[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-ghdha-2026-1808":3,"decision-more-ecli-nl-ghdha-2026-1808":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"742","ECLI:NL:GHDHA:2026:1808","",58,"Den Haag","den-haag","2026-05-27T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nTeam Belastingrecht\n\nmeervoudige kamer\n\nnummers BK-25\u002F617 tot en met BK-25\u002F619\n\nUitspraak van 27 mei 2026\n\nin het geding tussen:\n\n [X] B.V. te [Z] , belanghebbende,\n\n(gemachtigde: S. Spauwen)\n\nen\n\nde inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,\n\n(vertegenwoordiger: […] )\n\nop het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 10 juli 2025, nummers SGR 24\u002F8234, SGR 24\u002F8237 en SGR 24\u002F8239.\n\nProcesverloop\n\n1.1.1.. De Inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd ten bedrage van € 564.125 (de naheffingsaanslag 2017). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur een bedrag van € 83.070 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente 2017).\n\n1.1.2.. De Inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd ten bedrage van € 367.641 (de naheffingsaanslag 2018). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur een bedrag van € 39.431 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente 2018).\n\n1.1.3.. De Inspecteur heeft aan belanghebbende over het tijdvak 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd ten bedrage van € 49.279 (de naheffingsaanslag 2019). Bij gelijktijdig gegeven beschikking heeft de Inspecteur een bedrag van € 3.314 aan belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente 2019).\n\n1.2.. Belanghebbende heeft tegen de naheffingsaanslagen 2017, 2018 en 2019 en de beschikkingen belastingrente 2017, 2018 en 2019 bezwaar gemaakt. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaren tegen de naheffingsaanslagen 2017, 2018 en 2019 ongegrond verklaard en de beschikkingen belastingrente 2017, 2018 en 2019 verminderd met respectievelijk € 2.194, € 1.430 en € 192.\n\n1.3.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. Ter zake hiervan is € 365 griffierecht geheven. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.\n\n1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake hiervan is € 579 griffierecht geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Voorafgaand aan de zitting heeft de Inspecteur een pleitnota ingediend. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.\n\n1.5.. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 14 april 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.\n\nFeiten\n\n2.1.. \n [A] was in dienst bij belanghebbende als [functie] .\n\n2.2.. Per 31 mei 2016 is de dienstbetrekking tussen [A] en belanghebbende beëindigd en is [A] met pensioen gegaan. De voorwaarden waaronder de beëindiging heeft plaatsgevonden zijn per 30 maart 2016 in een vaststellingsovereenkomst vastgelegd (de vaststellingsovereenkomst).\n\n2.3.. Aan [A] zijn in de jaren 2017, 2018 en 2019 aandelengerelateerde beloningen\u002Fbetalingen toegekomen als gevolg van aan [A] in de jaren 2013 tot en met 2015 toegekende Restricted Stock Units (RSU’s). De RSU’s zijn onder te verdelen in market-leveraged stock units (MSU’s) en performance long-term incentive units (LTI’s).\n\n2.4.. Aan [A] zijn op 28 februari 2013, 27 februari 2014 en 26 februari 2015 voorwaardelijk MSU’s toegekend. De MSU’s vertegenwoordigen een recht om in de toekomst aandelen van belanghebbende te ontvangen en hebben een looptijdregeling van maximaal vier jaren (de performance periode). De hoeveelheid daadwerkelijk toe kennen aandelen is (onder meer) afhankelijk van de uitkomst van de Total Shareholder Return (TSR) van belanghebbende. De MSU’s zijn onderverdeeld in vier tranches, waarbij elke tranche is gekoppeld aan een specifiek deel van de performance periode, zijnde een kalenderjaar (de tranche performance periode). De datum (de share vesting date) waarop een onvoorwaardelijk recht op levering van aandelen wordt verkregen (vesting van een tranche), is (onder meer) de datum waarop de TSR wordt vastgesteld, welke vaststelling plaatsvindt in het kalenderjaar dat volgt op de performance periode van de desbetreffende tranche. Derhalve is het uitgangspunt dat ieder jaar een tranche, zijnde 25% van de (voorwaardelijk toegekende) MSU’s, wordt gevest als aan de voorwaarden wordt voldaan. De daadwerkelijke levering van de aandelen vindt plaats zo snel als mogelijk na de share vesting date. In het geval van beëindiging van de dienstbetrekking als gevolg van pensioen worden de toegekende voorwaardelijke MSU’s pro rata herrekend.\n\n2.5.. Met betrekking tot de MSU’s die (voorwaardelijk) zijn toegekend staat in de bij elke toekenning gelijkluidende “Market-leveraged stock unit agreement” (de MSU-overeenkomst), voor zover in hoger beroep van belang, het volgende vermeld:\n\n“Article 2 - TERMS OF AWARD\n\nSection 2.1 MSU Award\n\n(a) As of the date of this Agreement, the Company grants to Employee an Award of 3554 MSUs (the “MSU Award”), representing a right to receive shares of Common Stock in the future in an amount based upon the Total Shareholder Return (as defined below) at the end of each performance period described in Section 2.2, subject to the terms and conditions set forth in this Agreement and the Plan. The MSU Award shall be held on the books and records of the Company (or its designee) for Employee’s MSU account, but shall not represent an equity interest in the Company until such time as actual shares of Common Stock are issued to Employee under this Agreement. The MSU Award shall be earned, vested and paid as set forth in this Agreement. No portion of the MSU Award may be sold, transferred, assigned, pledged or otherwise encumbered by Employee until the MSU Award is earned and the shares are issued.