[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-gharl-2026-2455":3,"decision-more-ecli-nl-gharl-2026-2455":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"935","ECLI:NL:GHARL:2026:2455","",70,"Leeuwarden","leeuwarden","2026-04-21T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN\n\nlocatie Leeuwarden, afdeling civiel\n\nzaaknummer gerechtshof 200.316.457\u002F01\n\nzaaknummer rechtbank Overijssel 184625\n\narrest van 21 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [appellant],\n\ndie woont in [woonplaats] ,\n\ndie hoger beroep heeft ingesteld,\n\nen bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie, eiser in reconventie,\n\nhierna: [appellant],\n\nadvocaat: mr. Chr.D. de Vos te Assen,\n\ntegen\n\nAllianz Benelux N.V.,\n\ndie is gevestigd in Rotterdam,\n\nen bij de rechtbank optrad als eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,\n\nhierna: Allianz,\n\nadvocaat: mr. H.A. Kragt te Arnhem.\n\n1. Het verdere verloop van de procedure bij het hof\n\n1.1. Naar aanleiding van het arrest van 9 september 2025 heeft [appellant] een akte na tussenarrest (met een productie) genomen en heeft Allianz een antwoordakte (met een productie) genomen.1.2. Vervolgens heeft het hof een datum vastgesteld voor dit arrest.\n\n2. Het oordeel van het hof\n\nWat heeft het hof eerder beslist2.1. In het tussenarrest van 20 februari 2024heeft het hof over de schade van [appellant] wegens verlies verdienvermogen - kort gezegd - het volgende beslist: - voor de situatie zonder ongeval moet ervan worden uitgegaan dat [appellant] vanaf 1 juli 2004 een inkomen zou hebben gehad gelijk aan 110% van het minimumloon; - voor de situatie met ongeval moet zowel voor de periode van 1 juli 2004 tot 1 juli 2012 als voor de situatie vanaf 1 juli 2012 (tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd) worden uitgegaan van het feitelijke inkomen van [appellant] ; - als over de periode vanaf 1 juli 2012 sprake is van schade vanwege verlies verdienvermogen (doordat het inkomen met ongeval lager is dan het inkomen zonder ongeval) dient [appellant] de helft van deze schade zelf te dragen, omdat [appellant] zijn schadebeperkingsplicht heeft geschonden door geen werk meer te zoeken.\n\n2.2. In dat tussenarrest heeft het hof de heer [naam1] , rekenkundige bij het NRL (hierna: de deskundige), tot deskundige benoemd om met inachtneming van deze uitgangspunten de schade vanwege het verlies verdienvermogen te berekenen. De deskundige heeft op 4 februari 2025 gerapporteerd.\n\n2.3. In het tussenarrest van 9 september 2025heeft het hof - kort gezegd - het volgende beslist: - het hof ziet in de door Allianz aangevoerde argumenten geen reden om terug te komen op zijn beslissing in het tussenarrest van 20 februari 2024 over het causaal verband; - de eisvermeerdering van [appellant] is wat betreft de pensioenschade niet toelaatbaar, maar wat betreft de afgifte van een aantal garanties (belasting-, participatiewet-, huur- en zorgtoeslaggarantie) wel toelaatbaar; - [appellant] mag nog reageren op het door Allianz in het geding gebrachte rapport van haar partijdeskundige [naam2] LRGD QC van Sedgwick (hierna: [naam2] ).\n\nEen nieuwe productie in het laatste processtuk van Allianz en een (verkapte) vermeerdering van eis2.4. In zijn akte heeft [appellant] gereageerd op het rapport van [naam2] . Hij heeft daarbij verwezen naar een als productie overgelegd uitvoerig rapport van zijn eigen partijdeskundige mr. [naam3] van De Bureaus (hierna: [naam3] ). Allianz heeft vervolgens weer op dat rapport gereageerd en heeft in dat verband verwezen naar een bijgevoegd stuk van [naam2] . Op dat stuk van [naam2] heeft [appellant] niet kunnen reageren. Het hof zal hem daar ook niet toe in de gelegenheid stellen, omdat het stuk van [naam2] niet meer dan een beknopte reactie betreft op het rapport van [naam3] , waarop Allianz uiteraard mocht reageren.2.5. Het hof volgt Allianz niet in haar betoog dat slechts acht mag worden geslagen op het rapport van [naam3] voor zover daarin rekenkundige aspecten in aanmerking worden genomen. Het onderscheid tussen juridische en rekenkundige aspecten is, gelet op het geschil tussen partijen (een juridisch geschil over onder meer rekenkundige vragen), gekunsteld.