[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-ghams-2026-1564":3,"decision-more-ecli-nl-ghams-2026-1564":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1130","ECLI:NL:GHAMS:2026:1564","",56,"Amsterdam","amsterdam","2026-06-02T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling civiel recht en belastingrecht,\n\nteam I (handel)\n\nzaaknummer : 200.348.116\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Noord-Holland : C\u002F15\u002F326834\u002FHA ZA 22-227\n\narrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellant]\n\ndie woont in [plaats 1]\n\nadvocaat: mr. M.A.M. Euverman\n\ntegen\n\n1. [geïntimeerde 1]\n\n2. [geïntimeerde 2]\n\ndie wonen in [plaats 2]\n\nadvocaat: mr. H. van Lingen\n\nPartijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerden] . genoemd.\n\n1. Het verloop van de procedure in hoger beroep\n\n1.1.. \n [appellant] en [geïntimeerden] . hebben hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof (hierna: het hof) tegen de vonnissen die de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar (hierna: de rechtbank), op 21 december 2022, 22 november 2023 en 28 augustus 2024 (hierna: de bestreden vonnissen) tussen partijen heeft uitgesproken. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:\n\nde dagvaarding in hoger beroep van 8 november 2024\n\nde memorie van grieven van [appellant]\n\nde memorie van antwoord tevens memorie van grieven in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van [geïntimeerden] .\n\nde memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep van [appellant]\n\neen akte van [geïntimeerde 2] van 17 juni 2025 met producties\n\neen antwoordakte van [appellant] van 12 augustus 2025 met producties\n\neen antwoordakte van [geïntimeerden] . van 9 september 2025 met productie\n\neen antwoordakte van [appellant] van 4 november 2025\n\n1.2.. Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.\n\n2. De zaak in het kort\n\n2.1.. \n [geïntimeerden] . heeft in 2017 van [appellant] (en haar voormalig echtgenoot) een perceel grond met onder meer een woning gekocht. In 2021 is [geïntimeerde 2] op de hoogte geraakt van het feit dat de bodem van het perceel verontreinigd is. Volgens [geïntimeerden] . was [appellant] hier ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst van op de hoogte. Door [geïntimeerden] . hier niet over in te lichten, althans op dat punt onjuiste informatie te verstrekken, is de koopovereenkomst volgens [geïntimeerden] . onder invloed van dwaling gesloten.\n\n2.2.. \n [geïntimeerden] . heeft bij de rechtbank primair gevorderd voor recht te verklaren dat de tussen [geïntimeerden] . en [appellant] gesloten koopovereenkomst vernietigbaar is op grond van dwaling. Hij heeft de rechtbank gevraagd om de koopovereenkomst op die grond partieel te vernietigen en de gevolgen van de koopovereenkomst te wijzigen ter opheffing van het nadeel geleden door [geïntimeerden] . als gevolg van deze dwaling. [geïntimeerden] . heeft zijn eis op dat punt later concreter gemaakt in die zin dat hij de rechtbank heeft verzocht om ter opheffing van het nadeel ten gevolge van de dwaling de koopprijs te verlagen, in eerste instantie met een bedrag van € 118.580,- (incl. btw) en na een verdere wijziging\u002Fvermeerdering van eis met een bedrag van € 121.193,- (incl. btw). Verder heeft [geïntimeerden] . gevorderd [appellant] te veroordelen om aan [geïntimeerden] . de buitengerechtelijke incassokosten van € 2.000,- en de proceskosten te betalen.\n\n2.3.. De rechtbank heeft de primaire vorderingen van [geïntimeerden] . toegewezen. [appellant] is het daar niet mee eens. De bedoeling van haar hoger beroep is dat de vorderingen van [geïntimeerden] . alsnog worden afgewezen. [geïntimeerden] . heeft zelf ook hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis, in die zin dat hij zijn eis in hoger beroep heeft vermeerderd. Hij vraagt in hoger beroep om de koopprijs te verminderen met een bedrag van € 152.072,94 (incl. btw) ter opheffing van het nadeel dat [geïntimeerden] . door de dwaling heeft geleden.\n\n2.4.. Het hof zal beslissen dat zowel het hoger beroep van [appellant] als dat van [geïntimeerden] . niet slaagt. Het hof laat de bestreden vonnissen van de rechtbank dus in stand. Het hof licht hierna toe hoe het tot deze beslissingen is gekomen.\n\n3. De toelichting op de beslissing van het hof\n\nWat is er gebeurd\n\n3.1.. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 21 december 2022 onder 2.1. tot en met 2.12. de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en vormen derhalve ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voor zover in hoger beroep nog van belang komt het er samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten op neer dat het volgende is voorgevallen tussen partijen.