87,95,102,109,117,124,131,139,147,156,163],{"id":12,"ecli":13,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":16,"language":7,"source":17,"sourceUrl":18,"summary":14,"slug":19,"metadata":20},"529","ECLI:NL:RBMNE:2026:4063","","2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16-317678-24\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de strafzaak van:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [1998] in [geboorteplaats] ,\n\nadres [adres] , [woonplaats] ,\n\n(hierna: de verdachte).1. Zitting\n\nDe strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 24 juni 2026.\n\nOp de zitting waren aanwezig:\n\n- de verdachte;\n\n- de officier van justitie: mr. S.K. Lanning-Stein;\n\n- de advocaat van de verdachte: mr. L.J.B.G. van Kleef (hierna: de advocaat);\n\n- de benadeelde partij: [slachtoffer] ;\n\n- de advocaat van de benadeelde partij: mr. M.C. van Megen.2. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij, samengevat:\n\nprimair\n\nop 4 oktober 2024 in Almere samen met anderen opzettelijk [slachtoffer] van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden;\n\nsubsidiair\n\nhierbij opzettelijk behulpzaam is geweest door [slachtoffer] naar de woning te lokken, ervoor te zorgen dat [slachtoffer] zich niet vrij kon bewegen en tijdens voornoemde situatie in het huis aanwezig te blijven en niet in te grijpen.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.3. Bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de primaire beschuldiging heeft gepleegd.\n\nDe standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken, omdat geen geweldshandelingen kunnen worden bewezen die de verdachte tot medepleger of medeplichtige kunnen bestempelen.\n\n3.3.. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. \n\nBewijsmiddelen ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit\n\nDe rechtbank oordeelt dat het primair ten laste gelegde feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\n3.3.2.. Bewijsoverwegingen\n\nInleiding\n\nDe rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nOp 4 oktober 2024 is het slachtoffer naar het adres [adres] in [woonplaats] (de woning van de ouders van de verdachte) gegaan met het idee te hebben afgesproken met een meisje, namelijk getuige [getuige] (de zus van de verdachte). Het slachtoffer had berichten ontvangen van het Instragramaccount van [getuige] , waarin zij hem uitnodigde bij haar thuis te komen. Toen het slachtoffer vervolgens op genoemd adres aankwam, is hij door meerdere personen de woning in aangevallen, vastgebonden en mishandeld. Het slachtoffer heeft fysiek letsel overgehouden aan het incident. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij is aangevallen door twee mannen, de vader en de broer (de rechtbank begrijpt: de zwager) van [getuige] . Een vrouw, vermoedelijk de zus van [getuige] , heeft hem vastgebonden. [getuige] heeft verklaard dat zij de uitnodigende berichten niet naar het slachtoffer heeft gestuurd.\n\nBetrouwbaarheid verklaringen aangever\n\nDe rechtbank vindt de verklaringen van de aangever betrouwbaar. De aangever heeft een verklaring afgelegd bij de politie en deze op een later moment aangevuld. De verklaringen zijn uitgebreid, gedetailleerd en op grote lijnen consistent. Daarnaast vinden de verklaringen van de aangever op belangrijke punten steun in andere bewijsmiddelen. Het gaat dan bijvoorbeeld om bepaalde geweldshandelingen en het vastbinden van de aangever.\n\nAlternatief scenario verdediging\n\nDe verdediging heeft vrijspraak bepleit en voert daartoe aan dat er geen handeling kan worden bewezen die de verdachte tot medepleger of medeplichtige van de wederrechtelijke vrijheidsberoving kan bestempelen. De advocaat betoogt dat de verdachte gedurende het incident op een andere verdieping in het huis was en geen uitvoeringshandelingen heeft kunnen plegen.\n\nDe rechtbank ziet dit anders. Uit de eerste verklaring van de aangever bij de politie volgt dat hij in de woning twee mannen zag en een vrouw van ongeveer vijftig jaar met een baby op haar arm. De aangever noemt haar ‘moeder’. In zijn aanvullende verklaring verklaart de aangever dat hij werd vastgebonden door de zus van [getuige] , de verdachte. Verbalisant [verbalisant 1] verklaart dat hij op de begane grond de volgende personen aantrof: de aangever, de verdachte [verdachte] , de medeverdachte [medeverdachte 1] en de medeverdachte [medeverdachte 2] . Op de eerste verdieping trof hij [A] (toen 45 jaar oud) aan, de moeder van de verdachte, met een kind op haar arm. De rechtbank concludeert dat zij de vrouw is die aangever ‘moeder’ noemt, die hij eerder op de begane grond had gezien.\n\nDe rechtbank concludeert dat de moeder van de verdachte gedurende het incident het kind heeft vastgehouden. De verdachte had dan ook alle gelegenheid om bij te dragen aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving, door de aangever vast te binden. De rechtbank ziet geen aanleiding om de aanvullende verklaring van de aangever op dit punt niet te geloven. Er is geen reden om aan te nemen dat de verdachte de hele tijd op een andere verdieping is geweest. De politie trof haar nota bene op de begane grond aan. De rechtbank vindt het alternatieve scenario van de verdediging niet aannemelijk.\n\nDe verdediging heeft verder aangevoerd dat de zaak vanaf het begin ten onrechte een lading heeft gekregen van eerwraak. Het zou volgens de verdediging zo kunnen zijn dat [getuige] de situatie bewust heeft laten escaleren. Zij zou eerder melding hebben gedaan tegen haar familie van huiselijk geweld. De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachten niet wisten wie de aangever was en wat hij bij hen in huis kwam doen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat dit scenario niet aannemelijk is geworden. De rechtbank ziet voor dit scenario onvoldoende aanknopingspunten in het dossier en verwijst specifiek naar de verklaring van de aangever waar hij stelt dat hij een bericht van [getuige] heeft ontvangen waarin staat dat hij niet moest reageren op uitnodigingen om naar haar huis te komen, omdat haar vader en zwager hem daarheen wilden lokken. Daarnaast volgt uit het bewijs dat de verdachten wisten dat de aangever een jongen was met wie [getuige] contact had. Zo blijkt uit de verklaring van de overbuurman dat medeverdachte [medeverdachte 2] zei dat er een jongen in zijn huis was die met zijn jongste dochter appte. Uit de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 2] volgt dat zijn schoonzoon naar de aangever riep dat hij hem herkende van een filmpje. Ook heeft de overbuurman verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 1] precies wist waar de auto van de aangever geparkeerd stond. Dit is onmogelijk als waar is dat de verdachten in de woning werden verrast door de aanwezigheid van de aangever. Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het aangevoerde alternatieve scenario ongeloofwaardig.\n\nWederrechtelijke vrijheidsberoving\n\nDe verdachte en de medeverdachten hebben de aangever wederrechtelijk van de vrijheid beroofd. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de aangever, nadat hij naar de woning aan de [adres] is gelokt, in de betreffende woning enige tijd van zijn vrijheid beroofd is geweest.\n\nVerdachte en haar mededaders hebben in de woning geweld tegen de aangever gebruikt, hij is vastgebonden en er is op meerdere momenten dreigend tegen hem gesproken. Doordat aangever op geen enkel moment alleen is gelaten kon hij de woning niet zelf verlaten.\n\nMedeplegen\n\nDe rechtbank vindt bewezen dat de verdachte bij deze vrijheidsberoving de rol van medepleger had. Medeplegen kan worden bewezen als bij het begaan van een strafbaar feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De (materiële en\u002Fof intellectuele) bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit moet daarbij van voldoende gewicht zijn.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verdachte en de medeverdachten nauw en bewust hebben samengewerkt. De bijdrage van de verdachte aan de vrijheidsberoving, namelijk het vastbinden van de aangever, is van zodanig gewicht dat kan worden gesproken van medeplegen. De verdachte en de medeverdachten hebben immers samen handelingen verricht om de aangever van zijn vrijheid te beroven en beroofd te houden. De aangever is naar de woning gelokt en de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] hebben meerdere geweldshandelingen tegen hem verricht. Hij werd meermaals geslagen, getrapt en er werden dreigende woorden tegen hem geuit, terwijl de verdachte hem heeft vastgebonden. Hierdoor was de aangever niet in staat zich vrij te bewegen en uit de woning weg te gaan.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank vindt de primaire beschuldiging bewezen. De verdachte heeft zich, samen met de medeverdachten, schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving.\n\nDe verdediging heeft verzocht om [getuige] te horen als getuige in het geval de rechtbank zou aannemen dat de verdachte degene is geweest die de berichten aan de aangever had verstuurd met de uitnodiging naar het huis te komen. De rechtbank is niet tot die vaststelling gekomen, zodat de voorwaarde van het verzoek niet is vervuld. Er is dus geen verzoek gedaan waarop de rechtbank een beslissing moet nemen.\n\n3.4.. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:\n\nprimair:\n\nop 4 oktober 2024 te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden, door\n\n- die [slachtoffer] naar de woning aan de [adres] te lokken,\n\n- die [slachtoffer] tegen zijn wil binnen in de woning te houden,\n\n- tegen die [slachtoffer] \"Jij gaat het vandaag niet meer halen\", \"Je weet niet wie wij zijn\" en \"Ik ga je mond afplakken met Duck tape.\" te zeggen,\n\n- meerdere geweldshandelingen tegen die [slachtoffer] te verrichten,\n\n- de handen en voeten van die [slachtoffer] aan elkaar vast te binden en\n\n- steeds in dezelfde ruimtevan die [slachtoffer] te verkeren, en gedurende enige tijd ervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet vrij kon bewegen en zich niet uit de woning kon verwijderen.\n\nDe rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.\n\nDe taal- en\u002Fof schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.4. Kwalificatie en strafbaarheid\n\n4.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nprimair:medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid feit en verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.5. Straf\n\n5.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 200 uur, met 100 dagen vervangende hechtenis.\n\n5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat voert aan dat er bij het bepalen van de strafmaat rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Een eventuele gevangenisstraf voegt volgens de verdediging niets toe aan de doelen van het strafrecht. De rechtbank zou kunnen volstaan met een alternatieve sanctie of met een voorwaardelijke straf.\n\n5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden mee.\n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft samen met de medeverdachten het slachtoffer van zijn vrijheid beroofd en beroofd gehouden. Zij hebben hem door geweld tegen hem te gebruiken en hem vast te binden tegen zijn wil in de woning vastgehouden. Voor het slachtoffer, een jongeman van net 18 jaar die dacht dat hij in de woning een afspraak met een hem bekend meisje zou hebben, is dit een enorm angstige ervaring geweest. Dit blijkt ook wel uit de slachtofferverklaring en de toelichting op het schadevergoedingsverzoek dat het slachtoffer heeft ingediend.\n\nMet hun handelen hebben de verdachte en haar medeverdachten fors inbreuk gemaakt op de vrijheid van het slachtoffer. De verdachte en haar medeverdachten zijn volledig voorbijgegaan aan de gevolgen voor het slachtoffer, die hij tot de dag van vandaag ervaart. Hoewel het slachtoffer van het lichamelijk letsel is hersteld, ondervindt hij nog dagelijks de psychische gevolgen van wat hem is overkomen. Het slachtoffer was volop bezig om zijn toekomst op te bouwen, maar heeft door het handelen van verdachte en haar medeverdachten dit toekomstbeeld moeten bijstellen. De rechtbank neemt de verdachte kwalijk dat zij bijzonder weinig verantwoordelijkheid neemt voor wat zij het slachtoffer heeft aangedaan.\n\nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte\n\nUit het strafblad van de verdachte van 19 mei 2026 blijkt dat zij niet eerder is veroordeeld. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 10 november 2025 met betrekking tot de verdachte. De reclassering concludeert dat de risico’s op recidive en letsel niet kunnen worden ingeschat, omdat niet duidelijk is geworden wat ten grondslag heeft gelegen aan het gedrag van de verdachte. Het risico op het onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als laag. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een straf zonder bijzondere voorwaarden. Zij zien geen zwaarwegende contra-indicaties voor het opleggen van een gevangenisstraf, taakstraf of financiële sanctie. Concrete signalen die wijzen op de noodzaak van een contact- en\u002Fof locatieverbod ziet de reclassering niet.\n\nStrafkader\n\nDe rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar straffen die eerder in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Deze straffen variëren van taakstraffen tot gevangenisstraffen van korte en langere duur, en zijn voor een groot deel afhankelijk van de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de taakstraf die de officier van justitie eist onvoldoende recht doet aan de aard en de ernst van het feit. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval niet enkel kan worden volstaan met een taakstraf maar ziet ook aanleiding, gelet op de ernst van het feit, om de verdachte een gevangenisstraf op te leggen. Daarom en rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte legt de rechtbank aan de verdachte op:\n\neen taakstraf van 200 uur en\n\neen voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaar.\n\nDeze straf is lager dan de straffen die de rechtbank aan de medeverdachten oplegt, omdat de rol van de verdachte beperkter is.\n\nDe voorlopige hechtenis\n\nDe rechtbank ziet niet langer aanleiding de voorlopige hechtenis te laten voortduren. Om die reden zal het (eerder al geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis worden opgeheven.6. Vordering benadeelde partij\n\n6.1.. \n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\n heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 4.708,41 aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\n6.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij goed onderbouwd is en geheel kan worden toegewezen.\n\n6.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van de materiële schade heeft de verdediging aangevoerd dat er geen bewijzen van aankoop van de kledingstukken bij de vordering zijn gevoegd. De verdediging stelt zich om die reden op het standpunt dat niet kan worden nagegaan of het daadwerkelijk merkkleding betreft of dat sprake is van namaak. Daarnaast brengt de verdediging naar voren dat uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij zijn telefoon heeft teruggekregen. De verdediging vindt het argument dat dit lang duurde, waardoor het slachtoffer een nieuwe telefoon moest kopen, niet houdbaar. De verdediging wijst erop dat er geen bewijs van aankoop van de airpods bij de vordering is gevoegd.\n\nVoor het overige heeft de advocaat zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n6.4.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nVast is komen te staan dat benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezen verklaarde rechtstreeks schade heeft geleden.\n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank wijst € 3.195,85 aan materiële schade toe voor de weggenomen airpods, de schade aan de kleding en de zorgkosten. De verdediging heeft het wegnemen van de airpods, de schade aan de kleding en de zorgkosten niet betwist. Ten aanzien van de kleding geeft de opmerking van de advocaat over de mogelijkheid dat het gaat om namaakkleding onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat dit ook daadwerkelijk het geval is. De verdediging heeft de feiten die de benadeelde partij heeft gesteld, onvoldoende betwist.\n\nDe kosten voor een nieuwe telefoon komen niet voor vergoeding in aanmerking. De aangever heeft zijn telefoon teruggekregen en de advocaat betwist dat schade is ontstaan aan de telefoon. Die schade is door de benadeelde partij niet nader onderbouwd. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk, omdat het alsnog onderbouwen ervan een onevenredige belasting zou vormen voor het strafproces. De rechtbank bepaalt dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.\n\nImmateriële schade\n\nAls gevolg van de wederrechtelijke vrijheidsberoving en het geweld dat daarbij is gebruikt heeft [slachtoffer] een hersenschudding en letsel aan zijn hoofd, rug, oren en gezicht opgelopen in de vorm van blauwe plekken en bloeduitstortingen. Ook heeft hij geestelijk letsel opgelopen: hij is na het incident gediagnosticeerd met PTSS.\n\nDe verdediging heeft de immateriële schade niet betwist en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nGelet op de setting waarin het incident zich heeft afgespeeld, de doodsangsten die het slachtoffer heeft uitgestaan en de gestelde diagnose, begroot de rechtbank de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op een bedrag van € 20.000,-. De rechtbank heeft bij het vaststellen van dit bedrag ook rekening gehouden met de richtbedragen in de Rotterdamse schaal.\n\nWettelijke rente\n\nDe rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 4 oktober 2024 tot de dag dat de verdachte of een ander de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nProceskosten\n\nBij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vorderingen tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partijen kosten hebben gemaakt voor het indienen en toelichten van de vorderingen en begroot de kosten daarom op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nAls extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 23.195,85 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente. Als verdachte niet betaalt, wordt deze verplichting aangevuld met 135 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.\n\nDe betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan [slachtoffer] .\n\nHoofdelijk\n\nOmdat de verdachte het feit waarvoor de schadevergoeding worden toegekend samen met haar mededaders heeft gepleegd, zijn zij allen hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. De verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van de wederrechtelijke vrijheidsberoving en deze vrijheidsberoving omvat ook de geweldshandelingen die zijn gepleegd tegen de aangever zoals bewezen verklaard. Dit betekent dat de verdachte tegenover [slachtoffer] voor het hele bedrag van € 23.195,85 aansprakelijk is. Ook ten aanzien van de proceskosten zijn de verdachte en haar mededaders allen hoofdelijk aansprakelijk.\n\nVoor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij te betalen.7. Toegepaste wetsartikelen\n\nDe opgelegde straf en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:\n\n- artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47 en 282 van het Wetboek van Strafrecht.8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft gepleegd, zoals hierboven is omschreven;\n\nverklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feit\n\n- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor is vermeld;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;\n\nstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden;\n\nbepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd;\n\nstelt daarbij een proeftijd van 2 jarenvast;\n\nstelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\nveroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 200 uren;\n\nbepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf in mindering zal worden gebracht, berekend naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per dag;\n\nbeveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht, de taakstraf wordt vervangen door 100 dagen hechtenis;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer]\n\nwijst de vordering van [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 23.195,85, bestaande uit € 3.195,85 aan materiële schadevergoeding en € 20.000,- aan immateriële schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nveroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;\n\nverklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nlegt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 135 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van haar verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij en\u002Fof een mededader, op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nvoorlopige hechtenis\n\n- heft op het (eerder al geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. D.S. Terporten-Hop en mr. S. Ourahma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van der Steege als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\nDe oudste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nzij op of omstreeks 4 oktober 2024 te [woonplaats] , althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,\n\nopzettelijk\n\n [slachtoffer]\n\nwederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en\u002Fof beroofd heeft gehouden,\n\ndoor\n\n- die [slachtoffer] naar de woning aan de [adres] te lokken,\n\n- die [slachtoffer] tegen zijn wil binnen in de woning te houden,\n\n- die [slachtoffer] op de bank en\u002Fof de grond te laten zitten,\n\n- tegen die [slachtoffer] \"Jij gaat het vandaag niet meer halen\", \"Je weet niet wie wij\n\nzijn\" en\u002Fof \"Ik ga je mond afplakken met Duck tape.\" te schreeuwen en\u002Fof te\n\nzeggen, in ieder geval tegen hem te schreeuwen,\n\n- een of meerdere geweldshandelingen tegen die [slachtoffer] te verrichten,\n\n- de handen en\u002Fof voeten van die [slachtoffer] aan elkaar vast te binden en\u002Fof\n\n- steeds in dezelfde ruimte, althans in de driecte omgeving van die [slachtoffer] te\n\nverkeren, in elk geval gedurende enig tijd ervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet\n\nvrij kon bewegen en\u002Fof zich niet uit de woning kon verwijderen;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou\n\nkunnen leiden:\n\n [medeverdachte 2] en\u002Fof [medeverdachte 1] op of omstreeks 4 oktober 2024 te Almere, althans in\n\nNederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,\n\nopzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd heeft\u002Fhebben\n\nberoofd en\u002Fof beroofd gehouden, door\n\n- die [slachtoffer] tegen zijn wil binnen in de woning te houden,\n\n- die [slachtoffer] op de bank en\u002Fof de grond te laten zitten,\n\n- tegen die [slachtoffer] \"Jij gaat het vandaag niet meer halen\", \"Je weet niet wie wij\n\nzijn\" en\u002Fof \"Ik ga je mond afplakken met Duck tape.\" te schreeuwen en\u002Fof te\n\nzeggen, in ieder geval tegen hem te schreeuwen,\n\n- de handen en\u002Fof voeten van die [slachtoffer] aan elkaar vast te binden,\n\n- een of meerdere geweldshandelingen tegen die [slachtoffer] te verrichten en\u002Fof\n\n- steeds in dezelfde ruimte, althans in de directe omgeving van die [slachtoffer] te\n\nverkeren, in elk geval gedurende enig tijd ervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet\n\nvrij kon bewegen en\u002Fof zich niet uit de woning kon verwijderen,\n\ntot en\u002Fof bij het plegen van welk feit, zij, verdachte, op of omstreeks 4 oktober 2024\n\nte Almere, althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid en\u002Fof middelen en\u002Fof\n\ninlichtingen heeft verschaft en\u002Fof behulpzaam is geweest door\n\n- via het account van [getuige] die [slachtoffer] te lokken naar de woning aan de\n\n [adres] ,\n\n- steeds in dezelfde ruimte, althans in de directe omgeving van die [slachtoffer] te\n\nverkeren, in elk geval gedurende enig tijd ervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet\n\nvrij kon bewegen en\u002Fof zich niet uit de woning kon verwijderen en\u002Fof\n\n- tijdens voorgenoemde handelingen in het huis aanwezig te blijven en\u002Fof bij te\n\ndragen aan een numeriek overwicht ten opzichte van die [slachtoffer] en\u002Fof een\n\ndreigende situatie te creëren voor die [slachtoffer] en\u002Fof niet in te grijpen.\n\nBijlage II: Bewijsmiddelen\n\n-een proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1] , zakelijk weergegeven:\n\nIk heb hem klappen gegeven.\n\n-een proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 2] , zakelijk weergegeven:\n\n Gisteren (de rechtbank begrijpt: 4 oktober 2024) zag ik zag een worsteling tussen mijn schoonzoon (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 1] ) en een jongen. Ik heb de veters van de jongen vastgemaakt. Gewoon zijn veters aan elkaar zodat hij niet weg kon rennen.\n\n Mijn schoonzoon heeft zijn handen vastgebonden met een touwtje.\n\n Ik zag dat mijn schoonzoon die jongen aan het slaan was en mijn schoonzoon riep: “Ik heb jou op een filmpje gezien”. Toen snapte ik dus dat die jongen via social media was. Ik heb mijn schoen uitgetrokken en hem ook twee of drie keer geslagen met mijn schoen.\n\n Ik heb op zijn benen, billen geslagen en in zijn gezicht. Mijn zoon zei dat ze een filmpje hadden dat hij iets deed bij een meisje.\n\n Ik heb hem met de schoen geslagen en met de paraplu.\n\n Ik heb wel een snoer gepakt.\n\n- een proces-verbaal van aangifte, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 reed ik in Almere. Ik had contact met [getuige] via Instagram. [getuige] gaf haar straatnaam op. Toen ben ik naar de straat gereden waar [getuige] zou wonen.\n\nIk liep de [straat] in. Ik las op Instagram dat [getuige] mij een bericht stuurde, dat de voordeur open zou staan. Daarom dacht ik dat ik bij deze woning moest zijn.\n\n Ik liep de woning in. Ik hoorde opeens achter mij een geluid van voetstappen. Ik draaide mij om en er werd direct een hand voor mijn ogen gehouden. Ik voelde dat ik werd vastgepakt om mijn middel. Ik ben op de grond gegooid. Ik zag twee mannen en een vrouw voor me staan. Ik hoorde een man zeggen: “Jij gaat het vandaag niet meer halen”.\n\n Ik zag dat beide mannen mij sloegen. Ik voelde dat één van die mannen mij aan mijn haar trok. Dit zag ik ook. De andere man bleef met vuisten op mijn hoofd slaan.\n\nPersoon 1 noem ik ‘vader’.\n\n Persoon 2 noem ik ‘broer’.\n\n Persoon 3: vrouw, had een baby in haar handen, leeftijd ongeveer 50 jaar.\n\nPersoon 3 noem ik ‘moeder’\n\n Ik hoorde broer zeggen: “Je weet niet wie wij zijn”. Ik voelde en zag dat broer mij op mijn hoofd trapte. Ik hoorde de broer zeggen: “Ik ga je mond afplakken met Duck tape”.\n\n Ik zag dat de broer mij bij mijn keel vastpakte. Ik voelde een sterke greep om mijn keel heen. Ik kreeg bijna geen adem.\n\n Ik zag vader met een paraplu op mijn beide enkels slaan. Ik zag dat broer mijn haar vastpakte met zijn rechterhand en ik zag dat broer mij met zijn linkerhand sloeg op mijn hoofd.\n\n Ik zag en voelde dat vader en broer mij ook trapten. In mijn gezicht, mijn buik en op mijn rug. Ik zag dat vader zijn hand naar achter bracht met daarin het witte snoer en zag dat vader met kracht met dit snoer op mijn knieën sloeg. Ik zag dat ik met mijn polsen aan elkaar werd vastgebonden met een wit touw. Ik zag dat dit ook gebeurde met mijn enkels. Dit ook met een wit touw. Dit werd gedaan door een vrouw. Ik zag dat vader mij met één hand bij mijn haren vasthield en trok over de vloer van de woonkamer richting de bank. Ik zag dat vader een schoen uittrok. Ik zag dat vader mij met deze schoen hard in mijn gezicht sloeg.\n\n- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende aanvullende informatie van de aangever [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 11 oktober 2024 sprak ik telefonisch met het slachtoffer [slachtoffer] .\n\n Hij vertelde de volgende informatie die voor het onderzoek van belang is:\n\n De zus van [getuige] had in de woning zijn voeten met een verlengsnoer bij elkaar gebonden.\n\n- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende contact slachtoffer [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\n Het slachtoffer verklaarde dat hij op 5 oktober 2024 zag dat er een bericht op Snapchat was van [getuige] .\n\n Hierop zag hij een tekst welke hij nog niet eerder had gezien. In de tekst stond dat hij niet naar de woning moest komen omdat de vader en de broer hem naar de woning zouden hebben gelokt.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 2] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 zag ik dat de overbuurman (de rechtbank begrijpt de medeverdachte [medeverdachte 2] ) voor de deur stond.\n\n Zijn woning is [adres] . Ik holde met de buurman mee naar de overkant van de straat. Ik hoorde buurman [verdachte] iets zeggen van “die jongen appt ook steeds met dochter”.\n\n Ik zag dat de jongeman aan handen en voeten gebonden was middels veters en ik zag ook dat de jongeman meerdere verwondingen aan zijn gezicht had. Achter de jongen zag ik een deel van een paraplu liggen.\n\n Buurman [verdachte] liep op de jongen af en gaf hem een klap vol in zijn gezicht. Buurman [verdachte] gebruikte hiervoor een schoen.\n\n Ik zag in de keuken nog twee personen staan, die ik herkende als de oudste dochter van buurman [verdachte] (de rechtbank begrijpt [verdachte] , [1998] ) en zijn echtgenote.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen met fotobijlagen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 3] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 was ik aan de [adres] in [woonplaats] .\n\n Ik zag in de woonkamer een jongen op de grond liggen. Deze jongen bleek mij te zijn: [slachtoffer] . Ik zag dat [slachtoffer] divers zichtbaar letsel had.\n\n Verder zag ik in de ruimte op de grond een wit verlengsnoer liggen. Ook lag er een paraplu op de grond.\n\n- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 was ik in de [adres] in [woonplaats] .\n\n Ik zag verschillende personen op de begane grond. Deze bleken later te zijn:\n\n [slachtoffer]\n\n [medeverdachte 2]\n\n [verdachte]\n\n [medeverdachte 1]\n\n Hierop ben ik naar de eerste verdieping gelopen. Aldaar zag ik een vrouw die bleek te zijn:\n\n [A] , geboren op [1979] .\n\n Ik zag dat zij een kind van ongeveer 1 jaar oud op haar arm hield.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 4] , zakelijk weergegeven:\n\n Op 4 oktober 2024 kwam ik ter plaatse op de [adres] te [woonplaats] . Ik zag een zwarte autosleutel op tafel liggen. Ik vroeg van wie de sleutel was. Ik\n\nhoorde [slachtoffer] zeggen dat dit zijn autosleutel was. Ik besloot samen met een man naar de auto te lopen. Die man gaf aan dat hij wist waar de auto stond. Deze man bleek later te zijn:\n\n* [medeverdachte 1] , geboren op [1992] *\n\nHij is later als verdachte aangemerkt. Ik vond het vreemd dat hij precies wist waar het voertuig van [slachtoffer] stond. De sleutel werkte en de auto ging van zijn vergrendeling af.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] , zakelijk weergegeven:\n\nNOOT verbalisant: Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij de onderstaande berichten niet heeft verstuurd.\n\nChat 202 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 19:59:03 “Wil je komen”\n\nChat 205 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 20:25:19 “Ja ben alleen”\n\nChat 208 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 20:27:36 “ [straat] ”\n\nChat 223 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 21:02:23 “Je kan komen babe”\n\nChat 236 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 21:07:27 “Kom eventjes binnen”\n\n-een proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris van 9 oktober 2024, inhoudende de verklaring van de verdachte [medeverdachte 1] , zakelijk weergegeven:\n\nVraag: Is die jongen die in het huis was ( [slachtoffer] ) met een soort smoes naar de [adres] in [woonplaats] gekomen?\n\nAntwoord: Ja.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2024315295, doorgenummerd pagina 1 tot en met 249. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.\n\n Pagina 53.\n\n Pagina 27-28.\n\n Pagina 28.\n\n Pagina 28.\n\n Pagina 29.\n\n Pagina 30.\n\n Pagina 101.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 103.\n\n Pagina 103.\n\n Pagina 153.\n\n Pagina 122.\n\n Pagina 111.\n\n Pagina 112.\n\n Pagina 112.\n\n Pagina 76.\n\n Pagina 89.\n\n Pagina 90.\n\n Pagina 90.\n\n Pagina 86.\n\n Pagina 159.\n\n Pagina 165-166.","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4063","ecli-nl-rbmne-2026-4063",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",{"id":25,"ecli":26,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":27,"language":7,"source":17,"sourceUrl":28,"summary":14,"slug":29,"metadata":30},"531","ECLI:NL:RBMNE:2026:4064","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16-317660-24\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de strafzaak van:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [1968] in [geboorteplaats] (India),\n\nzonder vaste woon- of verblijfplaats,\n\n(hierna: de verdachte).1. Zitting\n\nDe strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 24 juni 2026.\n\nOp de zitting waren aanwezig:\n\nde verdachte;\n\nde officier van justitie: mr. S.K. Lanning-Stein;\n\nde advocaat van de verdachte: mr. L.J.B.G. van Kleef (hierna: de advocaat);\n\nde benadeelde partij: [slachtoffer] ;\n\nde advocaat van de benadeelde partij: mr. M.C. van Megen.2. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:\n\nfeit 1\n\nop 4 oktober 2024 in Almere samen met anderen opzettelijk [slachtoffer] van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden;\n\nfeit 2 primair\n\nop 4 oktober 2024 in Almere samen met anderen heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar te mishandelen;\n\nfeit 2 subsidiair\n\nop 4 oktober 2024 in Almere samen met anderen [slachtoffer] heeft mishandeld.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.3. Bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte feit 1 en feit 2 primair heeft gepleegd.\n\nDe standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van feit 2 primair. De advocaat voert geen verweer over het bewijs ten aanzien van feit 1 en feit 2 subsidiair.\n\nDe advocaat heeft een aantal opmerkingen gemaakt over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.\n\n3.3.. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. \n\nBewijsmiddelen feit 1 en feit 2 subsidiair\n\nDe rechtbank oordeelt dat feit 1 en feit 2 subsidiair zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\nEr zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.\n\n3.3.2.. \n\nBewijsoverwegingen\n\nInleiding\n\nDe rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nOp 4 oktober 2024 is het slachtoffer naar het adres [adres] in [woonplaats] (de woning van de verdachte en zijn vrouw) gegaan met het idee te hebben afgesproken met een meisje, namelijk getuige [getuige] (de jongste dochter van de verdachte). Het slachtoffer had berichten ontvangen vanaf haar Instagramaccount, waarin zij hem uitnodigde bij haar thuis te komen. Toen het slachtoffer vervolgens op genoemd adres aankwam, is hij door meerdere personen de woning aangevallen, vastgebonden en mishandeld. Het slachtoffer heeft fysiek letsel overgehouden aan het incident. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij is aangevallen door twee mannen, de vader en broer (de rechtbank begrijpt: de zwager) van [getuige] . Een vrouw, de zus van [getuige] , heeft hem vastgebonden. [getuige] heeft verklaard dat zij de uitnodigende berichten niet naar het slachtoffer heeft gestuurd.\n\nBetrouwbaarheid verklaringen aangever\n\nDe rechtbank vindt de verklaringen van de aangever betrouwbaar. De aangever heeft een verklaring afgelegd bij de politie en deze op een later moment aangevuld. De verklaringen zijn uitgebreid, gedetailleerd en op grote lijnen consistent. Daarnaast vinden de verklaringen van de aangever op belangrijke punten steun in andere bewijsmiddelen. Het gaat dan bijvoorbeeld om bepaalde geweldshandelingen, de daarvoor gebruikte middelen zoals een paraplu en een snoer en het vastbinden van de aangever.\n\nAlternatief scenario verdediging\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat de zaak vanaf het begin ten onrechte een lading heeft gekregen van eerwraak. Het zou volgens de verdediging zo kunnen zijn dat [getuige] de situatie bewust heeft laten escaleren. Zij zou eerder melding hebben gedaan tegen haar familie van huiselijk geweld. De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachten niet wisten wie de aangever was en wat hij bij hen in huis kwam doen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat dit scenario niet aannemelijk is geworden. De rechtbank ziet voor dit scenario onvoldoende aanknopingspunten in het dossier en verwijst specifiek naar de verklaring van de aangever waar hij stelt dat hij een bericht van [getuige] heeft ontvangen waarin staat dat hij niet moest reageren op uitnodigingen om naar haar huis te komen omdat haar vader en zwager hem daarheen wilden lokken. Daarnaast volgt uit het bewijs dat de verdachten wisten dat de aangever een jongen was met wie [getuige] contact had. Zo blijkt uit de verklaring van de overbuurman dat de verdachte riep dat er een jongen in zijn huis was die met zijn jongste dochter appte en volgt uit de verklaring van de verdachte dat zijn schoonzoon, medeverdachte [medeverdachte 1] , naar de aangever riep dat hij hem herkende van een filmpje. Ook heeft de overbuurman verklaard dat medeverdachte [medeverdachte 1] precies wist waar de auto van de aangever geparkeerd stond. Dit is onmogelijk als waar is dat de verdachten in de woning werden verrast door de aanwezigheid van de aangever. Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het aangevoerde alternatieve scenario volstrekt ongeloofwaardig.\n\nWederrechtelijke vrijheidsberoving\n\nDe verdachte en de medeverdachten hebben de aangever wederrechtelijk van de vrijheid beroofd. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de aangever, nadat hij naar de woning aan de [adres] was gelokt, in de betreffende woning enige tijd van zijn vrijheid beroofd is geweest. Verdachte en zijn mededader hebben in de woning geweld tegen de aangever gebruikt, hij is vastgebonden en er is op meerdere momenten dreigend tegen hem gesproken. Doordat aangever op geen enkel moment alleen is gelaten kon hij de woning niet zelf verlaten.\n\nPoging zware mishandeling\n\nDe rechtbank spreekt de verdachte vrij van feit 2 primair (poging tot zware mishandeling). De rechtbank is namelijk van oordeel dat niet is bewezen dat de verdachte geprobeerd heeft om aan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Uit het dossier blijkt onvoldoende dat de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bestond. Ook blijkt niet dat de verdachte die kans bewust heeft aanvaard. De rechtbank heeft hierbij gekeken naar de bewezen geweldshandelingen en het daardoor toegebrachte letsel.\n\nMishandeling\n\nDe verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] hebben de aangever (gedurende de wederrechtelijke vrijheidsberoving) meerdere malen met de blote hand en met voorwerpen geslagen, getrapt, aan het haar getrokken en de aangever bij zijn keel gepakt. Daardoor is de aangever onwel geworden, heeft hij pijn gehad en heeft hij letsel opgelopen. De rechtbank merkt dit geweld aan als mishandeling.\n\nMedeplegen\n\nDe rechtbank vindt bewezen dat de verdachte bij beide strafbare feiten de rol van medepleger had. Medeplegen kan worden bewezen als bij het begaan van een strafbaar feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De (materiële en\u002Fof intellectuele) bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit moet daarbij van voldoende gewicht zijn.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verdachte en de medeverdachte(n) nauw en bewust hebben samengewerkt. De bijdrage van de verdachte aan de strafbare feiten is van zodanig gewicht dat kan worden gesproken van medeplegen. De verdachte en de medeverdachten hebben samen handelingen verricht om de aangever van zijn vrijheid te beroven. De aangever is naar de woning gelokt en de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] hebben de aangever geslagen en getrapt en dreigende woorden geuit, terwijl de medeverdachte [medeverdachte 2] de aangever heeft vastgebonden. Hierdoor was de aangever niet in staat zich vrij te bewegen en uit de woning weg te gaan. De verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben de aangever samen mishandeld, door hem te slaan met de blote hand, een paraplu, een snoer en een schoen, hem te trappen, aan zijn haren te trekken en hem stevig bij de keel te pakken.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank vindt feit 1 en feit 2 subsidiair van de beschuldiging bewezen. De verdachte heeft zich, samen met de medeverdachten, schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:\n\nfeit 1\n\nop 4 oktober 2024 te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden, door\n\n- die [slachtoffer] naar de woning aan de [adres] te lokken,\n\n- die [slachtoffer] tegen zijn wil binnen in de woning te houden,\n\n- tegen die [slachtoffer] \"Jij gaat het vandaag niet meer halen\", \"Je weet niet wie wij zijn\" en \"Ik ga je mond afplakken met Duck tape.\" te zeggen,\n\n- de handen en voeten van die [slachtoffer] aan elkaar vast te binden,\n\n- meerdere geweldshandelingen tegen die [slachtoffer] te verrichten,\n\n- constant in de buurt bij die [slachtoffer] te blijven, en\n\nervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet vrij kon bewegen en zich niet uit de woning kon verwijderen;\n\nfeit 2 subsidiair\n\nop 4 oktober 2024 te Almere,\n\ntezamen en in vereniging met een ander,\n\n [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer]\n\n- in het gezicht te slaan en te stompen,\n\n- hard aan de haren te trekken,\n\n- tegen het lichaam te slaan en te stompen,\n\n- met een paraplu op beide enkels te slaan,\n\n- met een snoer tegen die knieën te slaan,\n\n- met een schoen in het gezicht te slaan,\n\n- tegen het lichaam te trappen en\n\n- stevig bij zijn keel te pakken.\n\nDe rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.\n\nDe taal- en\u002Fof schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.4. Kwalificatie en strafbaarheid\n\n4.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nfeit 1: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden;\n\nfeit 2: medeplegen van mishandeling.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid feiten en verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.5. Straf\n\n5.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van het voorarrest.\n\n5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat voert aan dat er bij het bepalen van de strafmaat rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Een eventuele gevangenisstraf voegt volgens de verdediging niets toe aan de doelen van het strafrecht. De rechtbank zou kunnen volstaan met een alternatieve sanctie of met een voorwaardelijke straf.\n\n5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.\n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft samen met de medeverdachten het slachtoffer van zijn vrijheid beroofd en beroofd gehouden. Tijdens deze vrijheidsberoving hebben zij hem geslagen en gestompt in zijn gezicht en op zijn lichaam, getrapt, aan zijn haren getrokken en geslagen met een paraplu, een snoer en een schoen. Voor het slachtoffer, een jongeman van net 18 jaar die dacht dat hij in de woning een afspraak met een hem bekend meisje zou hebben, is dit een enorm angstige ervaring geweest. Dit blijkt ook wel uit de slachtofferverklaring en de toelichting op het schadevergoedingsverzoek dat het slachtoffer heeft ingediend.\n\nMet hun handelen hebben de verdachte en zijn medeverdachten fors inbreuk gemaakt op de vrijheid en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De verdachte en zijn medeverdachten zijn volledig voorbij gegaan aan de gevolgen voor het slachtoffer, die hij tot de dag van vandaag ervaart. Hoewel het slachtoffer van het lichamelijk letsel is hersteld, ondervindt hij nog dagelijks de psychische gevolgen van wat hem is overkomen. Het slachtoffer was volop bezig om zijn toekomst op te bouwen, maar heeft door het handelen van verdachte en zijn medeverdachten dit toekomstbeeld moeten bijstellen. De rechtbank neemt verdachte kwalijk dat hij weinig verantwoordelijkheid neemt voor wat hij het slachtoffer heeft aangedaan.\n\nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte\n\nUit het strafblad van de verdachte van 19 mei 2026 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 23 juni 2026 met betrekking tot de verdachte. De reclassering schat de risico’s op recidive, letsel en het onttrekken aan voorwaarden in als laag. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden en merkt op dat er geen contra-indicaties zijn voor het opleggen van een gevangenisstraf, taakstraf of financiële sanctie.\n\nStrafkader\n\nDe rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar straffen die eerder in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Deze straffen variëren van taakstraffen tot gevangenisstraffen van korte en langere duur, en zijn voor een groot deel afhankelijk van de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd.\n\nDe rechtbank vindt dat bij de strafbare feiten waar het in deze zaak om gaat, rekening houdend met de aard en ernst daarvan zoals hiervoor omschreven, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden past. Dat is dan ook de straf die de rechtbank aan de verdachte oplegt. Gelet op de ernst van het feit kan niet worden volstaan met een taakstraf.\n\nTenuitvoerlegging van de straf\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.\n\nDe voorlopige hechtenis\n\nDe rechtbank ziet niet langer aanleiding de voorlopige hechtenis te laten voortduren. Om die reden zal het (eerder al geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis worden opgeheven.6. Vordering benadeelde partij\n\n6.1.. \n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\n heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 4.708,41 aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\n6.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij goed onderbouwd is en geheel kan worden toegewezen.\n\n6.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van de materiële schade heeft de verdediging aangevoerd dat er geen bewijzen van aankoop van de kledingstukken bij de vordering zijn gevoegd. De verdediging stelt zich om die reden op het standpunt dat niet kan worden nagegaan of het daadwerkelijk merkkleding betreft, of dat sprake is van namaak. Daarnaast brengt de verdediging naar voren dat uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij zijn telefoon heeft teruggekregen. De verdediging vindt het argument dat dit lang duurde, waardoor het slachtoffer een nieuwe telefoon moest kopen, niet houdbaar. De verdediging wijst erop dat er geen bewijs van aankoop van de airpods bij de vordering is gevoegd.\n\nVoor het overige heeft de advocaat zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n6.4.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nVast is komen te staan dat benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezen verklaarde rechtstreeks schade heeft geleden.\n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank wijst € 3.195,85 aan materiële schade toe voor de weggenomen airpods, de schade aan de kleding en de zorgkosten. De verdediging heeft het wegnemen van de airpods, de schade aan de kleding en de zorgkosten niet betwist. Ten aanzien van de kleding geeft de opmerking van de advocaat over de mogelijkheid dat het gaat om namaakkleding onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat dit ook daadwerkelijk het geval is. De verdediging heeft de feiten die de benadeelde partij heeft gesteld, onvoldoende betwist.\n\nDe kosten voor een nieuwe telefoon komen niet voor vergoeding in aanmerking. De aangever heeft zijn telefoon teruggekregen en de advocaat betwist dat schade is ontstaan aan de telefoon. Die schade is door de benadeelde partij niet nader onderbouwd. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk, omdat het alsnog nader onderbouwen een onevenredige belasting zou vormen voor het strafproces. De rechtbank bepaalt dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.\n\nImmateriële schade\n\nAls gevolg van de mishandeling heeft [slachtoffer] een hersenschudding en letsel aan zijn hoofd, rug, oren en gezicht opgelopen in de vorm van blauwe plekken en bloeduitstortingen. Ook heeft hij geestelijk letsel opgelopen: hijis na het incident gediagnosticeerd met PTSS.\n\nDe verdediging heeft de immateriële schade niet betwist en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nGelet op de setting waarin het incident zich heeft afgespeeld, de doodsangsten die het slachtoffer heeft uitgestaan en de gestelde diagnose, begroot de rechtbank de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op een bedrag van € 20.000,-. De rechtbank heeft bij het vaststellen van dit bedrag ook rekening gehouden met de richtbedragen in de Rotterdamse schaal.\n\nWettelijke rente\n\nDe rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 4 oktober 2024 tot de dag dat de verdachte of een ander de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nProceskosten\n\nBij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vorderingen tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partijen kosten hebben gemaakt voor het indienen en toelichten van de vorderingen en begroot de kosten daarom op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nAls extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 23.195,85 te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente. Als de verdachte niet betaalt, wordt deze verplichting aangevuld met 135 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.\n\nDe betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan [slachtoffer] .\n\nHoofdelijk\n\nOmdat de verdachte de feiten waarvoor de schadevergoeding worden toegekend samen met zijn mededader(s) heeft gepleegd, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Hetzelfde geldt voor de toe te wijzen proceskosten. Dit betekent dat de verdachte tegenover [slachtoffer] voor het hele bedrag van € 23.195,85 aansprakelijk is.\n\nVoor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij te betalen.7. Toegepaste wetsartikelen\n\nDe opgelegde straf en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:\n\n- artikelen 36f, 47, 57, 282 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nvrijspraak\n\n- verklaart feit 2 primair niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte feit 1 en feit 2 subsidiair heeft gepleegd, zoals hierboven is omschreven;\n\nverklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feit\n\n- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor is vermeld;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder feit 1 en feit 2 subsidiair bewezenverklaarde;\n\nstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;\n\nbepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer]\n\nwijst de vordering van [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 23.195,85, bestaande uit € 3.195,85 aan materiële schadevergoeding en € 20.000,- aan immateriële schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nveroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;\n\nverklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nlegt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 135 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en\u002Fof een mededader, op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;voorlopige hechtenis\n\n- heft op het (eerder al geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. D.S. Terporten-Hop en mr. S. Ourahma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van der Steege als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\nDe oudste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 4 oktober 2024 te [woonplaats] , althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,\n\nopzettelijk\n\n [slachtoffer]\n\nwederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en\u002Fof beroofd heeft gehouden,\n\ndoor\n\n- die [slachtoffer] naar de woning aan de [adres] te lokken,\n\n- die [slachtoffer] tegen zijn wil binnen in de woning te houden,\n\n- die [slachtoffer] op de bank en\u002Fof de grond te laten zitten,\n\n- tegen die [slachtoffer] \"Jij gaat het vandaag niet meer halen\", \"Je weet niet wie wij\n\nzijn\" en\u002Fof \"Ik ga je mond afplakken met Duck tape.\" te schreeuwen en\u002Fof te\n\nzeggen, in ieder geval tegen hem te schreeuwen,\n\n- de handen en\u002Fof voeten van die [slachtoffer] aan elkaar vast te binden,\n\n- een of meerdere geweldshandelingen tegen die [slachtoffer] te verrichten en\u002Fof\n\n- constant in de buurt bij die [slachtoffer] te blijven, in elk geval gedurende enig tijd\n\nervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet vrij kon bewegen en\u002Fof zich niet uit de\n\nwoning kon verwijderen;\n\n2.\n\nhij op of omstreeks 4 oktober 2024 te Almere, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,\n\nter uitvoering van het door verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) voorgenomen\n\nmisdrijf om\n\naan [slachtoffer]\n\nopzettelijk\n\nzwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer] ,\n\n- in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen en\u002Fof gestompt,\n\n- hard aan de haren heeft getrokken,\n\n- tegen het lichaam heeft geslagen en\u002Fof gestompt,\n\n- met een paraplu op beide enkels, althans tegen het lichaam, heeft geslagen,\n\n- met een snoer tegen die knieën, althans tegen het lichaam, heeft geslagen,\n\n- met een schoen in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen,\n\n- tegen het lichaam heeft geschopt en\u002Fof getrapt en\u002Fof\n\n- stevig bij de keel heeft vastgepakt en\u002Fof de keel heeft dichtgeknepen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou\n\nkunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 4 oktober 2024 te Almere, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen\n\n [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal,\n\n- in het gezicht te slaan en\u002Fof te stompen,\n\n- hard aan de haren te trekken,\n\n- tegen het lichaam te slaan en\u002Fof te stompen,\n\n- met een paraplu op beide enkels, althans tegen het lichaam, heeft geslagen,\n\n- met een snoer tegen die knieën, althans tegen het lichaam, heeft geslagen,\n\n- met een schoen in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen,\n\n- tegen het lichaam te schoppen en\u002Fof te trappen en\u002Fof\n\n- stevig bij zijn keel te pakken en\u002Fof zijn keel dicht te knijpen.\n\nBijlage II: Bewijsmiddelen\n\n-een proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de verklaring van [verdachte] , zakelijk weergegeven:\n\n Gisteren (de rechtbank begrijpt: 4 oktober 2024) zag ik zag een worsteling tussen mijn schoonzoon (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 1] ) en een jongen. Ik heb de veters van de jongen vastgemaakt. Gewoon zijn veters aan elkaar zodat hij niet weg kon rennen.\n\n Mijn schoonzoon heeft zijn handen vastgebonden met een touwtje.\n\n Ik zag dat mijn schoonzoon die jongen aan het slaan was en mijn schoonzoon riep: “Ik heb jou op een filmpje gezien”. Toen snapte ik dus dat die jongen via social media was. Ik heb mijn schoen uitgetrokken en hem ook twee of drie keer geslagen met mijn schoen.\n\n Ik heb op zijn benen, billen geslagen en in zijn gezicht. Mijn zoon zei dat ze een filmpje hadden dat hij iets deed bij een meisje\n\n Ik heb hem met de schoen geslagen en met de paraplu.\n\n Ik heb wel een snoer gepakt.\n\n-een proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1] , zakelijk weergegeven:\n\nIk heb hem klappen gegeven.\n\n- een proces-verbaal van aangifte, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 reed ik in Almere. Ik had contact met [getuige] via Instagram. [getuige] gaf haar straatnaam op. Toen ben ik naar de straat gereden waar [getuige] zou wonen.\n\nIk liep de [straat] in. Ik las op Instagram dat [getuige] mij een bericht stuurde, dat de voordeur open zou staan. Daarom dacht ik dat ik bij deze woning moest zijn.\n\n Ik liep de woning in. Ik hoorde opeens achter mij een geluid van voetstappen. Ik draaide mij om en er werd direct een hand voor mijn ogen gehouden. Ik voelde dat ik werd vastgepakt om mijn middel. Ik ben op de grond gegooid. Ik zag twee mannen en een vrouw voor me staan. Ik hoorde een man zeggen: “Jij gaat het vandaag niet meer halen”.\n\n Ik zag dat beide mannen mij sloegen. Ik voelde dat één van die mannen mij aan mijn haar trok. Dit zag ik ook. De andere man bleef met vuisten op mijn hoofd slaan.