\n\n2.6. In een voetnoot in haar akte maakt [appellant] ook aanspraak op vergoeding van de kosten van [naam3] (€ 4.007,28), primair als onderdeel van een uit te spreken proceskostenveroordeling, subsidiair op grond van artikel 6:96 BW. Omdat [appellant] deze eisvermeerdering niet eerder kon doen, ziet het hof geen reden die buiten beschouwing te laten. Het hof zal bij de beslissing op deze vordering uiteraard het verweer van Allianz betrekken.\n\nHet deskundigenrapport en de kritiek daarop2.7 De deskundige heeft de schade vanwege verlies verdienvermogen in zijn rapport berekend op € 257.716,-. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:\n\n- € 36.972,- voor de periode van 1 juli 2004 tot 1 juli 2012; - € 59.911,- voor de periode 1 juli 2012 tot 1 januari 2025; - € 160.833,- voor de periode vanaf 1 januari 2025. Per 1 januari 2024 bedraagt de wettelijke rente over de verschenen schade volgens de deskundige € 28.233,-.\n\n2.8. \n [appellant] meent dat in de berekening van de deskundige ten onrechte geen rekening is gehouden met mogelijke fiscale schade (vooral schade vanwege de ‘box 3 belasting’), met pensioenschade en met schade vanwege een mogelijke terugvordering van een in het verleden toegekende uitkering op grond van de Participatiewet. Volgens [appellant] mag geen rekening worden gehouden met deze uitkering, omdat er rekening mee moet worden gehouden dat de gemeente de uitkering zal terugvorderen als hij schadevergoeding ontvangt. [appellant] wil dat de deskundige een herberekening maakt, waarin wordt uitgegaan van een terugvordering. Ook voert hij aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het mogelijk vervallen van toekomstige aanspraken op huur- en zorgtoeslag. Dat is ook de reden dat hij alsnog de afgifte van diverse garanties heeft gevorderd.\n\n2.9. Allianz is het ook niet eens met de bevindingen van de deskundige. Volgens haar heeft de deskundige zich er geen rekenschap van gegeven dat met een schadevergoeding door Allianz het gezinsinkomen van [appellant] (bestaande uit een uitkering op grond van de Participatiewet en diverse toeslagen voor [appellant] en zijn vrouw) op de tocht komt te staan. Ook miskent de deskundige volgens Allianz dat het feitelijke inkomen van [appellant] (zelfs wanneer geen rekening zou worden gehouden met de uitkering van zijn vrouw) lager is dan de helft van het fictieve inkomen (50% van 110% van het minimumloon). Verder meent Allianz dat de deskundige ten onrechte heeft gerekend met de helft van de gezinsbijstand. Ten slotte vindt Allianz dat de deskundige zowel voor de kapitalisatiedatum als voor de wettelijke rente 1 januari 2025 had moeten hanteren.\n\n2.10. Het hof zal de kritiek van partijen op het deskundigenrapport hierna bespreken.\n\nDe rekenkundige verwerking van de eigen schuld2.11 Het hof heeft in rov. 5.18 van het tussenarrest van 20 februari 2024 het volgende beslist over (de wijze van verwerking van) de eigen schuld: ‘De conclusie is dat in de situatie na ongeval tot 1 juli 2012 kan worden uitgegaan van het feitelijke inkomen van [appellant] . Voor de situatie vanaf 1 juli 2012 tot aan diens pensioengerechtigde leeftijd moet ook worden uitgegaan van het feitelijk inkomen. Maar als over die periode sprake is van schade, doordat het feitelijk inkomen lager is dan het hypothetisch inkomen, dient hij de helft van die schade zelf te dragen.’ De rekenkundige verwerking van de eigen schuld die Allianz bepleit, in navolging van haar partijdeskundige [naam2] , wijkt daarvan af. Waar het hof voor de fictieve situatie uitgaat van het volledige hypothetische inkomen (110% van het minimumloon) en aangeeft dat het percentage eigen schuld over het verschil tussen dat hypothetische inkomen en het feitelijke inkomen (de schade) moet worden berekend, past [naam2] het percentage eigen schuld ten onrechte toe op het hypothetisch inkomen, dat daarmee halveert tot 55% van het minimumloon. Dat er dan, gelet op de hoogte van het minimumloon, geen of nauwelijks (afhankelijk van de vraag of voor de fictieve situatie met de volledige bijstandsuitkering of met de helft ervan wordt gerekend) schade resteert, ligt voor de hand.\n\n2.12. De kritiek van Allianz op de rekenkundige verwerking door de deskundige van de eigen schuld, is gezien het voorgaande ongegrond.\n\nDe toepasselijke bijstandsnorm2.13 Voordat het hof ingaat op de vraag of rekening moet worden gehouden met de ontvangen uitkering op grond van de Participatiewet (hierna: ook bijstandsuitkering), zal het eerst ingaan op de vraag met welke uitkering rekening moet worden gehouden, met de door [appellant] en zijn vrouw ontvangen uitkering op basis van de gezinsnorm, of met de helft daarvan. De deskundige is bij de bepaling van de feitelijke situatie uitgegaan van de helft van de uitkering. Hij wijst er in dat verband op dat uit de jaaropgaven blijkt dat de uitkering fiscaal gescheiden wordt uitgekeerd. Om die reden heeft hij ook de helft van de ontvangen bijstandsuitkering aan [appellant] toegerekend.\n\n2.14. Allianz is het niet eens met deze benadering. Volgens haar verhoudt dit rekenuitgangspunt zich niet met het feit dat [appellant] heeft aangegeven, dat hij kostwinner zou zijn geweest in de hypothetische situatie. Allianz verwijst in dat verband naar het rapport van de door de rechtbank benoemde arbeidsdeskundige Hulsen, die heeft genoteerd: ‘Vervolgens had betrokkene voor het gezinsinkomen willen zorgen en hiervoor fulltime hebben gewerkt. Zijn echtgenote zou dan het volledige huishouden hebben gedaan.’ Nu het gezin in de hypothetische situatie met 110% van het minimumloon zou hebben moeten rondkomen, dient volgens Allianz voor de feitelijke situatie te worden uitgegaan van de volledige gezinsbijstand.\n\n2.15. Zoals Allianz zelf al aangeeft ziet de door haar aangehaalde opmerking van [appellant] op de hypothetische situatie. Het gaat hier echter niet om de hypothetische situatie, maar om de feitelijke situatie, dus om de vraag op welk inkomen [appellant] in die situatie daadwerkelijk aanspraak heeft. Voor het antwoord op die vraag zijn de relevante bepalingen uit en de strekking van de Participatiewet doorslaggevend. Op grond van artikel 11 lid 4 Participatiewet komt het recht op (gezins)bijstand (op een hier niet relevante uitzondering na) aan de echtgenoten tezamen toe. De hoogte van de uitkering is afhankelijk van de vraag of de uitkeringsgerechtigde alleenstaand of gehuwd is (artikel 21 Participatiewet) en bij de zogenaamde middelentoets worden de inkomsten van beide echtgenoten in aanmerking genomen (artikel 31 lid 1 Participatiewet). Het inkomen van de ene echtgenoot heeft dus niet alleen gevolgen voor diens eigen aanspraken op een uitkering, maar ook op die van de andere echtgenoot. Datzelfde geldt voor het vermogen; het gezinsvermogen is bepalend voor de aanspraken op een uitkering.\n\n2.16. Een belangrijk uitgangspunt bij de begroting van letselschade is dat de schade van het individuele slachtoffer moet worden begroot, los van diens gezinssituatie. Dat uitgangspunt past ook in de maatschappelijke opvatting waarin iemand, althans voor zijn financiële situatie, niet als onderdeel van een gezin, maar als een zelfstandig persoon wordt gezien en behandeld. Dat uitgangspunt stuit hier echter op de door de wetgever in de Participatiewet neergelegde realiteit dat voor het recht op een bijstandsuitkering de gezinssituatie van de bijstandsgerechtigde in hoge mate bepalend is. Het hof ziet onvoldoende reden om bij de begroting van de feitelijkesituatie te abstraheren van deze realiteit. Het hof zal dan ook de volledige bijstandsuitkering aan [appellant] toerekenen indien er rekening gehouden moet worden met de bijstandsuitkering. De vraag of en in hoeverre met de uitkering rekening moet worden gehouden, zal het hof hierna bespreken.