\n\n3.2.. In 2017 heeft [geïntimeerden] . een perceel grond met woning en aanhorigheden aan [straat 1] [nummer 1] te [plaats 2] voor een koopsom van € 620.000,- van [appellant] gekocht (hierna: de woning). De woning is op 15 januari 2018 aan [geïntimeerden] . geleverd.\n\n3.3.. Voorafgaand aan de verkoop van de woning heeft [appellant] een NVM-vragenlijst ingevuld in verband met de verkoop van de woning. Vraag 9e van die lijst luidde op dat moment als volgt:\n\n“Is de grond voor zover bekend verontreinigd?\n\nZo ja, is er een onderzoeksrapport?\n\nZo ja, heeft de gemeente\u002Fprovincie een onderzoeks- of saneringsbevel opgelegd?\"\n\n [appellant] heeft de eerste vraag met ‘nee’ beantwoord, en de tweede en derde vraag onbeantwoord gelaten. Onder het kopje “ONDERTEKENING” staat de volgende passage:\n\n“Verkoper(s) verklaart\u002Fverklaren alle hem\u002Fhaar bekende feiten te hebben vermeld in dit formulier. Verkoper is zich ervan bewust dat hij bij een niet juiste en\u002Fof volledige vermelding van feiten de koper de mogelijkheid geeft om op grond van het Burgerlijk Wetboek schadevergoeding te claimen. (...). Ondergetekende verklaart voorgaande vragen naar waarheid te hebben ingevuld.\"\n\n3.4.. Op 29 januari 2021 heeft [geïntimeerden] . gesproken met de heer [naam 1] , de ex-echtgenoot van [appellant] (hierna: [naam 1] ). [naam 1] heeft [geïntimeerden] . erop gewezen dat er in het verleden bodemverontreiniging op het perceel was aangetroffen.\n\n3.5.. \n\n [geïntimeerden] . heeft vervolgens contact opgenomen met het bodemloket van de\n\nprovincie Noord-Holland. Hij heeft toen het “Rapport Bodemloket” ontvangen,\n\nopgesteld door Rijkswaterstaat en gedateerd 31 januari 2021. Daaruit kan worden opgemaakt dat er in de periode 1935-1965 een autosloperij gevestigd was op [straat 2] [nummer 2] en dat er een verkennend onderzoek (1994), een oriënterend onderzoek (2005) en een historisch onderzoek (2008) is verricht naar de bodemverontreiniging.\n\n3.6.. Het verkennende onderzoek is uitgevoerd door [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ). [bedrijf 1] heeft de heer [naam 2] , de toenmalige eigenaar van de woning (hierna: [naam 2] ) bij brief van 14 november 1994 geschreven dat uit de resultaten kon worden geconcludeerd dat het terrein binnen de onderzoeksgrenzen sterk verontreinigd was en dat sanering van de bovengrond een noodzaak was.In de akte van levering van 23 maart 1995, waarbij de woning aan [appellant] en [naam 1] is geleverd door [naam 2] en mevrouw [naam 3] , is in dat kader het volgende opgenomen:\n\n“(...) Evenmin is het verkoper[hof: [naam 2] en [naam 3] , zijn echtgenote]bekend dat het registergoed enige verontreiniging bevat die ten nadele strekt van voormeld gebruik of die heeft geleid of zou kunnen leiden tot een verplichting tot schoning van het registergoed, danwel het nemen van andere maatregelen, zijnde de koper[hof: [appellant] en [naam 1] ]bekend met de rapportage van [bedrijf 2] . zoals in de koopakte vermeld. (...)”.\n\n3.7.. De provincie Noord-Holland heeft [naam 2] per brief van 6 december 1994 verzocht een saneringsplan op te laten stellen en ter goedkeuring aan de provincie Noord-Holland aan te bieden.\n\n3.8.. In de zomer van 2005 heeft [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ) in opdracht van de toenmalige gemeente Langedijk een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd. [bedrijf 3] heeft toen geadviseerd om een uitgebreid locatiebezoek uit te voeren omdat concrete gegevens over de ligging van de potentiële verontreinigingsbronnen van de voormalige autosloperij ontbraken.\n\n3.9.. Bij brief van 11 december 2008 heeft [bedrijf 3] de toenmalige gemeente Langedijk bericht over het uitgebreide historisch onderzoek dat op de locatie [straat 2] [nummer 2] te [plaats 2] is uitgevoerd. In deze brief is het volgende, voor zover hier van belang, vermeld:\n\n\"Gegevens kadaster\u002Feigenaar\n\nUit de gegevens van het kadaster blijkt dat mevr. [appellant] eigenaar van het [straat 2] [nummer 2] is. Met mevrouw [appellant] is op 5 november 2008 telefonisch contact geweest over de locatie. Zij is bekend met de verdenking en het bodemonderzoek uit 1994. De exacte locatie van de activiteiten[hof: van de autosloperij]is haar onbekend. (...)”\n\n3.10.. Vanaf februari 2021 hebben partijen veelvuldig gecorrespondeerd over dit onderwerp. [appellant] heeft in deze periode een verkennend bodemonderzoek uit laten voeren door [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] ). [bedrijf 4] heeft haar bevindingen neergelegd in een rapport van 7 mei 2021. Het is partijen niet gelukt om samen tot een oplossing te komen en uiteindelijk is [geïntimeerden] . deze procedure gestart.