[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-ghdha-2024-1036":3,"decision-more-ecli-nl-ghdha-2024-1036":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1891","ECLI:NL:GHDHA:2024:1036","",58,"Den Haag","den-haag","2024-06-04T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummers BK-23\u002F420 en BK-23\u002F422 tot en met BK-23\u002F424\n\nUitspraak van 4 juni 2024\n\nin het geding tussen:\n\n [X]te [Z] , [buitenland] , belanghebbende,\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,\n\n(vertegenwoordigers: […] en […] )\n\nop het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 9 maart 2023, nummers SGR 21\u002F8043, SGR 21\u002F8046, SGR 21\u002F8047 en SGR 21\u002F8049.\n\nProcesverloop\n\n2015\n\n1.1.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2015 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB\u002FPVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil (de navorderingsaanslag 2015).\n\n1.1.2. Bij beschikking van 30 april 2020 heeft de Inspecteur het verlies van het jaar 2015 herzien naar nihil en het bedrag aan te verrekenen verlies per 31 december 2015 vastgesteld op € 14.912.\n\n2016\n\n1.2.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2016 een navorderingsaanslag IB\u002FPVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 94.749 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 83.785 (de navorderingsaanslag 2016). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 7.913 aan belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.2.2. Bij beschikking van 14 mei 2020 heeft de Inspecteur het verlies van het jaar 2016 herzien naar nihil en het bedrag aan te verrekenen verlies per 31 december 2016 vastgesteld op € 14.912.\n\n2017\n\n1.3.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2017 een navorderingsaanslag IB\u002FPVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 113.408 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 27.535 (de navorderingsaanslag 2017). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 3.963 aan belastingrente in rekening gebracht.\n\n1.3.2. Bij beschikking van 14 mei 2020 heeft de Inspecteur het verlies van het jaar 2017 herzien naar nihil en het bedrag aan te verrekenen verlies per 31 december 2017 vastgesteld op nihil.\n\n2018\n\n1.4. Aan belanghebbende is voor het jaar 2018 een aanslag IB\u002FPVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 118.435 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 26.002 (de aanslag 2018). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is een bedrag van € 2.434 aan belastingrente in rekening gebracht.\n\nAlle jaren\n\n1.5. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaren tegen de hiervoor in 1.1.1 tot en met 1.4 genoemde belastingaanslagen (hierna ook: de belastingaanslagen) en beschikkingen toegewezen voor wat betreft het inkomen uit sparen en beleggen (jaren 2016 tot en met 2018), de aftrek van studiekosten (jaren 2015 tot en met 2018) en de premie Wet langdurige zorg (Wlz) (jaren 2016 en 2018). Als gevolg hiervan is het bedrag van het te verrekenen verlies in de verliesbeschikkingen voor de jaren 2015 tot en met 2017 op een ander bedrag gesteld; ook de bezwaren tegen deze beschikkingen zijn derhalve gegrond verklaard. Voor het overige zijn de bezwaren afgewezen. De belastingaanslagen zijn als volgt verminderd (en de belastingrente is dienovereenkomstig verminderd):\n\nInkomen uit werk en woning\n\nInkomen uit sparen en beleggen\n\nNavorderingsaanslag 2015\n\n-\n\n-\n\nNavorderingsaanslag 2016\n\n€ 94.149*\n\nnihil\n\nNavorderingsaanslag 2017\n\n€ 112.398\n\nnihil\n\nAanslag 2018\n\n€ 117.509\n\nnihil\n\n* na verliesverrekening\n\n1.6. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht van eenmaal € 49 geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.7. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 136 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.\n\n1.8. Belanghebbende heeft op 4 april 2024 een nader stuk ingediend. De Inspecteur heeft op 11 april 2024 een nader stuk ingediend.\n\n1.9. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 23 april 2024. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.\n\nFeiten\n\n2.1. Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1958. In de onderhavige jaren woonde belanghebbende in Nederland. Op 15 juli 2022 is belanghebbende geëmigreerd naar [buitenland] .\n\n2.2. Belanghebbende staat sinds 1 januari 2007 bij de Kamer van Koophandel ingeschreven met twee eenmanszaken. De eenmanszaak [eenmanszaak 1] betreft een kleinhandel in fietsen en fietsonderdelen. De eenmanszaak [eenmanszaak 2] betreft onder meer activiteiten op het gebied van edelsmederij, keramiek en schilderkunst (gezamenlijk: de activiteiten).\n\n2.3.1. In verband met de activiteiten heeft belanghebbende in zijn aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2011 tot en met 2018 in totaal € 146.677 negatief als winst uit onderneming aangegeven. De resultaten en kosten luidden van jaar tot jaar als volgt (in de jaren 2011 tot en met 2014 werden de activiteiten aangegeven in één winst- en verliesrekening):\n\nResultaten van de activiteiten\n\nJaar\n\nAangegeven resultaat\n\nAangegeven kosten\n\nSaldo fiscale winstberekening\n\n2011\n\n0\n\n€ 5.000\n\n - € 5.000\n\n2012\n\n0\n\n€ 5.000\n\n - € 5.000\n\n2013\n\n0\n\n€ 5.000\n\n- € 5.000\n\n2014\n\n0\n\n€ 5.000\n\n- € 5.000\n\nResultaten van [eenmanszaak 2]\n\nJaar\n\nAangegeven resultaat\n\nAangegeven kosten\n\nSaldo fiscale winstberekening\n\n2015\n\n0\n\n€ 41.909\n\n- € 41.909\n\n2016\n\n0\n\n€ 9.100\n\n- € 9.100\n\n2017\n\n0\n\n€ 13.950\n\n- € 13.950\n\n2018\n\n0\n\n€ 14.870\n\n- € 14.870\n\nResultaten van [eenmanszaak 1]\n\nJaar\n\nAangegeven resultaat\n\nAangegeven kosten\n\nSaldo fiscale winstberekening\n\n2015\n\n0\n\n0\n\n2016\n\n0\n\n€ 10.340\n\n- € 10.340\n\n2017\n\n0\n\n€ 25.303\n\n- € 25.303\n\n2018\n\n0\n\n€ 11.205\n\n- € 11.205\n\n2.3.2. In de aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2019 tot en met 2021 heeft belanghebbende geen winst uit onderneming opgenomen, maar resultaat uit overige werkzaamheden. Het aangegeven resultaat met betrekking tot de activiteiten is in deze jaren als volgt:\n\nJaar\n\nAangegeven opbrengsten\n\nAangegeven kosten\n\nSaldo resultaat\n\n2019\n\n€ 204\n\n€ 30.143\n\n- € 29.939\n\n2020\n\n€ 18.491\n\n€ 96.535\n\n- € 78.044\n\n2021\n\n€ 71.025\n\n€ 154.097\n\n- € 83.072\n\n2.4. Belanghebbende is op 1 april 1990 in dienst getreden van het Europees Octrooibureau (EOB). Het EOB is onderdeel van de Europese Octrooi Organisatie (EOO).\n\n2.5. Nadat belanghebbende in 2011 ziek is geworden, ontving hij per 1 juli 2011 een zogenoemde ‘invalidity allowance’ van het EOB. Met ingang van 1 januari 2016 ontving belanghebbende een zogenoemd ‘retirement pension for health reasons’ (RPHR). De uitkeringen uit het RPHR bedroegen respectievelijk € 110.245 (2016), € 113.994 (2017) en € 118.435 (2018).\n\n2.6. Het RPHR is gebaseerd op het besluit van de Raad van Bestuur van het EOB van 26 maart 2015 (CA\u002FD 2\u002F15), waarin onder meer het volgende is opgenomen:\n\n“I. Amendments to the Service Regulations\n\n(…)\n\nArticle 3\n\nArticle 42(1) of the Service Regulations shall read as follows:\n\n\"(1) A permanent employee may be assigned to non-active status as follows:\n\n(a) on secondment;\n\n(b) to fulfil his obligations regarding military service or comparable service;\n\n(c) for reasons of parental leave;\n\n(d) for reasons of family leave;\n\n(e) on personal grounds.\"\n\n(…)\n\nArticle 8\n\nThe following new Article 62b of the Service Regulations shall be inserted:\n\n\"Article 62b\n\nIncapacity\n\n(1) If a permanent employee has reached the applicable maximum period of sick leave set forth in Article 62a, paragraph 7(b), a medical opinion shall be sought to determine whether he fulfils the condition of incapacity: being partially or totally unable to perform his duties or similar other duties which might reasonably be assigned to him, i.e. which correspond to his situation, his knowledge and his capabilities.\n\nIn such case, he shall be partially or totally discharged from performing his duties by decision of the President of the Office.\n\nThe proportion and period of time of such discharge from duties shall follow the medical opinion. In case of partial incapacity, any discharge from duties shall not exceed 80% of the normal working time. The minimum degree of incapacity for a total discharge from duties shall be 70%.\n\n(…)\n\nVI. Amendments to the Pension Scheme Regulations\n\n(…)\n\nArticle 35\n\nThe following new Article 13 of the Pension Scheme Regulations shall be inserted:\n\n\"Article 13\n\nConditions of entitlement\n\n(1) A retirement pension for health reasons shall be payable to an employee who is under the age limit laid down in Article 54, paragraph 1(a) of the Service Regulations and who, at any time during the period in which pension rights are accruing to him, has reached 55 years of age and has been totally discharged from his duties for reasons of incapacity as defined in Article 62b of the Service Regulations for ten years.\n\n(2) The employee shall be retired on the first day of the month following that in which he fulfilled the conditions laid down in paragraph 1.\"\n\n(…)\n\nVIII. Amendments to the New Pension Scheme Regulations\n\n(…)\n\nArticle 54\n\nThe following new Article 12a of the New Pension Scheme Regulations shall be inserted:\n\n\"Article 12a\n\nConditions of entitlement\n\n(1) A retirement pension for health reasons shall be payable to an employee who is under the age limit laid down in Article 54 paragraph 1 letter a of the Service Regulations and who, at any time during the period in which pension rights are accruing to him, has reached 55 years of age and has been totally discharged from his duties for reasons of incapacity as defined in Article 62b of the Service Regulations for ten years.\n\n(2) The employee shall be retired on the first day of the month following that in which he fulfilled the conditions laid down in paragraph 1.\"\n\n(…)\n\nXI. Entry into force and transitional measures\n\n(…)\n\nArticle 72\n\n(1) Until 31 December 2015, the rights and obligations of a recipient of an invalidity allowance on 31 March 2015 shall continue to be governed by the provisions in force on 31 March 2015.