\n\n (…)\n\nSection 2.2 Performance Period\n\n(a) The MSUs shall be ratably divided into four tranches (each, a “Tranche”) and each Tranche shall be associated with a specific performance period which shall commence on January 1 of the year of grant and end on December 31 of that year (First Tranche), the following year (Second Tranche), the next following year (Third Tranche) and the next following year (Fourth Tranche) (each such period, a “Performance Period” and the last day of such period, a “Performance Period End Date”).\n\n(b) Each Tranche of the MSUs is unvested as of the date hereof and, unless earlier forfeited pursuant to the terms of this Agreement, shall be eligible to become vested on the Share Vesting Date with respect to such Tranche. For purposes of this Agreement, “Share Vesting Date” shall mean, with respect to each Tranche, the earlier of (i) the date of the Committee’s certification of the Total Shareholder Return (which shall occur within 60 days after the end of the January following such Tranche’s Performance Period) (the “Certification Date”), or (ii) the date of Termination of Service (A) due to death or Disability or (B) by the Company (or any surviving or successor corporation or parent or subsidiary thereof) without Cause upon or within 24 months following a Change in Control; provided that, notwithstanding the foregoing, in the event any Termination of Service occurs after the Performance Period End Date, but before the Certification Date, with respect to any Tranche, the Share Vesting Date for such Tranche shall be the Certification Date for such Tranche.\n\nSection 2.3 Termination of Employment\n\nSubject to Section 2.4\n\n(…)\n\n(d) If Employee’s employment with the Company or its Subsidiaries terminates as a result of Retirement,\n\n (i) a portion of the MSUs with respect to all Performance Periods ending on or after the date of Termination of Service will remain outstanding and eligible to become vested on and after the date of Termination of Service based on a prorated time-based formula for each applicable Tranche which, with respect to each such Tranche, shall equal (A) the total number of full months between the first day of the Performance Period and the end of month in which the Termination of Service occurs divided by the total number of full months in such Tranche’s Performance Period, multiplied by (B) the number of MSUs of such Tranche; and\n\n (ii) all MSUs that do not otherwise remain outstanding pursuant to Section 2.3(a) or 2.3(d)(i) shall be automatically and immediately forfeited by Employee for no consideration as of Employee’s Termination of Service.\n\nFor the avoidance of doubt, any MSUs that remain outstanding pursuant to this Section 2.3(d) will be eligible to vest thereafter based on Total Shareholder Return as set forth in Section 3.2(b).\n\nSection 3.1 Issuance of Common Stock\n\nSubject to Section 3.3 below, the Company shall issue the number of shares of Common Stock set forth in Section 3.2 via electronic transfer to Employee’s brokerage account (less any shares traded to cover, or associated with net settlement of, withholding taxes) as soon as practical following the Share Vesting Date, but in no event later than sixty (60) days after the applicable Share Vesting Date; (…)\n\nSection 3.2 Vesting \u002F Number of Shares\n\n(…)\n\n(b) In the event of any Share Vesting Date (other than as described in Section 3.2(a)) (including, without limitation, any Share Vesting Date with respect to MSUs described in Section 2.3(a)):\n\n (i) if the Total Shareholder Return for the applicable Tranche’s Performance Period is equal to or greater than 0.70, then (A) the MSUs of such Tranche, unless previously forfeited, shall become vested and (B) subject to Section 3.3, the number of shares of Common Stock that shall be issued following such Share Vesting Date will equal the product of (x) the number of vested MSUs of the applicable Tranche and (y) the lesser of (I) such Total Shareholder Return and (II) two (2).\n\n (ii) if the Total Shareholder Return for the applicable Tranche’s Performance Period is less than 0.70, then no MSUs of such Tranche shall become vested and such MSUs shall be automatically and immediately forfeited by Employee for no consideration as of such Share Vesting Date.\n\n(c) For purposes of this Agreement, “Total Shareholder Return” shall equal, with respect to a Performance Period, (i) the sum of (A) the average closing share price of Common Stock for all trading days of the January following the respective Performance Period End Date and (B) the aggregate amount of all dividends paid (on a per share basis) during such Performance Period, divided by (ii) the average closing share price of Common Stock for all trading days in January of the year of grant.”\n\n2.6.. \n\nAan [A] zijn op 27 februari 2014 en 26 februari 2015 voorwaardelijk LTI’s toegekend. De LTI’s vertegenwoordigen een recht om in de toekomst geldbetalingen van belanghebbende te ontvangen en hebben een looptijdregeling van maximaal drie jaren (de performance periode). De omvang van de betalingen is (onder meer) afhankelijk van de uitkomst van de TSR van belanghebbende in de performance periode. De datum (de share vesting date) waarop een onvoorwaardelijk recht op de geldbetalingen wordt verkregen (vesting van de LTI’s), is (onder meer) de datum waarop de TSR wordt vastgesteld.