\n\nDe beoordeling\n\n3.11.. Voordat het hof ingaat op de inhoud van de zaak, eerst een overweging van procesrechtelijke aard. In hoger beroep geldt de tweeconclusieregel. Die regel houdt kort gezegd in dat partijen, behoudens uitzonderingen, alle stellingen en verweren moeten aanvoeren in respectievelijk de memorie van grieven (appellant) en de memorie van antwoord (geïntimeerde). Dat geldt zowel voor het principaal hoger beroep van [appellant] (waarin in hoofdzaak de vraag voorligt of sprake is geweest van dwaling en zo ja, wat de gevolgen daarvan zouden moeten zijn), als het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerden] . (waarin – kort gezegd – alleen de vraag voorligt wat de hoogte is van het nadeel dat [geïntimeerde 2] als gevolg van de dwaling heeft geleden). Het hof constateert ten eerste dat [appellant] deze regel heeft overtreden door in haar memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerden] . opnieuw uitvoerig in te gaan op punten die onderwerp vormen van het principaal hoger beroep. Gelet op genoemde tweeconclusieregel gaat het hof daaraan voorbij aangezien er zich geen omstandigheid voordoet die uitzondering op deze regel rechtvaardigt. Datzelfde geldt voor de nadere (antwoord)aktes die partijen vervolgens nog hebben genomen. Het hof zal alleen in zijn beoordeling meenemen wat partijen in de aktes hebben aangevoerd over de hoogte van het eventuele nadeel van [geïntimeerden] ., waaronder de reactie van een partij op door zijn\u002Fhaar wederpartij in dat kader overgelegde producties, maar niet op stellingen en verweren of producties die geen onderdeel uitmaken van het debat over de hoogte van het eventuele nadeel.\n\n [geïntimeerden] . heeft gedwaald bij het aangaan van de koopovereenkomst\n\n3.12.. Voor wat betreft de inhoud van de zaak draait het in de kern om de vraag of [geïntimeerden] . bij het sluiten van de koopovereenkomst heeft gedwaald. De bezwaren (grieven 1, 2 en 3) die [appellant] in dit kader heeft geformuleerd, zal het hof gezamenlijk behandelen.\n\n3.13.. \n\nVoor een geslaagd beroep op dwaling vereist artikel 6:228 BW dat er sprake is van een onjuiste voorstelling van zaken en dat de overeenkomst bij een juiste voorstelling van zaken op dat punt niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou zijn gesloten. Daarbij moet de onjuiste voorstelling van zaken die de dwalende – in dit geval [geïntimeerden] . – heeft, te wijten zijn aan een inlichting van [appellant] (sub a) of juist aan het feit dat [appellant] de dwalende ergens niet over heeft ingelicht (sub b). Dat er sprake is geweest van wederzijdse dwaling (sub c) is in dit geval gesteld noch gebleken, zodat het hof deze vorm van dwaling verder buiten\n\nbeschouwing laat.\n\n3.14.. Vaststaat dat [appellant] bij haar eigen aankoop van de woning is gewezen op het rapport van [bedrijf 1] (zie r.o. 3.6 hiervoor) waaruit volgt dat de bodem was verontreinigd. Omdat [appellant] wenste dat haar kinderen en latere kleinkinderen niet in aanraking zouden komen met de verontreiniging, heeft zij in 1995 de Stichting Gifvrij Nederland en de toenmalige gemeente Langedijk ingeschakeld ter advisering, aldus [appellant] . Deze partijen hebben haar geadviseerd om nieuwe grond te storten ter afdichting. Dit heeft [appellant] vervolgens gedaan. Zij stelt zich op het standpunt dat zij vanaf dat moment in de veronderstelling verkeerde dat de verontreinigingsproblematiek was opgelost en dat er verder niets meer nodig was: het perceel was volgens [appellant] vanaf dat moment “schoon”. Maar in die veronderstelling volgt het hof [appellant] niet. Ook als het hof ervanuit gaat dat [appellant] in 1995 maatregelen heeft getroffen door een nieuwe laag grond te laten storten en bestrating aan te laten leggen, wat [geïntimeerden] . overigens betwist, is dat onvoldoende om aan te nemen dat de grond “schoon” was. Het moet [appellant] allereerst duidelijk zijn geweest dat hiermee de verontreinigde grond zelf niet is aangepakt, maar als het ware alleen “ontoegankelijk” is gemaakt. Ook als deze maatregelen getroffen zijn in overleg met en op advies van de gemeente Langedijk, zoals [appellant] stelt maar [geïntimeerden] . betwist, maakt dat niet dat [appellant] ervanuit mocht gaan dat de grond schoon was of de verontreiniging op een aanvaardbare wijze was opgelost. Dit had dan op zijn minst door een ter zake deskundige moeten worden bevestigd. Dat is niet gebeurd en bovendien is onduidelijk gebleven wat er destijds feitelijk precies is gedaan. In