Skip to main content

ECLI:NL:GHARL:2026:700

Court

Arnhem

Date

3 February 2026

Language

nl

Case Summary

Legal Issue

Bestuursrecht; Belastingrecht

Holding / Outcome

Uitspraak

Arnhem

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; BelastingrechtType: uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 23/2494

uitspraakdatum: 3 februari 2026

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende]te[woonplaats](hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 juni 2023, nummer AWB 22/1256, ECLI:NL:RBGEL:2023:3626, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteurvan de Belastingdienst/Centrale administratieve processen(hierna: de Inspecteur)

alsmede de Staat der Nederlanden(de Minister van Justitie en Veiligheid; hierna: de Staat)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1.. Aan belanghebbende is over het tijdvak 30 mei 2018 tot en met 25 maart 2020 een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd van € 2.181. Daarbij is bij beschikking een boete opgelegd van € 2.181.

1.2.. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 27 oktober 2021 het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd voor zover deze de boete betrof en de boete verminderd tot een bedrag van € 926. Daarnaast heeft de Rechtbank de Inspecteur en de Staat veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van in totaal € 1.000 en de Inspecteur veroordeeld tot het betalen van een proceskostenvergoeding. Verder heeft de Rechtbank bepaald dat de Inspecteur het griffierecht aan belanghebbende moet vergoeden.

1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.5.. Belanghebbende heeft voor de zitting nadere stukken ingediend.

1.6.. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 december 2025. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en A.M.J.F. Verhoeven, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [naam1] en [naam2] namens de Inspecteur. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2. Vaststaande feiten

2.1.. Belanghebbende is woonachtig in Nederland en staat blijkens de gegevens uit de basisregistratie personen (BRP) vanaf 12 januari 2017 ingeschreven op zijn huidige adres in [woonplaats] .

2.2.. Bij een controle op 26 maart 2020 omstreeks 10:07 uur is geconstateerd dat belanghebbende als bestuurder van een personenauto van het merk Mercedes (hierna: de auto) gebruik maakte van de openbare weg in Nederland, te weten [straatnaam] te [woonplaats] . De auto was voorzien van een Duits kenteken.

2.3.. Tot het dossier behoort een formulier dat is opgesteld naar aanleiding van de bij 2.2. genoemde controle. Op dit formulier staat onder andere het volgende vermeld:

“7. Verklaring bestuurder/bijzonderheden (…)

Bestuurder is medegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht is:

Waarom rijdt u in deze auto?

“Ik heb de auto geleend.”

Volgens ons bent u gewoon in het bezit van deze auto. U bent er vaker in gecontroleerd (bijvoorbeeld 07-05-2019 – 11-09-2019 en vandaag weer) en deze auto staat de laatste tijd vaker voor uw woning. “Daar heeft u een punt.” ”

2.4.. De Inspecteur heeft naar aanleiding van de onder 2.2. genoemde controle met dagtekening 10 juli 2020 de naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en de verzuimboete opgelegd.

3. Geschil

3.1.. In geschil is of de naheffingsaanslag en de boete terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Daarnaast is in geschil of de Rechtbank de vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en de proceskostenvergoeding juist heeft vastgesteld.

3.2.. Belanghebbende stelt dat hij slechts één keer in de auto heeft gereden en de naheffingsaanslag daarom ten onrechte over een te lange periode is opgelegd en de boete te hoog is vastgesteld. Verder bepleit belanghebbende dat het Unierecht in de weg staat aan het opleggen van de naheffingsaanslag en de boete, omdat op grond van het Unierecht rekening moet worden gehouden met het daadwerkelijk gebruik van de auto. Belanghebbende stelt zich daarnaast op het standpunt dat de Rechtbank de vergoeding van immateriële schade vast had moeten stellen op een bedrag van (minstens) € 1.500 en de Rechtbank ten onrechte geen vergoeding voor de kosten van de behandeling van het bezwaar heeft toegekend. De Inspecteur heeft de standpunten van belanghebbende gemotiveerd bestreden en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

Naheffingsaanslag4.1.. Op grond van artikel 1, lid 1, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet MRB) wordt voor het houden van een personenauto motorrijtuigenbelasting geheven. De motorrijtuigenbelasting wordt geheven van degene die bij de aanvang van een tijdvak de auto houdt (artikel 6 van de Wet MRB). Als een auto in het buitenland is geregistreerd, is degene die in Nederland de feitelijke beschikking heeft over de auto degene die voor de heffing van de motorrijtuigenbelasting de auto houdt (artikel 7, lid 1, aanhef en onder c, van de Wet MRB). De houder van een in het buitenland geregistreerde auto wordt, behoudens tegenbewijs, geacht in Nederland zijn hoofdverblijf te hebben indien hij in Nederland als ingezetene is ingeschreven in de BRP (artikel 7, lid 3, van de Wet MRB).

