ECLI:NL:GHAMS:2026:1731
Case Summary
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Amsterdam
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.361.124/01
zaaknummers rechtbank: C/15/332653 / FA RK 22-4689 en C/15/338990 / FA RK 23-1825
beschikking van de meervoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] , gemeente [gemeente] ,
verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. A.E. Koster te Den Helder,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerder in principaal hoger beroep,
verzoeker in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. K.G.A.C. Scheper te Den Bosch.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] , en
de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Alkmaar,
hierna: de raad.
1. De zaak in het kort
De zaak gaat in de kern over de vraag hoe bij de uitvoering van de zorgregeling het brengen en halen van [minderjarige 1] (7 jaar) en [minderjarige 2] (4 jaar) tussen de ouders moet worden verdeeld.
2. De procedure in hoger beroep
2.1. De moeder is op 5 november 2025 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 7 augustus 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank).
2.2. De vader heeft op 21 januari 2026 een verweerschrift met daarin ook een (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingediend.
2.3. De moeder heeft op 16 maart 2026 een verweerschrift op het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingediend.
2.4. Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
een bericht van de zijde van de moeder van 18 november 2025 met bijlagen, en
( op verzoek van het hof) een bericht van de zijde van de moeder van 11 mei 2026 met bijlagen.
2.5. Namens de vader is op 18 mei 2026 een bericht met bijlagen (producties 38 tot en met 41) overgelegd. De advocaat van de moeder heeft diezelfde dag verzocht om die stukken buiten beschouwing te laten.
Het hof heeft daarop beslist en partijen op dezelfde dag geïnformeerd dat gelet op de omvang en het moment van indiening van de nadere stukken, de akte en de bijgevoegde stukken buiten beschouwing worden gelaten.
2.6. Ter zitting heeft de advocaat van de vader het hof erop gewezen dat hij bij bericht van 19 mei 2026 (nieuwe) producties 38 t/m 40 heeft overgelegd. Alhoewel namens de moeder tegen het overleggen van deze producties geen bezwaar is gemaakt, heeft het hof bij de afsluiting van de zitting beslist dat de op 19 mei 2026 overgelegde producties 38 t/m 40 buiten beschouwing worden gelaten, mede omdat partijen ter zitting op een van de geschilpunten waar de producties betrekking op hadden, tot overeenstemming zijn gekomen.
2.7. De zitting heeft op 20 mei 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat,
de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en
de raad, vertegenwoordigd door V.A.S. Regout.
De advocaten van de moeder en de vader hebben op de zitting pleitnotities voorgedragen en overgelegd.
3. De feiten
3.1. De vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders) zijn op 9 oktober 2017 te [gemeente] een geregistreerd partnerschap aangegaan, welk geregistreerd partnerschap op 8 september 2025 is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de – in zoverre niet – bestreden beschikking van 7 augustus 2025.
3.2. Uit dit geregistreerd partnerschap zijn geboren:
[minderjarige 1] , [in] 2019 te [plaats C] , Curaçao, en
[minderjarige 2] , [in] 2022 te [plaats C] , Curaçao (hierna gezamenlijk: de kinderen).
3.3. De ouders hebben van rechtswege gezamenlijk gezag over de kinderen. De kinderen staan ingeschreven op het woonadres van de moeder en zij hebben hun hoofdverblijfplaats ook bij de moeder.
3.4. Bij proces-verbaal van mondelinge uitspraak naar aanleiding van een verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen van 10 februari 2023 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, bepaald dat:
de kinderen worden toevertrouwd aan de moeder;
tussen de vader en de moeder een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) gaat gelden die door middel van een opbouw tot stand moet komen.
3.5. Bij beschikking van de rechtbank van 16 oktober 2023 is, met wijziging van het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 10 februari 2023, een nadere zorgregeling vastgesteld, waarbij de kinderen -na een verdere opbouw- vanaf vrijdag 12 januari 2024 eenmaal per veertien dagen van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur (naast een wekelijkse doordeweekse dag vanuit school tot 17.00 uur) bij de vader (in [plaats D] ) zijn waarbij voor alle omgangsmomenten geldt dat de vader de kinderen ophaalt en weer terugbrengt naar de moeder (in [plaats A] ).