de betreffende archieven is geen melding gemaakt van deze maatregelen en nergens is geregistreerd dat er niet langer sprake is van bodemverontreiniging op het perceel. [appellant] voert aan dat er in 1995 een bouwvergunning aan haar is verleend, die alleen werd verleend als aan alle voorwaarden was voldaan. Maar dat die voorwaarden destijds voorschriften omvatten ten aanzien van de staat van de grond van het perceel, is gesteld noch gebleken. In 2005 en 2008 zijn verdere onderzoeken ten aanzien van de woning en het perceel verricht. In haar brief van 11 december 2008 vermeldt [bedrijf 3] dat de woning op 21 februari 2008 is bezocht en dat er op 5 november 2008 telefonisch contact is geweest met [appellant] . Daarbij heeft [appellant] volgens de brief aangegeven dat zij bekend is met de verdenking en het bodemonderzoek uit 1994. [appellant] betwist weliswaar dat er in 2008 inderdaad contact met haar is gezocht, maar doet dat slechts in algemene woorden. Zij geeft geen verklaring voor het feit dat [bedrijf 3] deze informatie, die zeer specifieke data en uitlatingen bevat, heeft opgenomen. Aan haar blote betwisting gaat het hof dan ook voorbij, zodat tot uitgangspunt strekt dat [appellant] wist dat ook in 2008 nog onderzoek werd gedaan naar de status van de verontreiniging van de grond op haar perceel. Dat [appellant] de verontreinigde grond op enig moment daadwerkelijk door een ter zake kundig bedrijf heeft laten saneren (in de zin van: opgraven en verwijderen) is gesteld noch gebleken. Ook het door [appellant] zelf overgelegde rapport van [bedrijf 4] bevestigt dat het erop lijkt dat in het verleden een bepaalde vorm van sanering heeft plaatsgevonden, maar dat daarbij niet alle verontreinigingen zijn weggenomen.\n\n3.15.. \n [appellant] had [geïntimeerden] . van deze situatie op de hoogte moeten brengen. Het gegeven dat de NVM-vragenlijst een vraag bevat ten aanzien van mogelijke bodemverontreiniging alleen al geeft aan dat informatie daaromtrent voor een koper van belang is. Daarbij komt dat [appellant] zich bewust was van de risico’s van de verontreinigde grond op haar perceel. Dat volgt uit haar eigen stelling dat zij de noodzaak zag om maatregelen te treffen in het belang van haar kinderen en kleinkinderen (zie hiervoor). Eens temeer gold dus dat zij een potentiële koper moest vertellen wat er aan de hand was geweest en welke precieze maatregelen zij in dat verband had genomen. Dat geldt ook als [appellant] meende dat er ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst geen risico meer bestond om direct in aanraking te komen met de verontreinigde grond. Het is aan een koper om de risico’s (ook de financiële) in dat verband af te wegen. Het is bovendien zeer wel denkbaar dat een koper op enig moment plannen met de woning en\u002Fof het perceel wil realiseren, zoals bijvoorbeeld een verbouwing of een andere inrichting van de tuin, waarvoor graafwerkzaamheden nodig zijn. Een koper moet in zijn plannen in dat geval rekening houden met het feit dat de bodem verontreinigd is. Het lag dan ook op de weg van [appellant] om [geïntimeerden] . in te lichten over de uitkomsten van het rapport van [bedrijf 1] uit 1994 en de werkzaamheden die [appellant] als gevolg van dat rapport in 1995 heeft laten uitvoeren. Dat heeft zij niet gedaan. Daarnaast heeft zij op de vraag in de NVM-lijst “is de bodem verontreinigd” ten onrechte geantwoord met een “nee” en heeft zij door ondertekening van die lijst onterecht verklaard alle haar bekende feiten te hebben vermeld.\n\n3.16.. Het voorgaande betekent dat de onjuiste voorstelling van zaken bij [geïntimeerden] . (namelijk dat er geen sprake is van bodemverontreiniging) is veroorzaakt doordat [appellant] [geïntimeerden] . niet, althans onjuist, heeft ingelicht over de bodemverontreiniging terwijl zij daar wel van op de hoogte was en zich had moeten realiseren dat dit voor [geïntimeerden] . in het kader van de aankoop van de woning relevante informatie betrof. Vaststaat namelijk ook dat de verontreinigde staat van de bodem van het perceel ten tijde van de aankoop door [geïntimeerden] . beperkingen met zich meebracht, onder andere voor wat betreft het gebruik van het perceel (bepaalde delen konden niet als moestuin worden gebruikt), de onmogelijkheid tot afgifte van eventuele bouwvergunningen of sloopvergunningen (omdat daarvoor een schoon grondverklaring een vereiste is) en de verplichting om de door [appellant] aangebrachte bedekking in stand te houden (nazorg). Ook als dit niet in de weg staat aan de leefbaarheid van het perceel, zoals [appellant] betoogt, neemt dit niet weg dat de verontreiniging [geïntimeerden] . beperkt in zijn gebruik van het perceel. Het hof acht het dan ook voldoende aannemelijk dat dit invloed heeft op de waarde van de woning. Deze beperkingen konden (grotendeels) weggenomen worden door volledige sanering, maar daarvoor geldt dat inmiddels duidelijk is dat de kosten daarvan aanzienlijk zijn (daarover hierna meer). In het licht van deze omstandigheden heeft [geïntimeerden] . dan ook voldoende aannemelijk gemaakt dat hij, als hij van de bodemverontreiniging op de hoogte was geweest, de koopovereenkomst niet op dezelfde voorwaarden – want niet zonder nader onderzoek en\u002Fof voor dezelfde prijs – was aangegaan.