[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-ghams-2026-1366":3,"decision-more-ecli-nl-ghams-2026-1366":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1895","ECLI:NL:GHAMS:2026:1366","",56,"Amsterdam","amsterdam","2026-05-12T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling civiel recht en belastingrecht\n\nteam I (handel)\n\nzaaknummers : 200.347.962\u002F01 en 200.347.964\u002F01\n\narrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 12 mei 2026\n\nin de zaak met nummer 200.347.962\u002F01 (eerste aanleg rechtbank Amsterdam: 10865905 \\ CV EXPL 24-241) van\n\n [appellant 1],\n\ngevestigd in [plaats 1] ,\n\nappellante,\n\nadvocaat: mr. S.S. van Gijn te Amsterdam,\n\ntegen\n\n1. [geïntimeerde 1] V.O.F .,\n\ngevestigd in [plaats 2] ,\n\n2. [geïntimeerde 2],\n\nwonend in [plaats 2] ,\n\n3. [geïntimeerde 3],\n\nwonend in Badhoevedorp,\n\ngeïntimeerden,\n\nadvocaat: mr. P.F.A. Reichenbach te Zwolle,\n\nen in de zaak met nummer 200.347.964\u002F01 (eerste aanleg rechtbank Amsterdam: 10865881 \\ CV EXPL 24-238) van\n\n [appellant 1],\n\ngevestigd in [plaats 1] ,\n\nappellante,\n\nadvocaat: mr. S.S. van Gijn te Amsterdam,\n\ntegen\n\n [geïntimeerde 4], h.o.d.n.[geïntimeerde 4],\n\nwonend in [plaats 2] ,\n\ngeïntimeerde,\n\nadvocaat: mr. P.F.A. Reichenbach te Zwolle.\n\nPartijen worden hierna [appellant 1] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] genoemd.\n\n1. De zaken in het kort\n\nIn deze procedures vordert [appellant 1] betaling van een contractuele boete van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] , omdat zij hun overeenkomst met [appellant 1] hebben opgezegd. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] menen dat zij die boete niet hoeven te betalen omdat een vertegenwoordiger van [appellant 1] zou hebben toegezegd dat zij de overeenkomst op elk moment kosteloos konden opzeggen. De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant 1] afgewezen. Het hof is van oordeel dat bewijslevering nodig is voor het antwoord op de vraag of (i) daadwerkelijk een dergelijke toezegging is gedaan en (ii) [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] gerechtvaardigd erop hebben mogen vertrouwen dat die toezegging namens [appellant 1] is gedaan.\n\n2. De gedingen in hoger beroep\n\n2.1.. \n [appellant 1] is bij dagvaarding van 9 oktober 2024 in hoger beroep gekomen van (i) een vonnis van 12 juli 2024 van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant 1] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [geïntimeerde 1] als gedaagden in conventie, eisers in reconventie en (ii) een vonnis van 12 juli 2024 van de kantonrechter, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen [appellant 1] als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en [geïntimeerde 4] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie (hierna: de bestreden vonnissen).\n\n2.2.. Bij tussenarresten van 26 november 2024 is in beide zaken een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast, die op 30 januari 2025 heeft plaatsgevonden en waarvan proces-verbaal is opgemaakt.\n\n2.3.. In beide zaken zijn daarna, afzonderlijk, de volgende stukken ingediend:\n\n- memorie van grieven, met producties;\n\n- memorie van antwoord, met producties.\n\n2.4.. De zaken zijn verder gezamenlijk behandeld. Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling van 18 februari 2026 hun zaak laten toelichten: [appellant 1] door mrs. E.T. van den Hout en M.A.M. Chin aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd, en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] door hun advocaat. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] hebben nog een productie in het geding gebracht.\n\n2.5.. Ten slotte is arrest gevraagd.\n\n3. De feiten\n\nHet hof gaat in beide zaken uit van de volgende feiten. Dit zijn de feiten zoals die door de rechtbank zijn vastgesteld, voor zover niet in geschil, en met enige aanpassing en aanvulling met andere vaststaande feiten. Daarbij heeft het hof bij de formulering in aanmerking genomen wat [appellant 1] in grief I naar voren heeft gebracht.