3.6. Bij beschikking van de rechtbank van 9 augustus 2024 is, voor zover hier van belang, met wijziging van de beschikking van de rechtbank van 16 oktober 2023, een voorlopige zorgregeling vastgesteld, waarbij de vader en de kinderen in de even weekenden van vrijdag uit school tot zondag 16.00 uur omgang met elkaar hebben, waarbij de vader de kinderen uit school ophaalt en hen op zondag bij de moeder thuis terugbrengt, waarbij geldt dat de stiefvader van de moeder op zondag niet aanwezig is in of rondom de woning van de moeder.
3.7. Partijen hebben ruim nadat zij feitelijk uit elkaar zijn gegaan in het kader van de beëindiging van hun geregistreerd partnerschap overleg gehad en op deelonderwerpen afspraken gemaakt welke in juni 2025 zijn vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst.
4. De omvang van het hoger beroep
4.1. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, bepaald dat de aangehechte, door de ouders op 3 juni 2025 respectievelijk 17 juni 2025 ondertekende, vaststellingsovereenkomst deel uitmaakt van de beschikking, waarbij op de resterende geschilpunten als volgt is beslist:
artikel 1.10: de vader haalt de kinderen vrijdag op en de moeder haalt de kinderen op zondag op bij de vader;
artikel 1.10: de vader haalt [minderjarige 1] op vrijdag op uit school en [minderjarige 2] bij de moeder thuis.
4.2. De moeder verzoekt in principaal hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:
I. te bepalen dat de vader op de zondagen van de reguliere omgangsweekenden de kinderen om 16.00 uur bij de moeder (op haar woonadres) terug dient te brengen;
II. subsidiair: voor het geval het hof bepaalt dat de moeder op die zondagen de kinderen bij de vader dient te halen, te bepalen dat de moeder de kinderen dan op die zondagen van de reguliere omgangsweekenden om 14.00 uur bij de vader ophaalt, dan wel laat ophalen;
III. te bepalen, dat zodra [minderjarige 2] ook naar school gaat, de vader op de bewuste vrijdagen van de reguliere omgangsweekenden, beide kinderen om 14.30 uur bij de moeder thuis ophaalt;
althans zodanige regelingen te treffen als het hof juist acht.
4.3. De vader verzoekt in principaal hoger beroep de verzoeken van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen. In (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep verzoekt de vader in aanvulling op de bestreden beschikking te bepalen dat:
I. de kinderen na afloop van zijn zorgweekend om 16.00 uur door de moeder worden opgehaald bij hem, en
II. vanaf het moment dat [minderjarige 2] naar school gaat, beide kinderen bij aanvang van zijn zorgweekend om 14.00 uur door hem worden opgehaald uit school.
Ter zitting in hoger beroep heeft de vader aanvullend verzocht om de raad op te dragen een onderzoek te doen naar de volgende vragen:
In hoeverre is sprake van gedrag of communicatie van de ouders dat het contact, de hechting of de relatie van de kinderen met de andere ouder belemmert of negatief beïnvloedt?
Welke invloed hebben de terugkerende conflicten en politie-incidenten tijdens overdrachtsmomenten op het veiligheidsgevoel, de emotionele ontwikkeling en de loyaliteitsbeleving van de kinderen?
In hoeverre zijn beide ouders in staat de kinderen emotionele toestemming te geven voor onbelemmerd contact met de andere ouder en het belang van de kinderen boven het onderlinge conflict te plaatsen?
Welke interventies, veiligheidsafspraken of vormen van hulpverlening zijn noodzakelijk om verdere escalaties, loyaliteitsproblematiek en mogelijke contactbreuk tussen de kinderen en een van de ouders te voorkomen?
4.4. De moeder verzoekt in (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep om de verzoeken van de vader af te wijzen.
5. De motivering van de beslissing
In principaal en incidenteel hoger beroep
5.1. Ter zitting in hoger beroep hebben de ouders overeenstemming bereikt over de ophaallocatie van de kinderen op vrijdagmiddag na school in de weekenden dat de vader voor hen zorgt. De ouders hebben, overeenkomstig het advies van de raad, afgesproken dat de vader de kinderen vanaf de eerstvolgende vrijdag na de zitting (22 mei 2026) op de vrijdagen dat hij de zorg voor de kinderen draagt, om 14.00 uur ophaalt uit school. Het hof is van oordeel dat het belang van de kinderen zich niet verzet tegen deze afspraak en zal, overeenkomstig het voorwaardelijk verzoek van de vader in incidenteel hoger beroep, beslissen.