\n\n3.17.. De conclusie is dat het beroep op dwaling slaagt en de bezwaren van [appellant] op dit punt falen. Dat betekent dat de koopovereenkomst vernietigbaar is.\n\nPartiële vernietiging en opheffing van het nadeel\n\n3.18.. \n [geïntimeerden] . heeft echter geen volledige vernietiging van de koopovereenkomst gevorderd, maar gevraagd om de gevolgen van de overeenkomst ter opheffing van het door hem geleden nadeel te wijzigen in die zin dat de koopprijs wordt verminderd (artikel 6:230 lid 2 BW). De rechtbank heeft deze vordering toegewezen en [appellant] maakt daar bezwaar tegen (grief 7). Volgens haar ziet de bij de dwalingsregeling in het leven geroepen vernietigingsgrond op de gehele overeenkomst. [appellant] doet dan ook een beroep op integrale vernietiging, als gevolg waarvan alle prestaties aan beide kanten moeten worden teruggedraaid: zij verkrijgt in dat geval weer de eigendom van de woning en [geïntimeerden] . krijgt de koopprijs terug. Maar daarmee gaat [appellant] eraan voorbij dat het [geïntimeerden] ., de tot vernietiging bevoegde partij, vrij staat om geen algehele vernietiging te vorderen maar om een beroep te doen op de regeling van artikel 6:230 BW, inhoudende instandhouding van de koopovereenkomst met aanpassing van de koopprijs. Het hof zal alleen daarom al geen algehele vernietiging uitspreken en dit bezwaar van [appellant] faalt.\n\n3.19.. Daarmee komt het hof toe aan de vraag of [geïntimeerden] . nadeel heeft geleden en zo ja, hoe de overeenkomst kan worden gewijzigd om dit nadeel op te heffen. Volgens [appellant] moet bij de vraag of sprake is van nadeel worden beoordeeld of de verkochte zaak, de woning met woonbestemming, nog als zodanig gebruikt kan worden en dat is hier het geval. Er is dus geen sprake van nadeel, aldus [appellant] (grief 5). Maar daar volgt het hof [appellant] niet in. Weliswaar is het mogelijk om in de woning te wonen en de tuin te gebruiken, maar zoals hiervoor in r.o. 3.16 overwogen, bracht de ten tijde van de verkrijging van de woning door [geïntimeerden] . in 2017 nog aanwezige verontreiniging in de ondergrond aanzienlijke gebruiksbeperkingen mee. Inmiddels is ook duidelijk dat, ondanks de getroffen saneringsmaatregelen, het op een enkel punt niet mogelijk was om volledig te saneren. Voor dat punt is een maatwerkvoorschrift opgelegd. Dat houdt in dat [geïntimeerden] . als eigenaar van de woning (bestuursrechtelijk) verplicht is om de afdeklaag op dat punt in stand te houden en te onderhouden (of te vervangen). Een dergelijk maatwerkvoorschrift is ook kenbaar voor eventuele toekomstige kopers en het is aannemelijk dat dit voorschrift een negatief effect heeft op de waarde van de woning. Dit alles overziend komt het hof tot de conclusie dat [geïntimeerden] . nadeel hebben geleden door de dwaling bij het aangaan van de koopovereenkomst.\n\nBegroting van het nadeel\n\n3.20.. Vervolgens is de vraag hoe dat nadeel opgeheven moet worden. Volgens [geïntimeerden] . moet dat door de koopprijs te verminderen met de door hem gemaakte saneringskosten (inclusief herstelkosten van de tuin). [appellant] brengt daar tegenin (grief 6) dat er geen aanleiding was voor de volledige sanering die [geïntimeerden] . heeft laten uitvoeren. Volgens haar heeft het bevoegd gezag enkel een plicht opgelegd tot het wegnemen van de verontreiniging met lood, en niet ten aanzien van alle verontreiniging (dus ook zink, asbest et cetera). Daarbij komt dat de verontreiniging met lood volgens haar nagenoeg overal is afgedekt met verharding (in de vorm van klinkers of tegels), en waar dat niet zo is bevond de verontreiniging zich in de onderlaag en is er dus geen risico op contact. Volgens [appellant] kon volstaan worden met het ter plaatse afdekken van onverharde delen. Het hof volgt [appellant] hier niet in. De Omgevingsdienst heeft, mede op basis van het rapport van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige, HB Adviesbureau, op 11 april 2024 een besluit genomen, dat – samengevat – inhoudt dat sprake is van onaanvaardbare gezondheidsrisico’s en [geïntimeerden] . verplicht