[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-ghams-2026-1827":3,"decision-more-ecli-nl-ghams-2026-1827":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1226","ECLI:NL:GHAMS:2026:1827","",56,"Amsterdam","amsterdam","2026-07-07T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling civiel recht en belastingrecht\n\nteam I (handel)\n\nzaaknummer : 200.345.869\u002F01\n\nzaak-\u002Frolnummer rechtbank Amsterdam : C\u002F13\u002F722547 \u002F HA ZA 22-717\n\narrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 juli 2026\n\nin de zaak van\n\nde publieke rechtspersoon\n\nPARTICIPATIEBEDRIJF […] ,\n\nzetelend te [plaats ] ,\n\nappellante,\n\nincidenteel geïntimeerde,\n\nadvocaat: mr. R.A.W.J. van Eijck te Rotterdam,\n\ntegen\n\nABN AMRO BANK N.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\ngeïntimeerde,\n\nincidenteel appellante,\n\nadvocaat: mr. F.A. van de Wakker te Amsterdam.\n\nPartijen worden hierna […] en de Bank genoemd.\n\n1. De zaak in het kort\n\nDe Bank wordt aangesproken door […] op grond van onrechtmatige daad. […] is de (voormalig) werkgever van een (voormalige) klant van de Bank, die op een rekening bij de Bank in totaal ruim € 4,5 miljoen heeft gestort die hij via fraude bij zijn werkgever […] gedurende 12 jaar heeft ontvreemd. De gestorte bedragen werden steeds korte tijd later via geldautomaten contant opgenomen. De Bank wordt verweten dat zij had moeten ontdekken dat er via haar bankrekening werd gefraudeerd en dat zij eerder had moeten ingrijpen.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\n2.1.. \n […] is bij dagvaarding van 30 juli 2024 in hoger beroep gekomen van vonnissen van 26 april 2023 en 8 mei 2024 van de rechtbank Amsterdam, onder bovenvermeld zaak- en rolnummer gewezen tussen […] als eiseres en de Bank als gedaagde.\n\n2.2.. Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:\n\n- memorie van grieven van […] met negen producties;\n\n- memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel van de Bank;\n\n- memorie van antwoord in incidenteel appel van […] .\n\n2.3.. \n\nOp 16 januari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd.\n\nVoorafgaand aan de zitting heeft […] een akte genomen waarbij zij haar eis heeft verminderd. De Bank heeft bij akte nog een productie in het geding gebracht. Beide aktes zijn toegevoegd aan het procesdossier.\n\n2.4.. Ten slotte is arrest gevraagd.\n\n3. Feiten\n\n3.1.. Het hof gaat uit van de volgende feiten.\n\n3.2.. \n […] is een publiekrechtelijke rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de Participatiewet en de Wet sociale werkvoorziening in de [plaats 1] Kempen. Zij ontvangt publiekrechtelijke gelden om inwoners van de Kempengemeenten te ondersteunen terug aan het werk te gaan, onder meer door exploitatie van een sociale werkplaats. […] is één van de grootste werkgevers in de regio en ontvangt jaarlijks ongeveer € 16 miljoen aan gemeentelijke bijdragen.\n\n3.3.. \n […] heeft een bankrekening bij haar huisbank BNG (hierna: de BNG-rekening).\n\n3.4.. In 1998 is de heer [naam 1] in dienst getreden bij […] als medewerker bij de financiële administratie. Zijn salaris werd betaald op een bankrekening bij Rabobank. Daarnaast had [naam 1] sinds 1988 een bankrekening bij de Bank (hierna ook: de ABN-rekening).\n\n3.5.. In 2005 heeft [naam 1] op verzoek van de Bank een kopie van zijn paspoort verstrekt.\n\n3.6.. Vanaf 2007 heeft [naam 1] in totaal meer dan € 4,5 miljoen van […] frauduleus contant gestort en giraal overgeboekt naar zijn ABN-rekening.\n\n3.7.. De fraude van [naam 1] is te verdelen in twee periodes. Van 2007 tot en met 2014 heeft [naam 1] contant geld van […] op zijn ABN-rekening gestort. Dit geld was afkomstig uit de kantine en van contant betaalde facturen. Uit het transactieoverzicht van de ABN-rekening blijkt dat er in deze periode 332 keer contant geld is gestort op de ABN-rekening, waarvan elke 2 tot 3 weken circa € 1.000,00 in muntgeld.\n\n3.8.. In 2011 hebben de beveiligingssystemen van de Bank gemeld dat er op de bankrekening van [naam 1] veel contantgeldstortingen plaatsvonden. Daar is toen verder geen gevolg aan gegeven door de Bank.\n\n3.9.. In de periode van 2014 tot en met 2019 heeft [naam 1] giraal geld van […] verduisterd door facturen van crediteuren van […] niet alleen aan de daadwerkelijke crediteuren te betalen, maar ook handmatig over te maken naar zijn ABN-rekening. In deze periode zijn er 417 betalingen gedaan vanaf de BNG-rekening naar de ABN-bankrekening voor een totaalbedrag van € 4.534.778,78. Het meeste geld is verduisterd in de periode van mei 2017 tot en met augustus 2019: ongeveer € 4 miljoen. [naam 1] heeft de fraude verhuld door administratief te sjoemelen met balansposten en door te lage btw-aangiftes te doen.