\n\nMoet rekening worden gehouden met de bijstandsuitkering?2.17 De Participatiewet is een vangnet voor mensen die niet op eigen kracht in hun levensonderhoud kunnen voorzien. De wet geeft hun, onder voorwaarden, het recht op een bijstandsuitkering die het eigen inkomen aanvult tot het niveau van het toepasselijke sociaal minimum. Gelet op deze vangnetfunctie heeft een gemeente de bevoegdheid om op elk moment te toetsen of een persoon (nog langer) voor bijstandverlening in aanmerking komt. Het ontvangen van een schadevergoeding uit een letselschadezaak kan van grote invloed zijn op het recht op bijstand, omdat in beginsel alle vermogens- en inkomstenbestanddelen van de bijstandsgerechtigde (en diens gezinsleden) op grond van artikel 31 lid 2 aanhef en onder m Participatiewet tot de middelen van de bijstandsgerechtigde worden gerekend, tenzij de ontvangen schadevergoeding naar het oordeel van de gemeente verantwoord is. De gemeente kan een uitgekeerde bijstandsuitkering onder omstandigheden op grond van artikel 58 lid 2 aanhef en onder f Participatiewet terugvorderen - in de woorden van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) - ‘als de betrokkene op een eerder tijdstip in de periode waarover bijstand is verleend aanspraak op bepaalde middelen had, maar daarover op dat moment feitelijk nog niet kon beschikken. Zodra de betrokkene wel over die middelen kan beschikken, kan de bijstandverlenende instantie de bijstand terugvorderen.Dit hangt samen met het aanvullende karakter van de bijstand [onderstreping hof]. Voor het bepalen van de hoogte van het terugvorderingsbedrag moet achteraf een fictieve vermogensvaststelling plaatsvinden naar de situatie op de peildatum. Als de aanspraak na de aanvang van de bijstand is ontstaan, zoals in deze zaak, dan is de dag waarop de aanspraak is ontstaan de peildatum. Als uitgangspunt geldt dat de aanspraak op vergoeding van schade door een ongeval ontstaat op de datum van dat ongeval.’\n\n2.18. De bijstandsuitkering heeft, gelet op de genoemde vangnetfunctie van de Participatiewet, dus een aanvullend karakter. Dat betekent dat bij de begroting van de schade vanwege verlies verdienvermogen in beginselgeen rekening moet worden gehouden met een bijstandsuitkering. Dat is ook in lijn met de maatschappelijke opvatting dat degene die schade veroorzaakt zelf voor die schade moet instaan en die schade niet kan afwentelen op de algemene middelen. Maar ook hier geldt dat een principieel uitgangspunt in de praktijk tot praktische problemen kan leiden. Als de benadeelde bij de afwikkeling van de schade al enige tijd een bijstandsuitkering heeft ontvangen en daarmee bij de afwikkeling geen rekening wordt gehouden is het mogelijk dat de gemeente geen (of niet volledig) gebruik maakt van haar terugvorderingsbevoegdheid. In dat geval ontvangt de benadeelde over de periode waarover hij een bijstandsuitkering heeft ontvangen meer schadevergoeding dan hij feitelijk aan schade heeft geleden.\n\n2.19. Allianz stelt in feite voor dat probleem op te lossen door bij de bepaling van de schade vanwege verlies arbeidsverleden over het verleden de ontvangen bijstandsuitkering als in de feitelijke situatie ontvangen inkomsten mee te nemen. Ook de deskundige hanteert dit uitgangspunt, zij het dat hij uitgaat van de helft van de ontvangen bijstandsuitkering. Het hof gaat daar niet in mee. Allereerst niet omdat daardoor het aanvullende karakter van de bijstandsuitkering miskend wordt. Het principiële uitgangspunt wordt op deze wijze geheel terzijde gesteld. Bovendien kan er niet van worden uitgegaan dat de gemeente geen gebruik zal maken van haar terugvorderingsbevoegdheid. De deskundige heeft daarover in het kader van zijn onderzoek informatie ingewonnen bij de gemeente. De gemeente heeft hem in een e-mail van 31 oktober 2024 onder meer geschreven dat een ontvangen schadevergoeding nietals middelen wordt beschouwd tenzij ‘met hetzelfde doel bijstand is verstrekt of hiervoor later bijstand wordt gevraagd’. In een e-mail van 20 november 2024 aan de deskundige schreef de gemeente dat het ontvangen van een schadevergoeding leidt tot toetsing en dat in dat kader zal worden beoordeeld of de uitkering beëindigd moet worden.