[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-ghams-2026-774":3,"decision-more-ecli-nl-ghams-2026-774":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1013","ECLI:NL:GHAMS:2026:774","",56,"Amsterdam","amsterdam","2026-03-17T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF AMSTERDAM\n\nafdeling civiel recht en belastingrecht\n\nzaaknummer : 200.350.668\u002F01\n\nzaak-\u002Frekestnummer rechtbank Noord-Holland : 11181594 \\ EJ VERZ 24-7\n\nbeschikking van de meervoudige burgerlijke kamer van 17 maart 2026\n\ninzake\n\nVERENIGING VAN EIGENAARS GEBOUW “ [straat] [nummer 1] , [nummer 2] EN [nummer 3] TE [plaats] ”,\n\ngevestigd te [plaats] , gemeente Purmerend,\n\nappellante,\n\nadvocaat: mr. J.W. van der Sloot te Voorthuizen,\n\ntegen\n\n1. [geïntimeerde 1] ,\n\n2. [geïntimeerde 2],\n\nbeiden wonend te [plaats] , gemeente Purmerend,\n\ngeïntimeerden,\n\nadvocaat: mr. M. Stokvis te Haarlem.\n\nPartijen worden hierna de VvE en [geïntimeerden] genoemd.\n\n1. De zaak in het kort\n\n [geïntimeerden] zijn gezamenlijk eigenaar van een appartementsrecht en op grond daarvan lid van de VvE. Zij hebben de kantonrechter om een vervangende machtiging verzocht voor de bouw en exploitatie van een B&B. Evenals de kantonrechter verleent het hof de verzochte vervangende machtiging.\n\n2. Het geding in hoger beroep\n\nDe VvE is bij beroepschrift, met producties, ontvangen ter griffie van het hof op 1 februari 2025, in hoger beroep gekomen van de beschikking die de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Zaanstad (hierna: de kantonrechter), op 7 november 2024 onder bovenvermeld zaak-\u002Frekestnummer heeft gegeven (hierna: de bestreden beschikking).\n\nOp 24 juni 2025 is ter griffie van het hof een verweerschrift in hoger beroep van [geïntimeerden] ingekomen.\n\nPartijen hebben de zaak tijdens de mondelinge behandeling van 15 januari 2026 laten toelichten door de hiervoor genoemde advocaten, beiden aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen. Partijen hebben vragen van het hof beantwoord en inlichtingen verstrekt. Beide partijen hebben nog producties in het geding gebracht.\n\nUitspraak is bepaald op heden.\n\nDe VvE heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en het verzoek van [geïntimeerden] alsnog zal afwijzen, met - uitvoerbaar bij voorraad - veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties.\n\n [geïntimeerden] hebben geconcludeerd tot bekrachtiging, met (naar het hof begrijpt:) veroordeling van de VvE in de kosten van het geding in hoger beroep inclusief nakosten.\n\n3. Feiten\n\n3.1.. De kantonrechter heeft onder 2.1. tot en met 2.14. van de bestreden beschikking de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. De juistheid van de vastgestelde feiten is in hoger beroep niet bestreden, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Wel heeft de VvE met grief I aangevoerd dat de feiten niet volledig zijn en moeten worden aangevuld. De grief slaagt niet. [geïntimeerden] hebben hiertegen terecht ingebracht dat de door de VvE gewenste aanvullingen geen onomstreden feiten zijn, maar door hen betwiste stellingen, die de kantonrechter bovendien wel degelijk bij zijn beoordeling heeft betrokken. Dit laatste zal ook het hof doen. Aangevuld met andere onomstreden feiten, komen de feiten neer op het volgende.\n\n3.2.. In 2014 hebben [geïntimeerden] samen met [naam 1] (hierna: [naam 1] ) een perceel grond gekocht aan de [straat] [nummer 1] te [plaats] . Daarop stonden onder meer een voormalig gemaalgebouw en een voormalige zoutloods. [geïntimeerden] en [naam 1] waren destijds vrienden. Zij hebben het perceel gekocht met de bedoeling om daar te gaan wonen en gezamenlijk (in het appartement dat hierna wordt aangeduid met appartement [nummer 3] ) een Bed and Breakfast(hierna: B&B) te gaan exploiteren. Omdat [geïntimeerden] hun aandeel daarin niet konden financieren, is de B&B er destijds niet gekomen.\n\n3.3.. Bij akte van splitsing van 22 september 2014 (hierna: de splitsingsakte) is het perceel gesplitst in drie appartementsrechten en is het “Modelreglement bij splitsing in appartementsrechten” van januari 2006 (hierna: het modelreglement) met wijzigingen en aanvullingen die volgen uit de splitsingsakte van toepassing verklaard.\n\n3.4.. Aan [geïntimeerden] is bij de splitsing toegedeeld het appartementsrecht met appartementsindex 1 en huisnummer [nummer 1] . Aan [naam 1] zijn toegedeeld de appartementsrechten met de appartementsindexen 2 en 3, met de huisnummers [nummer 2] en [nummer 3] (hierna: appartement [nummer 1] , appartement [nummer 2] en appartement [nummer 3] ).\n\n3.5.. Tevens is de VvE opgericht, met [naam 1] als voorzitter. Het totaal aantal in de vergadering van eigenaars uit te brengen stemmen bedraagt drie, namelijk één stem voor elk appartementsrecht.