\n\n3.10.. \n [naam 1] behield het geld niet zelf; hij werd afgeperst door een bekende. Via contante opnames bij geldautomaten werd het geld door [naam 1] aan deze persoon afgegeven. De afperser, diens echtgenote en diens ex-echtgenote hebben het geld opgemaakt.\n\n3.11.. Op 29 januari 2016 heeft [naam 1] telefonisch zijn dagelijkse paslimiet bij de Bank eenmalig verhoogd naar € 10.000,00 en dat bedrag ook opgenomen. Op 28 maart 2018 heeft [naam 1] twee keer een telefoongesprek gehad met de klantenservice van de Bank over het verhogen van zijn paslimiet.\n\n3.12.. De jarenlange fraude is aan het licht gekomen nadat in juni 2019 een medewerker van de afdeling Fraude Monitoring van de Bank, die een onderzoek deed naar contante geldopnames via geldautomaten (ATM’s), stuitte op de veelvuldige geldopnames door [naam 1] .\n\n3.13.. \n\nOp 20 juni 2019 heeft deze medewerker intern de volgende e-mail gestuurd:\n\n“Ik ben bezig met een onderzoekje naar de mogelijkheden om opnames via ATM in een eerder stadium te laten stoppen om fraudeschade te voorkomen, en als het voor de klant een normaal patroon is, daar niet in te grijpen. Bij dat onderzoek ben ik nu bezig met de opnames van afgelopen zondag.\n\nDaarbij vind ik ook deze rekening (…)\n\nBetreft een privérekening van klant [naam 1] in [plaats ] , die al geruime tijd bezig is om contant geld op te nemen wat zonder uitzondering afkomstig is van [X] Groep met rekeningnummer (…).\n\n [X] is volgens google info een instantie die zich ten doel voor de aangesloten gemeenten, mensen met een arbeidshandicap oid, aan het werk te zetten.\n\n [naam 1] is stukadoor. In theorie kan het zo zijn dat er mensen aan het werk worden gezet, maar ik vertrouw het voor geen meter, waarom dan al die bedragen cash opnemen. Ik vermoed fraude met gemeenschapsgeld, fiscale fraude oid…\n\nWil jij je licht hier eens over laten schijnen? Dit gaat over tonnen, als het al geen miljoen is. Is ook al lang bezig. Zou in ieder geval een AML alert moeten zijn, transacties via privérekening terwijl het zakelijk zou moeten zijn..\n\nKijk maar in klantbeeld. Het is niet eens op te tellen wat de omvang is als je een jaar terug moet.. Heb je database bij nodig.”\n\n3.14.. \n\nDaarop heeft een medewerker van de afdeling Compliance, Security & Integrity Management en Intelligence van de Bank op 24 juni 2019 geantwoord:\n\n“Heb even gekeken voor je: in ons casemanagement systeem kwam ik zo 1,2,3 niks tegen, maar op de rekeningen zag ik inderdaad wel een heel opvallend patroon: de gelden worden direct en geheel contant opgenomen, en het lijkt er op dat de ontvangen gelden een uitkering zijn.\n\nDus dit lijkt me zeker een onderzoekswaardig signaal om verder uit te zetten bij Retail-EDR team, zodat zij navraag kunnen doen bij de klant naar de bestemming (en herkomst) van deze ontvangen gelden en de vele contante opnames. (…)”\n\n3.15.. \n\nDezelfde medewerker heeft op dezelfde dag aan de KYC-desk (KYC = Know Your Customer) van de Bank gemaild:\n\n“Ik heb een verzoek aangaande bc nr (…): dhr [naam 1] uit [plaats ] ontvangt gelden afkomstig van [X] Groep (…), een overheidsinstantie die zich ten doel stelt voor de aangesloten gemeenten, mensen met een arbeidshandicap aan het werk te zetten.\n\nWe zien op de rekening echter dat al geruime tijd sprake is van (vele) contante opnames van deze gelden en dat er ook behoorlijke bedragen worden ontvangen vanuit de [X] Groep. Ook vragen we ons af of de privé-rekening zakelijk wordt gebruikt.\n\nIs er bij jullie toevallig meer bekend over deze klant, over de herkomst van de subsidies en reden achter de vele contante opnames? Indien dit niet zo is: zou een EDR opgestart kunnen worden, waarbij navraag wordt gedaan aan de klant over de herkomst van de subsidies (waarom ontvangt hij deze, kan hij dit aantonen met de benodigde documentatie), en met name de reden achter de vele contante opnames? Ook zie ik voldoende signalen om na te gaan of sprake is van zakelijk gebruik van de rekening. (…)”\n\n3.16.. Op 1 juli 2019 heeft het KYC-team van de Bank intern gemaild dat zij geen Wwft-risico ziet, maar wel mogelijk zakelijk gebruik van een privérekening.\n\n3.17.. Op 13 augustus 2019 heeft de Bank een brief gestuurd aan [naam 1] met de aankondiging dat zij contact zal opnemen met [naam 1] over onder meer de activiteiten op zijn bankrekening.