[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-ghdha-2024-1219":3,"decision-more-ecli-nl-ghdha-2024-1219":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1195","ECLI:NL:GHDHA:2024:1219","",58,"Den Haag","den-haag","2024-07-16T00:00:00.000Z","Rolnummer: 22-002973-22\n\nParketnummer: 10-180764-21\n\nDatum uitspraak: 16 juli 2024\n\nTEGENSPRAAK\n\nGerechtshof Den Haag\n\nmeervoudige kamer voor strafzaken\n\nArrest\n\ngewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 oktober 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n[verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,\n\nthans gedetineerd in P.I. Middelburg te Middelburg.\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair impliciet primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair en het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest en is aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs-maatregel) met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd. Voorts is aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) opgelegd. Verder is een beslissing genomen op de vordering tot ontzetting van de verdachte uit het recht om het beroep uit te oefenen van beroepschauffeur, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Tot slot zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en over het inbeslaggenomen voorwerp, zoals eveneens nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:\n\n1. hij, op of omstreeks 7 juli 2021 te Rotterdam,\n\nals bestuurder van een vrachtauto (merk\u002Ftype: [merk\u002Ftype], gekentekend [kenteken]), rijdende op de Waalhavenweg, een motoragent van de politie eenheid Rotterdam, genaamd [het slachtoffer], opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk, van het leven heeft beroofd, door op de openbare weg,\n\n- nadat die [het slachtoffer], rijdend op een als zodanig herkenbare politiemotorfiets, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, aan hem, verdachte, een aanwijzing\u002Fteken had gegeven om hem, verbalisant [het slachtoffer], te volgen,\n\n- vervolgens (achter die [het slachtoffer]) een rijstrook voor rechtsafslaand verkeer op te rijden, waarbij die [het slachtoffer] voor hem, verdachte, voldoende zichtbaar, op de voornoemde motorfiets reed en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) te accelereren en\u002Fof gas bij te geven, althans met onverminderde snelheid door te rijden en\u002Fof\n\n- ( daarna) in strijd met een voor hem, verdachte, geldend en rood licht uitstralend (driekleurig) verkeerslicht door te rijden en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) die [het slachtoffer] met zijn vrachtwagen aan te rijden en\u002Fof te overrijden en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) door te rijden en\u002Fof te blijven te accelereren en\u002Fof gas bij te geven waarbij\u002Fwaardoor (het aangereden\u002Foverreden lichaam van) die [het slachtoffer] door de vrachtwagen honderden meters werd meegesleurd, als gevolg waarvan die [het slachtoffer] is overleden;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij, op of omstreeks 7 juli 2021 te Rotterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een vrachtwagen (merk\u002Ftype: [merk\u002Ftype], gekentekend [kenteken]), daarmede rijdende over de (openbare) weg, te weten de Waalhavenweg, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten een dodelijk verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en\u002Fof onoplettend te rijden, door\n\n- nadat die [het slachtoffer], rijdend op een als zodanig herkenbare politiemotorfiets, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, aan hem, verdachte, een aanwijzing\u002Fteken had gegeven om hem, verbalisant [het slachtoffer], te volgen, en\u002Fof\n\n- vervolgens (achter die [het slachtoffer]) een rijstrook voor rechtsafslaand verkeer op te rijden, waarbij die [het slachtoffer] voor hem, verdachte, voldoende zichtbaar, op de voornoemde motorfiets reed en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) te accelereren en\u002Fof gas bij te geven, althans met onverminderde snelheid door te rijden en\u002Fof\n\n- ( daarna) in strijd met een voor hem, verdachte, geldend en rood licht uitstralend (driekleurig) verkeerslicht door te rijden en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) die [het slachtoffer] met zijn vrachtwagen aan te rijden en\u002Fof te overrijden en\u002Fof\n\n- ( vervolgens) door te rijden en\u002Fof te blijven te accelereren en\u002Fof gas bij te geven waarbij\u002Fwaardoor (het aangereden\u002Foverreden lichaam van) die [het slachtoffer] door de vrachtwagen honderden meters werd meegesleurd, waardoor die [het slachtoffer] werd gedood;\n\n2. hij, op of omstreeks 7 juli 2021 te Rotterdam,\n\nals degene die als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een vrachtwagen (merk\u002Ftype: [merk\u002Ftype], gekentekend [kenteken]), betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden op\u002Faan de Waalhavenweg, de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [het slachtoffer]) levensgevaarlijk gewond was geraakt en\u002Fof was gedood.\n\nVordering van de advocaten-generaal\n\nDe advocaten-generaal hebben gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair impliciet primair zal worden vrijgesproken (moord) en ter zake het onder 1 primair impliciet subsidiair (doodslag) en het onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest en dat aan de verdachte daarnaast een tbs-maatregel met dwangverpleging zal worden opgelegd. Voorts hebben de advocaten-generaal gevorderd dat aan de verdachte een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 164 van de WVW, zal worden opgelegd en dat aan de verdachte een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht zal worden opgelegd. Tot slot hebben de advocaten-generaal gevorderd dat een beroepsverbod wordt opgelegd waarbij de verdachte gedurende 5 jaren het beroep als beroepschauffeur niet mag uitoefenen.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nHet hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair impliciet primair (moord) tenlastegelegde heeft begaan, en zal de verdachte daarvan vrijspreken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair impliciet subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1. hij, op of omstreeks7 juli 2021 te Rotterdam,\n\nals bestuurder van een vrachtauto (merk\u002Ftype: [merk\u002Ftype], gekentekend [kenteken]), rijdende op de Waalhavenweg, een motoragent van de politie eenheid Rotterdam, genaamd [het slachtoffer], opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk,van het leven heeft beroofd, door op de openbare weg,\n\n- nadat die [het slachtoffer], rijdend op een als zodanig herkenbare politiemotorfiets, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, aan hem, verdachte, een aanwijzing\u002Fteken had gegeven om hem, verbalisant [het slachtoffer], te volgen,\n\n- vervolgens (achter die [het slachtoffer]) een rijstrook voor rechtsafslaand verkeer op te rijden, waarbij die [het slachtoffer] voor hem, verdachte, voldoende zichtbaar, op de voornoemde motorfiets reed en\u002Fof\n\n- (vervolgens) te accelereren en\u002Fof gas bij te geven, althansmet onverminderde snelheid door te rijden en\u002Fof\n\n- (daarna)in strijd met een voor hem, verdachte, geldend en rood licht uitstralend (driekleurig) verkeerslicht door te rijden en\u002Fof\n\n- (vervolgens)die [het slachtoffer] met zijn vrachtwagen aan te rijden en\u002Fofte overrijden en\u002Fof\n\n- (vervolgens)door te rijden en\u002Fof te blijvente accelereren en\u002Fofgas bij te gevenwaarbij\u002Fwaardoor(het aangereden\u002Foverreden lichaam van)die [het slachtoffer] door de vrachtwagen honderden meters werd meegesleurd, als gevolg waarvan die [het slachtoffer] is overleden;\n\n 2. hij, op of omstreeks7 juli 2021 te Rotterdam,\n\nals degene die als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een vrachtwagen (merk\u002Ftype: [merk\u002Ftype], gekentekend [kenteken]), betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden op\u002Faande Waalhavenweg, de(voornoemde)plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander,(te weten [het slachtoffer]), levensgevaarlijk gewond was geraakt en\u002Fof was gedood.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nBewijsoverweging feit 1\n\nI.Inleiding\n\nHet hof dient te beoordelen op welke wijze de gedragingen van de verdachte moeten worden geduid zoals die hebben plaatsgevonden op 7 juli 2021 in de haven van Rotterdam. Hierbij kwam, door toedoen van de verdachte, motoragent [het slachtoffer] (hierna ook: de motoragent) op 47-jarige leeftijd om het leven. De verdachte heeft hem op het einde van een uitrit voor afslaand verkeer naar rechts – en in plaats daarvan ineens rechtdoor gaand - in volle vaart aangereden met zijn vrachtwagen en daarna nog honderden meters onder zijn vrachtwagen meegesleurd. Verdachte is vervolgens doorgereden, zonder zich te melden bij de instanties. In de loop van het hoger beroep heeft de verdachte voor het eerst met zoveel woorden uitdrukkelijk bekend dat hij wel had gemerkt dat hij de motoragent had aangereden.\n\nDoor en namens de verdachte is aangevoerd dat bij deze aanrijding sprake is geweest van een noodlottig ongeval; de verdachte heeft daarbij niet opzettelijk gehandeld, in welke vorm dan ook. Ter onderbouwing van dit verweer heeft de verdachte gesteld dat hij het eerdere volgteken van de motoragent niet had gezien, hem pas op of vlak voor de uitvoegstrook naar rechts heeft waargenomen, en daardoor verrast werd, waarbij de motoragent hem vervolgens “de remweg heeft ontnomen”. Om de motoragent te ontwijken heeft de verdachte zijn vrachtwagen op het laatst naar links gestuurd, naar de rijbaan bedoeld voor het rechtdoor gaande verkeer. Daardoor is naar stelling van de verdachte de botsing ontstaan. Mentale problemen, waarover hierna meer, speelden hierin mede een rol omdat de verdachte bij het begin van de uitvoegstrook naar rechts op het moment dat hij zag dat de motoragent voor hem reed “het overzicht” op de uitrit “kwijt was geraakt”.\n\nDoor de advocaten-generaal is gesteld dat de verdachte het eerder al gegeven volgteken van de motoragent wel moet hebben gezien en dat het daarop volgende handelen van de verdachte niet anders kan worden beschouwd dan in de sleutel van boos opzet bij de verdachte om motoragent [het slachtoffer] van het leven te beroven.\n\nOm deze uiteenlopende stellingen goed te kunnen wegen moet het hof zich eerst buigen over de vraag wat er allemaal precies is voorgevallen op die 7de juli 2021, kort voorafgaande aan de noodlottige aanrijding.