5.2. Het hof acht zich voldoende voorgelicht om een beslissing over de zorgregeling te nemen, zodat geen aanleiding bestaat hierover een raadsonderzoek te gelasten, zoals de vader heeft verzocht. Daarbij overweegt het hof dat het op dit moment (afgezien van de spanningen tussen de ouders die de kinderen meekrijgen) goed lijkt te gaan met de kinderen. Ook wijst het hof er op dat de vragen die de vader via een onderzoek door de raad aan de orde wil stellen buiten het bereik van de in deze zaak aan de orde zijnde verzoeken valt. Het hof zal de raad daarom niet verzoeken een raadsonderzoek uit te voeren.
5.3. Het hof dient nog de overige verzoeken omtrent de zorgregeling te beoordelen. Het hof zal daartoe de grieven in principaal hoger beroep en in incidenteel hoger beroep, gelet op hun inhoud en onderlinge samenhang, hierna gezamenlijk bespreken.
Het wettelijk kader5.4. De ouders hebben samen het gezag. Uit artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten - voor zover in deze zaak van belang - een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.
5.5. De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat zij de kinderen in het weekend dat zij bij de vader verblijven op zondag op dient te halen bij hem. De moeder werkt in de zorg en kan slechts in beperkte mate invloed uitoefenen op haar werkrooster. Daar komt bij dat zij momenteel intern een opleiding volgt waarvoor het nodig is dat zij ook in de weekenden werkt. Dit alles maakt dat de moeder volgens haar geen uitvoering kan geven aan de beslissing van de rechtbank. De rechtbank heeft dit bij beschikking van 16 oktober 2023 ook vastgesteld in het kader van voorlopige voorzieningen en heeft toen bepaald dat de vader de kinderen vanaf 12 januari 2024 in zijn zorgweekend om 17.00 uur bij de moeder dient terug te brengen. Daarna heeft de rechtbank bij beschikking van 9 augustus 2024 nogmaals vastgesteld dat de vader de kinderen op die zondagen bij de moeder terug dient te brengen, zij het om 16.00 uur. De omstandigheden zijn nadien niet gewijzigd en de afwijking in de bestreden beschikking ten opzichte van de eerdere beschikkingen is niet behoorlijk gemotiveerd. Het tijdstip van terugbrengen is vervolgens niet meer uitgewerkt in de vaststellingsovereenkomst, omdat dat tijdstip en de reden voor dat tijdstip tussen de ouders vaststond. Het tijdstip komt ook niet terug in de bestreden beschikking, wat een omissie is. De moeder zou vanwege haar werk meermaals per maand derden moeten inschakelen om de kinderen op de zondagen bij de vader thuis op te halen. De moeder kan (alleen) haar ouders af en toe vragen om de kinderen op te halen, maar zij zijn op hogere leeftijd en kunnen niet verplicht worden om hier vast onderdeel van uit te maken. De vader werkt in de omgangsweekenden niet en is in staat om de kinderen te halen en terug te brengen naar de moeder. De vader moet verantwoordelijkheid nemen voor het feit dat hij in [plaats D] is gaan wonen, wetende dat deze grote afstand invloed zou hebben op de zorgregeling. Als de moeder de kinderen wel op zondag moet ophalen, dan wil zij dat de ophaaltijd met twee uur wordt vervroegd, zodat de kinderen thuis kunnen acclimatiseren en tot rust kunnen komen. Momenteel vallen de kinderen op de terugweg in slaap in de auto, waardoor zij ’s avonds ontregeld zijn en niet willen slapen. Het voorstel van de vader om de kinderen om 17.00 uur op te halen is niet in het belang van de kinderen, is onwenselijk en zal tot meer onrust leiden, aldus de moeder.