\n\n3.1.. \n [appellant 1] is een onderneming gespecialiseerd in de handel in en bemiddeling van energiegerelateerde producten en diensten.\n\n3.2.. \n [appellant 1] had een samenwerkingsovereenkomst met [naam 1] (hierna: [naam 1] ) op basis waarvan [naam 1] klanten voor [appellant 1] heeft geworven.\n\n3.3.. \n [naam 1] heeft contact gezocht met [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] voor het sluiten van een overeenkomst met [appellant 1] . Deze overeenkomst zag op (i) het leveren en plaatsen van zonnepanelen voor de bedrijfspanden die [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] zouden bouwen en (ii) de afhandeling van de financiering en de subsidieverstrekking voor de zonnepanelen.\n\n3.4.. \n [appellant 1] heeft in december 2021 een eerste offerte uitgebracht aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . Deze offerte heeft [naam 2] (hierna: [naam 2] ), gemachtigde van [appellant 1] , persoonlijk overhandigd aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . [naam 1] was daarbij.\n\n3.5.. In januari 2022 is [naam 2] opnieuw bij [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] op bezoek geweest om nieuwe offertes persoonlijk aan hen te overhandigen. [naam 1] was daarbij.\n\n3.6.. Op 7 februari 2022 heeft [naam 1] offertes van 26 januari 2022 per e-mail aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] gestuurd.\n\n3.7.. \n [appellant 1] heeft op 30 mei 2022 de definitieve offertes gemaild naar [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 4] en [naam 1] . [naam 2] is toen nogmaals bij [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] op bezoek geweest en heeft de definitieve offertes persoonlijk overhandigd aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . [naam 1] was daarbij. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] hebben de offertes op 31 mei 2022 ondertekend.\n\n3.8.. In de offertes zijn de algemene voorwaarden van [appellant 1] van toepassing verklaard op de overeenkomsten met [appellant 1] . Artikel 3.8 van de algemene voorwaarden luidt als volgt:\n\n\"Indien wederpartij om welke reden dan ook geen gebruik zal maken van de diensten van [appellant 1] en\u002Fof de overeenkomst\u002Fofferte\u002Fopdracht\u002Faanbieding annuleert tussen [appellant 1] en wederpartij is de wederpartij een boete verschuldigd aan [appellant 1] De boete bedraagt 15% van de totale overeenkomst\u002Fofferte\u002Fopdracht\u002Faanbieding prijs. Deze prijs staat vermeld in de overeenkomst\u002Fofferte\u002Fopdracht\u002Faanbieding die is afgesloten tussen [appellant 1] en wederpartij.\"\n\n3.9.. Op 12 oktober 2022 heeft [appellant 1] een e-mail gestuurd naar [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] met daarin de mededeling dat de subsidieaanvraag was goedgekeurd en dat het project binnen 18 maanden gerealiseerd moest worden.\n\n3.10.. \n [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] hebben op 23 januari 2023 een afspraak gehad met [naam 2] om de voortgang van het project te bespreken. [naam 1] was bij deze afspraak.\n\n3.11.. Op 27 januari 2023 heeft [geïntimeerde 4] een e-mail gestuurd naar Liander om te vragen wat de status was van de aanvraag grootverbruik. Op 23 maart 2023 heeft Liander hierop gereageerd met de mededeling dat pas in het vierde kwartaal van 2028 de vermogensbeperking van het elektriciteitsnet zou zijn opgeheven (en dus een aansluiting voor het grootverbruik kon worden aangelegd).\n\n3.12.. \n [appellant 1] heeft op 11 mei 2023 facturen gemaild naar [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] voor de zonnepanelen. Daarop hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] gereageerd met de mededeling dat de werkzaamheden niet doorgaan en dat zij andere offertes hebben aangevraagd. Vervolgens heeft nog een bespreking plaatsgevonden tussen [appellant 1] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] , waarbij ook [naam 1] aanwezig was. Op 22 mei 2023 hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] aanvullende voorwaarden getekend. Op 14 juni 2023 hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] per e-mail bevestigd dat zij niet verder willen met [appellant 1] .