\n\n3.18.. Op 22 augustus 2019 heeft de Bank telefonisch contact gehad met [naam 1] over de activiteiten op zijn ABN-rekening. [naam 1] heeft gezegd dat hij licht administratief werk verricht voor […] , dat zijn salaris van […] wordt gestort op een bankrekening bij de Rabobank en dat de bedragen op de ABN-rekening worden gebruikt om leveranciers contant te betalen. Verder heeft hij aangegeven de rekening te zullen opheffen omdat hij begrijpt dat hij dit niet via zijn privérekening kan doen.\n\n3.19.. Op 23 augustus 2019 heeft [naam 1] de bankrekening bij de Bank opgeheven. Na beëindiging had [naam 1] alleen nog een beleggingspolis bij de Bank. De fraude heeft [naam 1] vervolgens voortgezet via zijn bankrekening bij Rabobank.\n\n3.20.. Op 19 september 2019 heeft BNG haar klant […] erop gewezen dat was waargenomen dat bedragen die vanaf de BNG-rekening waren betaald aan crediteuren ook nog een keer waren betaald aan [naam 1] . De volgende dag, op 20 september 2019, is de BNG-rekening bevroren.\n\n3.21.. Op 27 september 2019 heeft […] aangifte gedaan tegen [naam 1] . [naam 1] is strafrechtelijk vervolgd voor de fraude en daarvoor ook veroordeeld. Ook zijn afperser, diens echtgenote en ex-echtgenote zijn strafrechtelijk vervolgd en veroordeeld, onder meer voor witwassen en heling.\n\n3.22.. \n […] heeft haar eigen bestuurlijk handelen laten onderzoeken. In een rapport van [naam 2] van april 2021 is geconcludeerd dat het voor het bestuur niet mogelijk was de feitelijke fraude te signaleren; de accountant heeft het niet waargenomen en er waren ook geen andere indicaties van fraude. Verder is geconcludeerd dat het bestuur weinig aandacht heeft gehad voor de interne bedrijfsvoering en beheersing van risico’s, waardoor het bestuur signalen heeft gemist dat […] risico’s liep. Meer aandacht van het bestuur voor interne beheersing had volgens het rapport de risico’s op fraude verkleind.\n\n3.23.. In mei 2021 heeft […] met toestemming van [naam 1] aan de Bank verzocht om inzage in het interne klantdossier van [naam 1] bij de Bank. De Bank heeft geweigerd om het volledige interne klantdossier aan […] toe te sturen. De Bank heeft wel een aantal interne e-mails, de correspondentie met [naam 1] en een intern overzicht van de telefoongesprekken met [naam 1] aan […] gestuurd, waaronder de hiervoor geciteerde.\n\n4. Procedure bij de rechtbank\n\n4.1.. \n […] heeft bij de rechtbank, samengevat, gevorderd dat de Bank wordt veroordeeld tot:\n\n- betaling van haar schade, in hoofdsom begroot op € 4.534.778,78, vermeerderd met wettelijke rente en\n\n- € 553.434,00 als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en\n\n- € 8.197,75 wegens buitengerechtelijke incassokosten en\n\n- de kosten van de procedure.\n\n4.2.. \n\nIn haar eindvonnis van 8 mei 2024 heeft de rechtbank de Bank veroordeeld tot betaling aan […] van € 54.093,38, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2020 en een bedrag van € 6.601,67 voor kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, met compensatie van de proceskosten.\n\nDaartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat de Bank vanaf 20 juni 2019, toen zij zich bewust werd van het feit dat er sprake was van ongebruikelijk betalingsverkeer op de bankrekening van [naam 1] en het gevaar dat daarvan uitging voor […] , jegens haar aansprakelijk is wegens schending van de bancaire zorgplicht. Van de daardoor voor […] ontstane schade van in totaal € 270.466,91 blijft 80% voor rekening van […] wegens eigen schuld. De gevorderde kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid heeft de rechtbank met hetzelfde percentage verlaagd als de oorspronkelijke vordering van […] van ruim € 4,5 miljoen.\n\n5. De vorderingen in hoger beroep\n\n5.1.. \n\nIn principaal appelvordert […] onder aanvoering van vier grieven vernietiging van de bestreden vonnissen en alsnog volledige toewijzing van haar oorspronkelijke vordering, met veroordeling van de Bank in de kosten van beide instanties.\n\nOmdat […] inmiddels van [naam 1] en van de ex-vrouw van diens afperser op 17 december 2024 en 8 april 2025 bedragen van respectievelijk € 110.900,00 en € 14.950,00 heeft geïnd en […] met haar accountant vanwege diens tekortschietend toezicht op 3 april 2025 voor een bedrag van € 975.758,00 een regeling heeft getroffen, heeft […] bij akte voorafgaand aan de mondelinge behandeling haar eis dienovereenkomstig verminderd.\n\n5.2.. In incidenteel appelvordert de Bank onder aanvoering van drie grieven vernietiging van de bestreden vonnissen en afwijzing van de vorderingen van […] , met veroordeling van […] in de proceskosten van beide instanties.\n\n6. Beoordeling\n\n6.1.. De vorderingen in het principaal appel en het incidenteel appel hangen ten nauwste met elkaar samen, zodat deze gezamenlijk zullen worden beoordeeld.\n\nIs de Bank jegens […] aansprakelijk?