Skip to main content

ECLI:NL:GHAMS:2026:1856

Court

Amsterdam

Date

2 July 2026

Language

nl

Case Summary

Legal Issue

Strafrecht

Holding / Outcome

Uitspraak

Amsterdam

Procedure: UitspraakDomain: StrafrechtType: uitspraak

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000187-22

datum uitspraak: 2 juli 2026

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 26 januari 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-161713-20 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,

adres: [adres] .Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 18 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging, is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2020 tot en met 3 juli 2020 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt (onder meer aan: [persoon 1] en/of [persoon 2] en/of [persoon 3] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meerdere overige personen) en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens), in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 juni 2020 tot en met 3 juli 2020 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk mondeling, door gebaren, bij geschrift en/of afbeelding zich jegens [persoon 1] en/of [persoon 3] en/of [persoon 2] en/of [persoon 4] en/of [persoon 5] heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of (politie)ambtenaar (een) verklaring(en) af te leggen te beïnvloeden, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd, immers heeft/hebben/zijn hij, verdachte en/of zijn mededader(s), zakelijk weergegeven

  • de telefoonnummers en/of vindplaatsen van voornoemde [persoon 1] en/of [persoon 3] en/of [persoon 2] en/of [persoon 4] en/of [persoon 5] heeft/hebben achterhaald en/of doorgegeven en/of

  • ( meermaals) naar (de woning van) voornoemde [persoon 1] en/of [persoon 3] en/of [persoon 2] en/of [persoon 4] en/of [persoon 5] is/zijn toegegaan en/of hen hebben opgezocht en/of (telefonisch) contact met hen heeft/hebben gezocht/gehad en/of

  • ( meermaals) voornoemde [persoon 1] en/of [persoon 3] en/of [persoon 2] en/of [persoon 4] en/of [persoon 5] heeft/hebben geïnstrueerd welke verklaring zij moeten afleggen en/of (daarbij) heeft/hebben gezegd:

dat voornoemde [persoon 1] en/of [persoon 3] en/of [persoon 2] en/of [persoon 4] en/of [persoon 5] moeten zwijgen (onder meer: zijn/haar/hun ‘mondje dicht moeten houden’), althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking

en/of

dat voornoemde [persoon 1] en/of [persoon 3] en/of [persoon 2] en/of [persoon 4] en/of [persoon 5] de (handels)periode waarover hij/zij heeft/hebben verklaard en/of gaan verklaren aan moet(en) passen (naar onder meer: ‘vanaf begin dit jaar’ en/of ‘februari/maart’ en/of ‘vanaf februari’ en/of ‘gewoon dit jaaroes klaar. februari januari’), althans (telkens) woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

  • ( meermaals) (in ruil daarvoor) verdovende middelen (‘slankoe balloe’) heeft/hebben gegeven en/of in het vooruitzicht gesteld en/of

  • ( meermaals) voornoemde [persoon 1] en/of [persoon 3] en/of [persoon 2] en/of [persoon 4] en/of [persoon 5] op dwingende toon heeft/hebben toegesproken en/of hij/zij/hen ‘heeft aangepakt’ en/of tegen hij/zij/hen heeft/hebben gezegd: ‘als je moet verklaren, zeg hen vanaf maart’;

3. hij op of omstreeks 3 juli 2020 te Amsterdam, in ieder geval in Nederland, (een) wapen(s) van categorie I onder 7°, te weten een zogenaamd balletjespistool, zijnde (een) voorwerp(en) dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde tot een enigszins andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Bewijsoverweging

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 , 2 en 3 ten laste gelegde (gedeeltelijk) kan worden bewezen verklaard conform de bewezenverklaring van de rechtbank. Dat betekent dat volgens de advocaat-generaal kan worden bewezen verklaard:

ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde het medeplegen van (kort gezegd) verkopen van cocaïne aan [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de periode van 1 maart 2020 tot en met 9 juni 2020;

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde het medeplegen van beïnvloeding van een getuige, te weten [persoon 4] , in de periode van 9 juni 2020 tot en met 26 juni 2020, en

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde het voorhanden hebben van een balletjespistool.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde partiële vrijspraak bepleit voor wat betreft de verkoop van cocaïne aan [medeverdachte 1] . De (enkelvoudige) herkenning van de verdachte door [medeverdachte 1] is volgens de raadsman onvoldoende betrouwbaar. [medeverdachte 1] woont in Wassenaar en heeft verklaard dat hij bij hem thuis of ergens ‘onderweg’ drugs liet bezorgen. Omdat de verdachte alleen drugs bezorgde in Amsterdam, biedt het dossier volgens de raadsman geen ondersteuning voor een bewezenverklaring van de verkoop door de verdachte aan [medeverdachte 1] . Ten aanzien van de overige ten laste gelegde kopers heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

De raadsman heeft daarnaast vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde bepleit. Ten aanzien van [persoon 4] heeft hij aangevoerd dat uit zijn verklaring niet blijkt dat hij door de verdachte is benaderd met het doel zijn verklaring te beïnvloeden. Dat de verdachte in het tapgesprek met de medeverdachte [medeverdachte 3] heeft gezegd dat hij dit wel heeft gedaan, heeft de verdachte enkel gezegd om [medeverdachte 3] zoet te houden.