\n\n3.6.. De splitsingsakte houdt verder in, voor zover van belang:\n\nA. HET GEBOUW EN DE DAARBIJ BEHORENDE GROND\n\nDe gerechtigde is eigenaar van het gebouw bestaande uit een vrijstaand voormalig gemaalgebouw en een voormalige zoutloods\u002Fschuur - hierna te noemen: het ‘gebouw’- met de daarbij behorende grond, plaatselijk bekend\n [straat] [nummer 1] te (…)\n [plaats], (…)\n\n(…)\n\nC. VOORGENOMEN SPLITSING IN APPARTEMENTSRECHTEN, SPLITSINGSTEKENING\n\nDe gerechtigde wenst over te gaan tot de splitsing van het gebouw met de daarbij behorende grond in appartementsrechten als bedoeld in artikel 5:106 van het Burgerlijk Wetboek, onder oprichting van een vereniging van eigenaars en vaststelling van een reglement als bedoeld in artikel 5:111 onder d van het Burgerlijk Wetboek.\n\nAan deze akte is daartoe een uit één bladbestaande tekening als bedoeld in artikel 5:109, lid 2 van het Burgerlijk Wetboek gehecht.\n\nOp die tekening zijn met de cijfers 1 tot en met 3 de gedeelten van het gebouw met aanbehoren aangegeven die bestemd zullen zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt. Het uitsluitend gebruiksrecht van die gedeelten zal zijn begrepen in de gerechtigdheid tot de bij deze akte te formeren appartementsrechten.\n\n(…)\n\nE. OMSCHRIJVING APPARTEMENTSRECHTEN\n\nHet gebouw met de daarbij behorende grond zal worden gesplitst in de volgende appartementsrechten:\n\n1. het appartementsrecht omvattende het uitsluitend gebruik van de woning gelegen op de begane grond, eerste verdieping en tweede verdieping van het gebouw, tuin en gedeelte van de schuur, plaatselijk bekend [straat] [nummer 1] (...), uitmakende (...) (276\u002F777) onverdeeld aandeel in het complex, bestaande uit het gebouw met drie woningen, schuur, tuin, onder- en bijbehorende grond, erf en verdere aanhorigheden, (...)\n\n2. (…) [straat] [nummer 2] (…), uitmakende (…) (283\u002F777) onverdeeld aandeel (…)\n\n3. (…) [straat] [nummer 3] (…), uitmakende (…) (218\u002F777) onverdeeld aandeel (…)\n\nG. UITWERKING MODELREGLEMENT\n\nArtikel 8\n\n(…)\n\nDe aandelen in de gemeenschap zijn vastgesteld aan de hand van de verhouding in oppervlakte van de voor uitsluitend eigen gebruik bestemde gedeelten blijkens een berekening die aan deze akte wordt gehecht, welke berekening is gemaakt aan de hand van de bruto vloer oppervlakten van de tot de privé gedeelten behorende woningen, exclusief buitenruimten, balkons en dakterrassen, inclusief de oppervlakte van helft van de woning scheidende binnenmuren en de gehele oppervlakte van de tot de privé gedeelten behorende buitenmuren.\n\n(…)\n\nH. WIJZIGINGEN EN\u002FOF AANVULLINGEN MODELREGLEMENT\n\n(…)\n\nArtikel 25\n\nAan het eerste lid wordt toegevoegd:\n\n“(…)\n\nVoorts is het toegestaan de privé gedeelten te exploiteren als pension- of kamerverhuurbedrijf.”\n\n3.7.. Het modelreglement houdt in, voor zover van belang:\n\nA. Definities en algemene bepalingen\n\nArtikel 1\n\nIn het reglement wordt verstaan onder:\n\na. “akte”: de akte van splitsing, (…);\n\n(…)\n\nf. “gebouw”: het gebouw of de gebouwen dat\u002Fdie in de splitsing is\u002Fzijn betrokken;\n\n(…)\n\nF. Gebruik, beheer en onderhoud van de gemeenschappelijke gedeelten en de gemeenschappelijke zaken\n\n(…)\n\nArtikel 17\n\n1. Tot de gemeenschappelijke gedeelten en de gemeenschappelijke zaken worden onder meer gerekend, voor zover aanwezig:\n\na. de grond, de funderingen, de dragende muren, de kolommen, het geraamte van het gebouw, de gevels (daaronder begrepen de gevelbeplatingen en dilataties), de balkonconstructies, de galerijen, de daken (inclusief de waterkerende lagen), de dakbedekking, de dakkapellen, de schoorstenen, de rook- en ventilatiekanalen, de vuilstortkokers, de lift- en leidingschachten, alsmede de vloeren en de wanden die de scheiding vormen tussen gemeenschappelijke gedeelten of tussen (een) gemeenschappelijk(e) gedeelte(n) en (een) privé gedeelte(n) of tussen privé gedeelten;\n\n(…)\n\nArtikel 22\n\n1. Iedere op-, aan-, onder- of bijbouw zonder voorafgaande toestemming van de vergadering is verboden. Dit geldt ook als een eigenaar een recht van erfpacht of van opstal wenst te vestigen.\n\n(…)\n\nG. Gebruik, beheer en onderhoud van de privé gedeelten\n\nArtikel 25\n\n1. Iedere eigenaar en gebruiker is verplicht het privé gedeelte te gebruiken overeenkomstig de daaraan nader in de akte gegeven bestemming. Een gebruik dat afwijkt van de in de akte nader gegeven bestemming is slechts geoorloofd met toestemming van de vergadering.\n\n(…)\n\n3.8.. \n [naam 1] heeft appartement [nummer 3] verkocht aan zijn ouders, [naam 2] en [naam 3] (hierna: [naam 3] ), en op 5 juli 2018 aan hen geleverd.