ECLI:NL:GHAMS:2026:1862
Case Summary
Strafrecht
Uitspraak
Amsterdam
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000367-25
datum uitspraak: 7 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 februari 2025 in de strafzaak onder de parketnummers 13-324122-24 en
23-003943-18 (TUL) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,
adres: [adres 1] .Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
23 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat:
het hof het eerste bewijsmiddel (de verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg) aanpast in die zin dat het de laatste zin nietoverneemt, inhoudende “Dit familielid zei tegen mij….. vond dat aannemelijk”).
de navolgende passage uit het bewijsmiddel op p. 18 “Een verslag zijnde een laboratoriumrapport van 21 oktober 2024 etc” nietoverneemt:
“Item: 6561241
Omschrijving: 1 plastic zak met 1,00 kg witte kristallen en poeder
Bevat:
Ketamine”
het hof het bewijsmiddel “Een geschrift, zijnde een kennisgeving van inbeslagneming met nummer PL 13000-2024216652-38, opgemaakt door [persoon 1] en [persoon 2] (KVI’s onderzoek BETON, ongenummerd) op p. 19 onderaan, aanpast in die zin dat het hof het goed nummer PL1300-2024216652-656135 gewijzigd leest als: PL1300-2024216652-6561335;
het hof het vonnis aanvult met de hierna volgende bewijsoverweging;
de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep afstand heeft gedaan van de onder hem in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zodat het hof ten aanzien van het beslag geen beslissing meer hoeft te nemen.Aanvullende bewijsoverweging
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep de volgende verklaring afgelegd.
Op het moment dat de doorzoeking in zijn woning aan de [adres 2] op 1 oktober 2024 plaatsvond verbleef de verdachte sinds vijf á zes dagen met zijn vriendin in België. De tas met wapens en munitie – die is gevonden in de slaapkamer van de woning – heeft de verdachte bewaard voor zijn neef [persoon 3] . Daarnaast heeft de verdachte voor een andere neef: [persoon 4] (fonetisch)een groene Nike tas met daarin sportsupplementen bewaard. Deze tas met sportsupplementen isvoordatde verdachte naar België is afgereisd (en dus voordat de doorzoeking in de woning van de verdachte op
1 oktober 2024 heeft plaatsgevonden) door deze neef weer opgehaald. De verdachte weet niets over de koffer en tas met daarin MDMA en ketamine die in de berging van zijn woning zijn gevonden en weet ook niet wie deze daar heeft neergezet. De koffer en de tas stonden daar nog niet op het moment dat de verdachte naar België is afgereisd en deze moeten daar dus – op het moment dat de verdachte met zijn vriendin in België verbleef – door een derde zijn neergezet. De verdachte heeft het vermoeden uitgesproken dat de tas en de koffer door een familielid in zijn berging zijn neergezet om hem erin te luizen. Aanleiding hiervoor zou een slepende familievete zijn geweest. De verdachte heeft verder geen namen willen noemen. Op de vraag van het hof waarom verdachte dan tijdens de terechtzitting in eerste aanleg heeft verklaard dat hij aan hetzelfde familielid (aan wie hij toestemming had gegeven om de vuurwapens in zijn huis te bewaren) toestemming had gegeven om een koffer bij hem op te slaan in de berging van zijn woning, heeft verdachte geantwoord dat hij gewoon was gaan “meepraten” met de rechtbank.
Het hof overweegt als volgt.
Tijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte aan de [adres 2] op 1 oktober 2024 is in de slaapkamer een tas met twee vuurwapens, drie patroonmagazijnen met patronen en handschoenen aangetroffen. In de ‘berging’ – aan de linkerkant van de open keuken – stond naast de wasmachine een donkergrijze koffer. Voor die koffer stond een vuilnisbak. In de hoek naast de koffer stond op de grond een blauwe boodschappentas. In de koffer en de tas zijn stoffen, bevattende MDMA en ketamine, aangetroffen.
Tijdens de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg op 23 januari 2025 heeft de verdachte over de tas met wapens en munitie en de koffer en tas met (verdovende) middelen een specifieke, gedetailleerde en aannemelijke verklaring afgelegd, die past bij de overige bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van zijn zus (bewijsmiddel 2). De verdachte heeft verklaard dat hij wetenschap en beschikkingsmacht had over de wapens, dat de vuurwapens van een familielid waren en dat hij aan dit familielid toestemming heeft gegeven om de vuurwapens tijdelijk in zijn woning te bewaren. Daarnaast heeft hij voor wat betreft de donkergrijze koffer met daarin de (verdovende) middelen verklaard dat hij aan hetzelfdefamilielid toestemming had gegeven om de koffer bij hem op te slaan in de berging bij de keuken omdat hij het idee had dat dat familielid in de problemen zat, dat hij weet dat hij dit niet had moeten doen en dat het familielid tegen hem had gezegd dat er sport-supplementen in de koffer zaten. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij moeite heeft met ‘nee’ zeggen tegen zijn familie door de druk die zij opleggen. In het kader van zijn laatste woord heeft de verdachte een op schrift gestelde verklaring voorgelezen waarin de verdachte heeft verklaard dat hij begrijpt dat hij verantwoordelijk is voor wat er is gebeurd, dat hij verantwoordelijk is voor zijn woning en dat zijn betrokkenheid voortkwam uit een verkeerde inschatting.