4.2.. Bij constatering van gebruik van de weg met een in het buitenland geregistreerde auto waarvoor de belasting geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de belasting worden nageheven (artikel 34, lid 1, van de Wet MRB). De hoogte van de naheffingsaanslag wordt, aan de hand van het vermoeden van hoofdverblijf in Nederland en het vermoeden van de duur van houderschap in Nederland, vastgesteld op het totaal van het bedrag aan motorrijtuigenbelasting dat voor de auto is verschuldigd voor alle tijdvakken die zijn gelegen vanaf de dag waarop de houder van de in het buitenland geregistreerde auto is ingeschreven in de BRP tot en met de dag voorafgaande aan de dag waarop het gebruik van de weg in Nederland is geconstateerd (artikel 34, lid 2 (tekst 2020), in samenhang met artikel 7, lid 3 en artikel 13, lid 2, van de Wet MRB). De periode waarover ingevolge deze bepaling mag worden nageheven kan worden beperkt voor zover de belanghebbende aannemelijk maakt dat de auto hem op een later tijdstip in Nederland ter beschikking is komen te staan of de auto hem in een of enkele tussenliggende tijdvakken niet in Nederland ter beschikking heeft gestaan (artikel 13, lid 2, van de Wet MRB).De toets die moet worden aangelegd is dus of de auto de belanghebbende feitelijk ter beschikking heeft gestaan. Hoeveel dagen daadwerkelijk in Nederland gebruik is gemaakt van de openbare weg met de auto, is niet relevant.

4.3.. Vast staat dat tijdens de controle op 26 maart 2020 belanghebbende met de auto gebruik van de weg in Nederland maakte, en dat belanghebbende op dat moment, vanaf 12 januari 2017, stond ingeschreven als ingezetene in de BRP met een Nederlands adres. De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag berekend over de periode 30 mei 2018, de datum waarop de auto in het buitenland te naam is gesteld, tot en met 25 maart 2020. Gelet op het hiervoor bij 4.1. en 4.2. uiteengezette wettelijke kader heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag in beginsel in overeenstemming met de Wet MRB opgelegd. Er geldt immers het bewijsvermoeden dat de auto gedurende deze periode belanghebbende feitelijk ter beschikking heeft gestaan. Het ligt vervolgens op de weg van belanghebbende om die feiten en omstandigheden te stellen, en bij gemotiveerde betwisting aannemelijk te maken, die de conclusie rechtvaardigen (i) dat de auto belanghebbende met ingang van een latere datum dan 30 mei 2018 in Nederland feitelijk ter beschikking heeft gestaan, en/of (ii) dat de auto belanghebbende in een of meer tussenliggende tijdvakken niet in Nederland feitelijk ter beschikking heeft gestaan.

4.4.. Belanghebbende stelt dat de auto hem niet gedurende het gehele naheffingstijdvak feitelijk ter beschikking heeft gestaan. Belanghebbende heeft hierover ter zitting verklaard dat de auto van een vriend van hem was, dat de auto alleen voor het moment van de controle een paar weken bij hem voor huis heeft gestaan toen zijn vriend bij hem verbleef, en dat hij de auto op de dag van de controle terugreed naar het huis van zijn vriend in Duitsland, omdat zijn vriend daartoe niet in staat was. Verder heeft belanghebbende verklaard dat hij op het moment van de eerdere controles die zijn genoemd in het controleformulier (zie 2.3.) samen met zijn vriend in de auto reed.

