ECLI:NL:GHAMS:2026:1765
Case Summary
Bestuursrecht; Belastingrecht
Uitspraak
Amsterdam
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerken 24/3524 tot en met 24/3526
20 januari 2026
uitspraak van de meervoudige douanekamer
op het hoger beroep van
de inspecteur van de Douane, de inspecteur,
alsmede op het incidenteel hoger beroep van
[X], gevestigd te [Y] , belanghebbende,
(gemachtigde: R.F.R. Hoekstra)
tegen de uitspraak van 30 augustus 2024 in de zaken met de kenmerken HAA 22/3811 tot en met HAA 22/3814, HAA/5082 en HAA 23/3003 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de inspecteur.
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1..
De inspecteur heeft aan belanghebbende de volgende zes uitnodigingen tot betaling
(hierna: de utb’s) uitgereikt:
nummer
datum
bedrag
zaaknummer rb
kenmerk Hof
utb 1
[# 1]
5-11-2021
€ 7.281,74
HAA 22/3811
24/3524
utb 2
[# 2]
26-11-2022
€ 6.607,19
HAA 22/3812
utb 3
[# 3]
21-12-2021
€ 7.570,38
HAA 22/3813
utb 4
[# 4]
26-1-2022
€ 5.657,00
HAA 22/3814
utb 5
[# 5]
4-5-2022
€ 2.935,88
HAA 22/5082
24/3525
utb 6
[# 6]
17-10-1022
€ 11.474,82
HAA 23/3003
24/3526
1.2.. De tegen de utb’s gemaakte bezwaren zijn door de inspecteur afgewezen.
1.3.. Op de daartegen ingestelde beroepen heeft de rechtbank als volgt beslist, waarbij de inspecteur wordt aangeduid als “verweerder” en belanghebbende als “eiseres”:
“De rechtbank:
verklaart de beroepen met de zaaknummers HAA 22/3812, HAA 22/3813 en HAA 22/3814 ongegrond;
verklaart de beroepen met de zaaknummers HAA 22/3811, HAA 22/5082 en
HAA 23/3003 gegrond;
vernietigt de uitspraak op bezwaar van 9 juni 2022 inzake de utb met nummer [# 1] ;
vernietigt de uitspraak op bezwaar van 19 juli 2022 inzake de utb met nummer [# 5] ;
vernietigt de uitspraak op bezwaar van 10 februari 2023 inzake de utb met nummer [# 6] ;
vermindert de utb met nummer [# 1] tot € 1.723,49, vermindert de utb met nummer [# 5] tot € 1.801,98 en vermindert de utb met nummer [# 6] tot € 9.449,09 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.750;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 1.095 aan eiseres te vergoeden.”
1.4..
De inspecteur heeft tijdig hoger beroep ingesteld. Na het instellen van het hoger beroep zijn de volgende stukken ingediend:
een aanvulling van de gronden van het hoger beroep door de inspecteur;
een bericht van belanghebbende waarin de ontvangst van het hoger beroep wordt bevestigd en waarin wordt verzocht om verlenging van de termijn voor het indienen van het verweerschrift;
een verweerschrift annex incidenteel hogerberoepschrift door belanghebbende;
een pleitnota door belanghebbende.
1.5.. Partijen zijn uitgenodigd voor het onderzoek ter zitting op 13 januari 2026, maar hebben het Hof vooraf meegedeeld niet te zullen verschijnen. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.
2. Feiten
2.1..
De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld:
“1. Eiseres importeert schoenen uit [land] . [bedrijf] heeft als direct vertegenwoordiger in naam en voor rekening van eiseres (douanevertegenwoordiger) de volgende douaneaangiften ingediend voor de douaneregeling in het vrije verkeer brengen. De datum van aanvaarding van de aangiften is steeds gelijk aan de datum van indiening daarvan:
aangifte
Datum indiening
Aangiftenummer
productnummer
zaaknummer
Aangifte 1
13-1-2021
[# 1]
[product 1]
HAA 22/3811
Aangifte 2
9-9-2020
[# 2]
[product 2]
[product 3]
[product 4]
[product 5]
[product 6]
[product 7]
[product 8]
HAA 22/3812
Aangifte 3
18-12-2020
[# 3]
[product 9]
[product 10]
HAA 22/3813
Aangifte 4
19-8-2020
[# 4]
[product 2]
[product 3]
[product 4]
[product 5]
[product 11]
[product 9]
[product 6]
[product 8]
[product 7]
HAA 22/3814
Aangifte 5
5-2-2021
[# 5]
[product 1]
[product 12]
[product 13]
[product 14]
HAA 22/5082
Aangifte 6
21-7-2021
[# 6]
[product 15]
[product 16]
HAA 23/3003
In de aangiften heeft eiseres de betreffende schoenen ingedeeld onder de codes 6405 2099 00, 6405 9090 00 of 6405 1000 00 van het geïntegreerd tarief van de Gemeenschappen (Taric).
Zaak HAA 22/3811 (aangifte en utb 1)
2. Deze aangifte heeft uitsluitend betrekking op de schoen met productnummer [product 1] . Eiseres heeft de schoen in de aangifte ingedeeld onder Taric-code 6405 2099 00 (tarief 4%).
3. In Plato-opdracht met [plato nummer 1] staat vermeld dat deze schoen aan een fysieke controle is onderworpen op 18 januari 2021 op het toenmalige bedrijfsadres van eiseres ( [straat] te [Y] ) en dat verweerder daarvoor op 13 januari 2021 contact heeft gehad met de douanevertegenwoordiger. Er was bij de fysieke controle geen aangever/vertegenwoordiger aanwezig. Er is geen monster genomen van de schoen.
4. Een schoen met hetzelfde productnummer is ook opgenomen in een eerdere aangifte van eiseres met nummer [# 7] ( [aangifte] ). In de Plato-opdrachten die betrekking hebben op die eerdere aangifte (nummers [plato nummer 2] en [plato nummer 3] ) staat vermeld dat op 1 februari 2021 een fysieke controle heeft plaatsgevonden op het toenmalige bedrijfsadres van eiseres. Tijdens deze fysieke controle was een loodsmedewerker aanwezig. Hij wilde niet tekenen voor akkoord met de fysieke controle, omdat hij daartoe niet gemachtigd was. Naar aanleiding van deze controle heeft het douanelaboratorium de schoen onderzocht en daarvan op 14 september 2021 een rapport opgemaakt met [rapport nummer] . In dat rapport staat – voor zover van belang – dat het materiaal van de buitenzool kunststof of rubber en textiel is. Verder wordt daarin vastgesteld dat de textielvezels zich niet in de zool bevinden en de textiellaag niet duurzaam is. Het douanelaboratorium adviseert de schoen in te delen onder code 6404 1990 van de Gecombineerde Nomenclatuur (GN).