\n\n Persoon 1 noem ik ‘vader’.\n\n Persoon 2 noem ik ‘broer’.\n\n Ik hoorde broer zeggen: “Je weet niet wie wij zijn”. Ik voelde en zag dat broer mij op mijn hoofd trapte. Ik hoorde de broer zeggen: “Ik ga je mond afplakken met Duck tape”.\n\n Ik zag dat de broer mij bij mijn keel vastpakte. Ik voelde een sterke greep om mijn keel heen. Ik kreeg bijna geen adem.\n\n Ik zag vader met een paraplu op mijn beide enkels slaan. Ik zag dat broer mijn haar vastpakte met zijn rechterhand en ik zag dat broer mij met zijn linkerhand sloeg op mijn hoofd.\n\nIk zag en voelde dat vader en broer mij ook trapten. In mijn gezicht, mijn buik en op mijn rug. Ik zag dat vader zijn hand naar achter bracht met daarin het witte snoer en zag dat vader met kracht met dit snoer op mijn knieën sloeg. Ik zag dat ik met mijn polsen aan elkaar werd vastgebonden met een wit touw. Ik zag dat dit ook gebeurde met mijn enkels. Dit ook met een wit touw. Dit werd gedaan door een vrouw. Ik zag dat vader mij met één hand bij mijn haren vasthield en trok over de vloer van de woonkamer richting de bank. Ik zag dat vader een schoen uittrok. Ik zag dat vader mij met deze schoen hard in mijn gezicht sloeg.\n\n- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende aanvullende informatie van de aangever [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 11 oktober 2024 sprak ik telefonisch met het slachtoffer [slachtoffer] .\n\n Hij vertelde de volgende informatie die voor het onderzoek van belang is:\n\n • De zus van [getuige] had in de woning zijn voeten met een verlengsnoer bij elkaar gebonden.\n\n- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende contact met slachtoffer [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\nHet slachtoffer verklaarde dat hij op 5 oktober 2024 zag dat er op Snapchat een bericht was van [getuige] .\n\n Hierop zag hij een tekst welke hij nog niet eerder had gezien. In de tekst stond dat hij niet naar de woning moest komen omdat de vader en de broer hem naar de woning zouden hebben gelokt.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 zag ik dat de overbuurman (de rechtbank begrijpt: de verdachte) voor de deur stond.\n\n Zijn woning is [adres] . Ik holde met de buurman mee naar de overkant van de straat.\n\n Ik hoorde buurman [medeverdachte 2] iets zeggen van “die jongen appt ook steeds met dochter”.\n\n Ik zag dat de jongeman aan handen en voeten gebonden was middels veters en ik zag ook dat de jongeman meerdere verwondingen aan zijn gezicht had. Achter de jongen zag ik een deel van een paraplu liggen.\n\n Buurman [medeverdachte 2] liep op de jongen af en gaf hem een klap vol in zijn gezicht. Buurman [medeverdachte 2] gebruikte hiervoor een schoen.\n\n Ik zag in de keuken nog twee personen staan, die ik herkende als de oudste dochter van buurman [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 2] , [1998] ) en zijn echtgenote.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen met fotobijlagen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 2] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 was ik aan de [adres] in [woonplaats] .\n\n Ik zag in de woonkamer een jongen op de grond liggen. Deze jongen bleek mij te zijn: [slachtoffer] . Ik zag dat [slachtoffer] divers zichtbaar letsel had.\n\n Verder zag ik in de ruimte op de grond een wit verlengsnoer liggen. Ook lag er een paraplu op de grond.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 3] , zakelijk weergegeven:\n\n Op 4 oktober 2024 kwam ik ter plaatse op de [adres] te [woonplaats] . Ik zag een zwarte autosleutel op tafel liggen. Ik vroeg van wie de sleutel was. Ik\n\nhoorde [slachtoffer] zeggen dat dit zijn autosleutel was. Ik besloot samen met een man naar de auto te lopen. Die man gaf aan dat hij wist waar de auto stond. Deze man bleek later te zijn:\n\n* [medeverdachte 1] , geboren op [1992] *\n\nDe sleutel werkte en de auto ging van zijn vergrendeling af.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] , zakelijk weergegeven:\n\nNOOT verbalisant: Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij de onderstaande berichten niet heeft verstuurd.\n\nChat 202 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 19:59:03 “Wil je komen”\n\nChat 205 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 20:25:19 “Ja ben alleen”\n\nChat 208 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 20:27:36 “ [straat] ”\n\nChat 223 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 21:02:23 “Je kan komen babe”\n\nChat 236 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 21:07:27 “Kom eventjes binnen”\n\n-een proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris van 9 oktober 2024, inhoudende de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] , zakelijk weergegeven:\n\nVraag: Is die jongen die in het huis was ( [slachtoffer] ) met een soort smoes naar de [adres] in [woonplaats] gekomen?\n\nAntwoord: Ja.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2024315295, doorgenummerd pagina 1 tot en met 249. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.\n\n Pagina 27-28.\n\n Pagina 28.\n\n Pagina 28.\n\n Pagina 29.\n\n Pagina 30.\n\n Pagina 53.\n\n Pagina 101.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 103.\n\n Pagina 103.\n\n Pagina 153.\n\n Pagina 122.\n\n Pagina 111.\n\n Pagina 112.\n\n Pagina 112.\n\n Pagina 76.\n\n Pagina 86.\n\n Pagina 159.\n\n Pagina 165-166.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4064","ecli-nl-rbmne-2026-4064",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":32,"ecli":33,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":15,"fullText":34,"language":7,"source":17,"sourceUrl":35,"summary":14,"slug":36,"metadata":37},"532","ECLI:NL:RBMNE:2026:4065","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16-317532-24\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de strafzaak van:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [1992] in [geboorteplaats] (India),\n\nadres: [adres] , [woonplaats] ,\n\n(hierna: de verdachte).1. Zitting\n\nDe strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 24 juni 2026.\n\nOp de zitting waren aanwezig:\n\nde verdachte;\n\nde officier van justitie: mr. S.K. Lanning-Stein;\n\nde advocaat van de verdachte: mr. L.J.B.G. van Kleef (hierna: de advocaat);\n\nde benadeelde partij: [slachtoffer] ;\n\nde advocaat van de benadeelde partij: mr. M.C. van Megen.2. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:\n\nfeit 1\n\nop 4 oktober 2024 in Almere samen met anderen opzettelijk [slachtoffer] van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden;\n\nfeit 2 primair\n\nop 4 oktober 2024 in Almere samen met anderen heeft geprobeerd [slachtoffer] zwaar te mishandelen;\n\nfeit 2 subsidiair\n\nop 4 oktober 2024 in Almere samen met anderen [slachtoffer] heeft mishandeld.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.3. Bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte feit 1 en feit 2 primair heeft gepleegd.\n\nDe standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van feit 2 primair. De advocaat voert geen verweer over het bewijs ten aanzien van feit 1 en feit 2 subsidiair.\n\nDe advocaat heeft een aantal opmerkingen gemaakt over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.\n\n3.3.. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. \n\nBewijsmiddelen feit 1 en feit 2 subsidiair\n\nDe rechtbank oordeelt dat feit 1 en feit 2 subsidiair zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\nEr zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.\n\n3.3.2.. Bewijsoverwegingen\n\nInleiding\n\nDe rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nOp 4 oktober 2024 is het slachtoffer naar het adres [adres] in [woonplaats] (de woning van de schoonouders van de verdachte) gegaan met het idee te hebben afgesproken met een meisje, namelijk getuige [getuige] (de schoonzus van de verdachte). Het slachtoffer had berichten ontvangen vanaf haar Instagramaccount, waarin zij hem uitnodigde bij haar thuis te komen. Toen het slachtoffer vervolgens op genoemd adres aankwam, is hij door meerdere personen aangevallen, vastgebonden en mishandeld. Het slachtoffer heeft fysiek letsel overgehouden aan het incident. Het slachtoffer heeft verklaard dat hij is aangevallen door twee mannen, de vader en de broer (de rechtbank begrijpt: de zwager) van [getuige] . Een vrouw, de zus van [getuige] , heeft hem vastgebonden. [getuige] heeft verklaard dat zij de uitnodigende berichten niet naar het slachtoffer heeft gestuurd.\n\nBetrouwbaarheid verklaringen aangever\n\nDe rechtbank vindt de verklaringen van de aangever betrouwbaar. De aangever heeft een verklaring afgelegd bij de politie en deze op een later moment aangevuld. De verklaringen zijn uitgebreid, gedetailleerd en op grote lijnen consistent. Daarnaast vinden de verklaringen van de aangever op belangrijke punten steun in andere bewijsmiddelen. Het gaat dan bijvoorbeeld om bepaalde geweldshandelingen, de daarvoor gebruikte middelen zoals een paraplu en een snoer en het vastbinden van de aangever.\n\nAlternatief scenario verdediging\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat de zaak vanaf het begin ten onrechte een lading heeft gekregen van eerwraak. Het zou volgens de verdediging zo kunnen zijn dat [getuige] de situatie bewust heeft laten escaleren. Zij zou eerder melding hebben gedaan tegen haar familie van huiselijk geweld. De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachten niet wisten wie de aangever was en wat hij bij hen in huis kwam doen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat dit scenario niet aannemelijk is geworden. De rechtbank ziet voor dit scenario onvoldoende aanknopingspunten in het dossier en verwijst specifiek naar de verklaring van de aangever waar hij stelt dat hij een bericht van [getuige] heeft ontvangen waarin staat dat hij niet moest reageren op uitnodigingen om naar haar huis te komen, omdat haar vader en zwager hem daarheen wilden lokken. Daarnaast volgt uit het bewijs dat de verdachten wisten dat de aangever een jongen was met wie [getuige] contact had. Zo blijkt uit de verklaring van de overbuurman dat medeverdachte [medeverdachte 1] zei dat er een jongen in zijn huis was die met zijn jongste dochter appte. Uit de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] volgt dat zijn schoonzoon, de verdachte, naar de aangever riep dat hij hem herkende van een filmpje. Ook heeft de overbuurman verklaard dat de verdachte precies wist waar de auto van de aangever geparkeerd stond. Dit is onmogelijk als waar is dat de verdachte in de woning werd verrast door de aanwezigheid van de aangever. Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank het aangevoerde alternatieve scenario ongeloofwaardig.\n\nWederrechtelijke vrijheidsberoving\n\nDe verdachte en de medeverdachten hebben de aangever wederrechtelijk van de vrijheid beroofd. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de aangever, nadat hij naar de woning aan de [adres] is gelokt, in de betreffende woning enige tijd van zijn vrijheid beroofd is geweest.\n\nVerdachte en zijn mededader hebben in de woning geweld tegen de aangever gebruikt, hij is vastgebonden en er is op meerdere momenten dreigend tegen hem gesproken. Doordat aangever op geen enkel moment alleen is gelaten kon hij de woning niet zelf verlaten.\n\nPoging zware mishandeling\n\nDe rechtbank spreekt de verdachte vrij van feit 2 primair (poging tot zware mishandeling). De rechtbank is namelijk van oordeel dat niet bewezen is dat de verdachte geprobeerd heeft om aan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Uit het dossier blijkt onvoldoende dat de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bestond. Ook blijkt niet dat de verdachte die kans bewust heeft aanvaard. De rechtbank heeft hierbij gekeken naar de bewezen geweldshandelingen en het daardoor toegebrachte letsel.\n\nMishandeling\n\nDe verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] hebben de aangever (gedurende de wederrechtelijke vrijheidsberoving) meerdere malen met de blote hand en met voorwerpen geslagen, getrapt, aan het haar getrokken en de aangever bij zijn keel gepakt. Daardoor is de aangever onwel geworden, heeft hij pijn gehad en heeft hij letsel opgelopen. De rechtbank merkt dit geweld aan als een mishandeling.\n\nMedeplegen\n\nDe rechtbank vindt bewezen dat de verdachte bij beide strafbare feiten de rol van medepleger had. Medeplegen kan worden bewezen als bij het begaan van een strafbaar feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De (materiële en\u002Fof intellectuele) bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit moet daarbij van voldoende gewicht zijn.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de verdachte en de medeverdachte(n) nauw en bewust hebben samengewerkt. De bijdrage van de verdachte aan de strafbare feiten is van zodanig gewicht, dat kan worden gesproken van medeplegen. De verdachte en de medeverdachten hebben samen handelingen verricht om de aangever van zijn vrijheid te beroven. De aangever is naar de woning gelokt en de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] hebben de aangever geslagen en getrapt en dreigende woorden geuit, terwijl de medeverdachte [medeverdachte 2] de aangever heeft vastgebonden. Hierdoor was de aangever niet in staat zich vrij te bewegen en uit de woning weg te gaan. De verdachten [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben de aangever samen mishandeld, door hem te slaan met de blote hand, een paraplu een snoer en een schoen, hem te trappen, aan zijn haren te trekken en hem stevig bij de keel te pakken.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank vindt feit 1 en feit 2 subsidiair van de beschuldiging bewezen. De verdachte heeft zich, samen met de medeverdachten, schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving en mishandeling.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:\n\nfeit 1\n\nop 4 oktober 2024 te [woonplaats] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden, door\n\n- die [slachtoffer] naar de woning aan de [adres] te lokken,\n\n- die [slachtoffer] tegen zijn wil binnen in de woning te houden,\n\n- tegen die [slachtoffer] \"Jij gaat het vandaag niet meer halen\", \"Je weet niet wie wij zijn\" en \"Ik ga je mond afplakken met Duck tape.\" te zeggen,\n\n- de handen en voeten van die [slachtoffer] aan elkaar vast te binden,\n\n- meerdere geweldshandelingen tegen die [slachtoffer] te verrichten,\n\n- constant in de buurt bij die [slachtoffer] te blijven, en\n\nervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet vrij kon bewegen en zich niet uit de woning kon verwijderen;\n\nfeit 2 subsidiair\n\nop 4 oktober 2024 te Almere, tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer]\n\n- in het gezicht te slaan en te stompen,\n\n- hard aan de haren te trekken,\n\n- tegen het lichaam te slaan en te stompen,\n\n- met een paraplu op beide enkels te slaan,\n\n- met een snoer tegen de knieën te slaan,\n\n- met een schoen in het gezicht te slaan,\n\n- tegen het lichaam te trappen en\n\n- stevig bij zijn keel te pakken.\n\nDe rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.\n\nDe taal- en\u002Fof schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.4. Kwalificatie en strafbaarheid\n\n4.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\nfeit 1: medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden;\n\nfeit 2: medeplegen van mishandeling.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid feiten en verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.5. Straf\n\n5.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van het voorarrest.\n\n5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat voert aan dat er bij het bepalen van de strafmaat rekening moet worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Een eventuele gevangenisstraf voegt volgens de verdediging niets toe aan de doelen van het strafrecht. De rechtbank zou kunnen volstaan met een alternatieve sanctie of met een voorwaardelijke straf.\n\n5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.\n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft samen met de medeverdachten het slachtoffer van zijn vrijheid beroofd en beroofd gehouden. Tijdens deze vrijheidsberoving hebben zij hem geslagen en gestompt in zijn gezicht en op zijn lichaam, getrapt, aan zijn haren getrokken en geslagen met een paraplu, een snoer en een schoen. Voor het slachtoffer, een jongeman van net 18 jaar die dacht dat hij in de woning een afspraak met een hem bekend meisje zou hebben, is dit een enorm angstige ervaring geweest. Dit blijkt ook wel de slachtofferverklaring en de toelichting op het schadevergoedingsverzoek dat het slachtoffer heeft ingediend.\n\nMet hun handelen hebben de verdachte en zijn medeverdachten fors inbreuk gemaakt op de vrijheid en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De verdachte en zijn medeverdachten zijn volledig voorbijgegaan aan de gevolgen voor het slachtoffer, die hij tot de dag van vandaag ervaart. Hoewel het slachtoffer van het lichamelijk letsel is hersteld, ondervindt hij nog dagelijks de psychische gevolgen van wat hem is overkomen. Het slachtoffer was volop bezig om zijn toekomst op te bouwen, maar heeft door het handelen van verdachte en zijn medeverdachten dit toekomstbeeld moeten bijstellen. De rechtbank neemt verdachte kwalijk dat hij weinig verantwoordelijkheid neemt voor wat hij het slachtoffer heeft aangedaan.\n\nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte\n\nUit het strafblad van de verdachte van 19 mei 2026 blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld. Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 11 november 2025 met betrekking tot de verdachte. De reclassering concludeert dat de risico’s op recidive, letsel en het onttrekken aan voorwaarden niet kunnen worden ingeschat, omdat niet duidelijk is geworden wat ten grondslag heeft gelegen aan het gewelddadige gedrag van de verdachte. De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden en merkt op dat een eventuele detentie gevolgen zou hebben voor het privéleven van de verdachte. De verdachte is in staat om een werkstraf uit te voeren en een geldboete te betalen. Concrete signalen die wijzen op de noodzaak van een contact- en\u002Fof locatieverbod ziet de reclassering niet.\n\nStrafkader\n\nDe rechtbank heeft bij het bepalen van de straf gekeken naar straffen die eerder in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Deze straffen variëren van taakstraffen tot gevangenisstraffen van korte en langere duur, en zijn voor een groot deel afhankelijk van de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd.\n\nDe rechtbank vindt dat bij de strafbare feiten waar het in deze zaak om gaat, rekening houdend met de aard en ernst daarvan zoals hiervoor omschreven, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden past. Dat is dan ook de straf die de rechtbank aan de verdachte oplegt. Gelet op de ernst van het feit kan niet worden volstaan met een taakstraf.\n\nTenuitvoerlegging van de straf\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.\n\nDe voorlopige hechtenis\n\nDe rechtbank ziet niet langer aanleiding de voorlopige hechtenis te laten voortduren. Om die reden zal het (eerder al geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis worden opgeheven.6. Vordering benadeelde partij\n\n6.1.. \n\nVordering van de benadeelde partij [slachtoffer]\n\n heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 4.708,41 aan materiële schade en € 20.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\n6.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij goed onderbouwd is en geheel kan worden toegewezen.\n\n6.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nTen aanzien van de materiële schade heeft de verdediging aangevoerd dat er geen bewijzen van aankoop van de kledingstukken bij de vordering zijn gevoegd. De verdediging stelt zich om die reden op het standpunt dat niet kan worden nagegaan of het daadwerkelijk merkkleding betreft, of dat sprake is van namaak. Daarnaast brengt de verdediging naar voren dat uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij zijn telefoon heeft teruggekregen. De verdediging vindt het argument dat dit lang duurde, waardoor het slachtoffer een nieuwe telefoon moest kopen, niet houdbaar. De verdediging wijst erop dat er geen bewijs van aankoop van de airpods bij de vordering is gevoegd.\n\nVoor het overige heeft de advocaat zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\n6.4.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nVast is komen te staan dat benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezen verklaarde rechtstreeks schade heeft geleden.\n\nMateriële schade\n\nDe rechtbank wijst € 3.195,85 aan materiële schade toe voor de weggenomen airpods, de schade aan de kleding en de zorgkosten. De verdediging heeft het wegnemen van de airpods, de schade aan de kleding en de zorgkosten niet betwist. Ten aanzien van de kleding geeft de opmerking van de advocaat over de mogelijkheid dat het gaat om namaakkleding onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat dit ook daadwerkelijk het geval is. De verdediging heeft de feiten die de benadeelde partij heeft gesteld, onvoldoende betwist.\n\nDe kosten voor een nieuwe telefoon komen niet voor vergoeding in aanmerking. De aangever heeft zijn telefoon teruggekregen en de advocaat betwist dat schade is ontstaan aan de telefoon. Die schade is door de benadeelde partij niet nader onderbouwd. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk, omdat het alsnog nader onderbouwen ervan een onevenredige belasting zou vormen voor het strafproces. De rechtbank bepaalt dat de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.\n\nImmateriële schade\n\nAls gevolg van de mishandeling heeft [slachtoffer] een hersenschudding en letsel aan zijn hoofd, rug, oren en gezicht opgelopen in de vorm van blauwe plekken en bloeduitstortingen . Ook heeft hij geestelijk letsel opgelopen: hij is na het incident gediagnosticeerd met PTSS.\n\nDe verdediging heeft de immateriële schade niet betwist en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.\n\nGelet op de setting waarin het incident zich heeft afgespeeld, de doodsangsten die het slachtoffer heeft uitgestaan en de gestelde diagnose, begroot de rechtbank de immateriële schade naar maatstaven van billijkheid op een bedrag van € 20.000,-. De rechtbank heeft bij het vaststellen van dit bedrag ook rekening gehouden met de richtbedragen in de Rotterdamse schaal.\n\nWettelijke rente\n\nDe rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 4 oktober 2024 tot de dag dat de verdachte of een ander de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nProceskosten\n\nBij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vorderingen tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partijen kosten hebben gemaakt voor het indienen en toelichten van de vorderingen en begroot de kosten daarom op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nAls extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van [slachtoffer] aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 23.195,85, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente. Als de verdachte niet betaalt, wordt deze verplichting aangevuld met 135 dagen hechtenis, waarbij toepassing van de hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.\n\nDe betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan [slachtoffer] in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan [slachtoffer] .\n\nHoofdelijk\n\nOmdat de verdachte de feiten waarvoor de schadevergoeding worden toegekend samen met zijn mededader(s) heeft gepleegd, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk voor de schade. Hetzelfde geldt voor de toe te wijzen proceskosten. Dit betekent dat de verdachte tegenover [slachtoffer] voor het hele bedrag van € 23.195,85 aansprakelijk is.\n\nVoor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding en de proceskosten niet meer aan de benadeelde partij te betalen.\n\n7. Toegepaste wetsartikelen\n\nDe opgelegde straf en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:\n\n- artikelen 36f, 47, 57, 282 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nvrijspraak\n\n- verklaart feit 2 primair niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte feit 1 en feit 2 subsidiair heeft gepleegd, zoals hierboven is omschreven;\n\nverklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feit\n\n- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor is vermeld;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder feit 1 en feit 2 subsidiair bewezenverklaarde;\n\nstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden;\n\nbepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer]\n\nwijst de vordering van [slachtoffer] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 23.195,85, bestaande uit € 3.195,85 aan materiële schadevergoeding en € 20.000,- aan immateriële schadevergoeding;\n\nveroordeelt de verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nveroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;\n\nverklaart [slachtoffer] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nlegt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] het toegewezen bedrag aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 135 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij en\u002Fof een mededader, op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;voorlopige hechtenis\n\n- heft op het (eerder al geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. D.S. Terporten-Hop en mr. S. Ourahma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. van der Steege als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\nDe oudste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\n1.\n\nhij op of omstreeks 4 oktober 2024 te [woonplaats] , althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,\n\nopzettelijk\n\n [slachtoffer]\n\nwederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en\u002Fof beroofd heeft gehouden,\n\ndoor\n\n- die [slachtoffer] naar de woning aan de [adres] te lokken,\n\n- die [slachtoffer] tegen zijn wil binnen in de woning te houden,\n\n- die [slachtoffer] op de bank en\u002Fof de grond te laten zitten,\n\n- tegen die [slachtoffer] \"Jij gaat het vandaag niet meer halen\", \"Je weet niet wie wij\n\nzijn\" en\u002Fof \"Ik ga je mond afplakken met Duck tape.\" te schreeuwen en\u002Fof te\n\nzeggen, in ieder geval tegen hem te schreeuwen,\n\n- de handen en\u002Fof voeten van die [slachtoffer] aan elkaar vast te binden,\n\n- een of meerdere geweldshandelingen tegen die [slachtoffer] te verrichten en\u002Fof\n\n- constant in de buurt bij die [slachtoffer] te blijven, in elk geval gedurende enig tijd\n\nervoor te zorgen dat die [slachtoffer] zich niet vrij kon bewegen en\u002Fof zich niet uit de\n\nwoning kon verwijderen;\n\n2.\n\nhij op of omstreeks 4 oktober 2024 te Almere, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,\n\nter uitvoering van het door verdachte en\u002Fof zijn mededader(s) voorgenomen\n\nmisdrijf om\n\naan [slachtoffer]\n\nopzettelijk\n\nzwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer] ,\n\n- in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen en\u002Fof gestompt,\n\n- hard aan de haren heeft getrokken,\n\n- tegen het lichaam heeft geslagen en\u002Fof gestompt,\n\n- met een paraplu op beide enkels, althans tegen het lichaam, heeft geslagen,\n\n- met een snoer tegen die knieën, althans tegen het lichaam, heeft geslagen,\n\n- met een schoen in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen,\n\n- tegen het lichaam heeft geschopt en\u002Fof getrapt en\u002Fof\n\n- stevig bij de keel heeft vastgepakt en\u002Fof de keel heeft dichtgeknepen,\n\nterwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou\n\nkunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 4 oktober 2024 te Almere, althans in Nederland,\n\ntezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen\n\n [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal,\n\n- in het gezicht te slaan en\u002Fof te stompen,\n\n- hard aan de haren te trekken,\n\n- tegen het lichaam te slaan en\u002Fof te stompen,\n\n- met een paraplu op beide enkels, althans tegen het lichaam, heeft geslagen,\n\n- met een snoer tegen die knieën, althans tegen het lichaam, heeft geslagen,\n\n- met een schoen in het gezicht, althans tegen het hoofd, heeft geslagen,\n\n- tegen het lichaam te schoppen en\u002Fof te trappen en\u002Fof\n\n- stevig bij zijn keel te pakken en\u002Fof zijn keel dicht te knijpen.\n\nBijlage II: Bewijsmiddelen\n\n-de verklaring van de verdachte [verdachte] op de zitting van 24 juni 2026, zakelijk weergegeven:\n\nDie jongen heeft wel een paar klappen gehad van mij.\n\n-een proces-verbaal van verhoor verdachte, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1] , zakelijk weergegeven:\n\n Gisteren (de rechtbank begrijpt: 4 oktober 2024) zag ik zag een worsteling tussen mijn schoonzoon (de rechtbank begrijpt [verdachte] ) en een jongen. Ik heb de veters van de jongen vastgemaakt. Gewoon zijn veters aan elkaar zodat hij niet weg kon rennen.\n\n Mijn schoonzoon heeft zijn handen vastgebonden met een touwtje.\n\n Ik zag dat mijn schoonzoon die jongen aan het slaan was en mijn schoonzoon riep: “Ik heb jou op een filmpje gezien”. Toen snapte ik dus dat die jongen via social media was. Ik heb mijn schoen uitgetrokken en hem ook twee of drie keer geslagen met mijn schoen.\n\n Ik heb op zijn benen, billen geslagen en in zijn gezicht. Mijn zoon zei dat ze een filmpje hadden dat hij iets deed bij een meisje\n\n Ik heb hem met de schoen geslagen en met de paraplu.\n\n Ik heb wel een snoer gepakt.\n\n- een proces-verbaal van aangifte, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 reed ik in Almere. Ik had contact met [getuige] via Instagram. [getuige] gaf haar straatnaam op. Toen ben ik naar de straat gereden waar [getuige] zou wonen.\n\nIk liep de [straat] in. Ik las op Instagram dat [getuige] mij een bericht stuurde, dat de voordeur open zou staan. Daarom dacht ik dat ik bij deze woning moest zijn.\n\n Ik liep de woning in. Ik hoorde opeens achter mij een geluid van voetstappen. Ik draaide mij om en er werd direct een hand voor mijn ogen gehouden. Ik voelde dat ik werd vastgepakt om mijn middel. Ik ben op de grond gegooid. Ik zag twee mannen en een vrouw voor me staan. Ik hoorde een man zeggen: “Jij gaat het vandaag niet meer halen”.\n\n Ik zag dat beide mannen mij sloegen. Ik voelde dat één van die mannen mij aan mijn haar trok. Dit zag ik ook. De andere man bleef met vuisten op mijn hoofd slaan.\n\nPersoon 1 noem ik ‘vader’.\n\n Persoon 2 noem ik ‘broer’.\n\n Ik hoorde broer zeggen: “Je weet niet wie wij zijn”. Ik voelde en zag dat broer mij op mijn hoofd trapte. Ik hoorde de broer zeggen: “Ik ga je mond afplakken met Duck tape”.\n\n Ik zag dat de broer mij bij mijn keel vastpakte. Ik voelde een sterke greep om mijn keel heen. Ik kreeg bijna geen adem.\n\n Ik zag vader met een paraplu op mijn beide enkels slaan. Ik zag dat broer mijn haar vastpakte met zijn rechterhand en ik zag dat broer mij met zijn linkerhand sloeg op mijn hoofd.\n\n Ik zag en voelde dat vader en broer mij ook trapten. In mijn gezicht, mijn buik en op mijn rug. Ik zag dat vader zijn hand naar achter bracht met daarin het witte snoer en zag dat vader met kracht met dit snoer op mijn knieën sloeg. Ik zag dat ik met mijn polsen aan elkaar werd vastgebonden met een wit touw. Ik zag dat dit ook gebeurde met mijn enkels. Dit ook met een wit touw. Dit werd gedaan door een vrouw. Ik zag dat vader mij met één hand bij mijn haren vasthield en trok over de vloer van de woonkamer richting de bank. Ik zag dat vader een schoen uittrok. Ik zag dat vader mij met deze schoen hard in mijn gezicht sloeg.\n\n- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende aanvullende informatie van de aangever [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 11 oktober 2024 sprak ik telefonisch met het slachtoffer [slachtoffer] .\n\n Hij vertelde de volgende informatie die voor het onderzoek van belang is:\n\n De zus van [getuige] had in de woning zijn voeten met een verlengsnoer bij elkaar gebonden.\n\n- een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende contact met slachtoffer [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:\n\n Het slachtoffer verklaarde dat hij op 5 oktober 2024 zag dat er op Snapchat een bericht was van [getuige] .\n\n Hierop zag hij een tekst welke hij nog niet eerder had gezien. In de tekst stond dat hij niet naar de woning moest komen omdat de vader en de broer hem naar de woning zouden hebben gelokt.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 1] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 zag ik dat de overbuurman (de rechtbank begrijpt de medeverdachte [medeverdachte 1] ) voor de deur stond.\n\n Zijn woning is [adres] . Ik holde met de buurman mee naar de overkant van de straat. Ik hoorde buurman [medeverdachte 2] iets zeggen van “die jongen appt ook steeds met dochter”.\n\n Ik zag dat de jongeman aan handen en voeten gebonden was middels veters en ik zag ook dat de jongeman meerdere verwondingen aan zijn gezicht had. Achter de jongen zag ik een deel van een paraplu liggen.\n\n Buurman [medeverdachte 2] liep op de jongen af en gaf hem een klap vol in zijn gezicht. Buurman [medeverdachte 2] gebruikte hiervoor een schoen.\n\n Ik zag in de keuken nog twee personen staan, die ik herkende als de oudste dochter van buurman [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt [medeverdachte 2] , [1998] ) en zijn echtgenote.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen met fotobijlagen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 2] , zakelijk weergegeven:\n\nOp 4 oktober 2024 was ik aan de [adres] in [woonplaats] .\n\n Ik zag in de woonkamer een jongen op de grond liggen. Deze jongen bleek mij te zijn: [slachtoffer] . Ik zag dat [slachtoffer] divers zichtbaar letsel had.\n\n Verder zag ik in de ruimte op de grond een wit verlengsnoer liggen. Ook lag er een paraplu op de grond.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de verklaring van verbalisant [verbalisant 3] , zakelijk weergegeven:\n\n Op 4 oktober 2024 kwam ik ter plaatse op de [adres] te [woonplaats] . Ik zag een zwarte autosleutel op tafel liggen. Ik vroeg van wie de sleutel was. Ik\n\nhoorde [slachtoffer] zeggen dat dit zijn autosleutel was. Ik besloot samen met een man naar de auto te lopen. Die man gaf aan dat hij wist waar de auto stond. Deze man bleek later te zijn:\n\n* [verdachte] , geboren op [1992] *\n\nDe sleutel werkte en de auto ging van zijn vergrendeling af.\n\n-een proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] , zakelijk weergegeven:\n\nNOOT verbalisant: Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij de onderstaande berichten niet heeft verstuurd.\n\nChat 202 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 19:59:03 “Wil je komen”\n\nChat 205 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 20:25:19 “Ja ben alleen”\n\nChat 208 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 20:27:36 “ [straat] ”\n\nChat 223 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 21:02:23 “Je kan komen babe”\n\nChat 236 [chatnaam] – [getuige] 4-10-2024 21:07:27 “Kom eventjes binnen”\n\n-een proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris van 9 oktober 2024, inhoudende de verklaring van de verdachte [verdachte] , zakelijk weergegeven:\n\nVraag: Is die jongen die in het huis was ( [slachtoffer] ) met een soort smoes naar de [adres] in [woonplaats] gekomen?\n\nAntwoord: Ja.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2024315295, doorgenummerd pagina 1 tot en met 249. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.\n\n Pagina 27-28.\n\n Pagina 28.\n\n Pagina 28.\n\n Pagina 29.\n\n Pagina 30.\n\n Pagina 101.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 102.\n\n Pagina 103.\n\n Pagina 103.\n\n Pagina 153.\n\n Pagina 122.\n\n Pagina 111.\n\n Pagina 112.\n\n Pagina 112.\n\n Pagina 76.\n\n Pagina 86.\n\n Pagina 159.\n\n Pagina 165-166.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4065","ecli-nl-rbmne-2026-4065",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":39,"ecli":40,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":41,"fullText":42,"language":7,"source":17,"sourceUrl":43,"summary":14,"slug":44,"metadata":45},"677","ECLI:NL:RBMNE:2026:4029","2026-07-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16\u002F268999-24\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de strafzaak van:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [1989] in [plaats 1] ,\n\nverblijvende op het adres [adres 1] , [postcode] in [plaats 2] ,\n\nhierna: de verdachte.1. Zitting\n\nDe strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 23 juni 2026.\n\nOp de zitting waren aanwezig:\n\nde verdachte;\n\nde advocaat van de verdachte: mr. M. Landsman (hierna: de advocaat);\n\nde officieren van justitie: mr. F. Leeman en mr. V. van der Horst;\n\nmr. J.R. Mekkes als advocaat van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .2. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij, samengevat:\n\nin de periode van 1 augustus 2023 en 19 augustus 2024 in Utrecht, samen met een ander, haar kinderen, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] en\u002Fof [slachtoffer 2] , geboren op [2017] stelselmatig heeft mishandeld.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.3. Bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd.\n\nDe standpunten van de officier van justitie worden, voor zover van belang voor de beoordeling, besproken in paragraaf 3.3.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte gedeeltelijk vrij te spreken.\n\nDe advocaat stelt zich op het standpunt dat er onvoldoende onderbouwing is voor 1 augustus 2023 als aanvangsdatum van de pleegperiode en verzoekt daarom de pleegperiode te beperken tot de periode vanaf 27 mei 2024.\n\nDaarnaast verzoekt de advocaat de verdachte vrij te spreken van het slaan met een koekenplan en het slaan met de vuist, wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.\n\nTot slot verzoekt de advocaat de verdachte vrij te spreken ten aanzien van [slachtoffer 2 (voornaam)] van het schoppen, aan de armen meeslepen en\u002Fof armen verdraaien, door urine heen trekken, afplakken van de mond met ducttape en het onthouden van school, wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.\n\nDe advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden, voor zover van belang voor de beoordeling, hierna besproken onder paragraaf 3.3.\n\n3.3.. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. Bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank oordeelt dat het feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\n3.3.2.. Bewijsoverwegingen\n\nInleiding\n\nOp 19 augustus 2024 krijgt de politie een melding dat er mogelijk sprake zou zijn van huiselijk geweld in de woning aan de [adres 2] in [plaats 3] . De buren zouden gegil uit de woning horen komen. De politie gaat ter plaatse naar de woning en treft daar [verdachte] (hierna: de verdachte) en haar twee kinderen [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1 (voornaam)] ) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2 (voornaam)] ). [slachtoffer 1 (voornaam)] is volledig naakt en [slachtoffer 2 (voornaam)] loopt in een nat broekje en T-shirt waar een sterke geur van urine vanaf komt. In de woonkamer ligt een grote plas urine. Over de wangen van de kinderen lopen tranen en hun ogen zijn rood. De kinderen zijn vervolgens gehoord door de politie.\n\nGedragingen\n\nDe rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] in hun verklaringen hebben beschreven hoe de ten laste gelegde handelingen hebben plaatsgevonden en hoe de situatie waarin de gedragingen hebben plaatsgevonden, is ontstaan en verlopen. Deze verklaringen vinden over en weer op essentiële punten steun in elkaar en vinden steun in de verklaring die de verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd. De verklaringen van [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] zijn ook voldoende gedetailleerd en er worden concrete situaties beschreven die steun vinden in andere bewijsmiddelen, te weten de chatberichten tussen de verdachte en de medeverdachte en getuigenverklaringen. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kinderen en zal deze dan ook in haar geheel voor het bewijs gebruiken, ook voor zover deze betrekking heeft op de door de verdachte(n) ontkende gedragingen. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de advocaat van verdachte dat er onvoldoende en wettig bewijs is voor het slaan met de koekenpan. Het is niet vereist dat ieder onderdeel van de bewezenverklaring afzonderlijk door twee bewijsmiddelen wordt gedragen.\n\nOp grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan, kort gezegd, het stelselmatig mishandelen van haar kinderen [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] . Er was sprake van een geleidelijk escalerend patroon waarbij de beperkingen en straffen die aan de kinderen werden opgelegd steeds strenger en heftiger werden waardoor de fysieke en psychische mishandeling gaandeweg ernstiger werd. Zo werden de kinderen verplicht om voor alle alledaagse handelingen (waaronder naar de wc gaan, douchen of eten en drinken) vooraf toestemming te vragen. Ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat beide kinderen werden geslagen met de vlakke hand. [slachtoffer 1 (voornaam)] werd geschopt en aan zijn armen meegesleept en zijn arm werd ook verdraaid. Daarnaast werden de kinderen gedwongen om geruime tijd naakt of met weinig kleren in huis rond te lopen en hen werd de toegang tot de wc en\u002Fof douche onthouden. Zo blijkt bijvoorbeeld uit de chatberichten dat de kinderen ’s nachts niet naar het toilet mogen. Om dit te controleren legt de verdachte elke avond wc-papier in de wc, maakt hier een foto van en stuurt deze naar medeverdachte [medeverdachte] . De volgende ochtend maakt de verdachte nieuwe foto's en stuurt deze ook weer naar medeverdachte [medeverdachte] . Daarna vergelijken de verdachten beide foto’s om te controleren of de wc inderdaad niet is gebruikt.\n\nAls ze dan op een andere plek hadden geplast of gepoept moesten ze in hun eigen ontlasting en urine zitten en in vervuilde kleding rondlopen. De kinderen moesten hun eigen ontlasting en urine opruimen en [slachtoffer 1 (voornaam)] werd ook door zijn eigen urine heengetrokken. Uit de bewijsmiddelen volgt ook dat de kinderen gedurende ruime tijd eten en drinken werd onthouden en dat zij werden opgesloten in hun slaapkamers. Als straf werden de kinderen onder de koude douche gezet en ze werden gekleineerd, dan wel denigrerend of dwingend toegesproken. Ten slotte mocht [slachtoffer 1 (voornaam)] een tijd niet naar school en is er ducttape op zijn mond geplakt.\n\nPartiele vrijspraak\n\nSlaan met de vuist van [slachtoffer 1 (voornaam)] en\u002Fof [slachtoffer 2 (voornaam)]\n\nDe rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachte [slachtoffer 1 (voornaam)] en\u002Fof [slachtoffer 2 (voornaam)] met de vuist heeft geslagen. Het dossier bevat daarvoor geen aanknopingspunten. Dit betekent dat de rechtbank de verdachte gedeeltelijk vrij zal spreken.\n\nGedragingen ten aanzien van [slachtoffer 2 (voornaam)]\n\nDaarnaast verzoekt de advocaat de verdachte vrij te spreken ten aanzien van [slachtoffer 2 (voornaam)] van het schoppen, aan de handen\u002Farmen meeslepen en\u002Fof armen (ver)draaien, door eigen urine heen trekken, beplakken van de mond met ducttape en het onthouden van school, wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De rechtbank volgt dit verweer. Het dossier bevat hiervoor onvoldoende bewijs nu [slachtoffer 2 (voornaam)] zelf hier niets over verklaart en dit ook niet uit enige andere verklaring blijkt. De rechtbank zal de verdachte hiervan dan ook vrijspreken.\n\nPeriode\n\nDe advocaat stelt zich op het standpunt dat er onvoldoende onderbouwing is voor 1 augustus 2023 als aanvangsdatum van de pleegperiode en verzoekt de pleegperiode te beperken tot de periode vanaf 27 mei 2024. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.\n\n [slachtoffer 1 (voornaam)] is op 21 augustus 2024 verhoord. Tijdens dit verhoor verklaart [slachtoffer 1 (voornaam)] onder meer dat zijn moeder vroeger als ze boos was wel eens sloeg met een koekenpan of hen onder de koude douche zette. Wanneer de politie vraagt wanneer ‘vroeger’ was, verklaart [slachtoffer 1 (voornaam)] dat dit wel een jaar geleden was en dat hij toen 9 jaar was. Ook verklaart hij dat dit allemaal thuis gebeurt sinds zijn vader gescheiden is in 2023 en dat het eigenlijk al een jaar zo is.\n\nDe verklaring van [slachtoffer 1 (voornaam)] wordt ondersteund door de verklaringen van de juffen van [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] in het schooljaar 2023\u002F2024. Uit de verklaring van de juf van [slachtoffer 2 (voornaam)] blijkt namelijk dat zij al vanaf oktober 2023 zorgen hadden over [slachtoffer 2 (voornaam)] . Zo was er sprake van veranderend gedrag. [slachtoffer 2 (voornaam)] was onrustig en was snel bozig. Ook had [slachtoffer 2 (voornaam)] vaak dezelfde kleren aan. [slachtoffer 2 (voornaam)] begon er vermoeid uit te zien en haar juf had de indruk dat ze wat vermagerde. Na de meivakantie in 2024 gaf [slachtoffer 2 (voornaam)] ook aan dat ze geen ontbijt kreeg naar school. Uit de verklaring van de juf van [slachtoffer 1 (voornaam)] volgt ook dat er zorgen waren in het schooljaar 23\u002F24. Zo viel aan het begin van het schooljaar externaliserend gedrag op en zag hij er vanaf september onverzorgd en niet schoon uit. Hij had vieze nagels en zijn haar zat niet in model. Ook verklaart zijn juf dat [slachtoffer 1 (voornaam)] vergeleken met 5 september 2024 (de dag waarop zij haar verklaring bij de politie aflegt) echt wel mager was en kringen onder zijn ogen had. Ook verklaart zij dat [slachtoffer 1 (voornaam)] dat schooljaar vaak dezelfde kleren aan. Begin maart 2024 heeft de juf ook gezien dat [slachtoffer 1 (voornaam)] brood uit de tas van andere kinderen pakte en gaf [slachtoffer 1 (voornaam)] aan af en toe trek te hebben.\n\nGelet op het voorgaande, in onderling samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte haar kinderen stelselmatig heeft mishandeld vanaf 1 augustus 2023, zoals ten laste gelegd.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:\n\nin of omstreeks de periode tussen 1 augustus 2023 en 19 augustus 2024 te\n\n [plaats 3] , tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,\n\nhaar kind, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] ,\n\nstelselmatig heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 1 (voornaam)]\n\n- met een koekenpan en met vlakke hand te slaan en\n\n- te schoppen en\n\n- aan zijn handen\u002Farmen mee te slepen en zijn armen te (ver)draaien en\n\n- ( gedwongen) gedurende geruime tijd naakt en\u002Fof met weinig kleding in huis rond\n\nte laten lopen en\n\n- gedurende geruime tijd te verbieden naar de wc te gaan en (vervolgens) in zijn\n\neigen ontlasting en\u002Fof urine (gedurende geruime tijd) op de grond en\u002Fof op de trap\n\nte laten zitten en\u002Fof hem (gedurende geruime tijd) in zijn door ontlasting en\u002Fof\n\nurine vervuilde kleding te laten verblijven en\n\n- zijn eigen ontlasting en\u002Fof urine op te laten ruimen en\u002Fof door zijn eigen urine\n\nheen te trekken en\n\n- met grijze ducttape zijn mond te beplakken en\u002Fof daarmee te bedreigen en\n\n- gedurende geruime tijd van eten, drinken en douchen te onthouden en\n\n- gedurende geruime tijd in zijn slaapkamer op te sluiten en\n\n- als straf onder een koude douche te zetten en\n\n- te kleineren en\u002Fof (zijn pijn) te negeren en\u002Fof en denigrerend en dwingend toe te\n\nspreken en\n\n- hem te onthouden van schoolgang;\n\nen\n\nhaar kind, [slachtoffer 2] , geboren op [2017] ,\n\nstelselmatig heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 2 (voornaam)]\n\n- met vlakke hand te slaan en\n\n- ( gedwongen) gedurende geruime tijd naakt en\u002Fof met weinig kleding in huis rond\n\nte laten lopen en\n\n- gedurende geruime tijd te verbieden naar de wc te gaan en (vervolgens) in haar\n\neigen ontlasting en\u002Fof urine (gedurende geruime tijd) op de grond en\u002Fof op de trap\n\nte laten zitten en\u002Fof haar (gedurende geruime tijd) in haar door ontlasting en\u002Fof\n\nurine vervuilde kleding te laten verblijven en\n\n- haar eigen ontlasting en\u002Fof urine op te laten ruimen en\n\n- gedurende geruime tijd van eten, drinken en douchen te onthouden en\n\n- gedurende geruime tijd in haar slaapkamer op te sluiten en\n\n- als straf onder een koude douche te zetten en\n\n- te kleineren en\u002Fof (haar pijn) te negeren en\u002Fof en denigrerend en dwingend toe te\n\nspreken.\n\nVoor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nDe rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.4. Kwalificatie en strafbaarheid\n\n4.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nMedeplegen van mishandeling, stelselmatig begaan tegen haar kind, meermalen gepleegd.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid feit en de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.5. Straf en maatregel\n\n5.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het hierna te noemen reclasseringsrapport van 11 juni 2026. Daarbij gaat het, zakelijk weergegeven, om een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting en een contactverbod met haar kinderen. De officier van justitie eist dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht direct na de uitspraak van het vonnis ingaan (dadelijk uitvoerbaar zijn).\n\nDe officier van justitie eist daarnaast dat aan de verdachte wordt opgelegd een contactverbod met de medeverdachte [medeverdachte] als vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 5 jaar, te vervangen door 2 weken hechtenis voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet. De officier van justitie eist dat deze maatregel direct na de uitspraak ingaat (dadelijk uitvoerbaar is).\n\n5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank te volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die niet langer is dan de duur van het voorarrest, aangevuld met een fors voorwaardelijk strafdeel. Indien noodzakelijk zou dit aangevuld kunnen worden met een onvoorwaardelijke taakstraf.\n\nDaartoe voert de advocaat aan dat indien de rechtbank de verdediging volgt, de rechtbank tot een bewezenverklaring komt over een kortere periode dan ten laste is gelegd en één of meer feitelijkheden niet bewezen worden verklaard.\n\nTer onderbouwing van zijn verzoek wijst de advocaat ook naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte is een first offender en heeft vanaf het moment dat de politie heeft ingegrepen haar verantwoordelijkheid genomen. Ze heeft openheid van zaken gegeven en is met zichzelf aan de slag gegaan. Zo werkt de verdachte onder meer mee aan een behandeling bij [instelling 2] . Ook merkt de advocaat op dat verdachtes kinderen niet meer onder haar gezag vallen en dat hier ook geen omgang of contact mee is. De verdachte heeft een sociale huurwoning die zij bij een langdurige detentie zal kwijtraken. Hetzelfde geldt voor haar baan.\n\nTot slot merkt de advocaat op dat er geen bezwaar is tegen een contactverbod met medeverdachte [medeverdachte] . Ten aanzien van de kinderen stelt de advocaat zich op het standpunt dat er geen aanleiding is die een dergelijk verbod noodzakelijk maakt nu contact altijd met tussenkomst van de instanties moet gebeuren.\n\n5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden mee.\n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft gedurende ongeveer één jaar stelselmatig haar kinderen mishandeld. De rechtbank acht bovendien bewezen dat sprake was van medeplegen van die mishandeling, in ieder geval gedurende de periode vanaf 22 januari 2024 tot 19 augustus 2024.\n\nDe mishandeling van [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] had zowel een fysieke als een geestelijke component. Er was sprake van een geleidelijk escalerend patroon waarbij de beperkingen en straffen die aan de kinderen werden opgelegd steeds strenger en heftiger werden, waardoor de fysieke en psychische mishandeling gaandeweg ernstiger werd. Hierbij keerden twee volwassenen, waaronder hun moeder van wiens zorg de minderjarige [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] volledig afhankelijk waren, zich tegen twee jonge kinderen. [slachtoffer 2 (voornaam)] en [slachtoffer 1 (voornaam)] waren aan het begin van de bewezenverklaarde periode slechts 6 en 9 jaar oud. Beide kinderen werden geslagen met de vlakke hand, eenmaal werd [slachtoffer 1 (voornaam)] ook geslagen met een koekenpan. [slachtoffer 1 (voornaam)] werd geschopt en aan zijn armen meegesleept en zijn arm werd ook verdraaid. Zij werden gedwongen om geruime tijd naakt of met weinig kleren in huis rond te lopen en hen werd verboden om naar de wc te gaan, waarna zij vervolgens in hun eigen ontlasting en urine moesten zitten of in vervuilde kleding moesten blijven. De kinderen moesten hun eigen ontlasting en urine opruimen en [slachtoffer 1 (voornaam)] werd ook door zijn eigen urine heengetrokken. Ook werd de kinderen gedurende ruime tijd eten en drinken onthouden, mochten zij niet douchen en werden zij opgesloten in hun slaapkamers. Als straf werden de kinderen onder de koude douche gezet en ze werden gekleineerd, dan wel denigrerend of dwingend toegesproken. Ten slotte mocht [slachtoffer 1 (voornaam)] een tijd niet naar school en is er ducttape op zijn mond geplakt.\n\nDe verdachten hebben gedurende lange tijd de lichamelijke en de psychische integriteit van [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] ernstig geschonden. De gebeurtenissen vonden thuis plaats, terwijl de kinderen zich juist daar, in het bijzijn van hun moeder, veilig en geborgen hadden moeten voelen. In plaats van aandacht, verzorging en bescherming waar zij als jonge kinderen recht op hadden, zijn zij geconfronteerd met een voortdurend escalerend patroon van controle, angst en geweld. De rechtbank rekent dit de verdachte ernstig aan.\n\nDe gevolgen van kindermishandeling kunnen langdurig en ernstig zijn. Uit de slachtofferverklaring van de tante (pleegouder) en vader van de kinderen, blijkt dat de angst die de kinderen hebben ontwikkeld als gevolg van de mishandelingen nog iedere dag aanwezig is en invloed heeft op hun gedrag, hun zelfbeeld en hun gevoel van veiligheid. [slachtoffer 1 (voornaam)] is voortdurend bang om iets verkeerd te doen, legt de lat voor zichzelf onmenselijk hoog en heeft weinig zelfvertrouwen. Hij heeft geleerd dat liefde, aandacht en zorg afhankelijk zijn van goed gedrag, terwijl een kind zou moeten weten dat hij ook wanneer hij fouten maakt nog steeds veilig is en geaccepteerd wordt. Ook bij [slachtoffer 2 (voornaam)] is zichtbaar hoe diep de angst geworteld zit. Wanneer zij gespannen raakt, verstijft zij letterlijk. De kinderen vragen hun tante (pleegouder) nog vaak of ze naar de wc mogen en of ze het eten, dat zij voor hen maakte, mogen opeten. Nu het vertrouwen van de kinderen in een van de belangrijkste volwassenen in hun leven (hun moeder) beschadigd is geraakt, heeft dat invloed op hoe zij naar andere mensen kijken. Zij verwachten vaak eerder iets negatiefs dan iets positiefs van anderen. Hun eerste reactie is vaak gebaseerd op zelfbescherming in plaats van vertrouwen. Naast de emotionele gevolgen, hebben de kinderen ook iedere dag veel zorg, begeleiding en structuur nodig. Uit de stukken is bovendien gebleken dat de kinderen door de mishandelingen ernstige psychische schade hebben opgelopen en bij hen beide is PTSS vastgesteld. De kinderen volgen hiervoor wekelijks traumabehandeling en hoe dit zich verder zal ontwikkelen, moet nog blijken.\n\nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte\n\nWat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 18 mei 2026, waaruit volgt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Het strafblad van verdachte weegt dus niet in strafverminderende of strafverzwarende zin mee.\n\nDaarnaast heeft de rechtbank gelet op het Pro-Justitia-rapport met daarin het onderzoek van 21 februari 2025, opgesteld door klinisch psycholoog [A] . Uit het onderzoeksrapport van de psycholoog blijkt onder meer dat bij de verdachte tekortkomingen zijn geconstateerd, maar geen psychische stoornis aanwezig is en ook niet was ten tijde van het tenlastegelegde feit. De psycholoog acht de verdachte geheel toerekeningsvatbaar en adviseert haar het tenlastegelegde, indien bewezen verklaard, toe te rekenen. Tot slot wordt er geen advies voor behandeling gegeven.