\n\nHet uit te betalen bedrag wordt bepaald op basis van het aantal geveste LTI’s vermenigvuldigd met de marktwaarde van een aandeel van belanghebbende op de datum waarop LTI’s zijn gevest. De daadwerkelijke uitbetaling vindt plaats zo snel als mogelijk na de share vesting date. In het geval van beëindiging van de dienstbetrekking als gevolg van (vervroegd) pensioen worden de toegekende voorwaardelijke LTI’s pro rata herrekend.\n\n2.7.. Met betrekking tot de LTI’s die (voorwaardelijk) zijn toegekend staat in de, bij elke toekenning gelijkluidende, “Performance long-term incentive unit agreement” (de LTI-overeenkomst) die op 16 maart 2015 is ondertekend door belanghebbende en [A] , voor zover in hoger beroep van belang, het volgende vermeld:\n\n“2.1 Performance LTI Units\n\nAs of the date of this Agreement, the Company grants to Employee an award of 2437 Performance LTI Units, assuming that the Company’s results at the end of the performance period described in Section 2.2 produce 100% of the target performance and subject to the terms and conditions set forth in this Agreement and the Plan. The Performance LTI Units shall be held on the books and records of the Company (or its designee) for Employee’s account. The Performance LTI Units shall be earned, vested and paid as set forth in this Agreement.\n\n2.2. \n\nPerformance Period\n\n(a) No portion of the Performance LTI Units may be sold, transferred, assigned, pledged or otherwise encumbered by Employee until the Performance LTI Units are earned and settled. Employee must be employed by the Company from the date of this Agreement until the date that the Performance LTI Units are earned and vested, except as provided in Sections 2.3 through 2.5. The “Performance Period” shall begin on the first day of the fiscal year in which these Performance LTI Units were granted and end on the last day of the fiscal year in which the second anniversary of the date of such grant occurs (resulting in a three-year Performance Period). Except as provided in Sections 2.3 and 2.4, after the end of the Performance Period, the specific amount of payment to be issued to Employee under the Performance LTI Units shall be determined based on the Company’s results during the Performance Period compared against the performance goals (“Goals”) approved by the Committee (as modified by any adjustment items approved by the Committee); provided that, notwithstanding anything to the contrary in the Plan or the Goals, if the Total Shareholder Return (as defined below), as determined by the Committee in its sole discretion, is less than 1.00, any payment based on the Goals related to total shareholder return, whether absolute or relative to peer companies, shall in no event exceed the amount achieved based on 100% of target performance. The Goals will be communicated, directly or indirectly, to Employee as soon as reasonably practical following their approval by the Committee. For purposes of this Agreement, “Total Shareholder Return” shall equal (i) the sum of (A) the average closing share price of Common Stock for all trading days of the January following the last day of the Performance Period and (B) the aggregate amount of all dividends paid (on a per share basis) during the Performance Period, divided by (ii) the average closing share price of Common Stock for all trading days in January of the year of grant.\n\n (…)\n\n(c) Subject to Sections 2.3 through 2.5 of this Agreement, if the Performance LTI Units have not been earned by the time of Employee’s Termination of Service, they shall be forfeited by Employee.\n\n(…)\n\n2.5. \n\nRetirement\n\nPerformance LTI Units granted to employees whose employment with the Company is terminated as a result of Retirement may be earned and vested after the end of the Performance Period based on the Company’s actual performance as determined in Section 2.2(a) on a prorated time-based formula starting with the beginning of the Performance Period through the end of the month in which there is Termination of Service, divided by the total number of months in the Performance Period.\n\n(…)\n\n3.1. \n\nSettlement of the Performance LTI Units\n\n(…)\n\n(b) The Company shall make a cash payment to Employee in an amount equal to the product of (i) the aggregate number of vested Performance LTI Units and (ii) the Fair Market Value of a share of the Company’s common stock as of the date of vesting (less withholding taxes) as soon as practical following the vesting of the same, but in no event later than two and one-half (2.5) months after the calendar year in which the Performance LTI Units vest; (…)”\n\n2.8.. Op 24 februari 2017, 22 februari 2018 en 28 februari 2019 zijn aan [A] aandelen geleverd en betalingen gedaan op basis van de MSU-overeenkomsten en LTI-overeenkomsten. Ter zake van die aandelen en betalingen zijn de volgende bedragen verloond:\n\n24 februari 2017\n\n22 februari 2018\n\n26 februari 2019\n\nAantal aandelen MSU’s\n\n3.818\n\n2.065\n\n691\n\nAantal LTI’s\n\n5.647\n\n3.068\n\nTotaal\n\n9.465\n\n5.133\n\n691\n\nWaarde aandelen MSU’s\n\n€ 290.592,82\n\n€ 197.202,41\n\n€ 65.706,02\n\nWaarde betalingen LTI’s\n\n€ 429.801,08\n\n€ 292.986,44\n\nTotaal\n\n€ 720.393,90\n\n€ 490.188,85\n\n€ 65.706,02\n\n2.9.. Belanghebbende heeft ter zake van de beëindiging van de dienstbetrekking van [A] op 1 december 2021 een aangifte loonheffingen (de aangifte) ingediend voor de pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoeding in de zin van artikel 32bb van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB). Als excessief deel van de vergoeding is een bedrag van € 1.592.585 opgegeven en het te betalen bedrag is berekend op € 1.194.438.