\n\nII. Feiten en omstandigheden\n\nContextuele omstandigheden\n\nDe verdachte heeft op 7 juli 2021 met de door hem bereden vrachtauto allereerst een container met big bags met meel opgehaald in Amsterdam, waarna hij rond de klok van 09:00 uur bijna was gearriveerd op het afleveradres in de Waalhaven in Rotterdam. Rijdend op de Waalhavenweg en komend uit de richting van de A15\u002FReeweg, was hij al van plan om op de na te noemen kruising rechtsaf te slaan, via een voorsorteerstrook, om zo de Ophemertstraat in te rijden. De plaats van bestemming was het Barge Center Waalhaven in Rotterdam. Verdachte heeft steeds verklaard dat de route op 7 juli 2021 naar het desbetreffende afleveradres een voor hem gebruikelijke route was. Op de kruising Waalhavenweg\u002FOphemertstraat bevinden zich verkeerslichten. Deze verkeerslichten waren ook die dag in werking. Het verkeerslicht voor de afslag naar rechts stond op rood. De afslag naar rechts aan het eind van de voorsorteerstrook op de genoemde kruising is een haakse bocht.\n\nEerste visuele contact\n\nVerdachtes eerste visuele contact met de motoragent vond plaats op de kruising Reeweg – Anthonie Bodaanweg, ter hoogte van het Douanekantoor, in de Waalhaven in Rotterdam. Verdachte zag op die plek een motoragent staan. Even later zag de verdachte de motoragent op het daar gelegen fietspad draaien, en verder in beweging komen.Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte hier desgevraagd nog aan toegevoegd dat hij zich op dat moment realiseerde dat de motoragent wanneer het een beetje tegen zou zitten achterhemaan zou komen en dat dat angst bij hem veroorzaakte. De verdachte heeft ten gevolge van zijn verleden - een zeer zwaar ongeval met een motoragent in 2015 en een dodelijk ongeval met een oude dame in 2020, beide veroorzaakt met zijn vrachtwagen - een preoccupatie met de politie opgelopen. Hij vervolgt daarop zijn weg richting het Barge Centre Waalhaven.\n\nVolgteken motoragent\n\nTerwijl de verdachte verder reed op de Waalhavenweg heeft hij – op nog ruime afstand voor de eerder genoemde kruising en voorsorteerstrook naar rechts - ter hoogte van het bedrijf Frigocare een volgteken gekregen van dezelfde motoragent, zo blijkt uit camerabeelden van Frigocare. Deskundige [naam deskundige 1] plaatst in hoger beroep het volgteken en de inhaalactie van de motoragent voor Frigocare (op grond van de luchtfoto) op zo’n 210 meter voor aanvang van de uitvoegstrook Waalhavenweg-Ophemertstraat.De in eerste aanleg gehoorde deskundige ir. [naam deskundige 2] geeft aan dat het volgteken over een afstand van 90 meter heeft plaatsgevonden. Dat teken duurde 5 seconden. De gemiddelde snelheid van de vrachtwagen van de verdachte bedroeg met het oog op de tachograafgegevens voorafgaande aan het volgteken 64 km\u002Fu, vanaf het begin van het volgteken 61 km\u002Fu, en vanaf het einde van het volgteken 57 km\u002Fu.De motoragent reed tijdens en na het geven van dit volgteken op een zodanige afstand naast en voor de vrachtwagen dat hij zeer goed zichtbaar moet zijn geweest voor verdachte vanuit de cabine, aldus nader onderzoek in hoger beroep. Bij specifiek daarnaar verricht (zicht)onderzoek bleek dat vanaf een onderlinge afstand tussen beide voertuigen van 2 meter en meer, de (bestuurder van de) motorfiets vanaf de bestuurderszitplaats duidelijk zichtbaar was door de voorruit van de vrachtauto. Voor het benodigde zicht vanaf de zijkant van de vrachtwagen gold een afstand van 1 meter en meer.\n\nBepaalde getuigen hebben over dit volgteken specifiek het volgende verklaard. Getuige [getuige 1], die alles heeft gezien vanaf een afstand van zo’n 20 meter, heeft hierover het volgende gesteld. De getuige zag dat de motoragent de vrachtwagen inhaalde en voor de vrachtwagen kwam. De motoragent had eerst twee handen aan het stuur, draaide zijn hele torso, om nog met maar 1 hand aan het stuur naar de vrachtwagenchauffeur te wijzen. Daarbij gebaarde hij “jij, in zijn gezicht zo, met 1 hand, jij mee”. De motoragent keek in de cabine en wees de chauffeur echt aan, aldus getuige [getuige 1].Getuige [getuige 2] die als vrachtwagenchauffeur op de kruising Ophemertweg-Waalhavenweg reed zag dat het hoofd van de motoragent ter hoogte van de positie van de bestuurder van de vrachtwagen was, dat de motoragent zijn rechter hand opstak toen hij naast de vrachtwagen reed, waarna hij zijn motor vervolgens voor de vrachtwagen positioneerde.\n\nDe verdachte heeft van meet af aan stellig ontkend dat hij dit volgteken op deze plaats(tegenover de Frigocare) heeft waargenomen. De verdachte heeft evenwel benoemd in zijn eerste inhoudelijke (vierde) verhoor bij de politie dat hij de motoragent een beweging heeft zien maken, een mogelijke armbeweging, waaruit hij, verdachte, begreep dat hij “moest volgen mee naar rechts, want daar moest ik toch naar toe”.De verdachte heeft dit door hemzelf aangeduide volgteken ter terechtzitting in hoger beroep desgevraagd geplaatst (kort) “voorafgaande aan de uitvoegstrook”, maar dus niet al op het eerdere moment bij Frigocare, waar een volgteken te zien is op de beelden getuige het gememoreerde deskundigenonderzoek in hoger beroep en de locatie waarover de getuigen spreken. Opmerking verdient nog dat op de beelden geen volgteken te zien is van de motoragent op de door de verdachte geduide plaats kort voor de uitvoegstrook. In dit licht beschouwd verdient tot slot nog opmerking dat de verdachte in de Penitentiaire Inrichting waar hij verbleef al in een vroeg stadium tegen een (anonieme) verbalisant [kenmerknummer verbalisant] heeft gezegd “dat de motoragent hem voorbij reed om hem te controleren”.\n\nSituatie uitvoegstrook\n\nDe totale lengte van de genoemde voorsorteerstrook\u002Fuitvoegstrook naar rechts waarover een vrachtwagen kan rijden bedraagt 92,18 meter, zo is in hoger beroep gebleken.Na het insturen op de uitvoegstrook heeft de verdachte daarvan nog ongeveer 65 meter om te anticiperen op de feitelijke afslag naar rechts met zijn voertuig.Op het moment dat de beide voertuigen op deze uitvoegstrook arriveren, straalde het voor de desbetreffende rijrichting geldende verkeerslicht reeds gedurende minimaal 70,6 seconden rood licht uit.Tussen verdachtes voertuig en een andere vrachtautocombinatie die schuin achter hem reed en bleef rijden op het rijvak voor het rechtdoor gaande verkeer op de Waalhavenweg, was een afstand van tenminste 25,42 meter op het moment dat verdachtes vrachtwagen op de uitvoegstrook naar rechts over de middelste pijl reed. De verdachte had, zo luidt de conclusie van de politie, derhalve desgewenst al op een eerder moment op de uitvoegstrook kunnen uitwijken naar links (het hof begrijpt: om een aanrijding met motoragent [het slachtoffer] te voorkomen).\n\nOver de onderlinge posities tussen de motoragent en de verdachte is in hoger beroep nog meer vast komen te staan. De onderlinge posities halverwege de uitvoegstrook bedroegen 15 – 20 meter, en nabij het einde van de uitvoegstrook 10 – 15 meter onderlinge ruimte, zo luidt nader deskundigenonderzoek van ir. [naam deskundige 1]. Die onderlinge afstand wordt uiteindelijk nog versneld korter tot het moment van botsing. In deze fase was de snelheid van de vrachtwagen dus hoger dan die van de motoragent. De snelheid van de vrachtwagen over de uitvoegstrook tot aan de botsing was nagenoeg een gelijke snelheid van 43 a 44 km\u002Fu (politiedossier). Naar overtuiging van de deskundige [naam deskundige 1] is de bots-plaats van de vrachtwagen van de verdachte met de motoragent nog voorde stopstreep van deze uitvoegstrook gelegen.\n\n[Naam deskundige 1] heeft in zijn rapport verder als volgt verklaard. In het politie-onderzoek is vastgesteld dat de motorfiets aan de achterzijde in botsing is geweest met de linker-voorzijde van de vrachtauto van de verdachte. Hierbij kwam de politiemotor ten val op de rechterzijde en is de bestuurder van de motor op de rijbaan voor de vrachtauto beland. Gelijktijdig met de botsing accelereerde en wisselde de vrachtauto van de verdachte van rijstrook. De botsing vond plaats voor de stopstreep, in beeld op 09.11.24.776. Bij de volgafstand tussen beide voertuigen geldt voorts nog dat deze uiteindelijke korte volgafstand niet plotseling en eerst op dat moment is ontstaan en in wezen door de vrachtautobestuurder is gekozen; er wordt een locatie genaderd waarin het voor de hand ligt dat de motoragent zal afremmen, hetzij voor het rode verkeerslicht, hetzij om veilig de bocht naar rechts te kunnen nemen, aldus de deskundige mede op basis van het politie-onderzoek.\n\nNog meer ingezoomd is de remtijd en remweg van verdachtes vrachtwagen van belang. Met de voor de verdachte vereiste remvertraging bedraagt de remtijd vanuit 45 km\u002Fu precies 2.5 seconden en bedraagt de remweg 15,6 meter (uitgaande van een remvertraging van 5.0 m\u002Fs2). Ook belading kan van invloed zijn op de remvertraging, aldus de deskundige. Uitgaande van een gemiddelde remvertraging van 4.0 m\u002Fs2 zou de remtijd vanuit 45 km\u002Fu ca 3.1 seconden bedragen en de remweg ca 19.5 meter zijn. Bij (comfortabele) remming vanuit 44 km\u002Fu tot 5 km\u002Fu met de vertraging van 3,5\u002Fs2 wordt nog een afstand afgelegd van circa 21 meter.De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep erkend dat hij – zoals ook volgt uit de tachograaf-gegevens van zijn voertuig - niet heeft geremd op de uitvoegstrook.\n\nTot zover de feiten zoals die in hoger beroep zijn komen vast te staan voor het hof, over welke feiten in hoger beroep overigens geen discussie heeft plaatsgevonden, noch van de zijde van de verdediging, noch van de zijde van het openbaar ministerie.\n\nIII. Standpunten verdachte en verweer zijdens de verdediging\n\nDe verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep - anders dan in eerste aanleg - op het standpunt gesteld dat hij kort voor en op de uitvoegstrook de motoragent weliswaar voor zich heeft gezien, maar dat hij toen en daar niet heeft geremd omdat hij beelden op zijn netvlies kreeg van het eerdere noodlottig ongeval met zijn vrachtwagen en de oudere dame in 2020, waarbij het ook geen zin meer had om te remmen, aldus de verdachte. Door die verschrikkelijke beelden “raakte hij vervolgens het overzicht kwijt”, zo luidt de conclusie van de verdachte in appel.\n\nIn relatie hiermee heeft de verdediging in hoger beroep de volgende stellingen betrokken. Van (voorwaardelijk) opzet op de dood van de motorrijder is geen sprake, (a) omdat de verdachte van meet af aan heeft verklaard dat hij “juist de motoragent [heeft] willen ontwijken”. Aldus is niet voldaan aan het voor voorwaardelijk opzet noodzakelijk (wils)element dat de verdachte “de gevolgen van zijn handelen op de koop toe moet hebben genomen”. Verdachte was daarnaast (b) niet in staat op adequate wijze te handelen vanwege zijn psychopathologie, te weten de in hoger beroep door de deskundigen vastgestelde PTSS vanwege het nare ongeval in 2020 en verdachtes overspannenheid vanwege een en ander. De verdachte heeft op dit punt immers ook zelf aangegeven dat hij door zijn herbeleving van het noodlottige ongeval in 2020 eenmaal aangekomen op de uitvoegstrook naar rechts “het overzicht op dat moment niet meer had” om anders en\u002Fof adequater te reageren dan hij heeft gedaan, aldus de raadsman van de verdachte.