Tot slot heeft de raadsman vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde bepleit, omdat het aangetroffen wapen niet geschikt is voor afdreiging. Het is evident zichtbaar dat het een nepwapen is, aldus de raadsman.

Oordeel van het hof

Feit 1 (medeplegen handel in cocaïne)

Het hof acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 1 maart 2020 tot en met 9 juni 2020 in Nederland samen met een ander heeft gehandeld in cocaïne en deze cocaïne heeft verstrekt aan onder meer [persoon 1] , [persoon 2] , [persoon 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .

De raadsman heeft aangevoerd dat de herkenning van de verdachte door [medeverdachte 1] onbetrouwbaar is. Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

De verdachte heeft verklaard dat hij voor [medeverdachte 3] bolletjes cocaïne heeft verkocht. [medeverdachte 1] heeft zowel de verdachte als [medeverdachte 3] op foto’s herkend. [medeverdachte 3] was de persoon van wie [medeverdachte 1] drugs kocht. Soms kwam [medeverdachte 3] aan de deur bij [medeverdachte 1] in zijn woonplaats [plaats] en soms kwamen loopjongens van [medeverdachte 3] de drugs bezorgen. Meestal liet [medeverdachte 1] de dealer bij hem aan de deur komen, maar soms was hij onderweg en dan sprak hij op een plek buiten af. [medeverdachte 1] herkent de verdachte op een foto als een van de dealers die hem drie of vier keer drugs heeft bezorgd, nadat [medeverdachte 1] bij [medeverdachte 3] drugs had besteld.

Voor een enkelvoudige fotoconfrontatie geldt als uitgangspunt dat met een “herkenning” zeer behoedzaam moet worden omgegaan en dat een bewezenverklaring daarop niet in overwegende mate kan worden gebaseerd. In hetgeen de raadsman heeft aangevoerd kan geen aanknopingspunt worden gevonden om de resultaten van die fotoconfrontatie uit te sluiten van het bewijs. Daarbij betrekt het hof dat het resultaat van de enkelvoudige fotoconfrontatie niet op zichzelf staat. Immers, de overige bewijsmiddelen die zich in het dossier bevinden, ondersteunen niet alleen de enkelvoudige fotoconfrontatie in voldoende mate maar vormen voor het hof ook geen reden om aan de betrouwbaarheid van deze herkenning van de verdachte door [medeverdachte 1] te twijfelen.

Wat betreft de pleegplaats acht het hof bewezen dat de verkoop van drugs door de verdachte aan [medeverdachte 1] in Nederlandheeft plaatsgevonden, nu [medeverdachte 1] in zijn verklaring niet heeft gespecificeerd op welke locatie de verdachte de drugs heeft bezorgd. Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte (onder meer) aan [medeverdachte 1] cocaïne heeft verstrekt.

Feit 2 (medeplegen beïnvloeding van getuigen)

Het hof acht verder wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 9 juni 2020 tot en met 26 juni 2020 samen met een ander getuige [persoon 4] heeft beïnvloed en overweegt daartoe als volgt.

[medeverdachte 3] is op 24 december 2020 veroordeeld door de rechtbank Amsterdam voor het samen met anderen beïnvloeden van getuigen. Ter terechtzitting van 11 december 2020 heeft hij verklaard aan ‘ [persoon 1] ’ te hebben gevraagd om getuigen, waaronder ‘ [getuige] ’, te benaderen om te proberen de ten laste gelegde handelsperiode korter te maken. Met [getuige] bedoelde [medeverdachte 3] . De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard ook wel [persoon 1] te worden genoemd.