\n\n6.2.. De grieven 1 en 2 in het principaal appel en de eerste grief in het incidenteel appel stellen aan de orde op welk moment er bij de Bank sprake was van subjectieve wetenschap dat via de bankrekening van [naam 1] kort gezegd werd gefraudeerd. […] stelt dat de Bank al veel eerder dan 20 juni 2019 subjectieve wetenschap had dat er mogelijk gefraudeerd werd (subjectief gevaarsbewustzijn). Daarbij wijst zij onder andere op het verzoek van [naam 1] in 2016 om de daglimiet op zijn pas te verhogen tot € 10.000,00 en het grote aantal contante opnames via geldautomaten. De Bank daarentegen stelt dat er bij haar op 20 juni 2019 pas een eerste aanwijzing was dat er mogelijk gefraudeerd werd via haar bankrekening en dat zij daarna nog intern onderzoek moest doen voordat er bij haar sprake kon zijn van subjectief gevaarsbewustzijn. Primair is zij echter van mening dat zij jegens […] in het geheel niet aansprakelijk is.\n\n6.3.. Op een bank rust, vanwege haar maatschappelijke functie, een zorgplicht ten opzichte van derden als […] met de belangen van wie zij rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven regels in het maatschappelijk verkeer betaamt. Van een bank mag blijkens de rechtspraak van de Hoge Raad worden verwacht dat zij, wanneer sprake is van ongebruikelijk betalingsverkeer op een bankrekening en de bank zich bewust is van het gevaar dat daaraan is verbonden, nader onderzoek doet. Daarbij kan gewicht toekomen aan het feit dat er – door de bank of door de klant – wettelijke regels zijn overtreden.6.4.. Vastgesteld kan worden dat vanaf 2007 gedurende meer dan tien jaar sprake was van ongebruikelijk betalingsverkeer op de ABN-rekening van [naam 1] . In de eerste periode was er de grote hoeveelheid contante stortingen, gevolgd door een grote hoeveelheid overmakingen vanaf de BNG-rekening van […] . Aldoor werd het geld korte tijd later via geldautomaten contant opgenomen\n\n6.5.. \n\nVooropgesteld zij dat het enkele feit dat op een bankrekening ongebruikelijk betalingsverkeer plaatsvindt, nog niet betekent dat een bank gehouden is onderzoek te doen en zo nodig in te grijpen. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt niet dat een bank zonder meer verplicht is het betalingsverkeer op al haar rekeningen voortdurend te controleren of te monitoren en een onderzoek te starten zodra het een ongebruikelijk patroon kent. Daarbij kan niet uit het oog worden verloren dat klanten van banken vrij zijn hun geld te besteden, zonder dat zij daarover verantwoording hoeven af te leggen aan hun bank.\n\nBepalend is of een bank zich ook bewust was van het gevaar dat was verbonden aan het ongebruikelijke betalingsverkeer. Pas als een bank zich bewust is van ongebruikelijk betalingsverkeer op een bankrekening én van het daaraan verbonden gevaar (in dit geval: fraude), is zij op grond van haar zorgplicht gehouden op te treden.\n\n6.6.. De Bank wordt tegengeworpen dat zij haar wettelijke KYC-verplichting heeft verzaakt omdat zij onvoldoende inzicht had in de persoonlijke situatie van [naam 1] , terwijl zij ook niet heeft onderkend dat de gelden afkomstig waren van een rekening bij BNG, waar in principe alleen publieke rechtspersonen bankieren. Verder zou zij signalen zoals een systeemmelding dat er sprake was van veel cashgeldstortingen (vgl. 3.8.) hebben genegeerd en verzoeken van [naam 1] om verhoging van paslimieten (vgl. 3.11.) klakkeloos hebben ingewilligd. De Bank had daarom, zo begrijpt het hof het betoog van […] , al eerder subjectief gevaarsbewustzijn.\n\n6.7.. Uit het arrest van de Hoge Raad van 27 november 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3399 (Van den Berg), rov. 4.6) volgt dat bepalend is van welke feiten en omstandigheden de Bank zich bewust was. Gelet op haar specifieke positie en deskundigheid, waarvan de rechter mag uitgaan, kan dit onder omstandigheden meebrengen dat bewustheid van het gevaar kan worden verondersteld. Daarbij gaat het er dus niet om wat de Bank had kunnen weten, maar wat zij daadwerkelijk wist en of zij - gelet op haar specifieke positie en deskundigheid - op basis van wat aan haar bekend was, zich bewust moest zijn van het daaraan verbonden gevaar voor derden.\n\n6.8.1. \n\n [naam 1] had sinds 1988 een rekening bij de Bank. Niet in geschil is dat de Bank weinig wist van zijn persoonlijke omstandigheden. Kennelijk beschikte de Bank alleen over een kopie van zijn paspoort. Uit niets blijkt dat de Bank wist dat hij in loondienst was bij […] , van wiens BNG-rekening [naam 1] vanaf 2014 geld overmaakte naar zijn ABN-rekening. De Bank kende dus niet [naam 1] ’ integrale betalingsverkeer; zij had geen inzage in [naam 1] ’ inkomenspositie en evenmin is gebleken dat zij inzage had in zijn vermogenspositie.