\n\nVerder heeft de rechtbank gelet op het reclasseringsadvies van [instelling 1] van 11 juni 2026, opgesteld door reclasseringswerker [B] . Hieruit volgt dat de reclassering het recidiverisico op korte termijn als laag inschat. Als delictgerelateerd en als risicofactoren die de kans op herhaling van het plegen van een strafbaar feit vergroten, ziet de reclassering het psychosociale functioneren van de verdachte, het contact met de medeverdachte en de zorgtaak over haar kinderen. De verdachte is inmiddels uit het ouderlijk gezag gezet. Dit verlaagt de recidivekans aanzienlijk. Daarnaast heeft de verdachte haar leven in praktische zin op orde en werkt zij mee aan de bijzondere voorwaarden die haar in het kader van de schorsing van de preventieve hechtenis zijn opgelegd, waaronder de behandelverplichting. Hoewel de risico's vanwege haar huidige persoonlijke omstandigheden op dit moment laag lijken, kan de reclassering het risico op de langere termijn niet inschatten, omdat het afhangt van hoe de verdachte haar persoonlijke omstandigheden er dan uitzien. Zoals of er (stief)kinderen in haar leven zijn en hoe het met haar beïnvloedbaarheid en met haar vaardigheden gesteld is na de behandeling bij [instelling 2] .\n\nDe reclassering adviseert bij een veroordeling om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden:\n\nMeldplicht;\n\nAmbulante behandeling;\n\nContactverbod met haar kinderen.\n\nDe reclassering schat in dat er een langer dan gebruikelijk toezicht nodig is om de behandeling af te kunnen ronden en om eventuele risico’s op de langere termijn te monitoren. Gelet hierop adviseert de reclassering een langer dan gebruikelijke proeftijd.\n\nStrafkader\n\nVanwege de ernst van het feit en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers die de verdachte heeft gemaakt, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige manier om de strafwaardigheid van haar gedrag tot uitdrukking te brengen, zowel richting de verdachte en haar slachtoffers als de maatschappij.\n\nNaast vergelding is een belangrijk doel van het opleggen van straf ook het voorkomen dat een verdachte zich in de toekomst nogmaals schuldig maakt aan het plegen van dit soort feiten. Gelet daarop legt de rechtbank de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.\n\nConclusie\n\nAlles afwegende vindt de rechtbank het passend en geboden om de verdachte voor het\n\nbewezenverklaarde feit een gevangenisstraf op te leggen van veertien (14) maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van vier (4) maanden voorwaardelijk. De proeftijd bij de voorwaardelijke gevangenisstraf wordt vastgesteld op drie jaren, met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich meldt bij de reclassering, meewerkt aan ambulante behandeling en zich houdt aan een contactverbod met haar kinderen.\n\nDeze straf is langer dan de gevangenisstraf die aan de medeverdachte wordt opgelegd. De reden hiervoor is onder meer dat bij de medeverdachte een aanzienlijk kortere periode bewezen is verklaard dan bij de verdachte en het feit in verminderde mate kan worden toegerekend aan de medeverdachte.\n\nDadelijk uitvoerbaar\n\nDe rechtbank is van oordeel dat er, zonder een beschermend kader, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank zal daarom de bijzondere voorwaarden en het daarop uit te voeren toezicht dadelijk uitvoerbaar verklaren.\n\n38v-maatregel\n\nDe rechtbank zal ook een maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen ter voorkoming van strafbare feiten door de verdachte. Deze maatregel bestaat uit een contactverbod, inhoudende dat de verdachte gedurende vijf jaren op geen enkele wijze contact mag opnemen of hebben met de medeverdachte [medeverdachte] . Voor iedere keer dat de verdachte deze maatregel overtreedt, zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van maximaal 14 dagen, met een maximum van 6 maanden.\n\nDe rechtbank oordeelt het noodzakelijk dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard. Uit het reclasseringsadvies volgt dat het contact met de medeverdachte delictgerelateerd is en een risicofactor is voor de kans op recidive. Gelet hierop is de rechtbank is van oordeel dat ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen wanneer zij weer in contact zal komen met de medeverdachte. Daarom zal zij bevelen dat het contactverbod dadelijk uitvoerbaar is.6. Vordering benadeelde partij6.1.. \n\nVordering van de benadeelde partijen\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nNamens [slachtoffer 1] heeft zijn vader [C] zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 29.815,72 voor de gevolgen van de beschuldiging, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 17.315,72 voor vergoeding van materiële schade en € 12.500,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).\n\nDe materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nReeds gemaakte kosten bijles: € 1.764,16;\n\nToekomstige kosten bijles: € 5.400,-;\n\nReiskosten en parkeerkosten traumabehandeling: € 1.059,30;\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante: € 9.092,26.\n\nDe immateriële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nBasisbedrag middelzware PTSS: € 10.000,-;\n\nOpslag minderjarigheid 25%: € 2.500,-.\n\nVerder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en te bepalen dat de toegekende immateriële schadevergoeding worden gestort op een zogenaamde BEM-rekening (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen).\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 2]\n\nNamens [slachtoffer 2] heeft haar vader [C] zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 22.882,34 voor de gevolgen van de beschuldiging, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 10.382,34 voor vergoeding van materiële schade en € 12.500,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).\n\nDe materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nReiskosten en parkeerkosten traumabehandeling: € 1.290,08;\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante: € 9.092,26.\n\nDe immateriële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\n Basisbedrag middelzware PTSS: € 10.000,-;\n\n Opslag minderjarigheid 25%: € 2.500,-.\n\nVerder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en te bepalen dat de toegekende immateriële schadevergoeding worden gestort op een zogenaamde BEM-rekening (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen).\n\n6.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van beide benadeelde partijen kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover. Daarnaast vordert zij hoofdelijkheid en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n6.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt primair de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, omdat de behandeling van de vorderingen een onevenredige belasting is van het strafproces. Het gaat om omvangrijke vorderingen, die slechts twee werkdagen voorafgaand aan de zitting zijn ingediend. De verdediging heeft onvoldoende voorbereidingstijd gehad.\n\nSubsidiair stelt de advocaat zich op het standpunt dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard ten aanzien van de posten ‘toekomstige kosten bijles’ en ‘verplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante’. Dit zijn posten die een mogelijk deskundigenoordeel of externe informatie behoeven om juist te kunnen beoordelen.\n\nTen aanzien van de immateriële deel stelt de advocaat zich op het standpunt dat bij toewijzing de pleegperiode die bewezen wordt verklaard, verdisconteerd moet worden in de gevorderde bedragen, die van een andere begindatum uitgaan.\n\n6.4.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank verwerpt het verweer dat de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert in verband met de late indiening van de vorderingen. De wet biedt de mogelijkheid aan een benadeelde partij om zich tot het moment van het requisitoir te voegen. De vorderingen zijn op 19 juni 2026 ingediend voor de inhoudelijke behandeling op 23 juni 2026. De vorderingen zijn in die zin tijdig ingediend.\n\nDit betekent dat de benadeelde partijen ontvangen kunnen worden in hun vorderingen\n\nDe rechtbank zal bij de verdere beoordeling van de verschillende onderdelen van de vordering voor ogen houden dat in het strafproces enkele processuele waarborgen van de gewone civielrechtelijke procedure ontbreken, en dat dat meebrengt dat de rechtbank zich ervan moet vergewissen dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij genoegzaam naar voren te brengen, en, als dit aan zijde van verdachte niet zo is, of eigen onderzoek van rechter naar toewijsbaarheid van vordering daarvoor voldoende compensatie biedt. (HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:644).\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nMateriële schade\n\na. Reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling.\n\nHet gedeelte van de vordering dat ziet op de reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering (€ 1.059,30) daarom toe.\n\nReeds gemaakte kosten bijles;\n\nToekomstige kosten bijles;\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante.\n\nDe rechtbank kan het overige deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de materiële schade, te weten de kosten van de bijles en de verplaatste schade niet beoordelen in deze strafzaak. Het gaat om een complexe vordering, die een uitgebreide (schriftelijke) behandeling vereist. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel (€ 1.764,16 + € 5.400 + € 9.092,26 = €16.256,42) van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\nImmateriële schade\n\nVergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.\n\nUit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.\n\nDe benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat hij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Zo is bij de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis (PTSS) vastgesteld met een indicatie voor traumabehandeling.\n\nVoor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.\n\nDe rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daarbij kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.\n\nDe Rotterdamse Schaal bevat een richtlijn voor geestelijk letsel ‘Posttraumatische stressstoornis’. De rechtbank neemt de binnen deze categorie genoemde bandbreedte van € 5.500,- tot € 16.000,- als uitgangspunt, nu ook in het onderhavige geval sprake is PTTS waarvoor traumabehandeling noodzakelijk is en ook op dit moment nog klachten aanwezig zijn.\n\nGelet op deze omstandigheden, alsmede op de bedragen die in vergelijkbare zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde vergoeding van € 12.500,- billijk is. De rechtbank zal dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom volledig toewijzen.\n\nWettelijke rente\n\nDe vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2026, omdat vast is komen te staan dat de materiële schade (in ieder geval) vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nDe vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. Er zijn geen omstandigheden gebleken die erop duiden dat de schade anders dan geleidelijk is opgelopen gedurende de periode waarin de bewezenverklaarde gedragingen hebben plaatsgevonden dus de ingangsdatum van de wettelijke rente wordt bepaald op halverwege de periode en dat is in dit geval 9 februari 2024.\n\nVeroordeling in de kosten van de benadeelde partij\n\nBij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 13.559,30 aan de Staat moet betalen.\n\nAls de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 92 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.\n\nHoofdelijkheid\n\nOmdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.\n\nBEM-clausule\n\nOmdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen – tot de minderjarige achttien jaar is – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 2]\n\nMateriële schade\n\na. Reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling.\n\nHet gedeelte van de vordering dat ziet op de reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering (€ 1.290,08) daarom toe.\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante.\n\nDe rechtbank kan het overige deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de materiële schade, te weten de verplaatste schade, niet beoordelen in deze strafzaak. Het gaat om een complexe vordering, die een uitgebreide (schriftelijke) behandeling vereist. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel (€ 9.092,26) van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\nImmateriële schade\n\nVergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.\n\nUit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.\n\nDe benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Zo is bij de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis (PTSS) vastgesteld met een indicatie voor traumabehandeling.\n\nVoor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.\n\nDe rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daarbij kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.\n\nDe Rotterdamse Schaal bevat een richtlijn voor geestelijk letsel ‘Posttraumatische stressstoornis’. De rechtbank neemt de binnen deze categorie genoemde bandbreedte van € 5.500,- tot € 16.000,- als uitgangspunt, nu ook in het onderhavige geval sprake is PTTS waarvoor traumabehandeling noodzakelijk is en ook op dit moment nog klachten aanwezig zijn.\n\nGelet op deze omstandigheden, alsmede op de bedragen die in vergelijkbare zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde vergoeding van € 12.500,- billijk is. De rechtbank zal dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom volledig toewijzen.\n\nWettelijke rente\n\nDe vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2026, omdat vast is komen te staan dat de materiële schade (in ieder geval) vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nDe vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. Er zijn geen omstandigheden gebleken die erop duiden dat de schade anders dan geleidelijk is opgelopen gedurende de periode waarin de bewezenverklaarde gedragingen hebben plaatsgevonden dus de ingangsdatum van de wettelijke rente wordt bepaald op halverwege de periode en dat is in dit geval 9 februari 2024.\n\nVeroordeling in de kosten van de benadeelde partij\n\nBij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 13.790,08 aan de Staat moet betalen.\n\nAls de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 93 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.\n\nHoofdelijkheid\n\nOmdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.\n\nBEM-clausule\n\nOmdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen – tot de minderjarige achttien jaar is – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.7. Toegepaste wetsartikelen\n\nDe opgelegde straf en is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:\n\n14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 47, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;\n\nverklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feit\n\n- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;\n\nstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 14 (veertien) maanden;\n\nbepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nbepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 4 (vier) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene of bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;\n\n- stelt daarbij een proeftijd van drie (3) jarenvast;\n\n- stelt als algemene voorwaardendat de verdachte:\n\n zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\n medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;\n\n- stelt als bijzondere voorwaardendat de verdachte:\n\n Meldplicht Reclassering\n\nDe verdachte meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen drie werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij [instelling 1] op het adres [adres 3] in [plaats 3] ;\n\n Ambulante behandeling\n\nDe verdachte laat zich gedurende de proeftijd behandelen door [instelling 2] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling is reeds gestart. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden en de beïnvloedbaarheid. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\n Contactverbod\n\nDe verdachte zoekt of heeft gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met haar kinderen, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] en [slachtoffer 2] , geboren op [2017] , zolang het Openbaar Ministerie dat nodig acht;\n\n- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\n- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaarzijn;\n\n38v-maatregel\n\nlegt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van vijf jaar;\n\nbeveelt dat verdachte zich onthoudt van contact met [medeverdachte] , geboren op [1983] ;\n\nbeveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaaris;\n\nbeveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van twee wekenvoor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum vanzes maanden;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nwijst de vordering van [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 13.559,30, bestaande uit € 1.059,30 materiële schade en € 12.500,- immateriële schade (smartengeld);\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijktot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.059,30 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 9 februari 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nindien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nverklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;\n\nlegt aan de verdachte de hoofdelijkeverplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 13.559,30 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.059,30 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 9 februari 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\n- als de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 92 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij en\u002Fof de mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 2]\n\n- wijst de vordering van [slachtoffer 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 13.790,08, bestaande uit € 1.290,08 materiële schade en € 12.500,- immateriële schade (smartengeld);\n\n- veroordeelt de verdachte hoofdelijktot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.290,08 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 9 februari 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nindien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nverklaart [slachtoffer 2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;\n\nlegt aan de verdachte de hoofdelijkeverplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 13.790,08 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.290,08 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 9 februari 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\n- als de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld bij niet betaling aan te vullen met 93 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij en\u002Fof de mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. E.H.M. Druijf, voorzitter, mr. S.E. van den Brink en mr. M.J. Westerink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. van Veenschoten als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nzij in of omstreeks de periode tussen 1 augustus 2023 en 19 augustus 2024 te\n\nUtrecht, althans in Nederland\n\ntezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,\n\nhaar kinderen, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] en\u002Fof [slachtoffer 2] ,\n\ngeboren op [2017]\n\nstelselmatig\n\nheeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)]\n\n- met een koekenpan en\u002Fof met vlakke hand en\u002Fof vuisten te slaan (zie o.a. p. 228,\n\n239, 965) en\u002Fof\n\n- te schoppen (zie o.a. p. 240) en\u002Fof\n\n- aan hun handen\u002Farmen mee te slepen en\u002Fof hun armen te (ver)draaien (zie o.a. p.\n\n239) en\u002Fof\n\n- ( gedwongen) gedurende geruime tijd naakt en\u002Fof met weinig kleding in huis rond\n\nte laten lopen (zie o.a. p. 229, 498, toonmap p.1-19) en\u002Fof\n\n- gedurende geruime tijd te verbieden naar de wc te gaan en\u002Fof (vervolgens) in hun\n\neigen ontlasting en\u002Fof urine (gedurende geruime tijd) op de grond en\u002Fof op de trap\n\nte laten zitten en\u002Fof hen (gedurende geruime tijd) in hun door ontlasting en\u002Fof\n\nurine vervuilde kleding te laten verblijven (zie o.a. p. 229, 494) en\u002Fof\n\n- hun eigen ontlasting en\u002Fof urine op te laten ruimen en\u002Fof door hun eigen urine\n\nheen te trekken (zie o.a. p. 496, 514, toonmap p. 1-3, 15-16) en\u002Fof\n\n- met grijze ducttape hun mond te beplakken en\u002Fof daarmee te bedreigen (zie o.a.\n\np. 47, 142, 922) en\u002Fof\n\n- gedurende geruime tijd van eten, drinken en douchen te onthouden (zie o.a. p.\n\n500, 507) en\u002Fof\n\n- gedurende geruime tijd in hun slaapkamer op te sluiten (zie o.a. p. 501, 982) en\u002Fof\n\n- als straf onder een koude douche te zetten (zie o.a. p. 239, 509) en\u002Fof\n\n- te kleineren en\u002Fof (hun pijn) te negeren en\u002Fof en denigrerend en dwingend toe te\n\nspreken (zie o.a. p. 228, 500) en\u002Fof\n\n- hun te onthouden van schoolgang (zie o.a. p. 44, 172);\n\nBijlage II: Bewijsmiddelen\n\nDe verklaring van de verdachte op de zitting van 23 juni 2026:\n\nIk had intensief contact met [medeverdachte (voornaam)] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte]). We hadden appcontact maar ook contact via Face time. Het was onze afspraak dat ik alles zou zeggen wat de kinderen zeiden en deden. Ik heb haar om advies gevraagd, vooral over het straffen van de kinderen. Ik luisterde naar het advies van [medeverdachte (voornaam)] . We gingen steeds meer straffen geven en de straffen werden steeds erger tot 19 augustus 2024.\n\nHet klopt dat de kinderen niet naar de wc mochten en dat zij als zij op de grond plasten of poepten dit zelf moesten opruimen. Er zat een slot op de slaapkamerdeuren van [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] . De kinderen hebben maximaal één of twee dagen geen eten gekregen. Ze gingen wel eens zonder ontbijt naar school. Ik ben de kinderen gaan uitschelden.\n\nEen proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nA: [medeverdachte (voornaam)] heb ook weleens gezegd, geef [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] een tik. V: Geef ze een tik. En deed je dat dan ook? A: Ja.\n\nV: Waar moesten ze zich uitkleden en naakt zitten? A: Op de grond, thuis. V: En waarom moesten ze dat? A: Omdat ze straf hadden.\n\nV: En hoe zat dat met wassen en douchen? Hoe vaak deden de kinderen dat bij jou? A: De laatste tijd niet vaak.\n\nV: Nee, maar wat is dat ongeveer? A: Nou, bijna niet.Ik denk misschien één keer in de week. Als ze geluk hadden. Als het mocht.\n\nO: De leerkracht heeft gezien dat [slachtoffer 1 (voornaam)] eten uit de tassen pakte.\n\nA: Ja.\n\nV: Van andere kinderen. Nou, dat weet je, ja. Er waren zelfs kinderen die hadden gezegd dat ze een extra boterham hadden voor als [slachtoffer 1 (voornaam)] honger had. En toen dat aan het licht kwam, werd [slachtoffer 1 (voornaam)] van de 33 dagen, 18 dagen, thuisgehouden. Dat was van maart tot begin mei. En jij zou gezegd hebben tegen de directeur dat [slachtoffer 1 (voornaam)] steeds voedselvergiftiging had, omdat hij uit andere tassen at. Daarom zou hij niet op school zijn. Wat kan je daarop zeggen?\n\nA: Ook. Maar dat was ook haar idee.\n\nV: Wat was haar idee?\n\nA: Om hem te straffen, zodat. Wacht even. Om hem thuis te houden en om hem zo te straffen.\n\nEen proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nOp 19 augustus 2024 hoorde ik dat de centralist van het Operationeel Centrum vroeg of wij wilden gaan te [adres 2] in [plaats 3] . Op dit adres zou mogelijk sprake zijn van huiselijk geweld.\n\nIk zag een dame in de deuropening staan, welke uit onze politiesystemen bleek te zijn: [verdachte] .\n\nIk zag dat de jongen volledig naakt was. Ik zag dat de jongen met zijn rug tegen de muur aanzat, met zijn hoofd tussen zijn knieën in. Ik zag dat het meisje op de eerste trede van de trap zat. Ik zag dat het meisje met opgetrokken knieën zat en met haar hoofd tussen haar knieën. Ik zag dat de tranen over de wangen van de kinderen liepen en dat hun oogjes rood waren.\n\nUit onze politiesystemen bleken de kinderen te zijn: [slachtoffer 1]\n\nGeboren [2014] te [plaats 3] [slachtoffer 2]\n\nGeboren op [2017] .\n\nToen ik de woonkamer inliep zag ik aan de rechterzijde een grote plas urine liggen. Toen de kinderen voor mij uitliepen zag ik dat het meisje een nat broekje en T-shirt had. Toen ik plaats nam naast haar op de bank, rook ik dat er een sterke geur urine van deze kleding afkwam.\n\nIk zag dat er op de salontafel een rol grijze ducttape lag. Toen ik aan [slachtoffer 1 (voornaam)] vroeg waarom de tape daar lag, hoorde ik hem zeggen dat als ze straf hebben, dat mama dan hun monden met tape afplakt. Ik hoorde [slachtoffer 1 (voornaam)] zeggen: \"Kijk daar hangt nog een stuk losse tape, die mama vanochtend bij mij gebruikt heeft\". Ik zag dat er een losse strip tape aan de salontafel hing.\n\nEen proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergeven:A: Omdat mijn moeder zei tegen mij dat ik mijn mond moest houden en dat deed ik niet. Toen pakte mijn moeder plakband om mijn mond dicht te doen. Daarna ging mijn moeder zo draaien en slaan en mij meeslepen. A: En als we thuis zijn mogen we niet eten van onze moeder niet water drinken, niet plassen. Toen ik zondag thuis kwam moest ik in mijn nakie zitten van mijn moeder omdat ik had geplast op de grond omdat ik niet mocht plassen.\n\nV: En als we het nu hebben over dat arm draaien en dat slaan he. Is dat ene keer gebeurd of vaker? A: Vaker.\n\n A: Ze deed vroeger dat ze boos was. Of we een grote mond had of niet luisteren deed ze wel eens koekenpan of douche, koude douche. V: En wat deed ze dan? A: Op mijn hoofd slaan. A: En de koude douche daar moest ik dan 20 seconden onder. V: En je zei aan het begin dat was vroeger. A: Ja.V: En wat is vroeger dan? A: Best wel een jaar geleden. V: En hoe oud was je dan toen dat gebeurde? A: 9. V: Dus dat was vorig jaar toen dat gebeurde met de koekenpan. En is dat een keer gebeurd met de koekenpan of vaker? A: Een keer. Maar de douche wel heel vaak. V: En je zei helemaal aan het begin dat ze plakband pakte. Wat deed ze dan met het plakband? A: Zo helemaal over mijn mond heen plakken. Zo tapen. A: Ze pakte het vast klaar. Ze deed vast 3 van die stukjes tape die pakte ze dan op tafel voor als ik zou gaan praten. V: Is het weleens gebeurd dat ze het wel op je heeft geplakt? A: Ja. V: En is dat een keer gebeurd of vaker? A: Vaker.\n\nV: En vertel me eens alles over dat slaan. Hoe ging dat? A: Dat doet ze dan op mijn hoofd. Of dat doet ze dan hier. Maar ze doet ook soms weleens schoppen. V: Schoppen? A: Ja. Hierop of hierop of op mijn rug. V: En wat voel je dan? A: Pijn alleen. V: En hoe ze dat slaat dan? A: Zo. V: Met haar hand. A: Ja.V: En als ze je schopt. Waar doet ze dat dan mee? A: Met d'r voet.\n\nV: Vertel me eens alles over het arm draaien. A: Dan doet ze zo en mijn arm dan zo en dan zo. V: Wat voel je dan? A: Dan doet het heel erg pijn.\n\nV: En toen vertelde je ook nog over het meeslepen? Wat bedoel je daarmee, meeslepen? A: Dat ze me dan vastpakt en meeneemt. V: En meeslepen he, wat heet ze dan vast bij jou? A: Mijn hand. V: Je hand. En waar sleept ze je dan heen? A: Euh of naar de keuken of naar de badkamer.\n\nV: En je vertelde ik moest huilen. Hoe reageert je moeder dan als je moet huilen? A: Dan zegt ze dat we onze bek moeten houden.\n\nV: En dan vertelde je ook nog dat als je thuis bent dat je dan geen eten krijgt of geen water mag drinken. Vertel me daar dan eens alles over? A: En niet plassen. V: Vertel daar eens over? A: En dan vragen we het aan onze moeder en dan mag het niet en dan doen we het gewoon plassen op de grond. V: En is dat een keer gebeurd of vaker. A: Heel vaak. Bijna elke dag.V: Bijna elke dag. En wat gebeurt er dan elke dag? A: Op de grond plassen. En soms ook bijna elke dag niet eten krijgen. Of geen water drinken. Water drinken en plassen mag niet elke dag. Maar eten mag wel soms. Niet elke dag. A: We moeten eigenlijk om alles vragen. Ook of we naar beneden mogen. Dat duurt ook soms best wel lang voordat ze de deur opendoet.\n\nV: En vertel eens over welke deur heb je het dan? A: Mijn slaapkamerdeur.\n\nV: En die week daarvoor, dus dat is twee weken terug was je dan de hele week bij je moeder? A: Ja, dan kregen we geen eten. V: En kreeg je dan de hele week geen eten of een paar dagen niet of anders? A: Hele week geen eten. V: En drinken? A: Ook niet. V: Geen water ook niet? A: Nee. V: En als je dan moet plassen of moet poepen hoe doe je dat dan? A: Mogen we ook niet. V: En hoe gaat dat dan, want het mag niet maar op een gegeven moment moet je toch? A: Dan doen we het op de grond. V: En wat gebeurt er dan als je het op de grond doet? A: Dan moeten we het schoonmaken. V: En hoe doe je dat schoonmaken dan? A; Met een emmer en een soort van schoonmaakmiddel. En dan heet water erin met en doekje. V: En hoe zit dat bij je zusje dan? A: Ook. V: Kun je daar iets over vertellen? Want als je zusje dan heeft geplast, wat gebeurt er dan daarna? A: Dan moet ze het ook schoonmaken. V: En hoe zit het dan met poep? A: Poepen doet ze dan ook soms op de grond.\n\n V: Want je vertelde ook over dat je in je nakie moest zitten omdat je had geplast. A: In mijn kleren eerst en daarna moest ik mij uitkleden en daarna moest ik zo naar bed. V: Moest je zo naar bed, in je nakie? A: Ja. V: Ja. En moet je zus ook weleens in haar nakie als zij heeft geplast? A: Eén (1) keer.\n\n V: En hoelang is dit al zo? A: Sinds mijn vader, uh, gescheiden is. Is in 2023. Dat is eigenlijk al een jaar.\n\nEen proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergeven:V: Vertel mij eens [slachtoffer 2 (voornaam)] wat er precies allemaal gebeurd is toen mama (de rechtbank begrijpt: de verdachte)jullie ging slaan? A: Uh mama heb mij geslagen, en we plasten op de grond omdat we niet naar de wc mogen, en als we vragen mama mogen we naar de wc of plassen of water drinken, dan mogen we niks en moeten we alleen maar door blijven vragen, en dan onze moeder ik heb jullie nu toch genoeg gewaarschuwd, en daarna zegt onze moeder uh dat we, alleen maar dat uh soort van onze mond moeten houden en dat we niks mogen zeggen en daarom plassen we op de grond. V: En verder? A: En als we vragen mama mogen we aankleden, dan mogen we ook niet aankleden of iets.V: En nou vertelde jij mij van mama dat ze je heeft geslagen. A: Ja. V: Is dat een keer gebeurd of is dat vaker gebeurd? A: Wel vaker. V: En waar is dat dan gebeurd? A: Bij ons thuis.\n\nV: Je hebt ook verteld dat jullie op de grond geplast hebben omdat jullie niet naar de wc mochten he. A: Ja. V: Is dat een keer gebeurd of is dat ook vaker gebeurd? A: Ook vaker.\n\n V: Jij vertelde mij dat mama jou vaker heeft geslagen bij mama thuis he. A: Ja. V: En als mama dat doet, hoe doet ze dat dan? A: Zo. V: Op je hoofd. A: Ja zo. V: Is dat altijd hetzelfde of gaat dat ook wel eens anders? A: Altijd hetzelfde. V: Altijd hetzelfde ok, en wat vind jij daarvan als mama dat doet? A: Niet leuk. V: Nee, waarom vind je dat niet leuk? A: Omdat ik dan gaat huilen en dan zegt mama kan je je kop dicht houden.\n\nA: Over die andere dingen zegt mama dan, je mag geen water drinken, of broodje eten want ik heb niet.\n\nV: [slachtoffer 1 (voornaam)] was in z’n blootje en toen had de politie gevraagd aan [slachtoffer 1 (voornaam)] waarom hij in z'n blootje was. A: Ja V: En wat zei [slachtoffer 1 (voornaam)] toen? A: Omdat hij niet mocht aankleden. V: Dat zei [slachtoffer 1 (voornaam)] . A: Ja. V: En van wie mocht hij dan niet aankleden? A: Van m'n moeder niet. V: En hoe was het met jouw kleding dan? A: Die was ook nat V: En hoe kwam dat? A: Omdat ik niet naar de wc mocht. V: Jij mocht ook niet naar de wc, en waarom mocht dat dan niet van mama? A: Omdat we heel veel vragen en dat dat dan niet mag. V: En wat hadden jullie dan aan mama gevraagd? A: Mama mag ik plassen want ik kan het echt niet meer ophouden. V: En wat zei mama toen? A: Niks. Moet je elke dag door blijven vragen maar toen hadden we op een gegeven moment geplast.\n\nV: En dat slaan van mama was dat daarvoor of daarna gebeurd? Dat jullie op de grond hadden geplast? A: Daarna nee en daarvoor. A; Omdat hij ook had geslagen mama ook hij. [slachtoffer 1 (voornaam)] . V: Maar hoe weet je dat mama [slachtoffer 1 (voornaam)] had geslagen? Had je dat gezien of had je dat gehoord? A: Dat had ik gehoord.A: Dat tik van dat slaan.\n\nV: Ok, want waarom sloeg mama jou dan? A: Omdat ik aan de spikkels zat. Aan te pulken. V: Ok, niet omdat je in je broek had geplast? A: Ook dat.\n\nV: En hoe was dat met [slachtoffer 1 (voornaam)] ? A: Wel een paar keer\n\nV: Over jezelf dus mama heeft je ook op een andere dag geslagen begrijp ik dat? A: Ja.\n\nEen proces-verbaal van bevindingen, analyse chats tussen [verdachte] en [medeverdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nDe telefoon (een Iphone 13) van verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ) is in beslag genomen en uitgelezen. In deze telefoon is een grote hoeveelheid chatberichten aangetroffen tussen [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ). De meeste chats hebben betrekking op de kinderen van [verdachte] ( [slachtoffer 1 (voornaam)] en [slachtoffer 2 (voornaam)] ), hun gedragingen, hoe [verdachte] daarmee omgaat en het instrueren van [verdachte] door [medeverdachte] . De chatberichten die het onderzoeksteam aan ons ter beschikking heeft gesteld en die wij hebben gebruikt voor deze analyse, beslaan de periode 2 juli 2024 tot en met 18 augustus 2024. Dit betreft in totaal 21304 chats. Het is opvallend hoe snel de chats elkaar opvolgen. De tijd tussen de chats bedraagt soms enkele seconden. ledere dag worden de eerste chats vaak al rond 7 uur in de ochtend verstuurd door [verdachte] en dat gaat meestal door tot ongeveer 23 uur’. Naast het chatten blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte] ook vaak met elkaar (beeld)bellen en dat [verdachte] regelmatig foto's van haar kinderen verstuurt naar [medeverdachte] .\n\nIn de chats wordt benoemd door [verdachte] dat ze [slachtoffer 1 (voornaam)] sleept. De volgende chat illustreert dat [verdachte] [slachtoffer 1 (voornaam)] door zijn eigen urine heeft getrokken.\n\nEen proces-verbaal van bevindingen, dossier VT, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\n22 januari 2024 [medeverdachte (voornaam)] wordt contactpersoon voor [verdachte (voornaam)] .\n\nAfspraak met hulpverlening dat [medeverdachte (voornaam)] de contactpersoon voor [verdachte (voornaam)] wordt. Er wordt afgesproken dat [verdachte (voornaam)] contact met [medeverdachte (voornaam)] opneemt als de emoties hoog oplopen en dat [medeverdachte (voornaam)] [verdachte (voornaam)] gaat helpen om afspraken na te komen.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland, onderzoek 31DONKER24 met proces-verbaalnummer 240917.2109.23955, doorgenummerd pagina 1 tot en met 1111. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen..\n\n Pagina 965.\n\n Pagina 978.\n\n Pagina 979.\n\n Pagina 984.\n\n Pagina 43.\n\n Pagina 44.\n\n Pagina 238.\n\n Pagina 239.\n\n Pagina 240.\n\n Pagina 241.\n\n Pagina 242.\n\n Pagina 243.\n\n Pagina 244.\n\n Pagina 245.\n\n Pagina 226.\n\n Pagina 227.\n\n Pagina 228.\n\n Pagina 229.\n\n Pagina 230.\n\n Pagina 482.\n\n Pagina 514.\n\n Pagina 736.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4029","ecli-nl-rbmne-2026-4029",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":47,"ecli":48,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":41,"fullText":49,"language":7,"source":17,"sourceUrl":50,"summary":14,"slug":51,"metadata":52},"679","ECLI:NL:RBMNE:2026:4044","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16\u002F277060-24\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 7 juli 2026 in de strafzaak van:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [1983] in [geboorteplaats] ,\n\nverblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,\n\nhierna: de verdachte.1. Zitting\n\nDe strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 23 juni 2026.\n\nOp de zitting waren aanwezig:\n\nde verdachte;\n\nde advocaat van de verdachte: mr. M.P.M. Balemans (hierna: de advocaat);\n\nde officieren van justitie: mr. F. Leeman en mr. V. van der Horst;\n\nmr. J.R. Mekkes als advocaat van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ..\n\n2. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat zij, samengevat:\n\nin de periode van 22 januari 2024 en 19 augustus 2024 in Utrecht, samen met een ander, de kinderen van haar mededader, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] en\u002Fof [slachtoffer 2] , geboren op [2017] stelselmatig heeft mishandeld.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.3. Bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd.\n\nDe standpunten van de officier van justitie worden, voor zover van belang voor de beoordeling, besproken in paragraaf 3.3.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank de verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs. Daartoe voert de raadsman aan dat niet is gebleken dat de verdachte strafbare handelingen heeft verricht dan wel daarbij betrokken is geweest. Volgens de verdediging ontbreekt bewijs voor een bewuste en nauwe samenwerking, zodat van medeplegen geen sprake kan zijn. Zelfs indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat een dergelijke samenwerking wel kan worden bewezen, stelt de advocaat dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van het voor medeplegen vereiste dubbele opzet.\n\nDe advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden, voor zover van belang voor de beoordeling, hierna besproken onder paragraaf 3.3.\n\n3.3.. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. Bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank oordeelt dat het feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\n3.3.2.. Bewijsoverwegingen\n\nInleiding\n\nOp 19 augustus 2024 krijgt de politie een melding dat er mogelijk sprake zou zijn van huiselijk geweld in de woning aan de [adres] in [woonplaats] . De buren zouden gegil uit de woning horen komen. De politie gaat ter plaatse naar de woning en treft daar medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) en haar twee kinderen [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) aan. [slachtoffer 1] is volledig naakt en [slachtoffer 2] loopt in een nat broekje en T-shirt waar een sterke geur van urine vanaf komt. In de woonkamer ligt een grote plas urine. Over de wangen van de kinderen lopen tranen en hun ogen zijn rood.\n\nVervolgens zijn de kinderen verhoord en is er onder meer ook onderzoek gedaan naar de telefoon van [medeverdachte] . Hierin zijn belastende gesprekken en foto’s aangetroffen tussen [medeverdachte] en de verdachte [verdachte] (hierna: [verdachte] ).\n\nDe advocaat van de verdachte betwist niet zozeer wat er met de kinderen is gebeurd, maar wel dat [verdachte] strafbare handelingen heeft verricht dan wel daarbij betrokken is geweest. Volgens de verdediging ontbreekt bewijs voor een bewuste en nauwe samenwerking, zodat van medeplegen geen sprake kan zijn.\n\nDe rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.\n\nMedeplegen\n\nDe betrokkenheid aan een strafbaar feit kan als medeplegen worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan van dit feit sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. Daarbij moet de intellectuele en\u002Fof materiële bijdrage van een verdachte aan het delict van voldoende gewicht zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.\n\n [verdachte] en [medeverdachte] kennen elkaar van het schoolplein van de kinderen. Tijdens de zitting vertelden zij dat de kinderen het samen goed konden vinden en het tussen hen ook klikte. Zij kregen steeds meer contact. Rond de scheiding van [medeverdachte] intensiveerde dit contact, omdat [medeverdachte] advies vroeg aan [verdachte] over de opvoeding van de kinderen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 22 januari 2024 met de hulpverlening van [medeverdachte] is afgesproken dat [verdachte] als contactpersoon voor [medeverdachte] zou fungeren. Daarbij is afgesproken dat [medeverdachte] contact met [verdachte] opneemt als de emoties hoog oplopen en dat [verdachte] [medeverdachte] gaat helpen om afspraken na te komen. Vanaf dat moment was [verdachte] nadrukkelijk betrokken bij het gezin van [medeverdachte] .\n\nUit de analyse van de chatberichten blijkt dat [medeverdachte] en [verdachte] in de periode van 2 juli tot en met 18 augustus 2024 meer dan twintigduizend berichten met elkaar hebben uitgewisseld. De tijd tussen opeenvolgende berichten bedroeg soms slechts enkele seconden. De inhoud van deze berichten heeft grotendeels betrekking op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , met name het gedrag van de kinderen, de wijze waarop [medeverdachte] daarop reageert of zou moeten reageren. De hoeveelheid chats tonen aan dat er sprake was van zeer intensief contact over de opvoeding en behandeling van de kinderen. [medeverdachte] hield [verdachte] dagelijks, vanaf de vroege ochtend tot de late avond, op de hoogte van het gedrag van de kinderen en haar eigen handelen. Naast het chatten blijkt ook dat de verdachten vaak met elkaar gingen (beeld)bellen en dat [medeverdachte] regelmatig foto’s stuurde van haar kinderen naar [verdachte] .\n\nNaar het oordeel van de rechtbank volgt uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, onder meer de chats tussen de verdachten en de verklaring van [medeverdachte] , dat [verdachte] een sturende en bepalende rol had bij de beslissingen die [medeverdachte] ten aanzien van haar kinderen nam. Zo stuurt [verdachte] onder meer: ‘niks doms lopen doen nu ik niet aan de lijn ben’.Ook zegt [verdachte] ‘Geef hem niet zulke antwoorden. En zeggen bek houden anders geef ik nergens antwoord meer op tot ik jou antwoord heb. Nog uit leggen ook. Ben je gek. Niks uitleggen.’Vervolgens bedrukt [verdachte] dat [medeverdachte] het weer niet goed doet‘ja weer die fout’.\n\nUit de chats blijkt ook dat ze onderling afspraken hebben. In dat kader schrijft [medeverdachte] in een chatbericht aan [verdachte] op 1 augustus ‘wrm zou k het doen als k juist wil bewijzen dat k me aan de dingen hou die we hebben afgesproken samen’.Dit wordt ook ondersteund door de verklaringen van [medeverdachte] .\n\nOok blijkt uit de analyse van de enorme hoeveelheid chatberichten dat de instructies van [verdachte] in belangrijke mate richtinggevend waren voor hetgeen zich binnen het gezin afspeelde. [medeverdachte] spreekt [verdachte] in de chats nauwelijks tegen en lijkt haar aanwijzingen en opdrachten zonder weerstand op te volgen. De communicatie laat ook zien dat [verdachte] dominant was in het contact tussen hen. Enkele voorbeelden waaruit dit onder meer volgt, zijn de berichten van [verdachte] op 29 juli 2024 ‘ja en hij moet nee laat hem nu zitten nu’ en ‘ja maar hoor je ook niet zeggen zitten mongool’.Ook schrijf [verdachte] op 14 juli 2024 ‘wakker houden slaan anders’.\n\nTegelijkertijd merkt de rechtbank op dat uit de berichten niet volgt dat [medeverdachte] geen eigen keuzevrijheid meer had ten aanzien van de wijze waarop zij haar kinderen behandelde. Wel lijkt zij zich gemakkelijk te conformeren aan de suggesties en instructies van [verdachte] .\n\nGelet op het voorgaande, in onderling samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte, anders dan de verdediging heeft betoogd, een actieve en aansturende rol heeft gehad bij alle ten laste gelegde gedragingen en dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten. Het feit dat er geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering, in die zin dat de verdachte fysiek in de nabijheid van [medeverdachte] was op het moment dat zij de gedragingen uitvoerde, doet daaraan niet af. De intellectuele en aansturende bijdrage van de verdachte ook via het soms langdurig beeldbellen is naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen.\n\nDubbel opzet\n\nEr is alleen sprake van medeplegen als wordt vastgesteld dat sprake is geweest van ‘dubbel opzet’. De verdachte moet opzet hebben op de nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte] en - al dan niet in voorwaardelijke zin - op de verwezenlijking van het gronddelict, in dit geval de kindermishandeling.\n\nDoor te handelen zoals de verdachte heeft gedaan, namelijk door gedurende een langere periode vrijwel dagelijks intensief met [medeverdachte] te communiceren over wat de kinderen wel of niet mochten, en of zij wel of niet gestraft moesten worden, heeft de verdachte opzet gehad op de nauwe en bewuste samenwerking met van [medeverdachte] . Gelet op de inhoud en strekking van chats tussen de verdachten komt de rechtbank tot het oordeel dat [verdachte] ook (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het toebrengen van pijn aan de kinderen van [medeverdachte] , dan wel op het veroorzaken van hevige onlust veroorzakende lichamelijke en\u002Fof geestelijke gewaarwording of het benadelen van hun gezondheid. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de advocaat.\n\nGedragingen\n\nDe rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in hun verklaringen hebben beschreven hoe de ten laste gelegde handelingen hebben plaatsgevonden en hoe de situatie waarin de gedragingen hebben plaatsgevonden, is ontstaan en verlopen. Deze verklaringen vinden over en weer op essentiële punten steun in elkaar en vinden steun in de verklaring die de medeverdachte heeft afgelegd. De verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn ook voldoende gedetailleerd en er worden concrete situaties beschreven die steun vinden in andere bewijsmiddelen, te weten de chatberichten tussen de verdachte en de medeverdachte en getuigenverklaringen. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kinderen en zal deze dan ook in haar geheel voor het bewijs gebruiken, ook voor zover deze betrekking heeft op de door de verdachte(n) ontkende gedragingen. Bovendien is niet vereist dat ieder onderdeel van de bewezenverklaring afzonderlijk door twee bewijsmiddelen wordt gedragen.\n\nOordeel\n\nDe rechtbank acht, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met de medeverdachte [medeverdachte] , de kinderen van de medeverdachte, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gedurende een periode van ongeveer 8 maanden stelselmatig heeft mishandeld.\n\nUit de bewijsmiddelen volgt dat er sprake was van een geleidelijk escalerend patroon waarbij de beperkingen en straffen die aan de kinderen werden opgelegd steeds strenger en heftiger werden waardoor de fysieke en psychische mishandeling gaandeweg ernstiger werd. Zo werden de kinderen verplicht om voor alle alledaagse handelingen (waaronder naar de wc gaan, douchen of eten en drinken) vooraf toestemming te vragen. Ook blijkt uit de bewijsmiddelen dat beide kinderen werden geslagen met de vlakke hand en [slachtoffer 1] eenmaal ook geslagen is met een koekenpan. [slachtoffer 1] werd geschopt en aan zijn armen meegesleept en zijn arm werd ook verdraaid. Daarnaast werden de kinderen gedwongen om geruime tijd naakt of met weinig kleren in huis rond te lopen en hen werd de toegang tot de wc en\u002Fof douche onthouden. Zo blijkt bijvoorbeeld uit de chatberichten dat de kinderen ’s nachts niet naar het toilet mogen. Om dit te controleren legt de verdachte elke avond wc-papier in de wc, maakt hier een foto van en stuurt deze naar medeverdachte [verdachte] . De volgende ochtend maakt de verdachte nieuwe foto's en stuurt deze ook weer naar medeverdachte [verdachte] . Daarna vergelijken de verdachten beide foto’s om te controleren of de wc inderdaad niet is gebruikt. Als ze dan op een andere plek hadden geplast of gepoept moesten de kinderen in hun eigen ontlasting en urine zitten en in vervuilde kleding rondlopen. De kinderen moesten hun eigen ontlasting en urine ook opruimen en [slachtoffer 1] werd ook door zijn eigen urine heengetrokken. Uit de bewijsmiddelen volgt ook dat de kinderen gedurende ruime tijd eten en drinken werd onthouden en werden zij opgesloten in hun slaapkamers. Als straf werden de kinderen onder de koude douche gezet en ze werden gekleineerd, dan wel denigrerend of dwingend toegesproken. Ten slotte mocht [slachtoffer 1] een tijd niet naar school en is er ducttape op zijn mond geplakt.\n\nPartiële vrijspraak\n\nSlaan met de vuist van [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2]\n\nDe rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat de verdachten [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] met de vuist heeft geslagen. Het dossier bevat daarvoor geen aanknopingspunten. Dit betekent dat de rechtbank de verdachte gedeeltelijk vrij zal spreken.\n\nGedragingen ten aanzien [slachtoffer 2]\n\nDe rechtbank zal de verdachte ook vrij spreken ten aanzien van [slachtoffer 2] van het schoppen, aan de handen\u002Farmen meeslepen en\u002Fof armen (ver)draaien, door haar eigen urine heen trekken, beplakken van de mond met ducttape en\u002Fof daarmee te bedreigen en het onthouden van school, wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. [slachtoffer 2] zelf verklaart hier niets over en het blijkt ook niet uit enige andere verklaring in het dossier.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:\n\nin of omstreeks de periode tussen 22 januari 2024 en 19 augustus 2024 te Utrecht, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, het kind van haar mededader, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] ,\n\nstelselmatig heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 1]\n\n- met een koekenpan en met vlakke hand te slaan en\n\n- te schoppen en\n\n- aan zijn handen\u002Farmen mee te slepen en zijn armen te (ver)draaien en\n\n- ( gedwongen) gedurende geruime tijd naakt en\u002Fof met weinig kleding in huis rond\n\nte laten lopen en\n\n- gedurende geruime tijd te verbieden naar de wc te gaan en (vervolgens) in zijn\n\neigen ontlasting en\u002Fof urine (gedurende geruime tijd) op de grond en\u002Fof op de trap\n\nte laten zitten en\u002Fof hem (gedurende geruime tijd) in zijn door ontlasting en\u002Fof\n\nurine vervuilde kleding te laten verblijven en\n\n- zijn eigen ontlasting en\u002Fof urine op te laten ruimen en\u002Fof door zijn eigen urine\n\nheen te trekken en\n\n- met grijze ducttape zijn mond te beplakken en\u002Fof daarmee te bedreigen en\n\n- gedurende geruime tijd van eten, drinken en douchen te onthouden en\n\n- gedurende geruime tijd in zijn slaapkamer op te sluiten en\n\n- als straf onder een koude douche te zetten en\n\n- te kleineren en\u002Fof (zijn pijn) te negeren en\u002Fof en denigrerend en dwingend toe te\n\nspreken en\n\n- hem te onthouden van schoolgang;\n\nen\n\nhet kind van haar mededader, [slachtoffer 2] , geboren op [2017]\n\nstelselmatig\n\nheeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 2]\n\n- met vlakke hand te slaan en\n\n- ( gedwongen) gedurende geruime tijd naakt en\u002Fof met weinig kleding in huis rond\n\nte laten lopen en\n\n- gedurende geruime tijd te verbieden naar de wc te gaan en (vervolgens) in haar\n\neigen ontlasting en\u002Fof urine (gedurende geruime tijd) op de grond en\u002Fof op de trap\n\nte laten zitten en\u002Fof haar (gedurende geruime tijd) in haar door ontlasting en\u002Fof\n\nurine vervuilde kleding te laten verblijven en\n\n- haar eigen ontlasting en\u002Fof urine op te laten ruimen en\n\n- gedurende geruime tijd van eten, drinken en douchen te onthouden en\n\n- gedurende geruime tijd in haar slaapkamer op te sluiten en\n\n- als straf onder een koude douche te zetten en\n\n- te kleineren en\u002Fof (haar pijn) te negeren en\u002Fof en denigrerend en dwingend toe te\n\nspreken.\n\nVoor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nDe rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.4. Kwalificatie en strafbaarheid\n\n4.1.. \n\nKwalificatie\n\nHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:\n\nMedeplegen van mishandeling, stelselmatig begaan tegen een minderjarige, meermalen gepleegd.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid feit en de verdachte\n\nHet feit en de verdachte zijn strafbaar.5. Straf en maatregel\n\n5.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals vermeld in het hierna te noemen reclasseringsrapport van 9 juni 2026. Daarbij gaat het, zakelijk weergegeven, om een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting, ambulante begeleiding en een contactverbod met de slachtoffers en de medeverdachte. De officier van justitie eist dat de bijzondere voorwaarden en het reclasseringstoezicht direct na de uitspraak van het vonnis ingaan (dadelijk uitvoerbaar zijn).\n\nDe officier van justitie eist daarnaast dat aan de verdachte wordt opgelegd een contactverbod met de medeverdachte [medeverdachte] als vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 5 jaar, te vervangen door 2 weken hechtenis voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet. De officier van justitie eist dat deze maatregel direct na de uitspraak ingaat (dadelijk uitvoerbaar is).\n\n5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank, indien zij tot een bewezenverklaring komt, te volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke taakstraf. Indien de rechtbank daartoe aanleiding ziet, kan deze worden aangevuld met een voorwaardelijke straf waaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden.\n\nTer onderbouwing van dit verzoek wijst de advocaat op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals deze onder meer blijken uit de over haar opgemaakte rapportages. Daarnaast wijst de advocaat op de rol van de verdachte binnen de ten laste gelegde feiten. Een aanzienlijk deel van de in de tenlastelegging omschreven gedragingen heeft volgens de advocaat buiten medeweten en zonder betrokkenheid van de verdachte plaatsgevonden.\n\nHoewel uit de chatberichten blijkt dat de verdachte zich op momenten heftig heeft uitgelaten, moet dit volgens de advocaat worden gezien in het licht van het voortdurende spervuur aan berichten van [medeverdachte] , waardoor de verdachte haar geduld verloor. De verdachte had niet de bedoeling om de baas te zijn, maar vroeg zich af waarom de medeverdachte haar om hulp vroeg, terwijl zij zich vervolgens niet hield aan verdachtes goedbedoelde adviezen. Volgens de advocaat is de verdachte in een toxische relatie terechtgekomen.\n\nTot slot merkt de advocaat op dat het contactverbod zal worden nageleefd.\n\n5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden mee.\n\nErnst en omstandigheden van het feit\n\nDe verdachte heeft samen met de medeverdachte gedurende ongeveer 8 maanden stelselmatig de kinderen van de medeverdachte mishandeld.\n\nDe mishandeling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] had zowel een fysieke als een geestelijke component. Er was sprake van een geleidelijk escalerend patroon waarbij de beperkingen en straffen die aan de kinderen werden opgelegd steeds strenger en heftiger werden, waardoor de fysieke en psychische mishandeling gaandeweg ernstiger werd. Hierbij keerden twee volwassenen, waaronder hun moeder van wiens zorg de minderjarige [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] volledig afhankelijk waren, zich tegen twee jonge kinderen. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] waren aan het begin van de bewezenverklaarde periode slechts 6 en 9 jaar oud. Beide kinderen werden geslagen met de vlakke hand, eenmaal werd [slachtoffer 1] ook geslagen met een koekenpan. [slachtoffer 1] werd geschopt en aan zijn armen meegesleept en zijn arm werd ook verdraaid. Zij werden gedwongen om geruime tijd naakt of met weinig kleren in huis rond te lopen en hen werd verboden om naar de wc te gaan waarna zij in hun eigen ontlasting en urine moesten zitten of in vervuilden kleding moesten blijven. De kinderen moesten hun eigen ontlasting en urine opruimen en [slachtoffer 1] werd ook door zijn eigen urine heengetrokken. Ook werd de kinderen gedurende ruime tijd eten en drinken onthouden, mochten zij niet douchen en werden zij opgesloten in hun slaapkamers. Als straf werden de kinderen onder de koude douche gezet en ze werden gekleineerd, dan wel denigrerend of dwingend toegesproken. Ten slotte mocht [slachtoffer 1] een tijd niet naar school en is er ducttape op zijn mond geplakt.\n\nHoewel de medeverdachte weliswaar de feitelijke handelingen uitvoerde en zij degene was die de kinderen sloeg of niet naar de wc liet gaan, blijkt uit de bewijsmiddelen dat alles in samenspraak ging. Dag in dag uit werd alles aangaande de kinderen door de medeverdachte en [verdachte] besproken, per chat maar ook via FaceTime. De rechtbank acht de rollen van de verdachten bij het plegen van deze schokkende feiten daarom gelijkwaardig en net zo kwalijk.