5. Verweerder heeft op grond van dit laboratoriumonderzoek de indeling van de schoen in aangifte 1 gecorrigeerd naar Taric-code 6404 1990 00 (tarief 16,9%).
HAA 22/3812 (aangifte en utb 2)
6. Deze aangifte ziet op schoenen met de productnummers [product 2] , [product 3] , [product 4] , [product 5] , [product 6] , [product 4] (aangegeven onder artikel 2 met Taric-code 6405 2099 00, tarief 4%) en op schoenen met de productnummers [product 7] en [product 8] (aangegeven onder artikel 3 met Taric-code 6405 9090 00, tarief 4%).
7. In de Plato-opdrachten met nummers [plato nummer 4] en [plato nummer 5] staat vermeld dat de schoenen op 15 september 2020 aan een fysieke controle zijn onderworpen op het toenmalige bedrijfsadres van eiseres en dat er loodspersoneel aanwezig was bij die controle. In de Plato-opdracht met nummer [plato nummer 5] staat verder dat voor de controle geen contact is geweest met de aangever of diens vertegenwoordiger. In de Plato-opdracht met nummer [plato nummer 4] staat vermeld dat verweerder op 10 september 2020 per e-mail contact heeft gehad met de aangever of diens vertegenwoordiger. Van de schoenen met productnummers [product 5] , [product 17] en [product 7] zijn monsters genomen en deze zijn onderzocht door het douanelaboratorium.
8. In het rapport van het douanelaboratorium met nummer [douane nummer 1] met betrekking tot schoen [product 5] staat – voor zover van belang – vermeld dat het materiaal van de buitenzool van de schoen kunststof of rubber is, dat de textielvezels zich niet in de zool bevinden en dat de textiellaag niet duurzaam is. Het douanelaboratorium adviseert deze schoen in te delen onder GN-code 6404 1990. Verweerder heeft dit advies overgenomen en de indeling van deze schoen in aangifte 2 gecorrigeerd naar Taric-code 6404 1990 00 (tarief 16,9%).
9. In het rapport van het douanelaboratorium met nummer [douane nummer 2] met betrekking tot schoen [product 6] staat – voor zover van belang – vermeld dat het materiaal van de buitenzool van de schoen van kunststof of rubber en textiel is, dat de textielvezels zich niet in de zool bevinden en dat de textiellaag niet duurzaam is. Het douanelaboratorium adviseert deze schoen in te delen onder GN-code 6402 9190. Verweerder heeft voor deze schoen geen correctie aangebracht in aangifte 2.
10. In het rapport van het douanelaboratorium met nummer [douane nummer 3] met betrekking tot schoen [product 7] staat – voor zover van belang – vermeld dat het materiaal van de buitenzool kunststof of rubber en textiel is, dat de textielvezels zich niet in de zool bevinden en dat aan het einde van een slijtagetest het textiel volledig is weggesleten. Er is volgens de onderzoekers geen sprake van een duurzame zool. Het douanelaboratorium adviseert de schoen in te delen onder GN-code 6402 9996. Verweerder heeft dit advies overgenomen en de indeling van de schoen in aangifte 2 gecorrigeerd naar Taric-code 6402 9996 00 (tarief 16,8%).
11. Van de schoenen met productnummers [product 2] , [product 3] en [product 4] zijn geen monsters genomen en deze schoenen zijn niet in het kader van aangifte 2 door het douanelaboratorium onderzocht. Schoenen met dezelfde artikelnummers zijn echter ook opgenomen in aangifte 4 en in dat kader onderzocht (Plato-opdrachten met nummers [plato nummer 6] , [plato nummer 7] en [plato nummer 8] ). Zie daarover hierna onder 18 e.v.. Op grond van de bevindingen naar aanleiding van aangifte 4 heeft verweerder de indeling van deze schoenen in aangifte 2 gecorrigeerd naar Taric-code 6404 1990 00 (tarief 16,9%).
12. Wat betreft de schoen met productnummer [product 8] heeft verweerder geen monsteronderzoek laten uitvoeren door het douanelaboratorium, omdat deze schoen volgens verweerder – afgezien van de kleur – identiek is aan de schoen met productnummer [product 7] , die wel is onderzocht door het douanelaboratorium zoals hiervoor onder punt 10 staat vermeld. Ook voor deze schoen heeft verweerder de indeling daarom gecorrigeerd naar Taric-code 6402 9996 00 (16,8%).
HAA 22/3813 (aangifte en utb 3)
13. Deze aangifte ziet op schoenen met productnummers [product 9] en [product 10] aangegeven onder Taric-code 6405 9090 00 (tarief 4%).
14. In de Plato-opdracht met nummer [plato nummer 9] staat vermeld dat de schoenen op 24 december 2020 aan een fysieke controle zijn onderworpen op het toenmalige bedrijfsadres van eiseres en dat verweerder daarvoor op 21 december 2021 contact heeft gehad met de aangever of diens vertegenwoordiger. Bij de fysieke controle waren eiseres noch de douanevertegenwoordiger aanwezig. Van de schoenen zijn monsters genomen en deze zijn onderzocht door het douanelaboratorium.
15. In het rapport van het douanelaboratorium met nummer [douane nummer 4] van 3 mei 2021 staat – voor zover van belang – vermeld dat het materiaal van de buitenzool van de schoen met artikelnummer [product 10] rubber of kunststof en textiel is. Verder wordt vastgesteld dat de textielvezels zich niet in de zool lijken te bevinden. Het douanelaboratorium adviseert de schoenen in te delen onder GN-code 6405 9090. Verweerder heeft voor deze schoen geen correctie toegepast.
