ECLI:NL:GHARL:2026:268
Case Summary
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Arnhem
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.355.945/01
(zaaknummer rechtbank Overijssel 311830)
beschikking van 20 januari 2026
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] , verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. R. Westendorp-Hertgers,
en
[verweerster],
wonende te [woonplaats2] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. G.A.P. Avontuur.
1. 1. Het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 24 april 2024, van 21 oktober 2024 en van 18 maart 2025, uitgesproken onder voormeld zaaknummer. De laatstgemelde beschikking wordt hierna ook aangeduid als ‘de bestreden beschikking’.
2. Het geding in hoger beroep
2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift tevens houdende verzoek tot voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv,
met producties 1 tot en met 7, ingekomen op 28 juni 2025;
het verweerschrift in hoger beroep, met producties 1 tot en met 20;
een journaalbericht van mr. Avontuur van 17 november 2025 met producties 21 tot en
met 30;
- een journaalbericht van mr. Westendorp-Hertgers van 17 november 2025 met producties 8
tot en met 11;
een journaalbericht van mr. Avontuur van 17 november 2025 met productie 31;
een journaalbericht van mr. Westendorp-Hertgers van 25 november 2025 met productie 12.
2.2. Op 4 augustus 2025 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek om voorlopige voorzieningen te treffen plaatsgevonden. Bij beschikking van 21 augustus 2025 is dat verzoek afgewezen.
2.3. De mondelinge behandeling van de hoofdzaak heeft op 27 november 2025 plaatsgevonden. De vader en de moeder zijn daar verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) is een zittingsvertegenwoordiger verschenen.
3. De feiten
3.1. De vader en de moeder hebben van juni 2022 tot januari 2024 een affectieve relatie gehad. Zij zijn de ouders van [de minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2023 in [geboorteplaats] .
3.2. In de beschikking van 24 april 2024 heeft de rechtbank de moeder vervangende toestemming verleend voor een vakantie naar Turkije en een voorlopige (begeleide) zorg- en contactregeling vastgesteld tussen de vader en [de minderjarige] . Iedere verdere beslissing is aangehouden.
3.3. In de beschikking van 21 oktober 2024 heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad en tot nader wordt beslist of overeengekomen, bepaald dat de vader met ingang van 21 oktober 2024 aan de moeder € 455 per maand moet betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] (kinderalimentatie). De moeder is niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek om de achternaam van [de minderjarige] te wijzigen. Verder heeft de rechtbank de raad verzocht om de rapporteren en te adviseren over de zorg- en contactregeling, de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] en het gezag.
3.4. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank de moeder met ingang 18 maart 2025 alleen belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . De door de vader te betalen kinderalimentatie is gewijzigd in die zin dat de vader vanaf 18 maart 2025 aan de moeder € 625 per maand moet voldoen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. Verder is bepaald dat met ingang van 18 maart 2025 geen omgangsregeling zal gelden tussen de vader en [de minderjarige] . De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de kosten van de procedure zijn gecompenseerd, in die zin dat iedere ouder de eigen kosten draagt. Het meer of anders verzochte is afgewezen.
4. De omvang van het geschil
4.1. Tussen partijen is geschil:
a. het gezag;
b. de verdeling van de zorg- en opvoedtaken dan wel een omgangsregeling; en
c. (voorwaardelijk) de kinderalimentatie.
4.2. De vader is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Zijn derde grief is een voorwaardelijke grief, voor het geval het hof de bestreden beschikking vernietigt en een zorgregeling vaststelt. Hij verzoekt het hof:
te bepalen dat de ouders met ingang van heden gezamenlijk belast zijn met het ouderlijk gezag;
een verdeling van de zorg- en opvoedtaken dan wel een omgangsregeling vast te stellen zoals hij die voor staat;
de door hem te betalen kinderalimentatie, afhankelijk van de vast te leggen zorgregeling en de daarbij behorende zorgkorting, vast te stellen op € 484,58 dan wel € 405 dan wel € 317 per maand.
Verder bevat het verzoek van de vader de woorden ‘kosten rechtens’.
4.3. De moeder voert verweer en verzoekt het hof om de bestreden beschikking te bekrachtigen en het hoger beroep van de vader ongegrond te verklaren. Ook zij vermeldt in haar verweerschrift: ’kosten rechtens’.