\n\nIV. Beoordeling hof\n\nHet hof overweegt hiertoe als volgt.\n\nHet hof acht op de eerste plaats niet aannemelijk geworden dat de verdachte het volgteken van motoragent [het slachtoffer] niet heeft gezien al op de locatie van de Frigocare omdat zijn focus elders op zou zijn gericht. Ten eerste houdt dit verband met de door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep uiteengezette verwachting dat hij al na de allereerste blik op de motoragent bij de Reeweg niet uitsloot dat de motoragent achter hem aan zou komen. Het hof acht deze gedachte in verdachtes situatie ook voorstelbaar bezien in relatie met de door verdachte opgebouwde grote mentale weerstand tegen de politie sinds zijn eerdere zware en fatale ongelukken uit 2015 en 2020. Het ligt dan juist niet in de lijn van verwachtingen dat de verdachte de motoragent in het geheel niet meer zou hebben gevolgd via zijn spiegels en vanuit zijn vrachtwagen, zoals verdachte steeds heeft geïmpliceerd. Zwaarwegender acht het hof evenwel verder in dit opzicht nog dat het volgteken is gegeven over een – op de rijbaan rijdende - afstand van 90 meter over de weg, waarin dit volgteken gedurende 5 seconden achtereen is gegeven, op de door de getuigen beschreven nadrukkelijke en niet mis te verstane wijze, klaarblijkelijk ook nog eens ongeveer ter hoogte van de cabine van verdachtes vrachtwagen. Bovendien schrijft de procedure van het geven van een volgteken voor dat een motoragent visueel contact zoekt met de bestuurder alvorens een volgteken te geven. In dit geval heeft de verdachte gedurende de loop van het volgteken ook daadwerkelijk zijn snelheid verminderd. Tot slot gaat het hof voorbij aan verdachtes stelling dat hij het volgteken niet al eerder zou hebben gezien op basis van de uitlatingen van de verdachte zelf over het “inhalen” van de motoragent om hem aan te houden, en vanwege de beschrijving van het volgteken “naar rechts” door de verdachte, dat hij erkent wel te hebben gezien. Naar ’s hofs oordeel kan het op grond van deze overwegingen niet anders zijn dan dat de verdachte het door hem beschreven volgteken van de motoragent niet alleen heeft gezien, maar ook dat dat al op de locatie tegenover de Frigocare heeft plaatsgevonden. Een ander, tweede, volgteken is immers in het geheel niet gegeven door de motoragent. Noch de beelden, noch de getuigen, maken hiervan gewag. Ook overigens is een tweede volgteken niet komen vast te staan. Weliswaar is op basis van de beschouwing van de beelden ter terechtzitting in eerste aanleg door deskundige [naam deskundige 2] gesproken over de potentiële mogelijkheid dat de motoragent uiterst kort voorafgaande aan of gelijktijdig met de fatale botsing nog een laatste stopteken met zijn hand heeft willen geven, maar dit maakt hetgeen hiervoor is overwogen door het hof niet anders. Het hof wijst hiervoor slechts op de tijds- en plaatsaanduiding van dat eventuele laatste stopteken, dat ten zeerste afwijkt van de locatie waar de verdachte het door hem beschreven volgteken heeft geplaatst. Vanaf het moment dat verdachte het volgteken kreeg, had zijn aandacht dus eens te meer gericht moeten zijn en blijven op de motoragent die zijn weg voor hem vervolgde. De verdachte had in die situatie vervolgens gedurende langere tijd goed zicht op de motoragent en al die tijd alle tijd en gelegenheid om zijn verkeersgedrag - zoals zijn snelheid en in relatie daarmee de onderlinge afstand - aan te passen aan dat van de motoragent en het naar rechts rood uitstralende verkeerslicht, om te anticiperen op de naderende uitvoegstrook en de afslag naar rechts. Een afslag welke verdachte bovenal ook zelf al voornemens was te nemen.\n\nOp de tweede plaats is het hof van oordeel dat - ook indien de verdachte het volgteken van de motoragent niet al eerder zou hebben gezien bij de Frigocare, maar pas op een later moment, zoals hij steeds zelf heeft aangegeven - dit de beoordeling van het daarop volgende handelen van de verdachte voor het hof niet anders zou maken. Immers, de verdachte had in concreto beschouwd voor hem op de uitvoegstrook met een lengte van 65 meter, met de door de verdachte gereden snelheid van 45 km\u002Fu, met een remvertraging van 4.0 m\u002Fs2, een remtijd van 3.1 seconden en een remweg van 19,5 meter. Zelfs bij comfortabele remming zou de remafstand circa 21 meter hebben bedragen. De verdachte had met andere woorden ruimschoots de tijd om zijn voertuig met lading tot stilstand te brengen, voordat hij in aanraking zou komen met de motoragent, nu hiervan pas ter hoogte van de stopstreep sprake was. De stellingen van de verdachte dat de aanrijding is ontstaan doordat de politiemotor “zijn remweg had ingepikt” en\u002Fof dat het “ook geen zin meer had om te remmen zoals in 2020”, snijden daarmee geen hout. Zou de verdachte hebben geremd, dan was een aanrijding voorkomen.\n\nDe verdachte had dit als ervaren vrachtwagenchauffeur kunnen en moeten weten. De stelling van en namens de verdachte rond zijn psychopathologie - de door deskundigen vastgestelde PTSS, zijn overspannenheid, maar ook diens stoornis vanuit het autisme spectrum en diens angst voor aanhouding door de politie - maken dit in het onderhavige geval niet anders. De slotconclusie van de deskundigen luidt immers dat het tenlastegelegde de verdachte bij bewezenverklaring tenminste in verminderde mate kan worden toegerekend. In het bijzonder bereiken de oordeel- en kritiekstoornissen van de verdachte niet het niveau van een waanstoornis; hooguit kleuren deze het denken van de verdachte. Verdachtes psychopathologie ten tijde van het tenlastegelegde - ook uitgelegd in de voor verdachte meest gunstige zin - disculpeert hem met andere woorden niet, althans niet volledig, voor zijn daden dat niet meer van (voorwaardelijk) opzet gesproken zou kunnen worden.\n\nTot slot en veeleer acht het hof het volgende van belang om te bezien of van opzet bij de verdachte sprake is geweest. Het hof stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van motoragent [het slachtoffer] – aanwezig is als de verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, maar op dit punt is geen verweer gevoerd. Voor de wel door de raadsman geopperde vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo'n kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden – hetgeen verder buiten beschouwing kan blijven vanwege zijn eerdere fatale ongeval - niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.\n\nUit het strafdossier, het verhandelde ter terechtzitting, en ’s hofs vaststellingen volgt dat de verdachte het volgteken van de motoragent heeft gezien op ruime afstand voor het begin van de voorsorteerstrook naar rechts. Vanaf dat moment heeft de verdachte qua afstand en tijdsverloop ruim voldoende tijd gehad om zijn rijgedrag en snelheid te verminderen, om daarmee de onderlinge afstand tussen hem en de motoragent te vergroten en in elk geval niet onnodig klein te maken. Ook nog op de uitvoegstrook naar rechts heeft de verdachte met een snelheid van 44 a 45 km\u002Fu zijn snelheid niet verder verminderd en\u002Fof zijn verkeersgedrag aangepast aan de voor hem rijdende en voor hem goed zichtbare motoragent, aan het onverminderd rood uitstralende verkeerslicht en de ras naderende (haakse) bocht naar rechts. Verdachte had daartoe moeten remmen, of had op een eerder moment naar links moeten uitwijken via de strook voor het rechtdoor gaande verkeer. Verdachte heeft dat evenwel beide niet gedaan. Integendeel, de verdachte heeft vervolgens zijn vrachtauto met onverminderde vaart op het laatste fatale moment naar links gestuurd en daarbij nog geaccelereerd. Dit handelen was naar zijn uiterlijke verschijningsvorm onmiskenbaar gericht op het aanrijden van en het daarmee toebrengen van fataal letsel aan [het slachtoffer]. Het hof is van oordeel dat deze gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer op het aanrijden en daardoor op de dood van motoragent [het slachtoffer] gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is het hof niet gebleken. De niet nader met feiten en omstandigheden onderbouwde stelling van de verdediging dat de verdachte juist de motoragent heeft willen ontwijken acht het hof niet aannemelijk geworden. Hetzelfde geldt voor de stelling van de verdachte dat hij er juist alles aan heeft gedaan om een aanrijding te vermijden. Het tegenovergestelde is veeleer het geval. Het hof acht dan ook – minst genomen – bewezen dat de verdachte aldus met voorwaardelijk opzet heeft gehandeld.\n\nHet hof acht het primair impliciet subsidiair tenlastegelegde (de doodslag) ook in zoverre wettig en overtuigend bewezen.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde levert op:\n\ndoodslag.\n\nHet onder 2 bewezenverklaarde levert op:\n\novertreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStraffen en maatregelen\n\nHet hof heeft de op te leggen straffen en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte heeft als beroepsmatig vrachtwagenchauffeur op 7 juli 2021 op een kruising op de Waalhavenweg in Rotterdam een zeer ernstig verkeersongeval veroorzaakt, ten gevolge waarvan een motoragent - het slachtoffer - is komen te overlijden. Door het handelen van de verdachte heeft het slachtoffer tijdens de uitoefening van zijn werk als motoragent op een mensonterende en brute manier zijn leven verloren. De verdachte heeft met zijn vrachtauto het slachtoffer, dat reed op zijn politiemotor, in grote vaart van achteren aangereden en vervolgens honderden meters meegesleurd onder de vrachtauto van de verdachte en uiteindelijk zwaar verminkt en dood achtergelaten op het wegdek. De verdachte is vervolgens ook nog eens – met verhoogde snelheid – doorgereden van het ongeval zonder zijn identiteit te laten vaststellen, terwijl hij tot twee keer toe zonder te stoppen langs de plaats van het ongeval was gereden waar inmiddels meerdere omstanders en hulpdiensten ter plaatse waren gekomen. De verdachte heeft zich op geen enkele wijze bekommerd om het slachtoffer.