ECLI:NL:GHARL:2025:7260
Case Summary
Strafrecht
Uitspraak
Leeuwarden
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
wrakingskamer
zaaknummer gerechtshof W 200.360.123/01
beslissing van 17 november 2025
op het verzoek van:
[wraker]
postadres te Hengelo,
verzoeker in het wrakingsincident
hierna: verzoeker,
dat strekt tot wraking ingevolge artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
mrs. G.A. Versteeg, Z.J. Oosting en F. van der Maden,
raadsheren in dit hof, locatie Leeuwarden.
1. Het verloop van de procedure1.1. Bij de afdeling strafrecht van het hof is onder parketnummer 21-001730-25 een strafzaak aanhangig tegen verzoeker.1.2. Op 3 oktober 2025 heeft een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden voor de strafkamer van dit hof. Aanwezig waren mr. G.A. Versteeg, voorzitter, mrs. Z.J. Oosting en F. van der Maden, raadsheren en mr. L. Kiemel, griffier. Het openbaar ministerie werd vertegenwoordigd door mr. I.A.H.M. Schepers, advocaat-generaal. Ook verzoeker was aanwezig, vergezeld door de heer [naam] Namens de benadeelde partij [naam 1] was mr. J. Bouwhuis verschenen. Verzoeker heeft tijdens deze mondelinge behandeling de voorzitter en raadsheren gewraakt. De voorzitter heeft hierop de behandeling van de zaak geschorst. Het van deze mondelinge behandeling opgemaakte proces-verbaal bevindt zich bij de stukken.1.3. De raadsheren hebben niet in de wraking berust. Mrs. G.A. Versteeg, Z.J. Oosting en F. van der Maden hebben bij verweerschrift van respectievelijk 16 oktober 2025, 14 oktober 2025 en 20 oktober 2025 op het wrakingsverzoek gereageerd.1.4. Verder is ter griffie op 14 oktober 2025 een reactie van de advocaat-generaal op het wrakingsverzoek binnengekomen. Daarnaast is op 29 oktober 2025 een e-mail van verzoeker ontvangen met daarbij verschillende bijlagen, waaronder een nadere motivering van het wrakingsverzoek en een reactie op de verweerschriften van de raadsheren.1.5. Het wrakingsverzoek is ter zitting van 3 november 2025 behandeld door de wrakingskamer. Verzoeker is bij deze behandeling verschenen. Zoals van tevoren in hun verweerschriften aangeven waren de gewraakte raadsheren niet bij de zitting aanwezig. Verzoeker heeft het verzoek mondeling toegelicht.2. De beoordeling van het verzoek De ontvankelijkheid van het verzoek2.1. De wrakingskamer acht het verzoek tijdig ingediend en ontvankelijk. De gronden van het wrakingsverzoek2.2. Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 3 oktober 2025 heeft verzoeker aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat het hof weigerde om ter zitting een beslissing te nemen op het verzoek om door verzoeker genoemde stukken uit het dossier te schrappen. Ter zitting van de wrakingskamer heeft verzoeker toegelicht dat hij nog meer gronden wilde aanvoeren maar daar geen gelegenheid voor heeft gekregen omdat werd gezegd dat de griffier alles al had genoteerd. Verzoeker heeft voorafgaand aan de strafzitting een e-mail gestuurd met daarin meerdere punten die hij van belang vindt voor zijn zaak, namelijk het verzoek een getuige te horen, onderzoek te doen naar ambtsmisbruik van een agent, het opvragen van de rittenstaat van de ambulance en ten slotte op te vragen hoeveel meldingen zijn gedaan over de benadeelde partij. Verzoeker wilde de kans om ter terechtzitting alles te bespreken en wil kunnen anticiperen op de beslissing op zijn verzoeken. Verzoeker heeft verder nog aangevoerd dat, bij het bekijken van de filmbeelden, een van de raadsheren benoemde wat zij zag. Volgens verzoeker kon die waarneming niet kloppen. Het standpunt van verweerders2.3.
De raadsheren hebben geconcludeerd tot afwijzing van het wrakingsverzoek. Daartoe hebben zij aangegeven dat de beslissing om bij arrest op het verzoek tot schrappen van stukken uit het dossier te beslissen, een procedurele beslissing is. Het getuigt van zorgvuldigheid om de zaak eerst volledig te bespreken, voordat het hof zich uitspreekt over het verzoek. Niet duidelijk is waarom verzoeker hieruit kan afleiden dat het hof partijdig is, of met deze beslissing die schijn heeft gewekt.
Het standpunt van de belanghebbende2.4. De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen. Niet is gebleken van een persoonlijke overtuiging of gedraging van een raadsheer. Evenmin is gebleken van een objectief gerechtvaardigde vrees dat de onpartijdigheid van raadsheren ontbreekt. De inhoudelijke beoordeling van het verzoek2.5. Op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten heeft een ieder - voor zover hier van belang - recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 512 Sv hem de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen.2.6. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter of bij vrees voor bevooroordeeld zijn van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken procesdeelnemer dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.2.7. Vrees voor vooringenomenheid kan ontleend worden aan de inhoud van een rechterlijke beslissing, maar is in een dergelijk geval slechts objectief gerechtvaardigd indien in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval een beslissing is genomen die zo onbegrijpelijk is, dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is aan te wijzen dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven.2.8.
De strafkamer van het hof moet nog beslissen over de onderzoekswensen van verzoeker en over de vraag of bepaalde stukken van het bewijs moeten worden uitgesloten. De weigering om hier ter zitting een beslissing over te nemen, geeft geen aanknopingspunt voor het oordeel dat de bij verzoeker bestaande vrees van vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Dat verzoeker graag had gezien dat reeds ter zitting was beslist, zodat hij daarop had kunnen anticiperen, maakt dit niet anders. Het hof moet een beslissing nemen als onderzoekswensen zijn ingediend. Dat daar tijd voor wordt genomen en daar niet al tijdens een zitting op wordt beslist, is niet zo onbegrijpelijk dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is aan te wijzen dan dat deze door vooringenomenheid is ingegeven. Dat een van de raadsheren benoemde iets op beeldopnamen te zien wat volgens verzoeker niet klopte, is dat evenmin. De wrakingskamer zal het wrakingsverzoek daarom afwijzen.
De beslissing
Het gerechtshof (wrakingskamer):
wijst het verzoek tot wraking van mrs. G.A. Versteeg, Z.J. Oosting en F. van der Maden af.
Deze beslissing is gegeven door mrs. L.G. Wijma, J.H. Kuiper en L. van Dijk, leden van de wrakingskamer, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 november 2025. Deze beslissing is ondertekend door de voorzitter en de griffier.