16. In het rapport van het douanelaboratorium met nummer [douane nummer 5] van 3 mei 2021 staat – voor zover van belang – vermeld dat het materiaal van de buitenzool van de schoen met artikelnummer [product 9] rubber en textiel is, dat de textielvezels zich niet in de zool bevinden en dat op twee derde van een slijtagetest het textiel volledig is weggesleten. Er is volgens de onderzoekers geen sprake van een duurzame zool. Het douanelaboratorium adviseert de schoen in te delen naar het materiaal rubber onder GN-code 6402 9190. Verweerder heeft dit advies overgenomen en de indeling van schoen [product 9] in aangifte 3 gecorrigeerd naar Taric-code 6402 9190 00 (tarief 16,9%).
HAA 22/3814 (aangifte en utb 4)
17. Deze aangifte heeft betrekking op schoenen met de productnummers [product 2] , [product 3] , [product 4] , [product 5] en [product 18] (aangegeven onder artikel 1 met Taric-code 6405 2099 00, tarief 4%) en op schoenen met de productnummers [product 9] en [product 6] , [product 8] en [product 7] (aangegeven onder artikel 2 met Taric-code 6405 9090 00, tarief 4%).
18. In de Plato-opdracht met nummer [plato nummer 10] staat vermeld dat de schoenen aan een fysieke controle zijn onderworpen op 2 september 2020 op het toenmalige bedrijfsadres van eiseres en dat verweerder daarvoor op 21 augustus 2020 per e-mail contact heeft gehad met de aangever of diens vertegenwoordiger. Tijdens deze fysieke controle was loodspersoneel aanwezig, dat akkoord is gegaan met de representativiteit van de monsterneming. Van de schoenen met productnummers [product 2] , [product 3] , [product 4] zijn monsters genomen die zijn onderzocht door het douanelaboratorium.
19. In het rapport van het douanelaboratorium met nummer [douane nummer 6] van 10 mei 2021 voor de schoen met productnummer [product 2] staat – voor zover van belang – vermeld dat het materiaal van de buitenzool kunststof of rubber en textiel is. In het rapport met nummer [douane nummer 7] van 3 mei 2021 voor de schoen met productnummer [product 4] staat over het materiaal van de buitenzool “deel voorvoet en deel hak textiel deel voorvoet, deel hak kunststof of rubber”. In beide rapporten staat verder dat de textielvezels zich niet in de zool bevinden en dat aan het eind van een slijtagetest het textiele deel van de zool is weggesleten. Er is volgens de onderzoekers geen sprake van duurzame zolen.
20. In het rapport van het douanelaboratorium met nummer [douane nummer 8] van 23 augustus 2021 voor de schoen met productnummer [product 3] staat – voor zover van belang – vermeld dat het materiaal van de buitenzool kunststof of rubber is, dat de textielvezels zich niet in de zool bevinden en dat de textiellaag niet duurzaam is.
21. Het douanelaboratorium adviseert de schoenen in te delen onder GN-code 6404 1990. Verweerder heeft overeenkomstig dit advies de indeling van de schoenen met productnummers [product 2] , [product 19] en [product 3] gecorrigeerd naar Taric-code 6404 1990 00 (tarief 16,9%).
22. Van de overige schoenen, met productnummers [product 5] , en [product 11] , [product 9] en [product 6] , [product 8] en [product 7] , zijn geen monsters genomen en deze schoenen zijn niet in het kader van aangifte 4 door het laboratorium onderzocht. Schoenen met dezelfde productnummers zijn wel onderzocht in het kader van aangifte 2 dan wel aangifte 3 (Plato-opdrachten met nummers [plato nummer 4] , [plato nummer 5] en [plato nummer 9] ). Zie hiervoor onder 7 en 14. Op grond van die bevindingen heeft verweerder de indeling van de schoenen met productnummers [product 5] , [product 9] en [product 6] , [product 8] en [product 7] in aangifte 4 gecorrigeerd naar Taric-codes 6404 1990 00 (tarief 16,9%), 6402 9190 00 (tarief 16,9%) en 6402 9996 00 (tarief 16,8%).
HAA 22/5082 (aangifte en utb 5)
23. Deze aangifte ziet op schoenen met de productnummers [product 1] , [product 12] , [product 13] en [product 14] aangegeven onder Taric-code 6405 1000 00 (tarief 3,5%).
24. Van deze schoenen zijn geen monsters genomen en deze schoenen zijn evenmin in het kader van aangifte 5 door het douanelaboratorium onderzocht. Schoenen met hetzelfde productnummer zijn ook opgenomen in de [aangifte] en in dat kader ook onderzocht (Plato-opdrachten met nummers [plato nummer 2] en [plato nummer 3] ). Zie hiervoor bij punt 4.
25. In de rapporten van het douanelaboratorium met de nummers [douane nummer 9] (schoen [product 1] ) en [douane nummer 10] (schoen [product 13] ) van 23 augustus 2021 en met de nummers [douane nummer 11] (schoen [product 12] ) en [douane nummer 12] (schoen [product 14] ) van 12 mei 2021 staat – voor zover van belang – vermeld dat het materiaal van de buitenzool van de schoen kunststof of rubber is ( [douane nummer 11] en [douane nummer 10] ) dan wel kunststof of rubber en textiel ( [douane nummer 12] en [douane nummer 9] ). Verder wordt in deze rapporten vastgesteld dat de textielvezels zich niet in de zool bevinden en in de rapporten [douane nummer 10] en [douane nummer 9] dat de textiellaag niet duurzaam is. Het douanelaboratorium adviseert de schoenen in te delen onder GN-code 6404 1990 ( [douane nummer 9] en [douane nummer 11] ) dan wel 6403 9998 ( [douane nummer 10] en [douane nummer 12] ). Verweerder heeft op grond van die rapporten de indeling van de schoenen gecorrigeerd naar Taric-codes 6404 1990 00 (tarief 16,9%) en 6403 9998 00 (tarief 7%).
HAA 23/3003 (aangifte en utb 6)
26. Deze aangifte heeft (onder meer) betrekking op schoenen met de productnummers [product 15] en op [product 16] (aangegeven in artikel 3 onder Taric-code 6405 9090 00, tarief 4%).