\n\n3.13.. \n [appellant 1] heeft deze e-mails van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] beschouwd als beëindiging van de overeenkomsten en heeft op 19 juni 2023 een boete van € 17.662,05 gefactureerd aan zowel [geïntimeerde 1] als [geïntimeerde 4] . [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] hebben deze facturen van [appellant 1] niet voldaan.\n\n4. De procedures bij de kantonrechter\n\n4.1.. Samengevat heeft [appellant 1] bij de kantonrechter gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, zowel [geïntimeerde 1] als [geïntimeerde 4] te veroordelen tot betaling van € 19.444,03 (de hoofdsom van € 17.662,05 vermeerderd met rente tot de datum van dagvaarding en incassokosten), met rente en kosten. [appellant 1] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] op grond van artikel 3.8 van de algemene voorwaarden een boete moeten betalen omdat zij de overeenkomsten hebben geannuleerd.\n\n4.2.. \n [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] hebben verweer gevoerd tegen de vorderingen van [appellant 1] . Daarnaast hebben zij in voorwaardelijke reconventie vorderingen tegen [appellant 1] ingesteld.\n\n4.3.. De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant 1] afgewezen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat [naam 1] namens [appellant 1] mondeling heeft toegezegd dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] de overeenkomst op elk moment kosteloos konden beëindigen en dat [appellant 1] gebonden is aan die mondelinge toezegging omdat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] erop hebben mogen vertrouwen dat [naam 1] die toezegging namens [appellant 1] heeft gedaan. De voorwaardelijk reconventionele vorderingen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] heeft de kantonrechter afgewezen omdat niet aan de voorwaarde was voldaan.\n\n5. De vorderingen in hoger beroep\n\n5.1.. \n [appellant 1] vordert vernietiging van de bestreden vonnissen en alsnog – uitvoerbaar bij voorraad – toewijzing van haar vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] in de kosten van het geding in beide instanties.\n\n5.2.. Volgens [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] moet het hof de vorderingen van [appellant 1] afwijzen en het vonnis bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [appellant 1] in de kosten van het geding in hoger beroep, met nakosten en rente.\n\n6. De beoordeling\n\n6.1.. Het draait in deze zaak om de vraag of tussen enerzijds [appellant 1] en anderzijds [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] als gevolg van een toezegging van [naam 1] zijn overeengekomen dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] de overeenkomst met [appellant 1] op elk moment kosteloos kunnen annuleren.\n\nDe algemene voorwaarden zijn niet vernietigbaar\n\n6.2.. Het hof ziet aanleiding eerst te beoordelen of de algemene voorwaarden – waarin het boetebeding staat – van toepassing zijn op de overeenkomsten tussen enerzijds [appellant 1] en anderzijds [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] hebben in eerste aanleg een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van dit beding omdat hun geen redelijke mogelijkheid zou zijn geboden kennis te nemen van de algemene voorwaarden. Als de grieven van [appellant 1] slagen, zou dit verweer (dat dan door het hof moet worden beoordeeld) alsnog aan toewijzing in de weg kunnen staan. Volgens [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] heeft [appellant 1] de algemene voorwaarden niet ter hand gesteld en heeft [appellant 1] volstaan met een verwijzing naar een link waarop de algemene voorwaarden te vinden zijn. Bovendien werkte die link niet voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst, aldus [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] .