\n\nHet slachtoffer was een ambitieuze, gewaardeerde en geliefde man van slechts 47 jaar oud. De verdachte heeft het meest fundamentele recht – het recht op leven – aan het slachtoffer ontnomen. Aan de nabestaanden is een niet in woorden te vatten en onherstelbaar leed aangedaan. Leed dat zonder twijfel hun verdere bestaan zal blijven overschaduwen. Blijkens de slachtofferverklaringen zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep heeft het gebeurde nog altijd een enorme impact op het leven van de nabestaanden, alsook op ambtenaren van de Nationale Politie. Dagelijks worden zij geconfronteerd met het feit dat hun levenspartner, zoon, broer, oom, of collega er niet meer is. De nabestaanden hebben aangegeven dat zij dit ervaren alsof zij levenslang gestraft zijn. Het hof realiseert zich dat geen enkele straf die aan de verdachte zal worden opgelegd recht kan doen aan dit onherstelbare leed bij de nabestaanden. Daarnaast is volstrekt helder dat het ongeval ook grote impact heeft gehad op degenen die daarvan ongewild getuige zijn geweest.\n\nPersoon van de verdachte\n\nHet hof heeft in de eerste plaats acht geslagen op een uittreksel justitiële documentatie van 12 juni 2024 betreffende de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder in 2018 terzake een ernstig verkeersdelict (artikel 6 WVW), waarbij een politieambtenaar zwaar gewond is geraakt. Ook dit verkeersongeval is veroorzaakt binnen de beroepsuitoefening van de verdachte als vrachtwagenchauffeur.\n\nVoorts zijn omtrent de persoon van de verdachte een aantal pro-Justitiarapporten en reclasseringsadviezen opgemaakt. Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud daarvan, in het bijzonder van:\n\neen aanvullende rapportage pro Justitia van 3 januari 2024, opgemaakt en ondertekend door H.T.J. Boerboom (psychiater), T.W. van de Kant (klinisch psycholoog) en R.L.F. de Kooter (forensisch milieuonderzoeker);\n\neen reclasseringsadvies tbs met voorwaarden van 21 mei 2024, opgemaakt door P.M.E. Pieterse, (reclasseringswerker);\n\neen rapportage pro Justitia van 25 februari 2022, opgemaakt door H.T.J. Boerboom (psychiater), T.W. van de Kant (klinisch psycholoog) en M.C.F. Hoes (GZ psycholoog) en\n\neen reclasseringsadvies tbs met voorwaarden van 22 april 2022, opgemaakt door E. Blokland (reclasseringswerker).\n\nDe deskundigen Boerboom, Van de Kant en Pieterse, de laatste bijgestaan door haar collega Van den Dries, zijn ter terechtzitting in hoger beroep gehoord en hebben hun recente rapportages daarbij desgevraagd nader toegelicht.\n\nIn het meest recente aanvullende pro Justitia rapport, opgemaakt na het vonnis in eerste aanleg, hebben de gedragsdeskundigen – kort gezegd - geconcludeerd dat de verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten lijdende was aan een psychische stoornis in de vorm van een autisme spectrumstoornis en een aanpassingsstoornis met een gemengde stoornis van emoties en gedrag. Deze bevindingen onderschrijven de conclusies uit het rapport van 2022. Daarnaast is sprake van een posttraumatische stressstoornis, waarvan ook al kenmerken zichtbaar waren vóór de ten laste gelegde feiten. Er was sprake van een ernstige overbelasting van de verdachte met gevolgen voor zijn stemming, cognities en gedrag. Gezien de ernst en massaliteit van de psychopathologie en de evidente doorwerking daarvan in de feiten, adviseren de deskundigen - net als in de eerste pro Justitia rapportage - de ten laste gelegde feiten bij bewezenverklaring in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.\n\nHet recidiverisico wordt door de gedragsdeskundigen – zonder nadere interventies – als hoog ingeschat. Het voornaamste risico is gelegen in de ernst en massaliteit van de psychopathologie en het gebrek aan inzicht van de verdachte. De gedragsdeskundigen achten, gelet op de met de psychopathologie gepaard gaande risicofactoren, een psychotherapeutisch behandeltraject (aanvankelijk) binnen een klinische setting geïndiceerd. Geadviseerd wordt om de behandeling, gelet op de ernst van de ten laste gelegde feiten, de forse psychopathologie en de kans op recidive, plaats te laten vinden binnen het kader van de maatregel van terbeschikkingstelling. Vanuit gedragskundig oogpunt zien de deskundigen mogelijkheden de verdachte binnen het kader van een tbs met voorwaarden te behandelen, mits dat juridisch haalbaar zou zijn (het hof begrijpt: mits de hoogte van de op te leggen gevangenisstraf bij een bewezenverklaring dit zou toelaten). Mocht een tbs met voorwaarden praktisch niet mogelijk zijn en\u002Fof juridisch niet haalbaar, dan rest een tbs met bevel tot verpleging van overheidswege, aldus de deskundigen.\n\nP.M.E. Pieterse, reclasseringswerker, heeft zich in het meest recente advies van de reclassering en ter terechtzitting in hoger beroep - in tegenstelling tot het eerdere advies van de reclassering - thans (voorzichtig) positief uitgelaten over de haalbaarheid van een tbs met voorwaarden, omdat de verdachte inmiddels openstaat voor een behandeling en bereid is daaraan zijn medewerking te verlenen. In het advies wordt het recidiverisico als gemiddeld tot hoog ingeschat. Wel wordt in haar advies benadrukt dat de motivatie van de verdachte om mee te werken sterk extern is ingegeven - waarbij het de vraag is of hij zijn medewerking op de lange duur zal kunnen blijven volhouden - en op de lange termijn niet voldoende zal zijn om de recidivekans te verkleinen. Zijn hulpvragen zijn momenteel enkel gericht op het verwerken van zijn eigen trauma en niet op het voorkomen en verminderen van recidive. Een hogere responsiviteit en meer zelfinzicht zijn nodig om hieraan daadwerkelijk te kunnen werken.\n\nMaatregel terbeschikkingstelling\n\nNu de conclusies van de psychiater en de psycholoog met betrekking tot de toerekenbaarheid van de ten laste gelegde feiten gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen het hof ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt het hof die conclusies over en maakt die tot de zijne. Op grond van deze conclusies is het hof van oordeel dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het bewezenverklaarde een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogen als bedoeld in artikel 37a, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bestond.\n\nDe bewezenverklaarde feiten worden de verdachte om die reden in verminderde mate toegerekend.\n\nHet hof is van oordeel dat gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte, de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten, alsmede hetgeen hiervoor omtrent de persoon van de verdachte is overwogen en de omstandigheden waaronder de bewezenverklaarde feiten zijn begaan, de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel terbeschikkingstelling ook eist.\n\nHet onder 1 bewezenverklaarde (doodslag) betreft voorts een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld.\n\nHet hof constateert dat aldus aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling is voldaan.\n\nDe vraag of de behandeling van de verdachte binnen het kader van een tbs met voorwaarden of een tbs met dwangverpleging dient plaats te vinden, is in de eerste plaats afhankelijk van de hoogte van de op te leggen vrijheidsstraf. Immers, op grond van artikel 38, derde lid, Sr kan de maatregel van tbs met voorwaarden slechts worden uitgesproken indien de op te leggen vrijheidsstraf ten hoogste vijf jaar bedraagt.\n\nHet hof is evenwel – conform het standpunt van de advocaten-generaal – van oordeel dat de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de eerdere onherroepelijke veroordeling, het recidiverisico en hetgeen het hof ook overigens uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken omtrent de persoon en de persoonlijkheid van de verdachte nopen tot oplegging van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Hoewel de verdachte anders dan in eerste aanleg meer inzicht toont in zijn problematiek en hij inmiddels openstaat voor een behandeling en bereid is daaraan zijn medewerking te verlenen, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een gevangenisstraf van ten hoogste vijf jaar. Gelet op de hierna te noemen duur van de op te leggen gevangenisstraf is de mogelijkheid van een tbs met voorwaarden dan ook in casu niet aan de orde. Het hof zal gelet op de noodzakelijke behandeling van de verdachte daarom een tbs met dwangverpleging opleggen.\n\nHet hof acht het daarbij - in navolging van de ter terechtzitting gehoorde deskundigen - van het grootste belang dat de behandeling van de verdachte zo spoedig mogelijk en bij voorkeur direct aansluitend aan de hem op te leggen duur van de gevangenisstraf een aanvang neemt. Het hof realiseert zich hierbij terdege dat dit betekent dat de verdachte ruimschoots eerder voor het einde van de duur van de op te leggen gevangenisstraf moet worden aangemeld om op de wachtlijst te worden geplaatst van de instelling waar de voorkeur van de selecteurs en behandelaars naar uitgaat en adviseert de betrokken instanties dit te bewerkstelligen.\n\nOp de voet van het bepaalde in artikel 359, zevende lid, Sv jo 38e, eerste lid, Sr stelt het hof vast dat de bewezenverklaarde doodslag gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. De totale duur van de tbs met dwangverpleging kan daarom een periode van vier jaren te boven gaan (artikel 38e, eerste lid, Sr).\n\nGevangenisstraf\n\nGelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten kan naar het oordeel van het hof - zoals hiervoor vermeld - niet anders worden gereageerd dan met de oplegging van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij zijn oordeel omtrent de aard en omvang van de op te leggen straf betrekt het hof voorts dat de maatschappij van politiemedewerkers verwacht dat zij optreden in gevaarlijke en risicovolle situaties, waarbij hoort dat dit optreden door de individuele leden van de maatschappij wordt getolereerd en gerespecteerd. Deze politiemedewerkers (en andere hulpdiensten) verdienen (mede) om die reden bijzondere bescherming, om zoveel mogelijk te voorkomen dat zij bij de uitoefening van hun functie van enig strafbaar handelen het slachtoffer worden. Naar het oordeel van het hof dient dit tot uitdrukking te komen in de op te leggen straf. Tevens houdt het hof in het nadeel van de verdachte rekening met het hierboven genoemde uittreksel uit het justitieel documentatieregister waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld wegens het begaan van een zeer ernstig verkeersdelict (artikel 6 WVW). Het hof houdt bij de op te leggen gevangenisstraf ten gunste van de verdachte voorts rekening met het hiervoor overwogene omtrent de verminderde mate van toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.\n\nAlles afwegende acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen jaren passend en geboden.\n\nTenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.