\n\n2.20. \n [appellant] wil het probleem oplossen door bij de begroting van zijn schade geen rekening te houden met de door hem ontvangen bijstandsuitkering. Bij die benadering is het mogelijk dat [appellant] over de periode in het verleden én een bijstandsuitkering ontvangt én een vergoeding van schade vanwege verlies verdienvermogen die is vastgesteld zonder dat daarbij rekening is gehouden met het ontvangen van die uitkering. Het hof vindt dat niet verantwoord, ook omdat het om een lange periode gaat en met de uitkering in die periode een substantieel bedrag is gemoeid.\n\n2.21. Het hiervoor omschreven dilemma kan ook niet worden opgelost door afgifte van een Participatiewetgarantie. Wanneer het hof over de periode van de bijstandsverlening de oplossing van Allianz volgt, is zo’n garantie niet nodig; over deze periode wordt dan immers geen schade vanwege verlies arbeidsvermogen vergoed, zodat er voor de gemeente niets te verhalen valt. Zou het hof de oplossing van [appellant] volgen, dan is een garantie ook overbodig. [appellant] ontvangt dan immers teveel en wanneer hij het meerdere moet afdragen aan de gemeente is dat terecht en kan hij Allianz daarop niet aanspreken.\n\n2.22. Het hof kiest ervoor om (alleen) voor de periode van de bijstandsuitkering de zaak te verwijzen naar de schadestaat. Het hof stelt het begin van die periode op 1 juli 2012 en het einde op 1 oktober 2026, waarbij het ervan uitgaat dat [appellant] per die datum aanspraak heeft op betaling van een zodanig bedrag aan schadevergoeding vanwege verlies arbeidsvermogen dat zijn aanspraken op bijstand komen te vervallen. De gemeente kan vervolgens over het verleden de balans opmaken en bepalen of en in hoeverre zij de betaalde uitkering wil terugvorderen. Indien dat het geval is, kan [appellant] alsnog aanspraak maken op betaling door Allianz van het terug te vorderen bedrag. Het hof gaat er daarbij vanuit dat de gemeente er bij de terugvordering rekening mee houdt dat [appellant] ook over de periode van de bijstandsverlening slechts aanspraak heeft op de helft van zijn schade (bestaande uit het verschil tussen een inkomen op basis van 110% van het minimumloon, te vermeerderen met de daarnaast te ontvangen toeslagen - daarover hierna meer - en de daadwerkelijk ontvangen toelagen).\n\n2.23. Voor de periode tot 1 juli 2012 kunnen de ‘bijstandsperikelen’ buiten beschouwing blijven. Voor de periode vanaf 1 oktober 2026 ligt dat anders. Met ingang van die datum zal [appellant] geen aanspraak meer hebben op een bijstandsuitkering. In de feitelijke situatie is het inkomen (afgezien van toeslagen) nihil.\n\nSpelen de toeslagen een rol?2.24 De deskundige heeft in zijn rapport geen rekening gehouden met de invloed van toeslagen. Op het verzoek van de advocaat van [appellant] naar aanleiding van het concept-rapport om de toeslagen in zijn onderzoek te betrekken heeft de deskundige geantwoord:\n\n‘Om aspecten als huurtoeslag in de berekening op te nemen, is niet conform de opdracht van het hof. Een aspect als zorgtoeslag is ook niet in de berekening opgenomen en dit heeft te maken met de opdracht dat voor het inkomen na ongeval uitgegaan moet worden van het feitelijk inkomen. De feitelijke situatie is dat er een partner is, maar de partner moet worden\n\n'losgekoppeld' van de berekening. Er is dus een soort spagaat, want uitgaande van een\n\nalleenstaande zou de zorgtoeslag berekend kunnen worden, maar nu er een partner is, die niet (financieel) in de berekening opgenomen moet worden, lukt dit niet.’