\n\nDe verdachten hebben gedurende lange tijd de lichamelijke en de psychische integriteit van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ernstig geschonden. De gebeurtenissen vonden thuis plaats, terwijl de kinderen zich juist daar, in het bijzijn van hun moeder, veilig en geboren hadden moeten voelen. In plaats van aandacht, verzorging en bescherming waar zij als jonge kinderen recht op hadden, zijn zij geconfronteerd met een voortdurend escalerend patroon van controle, angst en geweld. De rechtbank rekent dit de verdachte ernstig aan.\n\nDe gevolgen van kindermishandeling kunnen langdurig en ernstig zijn. Uit de slachtofferverklaring van de tante (pleegouder) en vader van de kinderen, blijkt dat de angst die de kinderen hebben ontwikkeld als gevolg van de mishandelingen nog ieder dag aanwezig is en invloed heeft op hun gedrag, hun zelfbeeld en hun gevoel van veiligheid. [slachtoffer 1] is voortdurend bang om iets verkeerd te doen, legt de lat voor zichzelf onmenselijk hoog en heeft weinig zelfvertrouwen. Hij heeft geleerd dat liefde, aandacht en zorg afhankelijk zijn van goed gedrag, terwijl een kind zou moeten weten dat hij ook wanneer hij fouten maakt nog steeds veilig is en geaccepteerd wordt. Ook bij [slachtoffer 2] is zichtbaar hoe diep de angst geworteld zit. Wanneer zij gespannen raakt, verstijft zij letterlijk. De kinderen vragen hun tante (pleegouder) nog vaak of ze naar de wc mogen en of ze het eten, dat zij voor hen maakte, mogen opeten. Nu het vertrouwen van de kinderen in een van de belangrijkste volwassenen in hun leven (hun moeder) beschadigd is geraakt, heeft dat invloed op hoe zij naar andere mensen kijken. Zij verwachten vaak eerder iets negatiefs dan iets positiefs van anderen. Hun eerste reactie is vaak gebaseerd op zelfbescherming in plaats van vertrouwen. Naast de emotionele gevolgen, hebben de kinderen ook ieder dag veel zorg, begeleiding en structuur nodig. Uit de stukken is bovendien gebleken dat de kinderen door de mishandelingen ernstige psychische schade hebben opgelopen en bij hen beide is PTSS vastgesteld. De kinderen volgen hiervoor wekelijks traumabehandeling en hoe dit zich verder zal ontwikkelen moet nog blijken.\n\nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte\n\nWat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 18 mei 2026, waaruit volgt dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Het strafblad van verdachte weegt dus niet in strafverminderende of strafverzwarende zin mee.\n\nDaarnaast heeft de rechtbank gelet op het Pro-Justitia-rapport met daarin het onderzoek van 5 februari 2025, opgesteld door klinisch psycholoog M.G.H. van Willigenburg. Uit het rapport blijkt het volgende. De rapporteur stelt vast dat bij de verdachte sprake is van een gecombineerd beeld van een licht verstandelijke beperking en een traumagerelateerde stoornis. Haar vermogen om gesproken en geschreven taal te begrijpen en zich daarin uit te drukken is verminderd. Inlevingsvermogen is zwak, gedrag van anderen kan ze niet goed inschatten door zwakke empathische vaardigheden. Relativeringsvermogen ontbreekt en ze raakt erg makkelijk overbelast als er dingen gebeuren die buiten haar normale structuur vallen. Bij oplopende stress is ze vermijdend, meer wantrouwend, meer prikkelbaar en mogelijk meer bot. Het vermogen tot signaleren van problemen bij haarzelf is zwak, haar zorgen delen en hulp vragen doet ze niet adequaat. Abstract redeneervermogen is zwak. Ze heeft geen goed overzicht van de gevolgen die haar eigen gedrag op anderen kan hebben en neigt tot concreet denken, zoals zaken letterlijk nemen. Gezien de onafgebroken aanwezigheid van de verstandelijke beperking en de psychische problematiek, acht rapporteur het onwaarschijnlijk dat de verdachte haar gedragingen in vrijheid heeft kunnen afwegen en wordt geadviseerd haar de ten laste gelegde feiten bij bewezenverklaring in verminderde mate toe te rekenen.\n\nDe rechtbank neemt de conclusies van deze deskundige ten aanzien van de toerekenvatbaarheid over en maakt die tot de hare. De rechtbank concludeert dat het bewezen verklaarde feit in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend.\n\nDe rapporteur adviseert outreachende lvb-gespecialiseerde hulpverlening in de thuissituatie, die bijdraagt aan structuur, stabiliteit, rust, regelmaat en ondersteuning kan geven op de verschillende levensgebieden. De hulpverlening rondom de verdachte kan het beste gecoördineerd worden door een regiebehandelaar (bij voorkeur een psychotherapeut of klinisch psycholoog) die kennis heeft van lvb-problematiek en traumaproblematiek en ook enige forensische expertise heeft. Verder acht de rapporteur van belang de opvoedkundige vaardigheden van de verdachte te monitoren. Gezien haar functieniveau zou opschalen naar woonbegeleiding en\u002Fof op termijn beschermd\u002Fbegeleid wonen een geschikte route kunnen zijn. Het interventieadvies kan worden uitgevoerd door de polikliniek [naam] , onderdeel van [instelling] , waar de verdachte nu ook in behandeling is. De beschreven behandeling kan worden voortgezet (en geïntensiveerd) in het kader van een bijzondere voorwaarde met een verplicht toezicht door de reclassering, bij een (deels) voorwaardelijk strafdeel.\n\nVerder heeft de rechtbank gelet op het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 9 juni 2026, opgesteld door reclasseringswerker [A] . De reclassering heeft, doordat de verdachte zich de vermeende feiten niet kan herinneren, beperkt relatie kunnen leggen tussen het ten laste gelegde en de leefgebieden. De reclassering ziet een directe relatie tussen de vermeende feiten en het sociale netwerk van de verdachte. Volgens de reclassering zou de verdachte baat hebben bij een outreachende LVB-gespecialiseerde hulpverlening in de thuissituatie die bijdraagt aan rust, structuur, stabiliteit, regelmaat en ondersteuning op verschillende leefgebieden. Daarnaast wordt behandeling door of met een regiebehandelaar noodzakelijk geacht. De eerder ingezette zorg in de vorm van het Buurtteam en Spoor 030 hebben niet bijgedragen aan het voorkomen of stoppen van de vermeende feiten.\n\nDe reclassering adviseert bij een veroordeling om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden:\n\nMeldplicht;\n\nAmbulante behandeling;\n\nContactverbod de slachtoffers en de medeverdachte in de zaak;\n\nAmbulante begeleiding.\n\nStrafkader\n\nVanwege de ernst van het feit en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers die de verdachte heeft gemaakt, is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige manier om de strafwaardigheid van haar gedrag tot uitdrukking te brengen, zowel richting de verdachte, haar slachtoffers als de maatschappij.\n\nNaast vergelding is een belangrijk doel van het opleggen van straf ook het voorkomen dat een verdachte zich in de toekomst nogmaals schuldig maakt aan het plegen van dit soort feiten. Gelet daarop legt de rechtbank de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden, waaronder passende hulpverlening, waar de verdachte naar verwachting veel baat bij zou hebben.\n\nConclusie\n\nAlles afwegende vindt de rechtbank het passend en geboden om de verdachte voor het\n\nbewezenverklaarde feit een gevangenisstraf op te leggen van 12 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk. De proeftijd bij de voorwaardelijke gevangenisstraf wordt vastgesteld op drie jaren, met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich meldt bij de reclassering, meewerkt aan ambulante behandeling, meewerkt aan ambulante begeleiding en zich houdt aan een contactverbod met de slachtoffers in deze zaak.\n\nDadelijk uitvoerbaar\n\nDe rechtbank is van oordeel dat er, zonder een beschermend kader, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank zal daarom de bijzondere voorwaarden en het daarop uit te voeren toezicht dadelijk uitvoerbaar verklaren.\n\n38v-maatregel\n\nDe rechtbank zal ook een maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen ter voorkoming van strafbare feiten door de verdachte. Deze maatregel bestaat uit een contactverbod, inhoudende dat de verdachte gedurende vijf jaren op geen enkele wijze contact mag opnemen of hebben met de medeverdachte [medeverdachte] . Voor iedere keer dat de verdachte deze maatregel overtreedt, zal vervangende hechtenis worden toegepast voor de duur van maximaal 14 dagen, met een maximum van 6 maanden.\n\nDe rechtbank oordeelt het noodzakelijk dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar wordt verklaard. Uit het reclasseringsadvies volgt dat het contact met de medeverdachte delictgerelateerd is en een risicofactor is voor de kans op recidive. Gelet hierop is de rechtbank is van oordeel dat ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen wanneer zij weer in contact zal komen met de medeverdachte. Daarom zal zij bevelen dat het contactverbod dadelijk uitvoerbaar is.6. Vordering benadeelde partij\n\n6.1.. Vordering van de benadeelde partijen\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nNamens [slachtoffer 1] heeft zijn vader [benadeelde] zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 29.815,72 voor de gevolgen van de beschuldiging, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 17.315,72 voor vergoeding van materiële schade en € 12.500,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).\n\nDe materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nReeds gemaakte kosten bijles: € 1.764,16;\n\nToekomstige kosten bijles: € 5.400,-;\n\nReiskosten en parkeerkosten traumabehandeling: € 1.059,30;\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante: € 9.092,26.\n\nDe immateriële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nBasisbedrag middelzware PTSS: € 10.000,-;\n\nOpslag minderjarigheid 25%: € 2.500,-.\n\nVerder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 2]\n\nNamens [slachtoffer 2] heeft haar vader [benadeelde] zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 22.882,34 voor de gevolgen van de beschuldiging, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 10.382,34 voor vergoeding van materiële schade en € 12.500 voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).\n\nDe materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nReiskosten en parkeerkosten traumabehandeling: € 1.290,08;\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante: € 9.092,26.\n\nDe immateriële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\n Basisbedrag middelzware PTSS: € 10.000,-;\n\n Opslag minderjarigheid 25%: € 2.500,-.\n\nVerder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\n6.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van beide benadeelde partijen kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente daarover. Daarnaast vordert zij hoofdelijkheid en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n6.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat voert geen verweer tegen de gevorderde reiskosten en parkeerkosten voor de traumabehandeling.\n\nTen aanzien van de gevorderde bijleskosten stelt de advocaat zich primair op het standpunt dat deze kosten moeten worden afgewezen, omdat niet is gebleken dat deze noodzakelijk waren. Subsidiair verzoekt de advocaat de benadeelde partijen ten aanzien van deze post niet-ontvankelijk te verklaren.\n\nMet betrekking tot de post ‘verplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante’ stelt de advocaat zich primair op het standpunt dat deze moet worden afgewezen, omdat deze niet voor vergoeding in aanmerking komen. Subsidiair verzoekt de advocaat de benadeelde partij ook op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren, nu de behandeling van deze post een onevenredige belasting is van het strafproces en de kosten worden betwist.\n\nTen aanzien van de immateriële schade stelt de advocaat zich op het standpunt dat, indien en voor zover tot toewijzing wordt overgegaan, maximaal een bedrag van € 3.000,- aan de verdachte kan worden toegerekend gelet op haar ondergeschikte rol. Dit bedrag kan eventueel in mindering worden gebracht op het aan de medeverdachte toe te rekenen bedrag.\n\n6.4.. Oordeel van de rechtbank\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nMateriële schade\n\na. Reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling.\n\nHet gedeelte van de vordering dat ziet op de reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering (€ 1.059,30) daarom toe.\n\nReeds gemaakte kosten bijles;\n\nToekomstige kosten bijles;\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante.\n\nDe rechtbank kan het overige deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de materiële schade, te weten de kosten van de bijles en de verplaatste schade niet beoordelen in deze strafzaak. Het gaat om een complexe vordering, die een uitgebreide (schriftelijke) behandeling vereist. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel (€ 1.764,16 + € 5.400 + € 9.092,26 = €16.256,42) van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\nImmateriële schade\n\nVergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.\n\nUit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.\n\nDe benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat hij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Zo is bij de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis (PTSS) vastgesteld met een indicatie voor traumabehandeling.\n\nVoor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.\n\nDe rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daarbij kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.\n\nDe Rotterdamse Schaal bevat een richtlijn voor geestelijk letsel ‘Posttraumatische stressstoornis’. De rechtbank neemt de binnen deze categorie genoemde bandbreedte van € 5.500,- tot € 16.000,- als uitgangspunt, nu ook in het onderhavige geval sprake is PTTS waarvoor traumabehandeling noodzakelijk is en ook op dit moment nog klachten aanwezig zijn.\n\nGelet op deze omstandigheden, alsmede op de bedragen die in vergelijkbare zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde vergoeding van € 12.500,- billijk is. De rechtbank zal dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom volledig toewijzen.\n\nWettelijke rente\n\nDe vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2026, omdat vast is komen te staan dat de materiële schade (in ieder geval) vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nDe vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald, zoals gevorderd.\n\nVeroordeling in de kosten van de benadeelde partij\n\nBij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 13.559,30 aan de Staat moet betalen.\n\nAls de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 92 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.\n\nHoofdelijkheid\n\nOmdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk), ongeacht hun rol. Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.\n\nBEM-clausule\n\nOmdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen, tot de minderjarige achttien jaar is, alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.\n\nBenadeelde partij [slachtoffer 2]\n\nMateriële schade\n\na. Reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling.\n\nHet gedeelte van de vordering dat ziet op de reiskosten en parkeerkosten traumabehandeling is voldoende onderbouwd en namens de verdachte niet betwist. Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat deze schade in rechtstreeks verband staat met het bewezen verklaarde feit. De rechtbank wijst dit deel van de vordering (€ 1.290,08) daarom toe.\n\nVerplaatste schade verzorging, begeleiding en ondersteuning door tante.\n\nDe rechtbank kan het overige deel van de vordering van de benadeelde partij dat ziet op de materiële schade, te weten de verplaatste schade, niet beoordelen in deze strafzaak. Het gaat om een complexe vordering, die een uitgebreide (schriftelijke) behandeling vereist. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in dit deel (€ 9.092,26) van de vordering. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\nImmateriële schade\n\nVergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.\n\nUit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld.\n\nDe benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat hij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. Zo is bij de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis (PTSS) vastgesteld met een indicatie voor traumabehandeling.\n\nVoor de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding zoekt de rechtbank aansluiting bij de ‘Rotterdamse schaal’. Dit betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding.\n\nDe rechtbank hanteert de volgende uitgangspunten bij het gebruik van de Rotterdamse schaal voor de vaststelling van de immateriële schade. De Rotterdamse schaal wordt uitsluitend gebruikt als hulpmiddel. Daarbij kijkt de rechtbank naar de indicatieve smartengeldbedragen die worden genoemd bij de voor deze zaak toepasselijke categorie van de Rotterdamse schaal. Deze bedragen betrekt de rechtbank bij de billijkheidsafweging.\n\nDe Rotterdamse Schaal bevat een richtlijn voor geestelijk letsel ‘Posttraumatische stressstoornis’. De rechtbank neemt de binnen deze categorie genoemde bandbreedte van € 5.500,- tot € 16.000,- als uitgangspunt, nu ook in het onderhavige geval sprake is PTTS waarvoor traumabehandeling noodzakelijk is en ook op dit moment nog klachten aanwezig zijn.\n\nGelet op deze omstandigheden, alsmede op de bedragen die in vergelijkbare zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde vergoeding van € 12.500,- billijk is. De rechtbank zal dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom volledig toewijzen.\n\nWettelijke rente\n\nDe vergoeding van de materiële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2026 omdat vast is komen te staan dat de materiële schade (in ieder geval) vanaf die datum is ontstaan, tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nDe vergoeding van de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. Het is gebruikelijk om voor schade die is ontstaan over een langere periode de wettelijke rente in te laten gaan halverwege de periode en dat is in dit geval 6 mei 2024.\n\nVeroordeling in de kosten van de benadeelde partij\n\nBij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding grotendeels wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en toelichten van de vordering en begroot de kosten daarom op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 13.790,08 aan de Staat moet betalen.\n\nAls de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 93 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.\n\nHoofdelijkheid\n\nOmdat de verdachte het strafbare feit waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.\n\nBEM-clausule\n\nOmdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen, tot de minderjarige achttien jaar is, alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.7. Toegepaste wetsartikelen\n\nDe opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:\n\n- 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 47, 57, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.\n\n8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;\n\nverklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feit\n\n- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;\n\nstraf\n\nveroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden;\n\nbepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nbepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 6 (zes) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene of bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;\n\n- stelt daarbij een proeftijd van drie (3) jarenvast;\n\n- stelt als algemene voorwaardendat de verdachte:\n\n zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;\n\n medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;\n\n- stelt als bijzondere voorwaardendat de verdachte:\n\n Meldplicht Reclassering\n\nDe verdachte meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met betrokkene opnemen voor de eerste afspraak;\n\n Ambulante behandeling\n\nDe verdachte laat zich gedurende de proeftijd behandelen door [instelling] of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zo snel als mogelijk. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op opmaak delict-analyse, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden, en andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;\n\n Contactverbod\n\nDe verdachte zoekt of heeft gedurende de proeftijd op geen enkele wijze, direct of indirect, contact met de slachtoffers [slachtoffer 1] , geboren op [2014] en [slachtoffer 2] , geboren op [2017] , zolang het Openbaar Ministerie dat nodig acht;\n\n Ambulante begeleiding\n\nDe verdachte laat zich gedurende de proeftijd begeleiden door het Forensisch Fact team of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering ambulante begeleiding nodig vindt. De begeleiding start zo snel als mogelijk. Huisbezoeken zijn onderdeel van de begeleiding;\n\n- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\n- beveelt dat de bijzondere voorwaarden en het toezicht door de reclassering dadelijk uitvoerbaarzijn;\n\n38v-maatregel\n\nlegt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van vijf jaar;\n\nbeveelt dat verdachte zich onthoudt van contact met [medeverdachte] , geboren op [1989] ;\n\nbeveelt dat deze vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaaris;\n\nbeveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van twee wekenvoor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum vanzes maanden;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1]\n\nwijst de vordering van [slachtoffer 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 13.559,30, bestaande uit € 1.059,30 materiële schade en € 12.500,- immateriële schade (smartengeld);\n\nveroordeelt de verdachte hoofdelijktot betaling aan [slachtoffer 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.059,30 met ingang van tot 18 juni 2026 de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 6 mei 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nindien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nverklaart [slachtoffer 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;\n\nlegt aan de verdachte de hoofdelijkeverplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 13.559,30 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.059,30 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 6 mei 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\n- als de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld bij niet betaling aan te vullen met 92 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij en\u002Fof de mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule.\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 2]\n\n- wijst de vordering van [slachtoffer 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 13.790,08, bestaande uit € 1.290,08 materiële schade en € 12.500,- immateriële schade (smartengeld);\n\n- veroordeelt de verdachte hoofdelijktot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.290,08 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 6 mei 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nindien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nverklaart [slachtoffer 2] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nveroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;\n\nlegt aan de verdachte de hoofdelijkeverplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 13.790,08 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente:\n\n over een bedrag van € 1.290,08 met ingang van 18 juni 2026 tot de dag van volledige betaling;\n\n over een bedrag van € 12.500,- met ingang van 6 mei 2024 tot de dag van volledige betaling;\n\nals de verdachte niet betaalt, wordt de betalingsverplichting aangevuld met 93 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als zij en\u002Fof de mededader op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen immateriële schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. E.H.M. Druijf, voorzitter, mr. S.E. van den Brink en mr. M.J. Westerink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. van Veenschoten als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nzij in of omstreeks de periode tussen 22 januari 2024 en 19 augustus 2024 te Utrecht, althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, de kinderen van haar mededader, [slachtoffer 1] , geboren op [2014] en\u002Fof [slachtoffer 2] , geboren op [2017] stelselmatig heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] - met een koekenpan en\u002Fof met vlakke hand en\u002Fof vuisten te slaan (zie o.a. p. 228, 239, 965) en\u002Fof - te schoppen (zie o.a. p. 240) en\u002Fof - aan hun handen\u002Farmen mee te slepen en\u002Fof hun armen te (ver)draaien (zie o.a. p. 239) en\u002Fof - (gedwongen) gedurende geruime tijd naakt en\u002Fof met weinig kleding in huis rond te laten lopen (zie o.a. p. 229, 498, toonmap p.1-19) en\u002Fof - gedurende geruime tijd te verbieden naar de wc te gaan en\u002Fof (vervolgens) in hun eigen ontlasting en\u002Fof urine (gedurende geruime tijd) op de grond en\u002Fof op de trap te laten zitten en\u002Fof hen (gedurende geruime tijd) in hun door ontlasting en\u002Fof urine vervuilde kleding te laten verblijven (zie o.a. p. 229, 494) en\u002Fof - hun eigen ontlasting en\u002Fof urine op te laten ruimen en\u002Fof door hun eigen urine heen te trekken (zie o.a. p. 496, 514, toonmap p. 1-3, 15-16) en\u002Fof - met grijze ducttape hun mond te beplakken en\u002Fof daarmee te bedreigen (zie o.a. p. 47, 142, 922) en\u002Fof - gedurende geruime tijd van eten, drinken en douchen te onthouden (zie o.a. p. 500, 507) en\u002Fof - gedurende geruime tijd in hun slaapkamer op te sluiten (zie o.a. p. 501, 982) en\u002Fof - als straf onder een koude douche te zetten (zie o.a. p. 239, 509) en\u002Fof - te kleineren en\u002Fof (hun pijn) te negeren en\u002Fof en denigrerend en dwingend toe te spreken (zie o.a. p. 228, 500) en\u002Fof - hun te onthouden van schoolgang (zie o.a. p. 44, 172);\n\nBijlage II: Bewijsmiddelen\n\nDe verklaring van de verdachte op de zitting van 23 juni 2026:\n\nHet klopt dat er intensief contact tussen ons beide (de rechtbank begrijpt: de verdachte en [medeverdachte]) is geweest. Er was veel chatverkeer. Zij vroeg veel over de kinderen en over de opvoeding. Wij hebben via face time gebeld. Ik heb wel gescholden omdat ik boos was. Ze deed dingen anders dan we hadden besproken.\n\nEen proces-verbaal samenvatting van verhoor verdachte [medeverdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nToen hebben [verdachte] (de rechtbank begrijpt: de verdachte) en ik samen regels bedacht van hoe ik met de kinderen om moest gaan, want ik wist het zelf niet meer. Het begon minder extreem, maar de laatste paar weken (voor de aanhouding) was het wel op het hoogtepunt. Eerst kon er meer qua eten, plassen. Maar de laatste paar weken was het extreem geworden. Dus bijvoorbeeld zoals maandag (de rechtbank begrijpt: maandag 19 augustus 2024), dat ze een tijdje in de plas zitten.\n\nDe regels waren bijvoorbeeld: - De kinderen moesten op de grond zitten; - Ze mochten alleen twee boterhammen s ochtends, 2 s middags en avondeten. Alleen wat nodig was. Als straf kregen ze geen tussendoortjes; - Ze mochten alleen plassen en poepen als het gesprek klaar was (bijvoorbeeld, gesprek over school, over familie of over het misbruik); - Ze moesten alles vragen (of ze mochten plassen, poepen, eten, drinken, schoonmaken van plas en poep); - De kinderen moesten dit aan mij vragen, en ik moest het dan vervolgens aan [verdachte] vragen en [verdachte] gaf dan toestemming (ja of nee of even wachten); - Ik moest alles overleggen met [verdachte] en overal toestemming voor vragen.\n\nEen proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nV: Als jullie dan gingen beeldbellen, want dat gebeurde wel eens, hoe ging dat dan? Want soms typte je ook wat tegelijkertijd. A: Ja, dan hoorde ze het niet. V: Wie? A: [verdachte] . Ja. Dus dan moest ik het ook typen, zeg maar. V: En wat hoorde ze dan niet? A: Wat de kinderen zeiden.\n\nV: En zij jou dan opdrachten gaf, wat je moest doen. En wat voor opdrachten hebben we het dan over? A: Hoe ik mijn kinderen aan moest pakken.\n\nV: En wat voor, hoe moest je dat doen? A: Slaan. Ze heb ook weleens gezegd, geef ze een tik. V: Geef ze een tik. En deed je dat dan ook? A: Ja.\n\nA: Ik moest ook overleggen, als de kinderen iets vroegen, moest ik het naar haar typen. A: En dan bepaalde zij of het mocht ja of nee. V: En waar hebben we het dan over? A: Ze vroegen altijd of ze mochten plassen, eten en drinken. V: En wat was [verdachte] 's rol dan? A: Toestemming geven daarvoor.\n\nV: Jullie hebben dan beeldbellen en typen tegelijk. Hoelang was dat op een dag? A: Van ochtends vroeg tot avonds laat.\n\nV: Waarom mocht hij niet naar de wc ‘s nachts? A: Omdat hij straf had. Volgens haar. V: Er waren nachten dat hij niet naar de wc mocht. En was dat voor [slachtoffer 1] of ook voor [slachtoffer 2] ? A: Allebei. V: En hoe vaak gebeurde het dat ze ‘s nachts niet mochten plassen? A: De laatste tijd heel vaak.\n\nV: De kinderen mochten s ‘nachts niet plassen, omdat ze dan straf hadden. En wij hebben ook gevraagd, ja, maar wat als de kinderen dan moesten plassen of poepen? Wat dan? A: Dan deden ze het gewoon in bed. V: En wat gebeurde er dan? A: En moesten we het de volgende ochtend opruimen van haar.\n\nV: Schold jij je kinderen uit? A: Niet in hun gezicht. Niet altijd.​​​​​​​ V: En niet altijd zeg je? A: Nee, ik werd wel eens opgedragen om dingen te zeggen.\n\nV: Waar moest ze zich uitkleden en naakt zitten? A: Oh, eh op de grond, thuis. V: En waarom moesten ze dat? A: Omdat ze straf hadden.\n\nV: En hoe zat dat met wassen en douchen? Hoe vaak deden de kinderen dat bij jou?\n\nV: Nee, maar wat is dat ongeveer? A: Nou, bijna niet. A: De laatste tijd niet vaak. Ik denk misschien één keer in de week. Als ze geluk hadden. Als het mocht.\n\nV: Want heb jij [slachtoffer 1] wel eens opgesloten in huis? A: Ja.\n\nO: De leerkracht heeft gezien dat [slachtoffer 1] eten uit de tassen pakte.\n\nA: Ja.\n\nV: Van andere kinderen. Nou, dat weet je, ja. Er waren zelfs kinderen die hadden gezegd dat ze een extra boterham hadden voor als [slachtoffer 1] honger had.\n\nV: En toen dat aan het licht kwam, werd [slachtoffer 1] van de 33 dagen, 18 dagen, thuisgehouden. Dat was van maart tot begin mei. En jij zou gezegd hebben tegen de directeur dat [slachtoffer 1] steeds voedselvergiftiging had, omdat hij uit andere tassen at. Daarom zou hij niet op school zijn. Wat kan je daarop zeggen? A: Ook. Maar dat was ook haar idee. V: Wat was haar idee? A: Om hem te straffen, zodat... Wacht even. Om hem thuis te houden en om hem zo te straffen.\n\nEen proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nOp 19 augustus 2024 hoorde ik dat de centralist van het Operationeel Centrum vroeg of wij wilden gaan te [adres] in [woonplaats] . Op dit adres zou mogelijk sprake zijn van huiselijk geweld.\n\nIk zag een dame in de deuropening staan, welke uit onze politiesystemen bleek te zijn: [medeverdachte] .\n\nIk zag dat de jongen volledig naakt was. Ik zag dat de jongen met zijn rug tegen de muur aanzat, met zijn hoofd tussen zijn knieën in. Ik zag dat het meisje op de eerste trede van de trap zat. Ik zag dat het meisje met opgetrokken knieën zat en met haar hoofd tussen haar knieën. Ik zag dat de tranen over de wangen van de kinderen liepen en dat hun oogjes rood waren.\n\nUit onze politiesystemen bleken de kinderen te zijn: [slachtoffer 1]\n\nGeboren [2014] te [geboorteplaats] [slachtoffer 2]\n\nGeboren op [2017] .\n\nToen ik de woonkamer inliep zag ik aan de rechterzijde een grote plas urine liggen. Toen de kinderen voor mij uitliepen zag ik dat het meisje een nat broekje en T-shirt had. Toen ik plaats nam naast haar op de bank, rook ik dat er een sterke geur urine van deze kleding afkwam.\n\nIk zag dat er op de salontafel een rol grijze ducttape lag. Toen ik aan [slachtoffer 1] vroeg waarom de tape daar lag, hoorde ik hem zeggen dat als ze straf hebben, dat mama dan hun monden met tape afplakt. Ik hoorde [slachtoffer 1] zeggen: \"Kijk daar hangt nog een stuk losse tape, die mama vanochtend bij mij gebruikt heeft\". Ik zag dat er een losse strip tape aan de salontafel hing.\n\nEen proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1] , voor zover inhoudende, zakelijk weergeven:A: Omdat mijn moeder zei tegen mij dat ik mijn mond moest houden en dat deed ik niet. Toen pakte mijn moeder plakband om mijn mond dicht te doen. Daarna ging mijn moeder zo draaien en slaan en mij meeslepen. A: En als we thuis zijn mogen we niet eten van onze moeder niet water drinken, niet plassen. Toen ik zondag thuis kwam moest ik in mijn nakie zitten van mijn moeder Omdat ik had geplast op de grond omdat ik niet mocht plassen.\n\nV: En als we het nu hebben over dat arm draaien en dat slaan he. Is dat ene keer gebeurd of vaker? A: Vaker.\n\n A: Ze deed vroeger dat ze boos was. Of we een grote mond had of niet luisteren deed ze wel eens koekenpan of douche, koude douche. V: En wat deed ze dan? A: Op mijn hoofd slaan. A: En de koude douche daar moest ik dan 20 seconden onder. V: En je zei aan het begin dat was vroeger. A: Ja.V: En wat is vroeger dan? A: Best wel een jaar geleden. V: En hoe oud was je dan toen dat gebeurde? A: 9. V: Dus dat was vorig jaar toen dat gebeurde met de koekenpan. En is dat een keer gebeurd met de koekenpan of vaker? A: Een keer. Maar de douche wel heel vaak. V: En je zei helemaal aan het begin dat ze plakband pakte. Wat deed ze dan met het plakband? A: Zo helemaal over mijn mond heen plakken. Zo tapen. A: Ze pakte het vast klaar. Ze deed vast 3 van die stukjes tape die pakte ze dan op tafel voor als ik zou gaan praten. V: Is het weleens gebeurd dat ze het wel op je heeft geplakt? A: Ja. V: En is dat een keer gebeurd of vaker? A: Vaker.\n\nV: En vertel me eens alles over dat slaan. Hoe ging dat? A: Dat doet ze dan op mijn hoofd. Of dat doet ze dan hier. Maar ze doet ook soms weleens schoppen. V: Schoppen? A: Ja. Hierop of hierop of op mijn rug. V: En wat voel je dan? A: Pijn alleen. V: En hoe ze dat slaat dan? A: Zo. V: Met haar hand. A: Ja.V: En als ze je schopt. Waar doet ze dat dan mee? A: Met d'r voet.\n\nV: Vertel me eens alles over het arm draaien. A: Dan doet ze zo en mijn arm dan zo en dan zo. V: Wat voel je dan? A: Dan doet het heel erg pijn.\n\nV: En toen vertelde je ook nog over het meeslepen? Wat bedoel je daarmee, meeslepen? A: Dat ze me dan vastpakt en meeneemt. V: En meeslepen he, wat heet ze dan vast bij jou? A: Mijn hand. V: Je hand. En waar sleept ze je dan heen? A: Euh of naar de keuken of naar de badkamer.\n\nV: En je vertelde ik moest huilen. Hoe reageert je moeder dan als je moet huilen? A: Dan zegt ze dat we onze bek moeten houden.\n\nV: En dan vertelde je ook nog dat als je thuis bent dat je dan geen eten krijgt of geen water mag drinken. Vertel me daar dan eens alles over? A: En niet plassen. V: Vertel daar eens over? A: En dan vragen we het aan onze moeder en dan mag het niet en dan doen we het gewoon plassen op de grond. V: En is dat een keer gebeurd of vaker. A: Heel vaak. Bijna elke dag.V: Bijna elke dag. En wat gebeurt er dan elke dag? A: Op de grond plassen. En soms ook bijna elke dag niet eten krijgen. Of geen water drinken. Water drinken en plassen mag niet elke dag. Maar eten mag wel soms. Niet elke dag. A: We moeten eigenlijk om alles vragen. Ook of we naar beneden mogen. Dat duurt ook soms best wel lang voordat ze de deur opendoet.\n\nV: En vertel eens over welke deur heb je het dan? A: Mijn slaapkamerdeur.\n\nV: En die week daarvoor, dus dat is twee weken terug was je dan de hele week bij je moeder? A: Ja, dan kregen we geen eten. V: En kreeg je dan de hele week geen eten of een paar dagen niet of anders? A: Hele week geen eten. V: En drinken? A: Ook niet. V: Geen water ook niet? A: Nee. V: En als je dan moet plassen of moet poepen hoe doe je dat dan? A: Mogen we ook niet. V: En hoe gaat dat dan, want het mag niet maar op een gegeven moment moet je toch? A: Dan doen we het op de grond. V: En wat gebeurt er dan als je het op de grond doet? A: Dan moeten we het schoonmaken. V: En hoe doe je dat schoonmaken dan? A; Met een emmer en een soort van schoonmaakmiddel. En dan heet water erin met en doekje. V: En hoe zit dat bij je zusje dan? A: Ook. V: Kun je daar iets over vertellen? Want als je zusje dan heeft geplast, wat gebeurt er dan daarna? A: Dan moet ze het ook schoonmaken. V: En hoe zit het dan met poep? A: Poepen doet ze dan ook soms op de grond.\n\n V: Want je vertelde ook over dat je in je nakie moest zitten omdat je had geplast. A: In mijn kleren eerst en daarna moest ik mij uitkleden en daarna moest ik zo naar bed. V: Moest je zo naar bed, in je nakie? A: Ja. V: Ja. En moet je zus ook weleens in haar nakie als zij heeft geplast? A: Eén (1) keer.\n\n V: En hoelang is dit al zo? A: Sinds mijn vader, uh, gescheiden is. Is in 2023. Dat is eigenlijk al een jaar.\n\nEen proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergeven:V: Vertel mij eens [slachtoffer 2] wat er precies allemaal gebeurd is toen mama(de rechtbank begrijpt: de medeverdachte)jullie ging slaan? A: Uh mama heb mij geslagen, en we plasten op de grond omdat we niet naar de wc mogen, en als we vragen mama mogen we naar de wc of plassen of water drinken, dan mogen we niks en moeten we alleen maar door blijven vragen, en dan onze moeder ik heb jullie nu toch genoeg gewaarschuwd, en daarna zegt onze moeder uh dat we, alleen maar dat uh soort van onze mond moeten houden en dat we niks mogen zeggen en daarom plassen we op de grond. V: En verder? A: En als we vragen mama mogen we aankleden, dan mogen we ook niet aankleden of iets.V: En nou vertelde jij mij van mama dat ze je heeft geslagen. A: Ja. V: Is dat een keer gebeurd of is dat vaker gebeurd? A: Wel vaker. V: En waar is dat dan gebeurd? A: Bij ons thuis.\n\nV: Je hebt ook verteld dat jullie op de grond geplast hebben omdat jullie niet naar de wc mochten he? A: Ja V: Is dat een keer gebeurd of is dat ook vaker gebeurd? A: Ook vaker.\n\n V: Jij vertelde mij dat mama jou vaker heeft geslagen bij mama thuis he? A: Ja. V: En als mama dat doet, hoe doet ze dat dan? A: Zo. V: Op je hoofd. A: Ja zo. V: Is dat altijd hetzelfde of gaat dat ook wel eens anders? A: Altijd hetzelfde. V: Altijd hetzelfde ok, en wat vind jij daarvan als mama dat doet? A: Niet leuk. V: Nee, waarom vind je dat niet leuk? A: Omdat ik dan gaat huilen en dan zegt mama kan je je kop dicht houden.\n\nA: Over die andere dingen zegt mama dan, je mag geen water drinken, of broodje eten want ik heb niet.\n\nV: [slachtoffer 1] was in z’n blootje en toen had de politie gevraagd aan [slachtoffer 1] waarom hij in z'n blootje was. A: Ja. V: En wat zei [slachtoffer 1] toen? A: Omdat hij niet mocht aankleden. V: Dat zei [slachtoffer 1] . A: Ja. V: En van wie mocht hij dan niet aankleden? A: Van m'n moeder niet. V: En hoe was het met jouw kleding dan? A: Die was ook nat. V: En hoe kwam dat? A: Omdat ik niet naar de wc mocht. V: Jij mocht ook niet naar de wc, en waarom mocht dat dan niet van mama? A: Omdat we heel veel vragen en dat dat dan niet mag. V: En wat hadden jullie dan aan mama gevraagd? A: Mama mag ik plassen want ik kan het echt niet meer ophouden. V: En wat zei mama toen? A: Niks. Moet je elke dag door blijven vragen maar toen hadden we op een gegeven moment geplast.\n\nV: En dat slaan van mama was dat daarvoor of daarna gebeurd? Dat jullie op de grond hadden geplast? A: Daarna nee en daarvoor. A; Omdat hij ook had geslagen mama ook hij. [slachtoffer 1] . V: maar hoe weet je dat mama [slachtoffer 1] had geslagen? Had je dat gezien of had je dat gehoord? A: Dat had ik gehoord.A: Dat tik van dat slaan.\n\nV: Ok, want waarom sloeg mama jou dan? A: Omdat ik aan de spikkels zat. Aan te pulken. V: Ok, niet omdat je in je broek had geplast? A: Ook dat.\n\nV: En hoe was dat met [slachtoffer 1] ? A: Wel een paar keer\n\nV: Over jezelf dus mama heeft je ook op een andere dag geslagen begrijp ik dat? A: Ja.\n\nEen proces-verbaal van bevindingen, chat tbv verhoor [verdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nUit de telefoon van [medeverdachte] is een chatgesprek naar voren gekomen tussen [medeverdachte] en [verdachte] . Dit betreft een gesprek wat grotendeels gaat over de kinderen van [medeverdachte] . Uit de context is op te maken dat [verdachte] en [medeverdachte] veel bellen tussendoor en [verdachte] meekijkt bij [medeverdachte] in de woning en dus ziet en hoort wat [medeverdachte] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] doen.\n\nOp 29 juli 2024 hebben [verdachte] en [medeverdachte] een gesprek waarin [verdachte] verteld wat [medeverdachte] moet doen met betrekking tot de kinderen.\n\n [verdachte] : ja laat hem zo zitten\n [medeverdachte] : Ja hy heeft gepist\n [verdachte] : Ja en hij moet nee laat hem na zitten nu\n\nOp 14 juli 2024 in de avond is er een gesprek waarin [verdachte] zegt wat [medeverdachte] bij haar kinderen moet doen.\n\n [verdachte] : Wakker houden slaan anders\n\nNiet zo op je tel zitten\n\n [verdachte] : Geef hem niet zulke antwoorden zeggen antwoord\n\nEn zeggen bek houden anders geef ik nergens antwoord meer op tot ik jou antwoord heb\n\nNog uit leggen ook\n\nBen je gek\n\nNiks uitleggen\n\n [verdachte] : Ja dat deed k idd over dat niet slapen\n\n [verdachte] : Ja weer die fout\n\nOp 29 juli 2024 is er een gesprek tussen [medeverdachte] en [verdachte] waarin onder andere het volgende werd gezegd:\n\n [verdachte] : Volgens mij moet hij zitten op z e kont en niet dit\n\n [medeverdachte] : Nee dit zkr niet\n\nMaar hy gaat ook gwn door\n\n [verdachte] : Ja maar hoorje ook niet zeggen zitten mongool\n\nGepoep zeker\n\nVal dood zeggen\n\nWat deed ie\n\n [medeverdachte] : Hy schopte de plas weg\n\nIk trok hem er door heen\n\n [verdachte] : Ja hoorde ik\n\n [medeverdachte] : Hys nu also een baby om z'n vader aan het roepen maar heel zacht\n\n [verdachte] : Ohh latenzo\n\n [medeverdachte] : Ja drm\n\nHij zit me best\n\n [verdachte] : Niet schoonmaken\n\nOp 31 juli zegt [verdachte] tegen [medeverdachte] :\n\nKlappen geven neem ik aan\n\nAls ze doorgaat\n\nNee geen nieuw water\n\nProces-verbaal van bevindingen, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nEen proces-verbaal van bevindingen, analyse chats tussen [medeverdachte] en [verdachte] , voor\n\nzover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\nDe telefoon van verdachte [medeverdachte] is in beslag genomen en uitgelezen. In deze telefoon is een grote hoeveelheid chatberichten aangetroffen tussen [medeverdachte] en medeverdachte [verdachte] . De meeste chats hebben betrekking op de kinderen van [medeverdachte] ( [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ), hun gedragingen, hoe [medeverdachte] daarmee omgaat en het instrueren van [medeverdachte] door [verdachte] . De chatberichten die het onderzoeksteam aan ons ter beschikking heeft gesteld en die wij hebben gebruikt voor deze analyse, beslaan de periode 2 juli 2024 tot en met 18 augustus 2024. Dit betreft in totaal 21304 chats. Het is opvallend hoe snel de chats elkaar opvolgen. De tijd tussen de chats bedraagt soms enkele seconden. ledere dag worden de eerste chats vaak al rond 7 uur in de ochtend verstuurd door [medeverdachte] en dat gaat meestal door tot ongeveer 23 uur’. Naast het chatten blijkt dat [medeverdachte] en [verdachte] ook vaak met elkaar (beeld)bellen en dat [medeverdachte] regelmatig foto's van haar kinderen verstuurt naar [verdachte] .\n\nIn de weergave hierna volgt een selectie van chats die door [verdachte] zijn verzonden.\n\nEen proces-verbaal van bevindingen, dossier VT, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:\n\n22 januari 2024 [verdachte] wordt contactpersoon voor [medeverdachte] .\n\nAfspraak met hulpverlening dat [verdachte] de contactpersoon voor [medeverdachte] wordt. Er wordt afgesproken dat [medeverdachte] contact met [verdachte] opneemt als de emoties hoog oplopen en dat [verdachte] [medeverdachte] gaat helpen om afspraken na te komen.\n\n Pagina 461.\n\n Pagina 479.\n\n Pagina 482.\n\n Pagina 479.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland, onderzoek 31DONKER24 met proces-verbaalnummer 240917.2109.23955, doorgenummerd pagina 1 tot en met 1111. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.\n\n Pagina 946.\n\n Pagina 947.\n\n Pagina 962.\n\n Pagina 966.\n\n Pagina 967.\n\n Pagina 969.\n\n Pagina 972.\n\n Pagina 976.\n\n Pagina 978.\n\n Pagina 979.\n\n Pagina 982.\n\n Pagina 984.\n\n Pagina 43.\n\n Pagina 44.\n\n Pagina 238.\n\n Pagina 239.\n\n Pagina 240.\n\n Pagina 241.\n\n Pagina 242.\n\n Pagina 243.\n\n Pagina 244.\n\n Pagina 245.\n\n Pagina 226.\n\n Pagina 227.\n\n Pagina 228.\n\n Pagina 229.\n\n Pagina 230.\n\n Pagina 477.\n\n Pagina 479.\n\n Pagina 458.\n\n Pagina 459.\n\n Pagina 461.\n\n Pagina 480.\n\n Pagina 482.\n\n Pagina 485.\n\n Pagina 486.\n\n Pagina 495.\n\n Pagina 500.\n\n Pagina 501.\n\n Pagina 502.\n\n Pagina 509.\n\n Pagina 511.\n\n Pagina 512.\n\n Pagina 514.\n\n Pagina 736.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4044","ecli-nl-rbmne-2026-4044",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":56,"fullText":57,"language":7,"source":17,"sourceUrl":58,"summary":14,"slug":59,"metadata":60},"508","ECLI:NL:RBMNE:2026:3890","2026-07-06T00:00:00.000Z","uitspraakRECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nAfdeling Strafrecht\n\nzittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer : 12250449\n\nCJIB-nummer : 241900336\n\nUitspraakdatum: 6 juli 2026\n\nUitspraak op een vordering als bedoeld in artikel 28 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV)\n\nin de zaak van\n\nnaam : [betrokkene] .\n\nadres : [adres] woonplaats : [woonplaats]\n\n(hierna te noemen: betrokkene).\n\nHet verloop van de procedure\n\nDe officier van justitie heeft een vordering ingesteld om te worden gemachtigd tot het toepassen van het dwangmiddel gijzeling, voor de duur van het in de vordering genoemde aantal dagen. De vordering is gegrond op het feit dat aan betrokkene een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) is opgelegd en dat deze boete en de verhogingen niet zijn betaald.\n\nDe zaak is behandeld op de zitting van 22 juni 2026. Betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft heden uitspraak gedaan.\n\nDe vordering\n\nGelet op de bevindingen van het CJIB concludeert de officier van justitie het volgende:\n\ndat door betrokkene geen (volledige) betaling van de verschuldigde bedragen heeft plaats gevonden;\n\ndat alle (minder ingrijpende) incasso- en verhaal maatregelen waar mogelijk zijn toegepast;\n\ndat er sprake moet zijn van onwil, omdat in het verleden diverse betalingen zijn gedaan waardoor van de aanwezigheid van financiële middelen moet worden uitgegaan.\n\nOverwegingen\n\nGijzeling is een dwangmiddel waartoe alleen in uiterste noodzaak mag worden overgegaan en is bedoeld om degene die wel kan, maar niet wil betalen, tot betaling aan te zetten. Een machtiging tot het toepassen van dit dwangmiddel kan dan ook alleen worden gegeven als blijkt dat degene aan wie de boete is opgelegd, deze kan betalen.\n\nEen eerder ingeschakelde deurwaarder geeft aan dat betrokkene een eigen onderneming zou hebben of hebben gehad en suggereert betalingsonwil.\n\nDe kantonrechter stelt vast dat er sprak is van een zeer rommelig dossier. Gijzeling wordt op de zitting van vandaag gevorderd in twee specifieke zaken onder zaaknummers 12250449 en 12250470, maar uit de stukken blijkt dat er veel meer openstaande zaken zijn. Zo wordt betrokkene op enig moment aangeschreven voor een bedrag van € 12.000, -.\n\nUit het meegestuurde overzicht blijkt dat er verschillende keren een betalingsregeling is afgesproken waarop in totaal € 2.362, 16 is betaald. In de twee zaken waarvoor nu gijzeling wordt gevorderd is sprake van twee vorderingen van elk € 1.119, -. Het totaal betaalde bedrag overstijgt daarmee het totaal van de twee zaken die nu aan die nu aan de orde zijn.\n\nOp geen enkele manier is duidelijk gemaakt hoe de totale schuld is opgebouwd en op welke openstaande posten de betalingen zijn afgeboekt. In één zaak zijn alle betalingen opgenomen, hoewel het ontvangen totaal die vordering ruim overstijgt.\n\nDe kantonrechter gaat geen machtiging tot gijzeling afgeven op basis van het onoverzichtelijk dossier waaruit niet goed blijkt wat er is afgesproken en hoe betalingen zijn verwerkt. Het staat daarmee niet vast dat in de specifieke zaken die vandaag voorliggen inderdaad geen betaling ontvangen is. Het is bovendien niet helder op grond waarvan nu (vandaag) gezegd wordt dat sprake is van onwil. De informatie in het dossier is gedateerd en een paar jaar oud. Wat wel duidelijk is dat normaal verhaal niets oplevert en er niets van waarde wordt aangetroffen. Dat wijst eerder op betalingsonmacht dan op betalingsonwil.\n\nDe uitspraak\n\nDe kantonrechter:\n\nwijst de vordering af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.O. Zuurmond, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3890","ecli-nl-rbmne-2026-3890",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":64,"fullText":65,"language":7,"source":17,"sourceUrl":66,"summary":14,"slug":67,"metadata":68},"1111","ECLI:NL:RBMNE:2026:3893","2026-07-03T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: UTR 24\u002F4577, UTR 24\u002F5432 en UTR 24\u002F6484\n uitspraak van de meervoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaken tussen\n [eiser] , uit [plaats] , eiser\n\n(gemachtigde: F. van der Tempel),\n\nen\n\nhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht\n\n(gemachtigden: mr. M.W. Holtkamp, mr. R.E. Helder en mr. S. Ros).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om de geldigheidsduur van zijn standplaatsvergunning voor bepaalde tijd te wijzigen naar onbepaalde tijd. Daarnaast gaat deze uitspraak over de beroepen die eiser heeft ingesteld tegen de Nadere regel artikel 5:13 Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010, Gemeente Utrecht, standplaatsen(hierna: de Nadere regel) en tegen het Aanwijzingsbesluit artikel 5:13 Algemene plaatselijke verordening Utrecht 2010, standplaatsen (hierna: het Aanwijzingsbesluit).\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de geldigheidsduur van de standplaatsvergunning van eiser niet heeft hoeven omzetten naar onbepaalde tijd.Daarnaast oordeelt de rechtbank dat eisers bezwaar tegen het vergunningenplafond in de Nadere Regel terecht niet-ontvankelijk is verklaard en dat de rechtbank de rechtmatigheid van het vergunningenplafond in het beroep tegen het Aanwijzingsbesluit niet kan toetsen. De beroepen zijn daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser is marktkoopman en verkoopt kaas. Op 30 december 2013 is aan eiser een standplaatsvergunning verleend voor de locatie [locatie 1] in Vleuten-de Meern voor de duur van 10 jaar, van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2023.\n\n2.1.. Op 17 juli 2023 heeft eiser een aanvraag ingediend om de geldigheidsduur van zijn standplaatsvergunning voor bepaalde tijd te wijzigen in ‘onbepaalde tijd’. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 28 november 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 10 mei 2024 (bestreden besluit I) op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van deze aanvraag gebleven. Eiser heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld (zaaknummer UTR 24\u002F4577).\n\n2.2.. Met het besluit van 26 september 2023 heeft het college in afwachting van nieuw standplaatsenbeleid aan eiser bericht dat het zonder vergunning innemen van een standplaats op zijn locatie van 1 januari 2024 tot 1 oktober 2025 wordt gedoogd.\n\n2.3.. Op 25 april 2024 heeft de gemeenteraad het nieuwe standplaatsenbeleid aangenomen. Op grond van dat beleid is het aantal beschikbare standplaatsvergunningen beperkt en geldt een maximumstelsel. Daartoe heeft het college op 26 januari 2024 de Nadere regel en het Aanwijzingsbesluit vastgesteld. Eiser heeft tegen beide regelingen bezwaar gemaakt.\n\n2.4.. Met het bestreden besluit van 25 juli 2024 (bestreden besluit II) heeft het college het bezwaar van eiser tegen de Nadere regel niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld (zaaknummer UTR 24\u002F5432).\n\n2.5.. Met het bestreden besluit van 13 september 2024 (bestreden besluit III) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het Aanwijzingsbesluit gegrond verklaard, de oppervlakte van de locaties [locatie 1] en [locatie 2] gewijzigd naar maximaal 35 vierkante meter en het Aanwijzingsbesluit in zoverre herroepen en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard. Eiser heeft ook hiertegen beroep ingesteld (zaaknummer UTR 24\u002F6484).\n\n2.6.. Met het besluit van 17 december 2024 heeft het college aan eiser voor zijn locatie een nieuwe standplaatsvergunning verleend, geldig van 1 oktober 2025 tot 1 oktober 2040.\n\n2.7.. Het college heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften.\n\n2.8.. De rechtbank heeft de beroepen op 24 maart 2026 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van het college. Daarnaast zijn namens het college verschenen: [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] .\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nZaaknummer UTR 24\u002F4577 – Aanvraag omzetting standplaatsvergunning naar onbepaalde tijd\n\n3. De rechtbank beoordeelt of het college de aanvraag van eiser om de geldigheidsduur van eisers standplaatsvergunning voor bepaalde tijd om te zetten naar onbepaalde tijd heeft mogen afwijzen. De rechtbank beoordeelt deze vraag aan de hand van de beroepsgronden van eiser.\n\nHeeft eiser procesbelang?\n\n4. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser geen procesbelang meer heeft, omdat hij inmiddels een nieuwe standplaatsvergunning met een geldigheidsduur tot 1 oktober 2040 heeft gekregen. De rechtbank is van oordeel dat eiser procesbelang heeft bij zijn beroep. Eiser wil een standplaatsvergunning voor onbepaalde tijd, terwijl hij in 2013 een vergunning voor bepaalde tijd heeft gekregen. Ook de nieuwe standplaatsvergunning die met het besluit van 17 december 2024 aan eiser is verleend, is een vergunning voor bepaalde tijd. Aangezien eiser wil dat de geldigheidsduur van zijn vergunning wordt omgezet in onbepaalde tijd, heeft zijn beroep nog feitelijke betekenis. Het feit dat de geldigheidsduur van zijn vergunning uit 2013 waar het verzoek betrekking op heeft al is verstreken, staat daaraan niet in de weg.\n\nHet bestreden besluit I: wat heeft het college beslist?\n\n5. Het college heeft de aanvraag van eiser om de geldigheidsduur van zijn standplaatsvergunning te wijzigen naar onbepaalde tijd afgewezen, omdat op grond van het nieuwe beleid een maximumstelsel geldt. De standplaatsvergunningen zijn dus schaarse vergunningen en worden daarom alleen voor bepaalde tijd toegekend. Bij de verdeling van schaarse vergunningen moeten potentiële aanvragers gelijke kansen krijgen om in een transparante procedure mee te dingen naar zo'n vergunning. Volgens het college is het omzetten van de standplaatsvergunning van eiser naar onbepaalde tijd daarom in strijd met het gelijkheidsbeginsel.\n\nIs eiser benadeeld?\n\n6. Eiser voert aan dat het verslag van de hoorzitting bij het bestreden besluit I ontbreekt. Bovendien is in het besluit niet vermeld welke stukken het college na de hoorzitting heeft verstrekt en wat de reactie van eiser op die stukken was. Twee opmerkingen van eiser op de hoorzitting zijn onvolledig weergegeven en in het bestreden besluit is niet ingegaan op eisers primaire bezwaargrond dat er in de gemeente Utrecht geen vergunningenplafond bestaat, dat standplaatsvergunningen daarom geen schaarse vergunningen zijn en dat zijn aanvraag daarom niet afgewezen had mogen worden. Eiser stelt dat hij hierdoor is benadeeld.\n\n6.1.. De rechtbank is van oordeel dat deze grond niet slaagt. Er is geen rechtsregel op grond waarvan het verslag van de hoorzitting bij het besluit op bezwaar moet worden gevoegd. Artikel 7:7 van de Algemene wet bestuursrecht schrijft slechts voor dat er een verslag van de hoorzitting gemaakt wordt. Daarbij komt dat het verslag van de hoorzitting met het procesdossier alsnog aan eiser is toegezonden. De rechtbank stelt verder vast dat het college in het bestreden besluit I op de bezwaargronden van eiser, waaronder de hiervoor genoemde, is ingegaan en die gronden ook voldoende heeft besproken. Van een motiveringsgebrek of benadeling is daarom geen sprake.\n\nWat voert eiser aan over het vergunningenplafond?