\n\n3.9.. In de tuin behorend bij appartement [nummer 1] stonden ten tijde van de aankoop van het perceel twee garageboxen. Deze zijn niet in de splitsingsakte genoemd en niet in de splitsingstekening ingetekend. In 2021 hebben [geïntimeerden] aan de andere eigenaars gemeld dat zij van plan waren deze garageboxen af te breken en op de plaats daarvan een B&B te realiseren. In november 2021 hebben [geïntimeerden] de ontwerptekeningen aan [naam 1] en zijn partner laten zien en op 16 december 2021 aan [naam 3] .\n\n3.10.. De notulen van de vergadering van eigenaars van 16 december 2021, waarbij alle eigenaars aanwezig waren, houden in, voor zover van belang:\n\n [naam 4] en [naam 5][het hof begrijpt hier en verder: [geïntimeerden] ] willen een Bed en Breakfast beginnen op de plek waar de twee garageboxen nu staan. De plannen zijn nog niet zo concreet. Maar er zijn welk tekeningen die ze kunnen laten zien.\n\nEr moet nagedacht worden over parkeren, het hek dat open dicht gaat en de kinderen die op het plein spelen. Hoe kunnen we de veiligheid waarborgen? (…)\n\n [naam 6][het hof leest: [naam 3] ]vraagt of er onderzoek is gedaan naar de B&B’s in de omgeving. Loopt het een beetje en wat voor soort mensen komen er en hoelang blijven die gemiddeld. (…)\n\n Hoe wordt de privacy gewaarborgd? Hier is nog geen concreet antwoord op te geven maar [naam 4] en [naam 5] hebben privacy hoog zitten en willen absoluut niet dat wij of zijzelf last hebben van gasten in de B&B dus zij zullen hier zeker zorg voor dragen tegen de tijd dat de B&B concretere vormen aanneemt.\n\nWe komen hier later op terug.\n\n3.11.. Op 2 juni 2022 heeft de gemeente de op 19 november 2021 door [geïntimeerden] aangevraagde omgevingsvergunning verleend. In augustus 2022 hebben [geïntimeerden] de garageboxen gesloopt.\n\n3.12.. De notulen van de vergadering van eigenaars van 14 september 2022, waarbij alle eigenaars aanwezig waren, houden in, voor zover van belang:\n\nVorderingen B&B van nr. [nummer 1]\n\nMorgen ochtend gaan we heien.\n\nIs er een bouwagenda bekend? Nee niet duidelijk. Geven we per dag aan.\n\nEr was eerst een bouwaanvraag met plat dak gedaan maar die is afgewezen. Nu is er een aanvraag met een puntdak ingediend en die is goedgekeurd.\n\nWanneer kunnen we werkzaamheden verwachten en kunnen de auto’s op het plein blijven staan etc. Als we iets weten dan melden we het in de groepsapp.\n\nIn de vakantie heeft nr. [nummer 1] niets gemeld omdat er niemand was.\n\nEr wordt alles aan gedaan om de privacy te waarborgen. (...)\n\nNr. [nummer 2] vraagt of er huisregels op gesteld worden waarin wordt vastgelegd waar de B&B gasten mogen parkeren en van welk gedeelte zij gebruik kunnen maken etc. dit om zoveel mogelijk de eventuele overlast te beperken. Er wordt toegezegd dat er huisregels worden opgesteld.\n\n3.13.. De notulen van de vergadering van eigenaars van 26 september 2022, waarbij alle eigenaars aanwezig waren, houden in, voor zover van belang:\n\nNr. [nummer 1] is voornemens om in week 42 te gaan storten voor de B&B en dan de bult zand weg halen die nu op de plek ligt waar de container moet komen. (...)\n\nVraag van nr. [nummer 2] en b is of het een idee is om de ruimte die vrij komt dan vol te gooien met snippers?\n\n3.14.. Op 28 september 2022 hebben [geïntimeerden] het beton voor de B&B gestort. Op 25 februari 2023 hebben zij de muren geplaatst en op 11 maart 2023 de kozijnen.\n\n3.15.. Op 14 juni 2023 heeft [naam 1] in zijn hoedanigheid van voorzitter van de VvE aan [geïntimeerden] geschreven, voor zover van belang:\n\nIn naam van de Vve heb ik een juridisch onderzoek laten uitvoeren naar de status van het nieuwgebouwde object. Hieruit is gebleken dat met het slopen van het bestaande en het bouwen van een nieuw object in strijd is gehandeld met het splitsingsreglement en het modelreglement 2006. (…)\n\nZonder een meerderheid van stemmen mag het nieuw gebouwde object (…) niet blijven staan. (…)\n\nHierbij sommeert de Vve (…) de procedure voor het verkrijgen van toestemming voor de sloop, nieuwbouw en wijzigen splitsingsakte alsnog volgens de wettelijke bepalingen binnen een maand te starten en in stemming te brengen middels ALV. (…)\n\nVoor het geval [geïntimeerden] hieraan geen gehoor zouden geven, heeft de VvE een boete ex artikel 41 lid 2 van het modelreglement aangekondigd.\n\n3.16.. Op 17 juli 2023 hebben [geïntimeerden] (de gemachtigde van) de VvE per brief geantwoord, voor zover van belang:\n\nInhoudelijk draait de kwestie (…) om de status van het bijgebouw dat wij hebben gebouwd op ons privégedeelte. De andere eigenaren waren en zijn daar geheel mee akkoord, ook is het besproken in de vergadering, al is er dan geen formeel besluit genomen.\n\nPartijen hebben daarna verder gecorrespondeerd.