4.5.. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet het van hem verlangde bewijs geleverd dat de auto hem niet vanaf 30 mei 2018 tot en met 25 maart 2020 feitelijk ter beschikking heeft gestaan. Het Hof merkt hierbij allereerst op dat belanghebbende wisselende verklaringen heeft afgelegd waarom hij tijdens de controle in de auto reed. Belanghebbende heeft tijdens de controle verklaard dat hij de auto had geleend, terwijl hij ter zitting heeft verklaard dat hij de auto voor zijn vriend naar huis heeft gereden. Wat daar verder ook van zij, zowel in de situatie dat belanghebbende de auto had geleend als in de situatie dat hij de auto voor zijn vriend naar huis reed, kan ervan uit worden gegaan dat de auto belanghebbende op dat moment feitelijk ter beschikking stond. Belanghebbende heeft verder enkel gesteld dat de auto hem – afgezien van het moment van de controle – gedurende de rest van het naheffingstijdvak niet feitelijk ter beschikking heeft gestaan, omdat deze van zijn vriend was en die de auto gebruikte. Zonder nadere onderbouwing, die belanghebbende niet heeft gegeven, acht het Hof deze stelling niet geloofwaardig, te meer nu uit het controleformulier volgt dat belanghebbende eerder in de hoedanigheid van bestuurder met de auto is gesignaleerd en dat de auto vaker voor de woning van belanghebbende stond. Het Hof gaat in dit verband voorbij aan de verklaring van belanghebbende ter zitting dat hij tijdens de eerdere controles samen met zijn vriend in de auto reed, nu belanghebbende geen nader bewijs daarvoor heeft aangedragen en dit ook niet valt af te leiden uit de eerdere verklaring van belanghebbende die is vermeld op het controleformulier. Aan het vorengaande doet niet af dat belanghebbende heeft gesteld (ook) een andere auto tot zijn beschikking te hebben gehad.

4.6.. Belanghebbende betoogt verder dat de naheffingsaanslag moet worden vernietigd, omdat deze in strijd is met het Unierecht. Het Hof volgt belanghebbende niet in dit betoog. Het stelsel van wettelijke bepalingen dat ten grondslag ligt aan de naheffingsaanslag is niet in strijd met de (bijzondere) discriminatieverboden en vrijheden die zijn opgenomen in het VWEU en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest).Van strijdigheid met het eigendomsrecht zoals dat is opgenomen in artikel 17 van het Handvest is, voor zover dit artikel al van toepassing moet worden geacht op het onderhavige geval, evenmin sprake. Artikel 17 van het Handvest stemt overeen met artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).Hoewel het heffen van belasting een inmenging is in het door artikel 1 EP gewaarborgde recht op ongestoord genot van eigendom, is deze inmenging in het algemeen gerechtvaardigd, omdat deze bepaling voorziet in een uitzondering om de betaling van belastingen of andere heffingen te verzekeren. Wel moet die inmenging volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ‘lawful’ zijn, een ‘legitimate aim’ dienen en een ‘fair balance’ tussen de belangen van het betrokken individu en het algemene belang respecteren. Bij deze beoordeling of sprake is van een ‘fair balance’ gaat het erom of er een redelijke, proportionele verhouding is tussen de gehanteerde middelen en het met de heffing beoogde doel. Zowel met betrekking tot die middelen als met betrekking tot hun geschiktheid om dat doel te bereiken heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid.Aan deze voorwaarden is in dit geval voldaan. De wetgever heeft gekozen voor de heffing van deze belasting bij de houder van een auto, dat is degene die de auto feitelijk ter beschikking heeft. Deze keuze is niet van redelijke grond ontbloot. Ook met het bewijsvermoeden van artikel 34, lid 2, van de Wet BPM heeft de wetgever zijn ruime beoordelingsvrijheid niet overschreden en dus kan ook daarvan niet worden gezegd dat het in strijd is met artikel 1 EP en daarmee dus in strijd met artikel 17 van het Handvest.Belanghebbende heeft verder niet gesteld dat hij met de heffing van de motorrijtuigenbelasting in dit geval wordt getroffen door een individuele en buitensporige last.

Verzuimboete4.7.. Op grond van artikel 37 van de Wet MRB, in samenhang met artikel 67c (tekst 2020) van de Algemene wet inzake rijksbelastingen kan de inspecteur, indien de belastingplichtige de verschuldigde belasting ingeval van een in het buitenland geregistreerde auto niet heeft betaald, een verzuimboete opleggen van ten hoogste 100% van de nageheven belasting met een maximum van € 5.514.

