Skip to main content

ECLI:NL:GHARL:2026:3925

Court

Arnhem

Date

15 June 2026

Language

nl

Case Summary

Legal Issue

Civiel recht; Personen- en familierecht

Holding / Outcome

Uitspraak

Arnhem

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem, afdeling civiel

zaaknummer gerechtshof 200.369.189

faillissementsnummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo [zaaknummer]

arrest van 15 juni 2026

in de zaak van:

[appellant] ( [appellant] )

die is gevestigd in [vestigingsplaats]

advocaat: mr. G. de Gelder

tegen

1. Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid

die is gevestigd in Amsterdam2. Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds Bouw & Infra

die is gevestigd in Harderwijk3. Stichting Aanvullingsfonds Bouw & Infra

die is gevestigd in Harderwijk

hierna gezamenlijk: de aanvragers

advocaat: mr. S.K. Tuithof

1. De procedure bij de rechtbank

Bij vonnis van 13 mei 2026 heeft de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, [appellant] in staat van faillissement verklaard, met aanstelling van mr. G.W. Weenink tot curator.

2. Het verloop van de procedure in hoger beroep

2.1..
[appellant] heeft hoger beroep ingesteld bij het hof tegen dat vonnis. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:

het tijdig ingediend beroepschrift met bijlagen;

de brief van de curator van 4 juni 2026 met het boedelverslag en een reactie op het beroepschrift, met bijlagen;

de brief van 5 juni 2026 van mr. De Gelder met bijlage;

het e-mailbericht van 8 juni 2026 van mr. Tuithof; en

de brief van 8 juni 2026 van mr. De Gelder met bijlagen.

2.2.. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 juni 2026. Hierbij zijn verschenen:

namens [appellant] de heer [bestuurder van appellant] , bijgestaan door mr. De Gelder;

namens de aanvragers mr. Tuithof via Teams-verbinding; en

de curator.

3. De toelichting op de beslissing van het hof

Het oordeel van de rechtbank

3.1.. De rechtbank heeft [appellant] in staat van faillissement verklaard omdat summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van de aanvragers en van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat [appellant] in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen.

Het juridisch kader

3.2.. Het hof stelt voorop dat een faillietverklaring kan worden uitgesproken als summierlijk is gebleken van een ten tijde van de faillietverklaring bestaand vorderingsrecht van de aanvrager en ook van het (op het moment van het wijzen van dit arrest) bestaan van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de schuldenaar verkeert in de toestand van te hebben opgehouden te betalen. Dat de schuldenaar meer schuldeisers heeft (het zogenoemde pluraliteitsvereiste) is een noodzakelijke, maar niet een voldoende, voorwaarde voor het aannemen van de hiervoor bedoelde toestand. Ook als aan het pluraliteitsvereiste is voldaan, moet worden onderzocht of de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen.

Het vorderingsrecht en pluraliteit van schuldeisers

3.3.. In hoger beroep staat vast dat ieder van de aanvragers een vordering op [appellant] heeft en die drie vorderingen samen zijn inmiddels opgelopen tot een totaalbedrag van ongeveer € 90.000,- inclusief rente en kosten. Daarmee is voldaan aan het pluraliteitsvereiste, terwijl uit het door de curator in hoger beroep overgelegde crediteurenoverzicht overigens blijkt dat [appellant] een schuldenlast heeft van € 32.881,62, bij diverse andere schuldeisers.

De toestand van te hebben opgehouden te betalen

3.4.. Het hof stelt voorop dat per het moment van het wijzen van dit arrest (ex nunc) moet worden beoordeeld of [appellant] in de toestand van te hebben opgehouden te betalen verkeert. Daarbij is van belang of op dat moment voldoende middelen beschikbaar zijn om de vorderingen van de aanvragers, de vorderingen van de geverifieerde schuldeisers en de kosten van het faillissement te voldoen.

3.5..
[appellant] heeft ter zitting verklaard en met bankafschriften onderbouwd, dat een bedrag van € 50.000,- is overgeboekt op de derdengeldenrekening van haar advocaat. Dit bedrag zal bij vernietiging van het faillissement worden aangewend om haar schuldeisers te voldoen, aldus [appellant] . Daarnaast volgt uit het boedelverslag en de verklaringen van de curator en [appellant] dat het saldo op de boedelrekening ongeveer € 80.000,- bedraagt en dat deel van het saldo op de g-rekening dat in de boedel valt ongeveer € 10.000,- bedraagt. Dit betekent dat er een saldo van ongeveer € 140.000,- beschikbaar is om de schuldeisers te voldoen. Afgezet tegen het totaalbedrag van de vorderingen van de aanvragers ter hoogte van ongeveer € 90.000,- inclusief rente en kosten, de bij de curator ingediende vorderingen van in totaal € 32.881,62 en de kosten van het faillissement ter hoogte van € 11.500,- exclusief btw volgt hieruit dat voldoende financiële middelen beschikbaar zijn om de schuldeisers af te kunnen lossen. Tot slot neemt het hof in aanmerking dat de curator [appellant] beschouwt als een levensvatbare onderneming met voldoende verdiencapaciteit. Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat [appellant] niet (meer) in de toestand verkeert dat zij heeft opgehouden te betalen.

De conclusie

3.6.. Het vonnis zal worden vernietigd. Daarbij wordt [appellant] veroordeeld om de faillissementskosten zoals opgenomen in het dictum te voldoen.

4. De beslissing

Het hof:

4.1.. vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 13 mei 2026 en beslist als volgt:

4.2.. wijst het verzoek tot faillietverklaring ten aanzien van [appellant] af;

4.3.. veroordeelt [appellant] in de faillissementskosten, vastgesteld op € 11.500,- exclusief btw voor het salaris van de curator.

Dit arrest is gewezen door mrs. G.P. Oosterhoff, G.J. Meijer, en N.M. Brouwer en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 juni 2026.

HR 7 september 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2743, NJ2001/550 (Blase/Noort, Meynhof/Splíet); HR 12 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1995,NJ2004/321 (De Bok./Gunnewijk); HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1681,NJ2014/407 (ABN AMRO/Berzona).

More Decisions