\n\n2.10.. De Inspecteur heeft naar aanleiding van de ingediende aangifte met dagtekening 22 december 2021 de naheffingsaanslagen 2017, 2018 en 2019 opgelegd, waarbij de Inspecteur is uitgegaan van de volgende loongegevens:\n\n2014\n\n2015\n\n2016\n\n2017\n\n2018\n\n2019\n\nIn Nederland belast\n\nloon\n\n€ 832.900\n\n€ 1.309.465\n\n€ 1.180.938\n\n€ 800.521\n\n€ 490.189\n\n€ 65.706\n\nCorrectie voor opties\n\n(€ 295.719)\n\n(€ 230.195)\n\nTotaal\n\n€ 832.900\n\n€ 1.013.745\n\n€ 950.743\n\n€ 800.521\n\n€ 490.189\n\n€ 65.706\n\nBij het opleggen van de naheffingsaanslagen 2017, 2018 en 2019 is de Inspecteur voorts uitgegaan van de volgende gegevens voor de berekening van de pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoeding in de zin van artikel 32bb Wet LB (pseudo-eindheffing):\n\n2017\n\n2018\n\n2019\n\nLoon 2016 Factor A\n\n€ 1.751.264\n\n€ 2.241.453\n\n€ 2.307.159\n\nPro rata vergelijkingsloon (2014)\n\n€ 347.042\n\n€ 347.042\n\n€ 347.042\n\n€ 1.404.222\n\n€ 1.894.410\n\n€`1.960.116\n\nLoon 2015 Factor B\n\n€ 1.013.745\n\n€ 1.013.745\n\n€ 1.013.745\n\nVergelijkingsloon (2014)\n\n€ 832.900\n\n€ 832.900\n\n€ 832.900\n\n€ 180.845\n\n€ 180.845\n\n€ 180.845\n\nVertrekvergoeding\n\n€ 1.585.067\n\n€ 2.075.255\n\n€ 2.140.961\n\nVergelijkingsloon (2014)\n\n€ 832.900\n\n€ 832.900\n\n€ 832.900\n\nExcessief deel\n\n€ 752.167\n\n€ 1.242.355\n\n€ 1.308.061\n\nAf: reeds belast\n\n€ 752.167\n\n€ 1.242.355\n\n€ 490.188\n\n€ 65.706\n\nPseudo-eindheffing 75%\n\n€ 564.125\n\n€ 367.641\n\n€ 49.279\n\n2.11.. Tegen de naheffingsaanslagen 2017, 2018 en 2019 en de beschikkingen belastingrente 2017, 2018 en 2019 heeft belanghebbende op 1 februari 2022 bezwaar gemaakt. Bij uitspraak op bezwaar van 31 oktober 2023 heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar tegen de naheffingsaanslagen 2016, 2018 en 2019 ongegrond verklaard en de beschikkingen belastingrente 2017, 2018 en 2019 verminderd met respectievelijk € 2.194, € 1.430 en € 192 vanwege schending van het evenredigheids- en zorgvuldigheidsbeginsel.\n\nOordeel van de Rechtbank\n\n3. De Rechtbank heeft geoordeeld, voor zover in hoger beroep van belang, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:\n\n“11. Op grond van artikel 32bb, zesde lid, van de Wet LB zijn voordelen uit aandelenoptierechten die zijn toegekend voor jaar t-1 uitgezonderd van de grondslag voor de pseudo-eindheffing. Voor de toepassing van voormeld artikel hoeft geen onderscheid te worden gemaakt tussen voorwaardelijk en onvoorwaardelijk toegekende aandelenoptierechten.[3]\n\nJaar van heffing\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat eiseres in dit geval de uit de RSU’s genoten aandelen en bonussen in de jaren 2017 tot en met 2019 heeft verloond. Eiseres heeft zich evenwel later op het standpunt gesteld dat deze voordelen niet in 2017 tot en met 2019 zijn genoten, maar al in 2016. Zij heeft daarbij verwezen naar de VSO. Volgens haar is in de VSO afgesproken dat eiseres de eis dat [de heer [A] ] ten tijde van de levering van de aandelen nog in dienstbetrekking zou zijn, heeft laten vallen, zodat het recht op de levering van aandelen onvoorwaardelijk is geworden op 31 mei 2016. De verwijzing naar de VSO kan eiseres niet baten, omdat in de VSO namelijk helemaal niets over de RSU’s (MSU’s en\u002Fof LTl’s) is opgenomen. Door eiseres is geen ander bewijs van haar (latere) standpunt ingebracht. Hoewel verweerder in de bezwaarfase aan eiseres nog om (andere) documenten heeft verzocht, waaruit zou kunnen blijken hoe zij bij het einde van de dienstbetrekking van [de heer [A] ] met de RSU’s is omgegaan, heeft eiseres te kennen gegeven dat dergelijke documenten niet beschikbaar zijn.\n\n13. Nu er geen andere documentatie voorhanden is, moet - naar verweerder terecht heeft gesteld - voor de bepaling van het fiscaal genietingsmoment gekeken worden naar hetgeen in de desbetreffende MSU’s en LTl’s is bepaald.\n\n(…)\n\n16. De rechtbank maakt uit het vorenstaande op dat de MSU’s een recht vertegenwoordigen om in de toekomst aandelen van eiseres te mogen ontvangen. De daadwerkelijke levering van de aandelen is afhankelijk van het aandeelhoudersrendement dat wordt bepaald volgens de Total Shareholder Return (TSR) van eiseres. De MSU’s hebben een looptijd van maximaal vier jaren, de zogenoemde Performance Period. De MSU’s worden onderverdeeld in vier tranches die elk betrekking hebben op een Performance Period. De startdatum van elke Performance Period is 1 januari van het jaar van toekenning van de MSU’s. Het einde van de Performance Period verschilt per tranche. Bij pensionering worden de voorwaardelijke rechten herrekend. De rechten die zijn toe te rekenen aan de periode waarin [de heer [A] ] in dienst was bij eiseres, komen voor vesting (levering) in aanmerking. De overige voorwaardelijk toegekende rechten komen te vervallen. Op het moment van het einde van de dienstbetrekking kan de hoeveelheid te leveren aandelen in 2017 tot en met 2019 en de hoogte van de betalingen nog niet worden bepaald.