\n\nOntzegging bevoegdheid motorrijtuigen te besturen\n\nHet opleggen van een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen is daarnaast geboden om enerzijds recht te doen aan de ernst van het bewezenverklaarde feit (doodslag, begaan in het wegverkeer) en anderzijds om de veiligheid van overige verkeersdeelnemers voor een zo lang mogelijke periode te beschermen tegen de verdachte. Derhalve zal het hof aan de verdachte opleggen de maximale ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, te weten een ontzegging voor de duur van 10 jaren, met aftrek van de tijd waarin het rijbewijs van verdachte al ingevorderd en ingehouden is geweest.\n\nDe gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel\n\nHet hof acht het opportuun om naast de ongemaximeerde tbs met dwangverpleging tevens de maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen.\n\nBeroepsverbod\n\nMet de rechtbank is het hof van oordeel dat het opleggen van een verbod om als vrachtwagenchauffeur werkzaam te zijn in onderhavig geval niet noodzakelijk is. Gelet op het bepaalde in artikel 31 Sr gaat de duur van de ontzegging van rechten bij een veroordeling tot een tijdelijke gevangenisstraf de duur van de hoofdstraf ten hoogste vijf jaren te boven. Hetzelfde artikel bepaalt dat het verbod ingaat op de dag dat de veroordeling onherroepelijk is geworden. Gelet op de duur van de op te leggen gevangenisstraf in combinatie met de niet gemaximeerde tbs met dwangverpleging en de maximale ontzegging van de rijbevoegdheid ziet het hof met andere woorden in dit geval geen materiële meerwaarde in het opleggen van een beroepsverbod.\n\nSchending redelijke termijn\n\nTot slot constateert het hof dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in hoger beroep is overschreden, nu de berechting in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een termijn van 16 maanden, gelet op het feit dat de bedoelde termijn is aangevangen op 25 oktober 2022 en het eindvonnis op 16 juli 2024 is gewezen. De redelijke termijn is derhalve met ruim 4 maanden overschreden. Naar het oordeel van het hof is deze overschrijding onder meer het gevolg van omstandigheden die (deels) voor rekening van de verdediging komen. Het hof is van oordeel dat gelet op de relatief geringe overschrijding in hoger beroep kan worden volstaan met de enkele constatering van deze overschrijding.\n\nConclusie\n\nHet hof is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur alsmede een geheel onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van na te melden duur in combinatie met de oplegging van de tbs-maatregel met dwangverpleging en de oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel een passende en geboden reactie vormen.\n\nDe vorderingen van de benadeelde partijen\n\n[Benadeelde partij 1] (de moeder van het slachtoffer), de heer [benadeelde partij 2] (de broer van het slachtoffer), mevrouw [benadeelde partij 3] (de schoonzus van het slachtoffer), mevrouw [benadeelde partij 4] (een nicht van het slachtoffer) en haar partner, de heer [benadeelde partij 5], mevrouw [benadeelde partij 6] (de partner van het slachtoffer) en de Nationale Politie Eenheid Rotterdam hebben zich in het onderhavige strafproces ieder gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en\u002Fof immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde.\n\nDe rechtbank heeft de vorderingen van de benadeelde partijen vrijwel integraal toegewezen - mede op de grond dat de materiële posten van de gevorderde schadevergoedingen onvoldoende gemotiveerd waren weersproken - met uitzondering van de vorderingen tot vergoeding van toekomstschade. Voorts zijn onderdelen van alle individuele vorderingen van de benadeelde partijen afgewezen. De benadeelde partijen hebben hun vorderingen in hoger beroep gehandhaafd, zodat deze thans opnieuw aan de orde zijn.\n\nDe advocaten-generaal hebben het hof verzocht om de vorderingen van de benadeelde partijen toe te wijzen, gelijk de rechtbank heeft gedaan, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente.\n\nDe verdediging heeft – anders dan de verdediging in eerste aanleg - op de verschillende vorderingen verweer gevoerd.\n\nHet hof zal de vorderingen waar mogelijk gezamenlijk behandelen. Voor de overblijvende posten, zal het hof deze per benadeelde partij behandelen.\n\nAffectieschade\n\n[Benadeelde partij 1] heeft een bedrag van € 17.500,- aan affectieschade gevorderd en [benadeelde partij 6] een bedrag van\n\n€ 20.000,- subsidiair € 17.500,-.\n\nOp grond van de sinds 1 januari 2019 in werking getreden Wet Affectieschade kunnen nabestaanden vergoeding van schade vorderen die bestaat uit het verdriet door het overlijden van een naaste, als gevolg van een strafbaar feit. In artikel 6:108 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en artikel 1 van het Besluit Vergoeding Affectieschade is gespecificeerd wie hiervoor in aanmerking komen. Ook staat daarin welke vaste, maximale bedragen per categorie toewijsbaar zijn. Het is een zogenoemd ‘forfaitair stelsel’. Indien een vordering niet onder een van de categorieën uit de wet valt, kan een beroep gedaan worden op de hardheidsclausule (artikel 6:108 lid 4 sub g BW), als een persoon meent toch als naaste in de zin van deze wet te moeten worden aangemerkt. In dat geval zal die benadeelde partij moeten aantonen dat sprake was van een hechte, affectieve relatie met de persoon die is overleden.\n\nTen aanzien van mevrouw [benadeelde partij 1], de moeder van het slachtoffer, dient in dat verband het gevorderde bedrag van € 17.500,- te worden toegewezen.\n\nMevrouw [benadeelde partij 6] kan niet als ‘levensgezel’ in de zin van artikel 6:108, lid 4 sub b BW worden beschouwd, nu zij niet duurzaam met het slachtoffer een gemeenschappelijke huishouding voerde. Wel staat vast dat zij in een LAT-relatie met het slachtoffer stond. Zij heeft daarmee in voldoende mate aangetoond dat haar relatie met het slachtoffer zodanig was, dat zij als ‘naaste’ in de zin van artikel 6:108, lid 4 BW onder g kan worden aangemerkt. Onder deze omstandigheden dient het hof in haar geval het voor deze categorie forfaitaire bedrag van € 17.500,- wegens affectieschade toe te wijzen.\n\nSchokschade\n\n[Benadeelde partij 1] (€ 40.000,-), [benadeelde partij 2]\n\n(€ 25.000,-), [benadeelde partij 3] (€ 20.000,-), [benadeelde partij 4](€ 15.000,-) en [benadeelde partij 6] (€ 30.000,-) hebben ieder een vordering wegens schokschade ingediend.\n\nBij de beoordeling van deze vorderingen stelt het hof het volgende voorop.\n\nIemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, kan – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt. Het recht op vergoeding van schade is beperkt tot de schade die volgt uit door die laatste onrechtmatige daad veroorzaakt geestelijk letsel.\n\nGezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld (hierna: het secundaire slachtoffer) zijn onder meer:\n\n- De aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed.\n\n- De wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was. Bij het aan dit gezichtspunt toe te kennen gewicht kan meewegen of het secundaire slachtoffer beroepsmatig of anderszins bedacht moest zijn op een dergelijke schokkende gebeurtenis.\n\n- De aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.\n\nDe feitenrechter moet aan de hand van onder meer deze gezichtspunten in hun onderlinge samenhang beschouwd van geval tot geval beoordelen of sprake is van onrechtmatigheid, waarbij niet op voorhand aan een van deze gezichtspunten doorslaggevende betekenis toekomt. Als een van deze gezichtspunten geen duidelijke indicatie voor het aannemen van onrechtmatigheid geeft, kan onrechtmatigheid desondanks worden aangenomen als de omstandigheden daarvoor, bezien vanuit de overige gezichtspunten, voldoende zwaarwegend zijn.\n\nHet recht op vergoeding van schade die is veroorzaakt door het onrechtmatig teweegbrengen van een hevige emotionele schok is beperkt tot de schade die volgt uit geestelijk letsel. Voor de toewijzing van schadevergoeding ter zake van dat geestelijk letsel is vereist dat het bestaan van dat geestelijk letsel naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over schokschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en\u002Fof gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld.\n\nAls sprake is van geestelijk letsel als hier bedoeld, komt zowel de materiële als de immateriële schade die daarvan het gevolg is voor vergoeding in aanmerking.\n\nNaast een aanspraak op vergoeding van de immateriële schade die het gevolg is van het hiervoor bedoelde, door een hevige emotionele schok veroorzaakte geestelijk letsel, kan een secundair slachtoffer ook, als naaste van het primaire slachtoffer, een aanspraak hebben op een vaste vergoeding op grond van de artikelen 6:107 lid 1, aanhef en onder b BW en 6:108 lid 1 in verbinding met artikel 6:108 lid 3 BW (‘affectieschade’). In zo’n geval van samenloop van deze aanspraken zal de rechter aan de hand van de omstandigheden van het geval naar billijkheid en schattenderwijs moeten afwegen in hoeverre bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding van de immateriële schade die het gevolg is van het hiervoor bedoelde, door de hevige emotionele schok veroorzaakte geestelijk letsel, rekening wordt gehouden met die aanspraak op affectieschade (zie ECLI:HR:2022:958)\n\nUit de toelichting op de vorderingen is het hof gebleken dat de hierboven genoemde benadeelde partijen zijn geconfronteerd met het zwaar verminkte lichaam van het slachtoffer en dat zij kort na het ongeval de plek hebben bezocht waar het incident zich heeft voorgedaan. Voor mevrouw [benadeelde partij 6] geldt zelfs dat zij als één van de eerste politieambtenaren haar partner zwaar verminkt op die plek heeft aangetroffen. Zij hebben ook de zeer confronterende beelden gezien waarop te zien is hoe het slachtoffer is aangereden en is meegesleurd door de vrachtwagen van de verdachte. In alle gevallen is sprake van een zeer hechte relatie tussen het primaire en het secundaire slachtoffer. Ook in alle gevallen is sprake van een naaste tussen het primaire en het secundaire slachtoffer. Voldoende aannemelijk is geworden dat de genoemde confronterende gebeurtenissen bij al deze personen een hevige emotionele schok teweeg hebben gebracht. Anders dan de verdediging, is het hof van oordeel dat de benadeelde partijen aan de hand van verklaringen van hun behandelend psycholoog voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij als gevolg van de confronterende gebeurtenissen geestelijk letsel (in de vorm van PTSS) hebben opgelopen.\n\nGelet op alle omstandigheden heeft de verdachte naar het oordeel van het hof daarmee niet alleen jegens het (primaire) slachtoffer, maar ook jegens de hierboven genoemde benadeelde partijen onrechtmatig gehandeld en kan hij aansprakelijk worden gehouden voor de schade die als gevolg van deze hevige emotionele schok bij ieder van hen is ontstaan.