27. In de Plato-opdracht met nummer [plato nummer 11] staat vermeld dat een fysieke controle heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2021 op het toenmalige bedrijfsadres van eiseres. Bij de controle is [naam] , medewerker van eiseres, aanwezig geweest. Het in het dossier aanwezige formulier “Akkoordverklaring Representativiteit monsterneming / fysieke controle” is daarbij wegens de geldende coronamaatregelen niet door hem ondertekend. Van de schoen met productnummer [product 20] is een monster genomen dat is onderzocht door het douane-laboratorium.
28. In het rapport van het douanelaboratorium met nummer [douane nummer 13] van 7 oktober 2021 staat – voor zover van belang – vermeld dat het materiaal van de buitenzool van de schoen kunststof/rubber en textiel is. Verder wordt vastgesteld dat de textielvezels zich niet in de buitenzool bevinden en dat uit een slijtagetest bleek dat de textiellaag niet duurzaam is. Het douanelaboratorium adviseert de schoenen in te delen onder GN-code 6402 9190.
29. Wat betreft de schoen met productnummer [product 16] heeft verweerder geen monsteronderzoek in laten stellen door het douanelaboratorium omdat deze schoen volgens verweerder – afgezien van de kleur – identiek is aan de schoen met productnummer [product 15] waar het rapport met nummer [douane nummer 13] (zie punt 28) van het douanelaboratorium op ziet.
30. Naar aanleiding van het monsteronderzoek heeft verweerder besloten artikel 3 in de aangifte te splitsen, waarbij de schoenen met productnummers [product 15] en [product 16] zijn overgebracht naar artikel 4 en zijn ingedeeld onder Taric-code 6402 9190 00 (tarief 16,9%).
Alle zaken
31. In de productnummers staat de letter B voor het merk [X] , de twee cijfers na de B staan voor het productieseizoen, de volgende twee cijfers staan voor de fabrikant, de twee d aaropvolgende cijfers zijn vrij en de laatste twee cijfers geven een kleur aan.
32. Ter zitting heeft verweerder voor alle voorliggende douaneaangiften een overzicht overgelegd van het elektronisch berichtenverkeer in het elektronisch aangiftesysteem AGS (AGS). Een van de codes die is gezonden aan de indiener van de douaneaangiften is de code “DMSCTL”. Volgens de toelichting van de soorten mededelingen staat dit voor “Communication intended control, Bericht waarmee de aangever/vertegenwoordiger wordt geïnformeerd over de fysieke controle van de goederen.”
2.2.. Nu de hiervoor vermelde feiten door partijen op zichzelf niet zijn bestreden zal ook het Hof daarvan uitgaan.
3. Geschil in hoger beroep
3.1.. Het hoger beroep van de inspecteur richt zich tegen het oordeel van de rechtbank in de beroepen met zaaknummers HAA 22/3811, HAA 22/5082 en HAA 23/3003, dat de inspecteur voor de zendingen begrepen in de utb’s 1, 5 en 6 niet heeft voldaan aan op hem rustende bewijslast dat hij de aangever in kennis heeft gesteld van zijn voornemen tot monsterneming.
3.2.. Het incidenteel hoger beroep van belanghebbende richt zich in de eerste plaats tegen het oordeel van de rechtbank dat de resultaten van een monsteronderzoek ook de grondslag kunnen vormen voor de correctie van andere aangiften dan de aangifte die is gedaan voor de zending waaruit het monster is genomen, indien het om artikelen met hetzelfde artikelnummer gaat (door de rechtbank aangeduid als: “extrapolatie”). Daarnaast komt belanghebbende in haar incidenteel hoger beroep op tegen het oordeel van de rechtbank over haar grief dat ten aanzien van sommige in de utb’s begrepen schoenen in het verleden na fysieke controle geen correctie van de goederencode heeft plaatsgevonden (punten 57 t/m 60).
4. Overwegingen van de rechtbank
De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil als volgt overwogen:
“Monsterneming
36. Met het oog op de verificatie van de juistheid van de in de aanvaarde douaneaangifte vermelde gegevens kunnen douaneautoriteiten de goederen aan een onderzoek onderwerpen (artikel 188, aanhef en onder c, van het DWU) en monsters nemen voor een analyse of grondige controle van de goederen (artikel 188, aanhef en onder d, van het DWU). De aangever heeft op grond van artikel 189, tweede lid, van het DWU het recht daarbij aanwezig te zijn of zich daarbij te laten vertegenwoordigen. Uit artikel 238 van de UVo.DWU volgt dat wanneer het bevoegde douanekantoor heeft besloten de goederen aan een onderzoek te onderwerpen of monsters te nemen, het douanekantoor hiervoor het tijdstip en de plaats aanwijst en de aangever hiervan in kennis stelt. Op verzoek van de aangever kan het bevoegde douanekantoor ook een andere plaats aanwijzen dan een douanekantoor. Uit artikel 240, eerste lid, van de UVo.DWU volgt dat wanneer het douanekantoor besluit monsters te nemen van de goederen, het de aangever daarvan in kennis stelt.
37. Eiseres betwist in alle zaken in kennis te zijn gesteld van de voorgenomen monsterneming. Het is dan aan verweerder om aannemelijk te maken dat dit wel is gebeurd (vgl. Gerechtshof Amsterdam 14 juni 2004, ECLI:NL:GHAMS:2004:AQ6558, r.o. 7.2 en Gerechtshof Amsterdam 19 december 2006, ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ6338, r.o. 6.2).
38. Verweerder heeft daartoe, onder verwijzing naar het overzicht van het elektronisch berichtenverkeer AGS, aangevoerd dat in alle zaken de douanevertegenwoordiger vooraf is geïnformeerd dat de Douane de goederen aan een onderzoek, in de Plato-opdrachten geduid als een fysieke controle, zal onderwerpen en dat monsters doorgaans ook op datzelfde moment worden genomen. Uit dat overzicht volgt dat in alle zaken de code “DMSCTL” is verstuurd, wat inhoudt dat de aangever of een douanevertegenwoordiger wordt geïnformeerd over de fysieke controle van de goederen. Standaard is dat een douanevertegenwoordiger/indiener van de douaneaangifte na het ontvangen van het DMSCTL-bericht contact opneemt met het “ werkverdeelpunt Douane/Moerdijk ” om afspraken te maken over de locatie en het tijdstip van de fysieke controle. Verweerder acht het niet aannemelijk dat in de onderhavige zaken van deze standaardprocedure is afgeweken. Dat contact is geweest tussen de douanevertegenwoordiger en de Douane wordt volgens verweerder bevestigd door het feit dat de fysieke controle is verlegd naar de locatie van de aangever bij deze douaneaangiften. Hiervoor heeft de douanevertegenwoordiger telkens met het “ werkverdeelpunt Douane/Moerdijk ” een afspraak moeten maken. Logischerwijs moet de douanevertegenwoordiger dus bekend zijn geweest met het tijdstip en de plaats van de fysieke controle, aldus verweerder, en had hij daarbij aanwezig kunnen zijn. De onderhavige fysieke controles en monsternemingen zijn vervolgens uitgevoerd op de locatie van de aangever en onder begeleiding van een medewerker van de aangever. Deze werkwijze voldoet volgens verweerder aan de vereisten van artikel 240 van de UVo.DWU.
