[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-ghdha-2026-1983":3,"decision-more-ecli-nl-ghdha-2026-1983":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"998","ECLI:NL:GHDHA:2026:1983","",58,"Den Haag","den-haag","2026-06-30T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.341.944\u002F02\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : 10425701 CV EXPL 23-9386\n\nArrest van 30 juni 2026\n\nin de zaak van\n\nVereniging van Eigenaren Bergingen en Parkeerplaatsen aan [parkeerplaatsen] (ongenummerd) te [plaats],\n\ngevestigd in [plaats],\n\nappellante in het principaal hoger beroep,\n\ngeïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. A.J.C. Goldhoorn, kantoorhoudend in Amsterdam,\n\ntegen\n\n1. [geïntimeerde 1] ,\n\nwonend in [plaats],\n\n2. [geïntimeerde 2],\n\nwonend in [plaats],\n\n3. [geïntimeerde 3] ,\n\nwonend in [plaats],\n\ngeïntimeerden in het principaal hoger beroep,\n\nappellanten in het incidenteel hoger beroep,\n\nadvocaat: mr. J. Postma, kantoorhoudend in Rijswijk (Zuid-Holland).\n\nHet hof noemt partijen hierna VVE Parkeerplaatsen, [geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] . Geïntimeerden worden gezamenlijk [geïntimeerden] genoemd.1. De zaak in het kort1.1. Deze zaak gaat over geluidsoverlast in een appartementencomplex. Het appartement op de begane grond fungeert als doorgang naar een achterliggend gebouw met parkeerplaatsen en bergingen. Na het plaatsen van een mechanische roldeur ervaren de bewoners van de bovengelegen woningen ( [geïntimeerden] ) geluidshinder. De kantonrechter heeft geoordeeld dat sprake is van onrechtmatige hinder en heeft VVE Parkeerplaatsen veroordeeld om de aanbevelingen van een geluidsdeskundige op te volgen. VVE Parkeerplaatsen heeft daarop aanpassingen doorgevoerd aan de constructie van de roldeur.1.2. In hoger beroep wijst het hof het gewijzigde gevorderde bevel toe om de door de deskundige aanbevolen en aanvullende maatregelen door te voeren, maar uitsluitend ten aanzien van [geïntimeerde 1] , omdat zij (nog steeds) geluidsoverlast ervaart. [geïntimeerde 2] woont niet meer in het gebouw en ervaart daarom geen geluidsoverlast meer. Bij [geïntimeerde 3] worden geen overschrijdingen van geluidsnormen gemeten en zij heeft niet onderbouwd dat zij onrechtmatige geluidshinder ervaart.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 2 januari 2024, waarmee VVE Parkeerplaatsen in hoger beroep is gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 6 oktober 2023;\n\nde memorie van grieven van VVE Parkeerplaatsen;\n\nde memorie van antwoord van [geïntimeerden] , met bijlagen 0 tot en met 12;\n\nde bijlage 13 die [geïntimeerden] ter gelegenheid van de hierna te noemen mondelinge behandeling heeft overgelegd.2.2. Op 9 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. De advocaten van partijen hebben de zaak toegelicht, die van VVE Parkeerplaatsen aan de hand van pleitaantekeningen die zijn overgelegd.3. Feitelijke achtergrond3.1. Bij splitsingsakte van 15 november 2006 is het gebouw gelegen aan de [adres] in [plaats] gesplitst in vier appartementsrechten en is de Vereniging van eigenaars gebouw [adres] te [plaats] (hierna: VVE Gebouw) opgericht. Het appartementsrecht met index 1 bevindt zich op de begane grond en geeft volgens de splitsingsakte recht op het uitsluitend gebruik van de poort met achterliggende plaats en verder toebehoren (hierna: appartement 1). De overige drie appartementsrechten hebben betrekking op de appartementen gelegen boven appartement 1 op respectievelijk de eerste, tweede, en derde en vierde verdieping en hebben als bestemming woning.3.2. VVE Parkeerplaatsen is thans eigenaar van appartement 1. VVE Parkeerplaatsen is opgericht als vereniging van eigenaars ten behoeve van het beheer en onderhoud van het gebouw met parkeerplaatsen en bergingen gelegen op het kadastrale perceel [perceelnummer]. Laatstgenoemd perceel bevindt zich direct achter appartement 1. Appartement 1 fungeert thans als doorgang ten behoeve van het kadastrale perceel [perceelnummer]. In het appartementencomplex woonde direct boven appartement 1 [geïntimeerde 2] (A-2). Op de tweede verdieping woont [geïntimeerde 1] (A-3) en op de derde en vierde verdieping woont [geïntimeerde 3] (A-4).3.3. Artikel 2 van het splitsingsreglement van het gebouw luidt, voor zover relevant, als volgt:\n\n“3. De eigenaars zijn voor de in het eerste lid bedoelde breukdelen verplicht bij te dragen in de schulden en kosten, die voor rekening van de gezamenlijke eigenaars zijn.