\n\n2.25. Het staat de deskundige vrij om de voor de berekening van de schade vanwege verlies arbeidsvermogen relevante aspecten in zijn beschouwingen te betrekken, ook als die niet expliciet zijn vermeld, nog daargelaten dat de deskundige in geval van twijfel zich tot de raadsheer-commissaris kan wenden. Wat daar ook van zij, naar het oordeel van het hof moet bij de begroting van de schade vanaf 1 oktober 2026 wel rekening worden gehouden met de gevolgen van het volledig wegvallen van inkomen uit arbeid en de daartegenover staande ontvangst van een schadevergoedingsuitkering op de aanspraken op toeslagen. [appellant] heeft met het rapport van [naam3] voldoende aannemelijk gemaakt dat hij vanaf de ontvangst van het schadebedrag betreffende de eerste en de derde periode, dus vanaf 1 juli 2026, geen aanspraak meer zal hebben op zorgtoeslag en al helemaal niet op huurtoeslag, gelet op de geldende vermogensdrempels. Bij het bepalen van de gevolgen voor de toeslagen moet worden uitgegaan van de gezinssituatie van [appellant] . Het hof verwijst voor de motivering naar wat het hiervoor bij de toepasselijke bijstandsnorm heeft overwogen.\n\n2.26. Voor de beide andere periodes kan een berekening van de consequenties voor de toeslagen achterwege blijven. Het hof gaat er daarbij vanuit dat die consequenties voor de periode tot 1 juli 2012 gering zijn. Indien de gemeente terugvordert, kunnen de consequenties van de toeslagen voor de periode van 1 juli 2012 tot 1 oktober 2026 worden begroot in de schadestaatprocedure. Daarbij kan ervan worden uitgegaan dat [appellant] in de feitelijke situatie aanspraak heeft op de door hem daadwerkelijk ontvangen toeslagen, nu gesteld noch gebleken is dat de toegekende toeslagen zullen worden teruggevorderd vanwege een achteraf toegekende aanspraak op schadevergoeding. Integendeel, [naam3] geeft in zijn rapport expliciet aan dat toegekende toeslagen niet worden teruggevorderd omdat de vermogenstoets voor de toeslagen telkens per 1 januari van het desbetreffende jaar plaatsvindt.\n\nBelasting op grond van box 32.27 Indien [appellant] als gevolg van de ontvangst van een schadevergoedingsuitkering vermogensrendementsbelasting verschuldigd is, heeft hij aanspraak op vergoeding van die schade. De deskundige heeft een vraag van de advocaat van [appellant] daarover naar aanleiding van het concept-rapport als volgt beantwoord: ‘Er wordt geen fiscale component berekend, omdat er in de situatie met gebeurtenis\n\ngeen inkomsten zijn. Een (eventuele) heffing Box 3 wordt verrekend met de vrijgevalllen\n\nheffingskortingen.’ Hij wordt daarin bijgevallen door [naam2] , terwijl [naam3] zich niet uitlaat over dit punt. Het hof gaat er dan ook vanuit dat in dit geval geen sprake zal zijn van belastingschade vanwege de box 3 heffing over de te ontvangen schadevergoedingsuitkering.\n\nBuitengerechtelijke kosten2.28 [appellant] vordert ongeveer € 205.000,- aan kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand, te vermeerderen met wettelijke handelsrente. In het tussenarrest van 20 februari 2024 heeft het hof al overwogen dat geen wettelijke handelsrente verschuldigd is, maar voor zover al wettelijke rente verschuldigd is de ‘gewone’ wettelijke rente volstaat. Verder heeft het hof overwogen en beslist dat [appellant] nog aanspraak heeft op vergoeding van € 3.338,66 aan medische kosten. Bij dat bedrag is, conform de berekening van [appellant] zelf, al rekening gehouden met een betaald voorschot van € 5.000,-. Over de kosten is wettelijke rente verschuldigd. [appellant] dient die wettelijke rente te (laten) berekenen per 1 oktober 2026. Bij die berekening kan worden uitgegaan van de bedragen en de factuurdata die zijn vermeld in het als productie 51d bij memorie van grieven door [appellant] overgelegde overzicht. De wettelijke rente gaat steeds in 14 dagen na de factuurdatum.\n\n2.29. Zoals het hof in het tussenarrest van 20 februari 2024 heeft overwogen, heeft [appellant] aanspraak op € 15.000,- aan vertaalkosten. Over dit bedrag zal de wettelijke rente worden toegewezen vanaf 1 oktober 2026, omdat gesteld noch gebleken is dat [appellant] dit bedrag al heeft betaald en evenmin dat hij wanneer hij het alsnog betaalt daarover wettelijke rente verschuldigd is.