Uit onderzoek blijkt dat de verdachte op 11 juni 2020 eenmaal contact heeft gehad met [medeverdachte 3] via het telefoonnummer eindigend op *1745, dat aan de verdachte wordt toegeschreven. Met het andere telefoonnummer dat aan de verdachte wordt toegeschreven, eindigend op *7380, heeft hij tussen 11 juni 2020 en 2 juli 2020 82 keer contact gehad met [medeverdachte 3] . Uit een tapgesprek in het dossier volgt verder dat de verdachte op 26 juni 2020 aan [medeverdachte 3] heeft laten weten dat hij onder meer tegen [getuige] had gezegd: ‘als je moet verklaren, zeg hen vanaf maart’. De verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat hij dit inderdaad tegen [medeverdachte 3] heeft gezegd, maar dat hij dit enkel heeft gedaan om [medeverdachte 3] zoet te houden en dat hij dit niet daadwerkelijk tegen [persoon 4] heeft gezegd. Gelet op de vele contactmomenten tussen de verdachte en [persoon 4] en gezien de rest van de stukken in het dossier, acht het hof deze verklaring echter onaannemelijk. Het hof gaat er daarom vanuit dat de verdachte in het tapgesprek de waarheid heeft gesproken tegen [medeverdachte 3] en acht dus bewezen dat de verdachte [persoon 4] heeft benaderd met het doel hem te laten verklaren over een kortere handelsperiode.

Het hof zal de verdachte net als de rechtbank vrijspreken van het beïnvloeden van de overige ten laste gelegde personen, omdat niet kan worden bewezen dat zij door de verdachte zijn benaderd.

Feit 3 (voorhanden hebben balletjespistool)

Tot slot acht het hof ook het voorhanden hebben van een balletjespistool wettig en overtuigend bewezen. In een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal heeft verbalisant [verbalisant] , taakaccenthouder wapens en munitie, vastgesteld dat het in beslag genomen balletjespistool een wapen in de zin van artikel 2, lid 1, categorie I onder 7° van de Wet wapens en munitie is. Het hof heeft geen reden om aan deze vaststelling te twijfelen. Dat aan de achterzijde van het balletjespistool een veer uitsteekt en de handgrepen van het pistool ontbreken, neemt niet weg dat het zodanig op een wapen lijkt, dat het voor bedreiging of afdreiging geschikt is.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. hij in de periode van 1 maart 2020 tot en met 9 juni 2020 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt (onder meer aan: [persoon 1] en [persoon 2] en [persoon 3] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ) en vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne;

2. hij in de periode van 9 juni 2020 tot en met 26 juni 2020 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk mondeling zich jegens [persoon 4] heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of (politie)ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl verdachte en zijn mededader wisten of ernstige reden hadden te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd, immers heeft verdachte

  • contact met [persoon 4] gehad en

  • [persoon 4] geïnstrueerd welke verklaring hij moet afleggen en daarbij gezegd:

dat [persoon 4] de (handels)periode waarover hij heeft verklaard en/of gaat verklaren aan moet passen (naar onder meer: ‘maart’), althans woorden van gelijke aard of strekking;

3. hij op 3 juli 2020 te Amsterdam een wapen van categorie I onder 7°, te weten een zogenaamd balletjespistool, zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen onder 1, 2 en 3 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk mondeling zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om een verklaring naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2, en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De raadsman heeft verzocht om in lijn met de eis van de officier van justitie in eerste aanleg een taakstraf op te leggen en rekening te houden met de forse overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander gedurende ruim drie maanden schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne. Cocaïne is zeer verslavend en vormt daarom een groot risico voor de gezondheid van de gebruikers. De handel in cocaïne en het gebruik daarvan leiden ook tot vele andere vormen van criminaliteit en vormen daarmee een bron van maatschappelijke schade en overlast. De verdachte heeft met zijn handelen hieraan bijgedragen en enkel oog gehad voor zijn eigen financieel gewin. Daarnaast heeft de verdachte samen met een ander geprobeerd een getuige te beïnvloeden. Dat burgers in vrijheid een verklaring kunnen afleggen, is van cruciaal belang voor een goede rechtspleging. Door hun handelen hebben verdachte en zijn mededader die rechtspleging trachten te frustreren. Verder heeft de verdachte een op een vuurwapen gelijkend balletjespistool voorhanden gehad. Ook nepwapens dragen bij aan een gevoel van onveiligheid in de samenleving. Het voorhanden hebben van een dergelijk wapen is dan ook zeer kwalijk.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 28 mei 2026 was de verdachte ten tijde van de onderhavige feiten niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld. Het hof constateert dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Na de onderhavige bewezen verklaarde feiten heeft de verdachte namelijk in meerdere andere zaken een straf opgelegd gekregen. Het hof houdt daarmee in strafmatigende zin rekening.

Het hof heeft verder acht geslagen op het reclasseringsrapport van 3 januari 2022. In dit rapport gunt de reclassering de verdachte het voordeel van de twijfel en adviseert om geen reclasseringstoezicht met bijzondere voorwaarden op te leggen.

Het dossier bevat geen recent reclasseringsrapport. Wel heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep de actuele persoonlijke omstandigheden van de verdachte toegelicht. De situatie van de verdachte is niet verbeterd. Hij kampt met een hardnekkige verslaving en komt daardoor nog af en toe met politie en justitie in aanmerking. De recente veroordelingen en openstaande zaken op zijn strafblad hebben allemaal te maken met zijn verslaving. Hij heeft momenteel geen baan.

