Skip to main content

ECLI:NL:GHARL:2025:4980

Court

Leeuwarden

Date

12 August 2025

Language

nl

Case Summary

Legal Issue

Strafrecht

Holding / Outcome

Uitspraak

Leeuwarden

Procedure: UitspraakDomain: StrafrechtType: uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Leeuwarden

wrakingskamer

zaaknummer gerechtshof 200.356.346/01

beslissing van 12 augustus 2025

op het verzoek van:

[wraker] ,

wonende te [woonplaats]

verzoeker in het wrakingsincident

hierna: de verzoeker,

dat strekt tot wraking ingevolge artikel 17 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) juncto artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

mr. L. Willems-Keekstra,

raadsheer in dit hof, locatie Leeuwarden.

1. Het verloop van de procedure1.1. Bij de afdeling strafrecht (Mulderzaken) van het hof is onder zaaknummer Wahv 200.350.121/01 een procedure aanhangig van de verzoeker, waarin hoger beroep is ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter in de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Gravenhage, van 2 december 2024.

1.2. Op 20 juni 2025 heeft een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden voor de enkelvoudige strafkamer (Mulderzaken) van dit hof. Op de strafzitting was de verzoeker aanwezig. Namens de advocaat-generaal was mr. P.A. Veenstra aanwezig. Nadat het onderzoek ter terechtzitting werd gesloten, heeft de verzoeker mr. Willems-Keekstra gewraakt. Het van deze mondelinge behandeling opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.1.3. Mr. Willems-Keekstra heeft niet in de wraking berust. Mr. Willems-Keekstra heeft bij verweerschrift van 17 juli 2025 op het wrakingsverzoek gereageerd.1.4. Het wrakingsverzoek is ter zitting van 1 augustus 2025 behandeld door de wrakingskamer. De verzoeker is bij deze behandeling verschenen en heeft zijn wrakingsverzoek mondeling toegelicht. Mr. Willems-Keekstra is niet verschenen.

2. 2 De beoordeling van het verzoek De ontvankelijkheid van het verzoek

2.1. De wrakingskamer acht het verzoek tijdig ingediend en acht de verzoeker ook overigens ontvankelijk. De gronden van het wrakingsverzoek2.2.

De verzoeker heeft aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat mr. Willems-Keekstra voorafgaand aan de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting ten onrechte niet heeft beslist op het verzoek om de hoofdofficier van justitie van het parket CVOM op te roepen om ter zitting als getuige te worden gehoord. Volgens de verzoeker had de hoofdofficier van justitie van het parket CVOM gehoord moeten worden over de vraag of sprake is van gebrek aan juridische kennis bij de medewerkers van het parket CVOM over de Algemene termijnenwet dan wel of de Algemene termijnenwet opzettelijk onjuist wordt toegepast.

De inhoudelijke beoordeling van het verzoek2.3. Op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten heeft een ieder - voor zover hier van belang - recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 17 Wahv in samenhang met artikel 512 Sv de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen.2.4. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter of bij vrees voor het bevooroordeeld zijn van de rechter, is het uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken procesdeelnemer dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.

2.5. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 20 juni 2025 blijkt dat de verzoeker ter zitting heeft verklaard van mening te zijn dat de officier van justitie zijn beroep tegen de inleidende beschikking ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Volgens de verzoeker is namelijk geen rekening gehouden met de Algemene termijnenwet. De verzoeker heeft daarom tijdens de mondelinge behandeling van de zaak bij het hof dit punt aan de orde willen stellen en verzocht om de hoofdofficier van justitie van het parket CVOM te horen over de juridische kennis van de medewerkers van het parket CVOM over de Algemene termijnenwet. Na schorsing van de mondelinge behandeling voor beraad heeft mr. Willems-Keekstra meegedeeld dat op het verzoek om de hoofdofficier van justitie van het parket CVOM te horen zal worden beslist in de uitspraak en dat het verzoek zal worden ‘meegenomen in raadkamer’. Indien het verzoek wordt toegewezen, zal het onderzoek worden heropend voor het oproepen van de getuige en volgt eerst nog geen uitspraak. Daarop heeft de verzoeker mr. Willems-Keekstra gewraakt.

2.6. De wrakingskamer overweegt ten aanzien van het voorgaande als volgt. Het is voor de wrakingskamer duidelijk dat de verzoeker veel zorgen heeft over de werkwijze bij het CVOM en dat hij van mening is dat hij deze zorgen bij de mondelinge behandeling ten overstaan van mr. Willems-Keekstra onvoldoende heeft kunnen uiten. De enkele omstandigheid dat, anders dan verzoeker wenste, toen niet direct door laatstgenoemde is beslist op het hiervoor in rov. 2.5 genoemde verzoek, maakt naar het oordeel van de wrakingskamer echter niet dat sprake is van (een objectief gerechtvaardigde vrees voor) vooringenomenheid van mr. Willems-Keekstra. Ook de overige gang van zaken tijdens de mondelinge behandeling geeft daar geen blijk van. Het wrakingsverzoek zal daarom worden afgewezen.

De beslissing

Het gerechtshof (wrakingskamer):

wijst het verzoek tot wraking van mr. Willems-Keekstra af.

Deze beslissing is gegeven door mrs. P.S. Bakker, R.F.C. Spek en L. Pieters, leden van de wrakingskamer, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2025.

More Decisions