ECLI:NL:GHARL:2025:8751
Case Summary
Strafrecht
Uitspraak
's-Hertogenbosch
Parketnummer : 20-002786-24
Uitspraak : 15 oktober 2025
TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshofArnhem-Leeuwarden, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 16 augustus 2023, in de strafzaak met parketnummer 96-271636-22 tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij het vonnis waarvan beroep heeft de politierechter het tenlastegelegde bewezenverklaard, dat gekwalificeerd als ‘overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994’, de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem bij verstek veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 1.000,00 subsidiair 20 dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden met aftrek van de tijd gedurende welke het rijbewijs ingevorderd en ingehouden is geweest ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een geldboete ter hoogte van €1.000,00 subsidiair 20 dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 maanden.
Namens de verdachte is vrijspraak bepleit. Daarnaast is een straftoemetingsverweer gevoerd.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het bestreden vonnis van de politierechter, met aanvulling van de gronden waarop dit berust en met aanvulling van de strafmotivering
Voorts zal het hof - nu de meervoudige strafkamer van het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359, derde lid, eerst volzin, van het Wetboek van Strafvordering - de inhoud van het door de politierechter opgesomde bewijsmiddel dat redengevend is voor de bewezenverklaring hieronder uitwerken.
Aanvulling en uitwerking van de bewijsvoering
Bewijsmiddelen
Hierna wordt verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie Landelijke Eenheid, zaakregistratienummer PL0900-2022311407, op ambtsbelofte opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , hoofdagent, gesloten d.d. 21 oktober 2022, bevattende een verzameling van op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal van politie met daarin gerelateerde bijlagen en met doorgenummerde digitale dossierpagina’s 1-17.
1. Het proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 21 oktober 2022, digitale dossierpagina’s 4-5, voor zover inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 1] :
Controle rijden onder invloed
Op 21 oktober 2022 om 01.45 uur bevond ik mij op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de A1, ter hoogte van hectometerpaal 40.4 linker rijbaan, Amersfoort.
Op bovengenoemde datum, tijd en plaats zag ik dat een persoon als bestuurder van een voertuig, personenauto, Volkswagen Polo, Nederland, kenteken [kenteken] , dit bestuurde.
Ter controle op de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gestelde
voorschriften heb ik, verbalisant, de bestuurder zijn voertuig doen stilhouden en een
onderzoek ingesteld.
Beginnende bestuurder
Het betrof hier een bestuurder van een motorrijtuig waarvoor voor het besturen een rijbewijs vereist is. Bij controle bleek dat de bestuurder in het bezit was van een rijbewijs waarvan sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven nog geen vijf jaren zijn verstreken en dat hij op die datum van afgifte de leeftijd van 18 jaar of ouder had bereikt.
Vordering voorlopig onderzoek uitgeademde lucht
Ik heb op 21 oktober 2022 om 01.46 uur de bestuurder gevorderd mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht (voorlopig ademonderzoek), alsmede de aanwijzingen die ik in dat kader heb gegeven, op te volgen.
Geen medewerking voorlopig onderzoek uitgeademde lucht
De bestuurder verleende geen medewerking aan het voorlopig onderzoek van uitgeademde
lucht, wat mij bleek uit: de verdachte wilde niet meewerken aan een ademtest. Ik hoorde de verdachte verklaren dat hij dit niet wilde doen.
Identiteitsgegevens van de verdachte
De verdachte gaf mij op te zijn genaamd:
Achternaam: [verdachte] (het hof begrijpt [verdachte])
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedag] 1995
De opgegeven personalia werden door mij geverifieerd aan de hand van zijn geldig rijbewijs.
Bevel tot medewerking aan ademanalyse
Op 21 oktober 2022 om 01.47 uur heb ik de verdachte bevolen zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet 1994. Tevens heb ik hem meegedeeld dat hij verplicht was tijdens dit onderzoek gevolg te geven aan alle, door de bedienaar van het ademanalyseapparaat, ten dienste van dit onderzoek gegeven aanwijzingen. Vervolgens is de verdachte meegedeeld dat een weigering van dit onderzoek een misdrijf oplevert. Voor dit onderzoek is de verdachte overgebracht naar het bureau van politie in Amersfoort.