4.8.. De Rechtbank heeft, vooruitlopend op een wijziging van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB), de verzuimboete eerst verminderd tot een boete van 50% van de nageven belasting (€ 1.090) en de aldus verminderde boete passend en geboden geacht. Vervolgens heeft de Rechtbank de boete verder met 15% verminderd tot een boete van € 926 wegens overschrijding van de redelijke termijn.

4.9.. Het Hof stelt voorop dat de aan belanghebbende opgelegde boete een verzuimboete is wegens het niet betalen van verschuldigde belasting. Voor het opleggen van een dergelijke verzuimboete is niet vereist dat sprake is van opzet of grove schuld. Wel moet het opleggen van een verzuimboete achterwege blijven bij afwezigheid van alle schuld (avas) van de belastingschuldige. Belanghebbende heeft niet gesteld en het is het Hof ook niet gebleken dat in dit geval sprake is van avas.

4.10.. Belanghebbende betoogt in hoger beroep dat de verzuimboete moet worden vernietigd vanwege strijdigheid met het Unierecht. Het Hof volgt belanghebbende niet in dit betoog. Het Unierecht staat niet in de weg aan het opleggen van de verzuimboete. Ook volgt het Hof belanghebbende niet in zijn betoog dat de Rechtbank ten onrechte eerst de boete heeft verminderd tot 50% van de nageheven belasting en pas daarna heeft verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn. Indien in een boetezaak de redelijke termijn is overschreden moet de rechter eerst oordelen of de opgelegde boete passend en geboden is en vervolgens beoordelen of op het boetebedrag dat de rechter passend en geboden acht, een vermindering plaats moet vinden wegens de overschrijding van de redelijke termijn, en zo ja, wat de omvang van die vermindering moet zijn.

4.11.. Belanghebbende heeft verder niet gesteld en het is het Hof ook niet gebleken dat sprake is van strafverminderende omstandigheden. Het Hof acht de na vermindering door de Rechtbank resterende boete gelet op alle omstandigheden van het geval een passende en geboden sanctie voor het verzuim dat door belanghebbende is begaan. Het Hof betrekt bij dit oordeel ook de omstandigheid dat de hoogte van de nageheven belasting is komen vast te staan met toepassing van het berekeningsvoorschrift van artikel 34, lid 2, tweede volzin, van de Wet MRB en de daarbij gehanteerde weerlegbare bewijsvermoedens.Het Hof stelt vast dat ook in hoger beroep de redelijke termijn is overschreden. Omdat het bedrag van de boete na vermindering door de Rechtbank lager is dan € 1.000, volstaat het Hof met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.

Kosten voor de behandeling van het bezwaar en de proceskostenvergoeding in eerste aanleg4.12.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank ten onrechte geen vergoeding van kosten voor de behandeling van het bezwaar heeft toegekend, hoewel de Rechtbank wel aanleiding heeft gezien de boete te verminderen tot 50% van de nageheven belasting.

4.13.. Op grond van artikel 7:15, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Het woord ‘herroepen’ impliceert in dit geval dat het oorspronkelijke besluit inhoudelijk onjuist moet zijn geweest.

4.14.. De Rechtbank heeft de boete vooruitlopend op een aangekondigde wijziging van het BBBB verminderd met 50%. De Rechtbank heeft in deze vermindering geen aanleiding gezien voor een vergoeding van de kosten voor de behandeling van het bezwaar, omdat volgens de Rechtbank het opleggen van een boete van 100% in overeenstemming met de destijds geldende regelgeving was, en daarom in zoverre niet kon worden gezegd dat sprake is van een fout van de Inspecteur. In dit oordeel van de Rechtbank ligt besloten dat de Rechtbank overigens een boete van 100% wel passend en geboden achtte. Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat het opleggen van een boete van 100% in overeenstemming was de destijds geldende regelgeving en dat van een boete van 100% in dit geval ook kon worden gezegd dat die passend en geboden was. De gronden waarop de Rechtbank de boete heeft verminderd maken dat deze boete daarom niet is herroepen vanwege een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid. Voor een vergoeding van de kosten voor de behandeling van het bezwaar bestond daarom geen aanleiding.