\n\n(2) As from 1 January 2016, he shall cease to receive an invalidity allowance and shall instead be granted a retirement pension for health reasons, increased by a compensatory payment as follows:\n\n(a) His pension shall be calculated as set forth in Article 14 of the Pension Scheme Regulations or, where applicable, Article 12b of the New Pension Scheme Regulations, as amended by the present decision.\n\n(b) The level of his pension shall be increased by a compensatory payment, calculated as follows:\n\n(i) until the last day of the month during which the employee reaches the age of 65 years, the compensatory payment shall cover the difference up to the level of invalidity benefits he was entitled to on 31 December 2015;\n\n(ii) from the first day of the month following that during which the employee reaches the age of 65 years, the compensatory payment shall cover the difference up to the theoretical level of his retirement pension calculated under Chapter II, Section 1 of the Pension Scheme Regulations.\n\nFor the latter calculation, the period of time between 1 January 2016 and the last day of the month in which he reaches the age of 65 years shall count for full reckonable years.\n\n(c) Notwithstanding the above, employees in receipt of an invalidity pension until 31 December 2007 shall continue to benefit from the guarantee adopted by the Administrative Council in Article 29 of CA\u002FD 30\u002F07 and confirmed in CA\u002FD 15\u002F12.\n\n(3) As from 1 January 2016, gainful activities or employment shall no longer be allowed.\n\n(4) Recipients of an invalidity allowance shall be allowed, upon provision of evidence, to claim for reimbursement of the national income tax paid and attributable to their invalidity allowance. Any advance payment already made shall be offset against such final reimbursement. The detailed conditions and procedure therefor shall be established by the President of the Office.\n\n(5) Where applicable, and in case of national taxation of the pension calculated under paragraph 2, the employee may claim the tax adjustment set forth in Article 42 of the Pension Scheme Regulations and in the Implementing Rules thereto.”\n\n2.7. Volgens een afschrift uit de Protocollaire Basisadministratie van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 22 augustus 2019 was belanghebbende van 1 april 1990 tot en met 1 januari 2016 in dienst bij het EOB.\n\n2.8. Belanghebbende heeft bij het EOB bezwaar aangetekend tegen zijn interne statuswijziging van ‘permanent staff on inactive status’ naar ‘pensioner for health reasons’ per 1 januari 2016. Tegen de afwijzing van zijn bezwaar heeft hij beroep ingesteld bij het Administrative Tribunal of the International Labour Organization (ATILO) in Genève.\n\n2.9. Belanghebbende heeft in zijn aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2015 tot en met 2018 een negatief resultaat aangegeven met betrekking tot de activiteiten (zie 2.3.1). In deze aangiften is het RPHR niet opgenomen als inkomen.\n\n2.10. De Inspecteur heeft de definitieve aanslagen IB\u002FPVV voor de jaren 2015, 2016 en 2017 vastgesteld conform de door belanghebbende ingediende aangiften naar een verlies uit werk en woning van respectievelijk € 36.042 (2015), € 19.464 (2016) en € 33.758 (2017).\n\n2.11. De Inspecteur heeft bij belanghebbende in 2019 een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB\u002FPVV voor de jaren 2014 tot en met 2018.\n\n2.12. Bij brief van 12 november 2019 heeft de Inspecteur belanghebbende als volgt bericht:\n\n“Betreft: Stukken boekenonderzoek aanleveren\u002Fbelastingplicht\n\n(…)\n\nStukken boekenonderzoek:\n\nIk heb u herhaaldelijk, mondeling, schriftelijk en per e-mail, om alle stukken voor het lopende onderzoek gevraagd. U heeft achteraf opgemaakte btw-overzichten vanuit de bank naar Word over 2016 tot en met 2018 en achteraf opgemaakte inkoopkosten overzichten vanuit de bank naar Word van 2017 en 2018 ingeleverd. Onderbouwd door een beperkt aantal kostenfacturen (10 stuks, 2014-2018). De overzichten roepen vragen op, die alleen met nadere onderbouwing door middel van bewijsstukken beantwoord kunnen worden.\n\nHet overgelegde is bij lange na niet wat er gevraagd is. Daarom stel ik u nog eenmaal in de gelegenheid om allegegevens te verstrekken,uiterlijk 22 november 2019.\n\nIngevolge artikel 47 en 52 Algemene wet inzake rijksbelastingen bent u gehouden deze gegevens te verstrekken.\n\nZie onderaan deze brief voor een opsomming van de gevraagde gegevens. Indien u geen of niet alle gevraagde gegevens verstrekt zal ik het onderzoek afdoen met de dan voorhanden gegevens.\n\nBelastingplicht:\n\nU heeft gewerkt voor het Europees Octrooibureau (EOB). Medewerkers van het EOB zijn vrijgesteld van bepaalde belastingen. U bent eind 2011 ziek geworden en krijgt vanaf april 2012 een (invaliditeits)pensioen. Uit de door uzelf overgelegde verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken blijkt dat u per 1 januari 2016 geen medewerker meer bent van het EOB. Dat betekend dat u per 1 januari 2016 volledig belastingplichtig bent in Nederland.\n\nNaar aanleiding van het besluit van de Raad van Bestuur van het EOB op 26 maart 2015 is het invaliditeitspensioen vanaf 1 januari 2016 belast in Nederland. Voor deze belastingheffing krijgt u van het EOB een partiele compensatie uitbetaald. Daarom is uw pensioen en bijvoorbeeld box 3 (vermogensrendementsheffing) vanaf 1 januari 2016 belast in Nederland.\n\n(…)”\n\n2.13. De bevindingen van het boekenonderzoek zijn vastgelegd in een rapport van 2 april 2020 (het rapport). In het rapport zijn onder meer de volgende passages opgenomen:\n\n“1 Algemeen\n\n1.1 Reikwijdte van onderzoek\n\nOnderzocht is de aanvaardbaarheid van de aangiften:\n\n- inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2014 tot en met 2018;\n\n- omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2018.\n\nHet onderzoek is uitgebreid met de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2019 tot en 30 september 2019.\n\nOp 12 november 2019 is een schriftelijke bevestiging van de uitbreiding verstuurd.\n\nHet onderzoek is verder uitgebreid met de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 oktober 2019 tot en 31 december 2019.\n\nOp 11 februari 2020 is een schriftelijke bevestiging van de uitbreiding verstuurd.\n\n(…)\n\n1.2 Samenvattend oordeel\n\nDe aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2014 tot en met 2018 worden gecorrigeerd. De aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2016 tot en met 31 december 2019 worden gecorrigeerd.\n\n(…)\n\n1.3 Verloop van het onderzoek\n\nDatum vooraankondiging: 08 mei 2019\n\nDatum aankondiging: 30 september 2019\n\nEerste dag ter plaatse: 09 oktober 2019\n\nDatum slotgesprek: 01 april 2020\n\n(…)2. Algemeen\n\n2.1. \n\nActiviteiten\n\nDe activiteiten bestaan volgens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel uit adviesgeving betreffend kleinhandel in fietsen en fietsonderdelen onder de naam [eenmanszaak 1] en adviesgeving betreffend edelsmederij en renovatie\u002Fklusbedrijf onder de naam [eenmanszaak 2] .\n\nDe bedoeling was volgens [belanghebbende] om wielrenfietsen in het duurdere segment uit specifieke componenten samen te stellen en te verkopen evenals de verkoop van fietsonderdelen ( [eenmanszaak 1] ). De tweede activiteit behelsde kunstnijverheid zoals keramiek, tekenen en schilderijen maken, evenals adviesgeven in die branche ( [eenmanszaak 2] ). Van renovatie en\u002Fof klussen is geen sprake.\n\nVoor beide activiteiten wordt geen reclame gemaakt en er zijn geen websites. Er is vanaf de start van beide activiteiten op 1 januari 2007 tot en met 31 augustus 2019 geen omzet behaald. De beoogde klanten zijn bekenden uit het (sport)netwerk van [belanghebbende] : “het is niet geworden wat ik ervan verwachtte”.\n\n [belanghebbende] heeft in 2019 een oud schoolgebouw in [buitenland] gekocht. De intentie is om aldaar een Summer school te vestigen. Het schoolgebouw zal eerst ingrijpend verbouwd moeten worden. Het is de bedoeling om in [buitenland] dan cursussen keramiek en dergelijke te gaan geven aan Nederlanders en [buitenland] . [belanghebbende] denkt erover om aldaar wellicht een B&B te vestigen.\n\nOver deze toekomstige activiteiten is te weinig bekend en daarom kan daar nu geen oordeel over worden gegeven.\n\n(…)\n\n4. Fiscale resultatenrekening\n\n4.1. \n\nOpbrengsten\n\nVoor het jaar 2014 is alleen een resultatenrekening opgemaakt voor [eenmanszaak 2] . Voor de jaren 2015 t\u002Fm 2018 is een resultatenrekening opgemaakt voor zowel [eenmanszaak 2] als [eenmanszaak 1] . De omzet over de controleperiode (inkomstenbelasting) 2014 tot en met 2018 bedraagt nul euro. De omzet vanaf de start van beide activiteiten vanaf 2007 tot en met 2013 bedraagt eveneens nul euro.\n\n(…)\n\n5. Inkomstenbelasting\n\n5.1. \n\nAangifte\n\n [belanghebbende] verzorgt zelfde aangiften inkomstenbelasting.\n\n5.1.1. \n\nVereiste aangifte\n\nDe door [belanghebbende] ingediende aangiften vertonen aanzienlijke inhoudelijke gebreken. Er zijn kosten (…) opgevoerd waarvan het [belanghebbende] zich bewust had moeten zijn dat het niet om aftrekposten ging, zoals de arbeidsbeloning fiscale partner, afschrijven terwijl er geen activa op de balans staat, dure horloges, kledinguitgaven en overige (niet zakelijke) kosten.\n\nIn Box 3 (…) wordt een schuld van 2,5 miljoen euro uit [buitenland] aangegeven, maar een [buitenlandse] rekening met een positief saldo ad 1,5 miljoen euro wordt niet aangegeven. Het is niet aannemelijk dat het om een vergissing gaat.\n\n [belanghebbende] krijgt een pensioen van het Europees Octrooi Bureau (EOB) wat niet in de aangiften (…) is verwerkt. [belanghebbende] heeft bezwaar en beroep aangetekend tegen de beslissing van het EOB (…) en was zich dus bewust dat vanaf 1 januari 2016 in Nederland belasting verschuldigd was. [belanghebbende] krijgt bovendien een partiële compensatie van het EOB om de belasting in Nederland te kunnen betalen.\n\nBelastingplichtige is van mening dat hierover geen belasting is verschuldigd, maar heeft verzuimd om dit pensioen (als belast of vrijgesteld) inkomen in de aangiften te verwerken. Het niet aangeven van het pensioen (…) van het EOB in de aangiften leidt tot forse navorderingen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.