\n\nTen aanzien van de hoogte van de toe te wijzen bedragen overweegt het hof het volgende.\n\nBij mevrouw [benadeelde partij 1] en mevrouw [benadeelde partij 6] is sprake van een samenloop van aanspraken wegens schokschade en affectieschade. Met name voor mevrouw [benadeelde partij 6] die als één van de eerste politieambtenaren het gruwelijk verminkte lichaam van het slachtoffer op de weg heeft aangetroffen, is de emotionele schok zeer hevig geweest. Op grond van de overgelegde medische stukken kan in beide gevallen lastig onderscheid worden gemaakt tussen de geestelijke problematiek die het gevolg is van het overlijden van het slachtoffer en de schade die het directe gevolg is van confrontatie met de beelden van het ongeval en met het stoffelijk overschot van het slachtoffer. Het hof dient dan ook schattenderwijs vast te stellen welk bedrag als vergoeding voor schokschade in aanmerking komt. Het hof acht daarbij van belang de hoogte van de toegewezen affectieschade, de aard van de aansprakelijkheid, de ernst van de inbreuk op het rechtsgevoel en de ernst van het psychisch letsel van de benadeelde partijen en de gevolgen daarvan voor hen. Voorts betrekt het hof in zijn oordeel hetgeen blijkens de jurisprudentie in vergelijkbare gevallen door Nederlandse rechters wordt toegekend ter zake van schokschade. Al deze factoren in aanmerking nemend schat het hof naar billijkheid de geestelijke schade van mevrouw [benadeelde partij 1] op\n\n€ 20.000,- en die van mevrouw [benadeelde partij 6] op\n\n€ 25.000,-.\n\nOp dezelfde wijze, doch zonder rekening te moeten houden met de samenloop met geleden affectieschade, schat het hof de hoogte van de geleden schokschade van de overige benadeelde partijen als volgt in: voor de heer [benadeelde partij 2] op een bedrag van € 17.500,- en voor mevrouw [benadeelde partij 4] en mevrouw [benadeelde partij 3] – wegens het iets verder verwijderde familieverband – op € 15.000,- elk.\n\nVoor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kunnen de benadeelde partijen daarom thans niet in hun vordering worden ontvangen en kunnen zij hun vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nHet hof zal hierna overgaan tot de bespreking van de afzonderlijke vorderingen, voor zover zij hierboven nog niet aan de orde zijn geweest.\n\nHet hof stelt daarbij voorop dat, ingevolge artikel 51f, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en artikel 6:108 Burgerlijk Wetboek (BW) de benadeelde partij in haar hoedanigheid van nabestaande van het slachtoffer naast affectieschade en schokschade enkel de kosten van het gederfde levensonderhoud en de kosten van lijkbezorging in het strafgeding van de verdachte kan vorderen.\n\nDe vordering van [benadeelde partij 1]\n\n[Benadeelde partij 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 60.472,04 waarvan, zoals gezegd, een deel van\n\n€ 57.500,- aan immateriële schade (affectie- en shockschade) en een deel van € 2.972,04 aan materiële schade.\n\nTen aanzien van de immateriële schade heeft het hof hierboven reeds een oordeel gegeven.\n\nDe gevorderde materiële schade bestaat uit een bedrag van\n\n€ 734,52 wegens het plaatsen van een rouwadvertentie, een bedrag van € 237,52 aan medicatie en een bedrag van\n\n€ 2.000,- als toekomstschade.\n\nDe kosten van de medicatie ziet het hof als zodanig samenhangend met de door de benadeelde gevorderde schokschade, dat deze, gelet op het hierboven overwogene, kunnen worden toegewezen.\n\nDe kosten van het plaatsen van een rouwadvertentie schaart het hof onder de kosten van lijkbezorging, zodat dit onderdeel van de vordering eveneens kan worden toegewezen.\n\nDe gevorderde toekomstschade zal het hof afwijzen, nu deze in het geheel niet is onderbouwd.\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van\n\n€ 38.472,04 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1].\n\nDe vordering van [benadeelde partij 2]\n\n[benadeelde partij 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot\n\n€ 35.100,67 waarvan, zoals gezegd, een deel van € 25.000,- aan immateriële schade (schokschade) en een deel van € 10.100,67 aan materiële schade.\n\nTen aanzien van de immateriële schade heeft het hof hierboven reeds een oordeel gegeven.\n\nDe gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:\n\nKosten van lijkbezorging:\n\n€ 309,- urn\n\n€ 500,- sieraden met as\n\n€ 200,- rouwboeket\n\n€ 350,- kleding\n\n€ 122,36 grastrimmer\n\nVoorts:\n\n€ 15,25 medicatie\n\n€ 600,- tatoeage\n\n€ 750,- isoleren schuur motor [naam slachtoffer]\n\n€ 82,90 vignet\n\n€ 2.171,16 verlofdagen\n\n€ 5.000,- toekomstschade\n\nBehalve de urn en het rouwboeket, kunnen naar het oordeel van het hof de gemaakte sieraden, de gekochte uitvaartkleding en de grastrimmer niet als kosten van lijkbezorging worden aangemerkt; zij staan daartoe in een te ver verwijderd verband. Dat betekent dat de vordering ten aanzien van deze kosten niet-ontvankelijk zal worden verklaard.\n\nDe kosten van de medicatie ad € 15,25 ziet het hof als zodanig samenhangend met de door de benadeelde partij gevorderde schokschade, dat deze, gelet op het hierboven overwogene, kunnen worden toegewezen.\n\nTen aanzien van de kosten voor het zetten van een tatoeage, het isoleren van de schuur voor de motor van [naam slachtoffer], het kopen van een vignet en het opnemen van verlofdagen, kan niet worden gezegd dat artikel 6:108 BW voor vergoeding van deze kosten een grondslag biedt. Dat betekent dat de benadeelde partij in dit deel van zijn vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard.\n\nDe gevorderde toekomstschade zal het hof afwijzen, nu deze in het geheel niet is onderbouwd.\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van\n\n€ 18.024,25 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2]\n\nDe vordering van [benadeelde partij 3]\n\n[benadeelde partij 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 29.502,99 waarvan, zoals gezegd, een deel van\n\n€ 20.000,- aan immateriële schade (schokschade) en een deel van € 9.502,99 aan materiële schade.\n\nTen aanzien van de immateriële schade heeft het hof hierboven reeds een oordeel gegeven.\n\nDe gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:\n\nKosten van lijkbezorging:\n\n€ 2.500,- steen monument\n\n€ 208,12 graveren monument\n\n€ 363,- plaatsen monument\n\n€ 440,94 reiskosten\n\n€ 67,60 parkeerkosten\n\nVoorts:\n\n€ 900,58 opgenomen verlofdagen\n\n€ 22,75 medicatie\n\n€ 5.000,- toekomstschade\n\nHet hof heeft begrip voor de wens van de nabestaanden om een monument op de Heijplaat voor het slachtoffer op te richten, echter, de kosten van het monument, het graveren en het plaatsen daarvan staan in te ver verwijderd verband om als kosten van lijkbezorging te kunnen worden aangemerkt. Het hof zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.\n\nTen aanzien van de reis- en parkeerkosten overweegt het hof het volgende.\n\nDe gevorderde reiskosten, voor zover betrekking hebbend op de uitvaart, kunnen worden geschaard onder de kosten van lijkbezorging, zijn redelijk en kunnen derhalve worden toegewezen tot een bedrag van (300 x 0,30 =)\n\n€ 90,-.\n\nDe gevorderde reiskosten ten behoeve van bezoek aan een psycholoog acht het hof redelijk en ziet het hof als zodanig samenhangend met de door de benadeelde gevorderde schokschade, dat deze, gelet op het hierboven overwogene, kunnen worden toegewezen tot een bedrag van (14 x 0,30 =) € 4,20. Hetzelfde geldt voor de medicatie ad € 22,75.\n\nTen aanzien van de overige gevorderde reiskosten is het hof van oordeel dat deze niet in zodanig samenhangend verband met de door de benadeelde gevorderde schokschade kunnen worden beschouwd. In zoverre verklaart het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.\n\nDe reis- en verblijfkosten die de benadeelde partij heeft gemaakt ten behoeve van het bijwonen van de zittingen kunnen ook niet als proceskosten worden aangemerkt, nu de benadeelde partij met een gemachtigde procedeert. Het hof begrijpt dat deze kosten desondanks wel degelijk zijn gemaakt, maar ziet op grond van bestendige rechtspraak van de Hoge Raad op dit punt geen ruimte de gevraagde vergoeding toe te kennen. Dat betekent dat de vordering ten aanzien van dit onderdeel niet-ontvankelijk zal worden verklaard.\n\nVoor wat betreft de gevorderde loonderving is het hof van oordeel dat deze, voor zover betrekking hebbende op de kosten van het bezoeken van een psycholoog, kunnen worden toegewezen tot een bedrag van (6 x 12,17 =) € 73,02, nu deze nauw samenhangen met de door de benadeelde partij gevorderde schokschade. Voor vergoeding van het overige gederfde loon biedt de wet geen grondslag, zodat de benadeelde partij ook op dit onderdeel niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering.\n\nDe gevorderde toekomstschade zal het hof afwijzen, nu deze in het geheel niet is onderbouwd.\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van\n\n€ 15.189,97 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3].\n\nDe vordering van [benadeelde partij 6]\n\n[benadeelde partij 6] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 52.068,19 waarvan zoals gezegd een deel van € 50.000,- althans € 47.500,00 aan immateriële schade (affectie- en schokschade) en een deel van € 2.068,19 aan materiële schade.\n\nTen aanzien van de immateriële schade heeft het hof hierboven reeds een oordeel gegeven.\n\nDe gevorderde materiële schade bestaat uit een bedrag van\n\n€ 68,19 wegens reis- en parkeerkosten en een bedrag van\n\n€ 2.000,- als toekomstschade.\n\nDe gevorderde reis- en parkeerkosten ten behoeve van bezoek aan een psycholoog acht het hof redelijk en ziet het hof als zodanig samenhangend met de door de benadeelde gevorderde schokschade, dat deze, gelet op het hierboven overwogene, kunnen worden toegewezen.\n\nDe gevorderde toekomstschade zal het hof afwijzen, nu deze in het geheel niet is onderbouwd.\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van\n\n€ 42.568,19 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 6].\n\nDe vordering van [benadeelde partij 4]\n\n[benadeelde partij 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 24.987,52 waarvan zoals gezegd een deel van\n\n€ 15.000,- aan immateriële schade (schokschade) en een deel van € 9.987,52 aan materiële schade.\n\nTen aanzien van de immateriële schade heeft het hof hierboven reeds een oordeel gegeven.\n\nDe gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:\n\nKosten lijkbezorging:\n\n€ 84,95 kleine urn\n\n€ 514,- ketting met vingerafdruk\n\n€ 75,- tatoeage\n\n€ 33,14 fotoboek oma\n\n€ 730,40 reiskosten\n\n€ 65,72 parkeerkosten\n\nVoorts\n\n€ 18,27 medicatie\n\n€ 90,- ontspanning\n\n€ 82,90 vignet\n\n€ 490,- Memori toekomst\n\n€ 823,14 fotoboek herinneringen Memori\n\n€ 1.980,- verlies aan verdienvermogen door verlofdagen\n\n€ 5.000,- toekomstschade\n\nBehalve de urn, kunnen de kosten van de ketting met vingerafdruk, de tatoeage en het fotoboek oma niet als kosten van lijkbezorging worden aangemerkt; zij staan daartoe in een te ver verwijderd verband. De benadeelde partij zal op deze onderdelen niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.