\n\nVanaf 2007 was er kennelijk vooral sprake van contante stortingen door [naam 1] . Het grote aantal stortingen op deze particuliere rekening is in 2011 ook in de systemen van de Bank opgevallen (vgl. 3.8.), maar daaraan is geen gevolg gegeven. In 2014 stopten die stortingen en begonnen de overmakingen. Steeds werd het geld kort na de storting of overmaking via opnames bij geldautomaten contant opgenomen. Van de bedragen die vanaf de BNG-rekening werden overgemaakt is tussen 2014 tot begin 2018 in totaal circa € 1 miljoen contant opgenomen. Daarna namen de geldopnames in frequentie en hoogte in rap tempo toe.\n\n6.8.2. \n […] stelt in hoger beroep dat [naam 1] zijn paslimiet in 2016 eenmalig tot € 10.000,00 heeft verhoogd en in 2018, zo begrijpt het hof haar betoog, permanent naar € 10.000,00. Dit waren volgens […] signalen waar de Bank op had moeten aanslaan. Bovendien is het [naam 1] , nadat hij in 2016 eenmalig het bedrag van € 10.000,00 had opgenomen, in 2017 regelmatig gelukt om hogere bedragen dan zijn limiet toeliet via geldautomaten contant op te nemen. Dit laatste heeft de Bank niet gemotiveerd betwist. Haar verweer komt erop neer dat het niet ongebruikelijk is dat klanten bedragen van € 10.000,00 contant opnemen en dat bij een telefonisch verzoek om verhoging van de limiet de callcentermedewerker alleen kijkt of het saldo dit toelaat. De bankrekening wordt op zo’n moment wegens tijdgebrek niet volledig doorgelicht en geanalyseerd, zo heeft de Bank onbetwist aangevoerd. De Bank betoogt daarom terecht dat deze verzoeken geen indicaties opleverden dat zij op die momenten bekend was met het verloop op de rekening, laat staan van het concrete gevaar voor […] . Zelfs als het juist is dat het systeem van de Bank in 2017 heeft gefaald en heeft toegestaan dat [naam 1] meer kon opnemen dan de voor hem geldende limiet toeliet, volgt ook daaruit naar het oordeel van het hof nog niet dat de Bank zich ervan bewust was dat er sprake was van een dreigend gevaar. Het enkele gegeven dat het ging om zeer veel contante geldopnames van telkens grote bedragen, maakt dit niet anders. Het regelmatig opnemen van cash geld was op zichzelf in de jaren 2007-2019 immers niet ongebruikelijk\n\n6.8.3. In strafrechtelijke zin was hier weliswaar sprake van witwassen, maar onvoldoende is gebleken dat er voor de Bank tot 20 juni 2019 concrete aanwijzingen waren dat door [naam 1] werd witgewassen doordat hij bij zijn werkgever geld wegnam. Ook uit de melding in 2011 dat er opvallende cash opnames waren (3.8) blijkt dat niet. De Bank heeft toegelicht dat dit een automatisch gegenereerde melding is geweest die destijds door het systeem zelf snel weer automatisch is gesloten, waarschijnlijk omdat deze zag op een bedrag onder de € 10.000,00. Verder heeft de Bank desgevraagd op de mondelinge behandeling verklaard dat deze melding nooit door een medewerker is gezien en pas bij haar bekend is geworden nadat zij na het ontvangen van de dagvaarding in deze zaak onderzoek is gaan doen naar het betalingsverkeer op de rekening. […] heeft dat niet betwist. Zelfs als de Bank zich in 2011 wel bewust was geweest van deze melding volgt uit dat enkele feit nog niet dat de Bank wist dat ongebruikelijke activiteiten plaatsvonden die aanleiding hadden moeten zijn voor onderzoek. Er zijn evenmin aanwijzingen dat de Bank vanwege de herkomst van de gelden van een rekening bij BNG, zich eerder ervan bewust is geweest dat hier mogelijk sprake was van fraude.\n\n6.8.4. Bij het voorgaande kan niet uit het oog worden verloren dat [naam 1] al jarenlang klant was bij de Bank, dat de Bank geen inzicht had in zijn integrale betalingsverkeer en dat het (op zichzelf ongebruikelijke) betalingsverkeer op zijn ABN-rekening kennelijk nooit tot vragen of problemen had geleid. Er was ook geen sprake van verboden betalingsverkeer: indien een klant over voldoende middelen beschikt (hetgeen bij [naam 1] ogenschijnlijk het geval was), mag die klant zijn geld immers contant opnemen en uitgeven. De voor de Bank kenbare feiten, die jarenlang voortduurden, duidden er aldus onvoldoende op dat er via haar bankrekening mogelijk fraude plaatsvond. Tegen die achtergrond kan, anders dan […] stelt, ook niet worden geconcludeerd dat de Bank geen juiste risico-inschatting van haar klant [naam 1] heeft gemaakt en zodoende haar wettelijke KYC-verplichtingen heeft geschonden. Het moet ervoor worden gehouden dat die verplichtingen zijn nageleefd. Daarbij komt dat die verplichtingen in beginsel niet strekken tot bescherming van derden als […] tegen fraude. De gedingstukken bieden naar het oordeel van het hof dan ook onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen concluderen dat er bij de Bank vóór 20 juni 2019 sprake was van subjectief gevaarsbewustzijn.