\n\n7. Eiser vindt dat zijn aanvraag om de geldigheidsduur van de vergunning om te zetten naar onbepaalde tijd ten onrechte is afgewezen in verband met het vergunningenplafond voor standplaatsen. Hij voert daartoe aan dat ten tijde van zijn aanvraag van 17 juli 2023 om wijziging van zijn standplaatsvergunning er nog helemaal geen geldend vergunningenplafond bestond. De (oude) Regels Standplaatsen Utrecht 2013 (Regels Standplaatsen) bevatten geen vergunningenplafond en deze regeling is destijds niet op de juiste wijze bekendgemaakt en daarmee niet in werking getreden. De tekening standplaatsen uit 2013 die het college aan de gemeenteraad heeft gestuurd, vermeldt alleen waar zich in de gemeente Utrecht standplaatsen bevinden. Dit document is geen besluit tot het vaststellen van een vergunningenplafond en de tekening maakt ook geen onderdeel uit van een dergelijk besluit. Bovendien was het college op grond van de in 2013 geldende Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Utrecht ook niet bevoegd tot het vaststellen van een vergunningenplafond voor standplaatsen en kon het ook geen daarop gericht concretiserend besluit van algemene strekking nemen. Eiser merkt daarbij op dat detailhandel pas sinds 2019 onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijnvalt.\n\n7.1.. Eiser voert verder aan dat bovendien niet is voldaan aan de vereisten van artikel 33, eerste lid, onder b van de Dienstenwet. Volgens eiser is er geen sprake van een dwingende reden van algemeen belang voor het instellen van een vergunningenplafond, omdat er voor standplaatsen in de gemeente Utrecht meer plekken beschikbaar zijn dan gebruikt worden en er ook geen wachtlijsten zijn. Het feit dat voor een specifieke standplaats mogelijk twee potentiële aanvragers zijn, maakt volgens eiser niet dat sprake is van schaarste, omdat in dat geval op een andere locatie in de gemeente Utrecht wel een standplaats beschikbaar is. Daarbij heeft het college niet specifiek de beschikbaarheid van standplaatsen in Vleuten beoordeeld en is ook op geen enkele manier onderbouwd dat daar onderzoek naar is gedaan. Volgens eiser zijn de doeleinden die het college noemt ook geen dwingende reden van algemeen belang die het instellen van een vergunningenplafond rechtvaardigen, omdat het slechts beleidsmatige redenen zijn die niets van doen hebben met de weigeringsgronden voor een standplaatsvergunning.\n\n7.2.. Eiser stelt ook dat het instellen van een vergunningenplafond niet evenredig is (artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht) en dat het college had moeten onderzoeken of dat vergunningenplafond niet verder strekt dan nodig is. In Vleuten en omgeving is er veel ruimte voor nieuwe standplaatsen, terwijl de vraag naar standplaatsen laag is, zodat er geen noodzaak is voor het instellen van een vergunningenplafond.\n\n7.3.. Eiser voert aan dat ook het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Eiser heeft een aanvraag gedaan op grond van artikel 1:6, eerste lid onder e, van de Algemene Plaatselijke Verordening. Het college mocht deze aanvraag niet afwijzen op beleidsmatige gronden die geen grondslag vinden in de weigeringsgronden van de Algemene Plaatselijke Verordening. Het behouden van een vitaal en evenwichtig winkelaanbod is een ruimtelijk belang waarmee bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden, maar is geen belang waarmee op grond van artikel 1:8 van de Algemene Plaatselijke Verordening rekening kan worden gehouden.\n\n7.4.. Eiser wijst erop dat artikel 10, zesde lid, van de Dienstenrichtlijn meebrengt dat een besluit ‘ex tunc’ moet worden getoetst. Volgens eiser heeft het college bij de heroverweging in bezwaar het primaire besluit daarom ten onrechte ex nunc getoetst. Bij de heroverweging in bezwaar had het college moeten toetsen aan de Algemene Plaatselijke Verordening zoals die gold op 29 november 2023. Het college had deze Algemene Plaatselijke Verordening in overeenstemming met de Dienstenwet en de Dienstenrichtlijn moeten toepassen, het vergunningenplafond om die reden buiten toepassing moeten laten en aan eiser een vergunning voor onbepaalde tijd moeten toekennen.\n\n7.5.. Volgens eiser wordt hem ten onrechte tegengeworpen dat hij de in 2013 verleende vergunning niet heeft aangevochten. De Dienstenrichtlijn was toen nog niet van toepassing op standplaatsvergunningen, zodat procederen zinloos was. Omdat op grond van de Regels Standplaatsen geen vergunningenplafond gold, had het college die regeling volgens eiser exceptief moeten toetsen.\n\n7.6.. Eiser voert ook aan dat het college ten onrechte een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel om de afwijzing van de aanvraag te rechtvaardigen. Er is geen sprake van gelijke gevallen, omdat eiser de enige ondernemer is die een aanvraag heeft gedaan voor omzetting van zijn vergunning naar onbepaalde tijd. Eiser heeft niet gevraagd om een nieuwe vergunning maar om een wijziging van zijn bestaande vergunning. Het met terugwerkende kracht wijzigen van de geldigheidsduur van de vergunning naar onbepaalde tijd maakt ook niet dat andere ondernemers geen toegang meer hebben tot de markt voor standplaatsen in de gemeente Utrecht. De afgelopen jaren waren er geen wachtlijsten en kon het college op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening een onbepaald aantal extra standplaatsvergunningen verlenen.\n\nWas het college bevoegd om de aanvraag af te wijzen vanwege het invoeren van een maximumstelsel voor standplaatsen?\n\n8. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het dossier blijkt dat het college in 2013 de standplaatshouders, waaronder eiser, op verschillende momenten en zowel mondeling als schriftelijk, heeft geïnformeerd dat het bezig was met het ontwikkelen van het nieuwe standplaatsenbeleid. In afwachting van het nieuwe beleid heeft het college eisers toenmalige standplaatsvergunning bij besluit van 17 juni 2013 ambtshalve verlengd tot 31 december 2013. Eind 2013 heeft het college de standplaatshouders geïnformeerd dat zij bij wijze van overgangsregeling konden kiezen voor een eenmalige verlenging van de standplaatsvergunning voor een periode van 5 of 10 jaar, waarna er geen automatisch recht op verlenging meer bestaat. De standplaats komt dan beschikbaar voor gunning waarvoor belangstellenden zich kunnen inschrijven. Bij besluit van 30 december 2023 is de vergunning van eiser vervolgens voor 10 jaar (tot 1 januari 2024) verlengd, waarbij is verwezen naar de 'Regels standplaatsen Utrecht' die als bijlage bij de vergunning zijn meegestuurd. In artikel 3 van deze Regels is bepaald dat sprake is van een maximumstelsel van door het college aan te wijzen standplaatsen.\n\n8.1.. De rechtbank is van oordeel dat het college hiermee voldoende duidelijk heeft gemaakt dat in de periode vanaf 2013 totdat het nieuwe standplaatsenbeleid daadwerkelijk is ingevoerd (zie overweging 2.2) sprake was van een overgangssituatie en dat het inzicht over de toegestane geldigheidsduur en de omvang van het aantal standplaatsvergunningen is veranderd. Dat standplaatsenvergunningen in 2013 (nog) niet onder de Dienstenrichtlijn vielen, maakt dat niet anders. Dit betekent dat ten tijde van de aanvraag van eiser om zijn standplaatsvergunning om te zetten naar onbepaalde tijd, sprake was van een overgangssituatie naar een stelsel met een vergunningenplafond en daarmee van schaarse rechten. Naar het oordeel van de rechtbank waren de beleidsvoornemens van het college over de toekomstige procedure van de verdeling van standplaatsvergunningen voldoende concreet en transparant, zodat het college bij de besluitvorming over de geldigheidsduur van de standplaatsvergunning van eiser daarop kon vooruitlopen.Met inachtneming van dat beleidsvoornemen heeft het college de aanvraag van eiser om omzetting van de geldigheidsduur van zijn vergunning naar onbepaalde tijd daarom mogen afwijzen. Dat ten tijde van eisers aanvraag in 2023 formeel nog geen vergunningenplafond gold, omdat aan de beleidsvoornemens nog geen volledige uitvoering was gegeven, staat daaraan – anders dan eiser stelt – niet in de weg.\n\n8.2.. Dat, zoals het college op zitting heeft erkend, niet duidelijk is of de Regels Standplaatsen en de bijbehorende tekening destijds juridisch op juiste wijze bekend zijn gemaakt, leidt evenmin tot het oordeel dat het college niet op het nieuwe standplaatsenbeleid heeft mogen vooruitlopen. Zoals hiervoor is geoordeeld heeft het college aan eiser voldoende duidelijk gemaakt dat het verlenen van standplaatsvergunningen voor bepaalde tijd verband hield met de geplande beleidsontwikkeling en invoering van een maximumstelsel, waarbij steeds een duidelijke verwachting in de tijd is gegeven. Er is daarom geen reden om aan te nemen dat de vergunning in 2013 voor bepaalde tijd onbevoegd aan eiser is verleend, en dat vervolgens ten onrechte is geweigerd gehoor te geven aan zijn verzoek om deze om te zetten naar onbepaalde tijd. Bovendien was het college ook los van het aankomende nieuwe beleid op grond van artikel 1:7 van de toen geldende Algemene Plaatselijke Verordening bevoegd om standplaatsvergunningen voor bepaalde tijd te verlenen, en was dat tot dat moment ook de praktijk.\n\n8.3.. Voor de door eiser gestelde ex-tunc toetsing van het besluit in bezwaar heeft het college geen aanleiding hoeven zien. Los van het feit dat het uitgangspunt in bezwaar een ex nunc toetsing is, mocht het college gezien het voorgaande bij het nemen van het bestreden besluit vooruitlopen op het nieuwe maximumstandplaatsenbeleid dat toen in ontwikkeling was.\n\n8.4.. De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat het invoeren van een vergunningenplafond alleen is toegestaan als sprake is van feitelijke schaarste en niet van beleidsmatige schaarste. Dat volgt ook niet uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 december 2020, waar eiser naar heeft verwezen. In die zaak ging het om gewijzigde regelgeving tijdens de behandeling van de aanvraag voor een exploitatievergunning. Daarvan is hier geen sprake.\n\nVoldoet het maximumstelstel aan de eisen van de Dienstenwet en Dienstenrichtlijn?\n\n9. De stelling van eiser dat geen sprake is van schaarse vergunningen omdat er niet voldaan is aan de vereisten die daarvoor gelden en het instellen van dit plafond niet evenredig is, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.\n\n9.1.. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van Statevolgt dat schaarse vergunningen ook om beleidsmatige redenen kunnen worden vastgesteld (artikel 33, eerste lid onder b, van de Dienstenwet). Daarvoor is een dwingende reden van algemeen belang vereist. De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van strijd met deze eis die de Dienstenwet (en overigens ook de Dienstenrichtlijn) aan schaarse vergunningen stelt. De rechtbank licht dat hieronder toe.\n\n9.2.. Het college heeft als onderbouwing voor het vergunningenplafond verwezen naar het rapport van 18 januari 2024 van onderzoeksbureau [onderzoeksbureau]. Daarin is geconcludeerd dat sprake is van een dwingende reden van algemeen belang die het noodzakelijk en evenredig maakt om een maximumstelsel (vergunningenplafond) voor het aantal standplaatsvergunningen voor de gemeente Utrecht in te voeren. Deze conclusie is gebaseerd op een analyse van de beleidskaders van de gemeente Utrecht, de Algemene Plaatselijke Verordening, het standplaatsenaanbod in Utrecht en andere gemeenten en een marktverkenning van het consumentengedrag en het retailaanbod.Uit het rapport volgt dat de noodzaak voor het maximeren van het aantal standplaatsen bestaat in een evenwichtige opbouw van de detailhandel-structuur en een passende inrichting en gebruik van de openbare ruimte, waarbij de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, en de verkeersveiligheid in het bijzonder, worden gewaarborgd. Door concentratie van het detailhandel-aanbod op retaillocaties wordt een inperking van de verkeersstromen bereikt. Dit is in lijn met de gemeentelijke doelstelling om vitale retaillocaties te realiseren, en te komen tot een heldere evenwichtige en duurzame voorzieningenstructuur, waarbij verschillende winkelgebieden elkaar aanvullen en elk een eigen taak vervullen. Het volume van het non-food winkelaanbod is verminderd en er wordt gestreefd naar een compacter winkelbeeld. Bij concentratie van winkels ontstaat een meerwaarde voor zowel de bedrijven als de consument. Voor het realiseren van vitale winkelgebieden legt de gemeente vast waar detailhandelsvestigingen zich bij voorkeur concentreren. Dit draagt bij aan een gezond stedelijk leven voor iedereen.\n\n9.3.. Naar het oordeel van de rechtbank vallen de hiervoor genoemde belangen – anders dan eiser stelt – onder de omschrijving van een dwingende reden van algemeen belang zoals opgenomen in overweging 40 en artikel 4, achtste lid, van de Dienstenrichtlijn. Deze omschrijving is ruimer dan alleen de belangen zoals opgenomen in artikel 1:8 van de Algemene Plaatselijke Verordening. In de omschrijving in de Dienstenrichtlijn is opgenomen dat onder ‘dwingende reden van algemeen belang’ ook wordt verstaan bescherming van afnemers van diensten, consumentenbescherming, en voorkomen van oneerlijke concurrentie. De belangen die het college heeft genoemd vallen daarmee onder de dwingende redenen die in de Dienstenrichtlijn zijn genoemd.\n\n9.4.. In het rapport is verder geconcludeerd dat de invoering van een maximumstelsel evenredig is. Het geadviseerde maximumstelsel is geschikt en effectief voor het bereiken van de onder noodzakelijkheid genoemde doelen. Wanneer bij de uitgifte van standplaatsvergunningen geen maximumstelsel wordt toegepast, kunnen namelijk op vele locaties extra standplaatsen worden aangevraagd, die dan moeten worden vergund. Dit is strijdig met de doelstellingen, gericht op een fijnmazig voorzieningenaanbod en een heldere, evenwichtige en duurzame voorzieningenstructuur. En ook met doelstellingen\u002Fcriteria uit artikel 1:8 van de Algemene Plaatselijke Verordening, in het bijzonder de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, de verkeersveiligheid.\n\n9.5.. De rechtbank is van oordeel dat het college daarmee de noodzaak en de evenredigheid van het maximumstelsel voldoende heeft onderbouwd. Daarbij heeft het college ook in kaart gebracht hoeveel en welke locaties in de gemeente Utrecht geschikt zijn voor standplaatsen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college op basis van de [onderzoeksbureau] -adviesrapporten dan ook een maximumstelsel voor standplaatsen voor de gemeente Utrecht mogen hanteren. De enkele betwisting van eiser dat dit anders is, is onvoldoende om hierover anders te oordelen.\n\n9.6.. De stelling van eiser dat de noodzaak van algemeen belang onderzocht en bepaald moet worden specifiek voor de locatie Vleuten, maakt dit niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college het maximumstelsel voor de gehele gemeente Utrecht mogen hanteren en geen regeling hoeven treffen specifiek voor standplaatsen in Vleuten. Zoals blijkt uit de [onderzoeksbureau] -rapporten, en door het college op zitting is bevestigd, was de situatie ten tijde van de aanvraag zo dat standplaatshouders niet alleen vergunningen aanvroegen voor populaire wijken in de gemeente Utrecht, zoals het stadscentrum, maar ook voor buitenwijken en voor Vleuten. Op de zitting heeft het college toegelicht dat standplaatshouders die geen vergunning hebben gekregen voor het stadscentrum bovendien regelmatig vervolgens ook een aanvraag indienen voor wijken die verder van het centrum liggen. Daarmee is er een verschuiving van de vraag voor standplaatsen vanuit het centrum naar omliggende wijken.\n\nIs de weigering tot omzetting gerechtvaardigd op grond van het gelijkheidsbeginsel?\n\n10. De rechtbank is tot slot van oordeel dat het college als rechtvaardiging voor de weigering om aan eiser een vergunning voor onbepaalde geldigheidsduur te verlenen, zich heeft mogen beroepen op het gelijkheidsbeginsel. Het college stelt terecht dat door vast te houden aan het verlenen van vergunningen voor bepaalde tijd, potentieel gegadigden evenveel kans krijgen om na afloop van de looptijd van een schaarse vergunning mee te dingen naar de uitgifte van nieuwe standplaatsvergunningen voor een beperkte geldigheidsduur. Dat eiser hier niet heeft gevraagd om een nieuwe vergunning, maar om een wijziging van zijn bestaande vergunning, maakt dat niet anders. Eisers stelling dat er voor standplaatsen geen wachtlijsten zijn en dat toekenning van de gevraagde vergunning aan eiser daarom niet betekent dat andere ondernemers geen toegang meer hebben tot de markt voor standplaatsen in de gemeente Utrecht, volgt de rechtbank niet. Zoals het college terecht naar voren heeft gebracht, heeft het toekennen van een vergunning voor onbepaalde tijd tot gevolg dat standplaatshouders onder het nieuwe beleid niet meer op deze locatie kunnen inschrijven en het totaal aantal voor hen beschikbare standplaatsen daarmee zou verminderen. Daarmee heeft het dus wel gevolgen voor de toegang tot de markt voor (alle) standplaatshouders.\n\nTussenconclusie\n\n11. De rechtbank concludeert dat het college de aanvraag van eiser om de geldigheidsduur van zijn standplaatsvergunning om te zetten in een vergunning voor onbepaalde tijd, heeft mogen afwijzen. Eiser krijgt geen gelijk. Het beroep is ongegrond.\n\nZaaknummer UTR 24\u002F5432 – Ontvankelijkheid bezwaar tegen de Nadere Regel\n\nHet bestreden besluit II: wat heeft het college beslist?\n\n12. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het in de Nadere regel opgenomen vergunningenplafond\u002Fmaximumstelsel voor standplaatsen. Deze Nadere regel is echter een algemeen verbindend voorschrift, waartegen geen bezwaar of beroep kan worden ingesteld.Het college kan het bezwaar daarom niet inhoudelijk beoordelen. Het college heeft het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.\n\nHeeft eiser procesbelang?\n\n13. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser een procesbelang heeft. De rechtbank is van oordeel dat eiser procesbelang heeft bij zijn beroep. Het beroep van eiser ziet op de vraag of de Nadere regel is aan te merken als concretiserend besluit van algemene strekking, waartegen eiser kan opkomen. Als eiser gelijk krijgt, kan hij dus alsnog opkomen tegen de Nadere regel. Dat betekent dat hij procesbelang heeft. Of het beroep van eiser kans van slagen heeft, is niet bepalend voor de vraag of hij procesbelang heeft.\n\nIs de Nadere regel een algemeen verbindend voorschrift of een concretiserend besluit van algemene strekking?\n\n14. Eiser voert aan dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De Nadere regel heeft volgens eiser wel rechtsgevolgen, omdat artikel 3 vermeldt dat er een vergunningenplafond is en artikel 7 vermeldt een vergunningenstop. Ook uit de Toelichting blijkt dat wordt uitgegaan van een vergunningenplafond. Daarmee is de Nadere regel deels ook te kwalificeren als een concretiserend besluit van algemene strekking.\n\n14.1.. De rechtbank is van oordeel dat het vaststellen van een maximumaantal te verlenen standplaatsvergunningen in de Nadere regel een algemeen verbindend voorschrift is, en geen concretiserend besluit van algemene strekking. Dit motiveert de rechtbank als volgt.\n\n14.2.. Voor de relevante regelgeving verwijst de rechtbank naar de bijlage bij deze uitspraak.\n\n14.3.. De Algemene wet bestuursrecht bevat geen definitie van het begrip ‘algemeen verbindend voorschrift’. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat een algemeen verbindend voorschrift een naar buiten werkende, voor de daarbij betrokkenen bindende regel is, uitgegaan van het openbaar gezag dat de bevoegdheid daartoe aan de wet ontleent. Een algemeen verbindend voorschrift onderscheidt zich van andere besluiten doordat het algemene abstracte regels bevat, die zich zonder nadere normering voor herhaalde concrete toepassing lenen. Een besluit waarin nader naar plaats, tijd of object de toepassing van een in een algemeen voorschrift besloten liggende norm wordt bepaald, kan zelf geen algemeen verbindend voorschrift zijn.Tegen een algemeen verbindend voorschrift kan geen bezwaar of beroep worden ingesteld.\n\n14.4.. Een concretiserend besluit van algemene strekking bevat geen zelfstandige normstelling, maar houdt slechts de toepasselijk verklaring\u002Fconcretisering in van een in een algemeen verbindend voorschrift vervatte rechtsnorm. Het toepassingsbereik van een norm uit een algemeen verbindend voorschrift kan op verschillende manieren worden geconcretiseerd, namelijk naar tijd, plaats of object, en mogelijk ook naar persoon. Als een besluit moet worden gekwalificeerd als een concretiserend besluit van algemene strekking is het wel mogelijk om daartegen bezwaar en beroep in te stellen.\n\n14.5.. In artikel 3 van de Nadere regel is een vergunningenplafond vastgesteld en bepaald dat standplaatsvergunningen alleen worden verleend op nader aan te wijzen locaties. In artikel 3 van de Nadere regel wordt echter niet bepaald wat het maximumaantal precies is en\u002Fof op welke locaties een vergunning verkregen kan worden. Er staat alleen in voor welke type vergunning een vergunningenplafond en een bepaalde vergunningsduur geldt. De rechtbank is van oordeel dat deze bepaling daarom geen concretiserend besluit naar plaats, tijd of object inhoudt. De vaststelling van het maximaal aantal standplaatsvergunningen is niet in de Nadere regel zelf opgenomen, maar (impliciet) in het Aanwijzingsbesluit van het college.\n\n14.6.. Ook artikel 7 van de Nadere regel waarin is bepaald dat het college de periode vaststelt waarbinnen aanvragen voor dag- en seizoenstandplaatsvergunningen kunnen worden ingediend, is geen concretiserende bepaling naar plaats, tijd of object en is daarom niet als een concretiserend besluit van algemene strekking aan te merken. De normen van deze artikelen zijn van toepassing op een in beginsel onbepaalde groep rechtssubjecten en lenen zich voor herhaalde toepassing. Daarmee is de Nadere regel een algemeen verbindend voorschrift, waartegen geen (rechtstreeks) bezwaar en beroep mogelijk is.\n\n14.7.. Het geschil dat aan de rechtbank is voorgelegd beperkt zich tot de vraag of het bezwaar van eiser al dan niet terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Omdat het beroep zich hiertoe beperkt, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of het college op goede gronden een vergunningenplafond heeft mogen opnemen in de Nadere regel. Alleen in een procedure gericht tegen het besluit van 17 december 2024 waarbij aan eiser een nieuwe standplaatsvergunning is verleend, had een exceptieve toetsing van de Nadere regel aan de orde kunnen komen. Dat besluit ligt hier niet voor. Het college heeft het bezwaar tegen de Nadere regel daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.\n\nHeeft het college terecht afgezien van het horen van eiser?\n\n15. Eiser betoogt dat het college ten onrechte heeft afgezien van het horen op grond van artikel 7:3, onder a van de Algemene wet bestuursrecht, omdat het college niet zonder enige twijfel heeft kunnen concluderen dat het bezwaarschrift niet-ontvankelijk is. Als het juist is dat in de Algemene Plaatselijke Verordening geen vergunningenplafond was opgenomen, had het college niet zonder twijfel kunnen concluderen dat het bezwaarschrift was gericht tegen een niet-appellabel besluit.\n\n15.1.. Het college betoogt dat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat eiser zijn bezwaar heeft gericht tegen een algemeen verbindend voorschrift en dat het bezwaar daardoor terecht kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. Het college stelt zich op het standpunt dat de hoorplicht daarom niet is geschonden.\n\n15.2.. De rechtbank overweegt als volgt. Als hoofdregel geldt dat een bestuursorgaan in de bezwaarprocedure een belanghebbende moet horen, zo volgt uit artikel 7:2, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht. Van het horen mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht worden afgezien. Eén van de gevallen die daarin worden genoemd is als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college niet kunnen oordelen dat er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was over de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift van eiser, omdat discussie mogelijk is over de vraag of de Nadere regel is aan te merken als een algemeen verbindend voorschrift of een concretiserend besluit van algemene strekking. Het college heeft dus niet kunnen afzien van het horen van eiser. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een gebrek in het bestreden besluit, maar is van oordeel dat het voldoende aannemelijk is dat eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad. Naar aanleiding van het bestreden besluit heeft hij in beroep namelijk alsnog de gelegenheid gekregen om zijn standpunten verder toe te lichten. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren. Het gebrek is wel reden voor de toekenning van een proceskostenvergoeding voor deze beroepszaak.\n\nTussenconclusie\n\n16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit van het college om het bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren in stand blijft.\n\nZaaknummer UTR 24\u002F6484 – het Aanwijzingsbesluit\n\nHet bestreden besluit III: wat heeft het college beslist?\n\n17. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het Aanwijzingsbesluit. Eiser is het niet eens met het vergunningenplafond voor standplaatsen. Dit vergunningenplafond staat echter niet in het Aanwijzingsbesluit, zodat eisers bezwaar in zoverre ongegrond is.\n\nHeeft eiser procesbelang?\n\n18. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser geen procesbelang heeft. De rechtbank is van oordeel dat eiser procesbelang heeft bij zijn beroep. Het beroep van eiser ziet op de vraag of het vergunningenplafond voor standplaatshouders in het Aanwijzingsbesluit is vastgelegd of op andere wijze, en of hij daartegen kan opkomen. Daarmee heeft eiser een belang bij zijn beroep. Of het beroep van eiser kans van slagen heeft, is niet bepalend voor de vraag of hij procesbelang heeft.\n\nIntrekken beroepsgrond\n\n19. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn beroepsgrond dat het college in het Aanwijzingsbesluit ten onrechte meerdaagse vergunningen heeft gehandhaafd, op de zitting heeft ingetrokken. Dit punt vormt daarom geen onderdeel meer van het beroep en wordt niet verder besproken.\n\nBevat het Aanwijzingsbesluit een vergunningenplafond?\n\n20. Eiser voert aan dat het vergunningenplafond dat voor Vleuten geldt, anders dan het college stelt, niet is opgenomen in artikel 3 van de Nadere Regel, maar in het Aanwijzingsbesluit. Het Aanwijzingsbesluit geeft namelijk aan voor welke locaties wel en voor welke locaties niet een standplaatsvergunning kan worden verleend. Door het Aanwijzingsbesluit zijn er maximaal zeven standplaatsvergunningen beschikbaar in Vleuten en maximaal 102 in Utrecht. Met het Aanwijzingsbesluit heeft het college dus bepaald dat er nu een vergunningenplafond geldt in Vleuten en in Utrecht. Het vergunningenplafond in het Aanwijzingsbesluit is daarom een concretiserend besluit van algemene strekking, waartegen rechtsmiddelen openstaan.\n\n20.1.. Eiser voert verder aan dat het vergunningenplafond in het Aanwijzingsbesluit niet bevoegd is vastgesteld. Artikel 5:13, derde Algemene Plaatselijke Verordening geeft enkel aan het college de opdracht om te bepalen op welke locaties standplaatsen ingenomen mogen worden. Het college heeft daarom het geldende maximumstelsel onbevoegd vastgesteld. Volgens eiser is het invoeren van een maximumstelsel voor heel Utrecht ook niet noodzakelijk en evenredig. Er zijn in Vleuten aan de [straat] geen problemen in de openbare ruimte. Het college had voor het vaststellen van de noodzaak van een vergunningenplafond de situatie per wijk moeten onderzoeken en niet een vergunningenplafond voor heel Utrecht mogen vaststellen. Mochten er over vijf jaar problemen in de openbare ruimte in een deel van Utrecht zijn, dan kan de gemeente dan alsnog voor dat deel een vergunningenplafond instellen.\n\n20.2.. De rechtbank is van oordeel dat het vergunningenplafond niet is opgenomen in het Aanwijzingsbesluit. Het vergunningenplafond is vastgelegd in artikel 3 van de Nadere regel, die op grond van artikel 5:13, tweede lid van de Algemene Plaatselijke Verordening is vastgesteld. In het Aanwijzingsbesluit zijn slechts de locaties aangewezen waarvoor een standplaatsvergunning verkregen kan worden. Het Aanwijzingsbesluit vermeld daarbij hoeveel standplaatsvergunningen voor die locatie beschikbaar zijn. Dat zegt hooguit (impliciet) iets over de hoogte van het plafond, maar niet over het bestaan van het plafond. Het vergunningenplafond als zodanig is dus niet in het Aanwijzingsbesluit vastgesteld.\n\n20.3.. Omdat in het Aanwijzingsbesluit geen vergunningenplafond is opgenomen, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van de beroepsgronden van eiser over de rechtmatigheid van het vastgestelde vergunningenplafond. Deze gronden vallen buiten de omvang van het besluit dat hier voorligt.\n\nOntbreken motivering\n\n21. Eiser voert aan dat in het besluit de motivering voor de invoering van het Aanwijzingsbesluit met terugwerkende kracht ontbreekt en daarvoor ook geen dringende reden is.\n\n21.1.. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. Het Aanwijzingsbesluit is vastgesteld op 21 juni 2024 en met terugwerkende kracht tot 4 juni 2024 in werking gestreden. Op basis van dat besluit heeft de eerste inschrijving voor standplaatshouders plaatsgevonden op 21 september 2024, dus ruim nadat het Aanwijzingsbesluit is vastgesteld. Daarbij heeft eiser met het besluit van 17 december 2024 voor zijn locatie een nieuwe standplaatsvergunning gekregen die geldig is voor 15 jaar. Eiser heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat hij gevolgen heeft ondervonden van het met terugwerkende kracht in werking treden van het Aanwijzingsbesluit. Hij heeft bijvoorbeeld niet aangetoond dat er in de periode van 4 juni 2024 tot 21 juni 2024 vergunningen zijn aangevraagd of besluiten zijn genomen op grond van het Aanwijzingsbesluit.\n\nConclusie en gevolgen\n\n22. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit I, II en II van het college in stand blijven. De geldigheidsduur van de standplaatsvergunning van eiser hoeft dus niet te worden aangepast.\n\n23. Aangezien de rechtbank in het beroep UTR 24\u002F5432 toepassing heeft gegeven aan artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De rechtbank stelt de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 1).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart de beroepen ongegrond\n\ndraagt het college in het beroep UTR 24\u002F5432 op het griffierecht van € 187,- aan eiser te vergoeden;\n\nveroordeelt het college in het beroep UTR 24\u002F5432 in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, voorzitter, mr. M. van der Knijff en mr. H.H.L. Krans, leden, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.\n\nDe rechter is verhinderd om de uitspraak te ondertekenen\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\nBijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving\n\nAlgemene wet bestuursrecht\n\nIngevolge artikel 8:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht kan tegen een algemeen verbindend voorschrift geen beroep worden ingesteld.\n\nAlgemene Plaatselijke Verordening Artikel 5:13 Straathandel\n\nHet is verboden zonder vergunning van het college, in de uitoefening van de straathandel, andere waren dan gedrukte of geschreven stukken, waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard, te koop aan te bieden, te verkopen of af te leveren op een op een openbare plaats of op of aan een openbaar water.\n\nHet college kan in het belang van de openbare orde en veiligheid en het uiterlijk aanzien van de gemeente nadere regels stellen ten aanzien van de straathandel.\n\n(…)\n\nNadere regel\n\nArtikel 3 Vergunningenplafond\n\n1. Ter bescherming van de openbare orde en veiligheid en ter voorkoming van overlast in de openbare ruimte is het aantal dag- en seizoenstandplaatsen en de incidentele standplaatsen binnenstad gelimiteerd. Een vergunning voor een dagstandplaats, seizoenstandplaats of incidentele standplaats binnenstad wordt alleen verleend voor de aangewezen locaties zoals opgenomen in het aanwijzingsbesluit.\n\n2. Op grond van artikel 5:13 van de verordening wordt in deze tabel aangegeven de categorie standplaats waarvoor een vergunning kan worden verleend, het vergunningenplafond en de maximale vergunningsduur:\n\n Categorie\n\nVergunningenplafond\n\nMaximale vergunningsduur\n\nMobiel verkooppunt\n\nnee\n\n2 maanden\n\nIncidentele standplaats buiten binnenstad\n\nnee\n\n3 dagdelen\n\nIncidentele standplaats binnenstad\n\nnee\n\n3 dagdelen\n\nDagstandplaats\n\nja\n\n15 jaar\n\nSeizoenstandplaats\n\nja\n\n15 jaar\n\nArtikel 7 Bekendmaking mogelijkheid aanvragen vergunning dag- en seizoenstandplaats\n\n1. Het college stelt de periode vast waarbinnen aanvragen voor dag- en seizoenstandplaatsvergunningen kunnen worden ingediend. Hiervan wordt minimaal mededeling gedaan in het Gemeenteblad. Hierin wordt in ieder geval aangegeven:\n\na. een omschrijving van de vrijgekomen kavel en alle kenmerken van de kavel zoals in het aanwijzingsbesluit is opgenomen. Hierbij wordt een kaart van de locatie bijgevoegd;\n\nb. binnen welk tijdvak geïnteresseerden een aanvraag kunnen indienen;\n\nc. binnen welk tijdvak een aanvrager eventuele gebreken op het aanvraagformulier kan herstellen;\n\nd. op welke datum de uitslag van de procedure wordt bekendgemaakt;\n\ne. op welke wijze met gebruikmaking van een (digitaal) aanvraagformulier, een aanvraag kan worden ingediend;\n\nf. welke gegevens bij de aanvraag moeten worden gevoegd om als volledig te worden aangemerkt en;\n\ng. op welke wijze de selectie plaats zal vinden.\n\n2. Het college stelt een (digitaal) aanvraagformulier vast dat moet worden gebruikt voor de vergunningaanvraag.\n\n3. Vergunningaanvragen voor dag- en seizoenstandplaatsvergunningen moeten worden ingediend in het tijdvak als bedoeld onder lid 1 van dit artikel.\n\n4. Per kavel kan maximaal één vergunning verleend worden.\n\n Gemeenteblad 26 juni 2024, 277630.\n\n Gemeenteblad 26 juni 2024, 277377.\n\n Richtlijn 2006\u002F123\u002FEG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt.\n\n Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2019:2892\n\n ECLI:NL:RVS:2021:2910.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2927 en de uitspraak van 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2305.\n\n Adviesrapport maximumstelsel standplaatsen Utrecht van 18 januari 2024.\n\n De resultaten daarvan zijn neergelegd in het Adviesrapport branchering standplaatsen Utrecht van 6 oktober 2023 van onderzoeksbureau [onderzoeksbureau] .\n\n Zie artikel 8:3, eerste lid onder a, van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:595 en 15 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1067.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3893","ecli-nl-rbmne-2026-3893",{"courtName":6,"legalDomain":69,"decisionType":22,"procedureType":23},"Bestuursrecht",{"id":71,"ecli":72,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":73,"fullText":74,"language":7,"source":17,"sourceUrl":75,"summary":14,"slug":76,"metadata":77},"1041","ECLI:NL:RBMNE:2026:3907","2026-07-02T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummers: UTR 26\u002F3070 en 26\u002F2165-T\n\ntussenuitspraak van de voorzieningenrechter van 2 juli 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen\n\n [eiser sub 1]\n\n [eiser sub 2]\n\n [eiser sub 3]\n\n [eiser sub 4]\n\n [eiser sub 5] ,\n\n [eiser sub 6] B.V.\n\neisers, allen uit [woonplaats]\n\n(gemachtigde: mr. R.A. Oosterveer),\n\nenhet college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dronten, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. E. Kovacsek).\n\nAls derde-partij neemt aan de zaken deel: [derde-partij]uit [woonplaats] (vergunninghouder).\n\nInleiding\n\n1. Vergunninghouder heeft op 9 juli 2024 een tijdelijke omgevingsvergunning voor het bouwen van 30 woonunits voor de huisvesting van arbeidsmigranten aan de [adres] in [plaats] aangevraagd. Het college heeft de omgevingsvergunning op 2 oktober 2024 verleend (het primaire besluit I). Daartegen hebben eisers bezwaar gemaakt, omdat zij vrezen dat zij door de woonunits in hun agrarische bedrijfsvoering, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast, worden belemmerd.\n\n2. Met het besluit op bezwaar van 4 juni 2025, dat is uitgereikt op 6 februari 2026 (hierna het bestreden besluit I), heeft het college het primaire besluit in stand gelaten onder verbetering van de motivering. Omdat twee units op minder dan 50 meter afstand van de agrarische percelen zijn gelegen, zoals is gebleken bij een grensreconstructie van het Kadaster, is het primaire besluit I aangepast met een nieuwe situatietekening. Op die tekening staat bij de twee betreffende units het woord ‘opslag’. Het gewijzigde primaire besluit (het primaire besluit II) is genomen op 5 januari 2026.\n\n3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit I en hebben daartegen beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, omdat het bestreden besluit I volgens hen evident onrechtmatig is.\n\n4. Naar aanleiding van het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening heeft het college het bestreden besluit I aangevuld met het besluit van 2 juni 2026 (het bestreden besluit II). Met het bestreden besluit II zijn twee voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden en is het primaire besluit II ingetrokken. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep van eisers van rechtswege mede tegen het bestreden besluit II gericht.\n\n5. Op 9 juni 2026 hebben eisers de rechtbank bericht dat het bestreden besluit II geen aanleiding geeft om het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening in te trekken.\n\n6. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening op 18 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser sub 2] , [eiser sub 1] , de gemachtigde van eiser, vergezeld door mr. M. de Boer, en de gemachtigde van het college. Vergunninghouder is niet op de zitting verschenen.\n\nBeoordeling door de voorzieningenrechter\n\n7. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.\n\n8. De voorzieningenrechter beoordeelt de bestreden besluiten I en II aan de hand van de beroepsgronden van eisers. Op de zitting hebben eisers hun beroepsgrond dat hen de mogelijkheid is ontnomen om zich uit te laten over de vraag of de wijziging die met het primaire besluit II is doorgevoerd aangemerkt kan worden als een ondergeschikte wijziging, doordat dit besluit niet aan hen kenbaar is gemaakt, ingetrokken. Dat betekent dat de voorzieningenrechter niet zal beoordelen of sprake is geweest van een ondergeschikte wijziging van de aanvraag.\n\n9. De voorzieningenrechter zal hierna eerst het wettelijk kader, dan het bestreden vergunningvoorschrift in het bestreden besluit II en daarna alle overige beroepsgronden bespreken.\n\nHet wettelijk kader\n\n10. Partijen zijn het erover eens, en de voorzieningenrechter stelt ook vast, dat de bouw van de woonunits in strijd is met het bestemmingsplan ‘Buitengebied Dronten (D4000)’ dat onderdeel uitmaakt van het omgevingsplan en waarin het perceel de bestemming ‘Maatschappelijk-Zorgboerderij’ heeft.\n\n11. De voorzieningenrechter stelt bij haar beoordeling van de omgevingsvergunning voorop dat, omdat de omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, het college deze alleen kan verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om voor een activiteit die in strijd is met het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen beleidsruimte toe. Daarbij moet het college de betrokken belangen afwegen. De voorzieningenrechter oordeelt daarom niet zelf of de verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De voorzieningenrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden van eisers of de omgevingsvergunning in overeenstemming is met het recht.\n\n12. Het college heeft voor het bouwplan ook een omgevingsvergunning voor de technische bouwactiviteit aan vergunninghouder verleend, maar daartegen zijn de beroepsgronden niet gericht. De beroepsgronden zijn uitsluitend gericht tegen de buitenplanse omgevingsplanactiviteit.\n\nHet beroep tegen het voorschrift in het bestreden besluit II\n\n13. Eisers voeren aan dat de omgevingsvergunning evident in strijd is met de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) over spuitvrije zones tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt (spuitzonering). Met het vergunningvoorschrift dat het gebruik van units 1 en 16 voor langdurig verblijf van mensen niet is toegestaan (waaronder in elk geval, doch niet uitsluitend, het gebruik voor de huisvesting van arbeidsmigranten wordt begrepen) is volgens eisers onvoldoende ondervangen dat niet wordt verbleven in de spuitzone. De units blijven gevoelige objecten, voorzien van een keuken, badkamer, slaapkamer en woonkamer, waarvoor een minimale afstand van 50 meter tot agrarische gronden in acht moet worden genomen. Omdat dit niet het geval is, had de omgevingsvergunning volgens eisers geweigerd moeten worden.\n\n14. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische gronden waarop gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast, niet onredelijk wordt geacht.Het college heeft in de bezwaarfase onderkent dat units 1 en 16 zich binnen de spuitzones van de aangrenzende agrarische percelen van eisers bevinden. Om die reden heeft het college het primaire besluit II genomen, waarmee een gewijzigde tekening aan de omgevingsvergunning is toegevoegd. Op die tekening is bij units 1 en 16 het woord ‘opslag’ vermeld, zodat het niet is toegestaan dat deze units gebruikt worden voor het verblijf van personen. Bij nader inzien vond het college de keuze voor een tweede primaire besluit minder wenselijk, omdat dit besluit inhoudelijk een reactie is op het ingestelde bezwaar van eisers, maar geen onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit I. Daarom heeft het college het primaire besluit II weer ingetrokken en alsnog met het bestreden besluit II het in rechtsoverweging 13 genoemde voorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden. Het bestreden besluit II maakt wel, zoals eerder vermeld, op grond van artikel 6:19 van de Awb van rechtswege onderdeel uit van de onderhavige beroepsprocedure tegen het bestreden besluit I.\n\n15. Naar de voorzieningenrechter begrijpt, heeft het college bij de formulering van het vergunningvoorschrift gepoogd om aan te sluiten bij de definitie van een gevoelig object, zoals is ontwikkeld in de rechtspraak van de Afdeling. Een (spuit)gevoelig object wordt in de rechtspraak van de Afdeling gedefinieerd als een object waar mensen langdurig verblijven.De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het alsnog aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift onvoldoende duidelijk is wat wordt verstaan onder een ‘langdurig verblijf’ van mensen. Uit het voorschrift zelf blijkt niet welke maximale verblijfsduur daaronder wordt geschaard. Gelet hierop is het voorschrift onvoldoende concreet. Dit leidt tot onduidelijkheden voor de naleving en handhaafbaarheid. Bovendien zullen er ook met het verbinden van een geconcretiseerd voorschrift twee units aanwezig zijn die onverminderd geschikt blijven voor het gebruik dat binnen de spuitzone onaanvaardbaar is. Het bestreden besluit II bevat op dit punt een gebrek.\n\nHet beroep tegen het bestreden besluit I\n\n16. Eisers voeren aan dat het college de omgevingsvergunning om drie redenen had moeten weigeren: er is gebouwd buiten het bouwvlak, de aanvraag voldoet niet aan de voorwaarden in het afwijkingenbeleid en de tuinaanleg bij de units valt (gedeeltelijk) binnen de spuitzone.\n\nWoonunits buiten het bouwvlak\n\n17. Eisers voeren aan dat de woonunits inmiddels al zijn gebouwd in afwijking van de verleende omgevingsvergunning en zich bevinden buiten het bouwvlak (specifieke bouwaanduiding- bebouwing) zoals dat op de plankaart van het bestemmingsplan met een stippellijn is weergegeven. Dat blijkt volgens eisers uit de gegevens afkomstig van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG). De overschrijding van het bouwvlak is volgens eisers ten onrechte niet betrokken bij het bestreden besluit I. Bovendien was ten tijde van het nemen van dat besluit al bekend dat de ingediende tekening bij de vergunningaanvraag onjuist was, omdat in ieder geval twee units zich binnen de spuitzone bevonden. Het college had in bezwaar niet alleen onderzoek moeten doen naar units 1 en 16, maar ook naar de plaatsing van de reeds gerealiseerde units buiten het bouwvlak. Omdat in afwijking van de omgevingsvergunning is gebouwd buiten het bouwvlak, had het college de omgevingsvergunning volgens eisers moeten weigeren.\n\n18. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat het college moet beslissen op de aanvraag, zoals die door de aanvrager is ingediend. De aanvraag heeft geen betrekking op bouwen buiten het bouwvlak. Dat de woonunits inmiddels al in afwijking van de verleende omgevingsvergunning buiten het bouwvlak zijn gerealiseerd, zoals ook door het college op de zitting is bevestigd, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter een handhavingskwestie. Omdat op het college een beginselplicht tot handhaving rust, is het aan het college om te onderzoeken of er een concreet zicht op legalisatie bestaat en zo niet om tot handhaving over te gaan. Kortom, de afwijkende plaatsing van de units is geen grond voor weigering van de omgevingsvergunning. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nToetsing aan afwijkingenbeleid: participatie en aantal personen per slaapvertrek\n\n19. Eisers voeren aan dat het college het eigen beleid willekeurig toepast. Zo wijkt het college af van het beleid dat elke arbeidsmigrant in beginsel zijn eigen kamer heeft (dit beleid is gebaseerd op de zogenoemde Roemer-norm). Het beleid is volgens eisers opgesteld om aanvaardbare woon- en leefomstandigheden voor arbeidsmigranten te waarborgen, maar ook om overlast voor omwonenden te voorkomen. Uit het vergunde aantal personen blijkt dat het college uitgaat van een maximale bezetting, dus van twee personen per kamer in plaats van de Roemer-norm. Met de stelling van het college dat participatie op grond van de Omgevingswet geen weigeringsgrond is, gaat het college volgens eisers ook voorbij aan de participatieverplichting die voortvloeit uit het eigen beleid. In dit kader verwijzen eisers naar de op 10 september 2025 geweigerde omgevingsvergunning voor vijftien extra units op het perceel. Volgens eisers was die aanvraag geweigerd vanwege strijdigheden met het gemeentelijk beleid, wat volgens eisers ook nu het geval is.\n\n20. De aanvraag is door het college getoetst aan het Afwijkingenbeleid 2024 van de gemeente Dronten (het afwijkingenbeleid). Het afwijkingenbeleid schrijft voor dat de minimale gebruiksoppervlakte voor wonen conform de NEN 2580, 15 m2 per persoon bedraagt, waarvan minimaal 5,5 m2 per slaapvertrek. Uitgangspunt is één persoon per slaapvertrek. Als de arbeidsmigranten dit wensen zijn tweepersoonsslaapvertrekken toegelaten.In tegenstelling tot wat het college stelt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze norm ook strekt ter bescherming van het woonklimaat van omwonenden zodat zij zich op deze norm kunnen beroepen. Zoals uit de formulering blijkt is echter sprake van een beleidsmatig uitgangspunt en geen harde norm. De voorzieningenrechter kan het college volgen in zijn standpunt dat het aan de arbeidsmigranten zelf is om te beslissen of zij een unit alleen of samen (met bijvoorbeeld een partner) willen huren. Het college zou te veel ingrijpen in de financiële en relationele sfeer van de arbeidsmigranten door in de vergunning een harde eis van één persoon per slaapvertrek te stellen.\n\n21. Verder overweegt de voorzieningenrechter het volgende. De Omgevingswet schrijft geen verplichte participatie voor. De aanvrager van een omgevingsvergunning is enkel verplicht om te motiveren of aan participatie is gedaan en wat de resultaten daarvan zijn.Tijdens de zitting heeft het college bevestigd dat de gemeenteraad geen gevallen van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten heeft aangewezen op grond van artikel 16.55, zevende lid, van de Omgevingswet, op grond waarvan het bieden van participatiemogelijkheden verplicht is voordat een aanvraag om omgevingsvergunning wordt ingediend. Dat in het verleden een vergelijkbare vergunning zou zijn geweigerd onder verwijzing naar het gemeentelijk beleid ligt, wat daar ook van zij, in deze procedure niet ter beoordeling voor. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nSpuitzone en de tuinaanleg\n\n22. Eisers voeren aan dat ook aan de oostzijde van het perceel sprake is van een overschrijding van de spuitvrije zone, daar waar er een tuin staat weergegeven op de plattegronden bij de omgevingsvergunning. Eisers stellen zich op het standpunt dat deze tuin vrij gebruikt zal gaan worden door de bewoners van de units en zij dan dus verblijven binnen de spuitzone met het risico dat zij blootgesteld worden aan gewasbeschermingsmiddelen. De stelling van het college in het bestreden besluit dat dit gedeelte binnen de spuitzone als parkeerruimte is ingetekend, is feitelijk onjuist. Op de inrichtingstekening is een tuin gesitueerd direct aangrenzend aan de woonunits welke voor een groot oppervlakte doorloopt tot binnen de spuitzone. Ook om deze reden had de omgevingsvergunning volgens eisers geweigerd moeten worden.\n\n23. Uit de inrichtingstekening bij de aanvraag maakt de voorzieningenrechter op dat de gronden bij de woonunits worden ingericht als een tuin. Op tekening is de aanduiding ‘groene ontwikkeling’ vermeld en is onder meer voorzien in een grasveld en een haag. Dit grasveld is volgens eisers gelegen binnen 50 meter tot de perceelsgrens en bevindt zich dus gedeeltelijk binnen de spuitzone. Het college betwist dat niet. Zoals de Afdeling heeft overwogen is een tuin bij een woning een voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functie.Omdat de woonunits relatief klein zijn acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat de bewoners vanaf het voorjaar tot het najaar regelmatig gebruik zullen maken van de tuin. Zij zullen geregeld buiten zitten om bijvoorbeeld te recreëren en te eten. Het is precies de periode waarin agrariërs gewasbeschermingsmiddelen op hun gewassen toepassen en waarin het, gelet op mogelijke gezondheidsrisico’s, van belang is dat er geen gevoelige functies binnen de spuitzone zijn. Omdat het bouwplan in zoverre een gevoelige functie mogelijk maakt op een kortere afstand dan 50 meter van gronden waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, bevat het bestreden besluit I een gebrek.\n\nTussenuitspraak\n\n24. Zoals de voorzieningenrechter heeft overwogen zijn er twee gebreken in de besluitvorming. Het ene gebrek is dat de units 1 en 16 zich bevinden binnen de spuitzone en niet als zodanig vergund hadden mogen worden. De poging van het college om dit te ondervangen met het voorschrift dat deze units niet gebruikt mogen worden voor langdurig verblijf is te onbepaald. Het andere gebrek is dat de vergunning er in voorziet dat gronden binnen de spuitzone zullen worden ingericht als tuin, zonder dat met een zichtbare afscheiding in de vorm van een hek of haag wordt voorkomen dat personen daarbinnen gaan verblijven. Om de gebreken te kunnen herstellen zal het college met inachtneming van de hierboven opgenomen overwegingen een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen. Daarbij zal de verleende omgevingsvergunning, zo mogelijk op basis van een gewijzigde tekening bij de aanvraag, moeten worden gewijzigd. Daarbij zullen de units 1 en 16 moeten komen te vervallen of zodanig moeten worden aangepast dat deze ruimten (zoals aanvankelijk met het primaire besluit II bedacht) alleen gebruikt kunnen worden voor bijvoorbeeld opslag en niet voor het verblijf van personen geschikt zijn. Ook zal een gewijzigde inrichtingstekening bij de omgevingsvergunning gevoegd moeten worden op basis waarvan de tuinaanleg bij de units zodanig wordt gewijzigd dat met een adequate afbakening in de vorm van bijvoorbeeld een hekwerk of haag vermeden wordt dat de gronden binnen de spuitzone gebruikt worden voor het verblijf van personen.\n\n25. Het college moet (in overleg met vergunninghouder) zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de voorzieningenrechter of hij gebruik maakt van de gelegenheid om de gebreken te herstellen. Als het college gebruik heeft gemaakt van de herstelmogelijkheid, zal de voorzieningenrechter verzoekers en vergunninghouder in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van het college. In beginsel, ook in de situatie dat het college de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de voorzieningenrechter zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.\n\n26. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in deze tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht.\n\n27. De voorzieningenrechter houdt in de beroepszaak iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op dit beroep. Dat laatste betekent ook dat hij over de proceskosten in bezwaar en beroep nu nog geen beslissing neemt.\n\nVoorlopige voorziening\n\n28. Omdat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter aan de bestreden besluiten gebreken kleven gaat hij over tot beoordeling van de vraag of het noodzakelijk is om een voorlopige voorziening te treffen. Hiertoe weegt hij de belangen van de verschillende partijen bij het treffen van een voorlopige voorziening.\n\n29. Uit de beoordeling van het beroep volgt dat de besluitvorming van het college gebreken vertoont, maar ook dat dat die gebreken gelet op de aard ervan herstelbaar kunnen zijn. Hoewel de gebreken nog hersteld kunnen worden, zal de voorzieningenrechter een voorziening treffen. De voorzieningenrechter sluit namelijk niet uit dat de nieuwe besluitvorming door het college ertoe kan leiden dat de omgevingsvergunning alsnog wordt geweigerd. Verder is het, zoals na iedere tussenuitspraak, niet zeker dat de gebreken door het college hersteld worden. Daar komt bij dat vergunninghouder niet op de zitting is verschenen en ook niet schriftelijk heeft gereageerd, zodat onbekend is in hoeverre hij tot de nodige aanpassingen bereid is. Gelet op deze omstandigheden zal de voorzieningenrechter de omgevingsvergunning schorsen voor zover het betreft de units 1 en 16 en de tuinaanleg binnen de spuitzone. Met het oog op de ingebruikneming van de overige units zal de voorzieningenrechter bij wijze van voorlopige voorziening bepalen dat een (voorlopige) afscheiding aanwezig is, waarmee duidelijk wordt dat de tuingedeelten binnen de spuitzone niet geschikt zijn voor het verblijf van personen. Deze voorlopige voorziening vervalt automatisch als er einduitspraak wordt gedaan.\n\nBeslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\ndraagt het college op binnen twee weken aan de voorzieningenrechter mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid om de gebreken in de bestreden besluiten te herstellen;\n\nstelt het college in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in de bestreden besluiten te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;\n\nhoudt iedere verdere beslissing in de bodemzaak aan;\n\nschorst bij wijze van een voorlopige voorziening de omgevingsvergunning van 2 oktober 2024 voor zover deze ziet op:\n\n1. units 1 en 16;\n\n2. het inrichten van de gronden binnen de spuitzone als tuinaanleg.\n\n- bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat zodra de andere vergunde units in gebruik zijn, een zichtbare afscheiding is aangebracht, waarmee duidelijk wordt dat de tuingedeelten binnen de spuitzone niet geschikt zijn voor het verblijf van personen.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.\n\nDe griffier is verhinderd om de\n\nuitspraak te ondertekenen\n\ngriffier\n\nvoorzieningenrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nBent u het niet eens met deze uitspraak?\n\nTegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.\n\nTegen deze tussenuitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.\n\n Op grond van artikel 8:86 van de Awb.\n\n Artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4407, rechtsoverweging 12.2.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1973, rechtsoverweging 9.1.\n\n Artikel 8.1, vijfde lid, van het afwijkingenbeleid.\n\n Artikel 7.4 van de Omgevingsregeling en artikel 16.55 lid 6 van de Omgevingswet.\n\n Uitspraak van de Afdeling van 27 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4133, rechtsoverweging 10.3.