om deze risico’s zo spoedig mogelijk weg te nemen. [appellant] merkt terecht op dat er vanuit het bevoegd gezag geen harde eis lijkt te zijn geweest om de verontreiniging op te graven en af te voeren en vervolgens te vervangen en dat dit gelet op de bestemming wonen wellicht niet absoluut noodzakelijk was. Maar [geïntimeerden] . heeft er op gewezen dat hij voor deze wijze van saneren heeft gekozen in overleg met de Omgevingsdienst. Het gaat om een woning met een aanzienlijk perceel (1.436 m2); afdekken van het volledige perceel is niet in overeenstemming met het karakter van een groot deel van het perceel van “tuin”. Daarbij komt dat [geïntimeerden] . door de aanwezige verontreiniging zelf in zijn gebruik van het perceel werd beperkt zoals hiervoor in r.o. 3.16 omschreven, en dit daarnaast naar alle waarschijnlijkheid ook een negatief effect zou hebben op de waarde van de woning, mocht [geïntimeerden] . die op enig moment willen verkopen. Het hof is dan ook van oordeel dat van [geïntimeerden] . in deze omstandigheden niet verlangd kon worden om te volstaan met het laten zitten en afdekken van de bodemverontreiniging en dat zij een gerechtvaardigd belang had bij volledige sanering van de verontreinigde grond.\n\n3.21.. \n [appellant] voert verder aan dat de verplichting van het bevoegd gezag om risico’s weg te nemen enkel zag op de verontreiniging met lood, terwijl [appellant] alleen bekend was met verontreiniging van de grond met Pak’s en zink. Maar dat kan haar niet baten. [appellant] heeft door [geïntimeerden] . niet in te lichten over wat zij wist ten aanzien van de bodemverontreiniging [geïntimeerden] . de mogelijkheid ontnomen om nader onderzoek te laten doen. Het ligt in de rede dat deze verdere verontreiniging bij een dergelijk onderzoek naar voren zou zijn gekomen. Onder deze omstandigheden is er geen aanleiding om alleen sanering van grond verontreinigd met lood in aanmerking te nemen bij het begroten van het nadeel. Het hof volgt [appellant] verder niet in haar betoog dat de kosten voor verwijdering van grond verontreinigd met asbest buiten beschouwing moeten blijven op grond van de asbestclausule in de koopovereenkomst. Deze clausule bepaalt als volgt:\n\n“In verband met het bouwjaar kunnen in de onroerende zaak[hof: gedefinieerd als het perceel grond met woning en verdere aanhorigheden]asbesthoudende stoffen aanwezig zijn. Bij het verwijderen van asbesthoudende materialen dienen op grond van milieuwetgeving speciale maatregelen te worden genomen. In afwijking van artikel 6.3. van deze koopovereenkomst komt het geheel of ten dele ontbreken van één of meer eigenschappen van de onroerende zaak voor normaal en bijzonder gebruik en het eventueel anderszins niet-beantwoorden van de zaak aan de overeenkomst als gevolg van de aanwezigheid en\u002Fof de verwijdering van asbest voor rekening en risico van koper.”\n\nHet hof is van oordeel dat deze bepaling zo uitgelegd moet worden dat zij betrekking heeft op nadelige gevolgen van asbesthoudende stoffen en materialen die in de woning zijn verwerkt, en niet op asbest die in de grond is achtergebleven als gevolg van de aanwezigheid van de autosloperij tientallen jaren geleden. Daarbij komt dat het [appellant] is die van de aanwezigheid van deze voormalige autosloperij op het perceel op de hoogte was, maar [geïntimeerden] . daarover niet heeft ingelicht. Dat maakt dat een beroep van [appellant] op deze exoneratie, voor zover daarop in dit geval wel een beroep zou kunnen worden gedaan, in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.\n\n3.22.. Het voorgaande leidt ertoe dat het hof met de kantonrechter van oordeel is dat het nadeel moet worden begroot aan de hand van de noodzakelijke (volledige) saneringskosten, inclusief kosten van herstel van tuin als gevolg van deze sanering. Omdat er ten tijde van de procedure bij de rechtbank nog niet daadwerkelijk was gesaneerd, heeft de rechtbank een deskundige ingeschakeld om – onder meer – te adviseren over de verwachte saneringskosten. Het voorschot op de kosten van de deskundige heeft de rechtbank door [appellant] laten deponeren. Gelet op de conclusie van het hof hierboven dat er sprake is van dwaling, is dat terecht geweest. Het bezwaar (grief 4) van [appellant] tegen dit oordeel van de rechtbank faalt dan ook.\n\n3.23.. Inmiddels heeft [geïntimeerden] . de grond – gelet op de termijnen die het bevoegd gezag daarvoor heeft gesteld – wel daadwerkelijk laten saneren. Dat betekent dat het hof bij de begroting van het nadeel aansluiting zal zoeken bij de daadwerkelijke kosten. In zoverre is het verweer van [appellant] , dat de risicoreservering opgenomen in de kostenbegroting van HB Adviesbureau niet kan worden betrokken in het nadeel, niet langer relevant. Volgens [geïntimeerden] . komen de daadwerkelijke kosten uit op een bedrag van € 152.072,94. Het hof zal hierna per door [geïntimeerden] . opgevoerde kostenpost beoordelen of en zo ja tot welke hoogte die in aanmerking zal worden genomen.