\n\n6.9.. Het hof is van oordeel dat er pas op 20 juni 2019 sprake was van subjectief gevaarsbewustzijn bij een medewerker van de Bank. Op die dag onderkende deze medewerker dat er mogelijk sprake was van een vorm van fraude (zie 3.13). De medewerker heeft vervolgens hierover aan de bel getrokken, waarna nader onderzoek is verricht (zie 3.14 e.v.). De Bank heeft terecht aangevoerd dat het gevaarsbewustzijn van de betreffende medewerker nog niet meebrengt dat dit ook onmiddellijk aan de rechtspersoon, de Bank, kan worden toegerekend. Daarvoor is ten minste nodig dat degene(n) die kunnen beslissen over het al dan niet nemen van maatregelen tegen de cliënt, op de hoogte raken van de mogelijke fraude. Dat kost enige tijd. Het subjectieve gevaarsbewustzijn bij de medewerker van de Bank kan daarom pas enige tijd na 20 juni 2019 worden toegerekend aan de Bank. Op het moment dat dit gevaarsbewustzijn bij de Bank ontstond, bracht de bancaire zorgplicht mee dat de Bank nader onderzoek zou doen, en vervolgens, als zou blijken dat sprake was van fraude, handelend zou optreden en het [naam 1] onmogelijk zou maken nog langer van de rekening gebruik te maken. In de gegeven omstandigheden kan er redelijkerwijs van worden uitgegaan dat binnen vier weken na 20 juni 2019, dus uiterlijk op 18 juli 2019, het nodige nadere onderzoek had kunnen zijn afgerond.\n\n6.10.. Uit de stukken blijkt dat de bevindingen die de medewerker op 20 juni 2019 deed, zijn doorgesluisd en nader zijn onderzocht door de Bank. Daaraan is uiteindelijk door de Bank de conclusie verbonden dat er kort gezegd geen Wwft-risico werd gezien, maar dat mogelijk een privérekening zakelijk werd gebruikt. Daarover is in augustus 2019 contact opgenomen met [naam 1] . Het daarop volgende gesprek heeft ertoe geleid dat [naam 1] de bankrekening op 23 augustus 2019 opzegde. Volgens de Bank heeft zij pas na maart 2020 vernomen dat [naam 1] werknemersfraude had gepleegd.\n\n6.11.. Indien in de periode na 20 juni 2019 correct onderzoek was gedaan door de Bank als bedoeld in rov. 6.9, zou aan het licht zijn gekomen dat er voor het betalingsverkeer op de rekening van [naam 1] - de stortingen en de overmakingen vanaf de BNG-rekening van […] naar hem privé, gevolgd door contante opnames korte tijd later gedurende een periode van twaalf jaar - geen goede verklaring was en dat alles erop wees dat er sprake was van fraude. Dan zou zijn ontdekt dat […] de werkgever van [naam 1] was (zoals [naam 1] op 22 augustus 2019 ook aan de Bank heeft verklaard, vgl. 3.18) en dat het patroon van overmakingen - zeker zoals zich dat na begin 2018 manifesteerde, toen in anderhalf jaar tijd circa € 3,5 miljoen via de ABN-rekening van [naam 1] verdween - niet duidde op salarisbetalingen aan [naam 1] , maar op illegale onttrekkingen van gelden van een overheidslichaam. Gevoeglijk kan daarom worden aangenomen dat onmiddellijk na afronding van een correct onderzoek als bedoeld in rov. 6.9 nog diezelfde dag [naam 1] in ieder geval zou zijn verhinderd nog langer van zijn bankrekening gebruik te maken en dat waarschijnlijk ook de relatie met [naam 1] zou zijn beëindigd. Dit had uiterlijk op 18 juli 2019 moeten gebeuren. De Bank is aldus te verwijten dat zij in de periode na 20 juni 2019 heeft nagelaten correct onderzoek te doen, waardoor zij [naam 1] niet voor 19 juli 2019 heeft verhinderd nog langer van de bankrekening gebruik te maken. Daarmee heeft zij onrechtmatig gehandeld jegens […] . Als het onderzoek correct zou zijn uitgevoerd, zou […] vanaf 19 juli 2019 geen schade meer hebben geleden. Zodoende is de Bank aansprakelijk voor de schade die […] heeft geleden tussen 19 juli 2019 en het beëindigen van de ABN-rekening op 23 augustus 2019.\n\n6.12.. De vordering van […] is in tijd begrensd tot de laatste frauduleuze overboeking van [naam 1] vanaf de ABN-rekening op 6 augustus 2019. De vraag of de Bank na 23 augustus 2019 BNG en\u002Fof […] van haar toen aan het licht gekomen bevindingen ten aanzien van [naam 1] op de hoogte had moeten stellen (en zo meer schade voorkomen had kunnen worden), hoeft daarom niet beantwoord te worden. Ook de betwisting van de Bank van de stelling van […] dat de Bank eind augustus 2019 haar huisbank BNG heeft geïnformeerd over [naam 1] , is voor de beoordeling daarom niet relevant.\n\n6.13.. Het voorgaande betekent dat de grieven 1 en 2 in het principale appel van […] falen en dat de eerste grief in het incidentele appel van de Bank slaagt.