\n\n [belanghebbende] had een adviseur kunnen raadplegen of in contact treden met de Belastingdienst voor vooroverleg. Er is sprake van het doen van “de vereiste aangifte” wanneer de aangifte duidelijk, stellig en zonder voorbehoud is ingediend.\n\nBij het opstellen en indienen van de aangifte heeft [belanghebbende] onder andere het voorbehoud gemaakt dat de ontvangen inkomsten van het EOB en het positieve saldo van de [buitenlandse] bankrekening(en) niet tot het belastbare inkomen behoren.\n\nOm de hiervoor genoemde redenen is de Belastingdienst van mening dat de ingediende aangiften inkomstenbelasting van de jaren 2014 tot en met 2018 niet aangemerkt kunnen worden als de vereiste aangifte in de zin van artikel 8 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).\n\nHet niet doen van de vereiste aangiften inkomstenbelasting van de jaren 2014 tot en met 2018 leidt tot omkering en verzwaring van de bewijslast.5.2. \n\nBron van inkomen\n\nLang niet iedereen die zich ondernemer noemt, is ondernemer voor de inkomstenbelasting. De inkomsten die iemand geniet, vloeien fiscaal gezien voort uit een bron van inkomen als aan de volgende drie voorwaarden is voldaan:\n\n- er is sprake van deelname aan het economische verkeer;\n\n- het oogmerk is om voordeel te behalen;\n\n- dit voordeel is ook redelijkerwijs te verwachten.\n\nPer zelfstandige activiteit dient de bron objectief te worden beoordeeld.\n\n [belanghebbende] neemt niet deel aan het economische verkeer (er zijn geen klanten).\n\nEr wordt voordeel beoogd, maar de omzet is vanaf de start in 2007 tot en met 2018 nihil. Het voordeel is daarom redelijkerwijs niet te verwachten. Dit geldt voor beide activiteiten.\n\nEr is geen bron van inkomen voor beide activiteiten.\n\n(…)\n\n5.3. \n\nEuropees Octrooi Bureau (EOB) \u002F belastingvrijstelling\n\n [belanghebbende] is in 1990 in Nederland komen wonen en voor het EOB in [plaats] gaan werken. Op grond van het verdrag tussen Nederland en het EOB was het salaris van [belanghebbende] niet belast voor de inkomstenbelasting, zolang hij daar werkzaam was. Deze belastingvrijstelling geldt niet voor pensioenen die het EOB uitkeert.\n\n [belanghebbende] is in 2011 ziek geworden en heeft het EOB per 30 juni 2011 verlaten. Vanaf 1 juli 2011 tot en met 31 december 2015 genoot belastingplichtige een (invaliditeit)pensioen van het EOB. Het invaliditeitspensioen was tot en met 2015 eveneens vrijgesteld van inkomstenbelasting. Conform artikel 62a van interne EOB voorschriften was dat pensioen tot en met 31 december 2015 onderworpen aan een interne belasting van het EOB.\n\nNaar aanleiding van het besluit van de Raad van Bestuur van het EOB op 26 maart 2015 is het invaliditeitspensioen vanaf 1 januari 2016 belast in Nederland. Voor deze belastingheffing krijgt [belanghebbende] van het EOB een partiele compensatie uitbetaald om belasting in Nederland te betalen.\n\n [belanghebbende] heeft op 2 maart 2016 bezwaar gemaakt tegen de beslissing van het EOB dat het invaliditeitspensioen vanaf 1 januari 2016 belast is in Nederland. Dit bezwaar dan wel beroep zou nog steeds in behandeling zijn en is van mening dat hij daarom geen belasting in Nederland verschuldigd is over het pensioen.\n\n(…)\n\n8. Recapitulatie Correcties\n\n8.1. \n\nInkomstenbelasting\u002Fpremie volksverzekeringen\n\nOvereenkomstig de berekeningen in dit hoofdstuk wordt over de jaren 2015 en 2016\n\neen navorderingsaanslag inkomstenbelasting\u002Fpremie volksverzekeringen opgelegd.\n\nDe correcties over het jaar 2017 en 2018 worden bij het definitief vaststellen van de aanslagen 2017 en 2018 verwerkt.\n\n(…)\n\nJaar\n\n2014\n\n2015\n\nAangegeven inkomen werk\u002Fwoning\n\n€\n\n-4.300\n\n€\n\n-36.042\n\nCorrectie winst\u002FMKB vrijstelling\n\n€\n\n5.000\n\n€\n\n41.909\n\nCorrectie MKB winstvrijstelling\n\n€\n\n-700\n\n€\n\n-5.867\n\nGecorrigeerd inkomen werk-woning\n\n€\n\n0\n\n€\n\n0\n\nJaar\n\n2016\n\n2017\n\n2018\n\nAangegeven inkomen werk\u002Fwoning\n\n€\n\n-19.464\n\n€\n\n-33.758\n\n€\n\n-22.425\n\nCorrectie winst\n\n€\n\n19.440\n\n€\n\n39.253\n\n€\n\n26.075\n\nCorrectie MKB winstvrijstelling\n\n€\n\n-2.721\n\n€\n\n-5.495\n\n€\n\n-3.650\n\nCorrectie loon vroegere dienstbetrekking\n\n€\n\n110.245\n\n€\n\n113.994\n\n€\n\n118.435\n\nCorrectie eigen woning\n\n€\n\n2.745\n\n€\n\n0\n\n€\n\n0\n\nPersoonsgebonden aftrek na correctie\n\n€\n\n-584\n\n€\n\n-586\n\n€\n\n0\n\nGecorrigeerd inkomen uit werk\u002Fwoning\n\n€\n\n109.661\n\n€\n\n113.408\n\n€\n\n118.435\n\n(…)”\n\n2.14.. De Inspecteur heeft naar aanleiding van de bevindingen uit het boekenonderzoek de onder 1.1.1 tot en met 1.4 genoemde belastingaanslagen opgelegd en beschikkingen gegeven.\n\n2.15.1.. Op 22 november 2019 heeft belanghebbende ontheffing gevraagd van de verzekeringsplicht ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW), de Algemene nabestaandenwet (Anw) en de Algemene Kinderbijslagwet (AK). Bij besluit van 25 februari 2020 heeft de Sociale Verzekeringsbank (SVB) met ingang van 22 november 2019 de ontheffing verleend.\n\n2.15.2.. Belanghebbende heeft bezwaar ingesteld, gericht tegen de ingangsdatum van de ontheffing. Tegen de ongegrondverklaring van dit bezwaar heeft belanghebbende beroep ingesteld bij de Rechtbank. Tegen de ongegrondverklaring van dit beroep heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB), waarbij in geschil was of de SVB op goede gronden aan de ontheffing van de verzekeringsplicht terugwerkende kracht heeft onthouden. De CRvB heeft het hoger beroep ongegrond verklaard (CRvB 12 mei 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1102).\n\n2.16.1.. Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF7264, BNB 2009\u002F113, heeft de Belastingdienst vele bezwaarschriften ontvangen van gepensioneerde medewerkers van internationale organisaties gericht tegen belastingaanslagen voor de jaren 2006 tot en met 2009. De inspecteur heeft de belastingplichtigen, die tijdig bezwaar hebben gemaakt, individuele voorstellen gedaan tot het sluiten van een vaststellingsovereenkomst (VSO). Dit is mede gedaan omdat het verstrekken van de feiten voor het opleggen van een belastingaanslag de betreffende belastingplichtigen in een lastige bewijspositie bracht.\n\n2.16.2.. Een VSO is aangeboden aan degenen die een ouderdoms- of nabestaandenpensioen van – onder meer – het EOB ontvangen, en die tijdig bezwaar hebben gemaakt. Aan degenen die een invaliditeitspensioen van het EOB genieten, is geen VSO aangeboden. De Belastingdienst heeft besloten ook een VSO aan te bieden indien een bezwaarschrift is ingediend gericht tegen een definitieve aanslag voor een belastingjaar na 2009, omdat er met betrekking tot de complexe materie en de lastige bewijslast voor de gepensioneerden niets is gewijzigd.\n\n2.16.3.. Voor een ontvanger van ouderdoms- of nabestaandenpensioen van het EOB heeft de VSO het volgende tot gevolg:\n\n2\u002F3e deel van het pensioen, exclusief de ontvangen allowances en de tax adjustment, wordt tot het inkomen uit werk en woning gerekend;\n\nde ontvangen allowances en de tax adjustment worden geheel tot het inkomen uit werk en woning gerekend;\n\n1\u002F3e deel van het pensioen wordt na kapitalisatie tot de grondslag van het inkomen uit sparen en beleggen gerekend.\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:\n\n“i. de navorderingsaanslag 2017\n\n13. Eiser stelt zich op het standpunt dat voor de navorderingsaanslag 2017 geen sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt, omdat ten tijde van het opleggen van de definitieve aanslag 2017 het boekenonderzoek reeds was begonnen en afgerond. Volgens verweerder is wel sprake van een nieuw feiten is subsidiair sprake van een kenbare fout.\n\n14. Op grond van het bepaalde in artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. Verweerder heeft niet gesteld dat sprake was van kwade trouw. Navordering kan mede plaatsvinden in alle gevallen waarin te weinig belasting is geheven, doordat ten gevolge van een fout een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, wat de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is, waarvan in elk geval sprake is indien de te weinig geheven belasting ten minste 30 percent van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt.[1]\n\n15. Verweerder heeft verklaard, en uit de gedingstukken blijkt, dat een medewerker op 23 mei 2019 een behandelvoornemen heeft opgenomen in het systeem. Uit dit behandelvoornemen blijkt dat deze medewerker de intentie had om de automatische afdoening van de aangifte IB\u002FPVV 2017 te blokkeren. Echter, omdat reeds op 21 december 2018 risico’s in de aangifte door het systeem van de Belastingdienst waren vastgesteld, leidde het opnemen van het behandelvoornemen niet meer tot een uitworp van de aangifte. De medewerker heeft hier onvoldoende acht op geslagen. Verweerder heeft voorts verklaard dat indien die medewerker de post op zijn naam zou hebben gezet, de vaststelling van de definitieve aanslag wel tegen zou kunnen worden gehouden. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee sprake van een fout. Er is geen sprake van een verzuim dat voortvloeit uit een verwijtbaar onjuist inzicht van de inspecteur in de feiten die bepalend zijn voor de (omvang van) de belastingplicht.[2] Gelet hierop en gelet op het feit dat de bij de aanslag te weinig geheven belasting ten minste 30 percent van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt, was verweerder bevoegd een navorderingsaanslag IB\u002FPVV over het jaar 2017 op te leggen. De rechtbank komt dan ook niet toe aan de beantwoording van de vraag of sprake is van een nieuw feit.\n\nii. bron van inkomen, ondernemerschap en kostenaftrek\n\n16. Eiser stelt zich op het standpunt dat de activiteiten die ontplooit een bron van inkomen vormen en dat hij kwalificeert als ondernemer. Verweerder betwist dat sprake is van een bron van inkomen en stelt zich subsidiair op het standpunt dat geen sprake is van winst uit onderneming en meer subsidiair dat eiser niet voldoet aan het urencriterium.\n\n17. Van een bron van inkomen is sprake als wordt deelgenomen aan het economische verkeer met het doel om voordelen te behalen en het behalen van voordelen in redelijkheid kan worden verwacht. De vraag of in enig jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting moet in beginsel worden beantwoord op basis van feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen.[3]\n\n18. Omdat eiser een negatief resultaat in aanmerking wil nemen, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat eiser feiten en omstandigheden dient te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken op grond waarvan kan worden geoordeeld dat het door eiser beoogde voordeel ook, objectief beoordeeld, kon worden verwacht.[4]\n\n19. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat in 2015, 2016, 2017 of 2018 objectief gezien sprake was van een redelijkerwijs te verwachten voordeel uit de activiteiten waardoor geen sprake is van een bron van inkomen. Eiser heeft niet duidelijk gemaakt waaraan hij, objectief bezien, de verwachting kon ontlenen dat met de activiteiten, in weerwil van de structureel negatieve resultaten, positieve opbrengsten konden worden behaald. Uit de stellingen dat hij bezig is geweest om een fundament te creëren voor een bedrijf in de artistieke sector, dat (het aanleren van de vaardigheden voor) keramiek, tekenen en schilderen veel tijd kost, dat net als in de biotechniek sector sprake is van jarenlang geen verkoop en winst, maar van investering in onderzoek en kennisvergaring met als gevolg uitgaven en verliesjaren, kan slechts geconcludeerd worden dat sprake is geweest van investeringen. Echter, daarmee heeft eiser niet voldoende geconcretiseerd met nadere gegevens of bewijsstukken waaruit zou kunnen worden afgeleid dat een positief resultaat kon worden verwacht. Zo heeft eiser bijvoorbeeld geen bedrijfsplan of een marktanalyse overlegd, waaruit blijkt dat van te voren de omzetpositie is onderzocht. Hetzelfde geldt voor het voornemen om les te geven in keramiek en kunst in Nederland en [buitenland] . Ook hiervan is geen marktanalyse of onderzoek overgelegd. Met de stellingen dat eisers (voorbereidend) werk door persoonlijke omstandigheden is vertraagd en dat het BTW-nummer van eiser is ingetrokken maakt eiser evenmin aannemelijk dat positieve resultaten kunnen worden verwacht. Met betrekking tot [eenmanszaak 1] heeft eiser ook onvoldoende feitelijke onderbouwing gegeven voor zijn stelling dat sprake is van een bron van inkomen.\n\n20. Nu geen sprake is van een bron van inkomen, komt de rechtbank niet meer toe aan de vraag of sprake is van winst uit onderneming of ondernemerschap in de zin van de wet IB 2001 en of eiser recht heeft op een (aanvullende) kostenaftrek. Dit betekent dat verweerder de resultaten in uit de activiteiten terecht niet in aanmerking heeft genomen bij de bepaling van het inkomen uit werk en woning.\n\niii. bankkosten\n\n21. Voor het jaar 2018 heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat een bedrag van € 588 als kosten in aftrek moet komen. Eiser heeft tegenover de gemotiveerde betwisting van verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de beleggingsactiviteiten waarop deze bankkosten betrekking hebben, kwalificeren als bron van inkomen. Dit betekent dat deze kosten niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de bepaling van het inkomen uit werk en woning. Deze kosten zijn ook niet aftrekbaar bij de bepaling van het belastbare resultaat uit sparen en beleggen.\n\niv. belastingheffing EOB-inkomen\n\n22. De rechtbank van oordeel dat verweerder terecht het RPHR in de belastingheffing heeft betrokken. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.\n\n23. Artikel 16, eerste lid, eerste volzin, van het Protocol bepaalt dat personeelsleden zijn onderworpen aan een interne belastingheffing van de EOO over betaalde salarissen en emolumenten. Ingevolge de tweede volzin van het eerste lid zijn deze salarissen en emolumenten vrijgesteld van nationale inkomstenbelasting vanaf de datum dat de interne belasting wordt toegepast. Artikel 16, tweede lid, van het Protocol bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is op pensioenen en lijfrenten die de EOV betaalt aan voormalige personeelsleden van het EOB. Artikel 17 van het Protocol houdt in dat de Raad van Bestuur bepaalt op welke categorieën personeelsleden de bepalingen van (onder meer) artikel 16 van toepassing zijn.\n\n24. Volgens artikel 3.82, aanhef en onderdeel c, van de Wet 1B 2001 worden uitkeringen op grond van een pensioenregeling van een internationale organisatie, behoudens voor zover aannemelijk is dat over de aanspraken ingevolge die pensioenregeling een heffing naar het inkomen heeft plaatsgevonden die naar aard en strekking overeenkomt met de loonbelasting of de inkomstenbelasting, tot het loon gerekend.\n\n25. Het RPHR valt naar het oordeel van de rechtbank onder artikel 16, tweede lid, van het Protocol. Dit volgt uit het feit dat de Raad van Bestuur van de EOB de kwalificatie van de uitkering in het in r.o. 2 genoemde besluit heeft gewijzigd naar een RPHR. Dit betekent dat deze inkomsten niet zijn vrijgesteld op grond van artikel 16, eerste lid, van het Protocol. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het inherent aan de bewoording ‘retirement pension’, die is gebruikt door de Raad van Bestuur in het in r.o. 2 genoemde besluit, is dat een persoon niet langer als personeelslid, maar als voormalig personeelslid zoals bedoeld in artikel 16, tweede lid, van het Protocol wordt aangemerkt.\n\n26. Dat eiser tegen de beslissing van de EOB om vanaf 1 januari 2016 de voor eiser geldende pensioenregeling te veranderen van ‘permanent employee’ naar een ontvanger van RPHR in beroep is gegaan bij het Administrative Tribunal of the International Labour Organization (ATILO) maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaken met betrekking tot de jaren 2016, 2017 en 2018 aan te houden totdat op dat beroep is beslist. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat eiser heeft verklaard dat die procedure nog jaren zou kunnen duren en dat verweerder heeft toegezegd dat hij de aanslagen ambtshalve zal verminderen indien de uitspraak van ATILO tot gevolg heeft dat op basis van de voor de onderhavige jaren geldende wets-en verdragstoepassing de onderhavige aanslagen verminderd zouden moeten worden. Door de zaken niet aan te houden is, anders dan eiser stelt, geen sprake van discriminatie van eiser. Aan de verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, waarin is verklaard dat eiser tot en met 1 januari 2016 medewerker bij het EOB was, kan eiser niet het in rechte te honoreren vertrouwen ontlenen dat zijn ontvangen RPHR in het gehele jaar 2016 niet in de Nederlandse belastingheffing kan worden betrokken.\n\n27. Verweerder heeft met - onder andere - gepensioneerden van het EOB vaststellingsovereenkomsten (VSO’s) gesloten. Reden hiervoor was dat inwoners van Nederland die een ouderdoms-of nabestaandenpensioenuitkering ontvingen van een internationale organisatie (waaronder van het EOB) voor het vaststellen van hun belastbaar inkomen dienen te beschikken over gedetailleerde informatie over de opbouwfase van hun pensioen, die in de praktijk niet meer voorhanden bleek te zijn, noch bij de gepensioneerde, noch bij de Belastingdienst. Op grond van een dergelijke VSO kon, naar de rechtbank begrijpt, de gepensioneerde de betaalde pensioenpremie in mindering brengen bij de bepaling van de Nederlandse belastingheffing en werd dubbele belastingheffing voorkomen. Eiser stelt dat verweerder hem ten onrechte een dergelijke VSO wordt onthouden.\n\n28. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij feitelijk en rechtens in dezelfde omstandigheden verkeert als degenen die een ouderdoms-of nabestaandenpensioen van de EOB ontvingen en waarmee verweerder een VSO heeft gesloten. Reeds daarom is geen sprake is van discriminatie, zoals eiser stelt. Dat eiser alleen een VSO zou kunnen sluiten als hij in Nederland zou blijven wonen, maakt evenmin dat sprake is van discriminatie of een belemmering voor de vrijheid van beweging en keuze van woonplaats. De omstandigheid dat de VSO aan inwoners van Nederland wordt aangeboden is gelegen in het feit dat Nederland ter zake van inwoners van Nederland heffingsbevoegd is.\n\n29. Eiser beroept zich ook op het Besluit Inkomstenbelasting, Premie volksverzekeringen en Inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet. Pensioenen Internationale Organisaties[5] (het Besluit) en stelt dat hij ook onder dat Besluit valt waardoor de uitgangspunten die zijn toegepast bij een VSO, ook op zijn situatie van toepassing zijn. Gelet op de gemotiveerde betwisting van verweerder, ligt het op de weg van eiser om aan de hand van bewijsstukken feiten aannemelijk te maken op grond waarvan hij en beroep kan doen op toepassing van de uitgangspunten van het Besluit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het RPHR gelijk dient te worden gesteld met een pensioen waarvoor verweerder de in het Besluit opgenomen uitgangspunten heeft geformuleerd en overweegt daartoe het volgende.\n\n30. De rechtbank is van oordeel dat het RPHR beter vergelijkbaar is met een arbeidsongeschiktheidsverzekering dan met een pensioen als bedoeld in het Besluit.[6] Een (voormalig) personeelslid ontvangt het RPHR immers alleen als een bepaald (arbeidsongeschiktheids)risico zich voordoet. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van een opbouw zoals bij een in het Besluit bedoeld pensioen. Hij heeft de stelling van verweerder, dat het verzekerings- en risicokarakter bij het RPHR prevaleert onvoldoende weersproken. Dat een pensioenfonds als verzekeraar optreedt bij het RPHR maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Ook met de stellingen dat eiser voor het RPHR premies uit zijn netto salaris heeft moeten betalen, dat die premies naar het EOB pensioenfonds zijn gegaan, dat het RPHR uit dat pensioenfonds wordt betaald, dat de hoogte van het RPHR wordt berekend op dezelfde wijze als het ouderdomspensioen, en zowel over een ouderdomspensioen als over het RPHR in Nederland belasting dient te worden betaald, maakt het oordeel niet anders. Dat het RPHR nog niet bestond op het moment dat de Belastingdienst de VSO afsloot en slechts daarom niet expliciet in de VSO of in het Besluit zou zijn genoemd, blijkt niet uit de stukken en kan eiser dus ook niet baten. Dit betekent dat de uitgangspunten uit het Besluit niet van toepassing zijn op de situatie van eiser.\n\nv. premieplicht volksverzekeringen 2016, 2017 en 2018\n\n31. In het onderhavige geval heeft de Sociale Verzekeringsbank (SVB) eiser met betrekking tot de jaren 2016 tot en met 2018 niet ontheven van de verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen. Deze beslissing van de SVB is onherroepelijk vast komen te staan na een oordeel hierover van de Centrale Raad van Beroep.