\n\n6.3.. Het hof is van oordeel dat het beroep op vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden niet slaagt. [appellant 1] heeft aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] een redelijke mogelijkheid geboden kennis te nemen van de algemene voorwaarden van [appellant 1] . Of sprake is van zo'n redelijke mogelijkheid tot kennisname, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Als de algemene voorwaarden zonder noemenswaardige inspanning gevonden kunnen worden op of via de website waarnaar in een offerte is verwezen, moet worden aangenomen dat de algemene voorwaarden gemakkelijk elektronisch toegankelijk zijn (vgl. HR 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:835). Daarvan is in dit geval sprake. In de offertes, die ook per e-mail naar [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] zijn gestuurd, staat dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn op de overeenkomst en staat een link naar de website van [appellant 1] waarop de algemene voorwaarden te vinden zijn. De algemene voorwaarden waren dus makkelijk toegankelijk voor [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . Dat de link niet werkte voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst in mei 2022, hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] onvoldoende onderbouwd. Zij hebben slechts verwezen naar een screenshot van een datum ruim ná het sluiten van de overeenkomst, waarop bovendien staat dat de webpagina niet kan worden bekeken omdat de gebruiker mogelijk offline is of een slechte verbinding heeft. Daaruit kan dus niets worden afgeleid over de beschikbaarheid van de algemene voorwaarden op de website van [appellant 1] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst. Bovendien ligt het in de rede dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] het bij [appellant 1] zouden hebben aangekaart als de link naar de algemene voorwaarden niet werkte, maar daarvan is niet gebleken.\n\n6.4.. Het hof neemt bij de verdere beoordeling dan ook als uitgangspunt dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn op de overeenkomsten tussen [appellant 1] en [geïntimeerde 1] en tussen [appellant 1] en [geïntimeerde 4] .\n\nBewijs nodig voor stelling dat [naam 1] een mondelinge toezegging heeft gedaan\n\n6.5.. De kantonrechter is er bij de beoordeling vanuit gegaan dat [naam 1] aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] heeft toegezegd dat zij kosteloos de overeenkomst met [appellant 1] konden opzeggen. De kantonrechter heeft dat oordeel gebaseerd op een gerechtelijke erkentenis van [appellant 1] in haar conclusie van antwoord in reconventie in de zaak tegen [geïntimeerde 1] . Daarin staat: \"Een bemiddelaar heeft dit weliswaar aan [geïntimeerde 1] toegezegd, maar (…)\". Een gelijkluidende passage staat in de conclusie van antwoord in reconventie in de zaak tegen [geïntimeerde 4] . [appellant 1] komt op tegen dit oordeel met grief II. Deze grief slaagt. Het hof licht dit hierna toe.\n\n6.6.. Artikel 154 lid 2 Rv bepaalt dat een gerechtelijke erkentenis kan worden herroepen als aannemelijk is dat zij door een dwaling is afgelegd. Van een erkentenis onder invloed van dwaling is sprake wanneer men door een misverstand tot een bekentenis is gekomen die men anders niet gedaan zou hebben. Het begrijp dwaling heeft hier een ruimere betekenis dan het begrip dwaling als wilsgebrek. Als uitgangspunt geldt dat een goede procesorde eist dat een herroeping plaatsvindt zodra de herroepende partij daartoe de mogelijkheid heeft.\n\n6.7.. Volgens [appellant 1] heeft zij niet bedoeld te stellen dat een bemiddelaar daadwerkelijk een toezegging heeft gedaan, maar had daar zoiets moeten staan als: \"zou zijn toegezegd\". De bedoelde zin berust op een vergissing – in de formulering – van de deurwaarder die het processtuk heeft geschreven, aldus [appellant 1] . Het hof volgt [appellant 1] in dit betoog. [appellant 1] is niet aanwezig geweest bij de gestelde toezegging door [naam 1] zodat niet voor de hand ligt dat zij hierover een stellige uitspraak heeft willen doen. In dit geval is aannemelijk dat sprake van een vergissing aan de zijde van [appellant 1] in de conclusie van antwoord in reconventie. [appellant 1] heeft deze vergissing gelijk daarna, tijdens de mondelinge behandeling en nogmaals in de memorie van grieven, rechtgezet. Voor zover de hierboven geciteerde zin al kan worden opgevat als een erkentenis door [appellant 1] , heeft zij deze dus tijdig herroepen.