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf heeft het hof rekening gehouden met straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). In het oriëntatiepunt voor het dealen van harddrugs vanuit een pand en/of op straat met een handelsperiode tussen de 1 en 3 maanden wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden genoemd. Voor het voorhanden hebben van een wapen van categorie I onder 7° wordt in de oriëntatiepunten een geldboete van € 650,00 genoemd. Voor het beïnvloeden van getuigen is geen oriëntatiepunt beschikbaar.

De ernst van de feiten en de nieuwe verdenkingen op het strafblad van de verdachte maken dat naar het oordeel van het hof niet kan worden volstaan met de door de raadsman verzochte taakstraf. Het hof acht dan ook, gelet op het voorgaande, in beginsel de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf van 7 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, passend en geboden. Het hof zal het onvoorwaardelijke deel van deze straf echter matigen, omdat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), in hoger beroep in forse mate is overschreden. De verdachte heeft namelijk op 27 januari 2022 hoger beroep ingesteld. Het hof wijst op 2 juli 2026 arrest. Daarmee is de redelijke termijn in hoger beroep met ruim twee jaar overschreden.

Het hof acht, alles afwegende, de door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden.

Beslag

Onder de verdachte zijn een telefoon en meerdere kledingstukken in beslag genomen. De rechtbank heeft de telefoon verbeurd verklaard en ten aanzien van de kledingstukken de teruggave aan de verdachte gelast.

De advocaat-generaal heeft het hof bericht dat – hoewel de telefoon onder de verdachte in beslag is genomen – deze telefoon volgens de afdeling Beslag bij het arrondissementsparket Amsterdam reeds aan de medeverdachte [medeverdachte 3] is teruggegeven. Om die reden acht de advocaat-generaal verbeurdverklaring van de telefoon niet langer opportuun en dient de teruggave daarvan aan de verdachte te worden gelast. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de onder de verdachte in beslag genomen kledingstukken, die zijn weergegeven in de ter zitting overgelegde aantekeningen van de advocaat-generaal, worden teruggegeven aan de verdachte.

De raadsman heeft zich ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof overweegt als volgt. Hoewel de onder de verdachte in beslag genomen telefoon vatbaar is voor verbeurdverklaring, zal het hof de teruggave hiervan aan de verdachte gelasten, gelet op het hiervoor weergegeven standpunt van de advocaat-generaal. Daarnaast zal het hof de teruggave aan de verdachte gelasten van de onder hem in beslag genomen kledingstukken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57, 63 en 285a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van6 (zes) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggaveaan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

STK GSM (Omschrijving: [nummer 1] , Samsung [kenteken] , merk: Zwart, chassisnr: beschadiging op schr)

Broek (Omschrijving: met witte accenten aan achterzijde; Voorwerpnummer: [nummer 2] )

Broek (Voorwerpnummer: [nummer 3] )

Broek (Omschrijving: lichtgrijze broek met cartoon op achterzijde; Voorwerpnummer: [nummer 4] )

Broek (Voorwerpnummer: [nummer 5] )

Broek (Voorwerpnummer: [nummer 6] )

Broek (Omschrijving: met zwarte accenten en scheuren aan de voorzijde; Voorwerpnummer: [nummer 7] )

Trui (Voorwerpnummer: [nummer 8] )

Jas (Voorwerpnummer: [nummer 9] )

Zonnebril (Omschrijving: in koker; Voorwerpnummer: [nummer 10] )

Zonnebril (Omschrijving: met hoesje; Voorwerpnummer: [nummer 11] )

Pet (Omschrijving: voorzijde voorzien van logo, voorzijde camouflage kleuren; Voorwerpnummer: [nummer 12] )

Schoudertas (Omschrijving: zwart; Voorwerpnummer: [nummer 13] )

Schoudertas (Omschrijving: stoffen; Voorwerpnummer: [nummer 14] )

Schoudertas (Voorwerpnummer: [nummer 15] )

Broek (Omschrijving: zwembroek; Voorwerpnummer: [nummer 16] )

Shirt (Voorwerpnummer: [nummer 17] )

Shirt (Voorwerpnummer: [nummer 18] )

Shirt (Voorwerpnummer: [nummer 19] )

Shirt (Voorwerpnummer: [nummer 20] )

Shirt (Voorwerpnummer: [nummer 21] )

Shirt (Omschrijving: polo; Voorwerpnummer: [nummer 22] )

Shirt (Voorwerpnummer: [nummer 23] ).

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.R.A. Meerbeek, mr. P. Greve en mr. N.C. Laatsch, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 2 juli 2026.

De jongste en oudste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]

More Decisions