Zaken HAA 22/3811 (aangifte en utb 1) en HAA 22/5082 (aangifte en utb 5)
39. In de aangiften 1 en 5 zijn in het kader van die aangiften geen monsters genomen maar heeft verweerder de goederencodes gecorrigeerd op basis van rapporten van het douanelaboratorium inzake monsterneming van schoenen met betrekking tot de douaneaangifte van eiseres met het nummer [aangifte] (de eerdere douaneaangifte). De onderhavige beroepen zien echter niet op de eerdere douaneaangifte en het door verweerder overgelegde overzicht van het elektronisch berichtenverkeer met de douanevertegenwoordiger, heeft ook geen betrekking op de eerdere douaneaangifte. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat de aangever bij de monsterneming in het kader van de eerdere douaneaangifte in kennis is gesteld van de monsterneming, het tijdstip of de plaats daarvan. Verder blijkt uit de Plato-opdrachten met de nummers [plato nummer 2] en [plato nummer 3] die betrekking hebben op de eerdere douaneaangifte ook niet dat de desbetreffende fysieke controle van tevoren is aangekondigd. Het enkele feit dat de monsterneming heeft plaatsgevonden op de locatie van de aangever is onvoldoende om aan te nemen dat de aangever vooraf in kennis is gesteld van de monsterneming en van het tijdstip waarop en de plaats waar die monsterneming zou plaatsvinden. Bovendien volgt uit die Plato-opdrachten dat de tijdens de fysieke controle aanwezige loodsmedewerker niet wilde tekenen voor akkoord met de fysieke controle, omdat hij daartoe niet gemachtigd was. Dat vormt een verdere aanwijzing dat een zodanige kennisgeving vooraf juist niet heeft plaatsgevonden.
Zaak 23/3003 (aangifte en utb 6)
40. Uit een e-mailbericht van 7 oktober 2022 van eiseres, in reactie op het voornemen van verweerder van 8 september 2022 tot het uitreiken van utb 6, heeft eiseres aan verweerder laten weten nooit te zijn geïnformeerd dat een monsterneming zou plaatsvinden, dan wel in de gelegenheid te zijn gesteld om daarbij aanwezig te zijn. Uit de Plato-opdracht met nummer [plato nummer 11] blijkt niet dat verweerder vooraf contact heeft gelegd met de aangever dan wel de douanevertegenwoordiger. Bij aanwezigheid van die contra-indicaties acht de rechtbank de omstandigheden dat de code “DMSCTL” is gezonden aan de douanevertegenwoordiger van eiseres en dat de controle en monsterneming hebben plaatsgevonden op het bedrijfsadres van eiseres onvoldoende om aan te nemen dat de aangever vooraf in kennis is gesteld van het tijdstip waarop en de plaats waar de fysieke controle en de monsterneming plaats zouden vinden.
41. Gelet op het voorgaande heeft verweerder voor de utb’s 1, 5 en 6 niet aannemelijk gemaakt dat hij overeenkomstig de voorgeschreven werkwijze van artikel 189 van het DWU juncto artikelen 238 en 240 van de UVo.DWU heeft gehandeld. Dat betekent dat verweerder een essentiële voorwaarde in een dwingend voorgeschreven procedure heeft geschonden met als gevolg dat de uitslagen van de monsternemingen terzijde moeten worden gesteld (zie Gerechtshof Amsterdam 19 december 2006, ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ6338, r.o. 6.6).
42. Aangezien verweerder wenst af te wijken van de douaneaangiften van eiseres, rust op hem de bewijslast voor de door hem voorgestane indeling van de schoenen. Nu verweerder zich voor de aangiften 1, 5 en 6 niet meer kan beroepen op de uitslagen van de monsternemingen, voldoet hij voor die aangiften niet aan die bewijslast. De beroepen van eiseres in de zaken met zaaknummers HAA 22/3811, HAA 22/5082 en HAA 23/3003 zijn daarom gegrond. De rechtbank komt in deze zaken daarom niet meer toe aan de overige beroepsgronden.
HAA 22/3812 (aangifte en utb 2), HAA 22/3813 (aangifte en utb 3) en HAA 22/3814 (aangifte en utb 4)
43. De rechtbank acht aannemelijk dat de code “DMSCTL” zoals die volgens het elektronisch berichtenverkeer AGS aan de douanevertegenwoordiger is gezonden de door verweerder beschreven betekenis heeft, dat met de verzending van die code de eveneens door hem beschreven standaardprocedure in werking is gesteld en dat de douanevertegenwoordiger van eiseres dus contact heeft opgenomen met het “ werkverdeelpunt Douane/Moerdijk ” om afspraken te maken over de plaats en het tijdstip van de fysieke controle. Dit volgt ook uit de Plato-dossiers die op de aangiften 2, 3 en 4 betrekking hebben en waarin is vermeld dat verweerder vooraf contact heeft gehad met de vertegenwoordiger van eiseres. Het wordt tevens bevestigd door het feit dat de controle én de monsterneming hebben plaatsgevonden op het bedrijfsadres van eiseres.