\n\n6.8.. Het hof zal daarom alsnog beoordelen of [naam 1] mondeling aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] heeft toegezegd dat zij de overeenkomsten met [appellant 1] op elk moment kosteloos konden beëindigen. [appellant 1] betoogt met grief III dat dat niet het geval is.\n\n6.9.. Bij de beoordeling stelt het hof voorop dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] zich erop beroepen zij de overeenkomst met [appellant 1] kosteloos konden annuleren. Dit is een bevrijdend verweer. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv rusten daarom op [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] de stelplicht en – bij voldoende gemotiveerde betwisting door [appellant 1] – de bewijslast. Zij moeten dus feiten en omstandigheden stellen (en bewijzen) waaruit kan worden afgeleid dat [naam 1] een mondelinge toezegging aan hen heeft gedaan.\n\n6.10.. \n\n [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] hebben het volgende aangevoerd ter ondersteuning van hun stelling dat zij een mondelinge afspraak hadden met [naam 1] die behelsde dat zij kosteloos mochten opzeggen. Vanaf dag één heeft [naam 1] toegezegd dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] kosteloos konden opzeggen. [naam 1] heeft hen nadrukkelijk gegarandeerd dat zij nergens aan gebonden waren en dat zij te allen tijde de samenwerking mochten beëindigen, zonder problemen en\u002Fof discussie en zonder contractuele boete. Nadat zij de overeenkomst hadden opgezegd en [appellant 1] hun een boete in rekening had gebracht, hebben zij contact opgenomen met [naam 1] . Hij heeft hun toen duidelijk te kennen gegeven dat zij nergens aan verbonden waren en dat hij dit met hen had afgesproken. Dit blijkt uit een schriftelijke verklaring van [naam 1] van 30 juni 2023:\n\n\"Hierbij verklaar ik, Veysel [naam 1] namens energycompany en [appellant 1] , dat ik de opdracht met betrekking tot zonnepanelen installatie van [straat] [nummer 1] en [nummer 2] vanaf dag 1 heb aanvaard. Middels deze schriftelijke verklaring ga ik tevens akkoord met de annulering van de opdracht van de kosten.\"\n\n6.11.. \n\n [appellant 1] heeft betwist dat [naam 1] een dergelijke mondelinge toezegging heeft gedaan. Volgens [appellant 1] blijkt nergens uit wat de precieze woorden van [naam 1] zouden zijn geweest en op welk moment hij deze toezegging zou hebben gedaan. Ook blijkt uit de verklaring van [naam 1] – die dateert van na de opzegging van de overeenkomsten – niet dat hij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomsten aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] heeft toegezegd dat zij op elk moment kosteloos konden opzeggen. Uit een latere verklaring van [naam 1] volgt juist dat volgens [naam 1] [naam 2] (en niet [naam 1] zelf) deze toezegging zou hebben gedaan:\n\n\"Vervolgens hebben de heer [naam 2] en ik gezamenlijk een afspraak gehad met [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 1] . Tijdens deze afspraak heeft de heer [naam 2] de offerte toegelicht. Hij heeft daarbij uitdrukkelijk aangegeven dat [geïntimeerde 4] en [geïntimeerde 1] nergens aan vastzaten, omdat eerst het subsidie- en financieringstraject moest worden geregeld. Daarbij is door hem aangegeven dat, indien de subsidie zou worden toegekend, hij ook de financiering volledig zou kunnen verzorgen, en dat indien dit niet zou lukken, het trajectkosteloos kon worden beëindigd.\"\n\nBovendien is het opmerkelijk dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] deze kosteloze opzeggingsmogelijkheid niet in de overeenkomst hebben laten vermelden, terwijl dit voor hen toch een wezenlijk onderdeel was van de overeenkomst, aldus [appellant 1] .\n\n6.12.. Het hof is van oordeel dat [appellant 1] de stellingen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] voldoende gemotiveerd heeft betwist. Dit heeft tot gevolg dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] – conform hun bewijsaanbod – in de gelegenheid worden te bewijzen dat [naam 1] aan hen mondeling heeft toegezegd dat zij de overeenkomst met [appellant 1] kosteloos konden opzeggen. Zij kunnen – als zij dat willen – nadere stukken in het geding brengen en getuigen laten horen.