\n\n3.17.. Op 26 oktober 2023 heeft een vergadering van eigenaars plaatsgevonden. Onder meer is gesproken over de B&B, waarvoor de vergadering volgens [naam 1] en [naam 3] geen toestemming heeft gegeven, over het vaststellen van een aan [geïntimeerden] op te leggen boete en het wijzigen van de splitsingsakte.\n\n3.18.. Op 16 februari 2024 hebben [geïntimeerden] in de vergadering van eigenaars een concept ingediend voor een wijziging van de splitsingsakte. De wijziging hield in dat werd bepaald dat appartementsrecht [nummer 1] mede omvat het uitsluitend gebruik van ‘een in de tuin geplaatste recreatiewoning waarin een “bed & breakfast” wordt uitgeoefend met huisnummer [nummer 4] ’. Over het voorstel is niet gestemd.\n\n3.19.. Op 26 maart 2024 heeft [naam 1] in zijn hoedanigheid van voorzitter van de VvE aan [geïntimeerden] geschreven, voor zover van belang:\n\nUit de vergadering van 16 februari 2024 is gebleken dat er bij een meerderheid van de leden geen draagvlak is voor de door jullie voorgestelde veranderingen in de splitsingsakte. (…)\n\nDe VvE sommeert jullie dan ook de B&B (…) binnen een maand te verwijderen. (…) Als na deze maand geen gehoor is gegeven aan de eis zal de dag boete vast gelegd in vergadering 26 oktober 2023 (…) van kracht worden.\n\n3.20.. De VvE heeft op 3 juli 2024 een dagvaarding aan [geïntimeerden] laten betekenen. In die bij de rechtbank aanhangig gemaakte procedure heeft de VvE onder meer een verklaring voor recht gevorderd dat de door [geïntimeerden] aangebrachte wijzigingen in strijd zijn met de splitsingsakte (hierna: de dagvaardingsprocedure).\n\n4. Eerste aanleg\n\n4.1.. Voor zover in hoger beroep nog aan de orde, hebben [geïntimeerden] in eerste aanleg verzocht dat de kantonrechter bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerden] op de voet van artikel 5:121 van het Burgerlijk Wetboek (BW) machtigt om de zich in de tuin deel uitmakend van appartement [nummer 1] bevindende schuur\u002Fgaragebox te verwijderen\u002Fslopen en te vervangen voor een nieuwe verblijfsruimte ten behoeve van het realiseren van een B&B, met inachtneming van de voorwaarden van de omgevingsvergunning, en hen machtigt die B&B te exploiteren, met veroordeling van de VvE in de proceskosten, met wettelijke rente. [geïntimeerden] hebben daaraan ten grondslag gelegd dat de VvE zonder redelijke grond toestemming weigert voor de sloop van de garageboxen en de bouw van de B&B.\n\n4.2.. De VvE heeft verweer gevoerd dat strekt tot afwijzing van het verzoek.\n\n4.3.. Samengevat heeft de kantonrechter bij de bestreden beschikking het verzoek van [geïntimeerden] met nevenvorderingen toegewezen en de vervangende machtiging verleend. De kantonrechter heeft daartoe het volgende overwogen. De garageboxen behoorden tot het privégedeelte van [geïntimeerden] en voor de sloop daarvan en de bouw van de B&B hoeft de splitsingsakte niet te worden gewijzigd. [geïntimeerden] hebben geen toestemming nodig van de VvE om de B&B te exploiteren, gelet op de in de splitsingsakte opgenomen aanvulling op artikel 25 van het modelreglement. Uit de door hen beschreven en door de VvE niet weersproken gang van zaken, hebben [geïntimeerden] redelijkerwijs mogen opmaken dat de VvE akkoord is gegaan met de sloop van de garageboxen en de bouw van de B&B. Ten slotte heeft de kantonrechter overwogen dat de VvE geen redelijke grond heeft om haar toestemming (alsnog) te weigeren.\n\n4.4.. Wat betreft de vraag of de splitsingsakte door de bouw van de B&B gewijzigd moet worden en de in deze zaak toepasselijke uitlegmaatstaf, heeft de kantonrechter het volgende overwogen (waarbij het hof voor ‘ [geïntimeerde 1] ’ steeds leest: [geïntimeerden] ):\n\nVervangende machtiging\n\n4.4.. \n [geïntimeerde 1] vraagt een vervangende machtiging op grond van artikel 5:121 BW om de garageboxen te vervangen door de reeds aanwezige B&B. In lid 1 van dit artikel is bepaald dat een appartementseigenaar voor een handeling waarvoor de medewerking of toestemming van de VvE nodig is, maar de VvE deze medewerking weigert, de toestemming of medewerking van de VvE vervangen kan worden door een machtiging van de kantonrechter. De machtiging kan worden verleend indien de medewerking of toestemming zonder redelijke grond wordt geweigerd.\n\n4.5.. Artikel 5:121 BW is niet van toepassing als het verrichten van de handeling waarvoor toestemming of medewerking nodig is, tot gevolg zou hebben dat er strijd met de splitsingsakte zou ontstaan. In dat geval moet de splitsingsakte worden gewijzigd. De kantonrechter zal daarom eerst de vraag beantwoorden of voor de sloop en de bouw van de B&B wijziging van de splitsingsakte noodzakelijk is. Hiervoor is van belang of de garageboxen, althans de huidige B&B, tot het privégedeelte van [geïntimeerde 1] behoort, zoals [geïntimeerde 1] stelt, dan wel tot de gemeenschappelijke zaken van de VvE, zoals de VvE betoogt.