44. Wat betreft aangifte 2 (zaaknummer HAA 22/3812) is sprake van twee Plato-opdrachten ( [plato nummer 4] en [plato nummer 5] ). Uit Plato-opdracht [plato nummer 4] blijkt dat met betrekking tot deze douaneaangifte verweerder voorafgaand aan de controle van 15 september 2020 op 10 september 2020 per e-mail contact heeft gehad met de douanevertegenwoordiger. In Plato-opdracht [plato nummer 5] staat weliswaar dat er voor de controle geen contact is geweest met de aangever, maar nu deze opdracht ziet op dezelfde douaneaangifte en de controle op hetzelfde moment heeft plaatsgevonden, is eiseres voldoende op de hoogte gebracht van deze fysieke controle en monsterneming. In Plato-opdracht [plato nummer 9] met betrekking tot aangifte 3 (zaaknummer HAA 22/3813) en in Plato-opdracht [plato nummer 10] met betrekking tot aangifte 4 (zaaknummer HAA 22/3814) staat dat verweerder voorafgaand aan de fysieke controle per e-mail contact heeft gehad met de aangever of diens vertegenwoordiger. Uit Plato-opdracht [plato nummer 10] blijkt verder dat er bij de monsterneming loodspersoneel aanwezig was.
45. Weliswaar blijkt uit de hiervoor aangehaalde Plato-opdrachten niet expliciet dat eiseres dan wel de douanevertegenwoordiger is geïnformeerd dat naast een fysieke controle ook monsters zouden worden genomen, maar gelet op het DMSCTL-bericht en de procedure die daarop pleegt te volgen acht de rechtbank aannemelijk dat het voor eiseres duidelijk moet zijn geweest dat met de aankondiging van de fysieke controle, ook geacht werd de monsterneming te zijn aangekondigd. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat al eerder bij eiseres controles zijn aangekondigd waarbij monsters zijn genomen van schoenen, zodat zij kon verwachten dat dit ook nu weer het geval zou zijn. Hierbij speelt ook de aard van de goederen een rol. Voor de beoordeling van de indeling in het gebruikstarief zijn immers ook de bestanddelen aan de binnenkant van de goederen van belang wat meebrengt dat een fysieke controle niet in alle gevallen afdoende is voor de beoordeling van de goederen.
46. Uit artikelen 238 en 240 van de UVo.DWU volgt dat de Douane de aangever in kennis dient te stellen van de monsterneming en het tijdstip en de locatie ervan. Deze verplichting bestaat naast de verplichting de aangever in te kennis te stellen van een fysieke controle. Verweerder heeft gelet op wat hiervoor is overwogen in de zaken HAA 22/3812, HAA 22/3813 en HAA 22/3814 niet in strijd gehandeld met voornoemde artikelen. De rechtbank slaat daarbij acht op het doel van de kennisgeving. Immers, indien een belanghebbende van een monsterneming op de hoogte is, dan kan deze ervoor kiezen zijn aanwezigheidsrecht uit te oefenen, bijvoorbeeld om te controleren of het monster representatief is of om een contra-monster aan te vragen. Dit belang weegt bij de goederen die in geschil zijn minder zwaar omdat eiseres (via zijn douanevertegenwoordiger) in kennis is gesteld van de fysieke controle, en de monsterneming daarmee gelijktijdig is uitgevoerd, en uit een lading schoenen met een bepaald productnummer telkens een of meer hele schoenen – en dus niet slechts een gedeelte daarvan – als monster worden genomen en niet is gebleken dat onder hetzelfde productnummer verschillende soorten schoenen zijn ingevoerd. Dat ligt ook niet voor de hand nu het productnummer ook door de fabrikant op de facturen wordt gebruikt ter identificatie van de schoenen.
47. De enkele verwijzing door eiseres naar de SAMANCTA-normen leidt niet tot een ander oordeel reeds omdat die normen slechts een aanbeveling zijn (vgl. Gerechtshof Den Haag 15 april 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1058, r.o. 5.11).
Extrapolatie
48. Uit punt 31 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 februari 2014, C-517/12 Greencarrier Freight Services Latvia SIA, ECLI:EU:C2014:102 (het arrest-Greencarrier) blijkt dat het bij extrapolatie van onderzoeksbevindingen moet gaan om identieke goederen. Verder is in deze rechtsoverweging te lezen dat de voorwaarde wordt gesteld dat identieke goederen afkomstig zijn van dezelfde fabrikant, dezelfde benaming en samenstelling hebben en er hetzelfde uitzien als de goederen waarop de eerdere douaneaangiften betrekking hadden. De vaststelling dat het identieke goederen betreft, kan met name gebaseerd zijn op de controle van de handelsdocumenten en gegevens aangaande de in of uitvoertransacties ten aanzien van de betrokken goederen en aangaande de handelstransacties die later in verband met deze goederen plaatsvinden.
HAA 22/3812 (aangifte 2)
49. De rechtbank stelt vast en eiseres heeft ter zitting erkend dat verweerder bij de schoenen met productnummers [product 5] en [product 7] uit aangifte 2 geen extrapolatie heeft toegepast. De correctie van de indeling van deze schoenen is immers gebaseerd op uitslagen van het monsteronderzoek van monsters die in het kader van aangifte 2 zijn genomen (rapporten van het douanelaboratorium met nummers [douane nummer 1] en [douane nummer 3] ).
50. Van de schoenen met productnummers [product 2] , [product 3] en [product 4] zijn in het kader van aangifte 2 geen monsters genomen. Verweerder heeft de uitslagen van de monsteronderzoeken in het kader van aangifte 4 (rapporten van het douanelaboratorium met nummers [douane nummer 6] , [douane nummer 8] en [douane nummer 7] ) geëxtrapoleerd naar aangifte 2.
51. De rechtbank stelt vast dat de rapporten van het douanelaboratorium met de nummers [douane nummer 6] , [douane nummer 8] en [douane nummer 7] betrekking hebben op exact hetzelfde productnummer als de schoenen die niet in het kader van aangifte 2 zijn onderzocht. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat een schoen met eenzelfde productnummer andere eigenschappen en kenmerken zou hebben met betrekking tot de zool. Uit de toelichting van eiseres over de betekenis van de productnummers blijkt immers dat schoenen met hetzelfde productnummer zijn gemaakt door dezelfde fabrikant, geproduceerd voor hetzelfde seizoen, hetzelfde merk betreffen en dezelfde kleur hebben. Dat zij een ander uiterlijk of een andere samenstelling zouden hebben, blijkt nergens uit en ligt ook niet in de rede. Gelet daarop is sprake van identieke goederen in de zin van het arrest-Greencarrier. Verder is het tijdsverloop tussen de datum van aangifte 2 (9 september 2020) en de datum van monsterneming betreffende aangifte 4 (2 september 2020) dermate kort dat niet aannemelijk is dat sprake zou zijn van verschillende producten. De stelling van eiseres dat dezelfde schoen meerdere productnummers kan hebben, doet in dit verband niet ter zake. Tijdens de zitting heeft eiseres namelijk bevestigd dat verschillende type schoenen niet met hetzelfde productnummer worden aangegeven. Dat betekent dat ingevoerde schoenen met hetzelfde productnummer onderling geen relevante verschillen vertonen.