Geen gevolg aan bevel tot medewerking ademanalyse
De verdachte gaf op 21 oktober 2022 om 01.48 uur geen gevolg aan dit bevel, wat mij bleek uit het volgende feit: er is door verbalisant [verbalisant 2] , rang Brigadier, het bevel gegeven voor de medewerking aan de ademanalyse. Gezien het feit dat de verdachte naar alcohol riekte en rood doorlopen ogen had. De verdachte verklaarde vervolgens niet mee te willen werken aan de ademanalyse.
2. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 21 oktober 2022, digitale dossierpagina’s 11-12, voor zover inhoudende de verklaring van de verdachte:
V: verdachte
P: verhoorder
P: Er is je bevolen medewerking te verlenen aan een ademanalyse. Waarom weiger je hieraan medewerking te verlenen?
V: Ik heb hier geen zin in.
Bewijsoverweging
De raadsvrouw van de verdachte heeft ter zitting in hoger beroep aangevoerd dat het bevel tot ademanalyse onbevoegd is gegeven. Verbalisant [verbalisant 1] heeft het bevel tot ademanalyse gegeven en hij is de enige die het proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 21 oktober 2022 heeft ondertekend, echter zou [verbalisant 1] niet over de juiste rang beschikken. Daarnaast heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er onjuistheden in voornoemd proces-verbaal staan. Als gevolg daarvan heeft de raadsvrouw het hof verzocht het proces-verbaal niet tot het bewijs te bezigen, hetgeen tot vrijspraak dient te leiden.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Het hof overweegt dat – ingevolge artikel 163 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) – bij verdenking dat de bestuurder van een voertuig heeft gehandeld in strijd met artikel 8 WVW 1994, de opsporingsambtenaar hem kan bevelen om medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, en artikel 8, derde lid, onderdeel a WVW 1994. De onderdelen a in het tweede en derde lid van artikel 8 WVW 1994 zien op het alcoholgehalte in de uitgeademde lucht. Ingevolge artikel 163, lid 8 WVW 1994 worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels vastgesteld omtrent de wijze van uitvoering van dat artikel.
Deze nadere regels zijn neergelegd in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer. Artikel 10, lid 3 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer bepaalt dat het ademonderzoek wordt verricht door een opsporingsambtenaar. Ingevolge artikel 1 onderdeel a van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer wordt in dit besluit onder opsporingsambtenaar verstaan een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering. Ingevolge artikel 141 onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 2 onderdeel a van de Politiewet 2012 betreft dit ambtenaren die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak.
Op grond van het voorgaande komt het hof komt tot de conclusie dat verbalisant [verbalisant 1] bevoegd was om het bevel tot het verlenen van medewerking aan het ademonderzoek te geven. Het verweer van de raadsvrouw wordt derhalve verworpen.
Ten aanzien van de door de raadsvrouw aangedragen onjuistheden in het proces-verbaal merkt het hof op dat, voor zover daar sprake van is, deze niet bijdragen aan het bewijs. Ten overvloede overweegt het hof dat deze door de raadsvrouw gestelde onjuistheden niet van dusdanige aard zijn dat het gehele proces-verbaal als onbetrouwbaar terzijde geschoven dient te worden. Dit verweer van de raadsvrouw wordt eveneens verworpen.
Aanvulling van de strafmotivering
Het hof verenigt zich met hetgeen door de politierechter omtrent de op te leggen straf is overwogen en beslist. Het hof zal deze overwegingen aanvullen met de constatering dat in hoger beroep sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het hof stelt de aanvang van deze termijn op de datum van het instellen van het hoger beroep op 10 oktober 2023. Het einde wordt door het hof gesteld op 15 oktober 2025, zijnde de datum van de einduitspraak van het hof. Daarmee is de redelijke termijn van 2 jaren met enkele dagen overschreden. Gelet op deze zeer geringe overschrijding volstaat het hof met de constatering ervan en zal daaraan geen verdere consequenties verbinden.
BESLISSING
Het hof:
bevestigt het vonnis waarvan beroep, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Aldus gewezen door:
mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven, voorzitter,
mr. A.M.G. Smit en mr. A. Muller, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. D.S. Yap en mr. N. van Abeelen, griffiers,
en op 15 oktober 2025 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven, mr. A.M.G. Smit en mr. N. van Abeelen zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.