\n\nPrivégedeelte of gemeenschappelijk gedeelte?\n\n4.6.. Voor de vaststelling van het recht tot het uitsluitend gebruik van een gedeelte van een in appartementsrechten gesplitst registergoed is bepalend wat daarover is vastgelegd in de splitsingsstukken (de splitsingsakte en de aan de minuut daarvan gehechte tekening). Bij de uitleg daarvan komt het aan op de daarin tot uitdrukking gebrachte bedoeling van degene die tot splitsing is overgegaan. Deze bedoeling moet naar objectieve maatstaven worden afgeleid uit de omschrijving in die akte van de onderscheiden gedeelten van het gebouw en uit de splitsingstekening, bezien in het licht van de gehele inhoud van de akte en de tekening. Anders dan waar de VvE van lijkt uit te gaan, is in dit verband dus niet bepalend wat partijen al dan niet met elkaar hebben besproken, wat zij hebben bedoeld, of hoe zij de garageboxen hebben gebruikt. Het gaat erom wat zij daarover in de splitsingsstukken hebben vastgelegd.\n\n4.7.. \n\nDe rechtszekerheid vergt dat voor de vaststelling van wat tot de privégedeelten\n\nrespectievelijk tot de gemeenschappelijke gedeelten behoort, slechts acht mag worden geslagen op gegevens die voor derden uit of aan de hand van de in de openbare registers ingeschreven splitsingsstukken kenbaar zijn. Als de ingeschreven splitsingsstukken voor verschillende uitleg vatbaar zijn, dient de rechter vast te stellen welke uitleg van deze stukken naar objectieve maatstaven het meest aannemelijk is.\n\n4.8.. \n\nIn de splitsingsakte staat over het appartementsrecht van [geïntimeerde 1] :\n\n(…)[hof: de kantonrechter citeert hier artikel E. lid 1 van de splitsingsakte (zie 3.6.)]\n\n4.9.. \n\nDe garageboxen zijn niet in de splitsingsakte vermeld. Op de splitsingstekening zijn ze ook niet ingetekend. Wel is de tuin van [geïntimeerde 1] op de splitsingstekening ingetekend met een dikke lijn. [geïntimeerde 1] heeft ter zitting onbetwist verklaard dat privégedeelten en gemeenschappelijke gedeelten conform instructies van de notaris zijn aangegeven met respectievelijk dikke en dunne lijnen. Als partijen bij de splitsing hadden bedoeld de garageboxen gemeenschappelijk te laten zijn, dan zouden deze wél in de tekening zijn opgenomen en met dunne lijnen zijn aangegeven, zoals met de voormalige zoutloods wel is gebeurd, aldus [geïntimeerde 1] .\n\nDe kantonrechter volgt [geïntimeerde 1] in dit betoog en oordeelt dat de garageboxen tot het privégedeelte van [geïntimeerde 1] behoorden. Aannemelijk is dat derden die de splitsingstekening onder ogen krijgen, er bij gebreke van andersluidende aanwijzingen (dunne lijnen) van uitgaan dat de garageboxen die zich in het privégedeelte van [geïntimeerde 1] (zijn tuin) bevinden (althans bevonden), eveneens tot het privégedeelte van [geïntimeerde 1] behoren. Een andersluidend standpunt verdraagt zich ook simpelweg niet met het feit dat het appartementsrecht van [geïntimeerde 1] het uitsluitend gebruik van de daarbij behorende tuin heeft.\n\n4.10. (…). hoeft voor de verwijdering van de garageboxen en het bouwen van de B&B de splitsingsakte niet te worden gewijzigd, omdat dit geen wijziging van de goederenrechtelijke verhoudingen binnen de VvE brengt. Aangezien de tuin behoort tot het privégedeelte van [geïntimeerde 1] , leidt de bouw van de B&B immers niet tot een verandering in de begrenzing van de privégedeelten.\n\n4.11.. De conclusie is dat indien voor de bouw van de B&B toestemming van de VvE vereist was, artikel 5:121 BW van toepassing kan zijn wanneer de VvE deze toestemming zonder redelijke grond aan [geïntimeerde 1] weigert.\n\n5. Beoordeling\n\n5.1.. Tegen de hiervoor genoemde beslissingen uit de bestreden beschikking en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt de VvE in hoger beroep met elf grieven op, waarvan grief I al hiervoor bij de feitenvaststelling is besproken. De overige grieven zullen hierna per onderwerp en gedeeltelijk gezamenlijk worden behandeld.\n\nKunnen [geïntimeerden] in hun verzoek worden ontvangen?\n\n5.2.. Volgens de VvE heeft de kantonrechter [geïntimeerden] ten onrechte in hun verzoek ontvangen en heeft deze de vervangende machtiging prematuur verleend. De VvE heeft daartoe in de eerste plaats betoogd dat de kantonrechter de uitkomst van de dagvaardingsprocedure had moeten afwachten om te bezien of voor de sloop en bouw wijziging van de splitsingsakte was vereist, alvorens te beslissen over het verlenen van de vervangende machtiging. Voor zover de VvE dit betoog handhaaft - immers ter zitting in hoger beroep hebben partijen op vragen van het hof meegedeeld dat de rechtbank die procedure ambtshalve heeft geroyeerd, zodat de behandeling daarvan op dit moment stilligt - wordt dat verworpen. Ook in een verzoekschriftprocedure als deze heeft de kantonrechter te beoordelen of het afgeven van de verzochte vervangende machtiging een wijziging van de splitsingsakte vergt of niet. Het standpunt dat in dit kader aan de dagvaardingsprocedure voorrang toekomt, berust op een onjuiste rechtsopvatting.