[7] De rechtbank is niet bevoegd in de onderhavige procedure de juistheid van de uitkomst van deze eerder gevoerde bestuursrechtelijke procedure te beoordelen. In de onderhavige procedure moet derhalve als vaststaand feit aangenomen worden dat eiser ter zake van 2016 tot en met 2018 verzekeringsplichtig is voor de AOW en Anw.\n\nvi. Belastingrente\n\n32. Niet in geschil is dat de belastingrente op de aanslagen in overeenstemming met de AWR is berekend. Voor het verminderen van de belastingrente tot nihil ziet de rechtbank, gelet op wat eiser heeft aangevoerd, geen aanleiding.\n\nConclusie\n\n33. Gelet op wat hiervoor is overwogen is, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.\n\n(…)\n\n[1] Artikel 16, tweede lid, onderdeel c, van de AWR.\n\n[2] Vergelijk ECLI:NL:HR:2014:1528.\n\n[3] Hoge Raad ECLI:NL:HR:2011:BP5707 en Hoge Raad ECLI:NL:HR:2012:BW8348.\n\n[4] vgl. gerechtshof Den Haag 31 maart 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:794.\n\n[5] Besluit van 19 augustus 2022, nr. 2022-206968.\n\n[6] Vgl. ECLI:NL:GHSHE:2017:571.\n\n[7] ECLI:NL:CRVB:2022:1102.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.. \n\nIn hoger beroep is in geschil:\n\na. of de Inspecteur bevoegd was de navorderingsaanslag 2017 op te leggen;\n\nb. of de activiteiten in de jaren 2015, 2016, 2017 en 2018 een bron van inkomen vormden, en zo ja, of sprake is van winst uit onderneming, en zo ja, of de Inspecteur terecht de door belanghebbende in aftrek gebrachte kosten en de ondernemersaftrek heeft gecorrigeerd;\n\nc. of voor het jaar 2018 een bedrag van € 588 aan bankkosten in aanmerking kan worden genomen;\n\nd. of het RPHR in de jaren 2016, 2017 en 2018 terecht in de heffing is betrokken, en zo ja, of belanghebbende op grond van het gelijkheidsbeginsel recht heeft op een VSO als bedoeld in 2.16.2, dan wel in aanmerking komt voor toepassing van het Besluit pensioenen Internationale Organisaties(het Besluit);\n\ne. of belanghebbende voor de jaren 2016, 2017 en 2018 premieplichtig was voor de volksverzekeringen; en\n\nf. of de belastingrente naar de juiste bedragen is berekend.\n\n4.2.. Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, en primair tot vermindering van de belastingaanslagen conform de ingediende aangiften, en subsidiair tot vermindering van de navorderingsaanslagen 2016 en 2017 en de aanslag 2018 op de voet van de in 2.16.2 genoemde VSO.\n\n4.3.. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\nVooraf\n\n5.1.. Belanghebbende klaagt erover dat in de uitspraak van de Rechtbank is vermeld dat hoger beroep kan worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van de uitspraak. Volgens belanghebbende worden zijn rechten ondermijnd doordat niet uitgegaan wordt van de datum van ontvangst van de uitspraak. Wat hier ook van zij, heeft belanghebbende binnen de termijn van zes weken van artikel 6:7 in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hoger beroep ingesteld. Het Hof verwerpt belanghebbendes betoog.\n\nWas de Inspecteur bevoegd een navorderingsaanslag op te leggen (2017)?\n\n5.2.1.. Op grond van artikel 16, lid 1 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. De bewijslast dat sprake is van een nieuw feit dan wel kwade trouw rust op de inspecteur.\n\n5.2.2.. Navordering kan mede plaatsvinden indien sprake is van een kenbare fout in de zin van artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR. Navordering op grond van deze bepaling is mogelijk indien ten gevolge van een fout ten onrechte een aanslag achterwege is gebleven, dan wel een belastingaanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Tevens is vereist dat de fout voor de belastingplichtige redelijkerwijs kenbaar is, waarvan in ieder geval sprake is indien de te weinig geheven belasting ten minste 30% van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt. De bewijslast van de aanwezigheid van een kenbare fout rust op de inspecteur.\n\n5.2.3.. Belanghebbende betoogt dat voor het jaar 2017 geen sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt, en voert daartoe aan dat ten tijde van het opleggen van de primitieve aanslag IB\u002FPVV voor het jaar 2017 met dagtekening 25 februari 2020 (de aanslag 2017) het boekenonderzoek reeds was begonnen en afgerond. Belanghebbende wijst op een concept-rapport van 10 maart 2020 en stelt dat alle feiten en bezwaren eind 2019, dus ruim voor het opleggen van de aanslag 2017, al bij de Inspecteur bekend waren.\n\n5.2.4.. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat hij wel degelijk beschikt over het benodigde nieuwe feit, omdat hij niet behoefde te twijfelen aan de juistheid van de ingediende aangifte IB\u002FPVV voor het jaar 2017 (de aangifte 2017), dan wel dat het niet onwaarschijnlijk was dat deze juist kon zijn. Subsidiair betoogt de Inspecteur dat sprake is van een kenbare fout in de zin van artikel 16, lid 2, letter c, AWR, omdat de op de navorderingsaanslag 2017 te betalen belasting meer bedraagt dan 30% van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting.\n\n5.2.5.. Indien de inspecteur bij een belasting die bij wege van aanslag wordt geheven zodanige twijfel heeft over de juistheid van een aangifte dat hij het nodig vindt een onderzoek in te stellen, dient hij als regel met het opleggen van een aanslag te wachten totdat hij de beschikking heeft over de resultaten van dat onderzoek. Legt de inspecteur in dat geval een aanslag op zonder te wachten totdat hij de beschikking heeft over de resultaten van het volledige onderzoek, dan begaat hij daarmee als regel een ambtelijk verzuim dat niet door middel van navordering kan worden hersteld. Dat is alleen anders indien er gegronde redenen zijn waarom het geboden is de aanslag al op te leggen voordat met de resultaten van dat onderzoek rekening kan worden gehouden (vgl. HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:638, BNB 2022\u002F82).\n\n5.2.6.. De aangifte 2017 is ingediend op 22 juni 2018 en de aanslag 2017 is vervolgens conform de ingediende aangifte opgelegd op 25 februari 2020. Het boekenonderzoek is blijkens het rapport (voor)aangekondigd in mei 2019 en uitgevoerd vanaf oktober 2019. Het rapport is gedateerd 2 april 2020. De aanslag 2017 is derhalve lopende het boekenonderzoek opgelegd, dat wil zeggen nadat het boekenonderzoek is aangekondigd en nadat (een deel van) het onderzoek is verricht, maar voordat het rapport is afgerond. Uit het feit dat de Inspecteur een boekenonderzoek heeft ingesteld, evenals uit de vragenbrief van 19 november 2019 (zie 2.12), blijkt dat de Inspecteur zodanig twijfelde aan de juistheid van de aangiften van belanghebbende dat het nodig was een nader onderzoek in te stellen naar de juistheid van deze aangiften. De Inspecteur heeft de aanslag 2017 niettemin opgelegd conform de aangifte, zonder de uitkomsten van het boekenonderzoek af te wachten. De Inspecteur heeft evenmin gesteld dat sprake was van gegronde redenen om de aanslag 2017 reeds op te leggen. De Inspecteur had de uitkomsten van het onderzoek echter dienen af te wachten teneinde de resultaten daarvan bij het vaststellen van de aanslag 2017 in aanmerking te kunnen nemen. Hiermee heeft de Inspecteur een ambtelijk verzuim begaan.\n\n5.2.7.. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of sprake is van een kenbare fout als bedoeld in artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR zoals de Inspecteur subsidiair stelt. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat het begrip ‘fout’ in artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR, neutraal en ruim bedoeld is (Kamerstukken II 2009\u002F10, 32 129, nr. 3, p. 25). Onder ‘fout’ in de zin van deze bepaling moet worden verstaan: elke misslag die bij de Belastingdienst optreedt in verband met de aanslagregeling, zoals schrijf-, reken-, overname- en intoetsfouten, maar ook andere fouten zoals “fouten ten gevolge van de geautomatiseerde verwerking van aangiften”, indien het gevolg daarvan is dat de belastingschuld op een te laag bedrag is vastgesteld (HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1528, BNB 2014\u002F203, en HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1203, BNB 2018\u002F152).\n\n5.2.8.. Vast staat dat de aangifte 2017 automatisch is afgedaan en dat geen handmatige beoordeling heeft plaatsgevonden. De Inspecteur heeft hierover het volgende verklaard. De controlemedewerker heeft vrijwel direct na aanvang van het boekenonderzoek, namelijk op 23 mei 2019, een behandelvoornemen in het systeem opgenomen teneinde de automatische afdoening van de aangifte 2017 te blokkeren. Op 21 december 2018 waren door het systeem echter reeds de risico’s in de aangifte bepaald. Vanaf dat moment zou het opnemen van een behandelvoornemen geen zin meer hebben, aangezien dit niet meer zou leiden tot een uitworp. De betreffende medewerker die het behandelvoornemen in het systeem had gezet, heeft hier onvoldoende acht op geslagen, als gevolg waarvan de aanslag 2017 automatisch kon worden afgedaan conform de ingediende aangifte 2017, aldus de Inspecteur. De Inspecteur heeft voorts verklaard dat indien die medewerker de post op zijn naam zou hebben gezet, de vaststelling van de definitieve aanslag wel had kunnen worden tegengehouden. Naar het oordeel van het Hof is onder deze omstandigheden sprake van een fout als gevolg van de geautomatiseerde verwerking van de aangifte 2017 die in beginsel voor navordering in aanmerking komt, mits voldaan is aan het kenbaarheidsvereiste.\n\n5.2.9.. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat indien de geheven belasting ten minste 30% minder is dan de daadwerkelijke – uit de belastingwet voortvloeiende – belastingschuld, de onjuiste vaststelling van de aanslag in elk geval redelijkerwijs kenbaar is (Kamerstukken II 2009\u002F10, 32 129, nr. 3. p 26). De 30%-regel objectiveert dus de kenbaarheid.