\n\n6.13.. Voor de leesbaarheid zal het hof hierna als uitgangspunt nemen dat [naam 1] de bedoelde toezegging heeft gedaan, zonder daarmee vooruit te lopen op een oordeel of dat daadwerkelijk het geval is.\n\nBewijs nodig voor stelling dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat [naam 1] bevoegd was [appellant 1] te vertegenwoordigen\n\n6.14.. Vervolgens is de vraag aan de orde of [appellant 1] is gebonden aan de toezegging van [naam 1] , met andere woorden of [naam 1] bevoegd was [appellant 1] te vertegenwoordigen. Tussen partijen is niet in geschil dat [naam 1] niet daadwerkelijk zelfstandig bevoegd was [appellant 1] te binden aan zijn toezegging. De kantonrechter heeft echter geoordeeld dat [appellant 1] desondanks gebonden is aan de toezegging door [naam 1] . De kantonrechter heeft in dat verband overwogen dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] erop hebben mogen vertrouwen dat [naam 1] de toezegging namens [appellant 1] deed en dat zij er ook op hebben mogen vertrouwen dat [naam 1] bevoegd was [appellant 1] te vertegenwoordigen. Tegen deze overwegingen komt [appellant 1] op met grieven IV, V en VI. Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen.\n\n6.15.. Ook als een partij niet daadwerkelijk een volmacht heeft verleend, kan die partij tegenover een wederpartij gebonden worden door een persoon die handelt als gevolmachtigde. Artikel 3:61 lid 2 BW beschermt de wederpartij als sprake is van – kort gezegd – schijn van volmachtverlening. Daarvoor is vereist dat de wederpartij op grond van een verklaring of gedraging van degene in wiens naam is gehandeld heeft aangenomen en onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht aannemen dat wel een toereikende volmacht was verleend aan de persoon die heeft gehandeld als gevolmachtigde.\n\n6.16.. Bij de beoordeling is van belang dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] zich erop beroepen dat [appellant 1] is gebonden aan de toezegging van [naam 1] en dus dat [naam 1] bevoegd was [appellant 1] te vertegenwoordigen. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv rusten daarom op [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] de stelplicht en – bij voldoende betwisting – de bewijslast van feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat zij redelijkerwijs mochten aannemen dat [appellant 1] een toereikende volmacht aan [naam 1] had verleend om de toezegging namens [appellant 1] te doen.\n\n6.17.. \n [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] hebben ter onderbouwing van hun stelling het volgende aangevoerd. Vanaf dag één hebben zij contact gehad met [naam 1] ; hij was hun contactpersoon bij [appellant 1] . [naam 1] stuurde hun de eerste offerte. [naam 1] stelde samen met NRG de offertes op en besprak deze ook met [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . [naam 2] is nooit hun contactpersoon geweest. [naam 1] is altijd de persoon geweest die hen benaderde en met offertes is gekomen. Tijdens de besprekingen en contactmomenten konden [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] niet vermoeden dat [naam 1] en [appellant 1] een samenwerkingsovereenkomst hadden en dat daaruit moest blijken dat [naam 1] niet bevoegd was [appellant 1] te vertegenwoordigen. [appellant 1] heeft met geen woord gerept van een samenwerkingsovereenkomst. [naam 2] en [naam 1] hebben zichzelf gepresenteerd als medewerkers van [appellant 1] . [appellant 1] heeft [naam 1] in een e-mail zelfs aangeduid als \"collega\". [naam 1] was steeds aanwezig bij besprekingen tussen [appellant 1] en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] hebben hem daarvoor niet uitgenodigd. [naam 2] en [naam 1] hebben dus gezamenlijk opgetreden als volledig vertegenwoordigingsbevoegde personen handelend in naam van [appellant 1] . Als [naam 1] [appellant 1] niet kon vertegenwoordigen, dan had [appellant 1] dat duidelijk kenbaar moeten maken.