\n\n5.3. In de tweede plaats heeft de VvE aangevoerd dat [geïntimeerden] de vergadering van eigenaars nooit formeel om toestemming hebben verzocht voor de sloop van de garageboxen en de bouw van de B&B, zodat de vergadering ook nooit de toestemming heeft geweigerd. Dat de vergadering van eigenaars niet met het verzoek zou hebben ingestemd wanneer dat was voorgelegd, kan volgens de VvE niet als vaststaand worden aangenomen.\n\n5.4.. \n [geïntimeerden] hebben hiertegen primair aangevoerd dat zij de vergadering van eigenaars feitelijk wel om toestemming hebben gevraagd en dat deze ook - in een eerder stadium - toestemming heeft gegeven. Subsidiair hebben zij het standpunt ingenomen dat onder de gegeven omstandigheden ook zonder formeel besluit van de vergadering van eigenaars voor hen de weg van artikel 5:121 BW openstond.\n\n5.5.. Het hof is het met [geïntimeerden] eens. De vereniging van eigenaars bestaat in dit geval uit slechts drie leden, te weten [naam 1] , [naam 3] en [geïntimeerden] , waarbij [naam 1] en senior naaste familie van elkaar zijn. De vergadering van eigenaars kan ten hoogste deze drie leden omvatten, waarbij elk lid één stem heeft. Als ervan wordt uitgegaan, zoals betoogd door de VvE, dat [geïntimeerden] inderdaad geen toestemming hebben verzocht aan de vergadering van eigenaars en ook geen toestemming van dit orgaan hebben verkregen, welk standpunt de VvE voorstaat, dan was het onder de gegeven omstandigheden voor [geïntimeerden] niet zinvol om de vergadering alsnog om toestemming te vragen voor, kort gezegd, de sloop en bouw. Immers viel redelijkerwijs niet te verwachten dat [naam 1] en [naam 3] een van elkaar afwijkende stem zouden uitbrengen. Dat zij beiden niet op dezelfde lijn zaten wat betreft de bouw van de B&B door [geïntimeerden] , heeft de VvE niet gesteld en blijkt ook niet uit het dossier. Integendeel, uit de (onder de feiten genoemde) correspondentie en notulen van de vergaderingen blijkt dat zowel [naam 1] als senior van begin af aan bekend was met de plannen van [geïntimeerden] Aanvankelijk hebben [naam 1] en senior daar geen bezwaren tegen geuit en bij de plannen alleen een aantal praktische kanttekeningen geplaatst. Later hebben zij zich gezamenlijk tegen de B&B uitgesproken, zoals volgt uit de brief van 14 juni 2023 (zie 3.15.) en uit de notulen van de vergaderingen die na 14 juni 2023 hebben plaatsgevonden. Onder deze omstandigheden mochten [geïntimeerden] (uiteindelijk) menen dat er over de B&B geen overeenstemming zou kunnen worden bereikt binnen de VvE. De kantonrechter heeft [geïntimeerden] daarom terecht in hun op artikel 5:121 BW gebaseerde verzoek ontvangen, ook zonder dat daar een formeel besluit van de vergadering aan ten grondslag lag (vgl. HR 25-06-1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1022).\n\nVereist de sloop van de garageboxen en de realisatie van de B&B een wijziging van de splitsingsakte?\n\n5.6.. De VvE heeft verder aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte artikel 5:121 BW toepasselijk heeft geacht. Volgens de VvE moet door de sloop van de garageboxen en de bouw van de B&B de splitsingsakte wel degelijk worden gewijzigd, zodat bedoeld artikel toepassing mist. De VvE heeft daartoe aangevoerd dat [geïntimeerden] en [naam 1] bij de splitsing in appartementsrechten doelbewust ervoor hebben gekozen om de (overigens oude en vervallen) garageboxen niet aan het appartementsrecht van [geïntimeerden] toe te bedelen, omdat [geïntimeerden] niet in staat waren om meer gebruiksoppervlakte mee te financieren. De garageboxen worden om die reden niet in de splitsingsakte benoemd en zijn daarom ook niet ingetekend in de splitsingstekening. Daarnaast hebben zij ten tijde van de splitsing ervoor gekozen om hun appartementsrechten zowel qua taxatiewaarde, gebruiksoppervlakte en aandeel van de breukdelen zo gelijk mogelijk te houden. Door de bouw van de B&B is een wijziging van de splitsingsakte noodzakelijk, omdat de splitsingsakte en splitsingstekening geen juist beeld meer geven van de omvang en verplichtingen van de appartementseigenaars. Bovendien corresponderen de gebruiksoppervlakten van de appartementsrechten niet meer met de wijze waarop het aandeel en de breukdelen in de akte zijn vastgesteld. Verder is de exploitatie van de B&B in strijd met de bestemming ‘tuin en buitenruimte’, die volgt uit de splitsingsakte. Daarnaast geldt dat het appartementsrecht van [geïntimeerden] aanzienlijk in waarde is gestegen. In het geval dat het hof van oordeel is dat wijziging van de splitsingsakte niet noodzakelijk is, heeft de VvE subsidiair het standpunt ingenomen dat het bij de B&B gaat om een bijgebouw dat door alle appartementseigenaren gebruikt mag worden, omdat het op grond van de splitsingsakte niet (bepaalbaar) als privégedeelte kan worden bestempeld. Ook om deze reden had de vervangende machtiging volgens de VvE niet moeten worden verleend.