\n\nEigen schuld\n\n6.14.. De tweede grief in het principaal appel en de tweede grief in het incidenteel appel richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat […] 80% eigen schuld heeft. Volgens […] is dat percentage te hoog, terwijl de Bank betoogt dat […] 100% eigen schuld heeft. Beide grieven falen. De fraude door [naam 1] was weliswaar enigszins verhuld, maar dat is doorgaans het geval. Dat er sprake was van een ingenieuze fraude, zoals door […] onder verwijzing naar het rapport van [naam 2] is betoogd, kan het hof niet onderschrijven. Niet goed valt in te zien waarom bij […] twaalf jaar lang niet aan het licht is gekomen dat door [naam 1] contant geld van de kantine werd weggesluisd en daarna dat door hem facturen dubbel werden betaald. Een en ander duidt erop dat de voor een correcte bedrijfsvoering vereiste interne controlemechanismen ofwel er niet waren ofwel ernstig hebben gefaald. Ook de eigen accountant heeft dit kennelijk niet ontdekt. Het feit dat deze inmiddels voor een bedrag van bijna € 1 miljoen een schikking heeft getroffen met […] (zie 5.1), duidt erop dat ook het externe toezicht, waarvoor […] richting de Bank heeft in te staan, gebrekkig was. Het is […] dan ook aan te rekenen dat er in totaal meer dan € 4,5 miljoen (dit betreft alleen de girale overschrijvingen, dus zonder de contante geldstortingen) naar een privérekening van een eigen medewerker is gevloeid, zonder dat dit kennelijk ooit tot vragen heeft geleid. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat daarom 80% van de schade voor eigen rekening van […] dient te blijven. De billijkheidscorrectie vergt in dit geval geen andere verdeling.\n\n6.15.. Het voorgaande leidt tot het volgende. Tussen 18 juli 2019 en 6 augustus 2019 is vanaf de BNG rekening door [naam 1] in drie keer een bedrag van in totaal € 71.069,04 overgeboekt (€ 18.988,52 op 2 augustus 2019, € 24.974,40 op 5 augustus 2019 en € 27.106,12 op 6 augustus 2019; vgl. productie 10 bij inleidende dagvaarding). Daarvan blijft 80% voor eigen rekening van […] , zodat de Bank haar in hoofdsom € 14.213,81 moet vergoeden. De wettelijke rente over 20% van de genoemde deelbedragen is verschuldigd vanaf respectievelijk 2 augustus 2019, 5 augustus 2019 en 6 augustus 2019.\n\nKosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid\n\n6.16.. Tot slot is er nog discussie over de kosten voor vaststelling van schade en aansprakelijkheid. Volgens […] hebben die meer dan € 500.000,00 bedragen. In haar vierde grief in het principaal appel stelt zij dat de rechtbank daar ten onrechte een korting op heeft toegepast. De Bank betoogt in haar derde grief in het incidenteel appel dat zij niet aansprakelijk is voor deze kosten.\n\n6.17.. \n\nUit de stukken blijkt dat de gevorderde kosten zien op:\n\n(1) het onderzoek van BDO naar de werkwijze van [naam 1] en de omvang van de door hem gepleegde fraude (€ 291.569,25);\n\n(2) de aansturing, begeleiding, advisering en ondersteuning van BDO (€ 27.664,75 + (een deel van) € 8.250,00);\n\n(3) het herstellen van de eigen administratie (€ 81.450,00 en (een deel van) € 8.250,00) en\n\n(4) het (extra) werk van eigen werknemers (€ 144.500,00).\n\n6.18.. Voor zover de kosten zien op de omvang van de door [naam 1] gepleegde fraude, komen deze in beginsel voor vergoeding in aanmerking. Tegelijkertijd heeft wat betreft de Bank te gelden dat zij alleen aansprakelijk is voor de overmakingen vanaf de BNG-rekening naar de rekening van [naam 1] bij haar. Naar mag worden aangenomen is dit betrekkelijk eenvoudig en zonder veel kosten te achterhalen. Er hoeft immers alleen geïnventariseerd te worden hoeveel geld er naar de ABN-rekening van [naam 1] is overgemaakt. In het licht hiervan zijn de hoge kosten voor het onderzoek van BDO naar de omvang van de fraude en voor de aansturing, begeleiding, advisering en ondersteuning van BDO niet redelijkerwijs noodzakelijk en niet in die omvang aan de Bank toe te rekenen. In het licht van de betwisting door de Bank, is maar een beperkt bedrag toewijsbaar. Het hof zal dit schatten en en verdisconteren in een (totaal)bedrag als hierna onder 6.21 te melden.\n\n6.19.. Een aanzienlijk deel van de kosten van BDO ziet op het door […] geëntameerde onderzoek naar hoe de fraude (zo lang) heeft kunnen voortduren en naar waar haar interne processen hebben gefaald. Een en ander is weliswaar door de fraude aan het licht gekomen, maar is niet veroorzaakt door de fraude. Dit is dan ook geen schade die in causaal verband staat tot de fraude, zodat die reeds daarom niet voor vergoeding in aanmerking komt.