\n\n5.2.10.. Het Hof stelt vast dat de te weinig geheven belasting in 2017 ten minste 30% van de ingevolge de belastingwet verschuldigde belasting bedraagt (zie 5.5.11). Dit betekent dat van rechtswege het bewijsvermoeden geldt dat sprake is van een voor belanghebbende kenbare fout. Van kenbare onjuistheid is echter geen sprake in gevallen waarin de belastingplichtige in redelijkheid kon menen dat de aanslag, hoewel tot een te laag bedrag, niettemin op goede gronden is vastgesteld. Voor zover een aanslag aldus tot een te laag bedrag is vastgesteld, mag de te weinig geheven belasting ook niet worden nagevorderd met toepassing van de 30%-regel van artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR (HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1528, BNB 2014\u002F203). Belanghebbende heeft aangevoerd dat de Inspecteur eind 2019, dus ruim voor het regelen van de aanslag 2017, reeds over alle feiten beschikte. Het Hof verwerpt dit betoog. In de brief van 19 november 2019 (zie 2.12) heeft de Inspecteur belanghebbende onder meer geïnformeerd dat de in het lopende boekenonderzoek aangeleverde stukken vragen oproepen, die alleen met een nadere onderbouwing door middel van bewijsstukken beantwoord kunnen worden. Als bijlage bij de brief is een lijst van minimaal nog over te leggen stukken opgenomen. Ten aanzien van het invaliditeitspensioen van het EOB neemt de Inspecteur in de brief het standpunt in dat belanghebbende per 1 januari 2016 volledig belastingplichtig is in Nederland, zonder hierover nadere vragen te stellen. Gelet hierop kon belanghebbende in redelijkheid niet menen dat de aanslag 2017 op goede gronden is vastgesteld.\n\n5.2.11.. Gelet op het voorgaande geldt van rechtswege het bewijsvermoeden dat de fout kenbaar was voor belanghebbende. Daarmee is voldaan aan de vereisten van artikel 16, lid 2, aanhef en letter c, AWR. De Rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de Inspecteur bevoegd was de navorderingsaanslag 2017 op te leggen.\n\nVormden de activiteiten een bron van inkomen (2015 tot en met 2018)?\n\n5.3.1.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de activiteiten in de onderhavige jaren een bron van inkomen vormen en dat hij kwalificeert als ondernemer. De Inspecteur betwist dat sprake is van een bron van inkomen. Subsidiair stelt de Inspecteur zich op het standpunt dat geen sprake is van winst uit onderneming als bedoeld in de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) en meer subsidiair dat belanghebbende geen recht heeft op de ondernemersfaciliteiten omdat hij niet voldoet aan het urencriterium.\n\n5.3.2.. Belanghebbende kan de verliezen alleen in aanmerking nemen indien deze voortvloeien uit een bron van inkomen. Volgens vaste jurisprudentie worden als uitgangspunt de volgende drie algemene voorwaarden gesteld aan een bron van inkomen: deelname aan het economische verkeer, het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen en de (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs kan worden behaald (vgl. HR 14 april 1993, ECLI:NL:HR:1993:BH8770, BNB 1993\u002F203 en HR 1 februari 2002, ECLI:NL: HR:2002:AD8763, BNB 2002\u002F128). Tussen partijen is in geschil of sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en of belanghebbende met de activiteiten heeft deelgenomen aan het economische verkeer. Niet in geschil is dat belanghebbende met de activiteiten beoogde voordeel te behalen.\n\n5.3.3.. De vraag of in enig jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting moet in beginsel worden beantwoord op basis van de feiten en omstandigheden van dat jaar. Feiten en omstandigheden van andere jaren kunnen echter licht werpen op het antwoord op de vraag of in het betreffende jaar sprake is van een objectieve voordeelsverwachting en mogen daarom mede in aanmerking worden genomen (vgl. HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5707, BNB 2011\u002F246, en HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2390, BNB 2019\u002F39).\n\n5.3.4.. Omdat belanghebbende in de onderhavige jaren negatieve resultaten uit een bron van inkomen in aanmerking wil nemen, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat belanghebbende feiten en omstandigheden dient te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken op grond waarvan kan worden geoordeeld dat het door belanghebbende beoogde voordeel ook, objectief beoordeeld, kon worden verwacht.\n\n5.3.5.. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende niet geslaagd in de op hem rustende bewijslast. De Rechtbank heeft terecht en op juiste gronden geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat in 2015, 2016, 2017 of 2018 objectief gezien sprake was van een redelijkerwijs te verwachten voordeel. Belanghebbende heeft onvoldoende duidelijk gemaakt waaraan hij in de onderhavige jaren, objectief bezien, de verwachting kon ontlenen dat met de activiteiten, in weerwil van een reeks negatieve resultaten, positieve opbrengsten konden worden behaald. Vast staat dat belanghebbende vanaf de start van de activiteiten nooit positieve resultaten heeft behaald. In de jaren 2007 tot en met 2018 heeft belanghebbende met de activiteiten geen enkele omzet behaald, maar slechts kosten gemaakt. In de jaren 2019 tot en met 2021 heeft belanghebbende met de activiteiten weliswaar omzet behaald, maar hebben de kosten de omzet steeds in aanzienlijke mate overtroffen. Belanghebbende heeft hiermee niet aannemelijk gemaakt dat – beoordeeld naar de situatie in de onderhavige jaren en mede in het licht van feiten en omstandigheden uit latere jaren – voor de onderhavige jaren met de werkzaamheden een positieve opbrengst was te verwachten.\n\n5.3.6.. Belanghebbende voert in hoger beroep aan dat hij wel degelijk een bedrijfsplan heeft opgesteld en een marktanalyse heeft gedaan, en dat hij bijvoorbeeld een ontwerpstudie voor de school aan de Inspecteur heeft verstrekt. Deze stukken zijn echter niet overgelegd, en belanghebbende heeft zijn stellingen verder niet geconcretiseerd met nadere gegevens waaruit zou kunnen worden afgeleid dat in de onderhavige jaren een positief resultaat kon worden verwacht. Dat geldt eveneens voor de door belanghebbende aangevoerde persoonlijke omstandigheden (ziekte) en het feit dat belanghebbendes BTW-nummer is ingetrokken, waaruit belanghebbende met betrekking tot [eenmanszaak 2] concludeert dat hij geen cursussen kon geven en niet kon inkopen tegen condities gelijk aan andere keramiekbedrijven. De aankoop van het schoolgebouw in [buitenland] in 2019 is op zichzelf onvoldoende om te kunnen concluderen dat in de onderhavige jaren een positief resultaat kon worden verwacht. Het feit dat de Inspecteur (in de uitspraken op bezwaar) voor de jaren 2015 tot en met 2018 de aftrek van studiekosten heeft geaccepteerd, maakt dit niet anders.\n\n5.3.7.. Het Hof komt tot de conclusie dat belanghebbendes positieve verwachting ten aanzien van het te behalen voordeel objectief bezien niet gerechtvaardigd was. Dat oordeel brengt reeds mee dat de activiteiten niet kunnen worden aangemerkt als een bron van inkomen. Of belanghebbende met de activiteiten heeft deelgenomen aan het economische verkeer kan daarom in het midden blijven. De verliezen uit die activiteiten kunnen niet in mindering worden gebracht op het inkomen uit werk en woning.\n\nKunnen bankkosten in aanmerking worden genomen (2018)?\n\n5.4.. De Rechtbank heeft geoordeeld dat de bankkosten van € 588 niet in aanmerking kunnen worden genomen bij de bepaling van het inkomen uit werk en woning van 2018. De Rechtbank heeft op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof maakt de overwegingen van de Rechtbank tot de zijne. Belanghebbende heeft in hoger beroep niets aangevoerd dat een ander of nieuw licht op de zaak werpt.\n\nIs het RPHR terecht in de heffing betrokken (2016, 2017 en 2018)?\n\n5.5.1.. Belanghebbende betoogt primair, zo begrijp het Hof, dat het RPHR ten onrechte in de heffing is betrokken omdat hij voor deze inkomsten niet in Nederland belastingplichtig is. Hij verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar een verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (zie 2.7) en naar het door hem bij het ATILO ingestelde beroep (zie 2.8).\n\n5.5.2.. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat het RPHR in de jaren 2016 tot en met 2018 terecht in de heffing is betrokken, omdat het gaat om een invaliditeitspensioen dat niet onder een vrijstelling valt.\n\n5.5.3.. Artikel 3.82 Wet IB 2001 (tekst geldend in de onderhavige jaren) luidt, voor zover van belang:\n\n“Tot loon wordt gerekend:\n\n(…)\n\nc. uitkeringen op grond van een pensioenregeling van een internationale organisatie, behoudens voorzover aannemelijk is dat over de aanspraken ingevolge die pensioenregeling een heffing naar het inkomen heeft plaatsgevonden die naar aard en strekking overeenkomt met de loonbelasting of de inkomstenbelasting.”\n\n5.5.4.. De EOO is opgericht bij het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien(EOV). Artikel 8 EOV luidt als volgt:\n\n“Voorrechten en immuniteiten\n\nIn het bij dit Verdrag gevoegde Protocol inzake voorrechten en immuniteiten worden de voorwaarden omschreven waaronder de Organisatie [de EOO; Hof], de leden van de Raad van Bestuur, het personeel van het [EOB] en alle andere in dat Protocol genoemde personen, die deelnemen aan de werkzaamheden van de Organisatie, in elke Verdragsluitende Staat de voorrechten en immuniteiten genieten, die noodzakelijk zijn voor de vervulling van hun taken.”\n\n5.5.5.. Het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de Europese Octrooiorganisatie(het Protocol) luidt, voor zover van belang, als volgt:\n\n“Artikel 16\n\n1. Onder de voorwaarden en op de wijze zoals die worden vastgesteld door de Raad van Bestuur binnen een jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag, zijn de in de artikelen 13 en 14 bedoelde personen onderworpen aan een belasting ten gunste van de Organisatie [de EOO; Hof] op de door de Organisatie betaalde salarissen en emolumenten. Van de datum waarop deze belasting ingaat af zijn deze salarissen en emolumenten vrij van nationale inkomstenbelasting. De Verdragsluitende Staten kunnen evenwel met deze salarissen en emolumenten wel rekening houden bij de berekening van de belasting die verschuldigd is over inkomsten uit andere bronnen.\n\n2. Het vorige lid is niet van toepassing op de pensioenen en lijfrenten die door de Organisatie worden betaald aan voormalige personeelsleden van het [EOB].\n\nArtikel 17\n\nDe Raad van Bestuur bepaalt op welke categorieën personeelsleden het bepaalde in (…) artikel 16 van toepassing is (…). De namen, titels en adressen van de personeelsleden en deskundigen van die categorieën worden op gezette tijden ter kennis gebracht van de Verdragsluitende Staten.”