5.6. De vader meent dat terecht is overwogen dat het in het belang van de kinderen is dat de ouders de verantwoordelijkheid delen voor het vervoer en het halen en brengen van de kinderen. Met een dergelijke regeling wordt aan de kinderen door de ene ouder emotionele toestemming gegeven om naar de andere ouder te mogen gaan. De moeder heeft niet aangetoond dat haar werkrooster niet op zodanige wijze kan worden ingericht, dat zij de kinderen om de week op zondagmiddag om 16.00 uur bij de vader kan komen ophalen. Eerder bracht de vader de kinderen om 16.00 uur terug naar de moeder, waarop zij haar rooster kennelijk wel kon inrichten. Als dat haar niet lukt, dan is het aan haar om haar netwerk aan te spreken. De stellingen van de moeder rijmen niet met haar verzoek om te bepalen dat het zorgweekend van de vader om 14.00 uur eindigt als zij de kinderen bij hem moet komen ophalen. In dat geval wordt de ophaaltijd met twee uur vervroegd, zodat zij minder inzetbaar is. Als zij haar werkrooster hierop kan aanpassen, moet dat ook voor een latere ophaaltijd gelden. Daarnaast zou het zorgweekend van de vader dan twee uur eerder eindigen, terwijl zijn zorg voor de kinderen al beperkt is en een verdere inperking niet in het belang van de kinderen is. Bovendien zijn de kinderen en de moeder in de huidige regeling rond 17.40 uur weer thuis, zodat er voldoende tijd is om te acclimatiseren. De vader is bereid om met de moeder mee te denken en wat hem betreft kan zij de kinderen ook om 17.00 uur bij hem komen ophalen. In geen van de door de moeder genoemde beschikkingen is geoordeeld dat de kinderen op zondag om 16.00 uur bij haar terug moeten zijn, zodat zij kunnen acclimatiseren. De vader stelt verder dat hij de (reis)afstand verkleind heeft door terug te verhuizen van Curaçao naar Nederland en dat alternatieve woonruimte dichter bij de moeder en de kinderen niet beschikbaar was. Onlangs hebben er twee incidenten plaatsgevonden tijdens de overdrachtsmomenten (op 3 en 8 mei 2026), waarbij de politie ter plaatse is geweest.
Het advies van de raad5.7. De raad heeft ter zitting in hoger beroep aangegeven het lastig te vinden om een advies uit te brengen over het ophalen/terugbrengen van de kinderen op zondag. Eerder heeft de raad bij de zitting van de rechtbank daar in het algemeen vanuit opvoedkundig perspectief wel iets over gezegd, maar er zijn nu vooral specifieke redenen van praktische aard waarom de moeder de kinderen kennelijk op zondagmiddag niet kan ophalen bij de vader te [plaats D] . Als de moeder het wat betreft de inrichting van haar werktijden niet redt om de kinderen op te halen, dan kan mogelijk worden overwogen dat de vader de kinderen terugbrengt. De samenwerking tussen de ouders verloopt niet goed, waar de kinderen last van hebben en spanningen door ervaren. De ouders moeten dat veranderen en ervan doordrongen zijn dat de kinderen klem komen te zitten in een loyaliteitsconflict als zij in hun houding, gedrag en communicatie doorgaan zoals zij nu doen. Basale communicatie tussen de ouders is het minste wat van hen verwacht mag worden. Zij moeten samen aan de slag gaan om het ouderschap op een voor de kinderen veilige en voorspelbare wijze in te vullen. Het is daarbij ook belangrijk dat de kinderen toestemming voelen van de moeder om bij de vader te zijn. Dat de politie wordt gebeld en langskomt is heel ingrijpend voor de kinderen en draagt niet bij aan hun welzijn. De ouders hebben begeleiding nodig om te onderzoeken wat zij zelf kunnen doen om in het belang van de kinderen niet naar elkaar te escaleren. De raad vindt het belangrijk dat de ouders onafhankelijk van elkaar een traject volgen om te leren hoe zij met elkaar kunnen communiceren en overleggen over de kinderen. De raad kan zich voorstellen dat een Solo Parallel Ouderschap traject helpend kan zijn voor de ouders.
De beoordeling5.8. Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken in het dossier en wat is besproken op de zitting in hoger beroep is onder meer het volgende gebleken. Gedurende hun geregistreerd partnerschap hebben de ouders enkele jaren samengewoond op Curaçao. Nadat de ouders in juli 2022 (toen de moeder zwanger was van [minderjarige 2] ) uit elkaar zijn gegaan is de vader op Curaçao blijven wonen en is de moeder met de kinderen naar Nederland verhuisd. De moeder is toen met de kinderen in [gemeente] gaan wonen, waar de ouders hun woning hadden aangehouden. De vader is eind september 2023 van Curaçao naar Nederland verhuisd en bij zijn nieuwe partner in [plaats D] ingetrokken. Er liep na de terugkeer van de vader een zorgregeling, waarover de rechtbank in meerdere beschikkingen heeft beslist dat de vader de kinderen na een regulier omgangsweekend terug moest brengen naar de moeder.