\n\n6.20.. Wat betreft de schade die samenhangt met het herstel van de eigen administratie en met het daaruit voortvloeiende extra werk voor eigen werknemers heeft te gelden dat deze kosten strikt genomen niet zijn aan te merken als kosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 BW. Dit laat echter onverlet dat zij als gevolgschade op de voet van artikel 6:95 lid 1 BW voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Tegelijkertijd is van belang dat de Bank maar voor een fractie van de totale schade van meer dan € 4,5 miljoen (dus circa 0,33%) is aan te spreken. Weliswaar is aannemelijk dat door de lange duur en de omvang van de fraude, de reconstructie van de administratie kostbaar zal zijn geweest, maar ook hier geldt dat de Bank door […] slechts voor 20% is aan te spreken voor het verdwijnen van ruim € 70.000,00 en niet voor de reconstructie van de administratie in de periode tot 18 juli 2019. Daarbij gaat het bovendien om bedragen die zijn verdwenen net voordat in september 2019 bij […] de fraude aan het licht kwam. In een lopend boekjaar is zoiets in beginsel betrekkelijk eenvoudig administratief te herstellen. De door […] in dit kader gevorderde bedragen van € 81.450,00 voor de werkzaamheden van JPD Financiën & Advies voor het herstel van de administratie en in totaal € 144.500,00 voor extra werk van eigen werknemers, wat daar verder ook van zij, oordeelt het hof dan ook niet in verhouding staan tot het bedrag waarvoor de Bank door […] is aan te spreken. Er is geen sprake van in redelijkheid gemaakte kosten. Ook hier is maar een beperkt bedrag toewijsbaar.\n\n6.21.. Alles in ogenschouw nemend, oordeelt het hof voor het vaststellen van de omvang van de fraude en het herstel van de eigen administratie een bedrag van € 1.000,00 als schadevergoeding redelijk. Daarbij heeft het hof ermee rekening gehouden dat ook hier de Bank voor slechts 20% van de schade aansprakelijk is.\n\n6.22.. De derde grief van de Bank in het incidenteel appel slaagt aldus deels en de vierde grief van […] in het principaal appel faalt. Het hof merkt hierbij op dat tegen de afwijzing door de rechtbank van de door […] in eerste aanleg gevorderde buitengerechtelijke incassokosten van € 8.197,75 geen grief is gericht.\n\nSlotsom, kosten en bewijsaanbod\n\n6.23.. Het hoger beroep heeft succes. De eerste en de derde grief in het incidenteel appel van de Bank slagen. Het eindvonnis wordt (gedeeltelijk) vernietigd in die zin dat de Bank zal worden veroordeeld tot betaling aan […] van in hoofdsom € 14.213,81, te vermeerderen met wettelijke rente als na te bepalen en tot € 1.000,00 wegens kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid. De toewijsbaarheid van deze bedragen wordt niet geraakt doordat […] in hoger beroep haar eis heeft verminderd met circa € 1,1 miljoen. Het tussenvonnis van 26 april 2023 zal worden bekrachtigd.\n\n6.24.. Het hof ziet geen aanleiding om partijen toe te laten tot bewijslevering, omdat geen bewijs is aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden.\n\n6.25.. De vordering van […] wordt grotendeels afgewezen. […] zal daarom als de voornamelijk in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van beide instanties. Het hof stelt de proceskosten als volgt vast:\n\nVoor de eerste aanleg:\n\n- griffierecht € 8.519,00\n\n- salaris advocaat € 15.249,50tarief VIII, 3,5 punten)\n\nTotaal € 23.768,50\n\nVoor het principaal hoger beroep:\n\n- griffierecht € 13.124,00\n\n- salaris advocaat € 13.218,00 (tarief VIII, 2 punten)\n\nTotaal € 26.342,00\n\nVoor het incidenteel hoger beroep:\n\n- salaris advocaat € 6.609,00 (tarief VIII, 0,5 x 2 punten)\n\n7. Beslissing\n\nHet hof:\n\n7.1.. vernietigt het eindvonnis van 8 mei 2024,\n\nen doet opnieuw recht:\n\n7.2.. veroordeelt de Bank om aan […] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:\n\n- een bedrag van € 14.213,81, te vermeerderen met de wettelijke rente over 20% van € 18.988,52 vanaf 2 augustus 2019, van € 24.974,40 vanaf 5 augustus 2019 en van € 27.106,12 vanaf 6 augustus 2019,\n\n- alsmede een bedrag van € 1.000,00,\n\n7.3.. bekrachtigt het tussenvonnis van 26 april 2023,\n\n7.4.. veroordeelt […] in de proceskosten in beide instanties, tot nu aan de zijde van de Bank voor de eerste aanleg vastgesteld op € 23.768,50 en voor het principaal en het incidenteel hoger beroep op respectievelijk € 26.342,00 en € 6.609,00,\n\n7.5.. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,\n\n7.6.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. M.M. Kruithof, M.A.M. Vaessen en D. Busch en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:1827","ecli-nl-ghams-2026-1827",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]