\n\n5.7.. \n [geïntimeerden] hebben hiertegen verweer gevoerd.\n\n5.8.. Voorgaande stellingen van de VvE brengen het hof niet tot een ander oordeel dan het oordeel van de kantonrechter dat wijziging van de splitsingsakte niet is vereist. Gelet op het te hanteren toetsingskader, dat niet in geschil is, verenigt het hof zich met de hiervoor weergegeven overwegingen 4.4. tot en met 4.11. van de bestreden beschikking en maakt deze tot de zijne. Het hof is, net als de kantonrechter, van oordeel dat de garageboxen tot het privégedeelte van [geïntimeerden] behoorden en dat de huidige B&B eveneens op het privégedeelte van [geïntimeerden] staat. De garageboxen stonden immers in de tuin van [geïntimeerden] die met een dikke lijn op de splitsingstekening is ingetekend. Omdat de ten tijde van de splitsing reeds aanwezige garageboxen niet op de tekening zijn ingetekend, kunnen derden op grond van de tekening ervan uitgaan dat de boxen zich in het privégedeelte van [geïntimeerden] bevonden, evenals thans de op de plek van de voormalige boxen gerealiseerde B&B. Dat de garageboxen doelbewust buiten de verdeling zouden zijn gehouden en gemeenschappelijk zijn gebleven, zoals de VvE heeft gesteld, maar [geïntimeerden] gemotiveerd hebben bestreden, is gelet op de te hanteren maatstaf niet relevant. Het gaat immers om een objectieve uitleg van de splitsingsakte en splitsingstekening. Wijziging van de splitsingsakte in verband met het feit dat [geïntimeerden] de garageboxen hebben gesloopt en vervangen voor een B&B is dus niet noodzakelijk, omdat daardoor geen goederenrechtelijke wijziging is opgetreden. De wijziging vindt immers plaats binnen het deel dat bestemd is voor het privégebruik van [geïntimeerden] en waarvan zij het exclusieve gebruiksrecht hebben. Ook het door de VvE subsidiair ingenomen standpunt strandt gelet op voorgaande uitleg van de splitsingsstukken.\n\n5.9.. Ten aanzien van het argument van de VvE dat zij zich op grond van artikel 17 van het modelreglement door de bouw van de B&B geconfronteerd ziet met een aanzienlijke vermeerdering van gemeenschappelijke delen en daarmee samenhangend, toenemende onderhoudskosten, en dat daarom de splitsingsakte aangepast moet worden, geldt het volgende. Naar het oordeel van het hof berust deze zienswijze op een verkeerde lezing van de splitsingsstukken. Het hof leest in artikel 17 lid 1 van het modelreglement in combinatie met de definitiebepaling van artikel 1 van dat reglement, niet dat de bouw van de B&B leidt tot meer gemeenschappelijke delen voor de VvE. Immers gaat het op grond van de aan het begrip ‘gebouw’ gegeven definitie om ‘het gebouw dat in de splitsing is betrokken’. Wanneer vervolgens de splitsingsakte ernaast wordt gelegd, wordt daarin met ‘het gebouw dat wordt gesplitst’ gedoeld op het voormalige gemaalgebouw en de voormalige zoutloods\u002Fschuur (zie de splitsingsakte onder A. en C.). De bouw van de B&B in de tuin en dus in het privégedeelte van [geïntimeerden] leidt bij deze lezing niet tot meer gemeenschappelijke delen en hogere onderhoudskosten voor de VvE; die kosten komen voor rekening van [geïntimeerden] Uit het voorgaande volgt ook dat de gebruiksoppervlakten van de appartementsrechten nog steeds corresponderen met de wijze waarop het aandeel en de breukdelen in de akte zijn vastgesteld. De stelling van de VvE ter zake dit laatste punt behoeft daarom geen nadere behandeling. Ook een eventuele waardestijging van het appartementsrecht van [geïntimeerden] is niet van belang.\n\n5.10.. Het argument dat de bouw van de B&B strijdig is met de in de splitsingsakte en splitsingstekening gegeven bestemming op de daaronder gelegen grond, te weten respectievelijk ‘tuin’ en ‘buitenruimte’, en dat een dergelijke bestemmingswijziging meebrengt dat de splitsingsakte moet worden aangepast, gaat evenmin op. Ten eerste is in de splitsingsakte immers aan artikel 25 van het modelreglement toegevoegd dat de “privé gedeelten” mogen worden geëxploiteerd als pension- of kamerverhuurbedrijf. Deze toestemming-bij-voorbaat is niet beperkt tot de woning. Daarbij komt dat artikel 25 bepaalt dat een appartementseigenaar met toestemming van de vergadering de in de akte nader gegeven bestemming kan wijzigen. Voor zover de bouw van de B&B al een bestemmingswijziging zou inhouden, geldt dus dat wijziging van de splitsingsakte daarvoor niet noodzakelijk is.