5. De motivering van de beslissing
a. gezag
5.1. De ouders hadden gezamenlijk het gezag. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank bepaald dat de moeder vanaf de datum van die beschikking alleen het gezag heeft. De vader is het met die beslissing niet eens. Hij verzoekt het hof daarom die beslissing te vernietigen, zodat de vader en de moeder weer gezamenlijk het gezag hebben.
5.2. Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
5.3. De rechtbank heeft het gezag op grond van het hiervoor onder b. vermelde criterium alleen aan de moeder toegekend. Het hof zal het gezag bij de moeder laten, zoals ook de raad heeft geadviseerd. Gezamenlijk gezag houdt in dat de ouders [de minderjarige] samen moeten verzorgen en opvoeden. Het hof ziet niet in hoe partijen dat samen zouden kunnen doen. Uit het hele procesdossier blijkt dat de situatie tussen de ouders zodanig is geëscaleerd en dat zij zodanig tegenover elkaar staan dat samenwerken tussen hen op dit moment volstrekt niet mogelijk is. Om in dat geval het gezamenlijk gezag te herstellen zou niet in het belang van [de minderjarige] zijn. Het verzoek van vader daartoe zal daarom worden afgewezen.
b. omgangsregeling
5.4. In de (tussen)beschikking van de rechtbank van 24 april 2024 is een voorlopige zorg- en contactregeling vastgesteld tussen de vader en [de minderjarige] . Daarbij heeft de rechtbank bepaald dat die regeling begeleid moest zijn. Aanvankelijk hebben de ouders van de vader de omgang begeleid, op enig moment is dat overgenomen door [naam] . In de bestreden beschikking is bepaald dat er geen omgangsregeling zal gelden tussen de vader en [de minderjarige] . De vader is het met die beslissing niet eens. Hij verzoekt het hof een nader te bepalen opbouwregeling vast te stellen waarbij [de minderjarige] (uiteindelijk) in de ene week bij de vader verblijft en de andere week bij de moeder, en de wisseling plaats vindt op vrijdagavond. Voor de vakanties en feestdagen heeft de vader zelf een regeling opgesteld en hij verzoekt het hof die vast te leggen.
5.5. De rechter kan de niet met het gezag belaste ouder het recht op omgang met het kind uitsluitend ontzeggen op de in artikel 1:377a lid 3 BW limitatief opgesomde gronden. In deze zaak heeft de rechtbank overwogen dat nu de vader niet wilde meewerken aan een veiligheidsonderzoek, niet duidelijk is wat de risico’s zijn terwijl er ernstige zorgen zijn over de mogelijkheid van veilig contact met [de minderjarige] . Onder die omstandigheden is niet duidelijk of contact in het belang van [de minderjarige] is.
5.6. Het hof stelt voorop dat op 1 maart 2016 voor Nederland in werking is getreden het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (hierna: Verdrag van Istanbul). Verdragspartijen moeten wetgevende of andere maatregelen nemen om te waarborgen dat bij de vaststelling van de voogdij en omgangsregeling voor kinderen rekening wordt gehouden met gevallen van geweld die vallen onder de reikwijdte van het Verdrag (artikel 31 van het Verdrag van Istanbul). Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft duidelijke richtlijnen gegeven voor situaties van huiselijk geweld en drie noodzakelijke stappen voorgeschreven: onmiddellijke actie, adequate inschatting van de risico’s (ook voor de kinderen) en het op basis van die inschatting nemen van adequate en proportionele maatregelen. Ook uit artikel 19 van het Verdrag Inzake de Rechten van het Kind en het daarbij behorende General Comment volgt dat als er signalen zijn van partnergeweld deze nader moeten worden onderzocht, omdat dit direct een belangrijke aanwijzing oplevert dat ook de kinderen slachtoffer kunnen zijn of worden van geweld. In de Nederlandse wetgeving op het gebied van gezag en omgang wordt niet expliciet genoemd dat geweld tegen vrouwen/mannen of huiselijk geweld een factor is waarmee de rechter rekening houdt bij het nemen van zijn beslissing, maar vanzelfsprekend is dat de Nederlandse rechter dat wel (expliciet) moet doen; de veiligheid van de ouder en het kind zal centraal moeten staan bij de vraag welke gezagsbeslissing en/of zorg- of omgangsregeling in het belang van het kind is.