\n\n17. De rechtbank maakt verder uit de LTI Awards op dat bij de LTI’s een Performance Period van drie jaar geldt. De startdatum van elke Performance Period is 1 januari van het jaar van toekenning van de LTI’s. De Performance Period eindigt op de laatste dag van het jaar waarin de toekenning van de LTI’s 24 maanden eerder heeft plaatsgevonden. Het werkelijk aantal te vesten LTI’s wordt na afloop van de Performance Period bepaald en is afhankelijk van vooraf geformuleerde resultaatdoelstellingen (onder andere ook de TSR) van eiseres. De geveste LTI’s worden in geld uitbetaald (aantal geveste units x waarde aandeel op vesting datum).\n\n18. Gelet op de inhoud van voormelde MSU en LTI Awards kon op 31 mei 2016 nog niet worden vastgesteld hoeveel aandelen zouden worden gevest of hoeveel geld zou worden uitbetaald. De rechten waren toen dus nog onvoldoende bepaald. Verweerder is dan ook van het juiste genietingsmoment uitgegaan, door aan te sluiten bij het jaar waarin de aandelen en de uitbetalingen uit de RSU’s (daadwerkelijk) zijn gevest (geleverd), respectievelijk gedaan, te weten in 2017, 2018 en 2019. Dit sluit bovendien aan bij de door eiseres voor die jaren gedane verloning van die aandelen en de uitbetalingen.\n\n19. Eiseres heeft voor haar standpunt dat de voordelen moeten worden geacht te zijn genoten in 2016 nog verwezen naar jurisprudentie inzake het genietingsmoment, de bepaalbaarheid en al dan niet loskomen van de dienstbetrekking van toegekende aandelenoptierechten.[4] Voormelde jurisprudentie heeft echter betrekking op aandelenoptierechten en is, naar verweerder terecht heeft gesteld, in dit geval dus niet van toepassing. Immers, niet in geschil is dat de RSU’s geen aandelenoptierechten zijn. Alsdan is artikel 10a van de Wet LB in dit geval niet van toepassing maar dient voor het genietingsmoment bij artikel 13a, eerste lid, van de Wet LB te worden aangesloten.\n\n(…)\n\nConclusie\n\n22. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.\n\n(…)\n\n[3] Vgl. Hoge Raad 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2897.\n\n[4] Hoge Raad 19 juni 1968, ECLI:NL:HR:1968:AX5949, Hoge Raad 10 oktober 1984, ECLI:NL:HR:1984:AW8439, gerechtshof ’s-Hertogenbosch 10 juni 2003,\n\nECLI:NL:GHSHE:2003:AH9718, Hoge Raad 30 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2812, Hoge Raad\n\n1 april 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC4952 en Hoge Raad 18 maart 1998, ECLI:NL:1998:ZC6992.”\n\nGeschil in hoger beroep en conclusies van partijen\n\n4.1.. In hoger beroep is in geschil of de naheffingsaanslag 2017 en de beschikking belastingrente 2017 naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. Met betrekking tot de naheffingsaanslagen 2018 en 2019 en de beschikkingen belastingrente 2018 en 2019 is in geschil of deze terecht zijn opgelegd. Meer specifiek is in geschil in welk jaar de waarde van de aan [A] geleverde aandelen in het kader van de aan hem verstrekte MSU’s en de geldbetalingen in het kader van de aan [A] verstrekte LTI’s in aanmerking moeten worden genomen voor de berekening van de pseudo-eindheffing in de zin van artikel 32bb Wet LB.\n\n4.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de uitspraak op bezwaar, tot vermindering van de naheffingsaanslag 2017 tot een bedrag van € 60.096 en tot dienovereenkomstige vermindering van de beschikking belastingrente 2017, alsmede tot vernietiging van de naheffingsaanslagen 2018 en 2019 en de beschikkingen belastingrente 2018 en 2019. Voorts verzoekt belanghebbende om een proceskostenvergoeding in bezwaar, beroep en hoger beroep en om een vergoeding van de betaalde griffierechten.\n\n4.3.. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.\n\nBeoordeling van het hoger beroep\n\nRelevante wettelijke bepalingen\n\n5.1.. In de Wet LB zijn, voor zover in hoger beroep van belang, de volgende bepalingen opgenomen:\n\n“Artikel 13a\n\n 1. Loon wordt beschouwd te zijn genoten op het tijdstip waarop het:\n\na. betaald of verrekend wordt, ter beschikking van de werknemer wordt gesteld of rentedragend wordt, dan wel\n\nb. vorderbaar en tevens inbaar wordt.\n\n(…)\n\nArtikel 32bb\n\n1. In afwijking in zoverre van het overigens bij of krachtens deze wet bepaalde, wordt een door een inhoudingsplichtige aan een werknemer toegekende vertrekvergoeding als bedoeld in het vierde lid voor zover die vergoeding meer bedraagt dan het toetsloon, bedoeld in het derde lid, van de werknemer, aangemerkt als loon dat als een eindheffingsbestanddeel wordt belast naar een tarief van 75%.\n\n2. Dit artikel is niet van toepassing ingeval het toetsloon van de werknemer niet meer bedraagt dan [Hof:wettekst 2016:] € 538.000 [Hof: wettekst 2017: € 540.000; wettekst 2018: € 544.000; wettekst 2019: € 551.000].\n\n3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het toetsloon van een werknemer verstaan:\n\na. ingeval de dienstbetrekking is aangevangen vóór of met het begin van het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd: het loon dat de werknemer in dat tweede voorafgaande kalenderjaar heeft genoten van de inhoudingsplichtige;\n\n(…)\n\n4. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder een door een inhoudingsplichtige aan een werknemer toegekende vertrekvergoeding verstaan de som van het positieve verschil tussen A en het vergelijkingsloon en het positieve verschil tussen B en het vergelijkingsloon, waarbij wordt verstaan onder:\n\nA: het van de inhoudingsplichtige genoten loon in het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd alsmede het na dat kalenderjaar van de inhoudingsplichtige genoten loon;\n\nB: het van de inhoudingsplichtige genoten loon in het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd;\n\nVergelijkingsloon:\n\na. ingeval de dienstbetrekking is aangevangen vóór of met het begin van het tweede kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd: het toetsloon van de werknemer, met dien verstande dat het toetsloon voor de berekening van het verschil met A naar evenredigheid wordt verminderd gerelateerd aan het aantal dagen dat de dienstbetrekking niet meer heeft bestaan in het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking is beëindigd;\n\n(…)\n\n6. Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de inhoudingsplichtige aannemelijk maakt dat de som van de verschillen, bedoeld in het vierde lid, verband houdt met loon dat de werknemer heeft genoten ter zake van de uitoefening of vervreemding van een aandelenoptierecht als bedoeld in artikel 10a, dat onvoorwaardelijk is toegekend of geworden in een eerder jaar dan het kalenderjaar voorafgaande aan het kalenderjaar waarin de dienstbetrekking met die werknemer is beëindigd.\n\n7. Voor de toepassing van het eerste lid wordt een vertrekvergoeding beschouwd te zijn toegekend op het tijdstip waarop de dienstbetrekking is beëindigd, of, voor zover de vertrekvergoeding pas daarna als loon wordt genoten, op dat latere tijdstip. Ingeval een vertrekvergoeding ingevolge de eerste volzin wordt beschouwd te zijn toegekend op meer dan een tijdstip, wordt de berekening ingevolge het vierde lid op elk tijdstip toegepast onder verrekening van hetgeen eerder is berekend.\n\n(…)”\n\n5.2.1.. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de waarde van de RSU’s ten onrechte tot de grondslag van de berekening van de excessieve vertrekvergoeding in de jaren 2017 tot en met 2019 is gerekend. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof verklaard dat zij de (voorwaardelijk toegekende) RSU’s beschouwt als loon in de vorm van een recht op aandelen dan wel geldbetalingen. Naar de mening van belanghebbende is het genietingstijdstip in de Wet LB voor loon in de vorm van een recht het moment waarop het recht onvoorwaardelijk is geworden en zij heeft daarbij verwezen naar de arresten van de Hoge Raad van 19 juni 1968, ECLI:NL:HR:1968:AX5949, 21 december, ECLI:NL:HR:1998:ZC3956, 18 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC6992 en naar Kamerstukken II 1997\u002F98, 25 721, nr. 5, p. 4 (aanpassing heffing ter zake van aandelenoptierechten). Dat is – naar belanghebbende stelt – in dit geval het moment waarop de dienstbetrekking van [A] is beëindigd, zijnde 31 mei 2016. De RSU’s zijn dan immers onvoorwaardelijk geworden en de waarde ervan voldoende bepaalbaar en ze dienen daarom niet in 2017 tot en met 2019 tot de grondslag van de berekening van de excessieve vertrekvergoeding in de zin van artikel 32bb Wet LB te worden gerekend, maar in 2016, aldus nog steeds belanghebbende.\n\n5.2.2.. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst belanghebbende naar het arrest van de Hoge Raad van 10 oktober 1984, ECLI:NL:HR:1984:AW8439 en stelt zij dat na beëindiging van de dienstbetrekking rechten (de RSU’s) resteren die louter aan een tijdsbepaling onderhevig zijn en daarmee onvoorwaardelijk zijn geworden. Dat de RSU’s afhankelijk zijn van onder meer de TSR en pas in 2017, 2018 en 2019 vesten en worden geleverd doet daaraan volgens belanghebbende niet af. De RSU’s hebben na uitdiensttreding de loonsfeer verlaten. Belanghebbende stelt verder onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 1 april 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC4952, dat de RSU’s op 31 mei 2016 ook inhoudelijk volledig zijn bepaald. De waarde van de RSU’s dient daarom in 2016 als genoten loon in aanmerking te worden genomen voor de berekening van de pseudo-eindheffing, aldus belanghebbende.\n\n5.3.1.. De Inspecteur betwist de stelling van de belanghebbende dat de RSU’s op 31 mei 2016 onvoorwaardelijk zijn geworden. Uit de MSU- en LTI-overeenkomsten volgt namelijk dat vesting van de nog openstaande RSU’s plaatsvindt op de share vesting date, welke datum voor alle nog openstaande tranches dan wel performance perioden na 31 mei 2016 zijn gelegen. Bovendien bestaat een mogelijkheid dat in het geheel geen aandelen aan [A] worden toegekend of uitbetalingen plaatsvinden, aangezien dit afhankelijk is van de hoogte van de TSR of de resultaatdoelstellingen van belanghebbende. Op het moment van het einde van de dienstbetrekking kan daarom nog niet worden bepaald of en hoeveel aandelen zullen worden geleverd en of en hoe hoog de geldbetalingen zullen zijn, zodat de op 24 februari 2017, 22 februari 2018 en 28 februari 2019 verkregen voordelen niet als genoten loon in 2016 kunnen worden aangemerkt.\n\n5.3.2.. Daarnaast is de Inspecteur van mening dat de door belanghebbende aangehaalde jurisprudentie (zie 5.2.1. en 5.2.2), welke jurisprudentie betrekking heeft op aandelenoptierechten, niet van toepassing is in de onderhavige zaak. De RSU’s kwalificeren namelijk niet als aandelenoptierechten en om die reden dient voor het bepalen van het genietingstijdstip van de levering van de aandelen dan wel geldbetalingen te worden aangesloten bij het genietingsmoment van artikel 13a, lid 1, Wet LB.