4.15.. De Rechtbank is voor de hoogte van de proceskostenvergoeding terecht uitgegaan van het forfaitaire stelsel van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en heeft terecht geoordeeld dat ook op grond van het Unierecht geen aanleiding bestond voor een hogere of integrale vergoeding van de proceskosten voor het beroep in eerste aanleg. Het Unierechtelijke beginsel van een effectieve en doeltreffende rechtsbescherming brengt mee dat nationale bepalingen op procesrechtelijk gebied niet ertoe mogen leiden dat de verwezenlijking van de aanspraken die een belanghebbende aan het Unierecht kan ontlenen, onmogelijk of uiterst moeilijk wordt. De regeling van het Bpb, waarbij de vergoeding van proceskosten in beginsel een forfaitair karakter heeft, voldoet aan deze eis.Daarbij is van belang dat in geval van bijzondere omstandigheden de mogelijkheid bestaat om op grond van artikel 2, lid 3, van het Bpb een hogere vergoeding voor proceskosten toe te kennen dan volgens het forfaitaire tarief geldt. Een eventuele wanverhouding tussen de tegemoetkoming in de proceskosten volgens het forfaitaire tarief en de werkelijk gemaakte kosten, vormt evenwel geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 2, lid 3, van het Bpb voor een hogere vergoeding.In dit geval is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die tot een hogere vergoeding zouden moeten leiden.

Vergoeding van immateriële schade in eerste aanleg4.16.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank de vergoeding van immateriële schade te laag heeft vastgesteld. Belanghebbende betoogt daartoe onder meer dat de Rechtbank wat betreft de aanvang van de redelijke termijn is uitgegaan van een onjuiste datum, omdat in dit geval een boete in geschil is.

4.17.. De Rechtbank heeft in haar uitspraak met betrekking tot de immateriële schadevergoeding het volgende overwogen:

“24. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in het overzichtsarrest van 19 februari 2016[voetnoot: ECLI:NL:HR:2016:252.].

25. Belastinggeschillen moeten binnen een redelijke termijn worden berecht. Als uitgangspunt geldt daarvoor een termijn van twee jaar vanaf het moment dat het bezwaarschrift is ontvangen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor verlenging van die termijn. In dit geval is het bezwaarschrift ontvangen op 29 juni 2020. Sindsdien is een periode van precies drie jaren verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn met een jaar is overschreden. Uitgaand van een vergoeding van € 500 per halfjaar of gedeelte daarvan, bestaat recht op een schadevergoeding van € 1.000. Dat sprake is van no cure, no pay geeft de rechtbank geen aanleiding om het bedrag te verlagen. De vergoeding van immateriële schade is immers in de eerste plaats bedoeld als signaal aan de rechtspraak dat tijdig beslist dient te worden. De noodzaak daartoe is niet minder in zaken waarin een gemachtigde procedeert op basis van no cure, no pay.”

4.18.. Naar het oordeel van het Hof, heeft de Rechtbank met haar hiervoor onder 4.17. aangehaalde overwegingen op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof neemt deze overwegingen dan ook over en maakt deze tot de zijne. Indien zoals in dit geval de procedure zowel een belastingaanslag als een daarmee samenhangende boete betreft, worden de immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, en de boetevermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn met betrekking tot de boete, naast elkaar toegepast.Op de immateriële schadevergoeding wegens de overschrijding van de redelijke termijn zijn daarom de regels voor de aanvang van de redelijke termijn die gelden voor de boetevermindering niet van toepassing. Het Hof volgt belanghebbende verder niet in zijn betoog dat op grond van het Unierecht een hogere vergoeding aangewezen is.

4.19.. Belanghebbende heeft voor het overige nog gronden van min of meer algemene aard aangevoerd over schendingen van het Unierecht, waaronder beweerdelijk onbevoegde uitleggingen van dat recht door de Hoge Raad. Het Hof ziet geen aanleiding om op die gronden het hoger beroep gegrond te achten en de uitspraak van de Rechtbank te vernietigen. Het Hof merkt hierbij nog op dat, anders dan belanghebbende betoogt, het Hof in onderhavige zaak niet verplicht is om vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie) over de toepassing van het Unierecht. Alleen de hoogste nationale rechter heeft op grond van artikel 267 VWEU een plicht zich tot het Hof van Justitie te wenden bij vragen over de uitleg van het Unierecht als daarover onduidelijkheid bestaat. In onderhavige procedure ziet het Hof geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. In dat verband wordt opgemerkt dat de uitspraken van het Hof vatbaar zijn voor cassatieberoep bij de Hoge Raad, zodat artikel 267 VWEU niet dwingt tot het voorleggen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