5.7. Inmiddels heeft toch het veiligheidsonderzoek (MASIC) plaatsgevonden en heeft de vader daaraan meegewerkt. De vader heeft het concept MASIC-rapport overgelegd. De moeder heeft daartegen bezwaar gemaakt, omdat dit volgens haar nog een aantal (feitelijke) onjuistheden bevat. Ook de vader heeft overigens een aantal bezwaren tegen feitelijke vaststellingen in het concept-rapport. De conclusie uit het rapport is dat sprake is van partnergeweld in de vorm van dwingende controle die zich uit in een structurele onveiligheid in het communicatiepatroon tussen de ouders. Van acute onveiligheid lijkt op dit moment geen sprake, aldus het rapport. Daarmee kan niet gezegd worden dat verder werken aan de totstandkoming van een ruimere omgang tussen de vader en [de minderjarige] niet tot de mogelijkheden behoort.
5.8. In het concept MASIC rapport wordt een dringend advies gegeven om bij zowel de vader als de moeder en persoonlijkheidsonderzoek af te nemen. Beiden dienen vervolgens met behulp van de uitkomsten uit het persoonlijkheidsonderzoek en de hulpverlening bij Parallel Solo Ouderschap zicht te krijgen op hun triggers en emoties en deze te herkennen. De onderzoekers zien zorgen in het gedrag van beide ouders en het effect daarvan op [de minderjarige] en vinden het daarom passend, in het kader van de opstart van omgang tussen de vader en [de minderjarige] , om OKI-B in te zetten (OKI-B staat voor Ouder Kind Interactie Bewegingsspel en is een therapeutische methode voor ouders/verzorgers en kinderen). Het komt het hof bijzonder wenselijk voor dat beide ouders een persoonlijkheidsonderzoek dienen te ondergaan en het Parallel Solo Ouderschapstraject allebei volledig afronden. Het hof ziet dat dan ook als een absolute voorwaarde om tot een definitieve omgangsregeling te komen.
5.9. Omdat de hulpverlening en de onderzoeken niet op korte termijn zullen zijn afgerond zal het hof voorlopig, dus tot het moment dat de persoonlijkheidsonderzoeken zijn afgerond en het Parallel Solo Ouderschapstraject door beiden volledig is doorlopen en de definitieve resultaten daarvan zijn vastgesteld, of tot het moment dat een rechter anders beslist of partijen zelf andere afspraken maken, bepalen dat de vader eenmaal per twee weken, op zaterdag van 11.00 uur tot 13.00 uur, [de minderjarige] mag zien bij - en onder begeleiding van de grootouders vaderzijde. [de minderjarige] luncht daar dan ook.
5.10. Op de mondelinge behandeling is namens de vader verzocht om aan de moeder een dwangsom op te leggen voor het geval zij niet zou meewerken aan omgang. Daar gaat het hof aan voorbij. Dit verzoek is te laat gedaan en daarmee in strijd met de goede procesorde. Bovendien heeft de moeder op de zitting toegezegd te zullen meewerken aan een regeling als die door het hof zou worden opgelegd.
c. kinderalimentatie (zorgkorting)
5.11. Aan de inhoudelijke behandeling van de derde grief van de vader komt het hof niet meer toe. De voorlopige regeling zoals hiervoor vermeld is zodanig dat geen sprake is van zorgkosten als de vader [de minderjarige] ziet. Een zorgkorting is dan ook nog niet aan de orde.
6. De slotsom
6.1. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen en aanvullend beslissen als hierna vermeld.
6.2. Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu het een familiezaak betreft omtrent de minderjarige dochter van partijen. Daarbij past een compensatie van kosten.
7. De beslissing
Het hof, beschikkende in hoger beroep:
7.1. bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, van 18 maart 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en bepaalt aanvullend als volgt:
7.2. bepaalt dat de vader en de moeder beiden een persoonlijkheidsonderzoek dienen te ondergaan zoals vermeld in het MASIC-rapport;
7.3. bepaalt dat, tot het moment dat het Parallel Solo Ouderschapstraject door beiden volledig is doorlopen en de persoonlijkheidsonderzoeken van de vader en de moeder zijn afgerond en de definitieve resultaten daarvan zijn vastgesteld of tot het moment dat een rechter anders beslist of partijen zelf andere afspraken maken, de vader eenmaal per twee weken, op zaterdag van 11.00 uur tot 13.00 uur, [de minderjarige] mag zien bij - en onder begeleiding van de grootouders vaderzijde en [de minderjarige] luncht daar dan ook;
7.4. verklaart deze beschikking (tot zover) uitvoerbaar bij voorraad;
7.5. compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;
7.6. wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.U.M. van der Werff, J.H. Lieber en M.L. van der Bel, bijgestaan door mr. H.P.J. Meijerink als griffier, en is op 20 januari 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.