\n\n5.4.. Tussen partijen is niet in geschil dat de RSU’s niet als aandelenoptierechten in de zin van artikel 10a Wet LB kwalificeren. Hierdoor is de bepaling, die het genietingstijdstip van de voordelen uit aandelenoptierechten regelt, niet van toepassing op de onderhavige RSU’s. Wel kwalificeren de toegekende RSU’s, zoals belanghebbende stelt, als loon in de vorm van een recht (op aandelen dan wel geldbetalingen). Zo staat in section 2.1, onderdeel a, van de MSU-overeenkomst dat de MSU’s een recht vertegenwoordigen om in de toekomst aandelen in belanghebbende te ontvangen nadat de MSU’s onvoorwaardelijk zijn geworden (gevest) en heeft belanghebbende ingevolge artikel 3.1, onderdeel b, van de LTI-overeenkomst recht op geldbetalingen nadat de LTI’s onvoorwaardelijk zijn geworden (gevest).\n\n5.5.. Hoewel de door belanghebbende aangehaalde jurisprudentie betrekking heeft op (aandelen)optierechten, is het Hof van oordeel dat de desbetreffende jurisprudentie nog steeds van belang kan zijn voor andere rechten op loon, zoals de onderhavige RSU’s. Dat betekent dat voor de vraag wat in de Wet LB het genietingstijdstip is van de voordelen uit de RSU’s, onder meer relevant is wanneer de RSU’s onvoorwaardelijk zijn geworden. Het Hof dient derhalve allereerst te beoordelen of de (openstaande tranches van) de RSU’s onvoorwaardelijk zijn geworden op het moment van uitdiensttreding van [A] op 31 mei 2016.\n\n5.6.. Het Hof merkt op dat in de vaststellingsovereenkomst niets is vastgesteld over de afwikkeling van de MSU’s dan wel de LTI’s bij de uitdiensttreding van [A] op 31 mei 2016. Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat de inhoud van de MSU- en LTI-overeenkomsten dan bepalend zijn voor de beantwoording van de vraag op welk moment de toegekende RSU’s onvoorwaardelijk zijn geworden (gevest).\n\n5.7.1.. Uit de MSU-overeenkomsten volgt dat van de aan [A] toegekende MSU’s gedurende de (totale) performance periode van vier jaren na afloop van elk jaar een tranche van 25% zal worden gevest op basis van een performance periode van één kalenderjaar. Op grond van section 2.3, onderdeel d, onder ii, van de MSU-overeenkomst (zie 2.5) wordt bij de beëindiging van een dienstverband als gevolg van pensionering, het aantal MSU’s dat in aanmerking komt om te worden gevest op of na de datum van beëindiging van het dienstverband, herrekend voor elke tranche. Het aantal (mogelijk) te vesten MSU’s wordt voor elke tranche dus opnieuw bepaald, waarbij (slechts) de MSU’s die zijn toe te rekenen aan de periode waarin [A] in dienst was bij belanghebbende, op grond van voornoemd artikel voor vesting in aanmerking komen. Ingevolge section 2.2, onderdeel b, van de MSU-overeenkomst worden de (nog openstaande tranches) MSU’s gevest op de share vesting date, welke datum uiterlijk 60 dagen na het einde van de maand januari volgend op het kalenderjaar van een tranche is gelegen. Dat betekent dat de share vesting date voor alle reeds lopende tranches op het moment van de uitdiensttreding, na 31 mei 2016 zijn gelegen. Op grond van het voorgaande stelt het Hof vast dat op de datum van uitdiensttreding (31 mei 2016) nog niet alle aan [A] toegekende MSU’s zijn gevest.\n\n5.7.2.. Uit de MSU-overeenkomst volgt voorts dat de hoeveelheid daadwerkelijk toe kennen aandelen afhankelijk is van de TSR van belanghebbende voor de tranche performance periode en dat in het geval de TSR lager is dan een bepaalde factor, de openstaande MSU’s (definitief) komen te vervallen (volgens section 3.2, onderdeel b, onder i en ii, van de MSU-overeenkomst, zie 2.5). Verder volgt uit de MSU-overeenkomst dat de TSR afhankelijk is van meerdere op het moment van uitdiensttreding nog onzekere variabelen, namelijk de gemiddelde aandelenslotkoers over alle handelsdagen in de maand januari na het einde van een tranche en het totale bedrag van alle dividenden (per aandeel) die gedurende de tranche performance periode zijn uitgekeerd (zie section 3.2, onderdeel c, van de MSU-overeenkomst). Het voorgaande betekent dat de TSR voor de toekomstige tranche performance periodes op het moment van uitdiensttreding nog niet bekend was op 31 mei 2016.\n\n5.8.. Met betrekking tot de LTI’s geldt dat deze bij de beëindiging van een dienstverband als gevolg van pensionering, na aan het einde van een performance periode kunnen worden gevest, afhankelijk van de daadwerkelijke resultaten van belanghebbende. Net als bij de MSU’s worden de LTI’s daarbij herrekend, zodat het aantal LTI’s dat is toe te rekenen aan de periode waarin [A] in dienst was bij belanghebbende voor vesting in aanmerking komt (artikel 2.5 van de LTI-overeenkomst, zie 2.7). Dat betekent dat (een deel van de) LTI’s kunnen worden gevest na 31 mei 2016 met betrekking tot de op die datum nog lopende performance periodes. Voorts geldt dat de hoogte van de geldbetalingen afhankelijk is van het totaal aantal geveste LTI’s en de marktwaarde van een aandeel in het kapitaal van belanghebbende op het moment dat de LTI’s worden gevest (artikel 3.1, onderdeel b, van de LTI-overeenkomst).