\n\n6.18.. \n\n [appellant 1] heeft de stellingen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] betwist. Zij heeft in dit verband het volgende aangevoerd. [appellant 1] had een samenwerkingsovereenkomst met [naam 1] . Deze samenwerking hield in dat [naam 1] tegen vergoeding potentiële klanten aanbracht bij [appellant 1] , waarna [appellant 1] het gehele proces verder op zich nam. Op alle momenten waarop [appellant 1] een afspraak had met [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] , is zij in de persoon van [naam 2] naar deze afspraken gegaan. [appellant 1] heeft [naam 1] nooit uitgenodigd voor deze afspraken; [naam 1] was daar op uitnodiging van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . [naam 1] beschikt niet over de benodigde inhoudelijke kennis en heeft geen inhoudelijke bijdrage geleverd aan de gesprekken met [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . [naam 1] staat los van [appellant 1] en handelt onder de naam [naam 3] . Dat was ook duidelijk voor [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . Zij hebben namelijk verklaard:\n\n\"Wij hebben van [ [naam 1] ] begrepen dat hij werkte voor een bedrijf met de naam [naam 3] . [ [naam 1] ] is later onze tussenpersoon geworden met betrekking tot het aansluiten van elektra- en gasaansluitingen.\"\n\n [appellant 1] is de partij die de offerte heeft uitgebracht aan [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] en zij heeft omtrent de overeenkomst gemaild met [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] hebben steeds [naam 1] , althans zijn bedrijf [naam 3] , toegevoegd aan de e-mails. Het overgrote deel van de communicatie vond plaats met [naam 2] of een andere medewerker van [appellant 1] via het e-mailadres info@nrgcompleet.nl, met de handtekening van [appellant 1] . De offerte en de overeenkomst staan op briefpapier van [appellant 1] . [naam 2] is in december 2021 en januari 2022 al bij [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] op bezoek geweest om de offertes te overhandigen. Daarnaast staat [naam 2] als behandelaar op de offertes die in die tijd zijn overhandigd. [naam 2] was namens [appellant 1] bij alle besprekingen. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] mochten er dan ook niet op vertrouwen dat [naam 1] een toezegging namens [appellant 1] kon doen, omdat [naam 2] niet aanwezig was bij een dergelijke toezegging.\n\n6.19.. Het hof is van oordeel dat [appellant 1] de stellingen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] voldoende gemotiveerd heeft betwist. Dit betekent dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] – conform hun bewijsaanbod – in de gelegenheid worden gesteld feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat zij redelijkerwijs mochten aannemen dat [appellant 1] een toereikende volmacht aan [naam 1] had verleend om de toezegging namens [appellant 1] te doen. Het hof merkt in dit verband op dat de rol van [naam 1] tijdens de gesprekken waar [naam 2] en [naam 1] beiden bij aanwezig waren en de vraag hoe [naam 1] kennis kreeg van tijd en plaats waarop de gesprekken plaatsvonden (via [geïntimeerde 1] en\u002Fof [geïntimeerde 4] of anderszins) hierbij een belangrijke rol zullen spelen. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] kunnen – indien gewenst – nadere stukken in het geding brengen en getuigen laten horen.\n\nGeen dwaling en geen onrechtmatige daad\n\n6.20.. Als [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] niet slagen in het leveren van het hiervoor genoemde bewijs, komt niet vast te staan dat zij een afspraak met [appellant 1] hebben gemaakt over het kosteloos opzeggen van de overeenkomst. Zij moeten dan de boete betalen die [appellant 1] hun op grond van de algemene voorwaarden in rekening heeft gebracht. Voor dat geval hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] zich op het standpunt gesteld dat zij de overeenkomst met [appellant 1] hebben vernietigd omdat zij de overeenkomst hebben gesloten op basis van een onjuiste voorstelling van zaken (artikel 6:228 lid 1 aanhef en sub a BW). Daarnaast hebben zij als gevolg van de dwaling schade geleden op basis van een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW), aldus [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . Het hof zal deze verweren nu alvast beoordelen.