\n\nDe gevorderde reiskosten voor zover betrekking hebbend op de uitvaart kunnen worden geschaard onder de kosten van lijkbezorging, zijn redelijk en kunnen derhalve worden toegewezen tot een bedrag van (180,4 x 0,30 =) € 54,12.\n\nDe gevorderde reiskosten ten behoeve van bezoek aan een psycholoog acht het hof redelijk en ziet het hof als zodanig samenhangend met de door de benadeelde gevorderde schokschade, dat deze, gelet op het hierboven overwogene, kunnen worden toegewezen tot een bedrag van (950,6 x 0,30 =) € 285,18. Hetzelfde geldt voor de medicatie ad\n\n€ 18,27.\n\nTen aanzien van de overige gevorderde reis- en parkeerkosten is het hof van oordeel dat deze niet als zodanig samenhangend met de door de benadeelde partij gevorderde schokschade en kosten van lijkbezorging kunnen worden beschouwd. In zoverre verklaart het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering.\n\nDe reis- en verblijfkosten die de benadeelde partij heeft gemaakt ten behoeve van het bijwonen van de zittingen kunnen niet als proceskosten worden aangemerkt, nu de benadeelde partij met een gemachtigde procedeert. Het hof verwijst hiervoor naar zijn overweging op hetzelfde onderdeel bij de bespreking van de vordering van [benadeelde partij 3]. Dat betekent dat de vordering ten aanzien van dit onderdeel niet-ontvankelijk zal worden verklaard.\n\nTen aanzien van de kosten van ontspanning, het vignet en het digitale fotoboek en een daarop betrekking hebbend abonnement is het hof van oordeel dat deze niet vallen onder de kosten van lijkbezorging zodat de vordering op deze onderdelen niet-ontvankelijk zal worden verklaard.\n\nVoor vergoeding van gederfde inkomsten als nabestaande biedt de wet geen grondslag, zodat de benadeelde partij ook op dit onderdeel niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering.\n\nDe gevorderde toekomstschade zal het hof afwijzen, nu deze in het geheel niet is onderbouwd.\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van\n\n€ 15.442,52 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 4].\n\nDe vordering van [benadeelde partij 5]\n\n[benadeelde partij 5] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 8.011,- aan materiële schade. Deze schade bestaat uit een bedrag van € 539,- wegens een zogenaamd Memori abonnement en een bedrag van € 2.472,- wegens verlies aan verdienvermogen. Ten slotte vordert de benadeelde partij een bedrag van € 5.000,- aan toekomstschade.\n\nHet hof heeft reeds beslist dat de kosten van het abonnement op Memori niet vallen onder de kosten van lijkbezorging, zodat de vordering van de benadeelde partij op dit onderdeel niet-ontvankelijk zal worden verklaard.\n\nVoor vergoeding van gederfde inkomsten in het kader van het strafgeding komen alleen in aanmerking de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt in verband met de uitvaart. Deze kosten kunnen worden geschaard onder de kosten van lijkbezorging als bedoeld in artikel 6:108 BW. De benadeelde partij heeft zijn vordering op dit punt genoegzaam onderbouwd en het hof schat die kosten op een bedrag van (3 x € 290,- - 40% =) € 522,-. Voor vergoeding van de overige gederfde inkomsten biedt de wet geen grondslag, zodat de benadeelde partij op dit onderdeel niet-ontvankelijk zal worden verklaard in zijn vordering.\n\nDe gevorderde toekomstschade zal het hof afwijzen, nu deze in het geheel niet is onderbouwd.\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 522,00 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 5].\n\nDe vordering van de Nationale Politie Eenheid Rotterdam\n\nDe Nationale Politie Eenheid Rotterdam heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 194.979,75 aan materiële schade.\n\nHet betreft de schade aan de motor waarop het slachtoffer reed ten tijde van de aanrijding ad € 8.820,- en een bedrag ad € 186.159,75 wegens het betalen van de kosten van de uitvaart van het slachtoffer. Deze kosten heeft de benadeelde partij als werkgever van het slachtoffer voldaan.\n\nHet hof is van oordeel dat de schade aan de motor als een rechtstreeks gevolg van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde feit kan worden aangemerkt, nu deze het gevolg is van het handelen van de verdachte dat in een voldoende verband met het bewezenverklaarde feit staat. De vernieling van de motorfiets ligt immers besloten in de ten laste gelegde en bewezenverklaarde aanrijding van een motoragent die tot diens dood heeft geleid.\n\nDe schade aan de motor is naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwd en kan derhalve worden toegewezen.\n\nDe kosten van de uitvaart kunnen als kosten van lijkbezorging in de zin van artikel 6:108 BW worden beschouwd en komen daarmee in beginsel voor vergoeding in aanmerking, mits zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene. Bij de beoordeling wat in een concreet geval redelijk is komt onder andere gewicht toe aan de maatschappelijke stand en de inkomens- en vermogenspositie van de overledene en zijn (culturele en religieuze) achtergrond.\n\nVan belang is dat het slachtoffer een goed functionerend motoragent was en geliefd was binnen de Nationale Politie en dat de – alleszins begrijpelijke - wens bij de nabestaanden en de werkgever bestond om, gelet op de gruwelijke manier waarop het slachtoffer tijdens de uitoefening van zijn werk is overleden, op indrukwekkende wijze afscheid van hem te nemen. Dat is, zo blijkt uit de uitgebreide onderbouwing van de vordering, ook gebeurd. Het hof acht het redelijk dat in dat verband de kosten van de uitvaart die voor vergoeding in aanmerking komen hoger uitvallen dan een gemiddelde uitvaart (die grosso modo tussen de € 8.000,- en € 11.000,- kost). Het hof acht, gelet op alle omstandigheden van het geval, in dit verband een bedrag van € 35.000,- redelijk en billijk, meer in het bijzonder kosten die in rechtstreeks verband staan met het begraven van de overledene terwijl die kosten op de voet van artikel 6:108, tweede lid, BW kunnen worden aangemerkt als kosten die in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene. Nu de Nationale Politie reeds een bedrag van in totaal € 15.021,66 aan verzekeringsuitkeringen heeft ontvangen, resteert een bedrag van € 19.978,34. Dit bedrag zal worden toegewezen. Voor het overige zal de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.\n\nNu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van\n\n€ 28.798,34 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer Politie Eenheid Rotterdam.\n\nResumerend\n\nHet hof wijst de volgende bedragen toe:\n\n[benadeelde partij 1]: € 37.500,- aan immateriële schade en € 972,04 aan materiële schade;\n\n[benadeelde partij 2]: € 17.500,- aan immateriële schade en\n\n€ 524,25 aan materiële schade;\n\n- [ [benadeelde partij 3]: € 15.000,- aan immateriële schade en € 189,97 aan materiële schade;\n\n- [ [benadeelde partij 6]: € 42.500,- aan immateriële schade en\n\n€ 68,19 aan materiële schade;\n\n- [ [benadeelde partij 4]: € 15.000,- aan immateriële schade en\n\n€ 442,52 aan materiële schade;\n\n[benadeelde partij 5]: € 522,- aan materiële schade;\n\nNationale Politie Eenheid Rotterdam: € 8.820,- (motor) en € 19.978,34 (uitvaart) aan materiële schade.\n\nWettelijke rente\n\nVoor zover de vorderingen tot schadevergoeding door het hof zullen worden toegewezen, zullen deze worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf de datum van het overlijden van het slachtoffer, 7 juli 2021, tot aan de dag van de algehele voldoening. Dit geldt niet ten aanzien van de toegewezen schadepost uitvaartkosten van de Nationale Politie Eenheid Rotterdam. Hiervoor geldt de factuurdatum van 10 november 2021.\n\nBurgerlijke rechter\n\nVoor zover de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard, kunnen zij deze vorderingen bij de burgerlijke rechter aanbrengen.\n\nProceskosten\n\nDaar waar de verdachte wordt veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen tot schadevergoeding hebben gemaakt, wordt hij tevens veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken, tot op heden begroot op nihil.\n\nSchadevergoedingsmaatregel\n\nNu vast staat dat de verdachte tot een bedrag van in totaal € 159.017,31 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van de benadeelde partijen.\n\nAnders dan de verdediging heeft betoogd, zal het hof daarbij niet bepalen dat de duur van de gijzeling die kan worden toegepast maximaal één dag bedraagt. De stelling van de verdediging dat de verdachte niet in staat is om binnen redelijke termijn op dit punt aan zijn verplichtingen te voldoen, is in dit verband niet onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbij zal gaan. De enkele omstandigheid dat aan de verdachte een tbs-maatregel die mogelijk lang kan duren wordt opgelegd, acht het hof daarvoor in ieder geval niet redengevend.\n\nBeslag\n\nDe advocaten-generaal hebben zich ter terechtzitting in hoger beroep primair op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen vrachtauto (merk\u002Ftype [merk\u002Ftype], gekentekend [kenteken]) verbeurd verklaard moet worden. Subsidiair vorderen de advocaten-generaal de vrachtauto te onttrekken aan het verkeer wegens strijd met het algemeen belang.\n\nDe raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen vrachtauto aan de rechtmatige eigenaar [naam broer verdachte] (de broer van de verdachte) dient te worden teruggegeven. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat aan de vereisten voor verbeurdverklaring uit artikel 33a lid 2 Sr niet wordt voldaan, nu de eigenaar van de vrachtauto – [broer verdachte] – niet redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat met deze vrachtauto strafbare feiten begaan zouden worden. Voorts stelt de raadsman zich op het standpunt dat het ongecontroleerde bezit van de vrachtwagen niet in strijd is met de wet of het algemeen belang en dat de vrachtauto derhalve niet vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer.\n\nMet betrekking tot de inbeslaggenomen en nog niet teruggeven vrachtauto overweegt het hof als volgt.\n\nVast staat dat de bewezenverklaarde strafbare feiten met behulp van de inbeslaggenomen vrachtauto zijn begaan. Omdat de verdachte niet de eigenaar is van de vrachtauto kan deze enkel verbeurd worden verklaard indien aan de vereisten van artikel 33 lid 2 sub a Sr wordt voldaan. Echter, aan deze vereisten wordt naar het oordeel van het hof niet voldaan. De eigenaar van de vrachtauto, had immers niet redelijkerwijs kunnen vermoeden dat – toen hij als werkgever de verdachte na een eerder ernstig verkeersongeval weer in de vrachtauto liet rijden – de verdachte met die vrachtauto opzettelijk een motoragent zou doodrijden en\u002Fof een overtreding van artikel 7 WVW zou begaan. Aan de vereisten van artikel 33a lid 2 sub a Sr wordt dan ook niet voldaan, waardoor de vrachtauto niet vatbaar is voor verbeurdverklaring.