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3907","ecli-nl-rbmne-2026-3907",{"courtName":6,"legalDomain":78,"decisionType":22,"procedureType":23},"Bestuursrecht; Omgevingsrecht",{"id":80,"ecli":81,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":73,"fullText":82,"language":7,"source":17,"sourceUrl":83,"summary":14,"slug":84,"metadata":85},"1128","ECLI:NL:RBDHA:2026:18647","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.34533\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres\n\n(gemachtigde: mr. M.S. Dunant Maurits),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 19 juni 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.\n\nDe minister heeft de rechtbank op 20 juni 2026 op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. B. Temeltasch, als waarnemer van haar gemachtigde. Als tolk is verschenen N.E. Ramirez Ruiz. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.\n\n2. Eiseres stelt de Cubaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1982. Op 19 juni 2026 is zij aangekomen op [luchthaven] en heeft zij een asielaanvraag ingediend. De minister heeft diezelfde dag een besluit over de toegangsweigering uitgesteld en aan eiseres een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd.\n\nGrondslag van de maatregel\n\n3. Eiseres voert aan dat de maatregel twee grondslagen stapelt. Artikel 6, derde lid, Vw en artikel 5 van de Screeningsverordening. In de maatregel staat verder een beoordeling over zicht op uitzetting, hetgeen ontleend is aan het toetsingskader van artikel 6, eerste en tweede lid, in samenhang met het zesde lid van de Vw.\n\n4. De rechtbank overweegt dat het feit dat in de maatregel staat dat de vrijheidsbeneming wordt gebaseerd op artikel 6, derde lid, van de Vw en mede op artikel 5 van de Screeningsverordening niet maakt dat sprake is van een onrechtmatige grondslag. Artikel 6, derde lid, van de Vw luidt immers als volgt:“De vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 te willen indienen, met inbegrip van de vreemdeling op wie artikel 5, tweede lid, van de Screeningsverordening van toepassing is, kan, zolang hij wordt aangemerkt als verzoeker in de zin van artikel 2, aanhef en onder 2, van de Opvangrichtlijn, eveneens worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, onderscheidenlijk in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 5, 6 en 8, eerste en derde lid, van de Screeningsverordening. Artikel 59b, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.”\n\n5. Dat in de maatregel ook vinkjes zijn gezet bij de vraag of er zicht op uitzetting is, maakt de maatregel ook niet onrechtmatig. Nu eiseres een asielaanvraag heeft ingediend is zicht op uitzetting op dit moment niet aan de orde. Eiseres is door de onjuiste vinkjes niet in haar belangen geschaad.\n\nLichter middel\n\n6. Eiseres voert verder aan dat de minister al voorafgaand aan de opheffing had moeten volstaan met een lichter middel dan de vrijheidsontnemende maatregel, omdat de minister in het bestreden besluit niet heeft gemotiveerd waarom in dit geval niet met het toepassen van een lichter middel kon worden volstaan. De motivering in de maatregel is van algemene aard en geldt voor iedere vreemdeling die aan de grens asiel aanvraagt. De motivering is niet toegespitst op de situatie van eiseres. Eiseres komt niet voor in de databanken, zij heeft een echt een geldig paspoort en er zijn geen onderduikindicatoren gesteld of gebleken.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat eiseres niet heeft betwist dat zij aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl zij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed, en dat zij daarmee voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw.\n\n8. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.\n\n9. De rechtbank is van oordeel dat uit het proces-verbaal van gehoor blijkt dat aan eiseres in voldoende mate duidelijk is gemaakt dat het aan haar was om eventuele bijzondere feiten of omstandigheden met betrekking tot haar persoonlijke belangen aan te voeren die tot het oordeel konden leiden dat de minister diende af te zien van het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel. Desgevraagd heeft eiseres verklaard te begrijpen dat zij naar een gesloten detentiecentrum moet en heeft zij aangegeven dat dat beter is dan terug te keren naar Cuba. Zij heeft verder aangegeven geen gezondheidsproblemen te hebben, geen familieleden in de Europese unie te hebben en op de vraag of er andere omstandigheden zijn die aanleiding moeten geven om haar asielaanvraag in vrijheid af te wachten heeft eiseres geantwoord dat die er niet zijn.\n\n10. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de minister in de maatregel heeft kunnen volstaan met de motivering dat geen minder dwingende maatregel kan worden toegepast zonder het grensbewakingsbelang prijs te geven en dat eiseres geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die zouden moeten leiden tot de conclusie dat de maatregel onevenredig bezwarend is. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nKwetsbaarheids- en medische beoordeling\n\n11. Eiseres voert voorts aan dat de minister ten onrechte geen kwetsbaarheids- en medische beoordeling heeft uitgevoerd. Er zijn concrete aanwijzingen voor kwetsbaarheid, zodat de minister verplicht is om de grensprocedure in het geval van eiseres niet toe te passen.\n\n12. De minister heeft ter zitting toegelicht dat eiseres is gescreend alvorens de maatregel is opgelegd en dat tijdens deze screening niet is gebleken van kwetsbaarheid of medische omstandigheden.\n\n13. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding voor twijfel aan het standpunt van de minister dat er een kwetsbaarheids- en medische beoordeling is uitgevoerd. De rechtbank betrekt hierbij dat ook het proces-verbaal van gehoor voorafgaand aan de maatregel geen aanknopingspunten biedt voor het feit dat er sprake zou zijn van kwetsbaarheid of medische problematiek.\n\nConclusie\n\n14. Ook ambtshalve toetsend is de rechtbank niet gebleken dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is opgelegd of onrechtmatig voortduurt.\n\n15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Berghuis, rechter, in aanwezigheid van mr.L.S. Lodder, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18647","ecli-nl-rbdha-2026-18647",{"courtName":6,"legalDomain":86,"decisionType":22,"procedureType":23},"Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":88,"ecli":89,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":73,"fullText":90,"language":7,"source":17,"sourceUrl":91,"summary":14,"slug":92,"metadata":93},"997","ECLI:NL:RBMNE:2026:4006","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nTeam Insolventie\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nzaaknummer: C\u002F16\u002F26\u002F1033 R\n\nuitspraakdatum: 2 juli 2026\n\nVonnis op grond van artikel 350 lid 3 Fw (tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling)\n\nIn de zaak van:\n\n [verzoeker] ,\n\nwonend in [woonplaats] ,\n\nverzoeker,\n\nhierna te noemen: [verzoeker] ,\n\nadvocaat: mrs. A. Coppelmans en M.E.R. van Herpen, kantoorhoudend in Den Haag,\n\ntegen\n\n [verweerster] ,\n\nwonende op een, bij de rechtbank bekend, geheim adres,\n\nverweerster,\n\nhierna te noemen: [verweerster] ,\n\nadvocaat: mr. R. van Biezen, kantoorhoudend in Den Haag.\n\n1. Het procesverloop\n\nBij vonnis van 12 februari 2026 is ten aanzien van [verweerster] de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) uitgesproken met benoeming van mr. G. Konings tot rechter-commissaris en dhr. B.L. Menting tot bewindvoerder.\n\nMet een verzoekschrift, gedateerd op 6 maart 2026, heeft [verzoeker] de rechtbank verzocht om de toepassing van de Wsnp tussentijds te beëindigen. Vervolgens is de mondelinge behandeling bepaald op 4 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft vóór de mondelinge behandeling kennisgenomen van de volgende stukken:\n\nverzoekschrift ingediend door [verzoeker] met bijlage 1 t\u002Fm 44;\n\nverweerschrift van [verweerster] met bijlage N01 t\u002Fm N05 en de referentieset;\n\nde aanvullende brief van [verzoeker] , ingekomen op 1 juni 2026 met bijlage 45 t\u002Fm 49;\n\nde aanvullende brief van [verzoeker] , ingekomen op 3 juni 2026 met bijlage 50;\n\nde aanvullende reactie van [verweerster] , ingekomen op 3 juni 2026 met bijlages N01 t\u002Fm N08;\n\nde nagestuurde referentieset bij het verweer van [verweerster] , ingekomen op 3 juni 2026.\n\nOp de mondelinge behandeling van 4 juni 2026 zijn [verzoeker] en zijn beide advocaten verschenen. Mr. Coppelmans heeft op schrift gestelde pleitaantekeningen voorgedragen en overgelegd. [verweerster] is eveneens verschenen en bijgestaan door haar advocaat voornoemd. [verweerster] heeft aan het einde van de mondelinge behandeling een “nadere toelichting”voorgedragen en overgelegd. Verder heeft [verweerster] nog een aan haar gerichte“werkgeversverklaring mbt reintegratie werkzaamheden”, gedateerd 3 juni 2026, overgelegd. Op de mondelinge behandeling is tenslotte nog verschenen dhr. B.L. Menting, bewindvoerder van [verweerster] .\n\nVonnis is bepaald op heden.\n\n2. Het geschil\n\n2.1.\n\n [verzoeker] verzoekt de rechtbank “de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van mevrouw [verweerster] , geboren op [geboortedatum] 1972, op grond van artikel 350 lid 3 sub e en\u002Fof sub f Fw tussentijds te beëindigen zonder toekenning van de schone lei.”\n\nIn zijn verzoekschrift voert [verzoeker] aan dat er sprake is van benadeling van schuldeisers en schulden te kwader trouw. Indien, aldus [verzoeker] , [verweerster] alle relevante informatie had gedeeld was de toepassing van de schuldsanering nimmer uitgesproken. De toepassing van de Wsnp dient dan ook tussentijds te worden beëindigd, zonder toekenning van de schone lei. [verzoeker] beroept zich op twee gronden:\n\ni) artikel 350, lid 3 sub e Fw: [verweerster] tracht haar schuldeisers te benadelen;\n\nii) artikel 350, lid 3 sub f Fw: er zijn feiten en omstandigheden bekend geworden die op het tijdstip van indiening van het verzoek tot toelating reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen.\n\n2.2.\n\n [verweerster] verzoekt de rechtbank: “het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling af te wijzen en het vonnis van 13 februari 2026, waarbij verweerster tot de wettelijke schuldsaneringsregeling is toegelaten, in stand te laten.”\n\nIn haar verweerschrift concludeert [verweerster] dat de door [verzoeker] , in zijn verzoekschrift, aangevoerde “feiten en omstandigheden” ofwel feitelijk onjuist zijn, ofwel niet onderbouwd, ofwel bekend waren bij de toelatingsrechter en bij de toelating zijn meegewogen. Er is geen sprake van benadeling van schuldeisers in de zin van artikel 350, lid 3 sub e Fw. Er zijn geen naderhand bekend geworden feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 350 lid 3 sub f Fw die tot afwijzing van het toelatingsverzoek hadden geleid. Het verzoek tot tussentijdse beëindiging is, aldus [verweerster] , niet gegrond en dient te worden afgewezen.\n\n3. De beoordeling van het verzoek\n\n3.1.\n\nBij de beoordeling van het verzoek gaat de rechtbank uit van de volgende vaststaande feiten.\n\n- Partijen zijn ex-echtelieden. Bij beschikking van de rechtbank Den Haag d.d.\n\n [datum echtscheiding] 2021 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.\n\nBij beschikking van 31 januari 2022 heeft de rechtbank Den Haag beslist over de vermogensrechtelijke afwikkeling van de echtscheiding.\n\nNadat [verzoeker] hoger beroep had ingesteld tegen voormelde beschikking van 31 januari 2022 en [verweerster] incidenteel hoger beroep had ingesteld heeft het gerechtshof Den Haag bij beschikking van 7 december 2022 de beschikking van de rechtbank Den Haag d.d. 31 januari 2022 vernietigd en -opnieuw rechtdoende- een andere wijze van verdeling gelast en [verweerster] veroordeeld tot betaling van een bedrag ad\n\n€ 278.372,50 aan [verzoeker] . Bij beschikking van 29 maart 2023 heeft het gerechtshof Den Haag de beschikking van 7 december 2022 verbeterd aldus dat het door [verweerster] aan [verzoeker] te betalen bedrag is bepaald op € 289.304,30.\n\nDirect ná de beschikking van 31 januari 2022 heeft [verweerster] diverse beslagen ten laste van [verzoeker] doen leggen. In de daarop volgende procedures zijn -voor zover einduitspraak is gedaan- de vorderingen van [verweerster] afgewezen.\n\nBij vonnis in kort geding d.d. 16 september 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag alle ten laste van [verzoeker] gelegde beslagen opgeheven, [verweerster] verboden opnieuw executoriaal beslag te leggen ter zake partneralimentatie en - kort en zakelijk samengevat- [verweerster] veroordeeld mee te werken aan de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden zoals bepaald bij beschikking van\n\n7 december 2022 (en aangevuld en verbeterd bij beschikking van 29 maart 2023).\n\nEind 2024 heeft [verweerster] de rechtbank Midden-Nederland verzocht om toegelaten te worden tot de Wsnp.\n\nHet verzoek van [verweerster] om toegelaten te worden tot de Wsnp is door de rechtbank Midden-Nederland bij vonnis van 25 februari 2025 afgewezen. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij arrest van 6 juni 2025 het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland d.d. 25 februari 2025 bekrachtigd.\n\nEind 2025 heeft [verweerster] zich opnieuw tot de rechtbank Midden-Nederland gewend met een verzoek toegelaten te worden tot de Wsnp.\n\nBij vonnis van 13 februari 2026 heeft de rechtbank Midden-Nederland [verweerster] toegelaten tot de Wsnp. Voor zover thans van belang heeft de rechtbank daarbij het volgende overwogen:\n\n“De rechtbank overweegt dat hetgeen het hof heeft overwogen over het gebrek aan goede trouw van [verweerster] ten aanzien van het laten ontstaan of onbetaald laten van haar schulden in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoek is ingediend, in beginsel nog steeds in de weg staat aan toelating tot de Wsnp. [verweerster] heeft immers in augustus 2023 een recht van hypotheek aan [bedrijf 1] B.V. verstrekt. De in artikel 288, eerste lid, onder b, van de Faillissementswet opgenomen driejaarstermijn verstrijkt dus pas in augustus 2026.\n\nHoewel deze omstandigheid toelating tot de Wsnp in beginsel in de weg staat, is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval op grond van de uitzichtloze situatie van [verweerster] en ter voorkoming van verdere neergang, een uitzondering moet worden gemaakt. De rechtbank zal evenwel ter compensatie van het geconstateerde verwijtbare handelen van [verweerster] , de duur van de schuldsanering verlengen en licht dit als volgt toe.”\n\nen verder:\n\n“De rechtbank is verder van oordeel dat, gelet op de uiteenzetting van [verweerster] in het verzoekschrift en de aanvullende stukken van 21 januari 2026 en 8 februari 2026 waarin [verweerster] aannemelijk heeft gemaakt welke gerechtelijke procedures er thans lopen en dat er voor haar geringe financiële risico’s aan zijn verbonden, dit aspect een toewijzing tot de Wsnp niet in de weg staat. De rechter-commissaris zal verder de voortzetting en aanvang van (nieuwe) procedures dienen te beoordelen.”\n\nBij arrest van het gerechtshof Den Haag van 24 maart 2026 heeft het gerechtshof het hiervoor vermelde kort geding vonnis van 16 september 2024 bekrachtigd met veroordeling van [verweerster] in de geliquideerde proceskosten. Daarbij heeft het gerechtshof Den Haag het volgende overwogen: “Het hof is van oordeel dat de vrouw de grens heeft bereikt met betrekking tot de procedures die zij tegen de man heeft gevoerd. Ook van haar kan worden verlangd dat zij op een correcte wijze uitvoering geeft aan rechterlijke beslissingen en van haar kan ook in redelijkheid worden verlangd dat zij niet nodeloos de man in rechte betrekt. Ook de advocaat van de vrouw heeft hier een rol in om nodeloze procedures te voorkomen. Gezien de proceshouding van de vrouw ziet het hof thans aanleiding haar in de proceskosten in hoger beroep te veroordelen. Het hof zal thans nog uitgaan van het liquidatietarief.”\n\nBij arrest van het gerechtshof Den Haag d.d. 2 juni 2026 -waarbij het gerechtshof de door [verweerster] bestreden vonnissen van de rechtbank Den Haag d.d. 21 februari 2024, 21 augustus 2024 en 25 september 2024 heeft bekrachtigd, is [verweerster] veroordeeld in de werkelijke proceskosten van [verzoeker] . Daarbij heeft het gerechtshof het volgende overwogen: “Uit de gewisselde stukken volgt dat [verweerster] een veelvoud aan procedures (waaronder naast bodemprocedures meerdere kortgedingen en beslagprocedures in twee instanties) tegen [verzoeker] heeft opgestart, waarop zij ook in eerdere procedures reeds onherroepelijk besliste geschilpunten veelal opnieuw -al dan niet in een andere vorm- naar voren brengt. Het hof concludeert dat [verweerster] , nadat zij daar al eerder op is gewezen, (ook) in deze procedure in hoger beroep weer een groot aantal stellingen naar voren brengt, zonder daarbij duidelijk aan te geven tegen welke oordelen zij zich richt en welke bezwaren (grieven) er precies tegen die oordelen worden aangevoerd, hetgeen de positie van de wederpartij onnodig verzwaart ook stelt het hof vast dat [verweerster] geen uitvoering heeft gegeven aan de in gezag van gewijsde gegane beschikkingen van dit hof van 7 december 2022 en 29 maart 2023, en ook niet aan een aantal andere onherroepelijke veroordelingen, al dan niet op straffe van een dwangsom opgelegd (bijvoorbeeld ten aanzien van het huisje in België). Daarmee bemoeilijkt ze de afronding van andere geschilpunten en procedures die tussen partijen lopen zonder dat daar een goede grond voor is gebleken. Ook zijn er beslagprocedures gevoerd, waarbij het door [verweerster] gelegde beslag moest worden opgeheven omdat daar geen of te weinig grondslag voor bleek te bestaan. Dit alles heeft geleid tot hoog opgelopen proceskosten voor [verzoeker] en nu ook de BV, die mede de oorzaak zijn voor het feit dat in de onderhavige procedure niet tot afstorting van pensioen kan worden overgegaan. Bij arrest van 26 maart 2026 van dit hof heeft het hof al overwogen dat de vrouw de grens heeft bereikt met betrekking tot het voeren van procedures tegen de man en heeft het hof de vrouw in de proceskosten veroordeeld, het hof verwijst naar productie 72 van de akte van geïntimeerden. Uit productie 73 van voormelde akte volgt dat [verweerster] op 7 april 2026 wederom in hoger beroep heeft gedagvaard met betrekking tot appel van een vonnis van 11 maart 2026. Er komt geen eind aan alle procedures die [verweerster] voert en blijft voeren. Gezien de proceshouding van [verweerster] is het hof van oordeel dat zij hiermee al met al misbruik van procesrecht maakt ten opzichte van [verzoeker] . Het hof zal [verweerster] veroordelen in de werkelijke proceskosten conform de opgave van de advocaat van geïntimeerden (….), nu deze opgave in hoger beroep onbestreden is gebleven. Het gaat dan om een bedrag van € 15.888,--, inclusief griffierecht ad € 6.803,--”.\n\nAlvorens de door [verzoeker] aangevoerde twee gronden voor tussentijdse beëindiging te\n\nbespreken overweegt de rechtbank het volgende.\n\nIn haar aan de toelating tot de Wsnp ten grondslag liggend verzoekschrift is het volgende verwoord:\n\n“Mevrouw [verweerster] is bij arrest van het gerechtshof van 29 maart 2023 veroordeeld tot betaling van een aanzienlijk bedrag aan haar ex-partner.\n\nNaar aanleiding van deze uitspraak is de heer [verzoeker] vanaf 1 oktober 2023 overgegaan tot het inhouden van een substantieel deel van de door hem verschuldigde partneralimentatie. Hierdoor is het inkomen van mevrouw [verweerster] drastisch gedaald.\n\nOm zich te verweren tegen de voortdurende juridische conflicten met haar ex-partner heeft mevrouw [verweerster] noodgedwongen verschillende deskundigen moeten inschakelen, waaronder advocaten, deurwaarders en pensioenadviseurs. De aanzienlijke kosten die hieruit zijn voortgevloeid hangen allemaal rechtstreeks samen met de te hoge verrekening van de partneralimentatie door de heer [verzoeker] en daarnaast ook door de onrechtmatige onttrekking van dividend, de weigering van [verzoeker] van de waardeoverdracht pensioenreserve naar een andere toegelaten pensioenaanbieder en zijn weigering tot medewerking aan de overname van het eigendomsaandeel van mevrouw [verweerster] van het chalet in de [plaats 1] als ook de medewerking van de verkoop aan derden.\n\nDeze schulden zijn dan ook niet het gevolg van verwijtbaar financieel gedrag, maar vinden hun oorsprong in omstandigheden die buiten de invloedssfeer van mevrouw [verweerster] liggen. In oktober 2024 heeft mevrouw [verweerster] , gelet op de uitzichtloze situatie waarin zij verkeert, een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend. Dit verzoek is in zowel eerste aanleg als hoger beroep afgewezen.\n\nSinds die tijd is haar financiële positie verder verslechterd. De heer [verzoeker] is nog minder alimentatie gaan betalen, waardoor het inkomen van mevrouw [verweerster] verder is gedaald. Daarnaast is zij inmiddels arbeidsongeschikt geraakt door de langdurige financiële stress en onzekerheid. Ondanks deze omstandigheid blijft mevrouw [verweerster] zich volledig inspannen om haar lopende verplichtingen te voldoen.”\n\nDe rechtbank vindt dat [verweerster] met deze inleiding in haar verzoekschrift toelating Wsnp een vertekend beeld heeft gegeven van de werkelijkheid. Er zijn diverse procedures tussen partijen gevoerd (en er lopen nog procedures) die zijn begonnen nadat [verweerster] beslag en executiemaatregelen is gaan nemen op basis van de beschikking van de rechtbank Den Haag d.d. 31 januari 2022 wetende dat tegen deze beschikking hoger beroep was ingesteld. Hier komt bij dat, nadat de beschikking van de rechtbank Den Haag door het gerechtshof Den Haag was vernietigd en het gerechtshof een andere wijze van afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden had gelast, [verweerster] is doorgegaan met beslagen en executiemaatregelen, daarbij de inhoud van de beschikking van het gerechtshof Den Haag van 7 december 2022 niet in acht nemend. Het beeld dat uit de vele procedures opkomt is dat [verweerster] geen uitvoering wenst te geven aan de onherroepelijke beschikking van het gerechtshof Den Haag van 7 december 2022 (aangevuld en verbeterd bij beschikking van 29 maart 2023), daarbij talloze procedures heeft geïnitieerd met als meest recente uitkomst twee proceskostenveroordelingen door het gerechtshof Den Haag .\n\nArtikel 350, lid 3 sub e Fw\n\n3.3.\n\nVoor zijn beroep op artikel 350, lid 3 sub e Fw heeft [verzoeker] aangevoerd dat [verweerster] :\n\n- vermogen heeft verschoven naar derden via een web van ondernemingen, stichtingen en tussengeplaatste personen. In haar Wsnp-verzoek heeft [verweerster] als onderneming uitsluitend [bedrijf 1] B.V. opgegeven en KvK-uittreksels van [bedrijf 1] B.V., [bedrijf 2] , [bedrijf 3] B.V. en [bedrijf 4] overgelegd. Uit deze uittreksels volgt enkel dat [naam 1] bestuurder is. Hiermee poogt [verweerster] , aldus [verzoeker] , haar betrokkenheid bij deze vennootschappen te verbergen. Eerst na haar toelating tot de Wsnp is [verzoeker] gebleken Dat [bedrijf 1] B.V. onder [bedrijf 2] hangt welke stichting voorheen gevestigd was op het woonadres van de ouders van [verweerster] . Op 23 maart 2024 heeft [verweerster] [bedrijf 5] B.V. opgericht van welke B.V. de dochter van partijen, [naam 2] , sedert 17 mei 2024 enig aandeelhouder is. [naam 2] was op dat moment 18 jaar en was bezig met het afronden van de middelbare school in Italië. Op 18 april 2025 is [bedrijf 5] B.V. enig aandeelhouder geworden van [bedrijf 5] B.V., eveneens gevestigd op het adres van de ouders van [verweerster] . Eveneens op naam van dochter [naam 2] is op\n\n26 april 2024 [bedrijf 6] B.V. opgericht, ook gevestigd op het adres van de ouders van [verweerster] . [bedrijf 6] B.V. is enig aandeelhouder van [bedrijf 7] B.V. en [bedrijf 8] B.V. Deze laatste B.V. heeft als omschrijving: handel in onroerend goed en bemiddeling in en beheer van onroerend goed voor een vast bedrag dan wel bedrag op contractbasis. Dit past bij [verweerster] die makelaar is, niet bij [naam 2] die -voor zover [verzoeker] bekend- nog student is aan de [onderwijsinstelling] . Op 15 februari 2022 heeft [verweerster] [bedrijf 3] B.V. opgericht en één dag later [bedrijf 9] B.V. waarvan [bedrijf 3] B.V. enig aandeelhouder is. Sinds 2023 is mevrouw [naam 1] (bestuurder van [bedrijf 1] B.V.) bestuurder van de B.V. en is de [bedrijf 4] enig aandeelhouder van de B.V. en de deelnemingen. Het is onbekend of [verweerster] haar aandelen heeft verkocht en, zo ja, voor welk bedrag. Ook is onbekend of [verweerster] nog inkomen ontvangt uit deze ondernemingen. En tenslotte: [verweerster] was haar opheffing op 15 oktober 2024 gevolmachtigde van [bedrijf 10] B.V., gevestigd op het adres van haar ouders. Het is onbekend wat de rol van [verweerster] is geweest;\n\ndrie percelen grond in Italië heeft verkocht aan een offshore entiteit in een niet transparante jurisdictie. In mei 2022, slechts enkele dagen nadat [verzoeker] hoger beroep had ingesteld, heeft [verweerster] drie percelen grond in Italië verkocht aan [bedrijf 11] , gevestigd te [plaats 2] en [plaats 3] . Niet duidelijk is onder welke voorwaarden deze verkoop heeft plaatsgevonden. In haar verzoekschrift toelating Wsnp vermeldt [verweerster] dat zij een bedrag ad € 120.000,-- heeft ontvangen maar dat is niet geloofwaardig nu in de procedure bij het gerechtshof Den Haag de onroerende zaken zijn gewaardeerd op € 384.000,--. De verkoop aan een offshore entiteit in een niet-transparante jurisdictie, kort ná aanvang van het hoger beroep, was kennelijk gericht op het onttrekken van vermogen aan het verhaal van schuldeisers;\n\nonrechtmatig hypotheek heeft gevestigd op een woning die reeds aan [verzoeker] was toegedeeld. In haar Wsnp-verzoek stelt [verweerster] dat [verzoeker] weigert zijn medewerking te verlenen aan de overname van het eigendomsdeel van [verweerster] dan wel het verkopen aan derden. Het tegendeel is echter het geval, aldus [verzoeker] . [verweerster] is, eerst vanwege de beschikking van 7 december 2022 en later het vonnis van 16 september 2024, gehouden tot het verlenen van haar medewerking aan toedeling van het chalet in België aan [verzoeker] . [verweerster] heeft echter (i) geen enkele actie ondernomen om tot doorhaling van de hypotheek op de woning te komen en (ii) heeft door het weigeren van medewerking een bedrag ad € 60.000,-- aan dwangsommen verbeurd;\n\nde beslagvrije voet kunstmatig hoog gehouden door structureel onjuiste en onvolledige inkomensgegevens te verstrekken, waardoor het voor verrekening beschikbare gedrag werd geminimaliseerd en [verzoeker] als schuldeiser direct werd benadeeld;\n\nde aard van haar schulden onjuist voorgesteld door haar eigen agressieve processtrategie en onrechtmatig handelen te presenteren als noodzakelijk verweer.\n\nDit alles, aldus [verzoeker] , levert in samenhang en los bezien een grond op voor tussentijdse beëindiging op grond van artikel 350, lid 3 sub e Fw.\n\nDe rechtbank oordeelt dat het beroep van [verzoeker] op artikel 350, lid 3 sub e Fw opgaat. Bij de toepassing van artikel 350, lid 3 sub e Fw gaat het in wezen om gedrag dat in de gegeven omstandigheden niet als te goeder trouw kan worden geschetst. Daarvan is in ieder geval sprake bij de hiervoor in 3.3. eerste, derde en vijfde gedachtestreepje genoemde handelingen en nalatigheden. Voor wat betreft het hiervoor genoemde “web van ondernemingen, stichtingen en tussengeplaatste personen” blijkt uit het verzoekschrift toelating Wsnp in ieder geval dat [verweerster] onvolledig is geweest. Dat had wel gemoeten met een deugdelijke toelichting waarom meerdere vennootschappen waarbij [verweerster] betrokken was over zijn gegaan naar een medewerker van haar vennootschap en de net meerderjarige dochter van [verzoeker] en [verweerster] . Door aldus te handelen heeft [verweerster] objectief de schijn gewekt vermogen achter te houden en daarmee haar schuldeisers, waaronder [verzoeker] , te benadelen.\n\nVan benadeling van schuldeisers, althans schuldeiser [verzoeker] , is in ieder geval ook sprake voor zover het betreft de vakantiewoning in België. Nu uit de beschikking van het gerechtshof Den Haag d.d. 7 december 2022 volgt dat partijen het eens zijn dat de vakantiewoning wordt toegedeeld aan [verzoeker] heeft [verweerster] deze toedeling gefrustreerd door een recht van hypotheek te vestigen op het door haar aan [verzoeker] over te dragen aandeel in de woning. Onbegrijpelijk is dat [verweerster] nog steeds niets heeft gedaan om tot doorhaling van de hypotheek te komen.\n\nVan benadeling van schuldeisers, althans schuldeiser [verzoeker] , is verder sprake voor zover het betreft de recente proceskostenveroordelingen. Dit betreffen nieuwe schulden aan [verzoeker] . De in de door [verweerster] overgelegde “werkgeversverklaring mbt reïntegratie werkzaamheden” genoemde schenking maakt dit niet anders. De schenking is immers gedaan onder de voorwaarde dat [verweerster] in de Wsnp blijft en dat is niet het geval zoals hierna zal worden beslist.\n\nArtikel 350, lid 3 sub f Fw\n\n3.5.\n\nVoor zijn beroep op artikel 350, lid 3 sub f Fw heeft [verzoeker] aangevoerd dat [verweerster] :\n\nondernemingen heeft verzwegen. [verweerster] heeft in het Wsnp-verzoek als (ex-)onderneming uitsluitend [bedrijf 1] B.V. opgegeven. Ten tijde van de toelating was [verweerster] echter (in)direct betrokken bij meerdere vennootschappen. Van [bedrijf 3] B.V. is weliswaar een KvK-uittreksel bijgevoegd, maar uitsluitend in de huidige staat (met [bedrijf 4] als bestuurder), zonder enige toelichting op de eerdere betrokkenheid van [verweerster] . Hiermee poogt [verweerster] haar eerdere betrokkenheid bij deze vennootschap te verhullen;\n\ncruciale gerechtelijke uitspraken niet in het Wsnp-verzoek heeft opgenomen. Het betreft:\n\n(i) het vonnis in kort geding van 16 september 2024, waarin alle beslagen ten laste van [verzoeker] zijn opgeheven, [verweerster] diverse ge- en verboden zijn opgelegd (waaronder een verbod tot het leggen van executoriaal beslag voor partneralimentatie, versterkt met dwangsommen tot € 75.000 respectievelijk € 60.000 en een gebod tot medewerking aan levering van aandelen en de woning in België);\n\n(ii) het vonnis van 21 augustus 2024, waarin de pensioenvordering van [verweerster] is afgewezen en de reconventionele vorderingen van [verzoeker] (onverschuldigde betaling ad € 123.336,44 en proceskosten ad € 4.437,00 zijn toegewezen);\n\n(iii) de beslissing van het Tribunal de Premiere Instance du Luxembourg, Division Neufchateau, van 23 april 2023, waarbij het verzoek van [verweerster] tot openbare verkoop van de woning in België is afgewezen en [verweerster] is veroordeeld in de proceskosten;\n\n(iv) de beschikking van 26 juni 2023, waarbij het verzoek van [verweerster] tot openbare verkoop van de aandelen in [bedrijf 12] B.V. is afgewezen en zij is veroordeeld in de proceskosten.\n\nIn het bijzonder, aldus [verzoeker] , is het vonnis van 16 september 2024 van groot belang, nu daaruit een patroon blijkt van onrechtmatige beslaglegging, het frustreren van gerechtelijke uitspraken en de noodzaak tot het opleggen van ge- en verboden versterkt met aanzienlijke dwangsommen. Indien deze uitspraken bij de toelating bekend waren geweest, hadden zij aanleiding gegeven het verzoek af te wijzen wegens het ontbreken van goede trouw.\n\nDe rechtbank oordeelt dat het beroep van [verzoeker] op artikel 350, lid 3 sub f Fw opgaat.\n\nZoals de rechtbank hiervoor in 3.4. heeft overwogen heeft [verweerster] met “het web van ondernemingen, stichtingen en tussengeplaatste personen” de schijn gewekt vermogen achter te houden. Daarmee ontbreekt in ieder geval de goede trouw zoals vereist voor toelating tot de Wsnp. Dat geldt ook voor wat betreft het onvolledig zijn met betrekking tot het vermelden van gerechtelijke procedures in haar verzoek om toelating tot de Wsnp. De rechtbank is met [verzoeker] van oordeel dat vermelding en bespreking van in ieder geval het kort geding vonnis van 16 september 2024 niet had mogen ontbreken. Met dit vonnis en de daarmee niet strokende inleiding van haar verzoek tot toelating Wsnp (zie hiervoor 3.2) zou [verweerster] niet zijn toegelaten tot de Wsnp.\n\n3.7.\n\nHet vorenstaande leidt tot toewijzing van het verzoek zoals hierna in het dictum van dit vonnis verwoord. De rechtbank merkt hierbij overigens nog het volgende op.\n\nAan dit vonnis ligt ten grondslag de in 1.3. genoemde stukken en het verhandelde van 4 juni 2026. De rechtbank heeft geenkennis van andere stukken zoals bijvoorbeeld de aantekeningen van de zitting van 14 januari 2026.\n\n4. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- beëindigt de toepassing van de schuldsaneringsregeling en bepaalt dat de schuldsaneringsregeling zal eindigen na het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis;\n\n- stelt het salaris van de bewindvoerder, dhr. Menting, vast op € 3.052,50 incl. btw en voorschotten, voor zover het boedelactief toereikend is.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.W.J. van Veen, rechter, in samenwerking met de griffier, R.A. Oelen, en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.\n\nHoger beroep tegen dit vonnis kan alleen worden ingesteld door een advocaat bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De termijn van hoger beroep is acht dagen, te rekenen vanaf de dag na de datum van de uitspraak van dit vonnis.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4006","ecli-nl-rbmne-2026-4006",{"courtName":6,"legalDomain":94,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht; Insolventierecht",{"id":96,"ecli":97,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":73,"fullText":98,"language":7,"source":17,"sourceUrl":99,"summary":14,"slug":100,"metadata":101},"1116","ECLI:NL:RBDHA:2026:18646","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.34524\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser\n\n(gemachtigde: mr. B. Temeltasch),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).\n\nProcesverloop\n\nBij besluit van 20 juni 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.\n\nDe minister heeft de rechtbank op 20 juni 2026 op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 29 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen I.A. Remizova. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond.\n\n2. Eiser stelt de Russische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992. Op 20 juni 2026 is hij aangekomen op [luchthaven] en heeft hij een asielaanvraag ingediend. De minister heeft diezelfde dag een besluit over de toegangsweigering uitgesteld en aan eiser een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd.\n\nGronden van de maatregel\n\n3. In de maatregel heeft de minister overwogen dat aanleiding bestaat om te veronderstellen dat eiser binnen de reikwijdte van de Asiel- en Migratiebeheerverordening valt, omdat hij in het bezit is van een door Frankrijk afgegeven Schengenvisum. De minister heeft op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd, omdat er volgens verweerder een risico bestaat dat eiser zal onderduiken. In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:\n\na. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;\n\nr. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; en\n\ns. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.\n\n4. Eiser heeft de juistheid van de gronden niet bestreden, maar heeft aangevoerd dat de gronden, het niet beschikken over voldoende middelen van bestaan en het niet hebben van een vaste woon-\u002Fverblijfplaats, gelden voor iedere aan de grens asiel verzoekende vreemdeling. Deze gronden dienen te worden voorzien van een individuele toelichting.\n\n5. De rechtbank is van oordeel dat de grond onder a feitelijk juist is. Door het indienen van een asielaanvraag aan de grens heeft eiser niet voldaan aan de voorwaarden van het aan hem verleende Schengenvisum. De gronden onder r en s zijn ook feitelijk juist en voldoende toegelicht. Door het niet beschikken over voldoende middelen en het niet hebben van een vaste woon-\u002Fverblijfplaats bestaat het risico dat eiser zich onttrekt aan het toezicht en dat hij de voorbereidingen van zijn vertrek dan wel verwijderingsprocedure belemmert. Dat deze gronden van toepassing zijn op (vrijwel) iedere asielzoeker, maakt niet dat die gronden niet aan eiser kunnen worden tegengeworpen.\n\nDe gronden kunnen tezamen de maatregel dragen.\n\nLichter middel\n\n6. Eiser voert aan dat de minister al voorafgaand aan de opheffing had moeten volstaan met een lichter middel dan de vrijheidsontnemende maatregel, omdat de minister in het bestreden besluit niet heeft gemotiveerd waarom in dit geval niet met het toepassen van een lichter middel kon worden volstaan. De motivering in de maatregel is van algemene aard en geldt voor iedere vreemdeling die aan de grens asiel aanvraagt. De motivering is niet toegespitst op de situatie van eiser. Eiser heeft een geldig paspoort, hij heeft meegewerkt aan de grensprocedure en er is geen enkele aanwijzing die duidt op vluchtgevaar of een onderdruikrisico.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft betwist dat hij aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend terwijl hij niet aan de toegangsvoorwaarden voldeed, en dat hij daarmee voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw.\n\n8. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.\n\n9. De rechtbank is van oordeel dat uit het proces-verbaal van gehoor blijkt dat aan eiser in voldoende mate duidelijk is gemaakt dat het aan hem was om eventuele bijzondere feiten of omstandigheden met betrekking tot zijn persoonlijke belangen aan te voeren die tot het oordeel konden leiden dat de minister diende af te zien van het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel. Desgevraagd heeft eiser verklaard te begrijpen dat hij naar een gesloten detentiecentrum moet en heeft hij aangegeven dat hij hoopt dat zijn asielaanvraag in behandeling wordt genomen. Hij heeft verder aangegeven geen gezondheidsproblemen te hebben, geen familieleden in de Europese unie te hebben en op de vraag of er andere omstandigheden zijn die aanleiding moeten geven om zijn asielaanvraag in vrijheid af te wachten heeft eiser geantwoord dat die er niet zijn.\n\n10. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de minister in de maatregel heeft kunnen volstaan met de motivering dat geen minder dwingende maatregel kan worden toegepast zonder het grensbewakingsbelang prijs te geven en dat eiser geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die zouden moeten leiden tot de conclusie dat de maatregel onevenredig bezwarend is. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nKwetsbaarheids- en medische beoordeling\n\n11. Eiser voert voorts aan dat de minister ten onrechte geen kwetsbaarheids- en medische beoordeling heeft uitgevoerd. Eiser behoort tot een groep die naar vaste rechtspraak en beleid als potentieel kwetsbaar wordt aangemerkt. Omdat de minister heeft nagelaten deze beoordeling te maken ontbreekt er een deugdelijke grondslag.\n\n12. De minister heeft ter zitting toegelicht dat eiser is gescreend alvorens de maatregel is opgelegd en dat tijdens deze screening niet is gebleken van kwetsbaarheid of medische omstandigheden.\n\n13. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor twijfel aan het standpunt van de minister dat er een kwetsbaarheids- en medische beoordeling is uitgevoerd. De rechtbank betrekt hierbij dat ook het proces-verbaal van gehoor voorafgaand aan de maatregel geen aanknopingspunten biedt voor het feit dat er sprake zou zijn van kwetsbaarheid of medische problematiek.\n\nConclusie\n\n14. Ook ambtshalve toetsend is de rechtbank niet gebleken dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is opgelegd of onrechtmatig voortduurt.\n\n15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.\n\n16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep ongegrond;\n\n- wijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Berghuis, rechter, in aanwezigheid van mr.L.S. Lodder, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 januari 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC2998.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18646","ecli-nl-rbdha-2026-18646",{"courtName":6,"legalDomain":86,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":103,"ecli":104,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":73,"fullText":105,"language":7,"source":17,"sourceUrl":106,"summary":14,"slug":107,"metadata":108},"1596","ECLI:NL:RBDHA:2026:18528","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.33003\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul) en\n\nde Minister van Asiel en Migratie, de minister. (gemachtigde:\n\nProcesverloop\n\nDe minister heeft op 27 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.\n\nDe minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De minister heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.M. Seth Paul als waarnemer van zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\nEiser stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992.\n\nIndien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.\n\n3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 15 mei 2026 (in de zaak NL26.25161) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.\n\n4. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Hierbij voert eiser aan dat de minister eiser op 12 juni 2026 gepresenteerd zou worden aan de Nigeriaanse autoriteiten, maar dat deze presentatie zonder toelichting is verplaatst naar 19 juni 2026. Ook uit de voortgangsrapportage wordt niet duidelijk wat de reden was van deze vertraging. Al met al stelt eiser dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld aan zijn vooringenomen uitzetting naar Nigeria.\n\n5. De rechtbank oordeelt als volgt. De minister heeft tweemaal, laatstelijk op 19 juni 2026, een presentatie van eiser ingepland. De minister heeft toegelicht dat de eerste presentatie van 12 juni 2026 is uitgesteld naar 19 juni 2026 op initiatief van de Nigeriaanse autoriteiten. Dit valt buiten de invloedssfeer van de minister. Verder heeft eiser het proces van zijn uitzetting meermalen gefrustreerd, onder meer door niet te antwoorden op de vragen van de minister en door gedurende de presentaties niet mee te werken. Waarom eiser, mede gelet op deze houding, in zijn belangen zou zijn geschaad door het uitstel van de presentatie met 7 dagen ziet de rechtbank niet. Van onvoldoende voortvarend handelen is de rechtbank dan ook niet gebleken. De beroepsgrond faalt.\n\n6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.\n\nConclusie\n\n7. Het beroep is ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.\n\n8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n02 juli 2026\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18528","ecli-nl-rbdha-2026-18528",{"courtName":6,"legalDomain":86,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":110,"ecli":111,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":112,"fullText":113,"language":7,"source":17,"sourceUrl":114,"summary":14,"slug":115,"metadata":116},"1584","ECLI:NL:RBDHA:2026:18523","2026-06-30T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.9713\n uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen\n \n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister, waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.\n\n1.1.. Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.\n\nVrijstelling van betaling griffierecht\n\n2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.\n\nFeiten\n\n3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.\n\n3.1.. \n\nIn het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.\n\n4.1.. Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk.\n\n4.2.. In het bestreden besluit staat dat eiser een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.\n\n4.3.. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.\n\n5. Verder wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn af.\n\n5.1.. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.\n Conclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.\n\ngriffier\n\nrechter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18523","ecli-nl-rbdha-2026-18523",{"courtName":6,"legalDomain":86,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":118,"ecli":119,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":112,"fullText":120,"language":7,"source":17,"sourceUrl":121,"summary":14,"slug":122,"metadata":123},"1586","ECLI:NL:RBDHA:2026:18524","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.33588\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul) en\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nProcesverloop\n\nDe minister heeft op 1 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.\n\nDe minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De minister heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.\n\nOverwegingen\n\nEiser heeft de Marokkaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1991.\n\nIndien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.\n\n3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 19 mei 2026 (in de zaak NL26.25529) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.\n\n4. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Hierbij voert eiser aan dat de minister op 17 maart 2026 aanvraag voor een laissez-passer (lp) heeft opgestuurd\n\nnaar de Marokkaanse autoriteiten. Ter ondersteuning van deze aanvraag zijn de Marokkaanse autoriteiten op 23 april 2026 in het bezit gesteld van een kopie van het paspoort van eiser. Ook is van eiser een zogenoemde vrijwilligersbrief van 15 mei 2026 aan de Marokkaanse autoriteiten doorgestuurd. Verder heeft de familie van eiser in Marokko aan de Marokkaanse autoriteiten in Nederland verzocht om voor eiser een reisdocument af te geven. Gelet op deze omstandigheden en het tijdsverloop, meent eiser dat de Marokkaanse autoriteiten normaliter al een lp zou hebben verstrekt. Voorts voert eiser aan dat het inmiddels op de weg van de minister heeft gelegen om op zaaksniveau actie te ondernemen in de richting van de Marokkaanse autoriteiten. Al met al stelt eiser dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld aan zijn voorgenomen uitzetting naar Marokko.\n\n5. De rechtbank overweegt als volgt. De Marokkaanse autoriteiten hebben de lp-aanvraag ten behoeve van eiser in behandeling. In dat verband is de minister afhankelijk van de werkwijze de Marokkaanse autoriteiten. De minister heeft daarop slechts beperkte invloed. Uit de voortgangsrapportage van 16 juni 2026 blijkt dat de minister laatstelijk op 10 juni 2026 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Ook heeft de minister frequent gerappelleerd met betrekking tot de afgifte van een lp, laatstelijk op 19 juni 2026. Gelet op de duur van de maatregel tot nu toe, is er geen aanleiding geweest voor de minister om méér of andere handelingen te verrichten dan dat hij heeft gedaan. Van onvoldoende voortvarend handelen is de rechtbank dan ook niet gebleken. de beroepsgrond faalt.\n\n6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.\n\nConclusie\n\n7. Het beroep is ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.\n\n8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n30 juni 2026\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18524","ecli-nl-rbdha-2026-18524",{"courtName":6,"legalDomain":86,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":125,"ecli":126,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":112,"fullText":127,"language":7,"source":17,"sourceUrl":128,"summary":14,"slug":129,"metadata":130},"1718","ECLI:NL:RBMNE:2026:3784","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16\u002F230376-25\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 30 juni 2026\n\nin de strafzaak tegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [1982] in [geboorteplaats] ,\n\ningeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:\n\n [adres] in [woonplaats] , hierna: de verdachte.\n\n1. De zitting\n\nDe strafzaak tegen de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 2 juni 2026. Het onderzoek is gesloten op 30 juni 2026.\n\nOp de inhoudelijke zitting waren aanwezig:\n\nde verdachte;\n\nde officier van justitie, mr. M.A.P.J.J. Lousberg;\n\nde advocaat van de verdachte, mr. M.H.H. Meulemeesters;\n\nde benadeelde partijen [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , nabestaanden van het slachtoffer [slachtoffer] ;\n\nde advocaat van de benadeelde partijen (nabestaanden), mr. C.H. Dijkstra.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij op 19 juli 2025 in Utrecht opzettelijk [slachtoffer] heeft gedood, door hem met een mes in zijn nek en zijn bovenarm te steken.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.\n\n3. Het bewijs\n\n3.1.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde doodslag heeft gepleegd.\n\n3.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe advocaat heeft bepleit de verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde doodslag, omdat niet bewezen kan worden dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk heeft gedood. Weliswaar heeft de verdachte met een mes in de richting van de nek van het slachtoffer gestoken, waardoor een aanmerkelijke kans ontstond dat het slachtoffer zou worden gedood, maar de verdachte heeft deze kans niet willens en wetens aanvaard, zoals is vereist voor voorwaardelijk opzet. De verdachte heeft onwillekeurig en in een reflex steekbewegingen gemaakt. Het handelen van de verdachte kan dus niet worden gezien als gericht op het doden van het slachtoffer, aldus de advocaat.\n\n3.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. \n\nDe bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank oordeelt dat het ten laste gelegde feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\n3.3.2.. \n\nBewijsoverweging\n\nUit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte tijdens een ruzie [slachtoffer] meermalen met kracht met een groot keukenmes diep in de nek heeft gestoken. Dit is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van potentieel dodelijk letsel, dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] hierdoor zou komen te overlijden bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties waaruit zou blijken dat de verdachte die aanmerkelijke kans niet heeft aanvaard, is niet gebleken. De verdachte heeft hierdoor voorwaardelijk opzet gehad op de dood van het slachtoffer.\n\n3.4.. Bewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:\n\nop 19 juli 2025 te Utrecht, [slachtoffer] (geboren op [1985] ), opzettelijk van het leven heeft beroofd, door meermalen met kracht met een mes in de nek van die [slachtoffer] te steken.\n\n4. De strafbaarheid van het feit\n\n4.1.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe advocaat heeft bepleit dat het bewezenverklaarde niet strafbaar is, omdat dit wordt gerechtvaardigd door noodweer. Ter onderbouwing daarvan heeft hij aangevoerd dat de door de verdachte in zijn politieverhoren en ter zitting geschetste noodweersituatie op grond van het dossier aannemelijk is en niet kan worden weerlegd.\n\nDe door de verdachte geschetste noodweersituatie\n\nDe verdachte heeft verklaard dat hij die avond in de keuken van zijn woning eten wilde gaan maken, en daarvoor een geschikt mes wilde uitkiezen. Op het moment dat hij twee grote keukenmessen in zijn rechterhand had, hoorde hij hard gebonk op de voordeur die zich een verdieping lager bevindt. De verdachte liep vervolgens de trap af naar de voordeur, in de veronderstelling dat het een pakketbezorger was die op de voordeur bonkte. Bij dit afdalen naar de voordeur hield de verdachte de twee keukenmessen, min of meer onbewust, in zijn rechterhand. Toen de verdachte de voordeur opendeed, bleek echter geen pakketbezorger voor de deur te staan, maar [slachtoffer] , het latere slachtoffer. [slachtoffer] stormde direct de hal in, viel de verdachte aan en sloeg op hem in, waardoor de verdachte een reflexbeweging maakte met zijn rechterhand, waarin hij de twee keukenmessen vasthad. Hierdoor werd [slachtoffer] , naar later bleek, dodelijk in de nek getroffen.\n\nDe ondersteuning voor de gestelde noodweersituatie in het dossier\n\nVolgens de advocaat is het op grond van de inhoud van het dossier aannemelijk dat de door de verdachte geschetste noodweersituatie daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, vanwege het volgende.\n\nTen eerste is de hierboven geschetste gang van zaken in overeenstemming met hetgeen de verdachte vanaf zijn eerste verklaring ter plaatse tegen de politie tot en met de inhoudelijke behandeling op zitting consistent heeft verklaard. Ook in de afgeluisterde gesprekken blijft de verdachte consequent bij zijn verklaring over de noodweersituatie.\n\nTen tweede is het aannemelijk dat de verdachte de keukenmessen inderdaad in zijn hand had, omdat hij wilde gaan koken. In zijn koelkast en vriezer werden voor het koken geschikte groenten en vlees aangetroffen en op het gasfornuis stond een steelpan. De toenmalige vriendin van de verdachte heeft verklaard dat de verdachte die avond, voordat hij naar haar toe zou komen, in zijn eigen huis voor hen samen wilde gaan koken.\n\nTen derde is het aannemelijk dat de verdachte, toen hij de voordeur opende, in de veronderstelling verkeerde dat niet [slachtoffer] , maar een pakketbezorger voor de deur stond. De [straat] is een drukke straat en de verdachte was in de keuken op éénhoog, aan de achterkant van het gebouw, kookvoorbereidingen aan het treffen. Het kan dus heel goed dat de verdachte alleen het bonken, en niet het geschreeuw van [slachtoffer] heeft gehoord. Verder heeft de broer van de verdachte, die in dezelfde woning woont, verklaard dat er bij hen vaak pakketjes worden bezorgd, ook voor buren, en dat het goed zou kunnen dat hij die dag tegen de verdachte heeft gezegd dat hij een pakketje verwachtte.\n\nTen vierde is het aannemelijk dat de verdachte de keukenmessen min of meer onbewust mee heeft genomen naar de voordeur, in ieder geval zonder de intentie om deze te gebruiken. Dit is in overeenstemming met het door de broer geschetste timide karakter van de verdachte. Verder is het niet heel vreemd om met twee messen in de hand een pakketje te willen aannemen. De messen kunnen na het openen van de voordeur immers uit het zicht blijven of even worden weggelegd. Verder geldt dat als de verdachte de messen al bewust zou hebben meegenomen in de wetenschap dat [slachtoffer] voor de deur stond, hij de messen ook kan hebben meegenomen om [slachtoffer] op afstand te houden.\n\nTen slotte staat op grond van de vele getuigenverklaringen vast, dat [slachtoffer] , nadat de voordeur door de verdachte werd geopend, als eerste in de aanval is gegaan, de verdachte naar achteren heeft geduwd en hard op hem in heeft geslagen. De verdachte heeft hierbij zelf ook lichamelijk letsel, waaronder een breuk in zijn sleutelbeen, opgelopen.\n\nVoldaan aan eisen van subsidiariteit en proportionaliteit, geen culpa in causa\n\nVolgens de advocaat voldoet de door de verdachte in deze noodweersituatie verrichte verdedigingshandeling aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Tegen de aanval door het slachtoffer was immers verdediging noodzakelijk (subsidiariteit) en de verdachte heeft met zijn verdedigingshandeling de grenzen van deze noodzakelijke verdediging niet overschreden (proportionaliteit).\n\nDe verdediging was noodzakelijk, doordat de verdachte onverhoeds, in een kleine ruimte en vanaf korte afstand werd aangevallen door [slachtoffer] , die veel groter en zwaarder was dan hij. Er was in de nauwe hal geen mogelijkheid om zich aan deze aanval te onttrekken en geen andere mogelijkheid om deze aanval te pareren dan door zich te verdedigen zoals hij heeft gedaan. De grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn hierbij niet overschreden. Gelet op het fysieke krachtsverschil en het door het slachtoffer in zeer korte tijd toegepaste geweld en het toegebrachte letsel, was het verdedigingsmiddel, het steken met een mes, niet onevenredig. Hierbij speelt mee dat de verdachte zich in een zeer bedreigende situatie bevond en in een fractie van een seconde moest beslissen hoe te reageren en hoe de aanval te stoppen.\n\nTen slotte is van culpa in causa geen sprake. De verdachte heeft de fysieke aanval door [slachtoffer] immers niet uitgelokt of geïnitieerd, aldus de advocaat.\n\nConclusie\n\nDe advocaat concludeert dat de bewezenverklaarde geweldshandelingen zijn begaan uit zelfverdediging en niet strafbaar zijn, omdat deze worden gerechtvaardigd door noodweer. De verdachte dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.\n\n4.2.