52. Van de schoenen met productnummer [product 8] is geen monster genomen en deze schoenen zijn niet door het douanelaboratorium onderzocht. Verweerder heeft de uitslag van het monsteronderzoek van productnummer [product 7] dat in het kader van aangifte 2 is opgemaakt (het rapport van het douanelaboratorium met nummer [douane nummer 3] ), geëxtrapoleerd naar productnummer [product 8] .
Beide schoenen zijn opgenomen in aangifte 2 en alleen de laatste twee cijfers van het productnummer verschillen. Niet in geschil is dat dit verschil in de laatste twee cijfers enkel de kleur betreft. Voor het overige zijn de schoenen gemaakt door dezelfde fabrikant, geproduceerd voor hetzelfde seizoen en betreffen zij hetzelfde merk. Hoewel vanwege het kleurverschil geen sprake is van identieke goederen, heeft verweerder de extrapolatie mogen toepassen. Immers, de goederen zijn ingedeeld op basis van de kenmerken en eigenschappen van de zool. Gesteld noch gebleken is dat de schoen met artikelnummer [product 8] andere eigenschappen en kenmerken zou hebben met betrekking tot de zool dan de schoen met artikelnummer [product 7] . Het kleurverschil is van zodanig ondergeschikte aard dat het voor de indeling niet van belang is en dus niet in de weg staat aan extrapolatie.
HAA 22/3813 (aangifte 3)
53. De rechtbank stelt vast dat verweerder voor de schoenen met productnummers [product 9] en [product 10] uit aangifte 3 geen extrapolatie heeft toegepast. Van deze schoenen zijn in het kader van deze aangifte monsters genomen die door het douanelaboratorium zijn onderzocht (rapport van het douanelaboratorium met nummers [douane nummer 5] en [douane nummer 4] ). Het beroep dat ten onrechte extrapolatie is toegepast kan reeds daarom niet slagen. Overigens heeft verweerder voor de schoen met productnummer [product 10] de indeling niet gecorrigeerd.
HAA 22/3814 (aangifte 4)
54. De rechtbank stelt vast dat verweerder voor de schoenen met productnummers [product 2] , [product 21] en [product 4] geen extrapolatie heeft toegepast, omdat van deze schoenen in het kader van aangifte 4 monsters zijn genomen die door het douanelaboratorium zijn onderzocht. De uitslagen van de monsteronderzoeken zijn opgenomen in de rapporten van het douanelaboratorium met nummers [douane nummer 6] , [douane nummer 8] en [douane nummer 7] . Het beroep dat ten onrechte extrapolatie is toegepast kan reeds daarom niet slagen.
55. Van de schoenen met productnummers [product 5] , en [product 11] , [product 9] en [product 6] , [product 8] en [product 7] uit aangifte 4 zijn in het kader van deze aangifte geen monsters genomen. Schoenen met dezelfde productnummers zijn ook opgenomen in de aangiften 2 en 3. In het kader van die aangiften zijn wel monsters genomen. Verweerder heeft de uitslagen van die monsteronderzoeken (rapporten van het douanelaboratorium met de nummers [douane nummer 1] , [douane nummer 5] , [douane nummer 2] en [douane nummer 3] ) geëxtrapoleerd naar de schoenen uit aangifte 4.
56. De rechtbank stelt vast dat de rapporten van het douanelaboratorium met de nummers [douane nummer 1] , [douane nummer 5] , [douane nummer 2] en [douane nummer 3] betrekking hebben op exact dezelfde productnummers als de schoenen die niet in het kader van aangifte 4 zijn onderzocht. Verder is het tijdsverloop tussen de datum van aangifte 4 (19 augustus 2020) en de datum van monsterneming betreffende aangiften 2 en 3 (15 september 2020 en 24 december 2020) beperkt. Hiervoor geldt dan ook hetzelfde als hiervoor onder 51 is overwogen.
Eerdere onderzoeken
57. Eiseres heeft aangevoerd dat in de afgelopen jaren bij haar verschillende fysieke controles zijn uitgevoerd. Dit heeft voor een aantal productnummers die hier in geschil zijn in het verleden niet geleid tot een wijziging van de indeling. Ook bestaat in een aantal gevallen voor dezelfde schoen een afwijkende laboratoriumuitkomst die niet heeft geleid tot een correctie. Eiseres heeft als voorbeelden de schoenen met productnummers [product 9] , [product 1] en [product 12] gegeven.
58. Voor de schoen met productnummer [product 9] heeft eiseres een laboratoriumuitkomst van 2 oktober 2020 met nummer [douane nummer 14] overgelegd ( [plato nummer 12] ) waarin staat dat indeling dient plaats te vinden onder GN-code 6405 9090.
De rechtbank stelt vast dat de uitslag van het laboratoriumonderzoek waar eiseres naar verwijst ouder is dan de laboratoriumuitslag van 3 mei 2021 waarop verweerder de indeling van deze schoen heeft gebaseerd en dat dit laatstgenoemde onderzoek specifiek betrekking heeft op de zool. Verweerder heeft onweersproken verklaard dat voorheen door het douanelaboratorium een andere onderzoeksmethode werd gebruikt en dat alle laboratoriumonderzoeken die hij ten grondslag heeft gelegd aan de hier in geding zijnde utb’s zijn uitgevoerd volgens een nieuwe, verbeterde methode. Gelet hierop staat de oude laboratoriumuitslag niet in de weg aan het toepassen van extrapolatie. Het beroep op de oude laboratoriumuitslag kan daarom niet slagen.