\n\n5.11.. De tussenconclusie luidt dat de splitsingsakte door de bouw van de B&B niet hoeft te worden gewijzigd.\n\nHebben [geïntimeerden] toestemming nodig van de VvE voor exploitatie van de B&B?\n\n5.12.. Met de kantonrechter is het hof verder van oordeel dat de in de splitsingsakte opgenomen aanvulling op artikel 25 van het modelreglement meebrengt dat [geïntimeerden] geen toestemming van de VvE nodig hebben om de B&B te exploiteren. Voor de lezing van de VvE die inhoudt dat het [geïntimeerden] uitsluitend is toegestaan om een B&B te exploiteren in de bebouwing die in de splitsingstekening is ingetekend, ziet het hof onvoldoende aanknopingspunten.\n\nHeeft de VvE een redelijke grond om de toestemming te weigeren?\n\n5.13.. Net als de kantonrechter is het hof van oordeel dat [geïntimeerden] tot aan de brief van de VvE van 14 juni 2023 in redelijkheid hebben kunnen begrijpen dat deze akkoord ging met de bouw van de B&B en dat de VvE na deze datum geen redelijke grond had om toestemming te weigeren. De door de VvE in eerste aanleg genoemde bezwaren, te weten dat [geïntimeerden] hebben verzwegen dat zij de omgevingsvergunningen hebben aangevraagd, dat [geïntimeerden] de overige appartementseigenaren niet hebben geïnformeerd over de sloop van de garageboxen en deze hebben gesloopt tijdens hun afwezigheid en dat zij tot 14 september 2022 nooit duidelijk hebben gemaakt dat zij de B&B op korte termijn wilden realiseren, leveren onvoldoende grond op. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat het enkele ongenoegen van de VvE over deze feitelijke gang van zaken, geen redelijke grond oplevert om alsnog toestemming te weigeren.\n\n5.14.. Het feit dat de VvE de dagvaardingsprocedure aanhangig heeft gemaakt (zie 3.20.), zoals door de VvE in hoger beroep nog aangevoerd, levert evenmin een redelijke grond voor weigering op, aangezien dat veel later dan op 14 juni 2023 is gebeurd en die procedure gezien het hiervoor gegeven oordeel van het hof, hoe dan ook tot mislukken is gedoemd. Het argument dat de VvE door de bouw van de B&B meer onderhoudskosten voor haar rekening zal krijgen, gaat niet op, zoals het hof hiervoor al heeft overwogen. Dat de overige leden al in 2021 hun zorgen hebben uitgesproken over de waarborging van hun privacy en veiligheid en dat [geïntimeerden] daarop onvoldoende hebben gereageerd, levert evenmin een redelijke grond voor weigering op. Niet blijkt immers dat [geïntimeerden] die zorgen niet serieus hebben genomen. Daar komt bij dat [naam 1] inmiddels een twee meter hoge muur langs de erfgrens heeft opgetrokken, die de B&B geheel en al aan zijn zicht onttrekt. De VvE heeft tenslotte ter zitting in hoger beroep nog aangevoerd dat de overige leden van de VvE op grond van gemeentelijke regels zelf op het perceel in beginsel geen B&B meer kunnen beginnen. [geïntimeerden] hebben dit gemotiveerd betwist, zodat dit niet vast is komen te staan en verder niet kan meewegen. Het hof is van oordeel dat alle voorgaande door de VvE gegeven redenen voor weigering, ook wanneer zij in onderlinge samenhang worden bezien, geen redelijke grond opleveren om de toestemming te weigeren.\n\n5.15.. Uit het voorgaande vloeit voort dat het hof, met de kantonrechter, van oordeel is dat de verzochte vervangende machtiging kan worden verleend. De grieven, die voor het overige geen bespreking hoeven, falen.\n\nSlotsom en kosten\n\n5.16.. De slotsom luidt dat het hoger beroep geen succes heeft. De bestreden beschikking zal worden bekrachtigd. De VvE is in het hoger beroep in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten daarvan. Voor een veroordeling van de VvE in de werkelijke kosten of voor toekenning van een hogere vergoeding dan op grond van het liquidatietarief gebruikelijk is, zoals [geïntimeerden] het hof hebben verzocht onder verwijzing naar artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, ziet het hof in het daartoe gestelde geen aanleiding.\n\n6. Beslissing\n\nHet hof:\n\nbekrachtigt de bestreden beschikking;\n\nveroordeelt de VvE in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerden] vastgesteld op € 362,00 aan verschotten en € 2.580,00 voor salaris, en op € 189,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 98,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van deze beschikking plaatsvindt.\n\nDeze beschikking is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, E.K. Veldhuijzen van Zanten en G.J.W. Pulles en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2026:774","ecli-nl-ghams-2026-774",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]