Het hof stelt vast dat de verdachte in eerste aanleg en in hoger beroep wisselende verklaringen heeft afgelegd over (de herkomst van) de koffer en tas met (verdovende) middelen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep voor het eerst een verklaring afgelegd over een groene Nike tas met daarin sportsupplementen die hij zou hebben bewaard voor een (niet eerder genoemde) neef [persoon 4] (fonetisch). Volstrekt onduidelijk is gebleven hoe deze groene Nike tas – die zich volgens de verdachte al niet meer in het huis van de verdachte bevond op het moment van de doorzoeking van zijn woning op
1 oktober 2024 – verband houdt met de onderhavige zaak en evenmin is duidelijk hoe deze verklaring zich moet verhouden tot zijn eerdere verklaring (afgelegd tegenover de rechtbank tijdens de ter terechtzitting in eerste aanleg) namelijk dat de verdachte in de veronderstelling was dat juist in de koffer in zijn berging sportsupplementen zaten.
Daarnaast heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep voor het eerst verklaard over een onbekend gebleven derde – maar waarschijnlijk een familielid – die de koffer en de tas met (verdovende) middelen in de berging van zijn huis moet hebben gezet om de verdachte erin te luizen in verband met een slepende familievete. Dit deel van zijn verklaring heeft de verdachte – hoewel het hof hierop bij de verdachte heeft doorgevraagd – niet nader geconcretiseerd. Het hof overweegt in dat kader dat het niet valt in te zien dat en waarom een ander een dergelijke grote hoeveelheid (verdovende) middelen met een aanzienlijke straatwaarde zonder medeweten van de verdachte op een dusdanig zichtbare plek waar – naar mag worden aangenomen – de bewoner vaak komt, in de woning van de verdachte zou verbergen. Deze verklaring wordt dan ook als onaannemelijk terzijde geschoven. Dat deze spullen daar enkel zouden zijn neergezet om de verdachte erin te luizen – kennelijk door de politie te tippen – acht het hof eveneens volstrekt onaannemelijk, reeds gelet op de waarde die de bewuste spullen vertegenwoordigen.
In reactie op het verweer dat de rechtbank de (strekking van de) verklaring van de verdachte verkeerd heeft begrepen en verkeerd heeft verwoord, overweegt het hof volledigheidshalve nog dat daarvoor geen enkel aanknopingspunt is. Zoals uit het voorgaande volgt, wijkt de verklaring van de verdachte in hoger beroep op meerdere punten wezenlijk af van zijn verklaring in eerste aanleg. De stelling dat de verdachte in eerste aanleg maar is gaan “meepraten” met de rechtbank, is onaannemelijk, reeds gelet op het feit dat verdachte op die zitting zelf met details is gekomen, zoals de opmerking dat het betreffende familielid tegen hem zei dat hij de koffer niet bij zijn ouders kon opslaan. Dat iets dergelijks hem in de mond zou zijn gelegd door de rechtbank, is mede gezien het proces-verbaal van de ter terechtzitting in eerste aanleg niet aannemelijk.
Gelet op het hiervoor overwogene schuift het hof de nieuwe verklaring die de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd als onaannemelijk en niet onderbouwd terzijde en is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht is uitgegaan van de verklaring van de verdachte zoals verwoord in haar bewijsoverweging en de bewijsmiddelen.
Oplegging van straf
De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarbij zijn diverse bijzondere voorwaarden gesteld.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met daarbij gesteld diverse bijzondere voorwaarden.
De raadsvrouw heeft het hof in het kader van de strafmaat verzocht om aan de verdachte geen gevangenisstraf op te leggen die de door hem reeds ondergane hechtenis overstijgt.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van twee vuurwapens inclusief munitie. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en munitie brengt in zijn algemeenheid een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en versterkt bovendien in de samenleving bestaande gevoelens van onveiligheid, omdat vuurwapens dikwijls worden gebruikt bij het plegen van ernstige strafbare feiten. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid MDMA en het in voorraad hebben van een grote hoeveelheid ketamine. De werkzame stof ketamine valt vanwege de geneeskundige toepassingen onder de Geneesmiddelenwet. Ketamine wordt echter steeds vaker buiten het medische circuit voor recreatieve doeleinden gebruikt als dissociatief tripmiddel, anders gezegd: als partydrug. Dit betekent een lucratieve afzetmarkt voor criminelen. Gezien de aangetroffen hoeveelheid kan het niet anders dan dat deze stof bestemd was om als recreatieve drug verder te worden verhandeld. Ketamine is verslavend en bij langdurig en frequent gebruik schadelijk voor de gezondheid, waardoor de werking van ketamine vergelijkbaar is met harddrugs. Harddrugs zijn schadelijk voor de volksgezondheid en het is algemeen bekend dat de handel in harddrugs samengaat met ernstige vormen van criminaliteit, met vaak veel geweld, schade en overlast in de samenleving als gevolg. Verdachte heeft hieraan bijgedragen door deze
grote hoeveelheden MDMA en ketamine bij hem thuis te (laten) bewaren.