5.9. Het hof is van oordeel dat gelet op hetgeen de moeder in hoger beroep heeft aangevoerd, voldoende vast is komen te staan dat het voor haar, in de weekenden dat de kinderen bij de vader zijn, vooralsnog niet mogelijk is om de kinderen op zondagmiddag bij hem in [plaats D] op te halen. Gebleken is dat de moeder een opleiding tot verpleegkundige volgt en dat zij in dat kader verplicht is twee weekenden per maand te werken. Het is juist op een eerder verzoek van de vader geweest dat de zorgweekenden zijn gewisseld, waardoor de vader momenteel de zorg voor de kinderen draagt in de weekenden dat de moeder werkt. Aannemelijk is geworden dat de moeder in een weekend in beperkte mate de keuze heeft om in bepaalde dienst te werken (van 07.00 uur tot 15.00 uur of van 10.00 uur tot 20.00 uur of vanaf 15.00 uur tot 22.00 uur). Alleen de dienst op zondag van 07.00 uur tot 15.00 uur biedt de moeder in theorie de mogelijkheid om de kinderen rond 17.00 uur bij de vader te [plaats D] op te halen. Dat vergt van de moeder dan dat zij na haar dienst van 07.00 tot 15.00 uur (bij gunstige verkeersomstandigheden) nog 3 a 4 uur in de auto moet reizen om de kinderen op te halen. Dit acht het hof niet verantwoord en niet in het belang van de kinderen. De moeder is daarom afhankelijk van derden als de kinderen opgehaald moeten worden bij de vader. Ter zitting in hoger beroep heeft zij verklaard dat haar moeder de kinderen op dit moment op zondag ophaalt bij de vader, maar dat haar moeder heeft aangegeven dat dit een tijdelijke oplossing is en dat van haar niet gevraagd kan worden dat zij de kinderen altijd op de zondagen ophaalt bij de vader te [plaats D] . Het hof acht deze tijdelijke oplossing geen duurzame oplossing en het hof is van oordeel dat van de moeder niet verwacht kan worden dat zij telkens derden inschakelt om de kinderen op te laten halen bij de vader te [plaats D] . Daar komt bij dat niet gebleken is dat de vader de kinderen niet kan terugbrengen naar de moeder op zondag. Het hof acht het in het belang van de kinderen dat zij op zondag om 16.00 uur terug gebracht worden bij de moeder, zodat zij voldoende tijd hebben om te acclimatiseren voordat zij naar bed gaan zodat zij uitgerust zijn als zij de volgende dag weer naar school moeten. Het hof zal het primaire verzoek van de moeder dan ook toewijzen en bepalen dat de vader de kinderen op de zondagen dat zij bij hem zijn om 16.00 uur bij de moeder (op haar woonadres te [plaats A] ) terug dient te brengen. Nu het primaire verzoek van de moeder wordt toegewezen, zal het hof het subsidiaire verzoek van de moeder en het voorwaardelijk verzoek van de vader (om te bepalen dat de kinderen na afloop van zijn zorgweekend om 16.00 uur door de moeder worden opgehaald bij hem) afwijzen.
5.10. Ten overvloede overweegt het hof als volgt. De moeder heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat zij naar verwachting in september 2027 klaar is met haar opleiding. Dan zal er een nieuwe situatie ontstaan, waarbij de moeder mogelijk flexibeler kan worden in het organiseren van haar werktijden en daarmee in het ophalen van de kinderen bij de vader. Het hof geeft partijen in overweging om dan te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om de regeling over het brengen en halen aan te passen.
6. De beslissing
Het hof:
in principaal en incidenteel hoger beroep:
vernietigt onderdeel 3.2. van de beschikking waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw rechtdoende;
bepaalt dat de vader de kinderen in zijn zorgweekend op vrijdag ophaalt uit school en op zondag om 16.00 uur terugbrengt bij de moeder (op haar woonadres);
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige, voor zover nog aan het oordeel van het hof onderworpen;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. F. Kleefmann en mr. M.E. Burger, in tegenwoordigheid van mr. I.L.I. Bossert als griffier en is op 30 juni 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.