\n\nKosten [bedrijf 5] (€ 10.950,50) en [bedrijf 6] (€ 78.512,28)\n\n3.24.. \n [bedrijf 5] heeft de milieukundige begeleiding en het opstellen van een evaluatieverslag ten behoeve van de uitgevoerde bodemsaneringswerkzaamheden voor haar rekening genomen. [bedrijf 6] heeft de daadwerkelijke saneringswerkzaamheden uitgevoerd. [appellant] meent dat er geen noodzaak was om deze twee partijen in te schakelen, omdat een volledige sanering van de verontreiniging in de bodem onder de verharding voor het doel “wonen” niet noodzakelijk was. Ter onderbouwing legt zij een notitie van [bedrijf 7] over die tot deze conclusie komen. Op dit punt verwijst het hof naar wat het daarover in r.o. 3.20 hiervoor heeft geoordeeld.\n\n3.25.. Naar het oordeel van het hof valt niet in te zien dat de facturen die [bedrijf 5] en [bedrijf 6] voor hun werkzaamheden hebben uitgebracht buitensporig zijn. Ook [bedrijf 7] , ingeschakeld door [appellant] zelf, oordeelt over de kosten van [bedrijf 5] en [bedrijf 6] als volgt: “Wij kunnen niet anders dan ervan uitgaan dat de werkzaamheden correct zijn uitgevoerd, de hoeveelheden correct zijn bepaald en de kosten correct zijn doorberekend.” Het hof zal deze kosten dan ook volledig in aanmerking nemen.\n\n [bedrijf 8] (€ 332,75) en Divers (€ 3.300,62)\n\n3.26.. Op het overzicht van gemaakte kosten, vermeldt [geïntimeerden] . dat de kosten van [bedrijf 8] zien op de “verplichte nulmeting”. Maar zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is onduidelijk om wat voor nulmeting het gaat en op grond van welke verplichting deze moest worden uitgevoerd. Het hof zal deze kosten dan ook buiten beschouwing laten.\n\n3.27.. Ten aanzien van de onder het kopje “divers” opgenomen kosten, voert [appellant] aan dat deze niet zijn onderbouwd met facturen en voor haar niet te verifiëren zijn. Daar volgt het hof [appellant] in. Deze kosten zal het hof dus ook buiten beschouwing laten.\n\n [bedrijf 9] (34.651,78) en [bedrijf 10] (€ 24.325,01)\n\n3.28.. \n\n [bedrijf 9] heeft zorg gedragen voor herstel van de bestrating en plaatsing van de nieuwe schutting. De kosten van [bedrijf 10] zien op het materiaal van de nieuwe schutting.\n\nTen aanzien van de bestrating geldt dat de kosten van herstel daarvan kunnen worden toegewezen. [geïntimeerden] . heeft erop gewezen dat hij bij het terugleggen van de stenen heeft gekozen voor de minst dure bakstenen die er op een eenvoudige manier in zijn gelegd. Dat de hiervoor gemaakte kosten buitenproportioneel zijn, heeft [appellant] met het oog op die toelichting onvoldoende concreet gemaakt.\n\nVoor wat betreft de schutting heeft [appellant] aangevoerd dat [geïntimeerden] . hinder ondervinden van de nieuwbouw van accommodatie en aanleg van lichtmasten op de naastgelegen voetbalvelden. De nieuwe schutting dient ter afscheiding van deze voetbalvelden en heeft een speciale geluidsisolerende tussenlaag. De kosten daarvan zijn substantieel hoger dan een reguliere afscheiding en kunnen niet voor haar rekening worden gebracht, aldus [appellant] . Het hof overweegt dat niet in geschil is dat er voor de sanering een (3 meter hoge en 1 meter brede) heg van in totaal 70 meter lang op het perceel stond als afscheiding. Deze moest, zo heeft [geïntimeerden] . onbetwist gesteld, verwijderd worden in verband met de saneringswerkzaamheden omdat de verontreiniging zich ook onder de heg bevond. In zoverre ligt het in de rede om kosten voor herstel van een grensafscheiding mee te nemen. Het hof is echter van oordeel dat niet de volledige kosten van aanschaf en plaatsing van de schutting kunnen worden toegewezen. Gelet op wat [appellant] heeft aangevoerd, had het op de weg van [geïntimeerden] . gelegen om meer inzicht te geven op dit punt, bijvoorbeeld door aan te geven wat de kosten zouden zijn geweest als een nieuwe heg had moeten worden aangelegd, of een schutting zonder geluidsisolerende tussenlaag. Maar dat heeft hij niet gedaan.\n\n3.29.. De vraag is vervolgens welk deel dan wel toewijsbaar is, mede gelet op het gegeven dat de facturen van [bedrijf 9] geen (duidelijk) onderscheid maken tussen werkzaamheden voor de bestrating respectievelijk de schutting. De rechter heeft bij de vraag op welke wijze en in welke mate het nadeel wordt opgeheven een ruime beoordelingsspeelruimte. Het hof ziet in dit geval aanleiding om de kosten van [bedrijf 9] en van [bedrijf 10] tot een bedrag van € 31.730,22 mee te nemen. Dat leidt de facto tot een totaal bedrag aan kosten van € 121.193,- (incl. btw), het bedrag dat de rechtbank heeft toegewezen. De rechtbank heeft daarbij de raming van HB Adviesbureau tot uitgangspunt genomen, en dit bedrag geïndexeerd in verband met gestegen bouwkosten. In deze raming zijn ook herstelkosten voor de tuin meegenomen. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen zijn er geen goede redenen om aan de destijds opgestelde begroting van de deskundige te twijfelen. [geïntimeerden] . heeft weliswaar aangevoerd dat de saneringskosten uiteindelijk hoger zijn uitgevallen dan door de deskundige begroot, onder andere omdat er meer verontreinigde grond moest worden afgevoerd dan verwacht, maar hij heeft daar geen concreet bedrag aan gekoppeld. Datzelfde geldt voor de vordering van [geïntimeerden] . om het op de koopprijs in mindering te brengen bedrag te vermeerderen met de waardevermindering ten gevolge van de eventueel resterende bodemverontreiniging die niet gesaneerd is of kon worden. Ook die vordering heeft [geïntimeerden] . niet concreet gemaakt. Het hof zal het door de rechtbank toegewezen bedrag dus in stand laten. In zoverre faalt het (incidenteel) hoger beroep van [geïntimeerden] .\n\n3.30.. \n [appellant] heeft ten slotte nog aangevoerd dat de koopprijsvermindering ex tunc moet worden berekend. Op het te begroten bedrag moet volgens haar een indexeringscorrectie worden toegepast naar het moment van het sluiten van de koopovereenkomst. Daar ziet het hof geen aanleiding voor, aangezien voor wat betreft de begroting van het op te heffen nadeel aansluiting is gezocht bij de daadwerkelijk (nadien) gemaakte saneringskosten en kosten voor herstel van de tuin.\n\n3.31.. Het bezwaar dat [appellant] heeft gericht tegen de proceskostenveroordeling en veroordeling tot betaling van buitengerechtelijke kosten in eerste aanleg (grief 8) behoeft gelet op bovenstaande uitkomst geen verdere behandeling meer, aangezien zij tot uitgangspunt neemt dat er geen sprake was van dwaling en de vorderingen van [geïntimeerden] . moeten worden afgewezen.\n\n3.32.. Het hof ziet geen aanleiding om partijen verder toe te laten tot bewijslevering, omdat zij geen bewijs hebben aangeboden van voldoende concrete feiten en stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.\n\nDe conclusie\n\n3.33.. Het (principaal) hoger beroep van [appellant] slaagt niet. Omdat [appellant] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten in het principaal hoger beroep veroordelen.\n\n3.34.. Het (incidenteel) hoger beroep van [geïntimeerden] . slaagt ook niet. Omdat [geïntimeerden] . in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [geïntimeerden] . tot betaling van de proceskosten in het incidenteel hoger beroep veroordelen.\n\n3.35.. De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).\n\n4. De beslissing\n\nHet hof, in het principaal en het incidenteel hoger beroep:\n\n4.1.. bekrachtigt de bestreden vonnissen van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, van 21 december 2022, 22 november 2023 en 28 augustus 2024;\n\n4.2.. veroordeelt [appellant] in de proceskosten van [geïntimeerden] . in het principaal hoger beroep. De kosten worden tot nu vastgesteld op € 349,- aan griffierecht en € 3.797,- aan salaris advocaat (1 procespunt x het toepasselijke tarief V van € 3.797,-);\n\n4.3.. veroordeelt [geïntimeerden] . in de proceskosten van [appellant] in het incidenteel hoger beroep. De kosten worden tot nu vastgesteld op € 3.797,- aan salaris advocaat (2 procespunten x de helft van het toepasselijke tarief V van € 3.797,-);\n\n4.4.. bepaalt dat de kosten onder 4.2 en 4.3 moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;\n\n4.5.. veroordeelt [appellant] respectievelijk [geïntimeerden] . tot betaling van € 178,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot als betekening van dit arrest plaatsvindt, als niet binnen veertien dagen na het verschuldigd worden van de nakosten door de betreffende partij aan deze veroordeling is voldaan;\n\n4.6.. verklaart de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;\n\n4.7.. wijst af wat verder is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. L.A.J. Dun, M.E. van Neck en D.W.J.M. Kemperink en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2026.\n\n Zie o.a. HR 18 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD7321 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid24220020118c00073hradmusp)","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1564","ecli-nl-ghams-2026-1564",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]