\n\n6.21.. Het hof verwerpt deze verweren en licht dat als volgt toe.\n\n6.22.. Volgens [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] heeft [appellant 1] hen niet duidelijk en correct ingelicht over (i) het feit dat de overeenkomst niet kosteloos kon worden opgezegd, (ii) de niet-marktconforme prijzen voor de zonnepanelen en (iii) de onmogelijkheid om via Liander een aansluiting grootverbruik te regelen. Deze verwijten gaan niet op. Het feit dat de overeenkomst niet kosteloos kon worden opgezegd, staat vermeld in de algemene voorwaarden die van toepassing zijn op de overeenkomst. Zoals hiervoor is overwogen, hadden [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] voldoende gelegenheid voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst hiervan kennis te nemen. Bovendien is het niet ongebruikelijk dat een overeenkomst als deze niet kosteloos kan worden geannuleerd. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] hadden hier dus op bedacht moeten zijn. Verder hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] onvoldoende onderbouwd dat de prijs die zij in mei 2022 met [appellant 1] zijn overeengekomen, niet marktconform was. Het enkele feit dat de prijzen in de markt volgens hen een jaar later een stuk lager lagen, is daarvoor onvoldoende. Daarnaast hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] onvoldoende gesteld waaruit kan volgen dat [appellant 1] heeft toegezegd dat een aansluiting grootverbruik haalbaar zou zijn. Volgens hun eigen stellingen heeft [naam 1] – en dus niet [appellant 1] – hen geadviseerd grootverbruik aan te vragen. Daarop hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] zelf een aanvraag voor een aansluiting grootverbruik ingediend bij Liander. Het regelen van een aansluiting grootverbruik viel dus onder de verantwoordelijkheid van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] . Dat volgt ook uit de offertes, waarin een dergelijke aanvraag niet staat in de lijst van werkzaamheden die [appellant 1] zou verrichten.\n\n6.23.. Dit alles brengt mee dat van onjuiste mededelingen van de kant van [appellant 1] – en dus van dwaling als gevolg daarvan – geen sprake is. Evenmin is om deze redenen sprake van een onrechtmatige daad door [appellant 1] .\n\nSlotsom\n\n6.24.. De slotsom luidt dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] in de gelegenheid worden gesteld bewijs te leveren als hiervoor in 6.12 en 6.19 vermeld. Het hof zal iedere verdere beslissing aanhouden.\n\n7. De beslissing\n\nHet hof:\n\n7.1.. laat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] toe tot het leveren van het bewijs (i) dat [naam 1] hun mondeling heeft toegezegd dat zij de overeenkomst met [appellant 1] kosteloos konden opzeggen en (ii) van feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat zij redelijkerwijs mochten aannemen dat [appellant 1] een toereikende volmacht aan [naam 1] had verleend om die toezegging namens [appellant 1] te doen;\n\n7.2.. verwijst de zaak naar de rol van 9 juni 2026 voor het eventueel in het geding brengen van nadere bewijsstukken door [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] ;\n\n7.3.. bepaalt dat, als [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] getuigen willen laten horen, een getuigenverhoor zal plaatshebben voor mr. Y. Steeg-Tijms, daartoe tot raadsheer‑commissaris benoemd, in het Paleis van Justitie, IJdok 20 in Amsterdam op een nog te bepalen dag en uur;\n\n7.4.. bepaalt dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 4] in dat geval uiterlijk op 9 juni 2026 aan het (enquêtebureau van het) hof moeten laten weten op welke dagen partijen, hun advocaten en de getuigen in de periode beschikbaarzijn in de periode juni tot en met september 2026, en daarbij de namen van de getuigen moeten doorgeven;\n\n7.5.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. M.M.M. Tillema, Y. Steeg-Tijms en J.G. Sijmons en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1366","ecli-nl-ghams-2026-1366",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]