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bewezenverklaarde strafbaar is, omdat geen sprake is van een rechtvaardigingsgrond in de vorm van noodweer. De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 4.3.\n\n4.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\n4.3.1.. \n\nHet beoordelingskader\n\nAls door de verdachte een beroep op noodweer is gedaan, moet de rechter onder meer de feitelijke grondslag van dat beroep onderzoeken. Bij dit onderzoek kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten. De last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag mag echter niet uitsluitend op de verdachte worden gelegd.\n\nVoor de aanvaarding van het noodweerverweer is vereist dat de rechtbank de feitelijke grondslag daarvan voldoende aannemelijk acht. Voor de vaststelling van de feiten en omstandigheden waarop dat noodweerberoep steunt geldt niet als maatstaf dat het buiten redelijke twijfel moet zijn dat deze noodweersituatie heeft plaatsgevonden. Bij de beoordeling van de feitelijke grondslag van het beroep op noodweer gaat het er slechts om dat die feitelijke toedracht, gelet op wat daarover door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden. Aan het oordeel dat de gestelde feitelijke grondslag voldoende aannemelijk is geworden, staat enige onzekerheid over de precieze feitelijke toedracht niet in de weg.\n\n4.3.2.. \n\nDe aannemelijkheid van het noodweerscenario\n\nDe rechtbank vindt het niet aannemelijk dat:\n\nde verdachte op het moment dat [slachtoffer] op de deur bonkte messen aan het uitzoeken was waarmee hij wilde gaan koken;\n\nde verdachte op het moment dat hij de voordeur opende niet wist dat [slachtoffer] voor de deur stond;\n\nde verdachte de door hem uitgezochte messen min of meer onbewust en ongewild mee naar de voordeur heeft genomen.\n\nDe rechtbank licht dit als volgt toe.\n\nAd a)\n\nDe rechtbank acht het niet aannemelijk dat de verdachte, op het moment dat [slachtoffer] op de deur bonkte, messen aan het uitzoeken was waarmee hij wilde gaan koken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.\n\nTen eerste heeft de verdachte wisselend verklaard over welk eten hij wilde klaarmaken, en zijn verklaring daarover aangepast aan de onderzoeksbevindingen.\n\nTen tweede heeft de politie vrijwel direct na de confrontatie tussen de verdachte en het slachtoffer de keuken in de woning van de verdachte doorzocht. Hierbij heeft de politie geen concrete aanwijzingen gevonden dat de verdachte kookvoorbereidingen aan het treffen was.\n\nTen slotte is uit onderzoek aan de telefoon van de verdachte gebleken dat de verdachte kort voor de confrontatie met het slachtoffer intensief chatverkeer met zijn toenmalige vriendin had. Uit deze chatberichten blijkt dat de verdachte in zijn woning aan het wachten was op een zekere “ [naam] ”, een drugsdealer, en dat de verdachte naar de woning van zijn vriendin zou gaan zodra deze “ [naam] ” was langsgekomen. Uit de chatberichten blijkt niet dat de verdachte van plan was om, voordat hij naar de woning van zijn vriendin zou gaan, voor hen beiden in zijn woning te gaan koken.\n\nDe advocaat heeft verwezen naar het verhoor bij de politie van de toenmalige vriendin van de verdachte op 29 november 2025, waarin zij verklaart dat de verdachte die avond in zijn woning “eten zou maken voor ons twee”. De rechtbank hecht echter geen waarde aan dit onderdeel van haar verklaring, vanwege het volgende. In een eerder verhoor bij de politie, op 22 juli 2025, heeft zij alleen verklaard dat de verdachte die avond, voordat hij naar haar toe zou komen, in zijn woning “aan het wachten was”, en niet dat hij voor hen beiden eten zou gaan koken. Verder reageert zij in een afgeluisterd telefoongesprek tussen haar en de verdachte op 6 augustus 2025, als de verdachte haar vertelt dat hij die avond wilde gaan koken, met “Dat dacht ik al”. De rechtbank leidt hieruit af dat zij daarvóór nog niet wist dat de verdachte die avond wilde gaan koken.\n\nAd b)\n\nDe rechtbank acht het niet aannemelijk dat de verdachte, op het moment dat hij zijn voordeur opende, niet wist dat [slachtoffer] voor de deur stond, op grond van het volgende.\n\nIn het dossier bevinden zich camerabeelden, inclusief geluidsopnamen, van de kapperszaak die zich direct naast de woning van de verdachte bevindt. Op deze beelden is duidelijk te zien en op het geluid daarbij is te horen dat [slachtoffer] enige tijd voor de voordeur van de woning van de verdachte heeft gestaan en dat hij hierbij hard om de verdachte schreeuwt en hard op de voordeur bonkt. Dit geschreeuw en gebonk gaat door tot het moment dat de verdachte de voordeur opent. Dit betekent dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte het schreeuwen en bonken op zijn weg naar de voordeur en dus ook op het moment vóórdat hij de voordeur opent luid en duidelijk heeft gehoord. Ook kan het niet anders zijn dan dat de verdachte op dat moment wist dat het [slachtoffer] was die daar stond te schreeuwen en op zijn deur stond te bonken. De verdachte kende het slachtoffer immers al jaren en had kort voor dit moment op dezelfde dag nog een telefoongesprek met hem gevoerd waarin zij ruzie hebben gemaakt. Bovendien gebruikte [slachtoffer] voor de voordeur scheldwoorden die overeenkomen met de scheldwoorden die hij eerder die dag in het telefoongesprek en kort daarvoor in chatberichten gericht aan de verdachte had gebruikt.\n\nTen overvloede merkt de rechtbank nog op dat de broer van de verdachte heeft verklaard dat hun gezamenlijke woning zeer gehorig is, zodat je in de woning de straatgeluiden duidelijk kunt horen. Dit blijkt ook uit de verklaring van de directe buurman van de verdachte dat hij vanuit zijn woning op éénhoog, voordat de voordeur door de verdachte werd opengedaan, hard geschreeuw bij de voordeur heeft gehoord.\n\nDe rechtbank gaat er, gelet op het bovenstaande, dus van uit dat de verdachte, voordat hij de voordeur opende, wist dat niet een pakketbezorger, maar [slachtoffer] voor de deur stond.\n\nAd c)\n\nDe rechtbank acht het niet aannemelijk dat de verdachte de door hem uitgezochte messen min of meer onbewust en ongewild mee naar de voordeur heeft genomen, op grond van het volgende.\n\nTen eerste acht de rechtbank het a priori onwaarschijnlijk dat iemand een groot keukenmes, laat staan twee van zulke messen, langere tijd in één hand vasthoudt zonder zich hiervan bewust te zijn. Dit geldt te meer als er met deze twee messen een relatief lange looproute wordt afgelegd, die bovendien de nodige aandacht vergt, omdat deze langs een smalle trap naar beneden loopt.\n\nTen tweede blijkt uit de foto’s in het dossier en de verklaring van de verdachte dat hij de betreffende twee messen bewust heeft uitgekozen uit meerdere andere aanwezige keukenmessen. Dit is een contra-indicatie voor het “min of meer onbewust” meenemen van deze messen naar de voordeur.\n\nTen derde heeft de politie in de woning van de verdachte op de vloer van de gang, bovenaan de trap, een ijsje aangetroffen dat door de verdachte, blijkens zijn eigen verklaring, kort daarvoor uit de vriezer was gehaald. Dit past bij het scenario dat de verdachte dit ijsje in zijn handen had toen hij gebonk hoorde op de voordeur, waarna hij het ijsje op de vloer heeft neergelegd of laten vallen en in de keuken messen is gaan uitzoeken.\n\nTen slotte acht de rechtbank, zoals onder ad a) en ad b) is uiteengezet, het niet aannemelijk dat de verdachte de messen had uitgezocht om mee te gaan koken, en ook niet dat hij niet wist dat [slachtoffer] voor de deur stond. De rechtbank acht het daarentegen aannemelijk dat de verdachte deze messen heeft uitgezocht met het oog op een aanstaande confrontatie met het [slachtoffer] , en dat hij deze messen daartoe bewust heeft meegenomen naar de voordeur.\n\nUit het dossier en het verhandelde ter zitting volgt wél dat de verdachte en [slachtoffer] een (langlopend) zakelijk conflict hadden. Op 19 juli 2025 escaleerde het conflict. Beiden waren kwaad en over en weer zijn er beledigingen en bedreigingen geuit. Ongeveer twee uur na de laatste bedreigingen is [slachtoffer] naar de woning van de verdachte gegaan. Daar heeft hij al schreeuwend hard op de deur gebonkt en tegen de deur getrapt. Toen de verdachte zijn voordeur opende, is hij vrijwel direct door [slachtoffer] aangevallen. Dit onderdeel van de verklaring van de verdachte wordt bevestigd door vrijwel alle getuigen van de confrontatie tussen de verdachte en [slachtoffer] .\n\nGelet op het bovenstaande, zal de rechtbank bij het verdere oordeel over het noodweerverweer uitgaan van de situatie dat\n\ner sprake was van een langlopend conflict waarbij er op 19 juli 2025 door de verdachte en door [slachtoffer] over en weer bedreigingen en beledigingen zijn geuit;\n\n [slachtoffer] naar het huis van de verdachte is gegaan en daar hard op de deur heeft gebonkt en hard heeft geschreeuwd;\n\nde verdachte op het moment van bonken en schreeuwen wist dat [slachtoffer] woedend voor de deur stond;\n\nde verdachte met het oog op de te verwachten confrontatie met [slachtoffer] twee grote keukenmessen heeft uitgezocht en meegenomen naar de voordeur;\n\nde verdachte na het openen van de voordeur vrijwel direct door [slachtoffer] werd geduwd en geslagen;\n\nde verdachte vervolgens in de nek en bovenarm van [slachtoffer] heeft gestoken.\n\n4.3.3.. \n\nEen dreigende ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding\n\nTegen de achtergrond van het langlopende conflict en de bedreigingen en beledigingen die eerder op de dag (over en weer) zijn geuit, is de rechtbank van oordeel dat er sprake was van een dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de verdachte op het moment dat [slachtoffer] hard op de voordeur van de verdachte bonkte en tegelijkertijd hard schreeuwde.\n\n4.3.4.. \n\nDe noodzakelijkheid van de verdediging (subsidiariteit)\n\nDe rechtbank dient te beoordelen of de door de verdachte in de praktijk gebrachte verdediging tegen deze dreigende aanval noodzakelijk was (de subsidiariteitseis). Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond. Hierbij geldt als maatstaf dat de verdediging niet verder mag gaan dan strikt noodzakelijk, maar óók dat de verdediging niet als noodzakelijk kan worden gezien, wanneer de verdachte bijvoorbeeld zich aan de (dreigende) aanval had kunnen en moeten onttrekken (het onttrekkingsvereiste). Van dit laatste is sprake wanneer er voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid was om zich aan de (dreigende) aanval te onttrekken, én deze onttrekking ook van de verdachte kon worden gevergd.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat er geen noodzaak tot verdediging was. Ten tijde van het bonken op de voordeur op de begane grond bevond de verdachte zich veilig in zijn woning op de eerste verdieping, met een werkende telefoon tot zijn beschikking. De verdachte had er, toen hij [slachtoffer] al schreeuwend op zijn voordeur hoorde bonken, voor kunnen kiezen om de voordeur niet open te doen, in zijn woning te blijven en eventueel de politie te bellen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de keuze voor dit reële en redelijke alternatief ook van de verdachte kon worden gevergd, en overweegt daartoe als volgt. De verdachte was die dag in een hoog oplopend conflict met het slachtoffer verwikkeld, waarbij over en weer forse beledigingen en bedreigingen werden geuit. De verdachte heeft, toen hij het slachtoffer ongeveer twee uur na de laatste bedreigingen op zijn voordeur hoorde bonken en schreeuwen, twee grote keukenmessen uitgezocht en deze meegenomen naar de voordeur. De verdachte ging er blijkbaar van uit dat, als hij de voordeur zou openen, een confrontatie met het slachtoffer zou volgen waarvoor hij deze keukenmessen nodig had. De verdachte anticipeerde hiermee, voordat hij de voordeur opendeed, op een dreigende fysieke aanval door het slachtoffer.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank had de verdachte niet met twee grote keukenmessen in de hand de confrontatie met het slachtoffer aan moeten gaan, maar deze confrontatie uit de weg moeten gaan en een van de hierboven geschetste alternatieven moeten beproeven. Deze confrontatie kon immers, volgens zijn eigen inschatting, levensbedreigende gevolgen hebben voor hemzelf en\u002Fof het slachtoffer.\n\nDe verdachte is echter de confrontatie met het slachtoffer aangegaan, met de twee grote keukenmessen in de hand. Na de aanval door het ongewapende slachtoffer heeft de verdachte hem met de meegebrachte messen gedood. Dit kan niet worden gerechtvaardigd of verontschuldigd door de aanval van het slachtoffer, omdat de verdachte de voor hem risicoloze alternatieven had moeten kiezen en dus de voordeur niet open had moeten doen en eventueel de politie had moeten bellen.\n\n4.3.5.. \n\nConclusie en kwalificatie\n\nDe rechtbank concludeert dat er voor de verdachte geen noodzaak was tot verdediging\n\nen daarom strandt het beroep op noodweer.\n\nOmdat ook verder geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, is dit strafbaar en levert het volgens de wet het volgende strafbare feit op:\n\ndoodslag.\n\n5. De strafbaarheid van de verdachte\n\n5.1.. Het standpunt van de advocaat\n\nDe advocaat heeft bepleit de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, omdat het bewezenverklaarde wordt verontschuldigd door noodweerexces.\n\n5.2.. Het standpunt van het Openbaar Ministerie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte strafbaar is, omdat geen sprake is van een schulduitsluitingsgrond in de vorm van noodweerexces.\n\n5.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft onder 4.3. geconcludeerd, dat aan de verdachte geen beroep op noodweer toekomt, omdat er geen noodzaak tot verdediging was. Dit betekent dat ook een beroep op noodweerexces niet kan slagen.\n\nEr is verder geen omstandigheid gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.\n\n6. De straf\n\n6.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:\n\neen gevangenisstraf van 13 jaar, met aftrek van het voorarrest;\n\nde gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel, zoals bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van strafrecht (Sr);\n\neen contactverbod met de nabestaanden en een locatieverbod voor de gemeente De Meern (op grond van artikel 38z Sr).\n\nDe officier van justitie heeft hierbij verzocht de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.\n\n6.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd, omdat geen enkele straf aanvaardbaar is voor de verdachte.\n\nTen aanzien van de voorlopige hechtenis heeft de advocaat primair bepleit deze op te heffen, vanwege de bepleite vrijspraak en ontslag van alle rechtsvervolging.\n\nSubsidiair heeft de advocaat verzocht de schorsing van de voorlopige hechtenis niet op te heffen, onder verwijzing naar de motivering door de rechtbank van de schorsingsbeslissing van 15 januari 2026 en de verslechterde gezondheidstoestand van de verdachte, zoals deze onder 6.3.5. zal worden besproken.\n\n6.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\n6.3.1.. \n\nInleidende opmerkingen\n\nBij de oplegging van een straf of maatregel houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is gepleegd en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.\n\n6.3.2.. \n\nDe ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is gepleegd\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag van [slachtoffer] , een man van 39 jaar oud, in de kracht van zijn leven. De verdachte heeft door zijn handelen [slachtoffer] het meest fundamentele recht dat een mens heeft, het recht op leven, ontnomen. Hij heeft ook de nabestaanden van [slachtoffer] hierdoor onherstelbaar leed berokkend en hun leven blijvend en ingrijpend veranderd. Zij zullen moeten leven zonder hun geliefde vader, partner, kind, broer, zwager en vriend.\n\n [benadeelde 1] , de partner van het slachtoffer, heeft ter zitting indringend verklaard hoe groot de verslagenheid en het verdriet was én is vanwege de gewelddadige dood en het plotselinge verlies van [slachtoffer] en het gemis dat deze onomkeerbare daad bij haar en haar gezin heeft veroorzaakt. Er is onzekerheid over alles, over de basisveiligheid. Hun gezin is voor altijd en blijvend ontwricht. Voor [benadeelde 4] en [benadeelde 5] was [slachtoffer] een held, een voorbeeld, een rots in de branding. Zij zullen verder moeten zonder hun liefdevolle vader.\n\nDat [slachtoffer] geliefd was en dagelijks gemist wordt, blijkt ook uit de aanwezigheid van veel nabestaanden bij de zittingen.\n\nDe rechtbank weegt verder mee dat het door de verdachte gepleegde feit niet alleen voor de nabestaanden een traumatische ervaring is, maar mogelijk ook voor degenen die daarvan getuige zijn geweest. De doodslag vond plaats in een drukke straat met winkels en horeca, waardoor veel omstanders hiervan getuige zijn geweest. De verdachte heeft daardoor, in forse mate bijgedragen aan angstgevoelens in de samenleving.\n\nDe reden voor de doodslag was een escalatie van een zakelijk conflict. Het slachtoffer heeft de verdachte, na telefonische bedreigingen over en weer, bij zijn woning opgezocht en heeft al schreeuwend op de voordeur van de verdachte staan bonken. De verdachte heeft vervolgens twee grote keukenmessen gepakt en is hiermee bewapend de confrontatie met het slachtoffer aangegaan. Tijdens het daaropvolgende gevecht heeft de verdachte het ongewapende slachtoffer meermalen gestoken, onder meer in zijn nek en bovenarm. De verdachte heeft hiermee het conflict geëscaleerd naar doodslag en alleen hij is daardoor verantwoordelijk voor de dood van het slachtoffer. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij in plaats van deze verantwoordelijkheid op zich te nemen, de verantwoordelijkheid voor de doodslag bij het slachtoffer legt.\n\nDe rechtbank rekent dit alles de verdachte zeer ernstig aan.\n\n6.3.3.. \n\nDe persoonlijke omstandigheden van de verdachte\n\nUit het strafblad van de verdachte blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld.\n\nDe reclassering heeft op 19 mei 2025 een rapport over de verdachte opgemaakt. Uit het rapport blijkt dat de verdachte tot aan het moment dat hij in het kader van de onderhavige zaak in detentie kwam geen maatschappelijke problemen ervoer. De reclassering maakt zich wel zorgen over het middelengebruik van de verdachte. De verdachte gebruikt veelvuldig alcohol en cocaïne. Desondanks kan de reclassering het risico op recidive niet inschatten, omdat zij maar beperkt zicht heeft gekregen op risicoverhogende en delictgerelateerde factoren. De reclassering adviseert bij een strafoplegging geen bijzondere voorwaarden op te leggen, vanwege de slechte gezondheid van de verdachte.\n\nUit de door de advocaat verstrekte medische stukken over de verdachte blijkt dat de verdachte terminaal ziek is. Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat het erg slecht met hem gaat.\n\n6.3.4.. \n\nDe op te leggen straf\n\nDe rechtbank stelt voorop dat geen enkele straf of maatregel kan terugdraaien wat er is gebeurd of het verdriet en de pijn van de nabestaanden kan wegnemen of verzachten.\n\nDe verdachte wordt veroordeeld voor doodslag, een van de ernstigste strafbare feiten uit het Wetboek van Strafrecht, waarvoor binnen de rechtspraak doorgaans een zeer forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. De rechtbank houdt er rekening mee wat in andere, vergelijkbare zaken voor straffen zijn opgelegd.\n\nBovendien heeft de wetgever het strafmaximum voor doodslag per 1 juli 2023 verhoogd van 15 jaar naar 25 jaar, om dit meer in balans te brengen met de strafmaxima van andere ernstige geweldsdelicten en meer recht te doen aan de ernst van doodslag. De rechtbank ziet hierin reden om zwaarder te straffen dan vóór deze wetswijziging in vergelijkbare zaken is gedaan.\n\nDe rechtbank zal bij de oplegging van de straf geen rekening houden met de slechte gezondheid van de verdachte. Deze slechte gezondheid doet immers niets af aan de ernst van het bewezenverklaarde, zoals deze in paragraaf 6.3.2. is uiteengezet, en de schuld van de verdachte hieraan.\n\nDe rechtbank zal bij de oplegging van de straf ook geen rekening houden met het achterliggende conflict tussen de verdachte en [slachtoffer] en de rol van [slachtoffer] daarin. Zoals in paragraaf 6.3.2. is uiteengezet, is alleen de verdachte verantwoordelijk voor de escalatie van het conflict, die heeft geleid tot de dood van [slachtoffer] .\n\nDe rechtbank zal, alles overwegende, conform de eis van de officier van justitie, aan de verdachte een gevangenisstraf van 13 jaar opleggen, met aftrek van voorarrest.\n\nDe rechtbank zal de door de officier van justitie geëiste gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel (op grond van artikel 38z Sr) niet opleggen. De rechtbank ziet hiervoor onvoldoende recidivegevaar, nu de doodslag plaatsvond binnen de specifieke context van een persoonlijk conflict. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het niet mogelijk is om nu in de strafzaak op grond van artikel 38z Sr een contact- en locatieverbod op te leggen. De inhoud van een dergelijke maatregel wordt pas ingevuld na een vordering tot tenuitvoerlegging aan het einde van de gevangenisstraf.\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.\n\n6.3.5.. \n\nDe voorlopige hechtenis\n\nDe verdachte is per 16 januari 2026 geschorst uit de voorlopige hechtenis. De rechtbank zal aan de verdachte een straf opleggen die de duur van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht overstijgt. Dit betekent dat de verdachte naar de gevangenis moet als deze uitspraak onherroepelijk is.\n\nDe vraag die de rechtbank ook moet beantwoorden is of de verdachte weer in voorlopige hechtenis moet worden genomen en de schorsing van de voorlopige hechtenis dus moet worden opgeheven. Dit zou betekenen dat de verdachte nu direct, voordat de zaak onherroepelijk is, terug naar de gevangenis moet. De rechtbank benadrukt dat dit een andere vraag is dan de vraag welke straf passend is voor wat de verdachte heeft gedaan. De rechtbank heeft, zoals hierboven weergegeven, geoordeeld dat aan verdachte een gevangenisstraf van 13 jaren wordt opgelegd.\n\nDe officier van justitie vindt dat de verdachte weer in voorlopige hechtenis moet worden genomen en stelt dat sprake is van een andere situatie dan ten tijde van de schorsing van verdachte eerder dit jaar. Die schorsing was volgens de officier van justitie ingegeven door onderzoeken en de start van de behandeling, die de verdachte moest ondergaan. Er is nu geen duidelijke prognose wanneer verdachte komt te overlijden en de behandeling is levensverlengend. Dit persoonlijke belang vindt de officier van justitie niet zwaarder wegen dan het belang van strafvordering en dus ook de samenleving bij het benemen van de vrijheid van verdachte.\n\nDe advocaat heeft bepleit dat het onmenselijk zou zijn om de verdachte – in zijn huidige toestand – terug te sturen naar de gevangenis.\n\nDe advocaat heeft verder verzocht de voorwaarden van de schorsing aan te passen, in die zin dat een identiteitsbewijs aan de verdachte zal worden teruggegeven. De verdachte ondervindt er in het dagelijks leven en bij zijn medische behandeling veel praktische hinder van dat hij geen enkel identiteitsbewijs tot zijn beschikking heeft, en wil te zijner tijd, bijvoorbeeld bij verdere verslechtering van zijn gezondheid, naar Marokko kunnen reizen.\n\nBij de beslissing over de voorlopige hechtenis gaat het om een afweging van de belangen van strafvordering en de belangen van de verdachte. Bij het maken van die belangenafweging staat voorop dat voorlopige hechtenis als ingrijpend dwangmiddel terughoudend moet worden toegepast. De enkele omstandigheid dat bij het vonnis een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd van langere duur dan de al ondergane voorlopige hechtenis, is geen toereikende grond voor de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis. Met andere woorden: het gegeven dat er aan de verdachte een lange gevangenisstraf is opgelegd waarvan hij nog een (groot) deel moet uitzitten, zoals in deze zaak, is onvoldoende om de verdachte direct weer vast te zetten. Ook in dat geval moet de beslissing tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis berusten op een afweging van de belangen van strafvordering en de belangen van de verdachte.\n\nIn deze zaak betrekt de rechtbank het volgende bij de afweging van belangen.\n\nDe rechtbank stelt vast dat, gelet op de inhoud van dit vonnis, nog steeds sprake is van ernstige bezwaren. Gelet op de huidige gezondheidstoestand van de verdachte en de specifieke context waarin het bewezenverklaarde feit zich heeft afgespeeld, is de rechtbank van oordeel dat er op dit moment geen gevaar voor herhaling meer is. De twaalfjaarsgrond (met geschokte rechtsorde) is nog wel onverkort aanwezig. En met dit veroordelend vonnis zijn de belangen van strafvordering in gewicht toegenomen.\n\nDeze belangen van strafvordering weegt de rechtbank af tegen de volgende persoonlijke belangen van de verdachte. De verdachte is terminaal ziek, zoals blijkt uit de door de advocaat overgelegde medische stukken en zijn toelichting ter zitting.\n\nDe verdachte heeft kleincellige longkanker (SCLC - Small Cell Lung Cancer), een van de agressiefste vormen van longkanker. De ziekte bevindt zich in stadium IV, wat het hoogste en ernstigste stadium is: de kanker heeft zich al buiten de longen verspreid naar andere organen, waaronder de lymfeklieren in het mediastinum (het gebied tussen de longen, rondom het hart), de hersenen (hersenmetastasen), de alvleesklier (pancreas) en de wervelkolom. Dit laatste is medisch zeer ernstig, omdat dit druk op het ruggenmerg veroorzaakt en tot ernstige zenuwpijn leidt. De verdachte gebruikt hiervoor zware pijnstillers.\n\nDe verdachte ondergaat behandelingen die gericht zijn op levensverlenging, niet op genezing. Verdachte verklaarde op zitting dat het heel slecht met hem gaat, hij de hele dag pijn heeft en bijna de hele dag in bed doorbrengt. Dat de gezondheid van de verdachte is verslechterd de afgelopen maanden, was ook op de zitting zichtbaar voor de rechtbank.\n\nHet belang van verdachte om in vrijheid zijn proces af te wachten is er in gelegen dat hij in vrijheid zijn behandelingen kan ondergaan en het laatste stuk van zijn leven, met de continue pijn en achteruitgang die daarmee gepaard gaat, in zijn eigen huis en in aanwezigheid van zijn familie kan doorbrengen.\n\nAlles afwegende weegt op dit moment het belang van de verdachte zwaarder dan het strafvorderlijk belang. De rechtbank zal de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis dan ook afwijzen.\n\nWel zal de rechtbank de schorsingsvoorwaarde wijzigen, in die zin dat de verdachte zich niet mag begeven in de wijk [wijk] van Utrecht (i.p.v. gemeente De Meern).\n\nAnders dan de advocaat ziet de rechtbank geen reden om de overige bijzondere voorwaarden te wijzigen. De rechtbank zal de overige bijzondere voorwaarden in stand laten.\n\n7. De in beslag genomen goederen\n\nDe in deze paragraaf vermelde voorwerpen zijn genummerd en omschreven volgens de beslaglijst in het dossier van 2 juni 2026.\n\n7.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd de volgende in beslag genomen voorwerpen te onttrekken aan het verkeer:\n\n1) 1 STK Mes (Omschrijving: PL0900-2025244684-G3562050)\n\n2) 1 STK Mes (Omschrijving: PL0900-2025244684-G3562047).\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd de volgende in beslag genomen voorwerpen terug te geven aan de rechthebbende, zijnde de verdachte:\n\n3) 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL10900-2025244684-3562093, zwart, merk: L2 Sunmi), rechthebbende: de verdachte.\n\n5) 1 STK Computer (Omschrijving: PL10900-2025244684-3562099, zwart, merk: TCL).\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd het volgende in beslag genomen voorwerp terug te geven aan de rechthebbende, zijnde [A] :\n\n4) 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL0900-2025244684-3562097, blauw, merk: Oppo).\n\n7.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de rechthebbende is van de telefoon van het merk Oppo met goednummer PL0900-2025244684-3562097, en niet [A] .\n\nDe advocaat heeft verder geen standpunt ingenomen ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen.\n\n7.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank zal de volgende voorwerpen onttrekken aan het verkeer, omdat met behulp van deze voorwerpen de bewezen verklaarde doodslag is gepleegd, en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang:\n\n1) 1 STK Mes (Omschrijving: PL0900-2025244684-G3562050)\n\n2) 1 STK Mes (Omschrijving: PL0900-2025244684-G3562047).\n\nDe rechtbank zal de volgende voorwerpen teruggeven aan de rechthebbende, te weten de verdachte.\n\n3) 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL0900-2025244684-3562093, zwart, merk: L2 Sunmi);\n\n4) 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL0900-2025244684-3562097, blauw, merk: Oppo);\n\n5) 1 STK Computer (Omschrijving: PL0900-2025244684-3562099, zwart, merk: TCL).\n\nAnders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de verdachte ook de rechthebbende is van de Oppo-telefoon met goednummer PL0900-2025244684-3562097, die immers in de woning van de verdachte is aangetroffen.\n\n8. De vorderingen door benadeelde partijen\n\n8.1.. De vorderingen\n\n8.1.1.. \n\nDe benadeelde partij [benadeelde 1]\n\nNabestaande [benadeelde 1] (partner van het slachtoffer) heeft als benadeelde partij een verzoek tot schadevergoeding ingediend, waarin zij van de verdachte een bedrag van\n\n€ 239.651,50 vordert, als vergoeding voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van de ten laste gelegde doodslag.\n\nDit gevorderde bedrag is als volgt opgebouwd:\n\n- € 189.651,50 € 189.651,50 als vergoeding voor materiële schade, bestaande uit:\n\n € 14.651,50 als vergoeding voor kosten voor lijkbezorging;\n\n € 175.000,- als vergoeding voor gederfd levensonderhoud;\n\n- € 50.000,- € 50.000,- als vergoeding voor immateriële schade, bestaande uit:\n\n € 20.000,- als vergoeding voor affectieschade;\n\n € 30.000,- als vergoeding voor schokschade.\n\n8.1.2.. \n\nDe benadeelde partij [benadeelde 5]\n\nNamens de minderjarige nabestaande [benadeelde 5] (dochter van het slachtoffer) is als benadeelde partij een verzoek tot schadevergoeding ingediend, waarin van de verdachte een bedrag van € 40.000,- wordt gevorderd, als vergoeding voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van de ten laste gelegde doodslag.\n\nDit bedrag is als volgt opgebouwd:\n\n€ 20.000,- als vergoeding voor gederfd levensonderhoud;\n\n€ 20.000,- als vergoeding voor immateriële schade (affectieschade).\n\n8.1.3.. \n\nDe benadeelde partij [benadeelde 4]\n\nNamens de minderjarige nabestaande [benadeelde 4] (zoon van het slachtoffer) is als benadeelde partij een verzoek tot schadevergoeding ingediend, waarin van de verdachte een bedrag van € 40.000,- wordt gevorderd, als vergoeding voor de schade die hij heeft geleden als gevolg van de ten laste gelegde doodslag.\n\nDit gevorderde bedrag is als volgt opgebouwd:\n\n€ 20.000,- als vergoeding voor gederfd levensonderhoud;\n\n€ 20.000,- als vergoeding voor immateriële schade (affectieschade).\n\n8.1.4.. \n\nDe benadeelde partij [benadeelde 3]\n\nNabestaande [benadeelde 3] (moeder van het slachtoffer) heeft als benadeelde partij een verzoek tot schadevergoeding ingediend, waarin zij van de verdachte een bedrag van € 17.500,- vordert, als vergoeding voor de immateriële schade (affectieschade) die zij heeft geleden als gevolg van de ten laste gelegde doodslag.\n\n8.1.5.. \n\nWettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel\n\nDe benadeelde partijen vorderen tevens een verhoging van de gevorderde bedragen met de verschuldigde wettelijke rente, en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n8.2.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen toe te wijzen, met uitzondering van de posten die betrekking hebben op gederfd levensonderhoud, omdat deze niet zijn onderbouwd.\n\n8.3.. Het standpunt van de verdediging\n\n8.3.1.. \n\nTen aanzien van alle vorderingen\n\nDe verdediging heeft primair verzocht de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering, omdat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde doodslag of dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.\n\nSubsidiair heeft de advocaat verzocht de vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van de posten die betrekking hebben op gederfd levensonderhoud, omdat deze niet zijn onderbouwd.\n\nBij toewijzing van (een deel van) de vorderingen heeft de advocaat verzocht om op grond van artikel 6:101 BW jo. 6:108 lid 5 BW op alle posten een “eigen schuld”-correctie toe te passen tussen de 50% en 75% van het gevorderde bedrag. De gedragingen van het slachtoffer hebben immers in vergaande mate bijgedragen aan het ontstaan van de schadeveroorzakende gebeurtenis, aldus de advocaat.\n\n8.3.2.. \n\nTen aanzien van de vordering door [benadeelde 1]\n\nDe advocaat heeft bepleit de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, voor zover deze betrekking heeft op een vergoeding voor schokschade. De directe confrontatie van deze benadeelde partij met de gevolgen van de ten laste gelegde doodslag was immers niet onverhoeds en onvermijdbaar, waardoor toekenning van een vergoeding voor schokschade niet op zijn plaats is.\n\n8.4.. Het oordeel van de rechtbank\n\n8.4.1.. \n\nDe vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]\n\nNaar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreekse schade heeft geleden.\n\nDe materiële schade\n\nDe rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “kosten voor lijkbezorging” toe, omdat de gestelde schade (€ 14.651,50) voldoende is onderbouwd en niet inhoudelijk is betwist.\n\nDe rechtbank verklaart de vordering ten aanzien van de post “gederfd levensonderhoud” niet-ontvankelijk, omdat deze niet is onderbouwd. Wanneer de benadeelde partij gelegenheid zou worden gegeven tot een nadere onderbouwing, is dat een te zware belasting voor de strafzaak.\n\nDe immateriële schade.\n\nDe rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “affectieschade” toe, op grond van de artikelen 51f, tweede lid, eerste volzin van het Wetboek van Strafvordering (verder: Sv) en artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW). Het gevorderde bedrag van\n\n€ 20.000,- is in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade en zal worden toegewezen.\n\nDe rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “schokschade” gedeeltelijk toe, tot een bedrag van € 15.000,-. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.\n\nVergoeding van schokschade kan plaatsvinden als bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht door de directe (visuele) confrontatie met de ernstige gevolgen van een strafbaar feit. Uit die emotionele schok dient vervolgens geestelijk letsel te zijn voortgevloeid. Dat zal zich met name kunnen voordoen als de benadeelde partij en het slachtoffer een nauwe affectieve relatie hadden en het slachtoffer bij het strafbare feit is gedood.\n\nDe benadeelde partij heeft in het voegingsformulier en de bijlagen daarbij de vordering tot vergoeding van schokschade onderbouwd. Ook is de vordering op dit punt ter terechtzitting nader toegelicht.\n\nDe rechtbank stelt op grond van deze onderbouwing vast dat de bij de benadeelde partij een hevige emotionele schok is teweeggebracht door de directe visuele confrontatie met de directe gevolgen van de doodslag op haar partner, toen zij de televisiebeelden bekeek die voor het televisieprogramma Bureau Utrecht zijn gemaakt. Deze televisiebeelden bekeek zij, omdat zij wilde voorkomen dat het dode lichaam van haar partner herkenbaar op televisie te zien zou zijn. De rechtbank is, anders dan de advocaat, van oordeel dat onder deze omstandigheden niet van de benadeelde partij kon worden gevergd eventuele schokschade te voorkomen, door niet naar deze beelden te kijken.\n\nUit de onderbouwing blijkt verder dat de benadeelde partij inmiddels geestelijke klachten heeft die passen bij een posttraumatische stressstoornis.\n\nDe rechtbank realiseert zich dat niet vastgesteld kan worden in hoeverre dit geestelijk letsel bij de benadeelde partij is veroorzaakt door de doodslag zelf en de daardoor veroorzaakte leed, verdriet en angst (affectieschade), en in hoeverre dit geestelijk letsel is veroorzaakt door het bekijken van de televisiebeelden (schokschade). Dit staat er echter niet aan in de weg dat de rechtbank de door de benadeelde partij geleden schokschade schattenderwijs kan vaststellen.De rechtbank stelt, alles overwegende, de door de benadeelde partij geleden schokschade vast op € 15.000,- en zal deze post van haar vordering tot dit bedrag toewijzen.\n\nDe benadeelde partij zal ten aanzien van deze post voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Dit gedeelte van de vordering kan zij bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nTotaal\n\nDe rechtbank waardeert de totale te vergoeden materiële en immateriële schade op\n\n€ 49.651,50 en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.\n\n8.4.2.. \n\nDe vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5]\n\nNaar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de benadeelde partij [benadeelde 5] als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreekse schade heeft geleden.\n\nDe materiële schade\n\nDe rechtbank verklaart de vordering ten aanzien van de post “gederfd levensonderhoud” niet-ontvankelijk, omdat deze niet is onderbouwd. Wanneer de wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partij gelegenheid zou worden gegeven tot een nadere onderbouwing, is dat een te zware belasting voor de strafzaak.\n\nDe immateriële schade.\n\nDe rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “affectieschade” toe, op grond van de artikelen 51f, tweede lid, eerste volzin Sv en artikel 6:108 BW. Het bedrag zal in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade worden toegewezen tot een bedrag van € 20.000,-.\n\nBEM-clausule\n\nOmdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen, tot de minderjarige achttien jaar is, alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.\n\n8.4.3.. \n\nDe vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4]\n\nNaar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de benadeelde partij [benadeelde 4] als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft geleden.\n\nDe materiële schade\n\nDe rechtbank verklaart de vordering ten aanzien van de post “gederfd levensonderhoud” niet-ontvankelijk, omdat deze niet is onderbouwd. Wanneer de wettelijk vertegenwoordiger van de benadeelde partij gelegenheid zou worden gegeven tot een nadere onderbouwing, is dat een te zware belasting voor de strafzaak.\n\nDe immateriële schade.\n\nDe rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “affectieschade” toe, op grond van de artikelen 51f, tweede lid, eerste volzin Sv en artikel 6:108 BW. Het bedrag zal in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade worden toegewezen tot een bedrag van € 20.000,-.\n\nBEM-clausule\n\nOmdat de benadeelde partij minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen, tot de minderjarige achttien jaar is, alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.\n\n8.4.4.. \n\nDe vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3]\n\nNaar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de benadeelde partij [benadeelde 3] als gevolg van het bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft geleden.\n\nDe rechtbank wijst de vordering ten aanzien van de post “affectieschade” toe, op grond van de artikelen 51f, tweede lid, eerste volzin Sv en artikel 6:108 BW. Het bedrag zal in overeenstemming met het Besluit vergoeding affectieschade worden toegewezen tot een bedrag van € 17.500,-.\n\n8.4.5.. \n\nGeen eigen schuld\n\nDe rechtbank zal op de toe te wijzen schadevergoedingen geen eigen schuld-correctie toepassen, omdat niet is gebleken van een gedraging door het slachtoffer die heeft bijgedragen aan het ontstaan van de door de benadeelde partijen geleden schade.\n\n8.4.6.. \n\nDe wettelijke rente\n\nDe hiervoor genoemde bedragen die de verdachte aan de benadeelde partijen moet vergoeden, worden vermeerderd met de wettelijke rente, telkens vanaf de datum van het ontstaan van de schade, te weten 19 juli 2025 voor de affectieschade en schokschade en 28 september 2025 voor de kosten voor lijkbezorging.\n\n8.4.7.. \n\nDe schadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank legt ten behoeve van alle benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte op, zodat de benadeelde partijen de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeven te incasseren, maar de Staat dit voor hen doet.\n\nDe verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partijen. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.\n\n8.4.8.. \n\nGijzeling\n\nAls de verdachte de schadevergoedingen niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast.\n\nHet toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van de verplichting tot betaling van de schadevergoedingen, maar dient slechts als prikkel tot nakoming van die verplichting. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoedingen te betalen.\n\nIn totaal mag niet meer dan één jaar (365 dagen) gijzeling worden opgelegd. Gelet op het totale bedrag waarvoor de schadevergoedingsmaatregelen in de onderhavige zaak worden opgelegd, zou het aantal dagen gijzeling, opgeteld per maatregel, het maximum van één jaar overschrijden. De rechtbank zal daarom het aantal dagen gijzeling per schadevergoedingsmaatregel naar evenredigheid vaststellen, uitgaande van een totaalmaximum van 365 dagen.\n\n8.4.9.. \n\nDe proceskosten\n\nVerdachte zal ook worden veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.\n\n9. De toegepaste wetsartikelen\n\nDe beslissing berust op de artikelen 36b, 36c, 36f, 60a en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.\n\n10. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\n- verklaart bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4. is omschreven;\n\n- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid\n\n- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.3.5. is vermeld;\n\n- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;\n\noplegging straf\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 13 (dertien) jaren;\n\n- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nbeslag\n\n- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:\n\n1) 1 STK Mes (Omschrijving: PL0900-2025244684-G3562050);\n\n2) 1 STK Mes (Omschrijving: PL0900-2025244684-G3562047);\n\n- gelast de teruggave aan verdachte van de volgende voorwerpen:\n\n3) 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL0900-2025244684-3562093, zwart, merk: L2 Sunmi);\n\n4) 1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: PL0900-2025244684-3562097, blauw, merk: Oppo);\n\n5) 1 STK Computer (Omschrijving: PL0900-2025244684-3562099, zwart, merk: TCL;\n\nbenadeelde partij [benadeelde 1]\n\nwijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 49.651,50, bestaande uit een vergoeding van € 14.651,50 voor materiële schade en een vergoeding van € 35.000,- voor immateriële schade;\n\nveroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente. Deze wordt berekend over het bedrag van € 14.651,50 vanaf 25 september 2025 en over het bedrag van € 35.000,- vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de algehele voldoening;\n\nlegt de verdachte de verplichting op aan de Staat € 49.651,50 te betalen ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] , vermeerderd met de wettelijke rente. Deze wordt berekend over het bedrag van € 14.651,50 vanaf 25 september 2025 en over het bedrag van € 35.000,- vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de volledige betaling, bij niet-betaling aan te vullen met 169 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nveroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op dit moment begroot op nihil;\n\nverklaart [benadeelde 1] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nbenadeelde partij [benadeelde 5]\n\nwijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 5] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 20.000,-, bestaande uit een vergoeding voor immateriële schade;\n\nveroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 5] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de algehele voldoening;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule;\n\nlegt de verdachte de verplichting op aan de Staat € 20.000,- te betalen ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 5] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 68 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nveroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op dit moment begroot op nihil;\n\nverklaart [benadeelde 5] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nbenadeelde partij [benadeelde 4]\n\nwijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 4] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 20.000,-, bestaande uit een vergoeding voor immateriële schade;\n\nveroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 4] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de algehele voldoening;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partij te openen rekening met een BEM-clausule;\n\nlegt de verdachte de verplichting op aan de Staat € 20.000,- te betalen ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 4] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 68 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nveroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op dit moment begroot op nihil;\n\nverklaart [benadeelde 4] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nbenadeelde partij [benadeelde 3]\n\nwijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 3] toe tot een bedrag van € 17.500,-, bestaande uit een vergoeding voor immateriële schade;\n\nveroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 3] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de algehele voldoening;\n\nlegt de verdachte de verplichting op aan de Staat € 17.500,- te betalen ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 3] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 juli 2025 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 60 dagen gijzeling;\n\nbepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde partij dan wel aan de Staat heeft vergoed;\n\nveroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op dit moment begroot op nihil.\n\nVoorlopige hechtenis\n\nwijst af de vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis;\n\nwijzigt de bij bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis van 15 januari 2026 opgelegde\n\nvoorwaarden in die zin dat de voorwaarden komen te luiden:\n\n1. de verdachte zal zich niet aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis onttrekken, indien de opheffing van de schorsing mocht worden bevolen;\n\n2. indien de verdachte wegens het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen tot andere dan vervangende vrijheidsstraf mocht worden veroordeeld, zal de verdachte zich niet onttrekken aan de tenuitvoerlegging daarvan;\n\n3. de verdachte zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of zal een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel l van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;\n\n4. de verdachte zal zich niet aan een strafbaar feit schuldig maken;\n\n5. de verdachte zal verschijnen op iedere oproep van politie en justitie;\n\n6. de verdachte zal bij wijziging van zijn adres het nieuwe adres schriftelijk doorgeven aan de officier van justitie;\n\n7. de verdachte heeft alle op zijn naam staande paspoorten en identiteitsbewijzen ingeleverd bij het Openbaar Ministerie;\n\n8. de verdachte zal Nederland niet verlaten;\n\n9. de verdachte zal op geen enkele wijze, direct of indirect, contact opnemen, zoeken of hebben met de volgende personen:\n\n- [benadeelde 1] , geboortedatum [1989] ;\n\n- [benadeelde 5] , geboortedatum [2016] ;\n\n- [benadeelde 4] , geboortedatum [2018] .\n\nDe politie ziet toe op handhaving van dit verbod;\n\n10. de verdachte zal zich niet begeven in de wijk [wijk] van de gemeente Utrecht. De politie ziet toe op handhaving van dit verbod.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L.M. Reijnierse, voorzitter, mr. J.E.S. Dolmans en mr. S.E. van den Brink, rechters, in tegenwoordigheid van A. van der Zwan, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 juni 2026.\n\nBijlage I: de tenlastelegging\n\nAan verdachte wordt ten laste gelegd dat:\n\nhij op of omstreeks 19 juli 2025 te Utrecht, [slachtoffer] (geboren [1985] ), opzettelijk van het leven heeft beroofd, door meermalen, althans eenmaal, met kracht met een mes, althans een scherp en\u002Fof puntig voorwerp, in de nek en\u002Fof de bovenarm, althans in\n\nhet lichaam, van die [slachtoffer] te snijden\u002Fte steken.\n\nBijlage II: De bewijsmiddelen\n\nDe politie Midden-Nederland heeft het volgende gerelateerd:\n\nOp zaterdag 19 juli 2025 omstreeks 20:10 uur, reed ik samen met collega [verbalisant] op de [straat] te [woonplaats] ter hoogte van huisnummer [huisnummer] . Ik zag dat er een man vanaf links, de weg op liep. Ik zag dat de man midden op de weg ging staan. Ik zag dat de man zijn linkerhand op zijn op de linkerkant van zijn keel gedrukt had. Ik zag dat er uit de linkerkant van de nek van de man extreem veel bloed spoot. Ik zag aan zijn blik dat de man duidelijk in paniek was. Ik zag dat de man naar de bijrijdersdeur van ons dienstvoertuig liep.\n\nIk zag dat er een bloedspoor op de grond lag vóór ons dienstvoertuig. Ik zag dat dit bloedspoor richting de woning van de [adres] ging. Ik zag dat er bloed op de muur naast de voordeur van de [adres] zat. Ik zag dat er een mannelijk persoon uit de deur kwam lopen. Hierna zal ik deze persoon noemen als zijnde verdachte. Ik hoorde dat de verdachte zei: “Ik ben hierbij betrokken” of woorden van gelijke strekking.Ik hoorde de verdachte het volgende zeggen of woorden van gelijke strekking: - ik heb hem neergestoken; - het mes waarmee ik hem heb neergestoken, ligt achter de voordeur. Verdachte: [verdachte] , geboortedatum [1982] te [geboorteplaats] . Ik zag dat de man die eerder bloedend over straat liep, aan de overkant van de straat op de grond lag.\n\nIk ben vervolgens aan de rugzijde van de man gaan zitten en plaatste mijn linkerhand op zijn buik en mijn rechterhand op zijn rug om de ademhaling in de gaten te houden. Na ongeveer een minuut voelde ik dat de man niet meer ademde. Samen met collega’s heb ik de man op zijn rug gedraaid en ben ik de traumatische reanimatie van de man gestart. Omstreeks 20.20 uur was de ambulance ter plaatse en hebben de reanimatie overgenomen en omstreeks 20.35 uur, zag ik dat het Mobiel Medisch Team ter plaatse kwam en ondersteunde bij de reanimatie. Om 20.46 uur hoorde ik de arts van het Mobiel Medisch Team zeggen dat de man was overleden.\n\nDe overledene bleek later te zijn genaamd: [slachtoffer] , geboren op [1985] te [geboorteplaats] .\n\nOp zondag 20 juli 2025 om 12:30 uur kwam ik voor forensisch onderzoek aan op de locatie [straat] ter hoogte van nummer [huisnummer] .\n\nBegane grond (hal):\n\nBij het openen van de deur kwam ik terecht in een hal. Aan het einde van de hal zag ik een wit geverfde, steile trap naar boven.\n\nTegen de linker muur, op de vloer tegen het stootbord van de eerste traptrede, zag ik een vuilniszak liggen. Ik zag achter de vuilniszak, tegen de muur aan twee handvaten uitsteken, van messen. Ik heb eerst het voorste mes (het mes wat het meest tegen de vuilniszak aanlag) veiliggesteld. Ik zag dat het om een mes ging met een zwart heft en een wit lemmet. Ik zag dat het lemmet circa 18 cm lang was. Over het gehele lemmet zag ik bloedsporen.\n\nAchter dit mes, tegen de muur aan, zag ik een tweede mes. Ik zag dat het om een mes ging met een zwart heft en zwart lemmet. Ik zag dat het lemmet circa 18 cm lang was. Op het lemmet zag ik bloedsporen.\n\nGetuige [getuige] heeft het volgende verklaard:\n\nVandaag op zaterdag 19 juli 2025 ging ik een stukje wandelen door de buurt samen met mijn moeder. Ik liep op de [straat] in de richting van de stad. Ik zag dat er een busje geparkeerd stond recht voor de deur van de [adres] .Ik zag dat er een grote man rondom het busje liep. Ik hoorde hem hard schreeuwen. Ik zag dat de man richting de deur van de [adres] liep. Ik zag dat de deur werd geopend door een kleine man. Ik zag dat er een worsteling ontstond tussen de grote man en de kleine man. Ik zag dat de kleine man een mes in zijn rechterhand vasthield.\n\nIk zag dat de kleine man het mes meerdere malen in de nek van de lange man stak. Ik zag dat er meerdere keren kort achter elkaar in de nek van de lange man werd gestoken.\n\nIk zag dat de grote man naar buiten kwam lopen. Ik zag dat er extreem veel bloed uit de nek kwam van de grote man.\n\nIn een deskundigenrapport van het NFI staat het volgende:\n\nOverledene: [slachtoffer] , geboortedatum [1985] .\n\nResultaten uit- en inwendige schouwing:\n\nAan de hals links, op circa 170 cm van de voetzolen en circa 7 cm van het midden, was een lijnvormige scherprandige huidperforatie van circa 4,2 cm. Hierbij was een naar rechts, onderwaarts en voorwaarts gericht steekkanaal met een diepte van circa 9 cm. Bij het steekletsel was er onder meer perforatie van de linker oppervlakkige halsader, een aftakking van de linker diepe halsader, een vertakking van de linker halsslagader en het strottenhoofd. Aan de hals links, op circa 165,5 cm van de voetzolen en circa 6 cm van het midden, was een lijnvormige scherprandige huidperforatie van circa 2,0 cm. Hierbij was een naar rechts, onderwaarts en voorwaarts gericht steekkanaal met een diepte van circa 5 cm. Bij het steekletsel was er onder meer perforatie van de linker oppervlakkige halsader en diepere weke delen.Deze steekletsels hebben geleid tot ernstig bloedverlies. Ook zijn hierbij functiestoornissen te verwachten van de ademhaling en de longen (door inademing van bloed bij de perforatie van het strottenhoofd), alsook van het hart (mede door aanzuiging van lucht via de geperforeerde halsaders). Op basis hiervan wordt het overlijden zonder meer verklaard.\n\nDe verdachte heeft verklaard, zakelijk weergegeven:\n\nIk had koksmessen vast.\n\nToen ik de deur open deed zag ik [slachtoffer] voor de deur staan.\n\nIk heb hem gestoken.\n\n HR 12 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1633.\n\n Zie ECLI:NL:HR:2022:1416.\n\nHR 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:987.\n\n Zie ECLI:NL:HR:2023:1495.\n\n Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-202544684, doorgenummerd pagina 1 tot en met 601, met als bijlage een Forensisch dossier, apart doorgenummerd pagina 1 tot en met 286. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pag. 12.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pag. 13.\n\n Proces-verbaal van bevindingen, pag. 15.\n\n Proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres] [woonplaats] ), Forensisch dossier pag. 127.\n\n Proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres] [woonplaats] ), Forensisch dossier pag. 129.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige, pag. 52.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige, pag. 53.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige, pag. 54.\n\n Een deskundigenrapport Forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden, d.d. 11 augustus 2025, Forensisch dossier pag. 100.\n\n Een deskundigenrapport Forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden d.d. 11 augustus 2025, Forensisch dossier pag. 101.\n\n Een deskundigenrapport Forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden d.d. 11 augustus 2025, Forensisch dossier pag. 103.\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte, pag. 142.\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte, pag. 596.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3784","ecli-nl-rbmne-2026-3784",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":132,"ecli":133,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":134,"fullText":135,"language":7,"source":17,"sourceUrl":136,"summary":14,"slug":137,"metadata":138},"1583","ECLI:NL:RBMNE:2026:3992","2026-06-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nParketnummer: 16\u002F225832-25\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 29 juni 2026 in de strafzaak van:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1977 in [geboorteplaats] (Marokko),\n\nverblijvende op het adres [adres] , [postcode] in [plaats]\n\n(hierna: de verdachte).1. Zitting\n\nDe strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 15 juni 2026.