\n\nAnders dan de advocaten-generaal is het hof van oordeel dat de vrachtauto evenmin vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer. Niet is gebleken dat de vrachtauto van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.\n\nGelet op het vorenstaande zal het hof de teruggave gelasten aan de rechthebbende van de vrachtauto, te weten [broer verdachte].\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 38z, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7, 176 en 179 en 179a van de Wegenverkeerswet 1994, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair impliciet primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair impliciet subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 1 primair impliciet subsidiair en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van9 (negen) jaren.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nOntzegt de verdachte ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de duur van10 (tien) jaren.\n\nBepaalt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs van de verdachte ingevolge artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 vóór het tijdstip, waarop deze uitspraak voor wat betreft de in artikel 179 van die wet genoemde bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van bovengenoemde bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.\n\nGelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteldenbeveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.\n\nLegt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking.\n\nGelast de teruggaveaan [broer verdachte] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:\n\n- vrachtauto merk [merk\u002Ftype], gekentekend [kenteken].\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 38.472,04 (achtendertigduizend vierhonderdtweeënzeventig euro en vier cent) bestaande uit € 972,04 (negenhonderdtweeënzeventig euro en vier cent) materiële schade en € 37.500,00 (zevenendertigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) aan materiële schadeaf.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 38.472,04 (achtendertigduizend vierhonderdtweeënzeventig euro en vier cent) bestaande uit € 972,04 (negenhonderdtweeënzeventig euro en vier cent) materiële schade en € 37.500,00 (zevenendertigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 87 (zevenentachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 7 juli 2021.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 18.024,25 (achttienduizend vierentwintig euro en vijfentwintig cent) bestaande uit € 524,25 (vijfhonderdvierentwintig euro en vijfentwintig cent) materiële schade en\n\n€ 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) aan immateriële schadeaf.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2], ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van\n\n€ 18.024,25 (achttienduizend vierentwintig euro en vijfentwintig cent) bestaande uit € 524,25 (vijfhonderdvierentwintig euro en vijfentwintig cent) materiële schade en € 17.500,00 (zeventienduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 41 (eenenveertig) dagen.Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 7 juli 2021.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 15.442,52 (vijftienduizend vierhonderdtweeënveertig euro en tweeënvijftig cent) bestaande uit € 442,52 (vierhonderdtweeënveertig euro en tweeënvijftig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) aan materiële schadeaf.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 4], ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van\n\n€ 15.442,52 (vijftienduizend vierhonderdtweeënveertig euro en tweeënvijftig cent) bestaande uit € 442,52 (vierhonderdtweeënveertig euro en tweeënvijftig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 35 (vijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 7 juli 2021.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 522,00 (vijfhonderdtweeëntwintig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) aan materiële schadeaf.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 5], ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van\n\n€ 522,00 (vijfhonderdtweeëntwintig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 7 juli 2021.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 15.189,97 (vijftienduizend honderdnegenentachtig euro en zevenennegentig cent) bestaande uit € 189,97 (honderdnegenentachtig euro en zevenennegentig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) aan materiële schadeaf.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3], ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 15.189,97 (vijftienduizend honderdnegenentachtig euro en zevenennegentig cent) bestaande uit € 189,97 (honderdnegenentachtig euro en zevenennegentig cent) materiële schade en € 15.000,00 (vijftienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 34 (vierendertig) dagen.Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 7 juli 2021.\n\nVordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6]\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 6] ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 42.568,19 (tweeënveertigduizend vijfhonderdachtenzestig euro en negentien cent) bestaande uit € 68,19 (achtenzestig euro en negentien cent) materiële schade en € 42.500,00 (tweeënveertigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) aan materiële schadeaf.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 6], ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van\n\n€ 42.568,19 (tweeënveertigduizend vijfhonderdachtenzestig euro en negentien cent) bestaande uit € 68,19 (achtenzestig euro en negentien cent) materiële schade en € 42.500,00 (tweeënveertigduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 96 (zesennegentig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 7 juli 2021.\n\nVordering van de benadeelde partij Politie Eenheid Rotterdam\n\nWijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Politie Eenheid Rotterdam ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 28.798,34 (achtentwintigduizend zevenhonderdachtennegentig euro en vierendertig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nVerklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.\n\nVeroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.\n\nLegt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd Politie Eenheid Rotterdam, ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair tenlastegelegde bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 28.798,34 (achtentwintigduizend zevenhonderdachtennegentig euro en vierendertig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.\n\nBepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 65 (vijfenzestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.\n\nBepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.\n\nBepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 7 juli 2021, met uitzondering van de toegewezen uitvaartkosten, waarvoor de wettelijke rente op 10 november 2021 een aanvang neemt.\n\nDit arrest is gewezen door mr. A.S.I. van Delden,\n\nmr. H.C. Plugge en mr. W.J. van Boven, in bijzijn van de griffier mr. J. Toorens.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 juli 2024.\n\n Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 24 juni 2024.\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte bij de politie d.d. 19 juli 2021, blz. 97 e.v..\n\n Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 24 juni 2024.\n\n Gerechtelijk deskundige ir. [naam deskundige 1], MVOA, d.d. 24 januari 2024.\n\n E-mail deskundig ir. [naam deskundige 2] d.d. 6 september 2022, gevoegd bij het aanvullend proces-verbaal op verzoek van de Advocaten-Generaal d.d. 28 augustus 2023.\n\n Aanvullend proces-verbaal op verzoek van de Advocaten-Generaal d.d. 28 augustus 2023.\n\n Verhoor getuige [getuige 1], proces-verbaal van politie, blz. 393 e.v.\n\n Verhoor getuige [getuige 2], proces-verbaal van politie, blz. 441 e.v.\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte bij de politie d.d. 19 juli 2021, blz. 97 e.v..\n\n Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 24 juni 2024. De verdachte heeft hieraan ter zitting toegevoegd dat dat “kort” voorafgaande aan de uitvoegstrook was, waarover hierna meer.\n\n Proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 juli 2021, politiedossier blz. 1551, welke uiting van de verdachte dus al plaatsvond voordat de videocompilatie aan hem is getoond ten tijde van zijn verhoren van in het bijzonder op 19 juli 2021 en 31 augustus 2021.\n\n Aanvullend proces-verbaal op verzoek van de Advocaten-Generaal d.d. 28 augustus 2023.\n\n Aanvullend proces-verbaal camerabeelden d.d. 20 juni 2022, blz. 4 en bijlage 9 bij het Aanvullend proces-verbaal op verzoek van de Advocaten-Generaal d.d. 28 augustus 2023.\n\n Aanvullend proces-verbaal op verzoek van de Advocaten-Generaal d.d. 28 augustus 2023.\n\n Aanvullend proces-verbaal op verzoek van de Advocaten-Generaal d.d. 28 augustus 2023.\n\n Gerechtelijk deskundige ir. [naam deskundige 1], MVOA, d.d. 24 januari 2024.\n\n Aanvullend proces-verbaal op verzoek van de Advocaten-Generaal d.d. 28 augustus 2023.\n\n Schriftelijke reactie deskundige ir [naam deskundige 2] naar aanleiding van vragen van het openbaar ministerie in eerste aanleg d.d. 3 september 2022, gevoegd bij het Aanvullend proces-verbaal op verzoek van de Advocaten-Generaal d.d. 28 augustus 2023.\n\n Verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 24 juni 2024.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2024:1219","ecli-nl-ghdha-2024-1219",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,50,60],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},{"id":51,"ecli":52,"caseNumber":6,"courtId":53,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":54,"language":12,"source":13,"sourceUrl":55,"summary":6,"slug":56,"metadata":57},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":58,"legalDomain":59,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":61,"ecli":62,"caseNumber":6,"courtId":63,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":64,"language":12,"source":13,"sourceUrl":65,"summary":6,"slug":66,"metadata":67},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":68,"legalDomain":59,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]