\n\n5.5.6.. De Rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het RPHR onder artikel 16, lid 2, van het Protocol valt. Uit de gedingstukken blijkt dat degenen die een invaliditeitspensioen ontvingen van het EOB tot en met 31 december 2015 werden aangemerkt als ‘permanent employee’ met een ‘non-active status’. Zij ontvingen, na staking van hun activiteiten, een ‘invalidity allowance’. Als gevolg van het besluit van de Raad van Bestuur van het EOB van 26 maart 2015 (zie 2.6) is de status van de ontvanger van een invaliditeitspensioen van het EOB met ingang van 1 januari 2016 gewijzigd van ‘permanent employee’ naar een ontvanger van een RPHR. Uit de bij het besluit gewijzigde Service Regulations blijkt dat een ontvanger van een RPHR wordt aangemerkt als ‘retired’. Het RPHR wordt in het besluit bovendien gekwalificeerd als ‘retirement pension’. Aan deze bewoordingen is inherent dat de ontvanger van een RPHR wordt aangemerkt als voormalig personeelslid zoals bedoeld in artikel 16, lid 2, van het Protocol. Gelet hierop moet het RPHR worden aangemerkt als een pensioen in de zin van artikel 16, lid 2, van het Protocol.\n\n5.5.7.. Op grond van artikel 3.82, aanhef en letter c, Wet IB 2001 zijn de uitkeringen uit het RPHR derhalve belast, behoudens voor zover aannemelijk is dat over de aanspraken een heffing naar het inkomen heeft plaatsgevonden die naar aard en strekking overeenkomt met de loonbelasting of de inkomstenbelasting. Belanghebbende, op wie te dezen de bewijslast rust, heeft niet gesteld dat over de aanspraak in de onderhavige jaren een zodanige heffing heeft plaatsgevonden.\n\n5.5.8.. Belanghebbende beroept zich op de verklaring van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (uittreksel uit de Protocollaire Basisadministratie) waarin staat dat hij van 1 april 1990 tot en met 1 januari 2016 medewerker van het EOB was (zie 2.7). Uit het feit dat hierin 1 januari 2016 staat genoemd, volgt volgens belanghebbende dat hij voor wat betreft het RPHR het gehele jaar 2016 niet belastingplichtig was. Het Hof verwerpt dit betoog. De status van belanghebbende is op grond van de gewijzigde Service Regulations met ingang van 1 januari 2016 gewijzigd in ontvanger van een RPHR. Dergelijke medewerkers worden aangemerkt als ‘retired’. Belanghebbende kwalificeerde derhalve gedurende de jaren 2016 tot en met 2018 als voormalig personeelslid van het EOB in de zin van artikel 16, lid 2, van het Protocol. Hij heeft gedurende deze periode geen taken vervuld voor het EOB in de zin van artikel 8 EOV. De aan de functionarissen van het EOB te verlenen status die noodzakelijk is voor de uitoefening van hun functies en de daaruit volgende vrijstelling voor het salaris aan hen betaald in die hoedanigheid, geldt niet voor het RPHR genoten door een oud-medewerker die zijn functie niet meer vervult. Het feit dat in het uittreksel uit de Protocollaire Basisadministratie de datum 1 januari 2016 staat genoemd, brengt niet mee dat het RPHR voor het gehele jaar onder de vrijstelling van artikel 16, lid 1, van het Protocol zou vallen. Het oordeel in 5.5.6 geldt derhalve voor het gehele jaar 2016.\n\n5.5.9.. Voor zover belanghebbende met zijn stellingen beoogt een beroep op het vertrouwensbeginsel te doen, valt niet in te zien dat hij aan de betreffende verklaring vertrouwen heeft kunnen ontlenen. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is immers vereist dat de belastingplichtige aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe de inspecteur in een concreet geval zijn bevoegdheden zou uitoefenen (vgl. HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1069, BNB 2020\u002F120, en HR 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:439, BNB 2021\u002F95). De verwijzing naar de betreffende verklaring is hiervoor, gelet op de inhoud daarvan, ontoereikend. Belanghebbende kan voor het jaar 2016 dus geen vertrouwen ontlenen aan de verklaring.\n\n5.5.10.. Belanghebbende betoogt voorts dat de procedure die hij voert bij het ATILO (zie 2.8) van belang is voor zijn belastingpositie. Indien hij zou winnen, zou het RPHR voor de jaren 2016 tot en met 2018 buiten de heffing blijven, aldus belanghebbende. Volgens belanghebbende heeft de Rechtbank de zaken met betrekking tot deze jaren ten onrechte niet aangehouden in afwachting van een uitspraak in de procedure bij het ATILO, en is hij hierdoor gediscrimineerd. Het Hof verwerpt dit betoog en sluit zich aan bij het oordeel van de Rechtbank hieromtrent. Geen rechtsregel verplicht ertoe de zaken met betrekking tot de jaren 2016 tot en met 2018 aan te houden in afwachting van de uitkomst van de procedure bij het ATILO. Evenals de Rechtbank ziet het Hof geen aanleiding om deze aan te houden totdat op dat beroep is beslist. Hierbij verdient het volgende opmerking. Het ATILO is competent ter zake van specifieke arbeidsrechtelijke geschillen, en is geen (internationale) belastingrechter. Hoewel aan belanghebbende toegegeven kan worden dat de uitkomst van die procedure mogelijkerwijs zou kunnen leiden tot een terugdraaiing van de interne statuswijziging van belanghebbende, heeft deze procedure slechts op indirecte wijze gevolgen voor de belastingpositie van belanghebbende. Bovendien is er op dit moment geen zicht op een uitspraak van het ATILO; belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat de procedure nog jaren zou kunnen duren. De Inspecteur heeft verder (in hoger beroep nogmaals) toegezegd dat hij de belastingaanslagen ambtshalve zal verminderen, ook buiten de vijfjaarstermijn, indien de uitspraak van het ATILO hiertoe aanleiding geeft. Niet in te zien valt hoe, door de zaken niet aan te houden, belanghebbende zou worden gediscrimineerd. Het voorgaande brengt tevens mee dat belanghebbendes klacht dat de Rechtbank de zaken ten onrechte niet heeft aangehouden in afwachting van de arbeidsrechtelijke procedure die belanghebbende voert bij het ATILO, geen doel treft.\n\n5.5.11.. Gelet op het voorgaande heeft de Inspecteur terecht het RPHR op grond van artikel 3.82, aanhef en letter c, Wet IB 2001 als belastbaar inkomen uit werk en woning aangemerkt.\n\nIs het gelijkheidsbeginsel geschonden door geen VSO te sluiten dan wel het Besluit niet toe te passen (2016, 2017 en 2018)?\n\n5.5.12.. Subsidiair betoogt belanghebbende dat hij op grond van het gelijkheidsbeginsel in aanmerking komt voor een VSO zoals de Inspecteur aanbiedt aan degenen die een ouderdoms- of nabestaandenpensioen van het EOB ontvangen, en dat het RPHR aldus in de heffing zou moeten worden betrokken (zie 2.16). Volgens belanghebbende heeft de Rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het RPHR beter vergelijkbaar is met een arbeidsongeschiktheidsuitkering dan met een ouderdomspensioen. Hiertoe verwijst belanghebbende naar diverse bepalingen uit de Pension Regulations van het EOB. Belanghebbende stelt dat het RPHR uit een pensioenfonds komt, dat hij net als alle andere EOB-werknemers de pensioenpremies uit het netto salaris moest betalen, dat de betaalde premies naar het EOB-pensioenfonds zijn gegaan, dat het RPHR uit het EOB-pensioenfonds wordt betaald, dat de hoogte van het RPHR wordt berekend op dezelfde wijze als het ouderdomspensioen, en dat zowel over het RPHR als een regulier ouderdomspensioen in Nederland belasting dient te worden betaald.\n\n5.5.13.. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor een VSO, aangezien belanghebbende zich feitelijk noch rechtens in een gelijke situatie bevindt als personen die een ouderdoms- of nabestaandenpensioen ontvangen van het EOB. De Inspecteur voert hiertoe aan dat ten aanzien van het RPHR sprake is van een invaliditeitspensioen, dat een verzekerings- of risicokarakter heeft. Volgens de Inspecteur is de bedoeling van de regeling doorslaggevend, waarbij een invaliditeitspensioen een uitkering kent die afhankelijk is van een toekomstige, onzekere gebeurtenis. Een dergelijke toezegging heeft daarmee in algemene termen het karakter van een verzekering, in tegenstelling tot een oudedagspensioen, aldus de Inspecteur.\n\n5.5.14.. Wil een beroep op het gelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur kunnen slagen, dan dient de belanghebbende te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken dat sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen en deze ongelijke behandeling het gevolg is van:\n\neen begunstigend beleid dat niet van toepassing is op belanghebbende,\n\neen oogmerk tot begunstiging van andere gevallen dan dat van belanghebbende, of\n\neen begunstigende behandeling in de meerderheid van met belanghebbende vergelijkbare gevallen (meerderheidsregel).\n\nBelanghebbende stelt dat sprake is van begunstigend beleid.\n\n5.5.15.. De VSO betreft een compromisvoorstel dat naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2009 is aangeboden aan degenen die een ouderdoms- of nabestaandenpensioen ontvangen. De VSO houdt in dat de uitkeringen deels in box 1 en deels in box 3 worden belast en dat de ontvangen allowances en de tax adjustment in box 1 worden belast (zie 2.16.3). Volgens belanghebbende verschilt het RPHR dat hij ontvangt niet in enig relevant opzicht van het ouderdoms- of nabestaandenpensioen. Dit zou tot gevolg hebben dat het RPHR deels in box 1 en deels in box 3 wordt belast.\n\n5.5.16.. Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn standpunt. Het RPHR heeft namelijk naar zijn aard een verzekerings- of risicokarakter. Anders dan bij het ouderdoms- en nabestaandenpensioen is bij het RPHR geen sprake geweest van een opbouw van aanspraken op een pensioen, maar ontstaat de aanspraak erop pas door (onder meer) het intreden van de arbeidsongeschiktheid. Uit de arbeidsvoorwaarden van het EOB (de Service Regulations en Pension Scheme Regulations) volgt immers dat een RPHR wordt uitgekeerd aan werknemers ouder dan 55 jaar die gedurende 10 jaar volledig van hun taken zijn ontheven wegens arbeidsongeschiktheid, overigens met inachtneming van de (op belanghebbende toepasselijke) overgangsregeling opgenomen in artikel 72 van het besluit van de Raad van Bestuur van het EOB van 26 maart 2015 (zie 2.6). De door belanghebbende aangevoerde kenmerken – namelijk dat bij het RPHR een pensioenfonds optreedt als verzekeraar, dat belanghebbende de pensioenpremies uit het netto salaris moest betalen, dat de betaalde premies naar het EOB-pensioenfonds zijn gegaan, dat het RPHR uit het EOB-pensioenfonds wordt betaald, dat de hoogte van het RPHR wordt berekend op dezelfde wijze als het ouderdomspensioen, en dat zowel over het RPHR als een ouderdomspensioen (zonder gezondheidsredenen) in Nederland belasting dient te worden betaald – maken niet dat het RPHR naar zijn aard vergelijkbaar is met het ouderdoms- en nabestaandenpensioen. Hetzelfde geldt voor de door belanghebbende aangehaalde (pensioen)voorwaarden, waaronder de eis van een minimale aanstellingsperiode van 10 jaar. Hetgeen belanghebbende verder heeft aangevoerd, namelijk dat de hoogte van het RPHR afhankelijk is van senioriteit, dat het RPHR nog niet bestond toen de VSO werd opgezet, en dat medewerkers van het EOB vanaf een leeftijd van 50 jaar dan wel 60 jaar met pensioen kunnen en in dat geval wel recht hebben op een VSO, doet evenmin af aan dit oordeel. Belanghebbende heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat hij feitelijk en rechtens in dezelfde omstandigheden verkeert als degenen die een ouderdoms-of nabestaandenpensioen van de EOB ontvingen en waarmee verweerder een VSO heeft gesloten. Reeds hierom is geen sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel, zoals de Rechtbank terecht heeft geoordeeld.\n\n5.5.17.. Meer subsidiair betoogt belanghebbende dat hij op grond van het gelijkheidsbeginsel in aanmerking komt voor toepassing van het Besluit. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende niet in aanmerking komt voor toepassing van het Besluit omdat de uitgangspunten van het Besluit niet van toepassing zijn op invaliditeitspensioenen.\n\n5.5.18.. Het Besluit, dat in werking is getreden met ingang van 24 augustus 2022, bevat beleid over de fiscale behandeling van pensioenuitkeringen van internationale organisaties. Het Besluit codificeert de uitgangspunten die aan de VSO ten grondslag liggen.\n\n5.5.19.. Het Hof verwerpt belanghebbendes betoog onder verwijzing naar het in 5.5.16 gegeven oordeel. Afgezien hiervan is in onderdeel 4.3.5 van het Besluit opgemerkt dat de uitgangspunten van het Besluit niet gelden voor invaliditeitspensioenen. Bij dergelijke pensioenen is het volgens het Besluit onverkort aan de gerechtigde om de eventuele feiten en omstandigheden aannemelijk te maken op basis waarvan de uitkeringen (deels) niet tot het inkomen uit werk en woning behoren. Nu het RPHR, gelet op het oordeel in 5.5.16, kwalificeert als invaliditeitspensioen en belanghebbende geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die kunnen leiden tot de conclusie dat de inkomsten niet behoren tot het inkomen uit werk en woning, moet ook het beroep op het Besluit worden verworpen.\n\n5.5.20.. Hieraan doet geen afbreuk dat de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag IB\u002FPVV 2019 in eerste instantie het Besluit heeft toegepast op belanghebbende. De Inspecteur heeft hierover verklaard dat het Besluit voor dit jaar per abuis is toegepast, en heeft erop gewezen dat belanghebbende bij brief van 31 januari 2024 erop is gewezen dat de toepassing van het Besluit bij het vaststellen van de aanslag IB\u002FPVV 2019 een vergissing was. De Inspecteur heeft inmiddels overigens berust in de – onjuiste – toepassing van het Besluit voor het jaar 2019, maar zal het Besluit voor het jaar 2020 niet toepassen.\n\n5.5.21.. Er is geen sprake van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen. De vraag of sprake is geweest van beleid kan daarom in het midden blijven. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.\n\nWas belanghebbende premieplichtig voor de volksverzekeringen (2016, 2017 en 2018)?\n\n5.6.1.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij premieplichtig is in Nederland. Volgens belanghebbende heeft hij niet op tijd om een ontheffing kunnen vragen, en is hij geen premies volksverzekeringen verschuldigd, omdat de SVB dan wel de Nederlandse Staat heeft verzwegen dat hij een ontheffing kon aanvragen. Belanghebbende meent dat het betalen van premies volksverzekeringen als gevolg hiervan disproportioneel is.\n\n5.6.2.. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende premieplichtig is voor de AOW en Anw, nu de SVB belanghebbende voor de betreffende jaren niet heeft ontheven van de verzekeringsplicht en de belastingrechter niet bevoegd is om de juistheid van de uitkomst van de bestuursrechtelijke procedure hieromtrent te beoordelen.\n\n5.6.3.. In artikel 6 van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) is geregeld dat de verzekerde in de zin van de volksverzekeringen premieplichtig is voor de volksverzekeringen. Op grond van artikel 6, lid 1, letter a, AOW respectievelijk artikel 13, lid 1, letter a, Anw is een ingezetene verplicht verzekerd voor de AOW respectievelijk Anw. Uit artikel 2 AOW respectievelijk 6 Anw volgt dat degene die in Nederland woont, voor toepassing van deze wetten, als ingezetene wordt aangemerkt.\n\n5.6.4.. Nu belanghebbende in de onderhavige jaren inwoner van Nederland was, is belanghebbende daarmee, behoudens de hierna omschreven ontheffingsmogelijkheid door de SVB, verplicht verzekerd voor de AOW en Anw en daarmee ook premieplichtig voor deze volksverzekeringen.\n\n5.6.5.. De SVB kan een ingezetene ontheffen van de verzekeringsplicht indien aan de in artikel 22, lid 1, van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (BUB) opgenomen voorwaarden wordt voldaan. Regels omtrent het moment waarop de ontheffing van de verzekeringsplicht dient in te gaan, zijn opgenomen in artikel 22, lid 2 en lid 3, BUB. Deze ontheffingsbevoegdheid is voorbehouden aan de SVB. Het vaststellen van de verzekeringsplicht behoort immers tot de exclusieve bevoegdheid van de SVB.\n\n5.6.6.. In het onderhavige geval heeft de SVB belanghebbende met ingang van 22 november 2019 een ontheffing van de verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen (AOW en Anw) verleend (zie 2.15.1). Met betrekking tot de jaren 2016 tot en met 2018 is belanghebbende niet ontheven van de verzekeringsplicht voor de AOW en Anw. De CRvB heeft het door belanghebbende ingestelde hoger beroep, waarbij in geschil was of de SVB op goede gronden aan de ontheffing van de verzekeringsplicht terugwerkende kracht heeft onthouden, ongegrond verklaard (zie 2.15.2). Zowel de Rechtbank als de CRvB hebben geoordeeld dat in dit geval de toepassing van artikel 22, lid 2 en lid 3, BUB niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. De beslissing van de SVB is daarmee onherroepelijk vast komen te staan.\n\n5.6.7.. De Inspecteur en de belastingrechter zijn gebonden aan het besluit van de SVB en het oordeel hierover van de sociale zekerheidsrechter. In de onderhavige procedure moet derhalve als vaststaand feit aangenomen worden dat belanghebbende ter zake van de jaren 2016 tot en met 2018 verzekeringsplichtig is voor de AOW en Anw.\n\n5.6.8.. Gelet op het onder 5.6.3 omschreven verband tussen verzekerings- en premieplicht is belanghebbende daarmee ook premieplichtig voor deze volksverzekeringen. Niet in te zien valt hoe de Inspecteur bij het dienovereenkomstig opleggen van de belastingaanslagen in strijd heeft gehandeld met de bepalingen van afdeling 3.2 Awb (zorgvuldigheid en belangenafweging).\n\nIs de belastingrente juist berekend (2016, 2017 en 2018)?\n\n5.7.1.. Belanghebbende acht het onterecht dat de belastingrente niet wordt berekend vanaf de datum van dagtekening van de belastingaanslagen. De Inspecteur is daarentegen van mening dat de belastingrente terecht en tot een juist bedrag is berekend.\n\n5.7.2.. Partijen verschillen niet van mening dat de belastingrente bij de belastingaanslagen is berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 30fc AWR. Onder omstandigheden kunnen de beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het in artikel 3:4 Awb neergelegde evenredigheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, meebrengen dat geen belastingrente in rekening mag worden gebracht, dan wel dat de berekening van deze rente moet worden beperkt (HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3126, BNB 2018\u002F51). Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden die in dit geval een vermindering van de belastingrente rechtvaardigen.\n\nSlotsom\n\n5.8.. Het hoger beroep is ongegrond.\n\nProceskosten\n\nHet Hof ziet geen aanleiding voor toekenning van een proceskostenvergoeding.\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door R.A. Bosman, H.A.J. Kroon en T.A. de Hek, in tegenwoordigheid van de griffier A.S.H.M. Strik. De beslissing is op 4 juni 2024 in het openbaar uitgesproken.\n\nEen afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\n1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\n3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. - de naam en het adres van de indiener;\n\n b. - de dagtekening;\n\n c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. - de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.\n\n Besluit van 19 augustus 2022, nr. 2022-20696, Stcrt. 2022, 21897.\n\n Trb. 1975, 108.\n\n Trb. 1976, 101.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2024:1036","ecli-nl-ghdha-2024-1036",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Belastingrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,31,42,50,60],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond",{"id":32,"ecli":33,"caseNumber":34,"courtId":35,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":36,"language":37,"source":38,"sourceUrl":6,"summary":39,"slug":40,"metadata":41},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":43,"ecli":44,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":45,"language":12,"source":13,"sourceUrl":46,"summary":6,"slug":47,"metadata":48},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":8,"legalDomain":49,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht",{"id":51,"ecli":52,"caseNumber":6,"courtId":53,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":54,"language":12,"source":13,"sourceUrl":55,"summary":6,"slug":56,"metadata":57},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":58,"legalDomain":59,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":61,"ecli":62,"caseNumber":6,"courtId":63,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":64,"language":12,"source":13,"sourceUrl":65,"summary":6,"slug":66,"metadata":67},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":68,"legalDomain":59,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]