\n\nOp de zitting waren aanwezig:\n\nde verdachte;\n\nde officier van justitie: mr. A. Bakker;\n\nde advocaat van de verdachte: mr. R.J. Jager (hierna: de advocaat);\n\nde benadeelde partij: [aangever] ;\n\nde advocaat van de benadeelde partij: mr. R.E.H. Jager.2. Beoordeling door de rechter\n\nHet strafbare feit (of feiten) waarvan een verdachte door de officier van justitie wordt beschuldigd staan in de ‘tenlastelegging’. Bij het beoordelen van die beschuldiging moet de rechter op grond van de wet een aantal vragen beantwoorden. De rechter doet dat op basis van die tenlastelegging (hierna: de beschuldiging) en naar aanleiding van het onderzoek op de zitting.\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte er, na wijziging van de beschuldiging, van dat zij, samengevat:\n\nop 19 augustus 2025 in Utrecht heeft geprobeerd opzettelijk [aangever] van het leven te beroven;\n\nen voor het geval die beschuldiging niet tot een veroordeling zou leiden (subsidiair):\n\nopzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht;\n\nen voor het geval ook die beschuldiging niet tot een veroordeling zou leiden (meer subsidiair): heeft geprobeerd zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.\n\nDe vragen die de rechter moet beantwoorden zijn de volgende. De rechter moet eerst beoordelen of bewezen is dat de tenlastegelegde feiten door de verdachte zijn begaan (zie paragraaf 3 ‘Bewijs’) en, zo ja, welk strafbaar feit het bewezenverklaarde volgens de wet oplevert (zie paragraaf 4 ‘Strafbaarheid en kwalificatie van het feit’). Als wordt aangenomen dat de feiten bewezen en strafbaar zijn, dan moet de rechter oordelen over de strafbaarheid van de verdachte (zie paragraaf 5 ‘Strafbaarheid van de verdachte’) en over de oplegging van een straf of maatregel. Tenslotte moet de rechter oordelen over goederen die onder de verdachte in beslag zijn genomen (zie paragraaf 6, ‘In beslag genomen voorwerpen’).3. Bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte heeft geprobeerd [aangever] van het leven te beroven.\n\nDe standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte van alle beschuldigingen vrij te spreken.\n\nDe advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 3.3.\n\n3.3.. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. \n\nInleiding\n\nDe rechtbank moet dus eerst beoordelen of bewezen is dat de verdachte op 19 augustus 2025 in Utrecht heeft geprobeerd opzettelijk [aangever] (hierna: [aangever] ) van het leven te beroven, dat zij hem zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht of dat laatste heeft geprobeerd. De verdediging heeft ook nog aangevoerd dat er sprake was van noodweer; dat de verdachte zich moest verdedigen tegen een aanval van [aangever] . Dat standpunt van de verdediging zal later in dit vonnis worden besproken, namelijk bij de vraag of de verdachte strafbaar is (zie paragraaf 5 ‘Strafbaarheid van de verdachte’).\n\n3.3.2.. \n\nWat is er gebeurd?\n\n [aangever] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij op 19 augustus 2025 door de verdachte in haar auto werd afgesneden, dat de verdachte is uitgestapt, naar hem toe kwam lopen, zei dat zij hem dood ging maken, een vloeistof in zijn gezicht heeft gespoten en in zijn nek heeft gestoken. De verdachte had daarbij twee messen in de hand. De rechtbank stelt vast dat deze verklaring van [aangever] over (de volgorde van) de gebeurtenissen niet kan kloppen. De getuige [getuige] heeft namelijk gezien dat de man (de rechtbank begrijpt: [aangever] ) bij de auto stond en rustig in gesprek was. Iets later zag hij dat de vrouw op de bestuurdersstoel van de auto zat en wilde uitstappen. De getuige zag een snelle armbeweging vanuit de man in de richting van de vrouw. De rechtbank ziet geen reden om aan de verklaring van getuige [getuige] te twijfelen. Dit betekent dat niet vast staat dat de verdachte eerst is uitgestapt, naar [aangever] toe is komen lopen en daarna heeft gestoken. Dit betekent ook dat de rechtbank de aangifte van [aangever] niet goed kan gebruiken voor de vaststelling hoe de verdachte heeft gestoken en in welke situatie dat gebeurde.\n\nHieronder is het bewijs weergegeven dat de rechtbank wel gebruikt. De rechtbank stelt op grond van dat bewijs het volgende vast. Op 19 augustus 2025 heeft de verdachte aangever getroffen vlakbij zijn woning. Tussen hen is een worsteling ontstaan. Op enig moment tijdens deze worsteling heeft de verdachte een of meer stanleymessen in haar handen gehad. Aangever heeft hierdoor ernstig letsel aan zijn hals en aan zijn rechterhand en letsel aan zijn buik en arm opgelopen. Ook heeft de verdachte aangever met pepperspray in zijn gezicht gespoten.\n\n3.3.3.. Bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank vindt bewezen dat de verdachte aangever opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen:\n\nDe verdachte heeft – zakelijk weergegeven – op de zitting van 15 juni 2026 verklaard:\n\nOp 19 augustus 2025 zat ik in Utrecht in mijn auto. Ik heb toen met een of meer stanleymessen gezwaaid waardoor [aangever] letsel heeft opgelopen.\n\nEen proces-verbaal van aangifte van [aangever] , voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:\n\nOp 19 augustus 2025 was ik op mijn kamer op de [straat] te Utrecht.Toen ik buiten kwam, zag ik het voertuig van [verdachte] (de rechtbank begrijpt: de verdachte [verdachte] ) rijden. Ik zag dat de bestuurdersportier werd geopend. Ik zag dat [verdachte] in het voertuig zat. Ik zag dat zij een vloeistof in mijn gezicht spoot. Ik voelde dat de vloeistof prikte in mijn gezicht. Ik zag dat [verdachte] twee messen in haar hand hield. Ik zag direct veel bloed en voelde direct veel pijn.\n\nEen geschrift, te weten een brief van chirurg dr. K.J.P. van Wessem van 20 augustus 2025, voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven:\n\n [aangever] bezocht op 19-8-2025 de afdeling Spoedeisende hulp voor het specialisme Traumachirurgie.\n\nConclusie\n\nTrauma steekverwonding met als gevolg:\n\nMultiple laceraties: linker hals, volaire zijde linker onderarm, tussen dig I en II waarbij deel aan volaire zijde van de spierbuik van de m. interosseus dorsalis 1 deels door (functie oogt intact), laceratie mediale zijde dig Il en excoriatie over bovenzijde abdomen.\n\nHals: Laceratie linkerzijde hals tot in subcutis,\n\nExtremiteiten: Diepe laceratie tussen dig I en dig 11, waarbij deel van de spierbuik m. interosseus aan de volaire zijde door, kan duim opponeren, buigen en strekken antalgisch beperkt.\n\nEen geschrift, te weten een brief van internist n.p. en arts bedrijfsgeneeskunde, medisch adviseur H.M. Melief, overgelegd bij de vordering van de benadeelde partij [aangever] van 27 maart 2026 voor zover inhoudende, -zakelijk weergegeven-:\n\nrechterhand\n\nHier lopen spieren, pezen en zenuwen die essentieel zijn voor de beweging en het gevoel van de vingers en hand. Een gedeelte van de spier van die de beweging van de wijsvinger aanstuurt en ondersteunt bij buigen en strekken van de vingers, is hierbij doorgesneden.\n\nConcluderend zijn er dus ernstige en blijvende klachten aan de hand met zowel verminderd gevoel aan een deel van de duim, als juist invaliderende neuropathische pijnklachten, die optreden bij gebruik van de hand bij dagelijkse handelingen.\n\nMet betrekking tot de hand kan nog geen eindsituatie worden geduid.\n\nhals\n\nCliënt heeft een wond opgelopen in de hals van ongeveer 20 cm. Bij cliënt was er gelukkig sprake van een relatief oppervlakkige wond waarbij geen belangrijke structuren geraakt zijn. Echter, er is een groot en ontsierend litteken in de hals. Het litteken oogt als dik en verheven op de foto’s waarbij er geen sprake is van cosmetisch fraaie wondgenezing. De ontwikkeling van een deﬁnitief litteken kan tot 2 jaar duren. Complicaties omvatten verharding van het litteken, een bewegingsbeperking door samentrekken van het litteken, beïnvloeding van de spierfunctie van de nek en gevoelsstoornissen. Een eindsituatie is nog niet te duiden.\n\nDe eigen waarneming van de rechtbank op de zitting van 15 juni 2026:\n\nDe rechtbank neemt waar dat aangever [aangever] een ontsierend litteken aan de linkerkant van zijn nek\u002Fhals heeft.\n\nEen proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , voor zover inhoudende -zakelijk weergegeven-:\n\nOp 19 augustus 2025 was ik op de [straat] te Utrecht. Ik zag dat een man aan de bestuurderszijde van de eerder genoemde auto stond.\n\nIk zag dat er een vrouw op de bestuurdersstoel zat en zij wilde uit de auto stappen. Ik zag een snelle armbeweging vanuit de eerdergenoemde man in de richting van de vrouw. Ik zag vervolgens dat de man en vrouw snelle armbewegingen naar elkaar maakte.\n\nIk zag dat de vrouw in haar linkerhand een mes vasthield.\n\n3.3.4.. Welk strafbaar feit?\n\nDoodslag\n\nDe beschuldiging houdt allereerst in dat de verdachte heeft geprobeerd [aangever] van het leven te beroven, een poging tot doodslag. De rechtbank oordeelt dat de beschuldiging van poging tot doodslag niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.\n\nVoor het bewijs van doodslag is nodig dat de verdachte opzet had op de dood van aangever. Dat sprake is geweest van ‘vol’ opzet op de dood van aangever kan op basis van het dossier niet wettig en overtuigend worden bewezen. Bewijs daarvoor ontbreekt.\n\nOpzet kan ook worden bewezen als de verdachte ‘voorwaardelijk’ opzet had. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van aangever – is aanwezig indien verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de dood zal intreden. De beantwoording van de vraag of het handelen van verdachte de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.\n\nUit het dossier volgt niet dat de verdachte aangever gericht met de stanleymesjes heeft gestoken. De rechtbank gaat uit van de situatie dat de verdachte met de stanleymesjes (ongecontroleerd) heeft gezwaaid en daardoor aangever heeft gesneden in onder meer zijn hals, hand, buik en arm. De rechtbank kan uit de dossierstukken niet afleiden met welke kracht de verdachte met de stanleymesjes zwaaide en met welke kracht zij aangever heeft geraakt. Wel verklaren de artsen dat de wond in de hals van aangever oppervlakkig was. Tot slot is de aard van het voorwerp – tamelijk kleine voorwerpen waarvan het snijdende deel zogenaamde afbreekmesjes vormen – niet zodanig dat alleen het zwaaien daarmee naar een persoon al gevaar voor het leven met zich brengt. Daarbij speelt dat de rechtbank op basis van het dossier ook niet heeft kunnen vaststellen hoe ver de mesjes waren uitgeschoven. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat het handelen van de verdachte de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat aangever zou komen te overlijden. Er is dus geen sprake van voorwaardelijk opzet op de dood van aangever.\n\nDe rechtbank vindt daarom dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte heeft geprobeerd opzettelijk [aangever] van het leven te beroven spreekt de verdachte daarom vrij van de (primair ten laste gelegde) poging tot doodslag.\n\nZwaar lichamelijk letsel\n\nIn de tweede plaats – als poging tot doodslag niet bewezen zou kunnen worden – houdt de beschuldiging in dat de verdachte [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht. Het Wetboek van Strafrecht (Sr) bevat geen definitie of omschrijving van zwaar lichamelijk letsel. Artikel 82 Sr beschrijft echter wel wat in ieder geval onder zwaar lichamelijk letsel wordt begrepen. Artikel 82 Sr laat de rechter de vrijheid om ook buiten die gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen als dat letsel voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. De Hoge Raad heeft algemene gezichtspunten geformuleerd die relevant zijn voor de beoordeling of er sprake is van zwaar lichamelijk letsel. Als algemene gezichtspunten kunnen in ieder geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. Daarbij geldt dat van zwaar lichamelijk letsel niet alleen sprake kan zijn indien het uitzicht op herstel in belangrijke mate ontbreekt, maar ook indien het letsel gepaard gaat met een langere periode van herstel of van onzekerheid over de mogelijkheid en de mate van herstel. Daarnaast kan van belang zijn in hoeverre tijdens de periode van herstel sprake is van pijn en\u002Fof fysieke beperkingen. In voorkomende gevallen kan in de beoordeling verder worden betrokken of restschade aanwezig is, in het bijzonder in de vorm van één of meer littekens. Daarbij kunnen van belang zijn het uiterlijk en de ernst van het litteken en daarmee samenhangend de mate waarin dat litteken het lichaam ontsiert, en eventueel of in verband met dat litteken – langdurige – pijnklachten (hebben) bestaan.\n\nUit het letselonderzoek en uit het medisch advies volgt dat een spier die de beweging van de wijsvinger aanstuurt en ondersteunt bij buigen en strekken van de vingers is doorgesneden. Deze verwonding brengt een hoog risico op bewegingsproblemen van de vingers mee. Ook heeft aangever een snijwond aan de binnenzijde van de wijsvinger. Dit heeft als gevolg dat hij een gevoelsstoornis aan de binnenzijde van zijn duim heeft. Of dit (volledig) zal herstellen is volgens de medisch adviseur niet te voorspellen. De handtherapeut heeft geconstateerd dat aangever veel klachten ondervindt bij een groot deel van de dagelijkse handelingen waardoor hij beperkt is in het gebruik van zijn dominante hand. Samenvattend concludeert de adviseur dat de eindsituatie van de hand onduidelijk blijft.\n\nDaarnaast heeft aangever aan het snijletsel in zijn hals een groot en ontsierend litteken overgehouden, zo blijkt uit het rapport van de medisch adviseur. Dit heeft de rechtbank tijdens de zitting, zo’n 10 maanden na het ontstaan van het litteken, ook geconstateerd. Van cosmetisch fraaie wondgenezing is geen sprake. Aangever heeft in het litteken ook pijnsteken en het litteken is verhard. De adviseur verwacht dat op termijn een littekencorrectie noodzakelijk zal zijn. Ook ten aanzien van het ontsierende litteken is een eindsituatie moeilijk te duiden. Verder heeft aangever nog oppervlakkige wonden aan zijn buik en arm.\n\nGezien de combinatie van de letsels bij aangever en het lange, onzekere en wellicht uitblijvende (volledige) herstel van het litteken in de hals en de functie van de hand, vindt de rechtbank dat het handelen van de verdachte zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad.\n\n(Voorwaardelijk) opzet op zwaar lichamelijk letsel\n\nVoor het bewijs van zware mishandeling moet ook komen vast te staan dat de verdachte opzet heeft gehad om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.\n\nUit het dossier kan niet worden afgeleid dat verdachte de bedoeling had om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (vol opzet). De vraag is vervolgens of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet.\n\nDe verdachte heeft (ongecontroleerd) zwaaiende bewegingen gemaakt met scherpe stanleymesjes. Op dat moment was sprake van een dynamische situatie, een worsteling, waarbij aangever in de directe nabijheid van de verdachte was. De verdachte heeft aangever met een stanleymesje in zijn nek\u002Fhals geraakt. Dit levert naar het oordeel van de rechtbank een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op. In de hals lopen belangrijke structuren zoals de bloedvaten naar de hersenen, de luchtpijp en het strottenhoofd. Ook bevinden zich in de hals belangrijke zenuwen voor de ademhaling en de stem en de schildklier. Het is daarom een feit van algemene bekendheid dat schade aan de hals ernstig lichamelijk letsel met zich kan brengen. Verder is het een feit van algemene bekendheid dat littekens lang zichtbaar blijven. De kans dat deze wonden niet herstellen is groot.\n\nDoor zo te handelen kan het niet anders zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bewust heeft aanvaard. De verdachte heeft dan ook voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank vindt wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:\n\nsubsidiair\n\nop 19 augustus 2025 te Utrecht aan een ander, te weten [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door pepperspray in het gezicht van die [aangever] te spuiten en meermalen met een of meer stanleymes(sen) in de nek\u002Fhals en de buikstreek en in de arm en de hand, van die [aangever] te snijden.\n\nDe rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.\n\nDe taal- en\u002Fof schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.4. Strafbaarheid van het feit en kwalificatie\n\nKwalificatie\n\nHet (subsidiair) bewezen feit is in het Wetboek van Strafrecht strafbaar gesteld als:\n\nzware mishandeling.\n\nHet feit is strafbaar.\n\n5. Strafbaarheid van de verdachte\n\n5.1. \n\nBeroep op rechtvaardigingsgrond\n\nDe advocaat van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat ontslag van alle rechtsvervolging moet volgen, omdat de verdachte zich mocht verdedigen. Er was sprake van noodweer(exces). Daartoe is – samengevat – aangevoerd dat sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding doordat aangever de verdachte uit de auto trok en haar bij de nek pakte. De verdachte moest zich op dat ogenblik verweren. De verdachte mocht zich verweren op de wijze waarop zij heeft gedaan en er was geen veilig alternatief voorhanden.\n\n5.2. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt dat geen sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Het verhaal dat de verdachte door aangever is aangevallen, is ongeloofwaardig. Bovendien had zij de mogelijkheid om de situatie te beëindigen door weg te rijden met de auto en heeft zij met haar handelingen ook de eisen van proportionaliteit overschreden.\n\n5.3. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nVoor een geslaagd beroep op noodweer is – in dit geval – vereist dat het snijden met een of meer stanleymesjes door de verdachte, geboden was voor de noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van haar lichaam. Daarin is ook de subsidiariteits- en proportionaliteitseis voor noodweer tot uitdrukking gebracht.\n\nDe rechtbank zal allereerst beoordelen of de feitelijke toedracht, zoals de verdediging bij haar verweer heeft aangevoerd, voldoende aannemelijk is geworden. Die feitelijke toedracht gaat dus niet over het snijden met een of meer stanleymesjes door de verdachte, waarover hiervoor al is geoordeeld, maar met name wat er kort daarvoor is gebeurd. De rechter kan tot het oordeel komen dat de feitelijke toedracht aannemelijk geworden, ondanks dat er enige onzekerheid bestaat over wat er precies is gebeurd.\n\nFeitelijke toedracht\n\nUit de dossierstukken en het onderzoek op de zitting heeft de rechtbank afgeleid dat de verdachte in de avond van 19 augustus 2025 met haar auto op zoek was naar aangever om met hem te praten. Over wat er daarna is gebeurd, lopen de verklaringen van de verdachte en aangever uiteen. De verdachte heeft verklaard dat zij in de auto zat, aangever naar haar toe kwam, de autodeur opentrok en haar bij de nek pakte. Hierop heeft zij met haar rechterhand uit de middenconsole een of meer stanleymesjes gepakt en aangever in zijn lichaam gesneden. Vervolgens heeft zij pepperspray in zijn gezicht gespoten. Daartegenover staat de verklaring van aangever dat de verdachte naar hem toe kwam lopen, dat de verdachte met pepperspray spoot en hem vervolgens met twee mesjes meermaals in zijn lichaam stak.\n\nHiervoor is al uitgelegd dat de verklaring van de verdachte op grote lijnen bevestigd wordt door getuige [getuige] . Zo verklaart hij dat er een vrouw op de bestuurdersstoel zat en dat een man aan de bestuurderszijde van de auto stond. Vervolgens heeft de getuige een snelle armbeweging gezien vanuit aangever in de richting van de vrouw. Daarna volgden snelle armbewegingen naar elkaar.\n\nIn dit licht vindt de rechtbank de door de verdachte geschetste feitelijke toedracht aannemelijk, namelijk dat aangever de eerste geweldshandeling verrichtte. Hieraan staat niet in de weg dat er enige onzekerheid bestaat over de precieze feitelijke toedracht.\n\nDe aannemelijkheid van het door de verdachte geschetste scenario wordt bovendien versterkt door het feit dat zij, vanaf het moment dat ze voor het eerst met de politie sprak tot het moment dat ze bij de rechter-commissaris werd gehoord, consistent over de gebeurtenissen heeft verklaard.\n\nOgenblikkelijke wederrechtelijke aanranding\n\nGelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte door aangever. Aangever heeft namelijk de deur van de auto van de verdachte opengetrokken, stond in de deuropening en heeft toen als eerste een geweldshandeling tegen de verdachte verricht.\n\nSubsidiariteit en proportionaliteit\n\nDe verdediging moet ook ‘geboden’ zijn. De noodzaak tot verdediging ontbreekt indien de verdachte zich aan de aanranding had kunnen en had moeten onttrekken. Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Onttrekking aan de aanranding moet van de verdachte kunnen worden verlangd. Dit hoeft bijvoorbeeld niet als de situatie zo bedreigend is, dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is.\n\nGelet op de omstandigheden waaronder het geweld door aangever plaatsvond, kon van de verdachte niet worden verlangd dat zij zich daaraan onttrok. De verdachte zat op de bestuurdersstoel van haar auto, terwijl aangever in de deuropening over haar heen gebogen stond. Zij bevond zich in een benarde situatie waarin zij geen kant op kon. Daarbij komt dat de verdachte fysiek in vergelijking tot aangever in het nadeel was; aangevers is een (forse) man van 1.87m. Onder deze omstandigheden bestond er geen reële mogelijkheid meer voor de verdachte om zich aan het geweld gepleegd door aangever te onttrekken.\n\nDe rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of de wijze van verdediging door de verdachte proportioneel was. De maatstaf daarvoor luidt of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De rechter beoordeelt dat dus terughoudend. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal.\n\nDe verdachte heeft (ongecontroleerd) gezwaaid met stanleymesjes richting het lichaam van aangever. Van de wijze waarop de verdachte zich heeft verdedigd kan niet worden gezegd dat het in onredelijke verhouding staat tot het mogelijk slaan of het pakken bij de nek van de verdachte. Daarbij is ook van belang dat de verdachte zich in een auto bevond en niet is gebleken dat er reële alternatieven waren. Ook heeft de rechtbank daarbij in aanmerking genomen dat de verdachte eerder door [aangever] is mishandeld. Omdat de verdachte zich mocht verweren tegen het tegen haar gepleegde geweld is de rechtbank van oordeel dat de verdachte niet heeft gehandeld in strijd met de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.\n\nConclusie\n\nDe verdachte is niet strafbaar omdat haar een beroep op noodweer toekomt. De verdachte zal dan ook worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Het belangrijkste gevolg daarvan is dat aan de verdachte geen straf zal worden opgelegd. Daar komt de rechtbank niet aan toe.6. In beslag genomen voorwerpen\n\n6.1. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de in beslag genomen messen en het busje pepperspray onttrekken dienen te worden aan het verkeer.\n\n6.2. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat heeft ten aanzien van het beslag geen verweer gevoerd.\n\n6.3. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten het busje pepperspray en de messen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Met behulp van deze voorwerpen is het bewezen verklaarde feit begaan.\n\n7. Vordering benadeelde partij\n\n7.1. Vordering van de benadeelde partij [aangever]\n\n heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 198.684.64, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 25.684,64 voor vergoeding van materiële schade en\n\n€ 173.000,- voor vergoeding van immateriële schade. Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\n7.2. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie vordert toewijzing van de materiële schade tot een bedrag van\n\n€ 684,64. Met betrekking tot de immateriële schade vordert de officier van justitie toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 51.500,-. Voor het overige moet de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Beide toe te wijzen schadebedragen moeten vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 19 augustus 2025 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\n7.3. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nPrimair verzoekt de advocaat de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair verzoekt de advocaat de rechtbank gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid.\n\n7.4. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging en legt geen straf op aan de verdachte of maatregel die een beoordeling van de vordering van de benadeelde partij mogelijk maakt. Volgens de wet kan de strafrechter in dat geval geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijkis in de vordering.8. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nvrijspraak\n\nverklaart het primair tenlastegelegde feit niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;\n\nverklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feit\n\n- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor onder 4 is vermeld;\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nverklaart de verdachte nietstrafbaar enontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging;\n\nbeslag\n\nverklaart het busje pepperspray(goednummer 3575894) ende messen(goednummers 3575892 en 3575893)onttrokken aan het verkeer;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [aangever]\n\nverklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;\n\nbepaalt dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen kosten dragen;\n\nvoorlopige hechtenis\n\nheft op het (al eerder geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis. Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mrs. J.P. Verboom en G.K.L. de Wijkerslooth de Weerdesteijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.A. van Loon als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2026.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:\n\nzij, op of omstreeks 19 augustus 2025, te Utrecht, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [aangever] van het leven te beroven, door pepperspray in het gezicht van die [aangever] te spuiten en\u002Fof (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, met een of meer (stanley)mes(sen), althans met (een) scherp en\u002Fof puntig voorwerp(en), in de nek\u002Fhals en\u002Fof de buik(streek) en\u002Fof in de arm en\u002Fof de hand, althans het lichaam van die [aangever] te steken en\u002Fof te snijden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nzij op of omstreeks 19 augustus 2025 te Utrecht aan een ander, te weten [aangever]\n\nopzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door pepperspray in het gezicht van die [aangever] te spuiten en\u002Fof (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, met een of meer (stanley)mes(sen), althans met (een) scherp en\u002Fof puntig voorwerp(en), in de nek\u002Fhals en\u002Fof de buik(streek) en\u002Fof in de arm en\u002Fof de hand, althans het lichaam van die [aangever] te steken en\u002Fof te snijden;\n\nmeer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nzij, op of omstreeks 19 augustus 2025, te Utrecht, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door pepperspray in het gezicht van die [aangever] te spuiten en\u002Fof (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, met een of meer (stanley)mes(sen), althans met (een) scherp en\u002Fof puntig voorwerp(en), in de nek\u002Fhals en\u002Fof de buik(streek) en\u002Fof in de arm en\u002Fof de hand, althans het lichaam van die [aangever] te steken en\u002Fof te snijden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025282821. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.\n\nPV VGL pagina 9.\n\n PV VGL, pagina 10.\n\n PV RDK, pagina 12.\n\n PV RDK, pagina 13.\n\n PV RDK, pagina 22.\n\n PV VGL, pagina 23.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3992","ecli-nl-rbmne-2026-3992",{"courtName":6,"legalDomain":21,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":140,"ecli":141,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":142,"fullText":143,"language":7,"source":17,"sourceUrl":144,"summary":14,"slug":145,"metadata":146},"1590","ECLI:NL:RBDHA:2026:18525","2026-06-26T00:00:00.000Z","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.33167\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. E. Schoneveld) en\n\nde Minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nProcesverloop\n\nDe minister heeft op 3 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.\n\nDe minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De minister heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.\n\nOverwegingen\n\nEiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1972.\n\nIndien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.\n\n3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 12 mei 2026 (in de zaak NL26.24105) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.\n\n4. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt en dat een concreet zicht op uitzetting mist. Eiser voert hierbij aan dat de minister op 9 maart 2026 een laissez-passer\n\n(lp) aanvraag heeft verzonden aan de Algerijnse autoriteiten, waarop zij hier vooralsnog niet op hebben gereageerd. Hierdoor is volgens eiser de Algerijnse identiteit en nationaliteit van eiser zelf tot op het heden nog niet bevestigd en heeft er geen presentatie plaatsgevonden.\n\nEiser voert daarnaast aan dat, gelet op het tijdsverloop, er binnen afzienbare tijd een kleine kans bestaat dat de Algerijnse autoriteiten een lp zullen verstrekken. Eiser geeft aan dat er geen rekening is gehouden met de voortduring van de maatregel van bewaring en de steeds zwaarder wegende belangen van eiser. Eiser stelt hiernaast dat de minister de optie van de VBL (vrijheidsbeperkende locatie) na het vertrekgesprek van 8 mei 2026 ging bespreken. Dit is volgens eiser inmiddels zes weken geleden en dient de minister te motiveren waarom eiser al dan niet in aanmerking komt voor de VBL. Gelet op het voorgaande vindt eiser dat de minister meer inspanning had kunnen verrichten om de uitzetting van eiser te bewerkstelligen en aldus onvoldoende voortvarend handelt.\n\n5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend handelt of dat het zicht op uitzetting binnen redelijk termijn ontbreekt.\n\nZicht op uitzetting\n\n6. Wat betreft het zicht op uitzetting overweegt de rechtbank dat volgens vaste rechtspraak het zicht op uitzetting naar Algerije in het algemeen niet ontbreekt.1 De rechtbank ziet ook geen reden om aan te nemen dat dit in het geval van eiser anders is. De Algerijnse autoriteiten hebben vooralsnog niet aangegeven de identiteit en nationaliteit van eiser niet te kunnen bevestigen. Verder is de minister afhankelijk van de werkwijze van de Algerijnse autoriteiten en de tijd die zij nodig hebben voor het onderzoek.\n\nVoortvarend handelen\n\n7. Verder is het de rechtbank niet gebleken dat de minister sinds de vorige uitspraak van 12 mei 2026 onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De minister heeft meermalen, laatstelijk op 4 juni 2026, bij de Algerijnse autoriteiten gerappelleerd en daarnaast ook met eiser, laatstelijk op 9 juni 2026, een vertrekgesprek gevoerd. Uit het vertrekgesprek van 8 mei 2026 volgt verder dat eiser verzoekt om bij een eventuele opheffing naar de VBL Ter Apel te worden overgeplaatst. De enkele verklaring dat de minister onvoldoende voortvarend en onzorgvuldig handelt, omdat hij dit medio augustus 2026 met eiser gaat bespreken, volgt de rechtbank verder niet en maakt dit dan ook niet anders.\n\nAmbtshalve toetsing\n\n8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.\n\n9. Het beroep is ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.\n\n10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\n1. ECLI:NL:RVS:2025:722.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n26 juni 2026\n\nDocumentcode: [Documentcode]\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18525","ecli-nl-rbdha-2026-18525",{"courtName":6,"legalDomain":86,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":148,"ecli":149,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":150,"fullText":151,"language":7,"source":17,"sourceUrl":152,"summary":14,"slug":153,"metadata":154},"1059","ECLI:NL:RBMNE:2026:3983","2026-06-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK Midden-Nederland\n\nCiviel recht\n\nZittingsplaats Utrecht\n\nZaaknummer: C\u002F16\u002F611913 \u002F KG ZA 26-291\n\nVonnis in kort geding van 25 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nte [woonplaats] ,\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. E.J.C. de Jong te Utrecht,\n\ntegen\n\nSTICHTING KWALITEITSREGISTER JEUGD,\n\nte Amsterdam,\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: SKJ,\n\nadvocaten: mr. A.E. Goossens en mr. L.E. van Hellenberg Hubar te Amsterdam.\n\n1. De procedure\n\n1.1. \n\nDe voorzieningenrechter beschikt over de volgende processtukken:\n\n- de dagvaarding met producties 1 tot en met 18 - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 31.\n\n1.2. Op de mondelinge behandeling van 11 juni 2026 is [eiser] verschenen met zijn advocaat mr. De Jong. Namens SKJ zijn verschenen: mevrouw [A] ( [functie 1] ), mevrouw [B] , ( [functie 2] bij SKJ), mevrouw [C] , ( [functie 3] ), mr. Goossens en mr. Van Hellenberg Hubar.\n\n1.3. Partijen en hun advocaten hebben een verdere toelichting op de zaak gegeven en vragen van de voorzieningenrechter beantwoord. Zowel de advocaat van [eiser] als de advocaten van SKJ hebben spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Deze zijn toegevoegd aan de processtukken. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder is gezegd. Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de voorzieningenrechter aangekondigd dat heden vonnis wordt gewezen.\n\n2. Waar de zaak over gaat\n\n2.1. \n\n [eiser] is per 6 november 2024 geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd, dat door SKJ wordt beheerd (hierna: het KJ-register). Die registratie brengt mee dat hij als jeugdwerker ook werkzaamheden op hbo-niveau mag uitvoeren. In april 2025 heeft SKJ de\n\nKJ-registratie van [eiser] per direct beëindigd. Die beëindiging is medio juli 2025 opgeschort, in afwachting van de uitkomst van een door [eiser] ingediend herbeoordelingsverzoek. SKJ heeft dit herbeoordelingsverzoek afgewezen en heeft vervolgens, op 29 januari 2026, de registratie weer beëindigd.\n\n2.2. \n [eiser] vordert in dit kort geding veroordeling van SKJ om de beëindiging van de registratie weer op te schorten en de registratie (dus) te herstellen, tot er in de bodemprocedure tussen partijen een uitspraak is gewezen die in kracht van gewijsde is gegaan, met dwangsom, kosten, rente en uitvoerbaar bij voorraadverklaring.\n\n2.3. De voorzieningenrechter oordeelt dat voldoende aannemelijk is dat de beëindiging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De gevraagde voorziening wordt dan ook toegewezen, maar slechts voor de duur van de procedure in eerste aanleg. Dit oordeel wordt hierna verder toegelicht.\n\n3. De verdere achtergrond van het geschil.\n\nHet ervaringstraject\n\n3.1. Een KJ-registratie kan worden verkregen door het succesvol afronden van een relevante hbo-opleiding of via een ervaringstraject. [eiser] heeft die tweede route gevolgd. Deze tweede route is in het leven geroepen voor jeugdwerkers die dan wel geen hbo-opleiding hebben afgerond, maar de competenties die nodig zijn om op dat niveau te werken wel al in de praktijk hebben verworven. Die competenties en ervaring moet worden gevalideerd in een ervaringstraject bij een zogenoemde EVC-aanbieder. Dat ervaringstraject houdt kort gezegd in dat de kandidaat zich aanmeldt bij een erkende EVC-aanbieder, waarna in een intakegesprek wordt gekeken of de kandidaat voldoet aan de voorwaarden om aan een ervaringstraject te beginnen. Vervolgens stelt de kandidaat een portfolio samen met bewijsstukken die onderbouwen dat hij de aan te tonen competenties voldoende heeft ontwikkeld. Een portfoliobegeleider die in opdracht van de EVC-aanbieder werkt, begeleidt dit proces. Wanneer het portfolio compleet is, vinden assessmentgesprekken plaats met de assessor om te bepalen of de kandidaat over de aangevraagde competenties en ervaring beschikt. De assessor legt dit vast in een ervaringscertificaat. Met dat ervaringscertificaat kan de kandidaat zich vervolgens inschrijven in het KJ-register.\n\n3.2. SKJ heeft vanaf begin 2024 signalen ontvangen van grootschalige fraude met ervaringstrajecten. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie van het Onderwijs hebben in juni 2024 een verkenning gepubliceerd.SKJ heeft naar aanleiding van deze signalen begin 2025 een steekproef laten uitvoeren, waarin zij van 269 op basis van een ervaringscerificaat ingeschreven geregistreerden (10% van het totaal) het volledige dossier heeft onderzocht. Zij stelt dat er bij 81 van deze 269 dossiers zodanig ernstige onjuistheden zijn aangetroffen (plagiaat, niet-kloppende werkervaring, niet voldoen aan toelatingseisen voor een EVC-traject) dat SKJ de registraties heeft beëindigd. 49 van die 81 registraties, waaronder die van [eiser] , zijn per direct beëindigd. SKJ heeft de mogelijkheid om via een ervaringstraject in het KJ-register te worden geregistreerd afgesloten. Zij heeft ook in de sector gecommuniceerd dat vanwege de ontdekte fraude niet langer kan worden vertrouwd op afgelegde EVC-trajecten, zodat werkgevers vooralsnog zelf zullen moeten controleren of werknemers over voldoende kennis en ervaring beschikken.\n\nHet ervaringstraject van [eiser]\n\n3.3. \n [eiser] is op 8 januari 2024, kort na het afronden van mbo-opleiding tot Persoonlijke Begeleider Specifieke Doelgroepen, op zzp-basis gaan werken voor jeugdinstelling [organisatie 1] . Medio 2024 is hij een ervaringstraject gaan volgen bij EVC-aanbieder [organisatie 2] (hierna: [organisatie 2] ). [organisatie 2] heeft op 2 juli 2024 in haar eindgesprek met [eiser] besproken dat drie van de zes competenties bij hem voldoende aangetoond waren, maar de andere drie niet. [organisatie 2] heeft voor die drie competenties aanvullende trainingen aangeboden. Van dat aanbod heeft [eiser] geen gebruik gemaakt.\n\n3.4. \n [eiser] heeft daarna een andere EVC-aanbieder, [organisatie 3] (hierna: [organisatie 3] ), gevraagd hem te beoordelen. [organisatie 3] mocht de drie competities die volgens [organisatie 2] wel voldoende waren aangetoond zonder verder onderzoek overnemen. [organisatie 3] heeft dan ook alleen de drie andere competenties onderzocht. [organisatie 3] heeft geconcludeerd dat ook die competenties voldoende waren ontwikkeld en zij heeft op 25 september 2024 een ervaringscertificaat verstrekt aan [eiser] . Met dat certificaat heeft [eiser] op 5 november 2024 de KJ-registratie aangevraagd bij SKJ, die hem op 6 november 2024 heeft geregistreerd.\n\nHet onderzoek en de doorhaling\n\n3.5. SKJ heeft op 10 februari 2025 [eiser] laten weten dat hij onderdeel was van de steekproef was. Op 16 april 2025 heeft SKJ laten weten dat zijn registratie per direct werd beëindigd en dat zij de beslissing binnen twee weken schriftelijk nader zou onderbouwen. Dat heeft SKJ op 14 mei 2025 gedaan. Uit die brief staat ook dat SKJ een nieuwe registratieaanvraag door [eiser] wegens de ernst van de bevindingen zal weigeren.\n\n3.6. \n [eiser] heeft heroverweging van de verwijdering uit het KJ-register gevraagd. Omdat de interne regels van SKJ dat voorschrijvenis de KJ-registratie van [eiser] hangende dat heroverwegingsverzoek tijdelijk hersteld. Op 12 januari 2026 heeft de commissie heroverweging van SKJ geadviseerd om het heroverwegingsverzoek af te wijzen maar de maatregel dat toekomstige registratieaanvragen worden geweigerd, in te trekken. SKJ heeft [eiser] op 29 januari 2026 bericht dat zij dat advies overneemt en heeft zijn KJ-registratie ook daadwerkelijk beëindigd.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat [eiser] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.\n\nDe zaak is voldoende spoedeisend voor kort geding\n\n4.2. SKJ heeft [eiser] registratie geëindigd wegens fraudevermoedens. Als dat – zoals [eiser] stelt – inderdaad onterecht is, kan van [eiser] niet worden verwacht dat hij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. De zaak is dus voldoende spoedeisend voor behandeling in kort geding.\n\nVoldoende aannemelijk dat de beëindiging bij de bodemrechter geen stand houdt\n\n4.3. \n [eiser] vordert om de beëindiging van zijn registratie hangende de bodemprocedure te schorsen, kort gezegd omdat die beëindiging in strijdt met regels die SKJ zelf heeft opgesteld, en ook in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Die voorziening kan alleen worden toegewezen als de kans dat de bodemrechter SKJ veroordeelt om die registratie te herstellen zodanig is dat het gerechtvaardigd is om die veroordeling nu al, vooruitlopend op die beslissing van de bodemrechter, toe te wijzen.\n\n4.4. Uitgangspunt bij die beoordeling is dat de bodemrechter de beslissing van het SKJ om de registratie te beëindigen slechts beperkt kan toetsen. De rechter past met name terughoudendheid bij de beoordeling of een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen.\n\nGeen aanwijzingen dat [eiser] onderdeel is van de grootschalige fraude\n\n4.5. SKJ heeft benadrukt dat recent is gebleken dat er op grote schaal fraude met EVC-certificaten is gefraudeerd en dat die fraude een gevaar is voor de integriteit van het KJ-register. SKJ heeft namelijk niet gesteld dat [eiser] enige betrokkenheid heeft bij die grootschalige fraude en kon tijdens de mondelinge behandeling ook geen enkele concrete aanwijzing geven voor die betrokkenheid. De algemene constatering dat grootschalige fraude is geconstateerd, brengt dan ook op zichzelf niet mee dat SKJ de registratie van [eiser] eerder mocht opzeggen. De ernst van die fraude kan wel rechtvaardigen dat SKJ haar besluit van 16 april 2025 om de registratie van [eiser] door te halen pas op 14 mei 2025 heeft gemotiveerd.\n\nAannemelijk dat de verwijten die SKJ [eiser] maakt, niet overeind blijven\n\n4.6. SKJ heeft aan de beëindiging de volgende verwijten ten grondslag gelegd:\n\n [eiser] heeft een cv ingediend waarin ten onrechte staat vermeld dat hij vanaf september 2021 voor het [organisatie 4] heeft gewerkt (terwijl het [organisatie 4] heeft bevestigd dat hij daar pas per april 2022 is begonnen, dus zes maanden later).\n\nIn dat cv staat ook ten onrechte dat [eiser] bij het [organisatie 4] de (hbo-)functie Jeugdzorgwerker C Middenveld had (terwijl het [organisatie 4] heeft bevestigd dat hij de (mbo-) functie Jeugdzorgwerker D had.\n\n In dat cv staat ook ten onrechte dat [eiser] ook bij [organisatie 1] voornamelijk werkzaamheden op hbo-niveau heeft verricht (terwijl [organisatie 1] heeft bevestigd dat hij daar op mbo-niveau had gewerkt).\n\n [eiser] heeft vervalste stukken ingediend, nu in vier documenten die [eiser] ter onderbouwing van zijn werk voor [organisatie 1] had ingediend (twee bejegeningsplannen, gespreksnotulen en een behandelingsevaluatie) een datum in medio 2023 staat, terwijl [eiser] daar pas werkte vanaf 8 januari 2024; en\n\n [eiser] is ten onrechte toegelaten tot het ervaringstraject, omdat hij bij aanvang daarvan het ervaringstraject nog niet beschikte over ten minste één jaar relevante werkervaring in een hbo-functie (deze eis hierna: de ervaringseis).\n\nVolgens SKJ is elk van deze verwijten op zichzelf al voldoende voor beëindiging. Zij leidt dat onder meer af uit artikel 17 lid 1 sub c van het Registratiereglement, dat onder meer bepaalt dat de registratie wordt beëindigd “als aan de aanvraag tot registratie onjuiste of onvolledige informatie ten grondslag heeft gelegen, waarvan de geregistreerde wist of behoorde te weten dat, indien de onjuistheid of ontbrekende gegevens bij de beslissing tot registratie bekend waren geweest, de aanvraag niet zou zijn ingewilligd”.\n\n4.7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de eerste twee verwijten (de twee beweerdelijke onjuistheden in het cv over de periode en het niveau van zijn werkzaamheden voor het [organisatie 4] ) buiten beschouwing moeten blijven. [eiser] heeft gemotiveerd betwist dat hij het betreffende cv bij de aanvraag heeft overgelegd. Aan het ervaringstraject heeft [eiser] ook uitsluitend zijn werkzaamheden bij [organisatie 1] ten grondslag gelegd. Hij stelt dat hij dat cv pas in januari 2025 aan SKJ heeft opgestuurd, toen zij hem om stukken had gevraagd in het kader van de steekproef. SKJ heeft het betreffende cv niet in het geding gebracht en heeft ook anderszins niet op deze gemotiveerde betwisting gereageerd. [eiser] heeft dan ook bij zijn aanvraag voor de registratie geen onjuiste gegevens over zijn werk overgelegd.\n\n4.8. Over de volgende twee verwijten heeft de commissie heroverweging in haar advies van 12 januari 2026 onder meer overwogen:\n\ndat inmiddels is gebleken dat [eiser] bij [organisatie 1] inderdaad op hbo-niveau heeft gewerkt;\n\ndat aannemelijk is dat de vier documenten niet zijn vervalst, maar dat kennelijk de datum dat het cliëntendossier is aangemaakt (dan wel de datum dat de behandeling is aangevangen) per abuis is blijven staan.\n\nDe voorzieningenrechter is van oordeel dat SKJ haar stelling, dat de registratie terecht is beëindigd, niet meer op die twee verwijten kan baseren. Dan zou zij immers terugkomen op haar mededeling van 29 januari 2026, waarin zonder enig voorbehoud aan [eiser] is meegedeeld dat SKJ het advies van de commissie heroverweging overneemt. De voorzieningenrechter volgt SKJ niet in haar betoog dat [eiser] had moeten begrijpen dat SKJ eigenlijk bedoelde om alleen de conclusies van het advies over te nemen maar de motivering waar die op gebaseerd zijn, niet. SKJ had dat dan maar duidelijk in haar beslissing moeten vermelden.\n\n4.9. Ook het laatste verwijt, dat [eiser] niet voldeed aan de ervaringseis, is problematisch. Zoals ook tijdens de mondelinge behandeling uitvoerig is besproken, is gebleken dat ten tijde van de aanvraag de ervaringseis nog niet in de reglementen van SKJ was vastgelegd. Die eis stond toen alleen op de website van het zogenoemde EVC-loket. SKJ heeft onvoldoende duidelijk gemaakt dat [eiser] van deze eis wel op de hoogte moest zijn. Dan is niet aan te nemen dat [eiser] stukken heeft overgelegd waarvan hij wist dat ze onjuist waren. Daar komt het volgende nog bij.\n\n4.10. Op grond van de stukken en wat is besproken tijdens de mondelinge behandeling is voldoende aannemelijk dat zowel [organisatie 2] als [organisatie 3] [eiser] hebben toegelaten tot het traject. Hij heeft aan [organisatie 2] en [organisatie 3] geen informatie verschaft, waaruit zou kunnen volgen dat hij hen wat zijn werkervaring betreft om de tuin heeft geleid. Hij heeft hen stukken gegeven waaruit blijkt dat hij sinds januari 2024 bij [organisatie 1] werkte; uit die stukken volgt niet dat [eiser] daar al tenminste een jaar werkte. [eiser] heeft, zo neemt de voorzieningenrechter aan, dus open kaart gespeeld. Hij kon niet weten dat hij tenminste een jaar werkervaring op hbo-niveau moest hebben. Het kan hem dan ook niet verweten worden dat hij niet aan de, pas in 2025 in het reglement vermelde, eis voldeed.\n\n4.11. De slotsom is dan ook dat het voldoende aannemelijk is dat de verwijten aan [eiser] – en daarmee de beëindiging van zijn registratie – in de bodemprocedure geen stand zullen houden. De voorzieningenrechter zal SKJ dan ook veroordelen om de registratie te herstellen.\n\n4.12. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.\n\nSKJ krijgt ongelijk en moet een proceskostenvergoeding betalen aan [eiser]\n\n4.13. SKJ is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n151,94\n\n- griffierecht\n\n€\n\n341,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.177,00\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.858,94\n\n4.14. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter\n\n5.1. veroordeelt SKJ om binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis de registratie van [eiser] in het KJ-register te herstellen en hersteld te houden totdat in de bodemprocedure in eerste aanleg eindvonnis is gewezen,\n\n5.2. verbiedt SKJ om haar besluiten van 16 april 2025 en 29 januari 2026 ook anderszins verder uit te voeren,\n\n5.3. veroordeelt SKJ om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordelingen onder 5.1 en 5.2 voldoet, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,\n\n5.4. veroordeelt SKJ in de proceskosten van € 1.858,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als SKJ niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.5. veroordeelt SKJ tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,5.6. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.7. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. A.S. Penders en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026 door mr. O.P. van Tricht.\n\nJO\u002F4972\n\n “Er is meer aan de hand. Verkenning misstanden in het opleiden in de zorgsector.”\n\n Artikel 19 lid 4 van het registratiereglement.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:3983","ecli-nl-rbmne-2026-3983",{"courtName":6,"legalDomain":155,"decisionType":22,"procedureType":23},"Civiel recht",{"id":157,"ecli":158,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":150,"fullText":159,"language":7,"source":17,"sourceUrl":160,"summary":14,"slug":161,"metadata":162},"1593","ECLI:NL:RBDHA:2026:18526","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.33045\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.E. Groenenberg) en\n\nde Minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nProcesverloop\n\nDe minister heeft op 19 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.\n\nDe minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De minister heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.\n\nOverwegingen\n\nEiser stelt van Tunesische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2003.\n\nIndien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.\n\n3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 10 april 2026 (in de zaak NL26.18331) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.\n\n4. Eiser stelt dat er verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Eiser voert hierbij aan dat de minister weliswaar heeft gerappelleerd naar de Algerijnse autoriteiten, maar dat er\n\nniet kan worden achterhaald of dit een algemeen rappel is voor alle lopende zaken van de minister of voor de zaak van eiser specifiek. Eiser stelt dat een algemeen rappel niet als een uitzettingshandeling kan worden gezien en dat onduidelijk is of verweerder voldoende voortvarend handelt, waardoor de maatregel van bewaring moet worden opgeheven.\n\n5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend handelt of dat het zicht op uitzetting thans ontbreekt.\n\nVoortvarend handelen\n\n6. Het is de rechtbank niet gebleken dat de minister sinds de vorige uitspraak van 10 april 2026 onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De minister heeft meermaals, laatstelijk op 4 juni 2026, bij de Algerijnse autoriteiten gerappelleerd en daarnaast ook meermaals, laatstelijk op 15 juni 2026, vertrekgesprekken met eiser gevoerd. De minister heeft toegelicht dat er met regelmaat gecommuniceerd tussen de afdeling DIA van de DT&V en de Algerijnse autoriteiten. Deze communicatie is niet inzichtelijk voor eiser, maar wordt wel opgenomen in de M120, waarmee eiser kan vaststellen dat er voor hem persoonlijk wordt gerappelleerd naar de Algerijnse autoriteiten.\n\nZicht op uitzetting\n\n7. De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak het zicht op uitzetting naar Algerije in zijn algemeenheid niet ontbreekt.1 Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht waaruit volgt dat dit in zijn specifieke geval anders ligt.\n\nAmbtshalve toetsing\n\n9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.\n\n10. Het beroep is ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.\n\n11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\n1. ECLI:NL:RVS:2025:722.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n25 juni 2026\n\nDocumentcode: [Documentcode]\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18526","ecli-nl-rbdha-2026-18526",{"courtName":6,"legalDomain":86,"decisionType":22,"procedureType":23},{"id":164,"ecli":165,"caseNumber":14,"courtId":5,"courtName":14,"decisionDate":150,"fullText":166,"language":7,"source":17,"sourceUrl":167,"summary":14,"slug":168,"metadata":169},"1598","ECLI:NL:RBDHA:2026:18529","uitspraak\n\nRECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.32773\n\nuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [eiser] , eiser,\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. L.M. Straver) en\n\nde Minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nProcesverloop\n\nDe minister heeft op 24 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder sub a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.\n\nDe minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De minister heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.\n\nDe rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.\n\nOverwegingen\n\nEiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn.\n\nIndien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.\n\n3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 11 mei 2026 (in de zaak NL26.23549) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.\n\n4. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Volgens eiser komt dit omdat de minister op de aangevraagde laissez-passer (LP) als geboortedatum [geboortedatum] 2000\n\nheeft opgenomen. Eiser stelt echter dat hij is geboren is in het geboortejaar 2006. Om voldoende voortvarend te handelen moet de minister volgens eiser het geboortejaar 2006 benoemen en niet het geboortejaar 2000. Eiser stelt hierbij voorop dat door het geboortejaar 2006 te benoemen in de LP, dit ervoor zorgt dat de Algerijnse nationaliteiten sneller de identiteit en nationaliteit van eiser kunnen vaststellen.\n\n5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend handelt.\n\nVoortvarend handelen\n\n6. De minister heeft bevestigd dat in de aanvraag voor een LP de geboortedatum [geboortedatum] 2000 is opgenomen. De minister gaat uit van deze geboortedatum onder verwijzing van zijn besluit van 11 maart 2025. De overlegde foto’s van eiser dateren uit 2024 en zijn dus van voor dit besluit. Nu tegen dit besluit geen rechtsmiddelen meer open staan, staat deze geboortedatum in rechte vast en dient de minister daar ook van uit te gaan in onderhavige procedure. Ook als dit niet de juiste geboortedatum zou zijn dan leidt dat naar het oordeel van de rechtbank niet tot onvoldoende voortvarend handelen door de minister.\n\nDe minister heeft in zijn brief van 4 mei 2026 (in de zaak van NL26.23549) namelijk aangegeven dat de Algerijnse autoriteiten in hun onderzoek van de identiteit en nationaliteit van eiser zijn vingerafdrukken (dacty) betrekken. Dat brengt met zich mee dat de opgegeven geboortedatum van eiser niet van doorslaggevend belang is bij de vaststelling van de identiteit en nationaliteit van eiser. Het opgeven van het geboortejaar 2000 maakt het handelen dus niet onvoldoende voortvarend. Verder blijkt uit de voortgangsrapportage van 15 juni 2026 dat de minister sinds de uitspraak van 11 mei 2026 voor het verkrijgen van een LP diverse keren heeft gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten, laatstelijk op 4 juni 2026. Daarnaast heeft de minister een vertrekgesprek met eiser gevoerd, namelijk op 2 juni 2026. Daarom valt niet in te zien dat de minister onvoldoende voortvarend zou hebben gehandeld.\n\n7. Ten slotte overweegt de rechtbank dat volgens vaste rechtspraak het zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet ontbreekt.1 De rechtbank ziet ook geen reden om aan te nemen dat dit in het geval van eiser anders is. De Algerijnse autoriteiten hebben vooralsnog niet aangegeven de identiteit en nationaliteit van eiser niet te kunnen bevestigen. Verder is de minister afhankelijk van de werkwijze van de Algerijnse autoriteiten en de tijd die zij nodig hebben voor het onderzoek.\n\nAmbtshalve toetsing\n\n9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.\n\n10. Het beroep is ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.\n\n11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.\n\n1. Zie hiervoor de uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart het beroep ongegrond;\n\nwijst het verzoek om schadevergoeding af.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier.\n\nDe uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\n25 juni 2026\n\nDocumentcode: [Documentcode]\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18529","ecli-nl-rbdha-2026-18529",{"courtName":6,"legalDomain":86,"decisionType":22,"procedureType":23}]