\n\n5.9.. Uit het voorgaande volgt dat op 31 mei 2016 niet alle (na herrekening) nog resterende (tranches van) MSU’s dan wel LTI’s zijn gevest, aangezien op 31 mei 2016 niet alle tranche performance periodes respectievelijk performance periodes waren voltooid. Daarnaast geldt dat het aantal daadwerkelijk te leveren aandelen afhankelijk is van de TSR van belanghebbende, die weer afhankelijk is van diverse variabelen die met betrekking tot de nog resterende (tranches van) RSU’s op 31 mei 2016 nog niet vaststonden. Afhankelijk van de hoogte van de TSR, is het ook mogelijk dat openstaande MSU’s in het geheel komen te vervallen en dat [A] dus geen aandelen geleverd krijgt met betrekking tot die openstaande MSU’s. Ten aanzien van de LTI’s geldt dat, naast het aantal (mogelijk) te vesten LTI’s, ook de omvang van de uiteindelijke geldbetalingen op de datum van uitdiensttreding nog niet bepaalbaar was, aangezien de relevante performance periodes nog niet waren afgerond en daardoor niet bekend was of de resultaatdoelstellingen aan het einde van de performance periode waren gehaald. Evenmin kon op 31 mei 2016 de marktwaarde van een aandeel in het kapitaal van belanghebbende worden bepaald, gelet op de omstandigheid dat het moment van vesten van de LTI’s van de (nog lopende) performance periodes ook na 31 mei 2016 is gelegen (zie 5.8).\n\n5.10.. Anders dan belanghebbende stelt, beschikte [A] op 31 mei 2016 dus niet over rechten die louter onderhevig waren aan een tijdsbepaling en voorts waren de RSU’s niet inhoudelijk volledig bepaald. Dat [A] na zijn uitdiensttreding geen invloed meer kon uitoefenen op de TSR, doet hier - anders dan belanghebbende betoogt - niet aan af.\n\n5.11.. Overigens merkt het Hof op dat belanghebbende de waarde van de RSU’s reeds als (regulier) loon uit dienstbetrekking in aanmerking heeft genomen in de jaren 2017 tot en met 2019. Het is het Hof dan niet duidelijk waarom voor de berekening van de pseudo-eindheffing in de zin van artikel 32bb van een ander genietingsmoment zou moeten worden uitgegaan.\n\n5.12.. Op grond van al het voorgaande komt het Hof tot het oordeel dat [A] op 31 mei 2016 geen onvoorwaardelijk recht op de levering van aandelen dan wel voldoening van geldbedragen heeft verkregen. Gelet op hetgeen in artikel 13a, lid 1, Wet LB is bepaald en hoe dat in de rechtspraak van de Hoge Raad is uitgelegd, moet het moment waarop de RSU’s zijn gevest worden aangemerkt als het genietingstijdstip. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende bevestigd dat de daadwerkelijke levering van aandelen en uitbetaling van geld op of rond het moment van vesten heeft plaatsgevonden, hetgeen tot de conclusie leidt dat de desbetreffende voordelen door [A] zijn genoten in de jaren 2017 tot en met 2019. De Inspecteur heeft de waarde van de aandelen en de geldbetalingen derhalve terecht tot de grondslag in voornoemde jaren gerekend voor de berekening van de pseudo-eindheffing in de zin van artikel 32bb Wet LB. Tussen partijen is alsdan de berekening van de naheffingsaanslagen niet in geschil. Het voorgaande brengt mee dat de naheffingsaanslag 2017 naar het juiste bedrag is berekend en de naheffingsaanslagen 2018 en 2019 terecht zijn opgelegd.\n\nBelastingrente\n\n5.13.. Belanghebbende heeft in hoger beroep geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met de wet belastingrente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.\n\nSlotsom\n\n5.14.. Het hoger beroep is ongegrond.\n\nProceskosten\n\nEr bestaat geen aanleiding voor toekenning van een proceskostenvergoeding\n\nBeslissing\n\nHet Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.\n\nDeze uitspraak is vastgesteld door T.A. de Hek, C. Maas en P.C. van den Brink, in tegenwoordigheid van de griffier X. Evers. De griffier is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.\n\nDe griffier, de voorzitter,\n\nX. Evers T.A. de Hek\n\nDe beslissing is op 27 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.\n\nDeze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.\n\nTegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.\n\nBepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.\n\nAlle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).\n\nBij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:\n\n1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;\n\n2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;\n\n3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:\n\n a. - de naam en het adres van de indiener;\n\n b. - de dagtekening;\n\n c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;\n\n d. - de gronden van het beroep in cassatie.\n\nVoor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1808","ecli-nl-ghdha-2026-1808",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Belastingrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,31,42,50,60],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond",{"id":32,"ecli":33,"caseNumber":34,"courtId":35,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":36,"language":37,"source":38,"sourceUrl":6,"summary":39,"slug":40,"metadata":41},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":43,"ecli":44,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":45,"language":12,"source":13,"sourceUrl":46,"summary":6,"slug":47,"metadata":48},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":8,"legalDomain":49,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht",{"id":51,"ecli":52,"caseNumber":6,"courtId":53,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":54,"language":12,"source":13,"sourceUrl":55,"summary":6,"slug":56,"metadata":57},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":58,"legalDomain":59,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":61,"ecli":62,"caseNumber":6,"courtId":63,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":64,"language":12,"source":13,"sourceUrl":65,"summary":6,"slug":66,"metadata":67},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":68,"legalDomain":59,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]