59. Voor de schoen met productnummer [product 1] heeft eiseres gewezen op de Plato-onderzoeken met nummers [plato nummer 13] en [plato nummer 14] waarna de douaneaangiften niet zijn gecorrigeerd. In de uitspraak op bezwaar in de zaak met zaaknummer HAA 22/3811 staat dat ten aanzien van deze schoen met productnummer [product 1] weliswaar eerder een fysieke controle is uitgevoerd, maar dat er toen geen zicht- of laboratoriummonsters zijn genomen en geen monsteronderzoek heeft plaatsgevonden. Aangezien de samenstelling van de schoen en daarmee van de zool toen niet is beoordeeld, was er geen reden om de aangegeven goederencode te corrigeren. Eiseres heeft dit niet weersproken. Nu er van deze schoen thans wel een uitslag van een laboratoriumonderzoek bekend is, kan het beroep van eiseres op deze Plato-opdrachten ten aanzien van deze schoen niet slagen.
60. Ten aanzien van de schoen met productnummer [product 12] heeft eiseres gewezen op het Plato-onderzoek met nummer [plato nummer 14] en gesteld dat de desbetreffende douaneaangifte niet is gecorrigeerd. Voor zover voor deze schoen na die eerdere Plato-opdracht door verweerder geen correctie is toegepast, dan wel van deze schoen een oudere laboratoriumuitslag bekend is, verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor is overwogen.
61. Eiseres heeft ter illustratie van de onduidelijkheid rond de monsteronderzoeken nog verwezen naar een bindende tariefinlichting met nummer [BTI nummer] (de bti) die aan haar is afgegeven en waarin de indeling van schoenen met productnummer [product 22] was gebaseerd op een zool van textiel, ervan uitgaande dat die zool duurzaam en slijtvast was. Later is het douanelaboratorium tot andere inzichten gekomen. De bti leidt niet tot andere uitkomsten, omdat de bti ziet op schoenen met een ander productnummer dan in deze beroepen voorliggen. De rechtbank neemt hierbij mede in aanmerking wat verweerder heeft verklaard over de gewijzigde onderzoeksmethode van het douanelaboratorium.
Conclusie
62. De beroepen met de zaaknummers HAA 22/3812 tot en met HAA 22/3814 zijn ongegrond.
De beroepen met de zaaknummers HAA 22/3811, HAA 22/5082 en HAA 23/3003 zijn gegrond. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat in dat geval de correcties moeten worden verminderd van 16,9% naar 4%. Aangezien de goederen in de zaak HAA 22/5082 zijn aangegeven naar een tarief van 3,5% en er enerzijds is gecorrigeerd naar een tarief van 7% en anderzijds naar een tarief van 16,9%, gaat de rechtbank er vanuit dat in die zaak de correcties moeten worden teruggebracht naar 3,5%.
Voor de zaak HAA 22/3811 betekent dit dat utb 1 moet worden verminderd van € 7.281,74 naar € 1.723,49. In de zaak HAA 22/5082 bestaat de utb voor een bedrag van € 1.215,66 uit heffing naar het tarief van 16,9% en voor een bedrag van € 339,99 uit heffing naar het tarief van 7%. Dat betekent dat utb 5 moet worden verminderd van € 2.935,88 naar € 1.801,98. In de zaak HAA 23/3003 is niet in geschil dat het bestreden bedrag € 2.025,73 is zodat utb 6 moet worden verminderd van € 11.474,82 naar € 9.449,09.
5. Beoordeling van het geschil
Ontvankelijkheid incidenteel hoger beroep belanghebbende5.1.. Ingevolge artikel 8:110, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient een incidenteel hoger beroep ingesteld te worden binnen zes weken nadat de hogerberoepsrechter de gronden van het hoger beroep aan de desbetreffende partij heeft verzonden. De gronden van het hoger beroep zijn bij brief van 4 december 2024 verzonden aan belanghebbende. Dit betekent dat het incidenteel hoger beroep uiterlijk op 15 januari 2025 ingediend had moeten worden. Het incidenteel hoger beroep is ontvangen op 26 februari 2025.
5.2.. Ingevolge artikel 8:110, lid 4, Awb, kan het Hof de hiervoor vermelde termijn verlengen, maar van die bevoegdheid heeft hij in deze zaken geen gebruik gemaakt. Daar is ook niet om verzocht. Belanghebbende heeft weliswaar bij brief van 7 januari 2025 verzocht om verlenging van de in artikel 8:42, lid 1, van de Awb gestelde termijn (van vier weken) voor het indienen van een verweerschrift, maar niet om verlenging van de termijn voor het indienen van een incidenteel hoger beroep.
5.3.. Gelet op het vorenoverwogene dient het incidenteel hoger beroep van belanghebbende niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Hoger beroep inspecteur5.4.. Het hoger beroep van de inspecteur richt zich tegen de beslissing van de rechtbank, in de punten 39 tot en met 42 van haar uitspraak, dat de inspecteur voor de goederen die zijn begrepen in de utb’s 1, 5 en 6 niet heeft voldaan aan op hem rustende bewijslast aannemelijk te maken dat hij de aangever in kennis heeft gesteld van zijn voornemen tot monsterneming (zaaknummers HAA 22/3811, HAA 22/5082 en HAA 23/3003).
5.5.. Naar ’s Hofs oordeel heeft de rechtbank in de punten 39 tot en met 42 van haar uitspraak op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof neemt deze beslissing en de gronden waarop zij berust over en maakt deze tot de zijne. Al hetgeen de inspecteur in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
Slotsom5.6.. Het hoger beroep is ongegrond en het incidenteel hoger beroep is niet-ontvankelijk. De uitspraak van de rechtbank betreffende de zaken HAA 22/3811, HAA 22/5082 en HAA 23/3003 dient te worden bevestigd.
6. Kosten
Het Hof vindt aanleiding voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van die wet. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit). Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief op: 1 [verweerschrift] x € 934 x 1 (wegingsfactor) = € 934.
7. Beslissing
Het Hof:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor zover deze ziet op de beroepen met de zaaknummers HAA 22/3811, HAA 22/5082 en HAA 23/3003;
verklaart het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk;
veroordeelt de inspecteur in de kosten van belanghebbende voor het hoger beroep tot een bedrag van € 934;
bepaalt dat van de inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 559.
De uitspraak is gedaan door mrs. B.A. van Brummelen, voorzitter, C.J. Hummel en
J-P.R. van den Berg, leden van de douanekamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 20 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u opwww.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.