Vergoeding van immateriële schade in hoger beroep4.20.. Belanghebbende heeft in zijn nadere stuk van 20 november 2025 een verzoek om vergoeding van immateriële schade gedaan wegens de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Het hogerberoepschrift is op 8 augustus 2023 ingediend en het Hof doet heden uitspraak. Dit betekent dat de redelijke termijn in hoger beroep van twee jaar met afgerond zes maanden is overschreden en dat daarom aanleiding bestaat voor toekenning van een vergoeding van immateriële schade voor het hoger beroep van € 500. Ook voor wat betreft deze vergoeding geldt dat belanghebbende aan het Unierecht geen recht kan ontlenen op een hogere vergoeding. Nu de overschrijding uitsluitend is toe te rekenen aan het Hof, moet dit bedrag worden vergoed door de Staat.

SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond. Wel dient aan belanghebbende de in 4.20. vermelde vergoeding van € 500 te worden toegekend.

5. Griffierecht en proceskosten

5.1.. In zijn arrest van 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat in een geval als het onderhavige waarbij het hoger beroep op zichzelf beschouwd ongegrond is, maar wel een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toekend, geen aanleiding bestaat om aan de belanghebbende het griffierecht te vergoeden. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Het Hof merkt hierbij nog op dat de redelijke termijn in hoger beroep op de datum van 31 mei 2024 nog niet was verstreken en belanghebbende na deze datum heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, zodat het in het hiervoor genoemde arrest opgenomen overgangsrecht, op grond waarvan belanghebbende wel recht zou hebben op een vergoeding van het griffierecht, niet van toepassing is.

5.2.. In de omstandigheid dat de belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep ziet het Hof aanleiding de Staat te veroordelen in de kosten die belanghebbende voor de behandeling het hoger beroep heeft moeten maken. Het Hof stelt deze kosten overeenkomstig het Bpb vast op € 233,50 (1 punt voor het verzoek om schadevergoeding  wegingsfactor 0,25  € 934). Wat betreft de stelling van belanghebbende dat het Unierecht dwingt tot een hogere vergoeding, verwijst het Hof naar hetgeen hiervoor bij 4.15. is overwogen.

6. Beslissing

Het Hof:

bevestigt de uitspraak van de Rechtbank,

veroordeelt de Staat tot vergoeding van de door belanghebbende geleden immateriële schade tot een bedrag van € 500, en

veroordeelt de Staat in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 233,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.R. van der Heide, voorzitter, mr. T.H.J. Verhagen en mr. M. Harthoorn, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De beslissing is op 3 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(E.D. Postema (R.R. van der Heide)

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Zie eveneens Hoge Raad 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:483, r.o. 5.3.4. tot en met 5.3.10.

Zie Hoge Raad 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:483, r.o. 5.4.1. tot en met 5.8.

Zie Toelichtingen bij het handvest van de grondrechten, PbEU 2007, C 303/17.

Zie onder andere, EHRM 29 april 2008, nr. 13378/05, Burden and Burden tegen het Verenigd. Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:0429JUD001337805, EHRM 14 mei 2013, nr. 66529/11, N.K.M. tegen Hongarije, ECLI:CE:ECHR:2013:0514JUD006652911 en Hoge Raad 14 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:816.

Zie Hoge Raad, 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:972.

Zie Hoge Raad, 5 april 2019 ECLI:NL:HR:2019:483, r.o. 5.10.2.

Vergelijk Hoge Raad 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191, rechtsoverweging 4.2.

Kamerstukken II 2000-2001, 27 024, nr. 14, blz. 1-2.

Hoge Raad 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ3810, r.o. 3.5.

Hoge Raad 13 mei 2016, ECLI:NL:HR:2016:833, r.o. 2.5.

Zie Hoge Raad, 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853, r.o. 3.2.1. en de aldaar aangehaalde rechtspraak.

More Decisions