De ernst van de bewezenverklaarde feiten rechtvaardigen, mede gelet op de straffen die door rechters in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd, de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur, zoals door de rechtbank in eerste aanleg ook is opgelegd.
Het hof zal echter in strafmatigende zin rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte heeft in verband met de onderhavige strafzaak reeds ruim een jaar in voorlopige hechtenis doorgebracht. Sinds zijn schorsing op 10 december 2025 heeft de verdachte zich goed gehouden aan de gestelde bijzondere voorwaarden. Uit een begeleidingsverklaring van Kansrijk Toekomst van 23 juni 2026 blijkt dat de ambulante behandeling van de verdachte op 9 maart 2026 is gestart. De verdachte heeft – ondanks zijn fysieke beperking – dagbesteding gevonden die hij goed kan uitvoeren. Daarnaast volgt de verdachte een behandeltraject bij Forlight, gericht op traumaverwerking en cognitieve behandeling. De verdachte heeft gedurende het gehele begeleidingstraject een consistente, gemotiveerde en coöperatieve houding getoond. Hij is aanwezig geweest bij alle afspraken, heeft actief meegewerkt aan de gestelde doelen en heeft zich open opgesteld in zowel praktische - als persoonlijke gesprekken. Tot slot heeft de verdachte herhaaldelijk en overtuigend laten zien dat hij zijn leven wil opbouwen, zijn positie in de samenleving wil herstellen en een positieve bijdrage wil leveren aan zijn omgeving. Het hof acht het in het belang van de verdachte én van de samenleving dat deze kennelijk positieve ontwikkelingen niet worden doorkruist door een straf die meebrengt dat de verdachte opnieuw gedetineerd raakt. Om die reden zal het hof in dit bijzondere geval, alles afwegende en zoals gevorderd door de advocaat-generaal, overgaan tot de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van
24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren met daarbij gesteld diverse bijzondere voorwaarden.
Vordering tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf die bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 november 2023 is opgelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf gedeeltelijk ten uitvoer moet worden gelegd in de vorm van twee maanden gevangenisstraf en dat die twee maanden gevangenisstraf moeten worden omgezet naar een taakstraf voor de duur van 160 uren, subsidiair twee maanden hechtenis.
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen omdat het in die zaak gaat om oude feiten met een heel ander feitencomplex en omdat het tenuitvoerleggen van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf desastreuze gevolgen voor de persoonlijke omstandigheden van de verdachte kan hebben.
Gebleken is dat de verdachte zich voor het einde van de bij het arrest van het gerechtshof Amsterdam van
20 november 2023 vastgestelde proeftijd opnieuw aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. Als uitgangspunt geldt dat het voor de effectiviteit en de geloofwaardigheid van de regeling omtrent voorwaardelijke straffen en de daarbij behorende voorwaarden, essentieel is dat overtreding van deze voorwaarden niet vrijblijvend is en dat daaraan consequenties worden verbonden. Het hof acht het in dit bijzondere geval echter niet wenselijk als de verdachte op dit moment weer komt vast te zitten. Het hof zal daarom in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf, een deel van deze vrijheidsstraf (te weten: vier maanden) omzetten in een taakstraf en van het overgebleven deel van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf (te weten: twee maanden) de proeftijd verlengen met één jaar. Daarbij heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte die ter terechtzitting in hoger beroep van 23 juni 2026 naar voren zijn gebracht. Op die manier wordt aan de verdachte het vertrouwen en de kans gegeven de ingezette positieve ontwikkeling in zijn leven te bestendigen.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de strafoplegging en de beslissing op de vordering tenuitvoerlegging en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van24 (vierentwintig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaardendat:
de verdachte zich meldt op afspraken met reclassering Inforsa, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
de verdachte zich laat behandelen door forensische polikliniek Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Bij een terugval in middelengebruik kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor detoxificatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de verdachte zich, na goedkeuring door de rechter laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling;
de verdachte zich in spant voor het vinden en behouden van een dagbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
de verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd.
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Gelast in plaats van het bevelen van de tenuitvoerlegging van een gedeelte van de bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 november 2023 met parketnummer 23-003943-18, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van zes (6) maanden, een taakstrafvoor de duur van240 (tweehonderdveertig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door4 (vier) maanden hechtenis.
Verlengt de proeftijd voor het overige als vermeld in het arrest van het gerechtshof Amsterdam van
20 november 2023, parketnummer 23-003943-18 (namelijk een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden), met een termijn van 1 (een) jaar.
Bevestigthet vonnis waarvan beroep voor het overige.
Heft ophet reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. C.A. Boom, mr. T. de Bont en mr. E.J. Hofstee in tegenwoordigheid van mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 7 juli 2026.