Skip to main content

ECLI:NL:GHDHA:2026:1881

Court

Den Haag

Date

8 April 2026

Language

nl

Case Summary

Legal Issue

Bestuursrecht; Belastingrecht

Holding / Outcome

Uitspraak

Den Haag

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; BelastingrechtType: uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-25/548

Uitspraak van 8 april 2026

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende,

(gemachtigde: N.A. Gangadin)

en

de ontvanger van de Belastingdienst, de Ontvanger,

(vertegenwoordiger: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 3 juni 2025, nummer SGR 24/7856.

Procesverloop

1.1.. De Ontvanger heeft belanghebbende een aanmaning gezonden ter zake van een aan hem voor het jaar 2024 opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting (de aanmaning en de naheffingsaanslag). Bij de aanmaning zijn bij beschikking kosten van vervolging ten bedrage van € 9 in rekening gebracht (de aanmaningskosten). De Ontvanger heeft vervolgens een dwangbevel aan belanghebbende betekend met bevel tot betaling van de aanslag en de aanmaningskosten. In het dwangbevel heeft de Ontvanger voor de betekening bij beschikking een bedrag van € 49 in rekening gebracht (de betekeningskosten).

1.2.. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar heeft de Ontvanger belanghebbendes bezwaren tegen de aanmaningskosten en dwangbevelkosten gegrond verklaard en verminderd tot nihil. De Ontvanger heeft een proceskostenvergoeding van € 156 toegekend.

1.3.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake daarvan is een griffierecht geheven van € 51. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake daarvan is een griffierecht van € 289 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 15 februari 2026 nadere stukken ingediend.

1.5.. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 25 februari 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2. De Ontvanger heeft de bezwaren tegen de aanmaningskosten en betekeningskosten bij uitspraak op bezwaar gegrond verklaard. Ter zake van de kostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft de Ontvanger in de in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar vermeld:

“Forfaitaire vergoeding rechtsbijstand

Uw cliënt heeft recht op onderstaande forfaitaire vergoeding voor het inschakelen van rechtsbijstand.

Indienen van het bezwaar: 1 punt

Vergoeding per punt € 624,00

Wegingsfactor van dit bezwaar (zeer licht) 0,25

€ 156,00

Wegingsfactor

Het gewicht van de zaak wordt bepaald door het belang en de ingewikkeldheid. De uitkomst van de beoordeling dient in overeenstemming te zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener.

Ik ben van mening dat dit een zaak is met een zeer licht gewicht, omdat u als gemachtigde had kunnen volstaan met een verwijzing naar de nog lopende procedure tegen de betreffende aanslag en het ingediende verzoek om uitstel.

Gelet op de inhoud en de omvang van het bezwaar ben ik van mening dat er sprake is van een geringe werkbelasting. Ik heb de wegingsfactor vastgesteld op 0,25.

Samenhang

Aangezien ik uw bezwaar tegen de aanmaningskosten/dwangbevelkosten voor de aanslag (…) gelijktijdig heb behandeld en het in beide gevallen gaat om bezwaren tegen kosten van vervolging waarbij de werkzaamheden van de gemachtigde nagenoeg identiek (konden) zijn, zie ik deze zaken als samenhangend in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Gelet op het bovenstaande keer ik slechts eenmaal een kostenvergoeding uit. Het totale bedrag aan kostenvergoeding voor dit bezwaar heb ik daarom vastgesteld op € 156,00. Dit bedrag zal op korte termijn worden uitbetaald of verrekend.”

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Ontvanger als verweerder:

“8. Naar het oordeel van de rechtbank kon verweerder uitgaan van wegingsfactor 0,25. De inspanning van de gemachtigde heeft zich in de bezwaarfase kunnen beperken tot de schriftelijke melding dat de aanmaningskosten respectievelijk de dwangbevelkosten onterecht in rekening zijn gebracht omdat eiser uitstel van betaling had. De twee geschriften zijn nagenoeg gelijkluidend, op één zin na. Het betreft dan ook eenvoudige, beperkte werkzaamheden van korte duur die slechts een geringe inspanning van de rechtsbijstandverlener vergden.

9. Nu de bezwaren van eiser gelijktijdig zijn behandeld, rechtsbijstand is verleend door dezelfde persoon en de werkzaamheden van de rechtsbijstandverlener nagenoeg identiek konden zijn, is sprake van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 Bpb. Volgens de bijlage bij het Bpb geldt voor minder dan 4 samenhangende zaken een factor 1. Verweerder heeft dan ook terecht éénmaal proceskostenvergoeding toegekend. Omstandigheden voor een hogere vergoeding acht de rechtbank niet aanwezig.

10. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.. In geschil is of de Rechtbank de kostenvergoeding voor de bezwaarfase tot het juiste bedrag heeft vastgesteld. In bijzonder in geschil is de hoogte van de wegingsfactor. Niet langer in geschil is dat sprake is van samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

4.2.. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar voor zover deze ziet op de kostenvergoeding en tot vaststelling van de kostenvergoeding voor de bezwaarfase met toepassing van een wegingsfactor van primair 1 en subsidiair 0,5.

4.3.. De Ontvanger concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.. Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de Ontvanger voor de bezwaarfase ten onrechte een kostenvergoeding heeft toegekend met toepassing van wegingsfactor 0,25 (zeer licht), omdat de gemachtigde van belanghebbende meerdere inhoudelijke proceshandelingen heeft verricht. Zo heeft hij afzonderlijke bezwaarschriften ingediend tegen de aanmaningskosten en de betekeningskosten en inhoudelijke gronden aangevoerd onder verwijzing naar beleid en jurisprudentie. Vanwege deze extra werkbelasting, hetgeen het gevolg is van meerdere fouten van de Ontvanger tijdens de invorderingsprocedure, dient een wegingsfactor van 1 dan wel 0,5 te worden gehanteerd, aldus belanghebbende.5.2.. De Ontvanger stelt dat de Rechtbank terecht is uitgegaan van een wegingsfactor van 0,25.

5.3.. Het Hof stelt voorop dat het als beoordelende instantie op grond van een eigen waardering dient te beoordelen in welke gewichtscategorie van onderdeel C1 van de Bijlage bij het Bpb de zaak valt (vgl. HR 18 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:915, r.o. 3.3.3). Hierbij moet per fase van de procedure worden beoordeeld welke wegingsfactor van toepassing is (HR 14 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:243, r.o. 3.2.2). Het aan een zaak toekomende gewicht wordt bepaald door het – al dan niet in geld uit te drukken – belang, de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener (vgl. HR 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1162, r.o. 3.3).

5.4.. Hoewel de gemachtigde van belanghebbende twee afzonderlijke bezwaarschriften heeft ingediend, die overigens nagenoeg gelijkluidend zijn, is sprake van een zeer eenvoudig te beslechten geschil waarbij zijn werkzaamheden en inspanningen gering zijn geweest. Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat een wegingsfactor van 0,25 (‘zeer licht’) passend is vanwege de eenvoud van het geschil en de daarmee gepaard gaande eenvoudige, beperkte werkzaamheden van korte duur van de gemachtigde.

5.5.. Hetgeen belanghebbende daartegenover heeft gesteld, leidt niet tot een ander oordeel. Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat een hogere wegingsfactor moet worden toegekend enkel omdat de Ontvanger heeft erkend dat de aanmaning en het dwangbevel ten onrechte zijn gegeven. Voor zover belanghebbende verwijst naar een aantal uitspraken in belastingzaken waarin een hogere wegingsfactor dan 0,25 is toegepast, overweegt het Hof dat de feiten in deze zaken andersluidend zijn dan in de onderhavige zaak en dat de gewichtscategorie in iedere zaak op grond van een eigen waardering dient te worden beoordeeld.

5.6.. Voor zover belanghebbende stelt dat de uitspraak van de Rechtbank onvoldoende is gemotiveerd doordat belanghebbendes verwijzing naar de uitspraak van de Rechtbank van 25 september 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:23359 (SGR 23/6435) niet is beoordeeld, overweegt het Hof dat de feiten in deze zaak niet gelijk zijn aan de onderhavige zaak. Bijkomend overweegt het Hof dat het enkele feit dat de Rechtbank deze uitspraak in dit geval niet expliciet in haar oordeel heeft betrokken niet tot de conclusie leidt dat haar motivering ontoereikend is.

Slotsom

5.7.. Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

6. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, T.A. de Hek en W. de Wit, in tegenwoordigheid van de griffier T.S.K.L. Tjon. Wegens verhindering van de voorzitter is de uitspraak ondertekend door raadsheer T.A. de Hek.

De griffier, de raadsheer,

T.S.K.L. Tjon T.A. de Hek

De beslissing is op 8 april 2026 in het openbaar uitgesproken.

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;

b. - de dagtekening;

c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. - de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

More Decisions