\n\n2.20. Over de kosten van de belangenbehartiger van [appellant] heeft het hof in het genoemde tussenarrest overwogen dat het gevorderde bedrag (ruim € 123.000,-) het hof als bovenmatig voorkomt, ook omdat alleen buitengerechtelijke kosten kunnen zijn gemaakt in de jaren 2008 - 2016 en in die jaren geen intensieve onderhandelingen hebben plaatsgevonden. Wel is in 2012 een deelgeschilprocedure gevoerd. Voor de kosten van het deelgeschil is al een vergoeding toegekend. Desondanks worden voor het jaar 2012 veel ‘uren geschreven’ en gevorderd betreffende dat deelgeschil. Ook op de specificaties betreffende andere jaren is het nodige op te merken.\n\n2.21. Al met al kan de vordering van [appellant] de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaan. Het is wel aannemelijk dat de belangenbehartigers van [appellant] buiten rechte enige werkzaamheden hebben verricht. Het hof zal die werkzaamheden, alles afwegende, schatten op € 20.000,- (inclusief btw). Over dit bedrag is wettelijke rente verschuldigd vanaf 1 oktober 2026. Het hof verwijst op dit punt naar wat het heeft overwogen over de vertaalkosten.\n\nHoe nu verder?2.22. Nu de resterende knopen zijn doorgehakt, kan de balans worden opgemaakt. Dat is in eerste instantie aan partijen. Het hof zal allereerst [appellant] in de gelegenheid stellen om op basis van de beslissingen van het hof te laten berekenen welk bedrag Allianz hem per saldo verschuldigd is. De (redelijke) kosten van het door [appellant] op te stellen berekeningsrapport komen voor rekening van Allianz. Het berekeningsrapport dient de volgende componenten te hebben: a. schade vanwege verlies verdienvermogen tot 1 juli 2012: De berekening van de deskundige kan worden gevolgd. De schade bedraagt dus € 36.972,-. Over dit bedrag dient de wettelijke rente per 1 oktober 2026 te worden berekend; b. schade vanwege verlies verdienvermogen vanaf 1 oktober 2026 tot aan pensioengerechtigde leeftijd: In de fictieve situatie wordt uitgegaan van 110% van het minimumloon, vermeerderd met de toeslagen waarop (het gezin) [appellant] aanspraak heeft. In de feitelijke situatie wordt uitgegaan van een inkomen van nihil, te vermeerderen met eventuele toeslagen waarop (het gezin) [appellant] , rekening houdend met het vermogen per 1 januari van elk jaar, aanspraak heeft. [appellant] heeft aanspraak op 50% van het verschil. De kapitalisatiedatum is 1 oktober 2026. c. Buitengerechtelijke kosten: Medische kosten van € 3.338,66, te vermeerderen met de wettelijke rente per 1 oktober 2026 (berekend overeenkomstig rov. 2.28), vertaalkosten van € 15.000,-, met wettelijke rente per 1 oktober 2026 en kosten rechtsbijstand van € 20.000,-, met wettelijke rente per 1 oktober 2026. Bij deze wijze van afdoening kan de afgifte van garanties achterwege blijven.\n\n2.23. \n [appellant] dient het rapport bij akte in het geding te brengen. Allianz kan bij akte reageren. In het vervolgens te wijzen arrest - naar verwachting het eindarrest - zal het hof het verschuldigde bedrag toewijzen en de zaak voor wat betreft (50% van) de schade vanwege verlies verdienvermogen in de periode van 1 juli 2012 tot 1 oktober 2026 verwijzen naar de schadestaat. Het hof gaat er vanuit dat partijen er aan zullen meewerken dat vóór 1 oktober 2026 arrest kan worden gewezen.\n\n3. De beslissing\n\nHet hof:\n\n3.1. verwijst de zaak naar de rol van 2 juni 2026 voor akte aan de zijde van [appellant] ;3.2. iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. H. de Hek, J.E. Wichers en J.C.J. Dute, en is door de rolraadsheer in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.\n\n ECLI:NL:GHARL:2024:1232.\n\n ECLI:NL:GHARL:2025:5608.\n\n CRvB 16 september 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1406, met verwijzing naar CRvB 22 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:430.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2026:2455","ecli-nl-gharl-2026-2455",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]