\n\n(…)\n\n5. In afwijking van het vorenstaande zullen de kosten verbonden aan onderhoud, reparatie en vernieuwing daaronder begrepen, van kozijnen, ramen, deuren, glas, balkons, alsmede het hang- en sluitwerk aan de kozijnen, ramen en deuren, welke aan de buitengevel van het gebouw zitten, uitsluitend komen ten laste van de eigenaar(s) die daarvan gebruik maakt(maken).\n\nHet onderhoud, casu quo de vernieuwing, dient te geschieden volgens de richtlijnen van de vergadering en na verkregen toestemming van de vergadering.”3.4. Tot 2016 werd de toegang tot appartement 1 gevormd door houten openslaande deuren. In 2016 heeft VvE Parkeerplaatsen deze houten deuren (laten) vervangen door een mechanische roldeur, met daarin een loopdeur voor personen en fietsen. Vanaf dat moment is het onderwerp geluidsoverlast door de deur jaarlijks besproken in de vergadering van eigenaars van VvE Gebouw. [geïntimeerde 2] heeft over de geluidsoverlast veelvuldig contact gezocht met VvE Parkeerplaatsen.3.5. Op 21 september 2021 heeft [naam] van Strooming op verzoek van VvE Gebouw een geluidonderzoek gedaan naar de mechanische roldeur. In haar rapport van 26 oktober 2021 concludeert Strooming dat het geluidsniveau in de woon- en slaapkamers van de woningen van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] bij gebruik van de roldeur de normwaardes uit het Bouwbesluit overschrijdt. Strooming deed in het rapport de volgende aanbevelingen om de roldeur in technische zin te laten voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit:\n\n“- Verbeteren van de ophang- en montageconstructie van overheaddeur zodat vibraties en trillingen zo min mogelijk in de constructie terecht kunnen komen. Een overweging kan zijn om een zelfdragende stalen portaal te plaatsen die alleen met voetplaten op de vloer staat en geen contact maakt met de wanden of het plafond. De bestaande overheaddeur kan dan aan dit stalen portaal worden gehangen.- Aanbrengen van een geluiddempende omkasting rondom de aandrijfmotor. - Aanbrengen van een geluidwerende bekleding op het plafond. - Afstellen van de deurdranger en zo nodig aanslagrubber gebruiken bij de loopdeur.”3.6. In de definitieve versie van het rapport van 30 november 2021 heeft Strooming deze aanbevelingen herhaald en daarbij aan het eerste aandachtstreepje toegevoegd:\n\n“Het losmaken van de gehele deurconstructie van de bestaande betonnen draagconstructie is in feite de enige en beste manier om de overdracht van de trillingen richting de bovengelegen woningen te voorkomen.\n\n(…)\n\nBovenstaande maatregelen zijn complementeer aan elkaar en dienen allen in zijn geheel worden toegepast om het juiste effect te kunnen bereiken.”3.7. Op 24 februari 2022 heeft VVE Parkeerplaatsen aan [geïntimeerden] een voorstel gedaan om de geluidsoverlast te verminderen. Dit voorstel vermeldt onder meer het volgende:\n\n“Om toch tot een voor ieder goede oplossing te komen stel ik het volgende voor;• Wij vragen een offerte aan voor het losmaken van de rail van de overhead deur d.m.v. een portaal naar wand of vloer.• Wij bekijken of er een ander sluiting op de loopdeur kan worden aangebracht die minder geluidsoverlast zal veroorzaken.• Wij vragen een tweetal offertes aan voor het isoleren van de verdiepingsvloer; één voor het gedeelte bij de deur alleen en één voor de gehele verdiepingsvloer (…)Wanneer de gehele vloer zal worden geïsoleerd is dat uiteraard niet voor onze rekening (…) Wel wil ik aangegeven dat wij niet tot de uitvoering van bovengenoemde maatregelen zullen overgaan voordat er een meer jaren onderhoudsplan is gemaakt, zoals afgesproken in de laatste vergadering.”3.8. \n [geïntimeerden] heeft niet met dit voorstel ingestemd en uiteindelijk in maart 2023 een procedure aanhangig gemaakt.3.9. Naar aanleiding van het vonnis in eerste aanleg heeft VVE Parkeerplaatsen eind oktober of begin november 2023 werkzaamheden aan de mechanische roldeur laten uitvoeren. [geïntimeerden] heeft VVE Parkeerplaatsen daarna bericht dat de werkzaamheden niet zijn uitgevoerd conform de aanbevelingen van Strooming. Ook zouden de klachten over het geluids- en trillingsniveau in de woningen zijn verergerd.3.10. Op verzoek van [geïntimeerden] heeft [naam] (die nu werkzaam is bij Sonitus) onderzoek gedaan naar de door VVE Parkeerplaatsen uitgevoerde werkzaamheden. Sonitus heeft haar onderzoek uitgevoerd op basis van drie foto’s. In haar brief van 14 december 2023 concludeerde Sonitus (onder meer) dat “de huidige manier van monteren niet de optredende geluiden zal reduceren waardoor de afname van overlast zal uitblijven” en dat “de wijze van ophanging niet overeenkomt met de aanbevelingen zoals opgenomen in de rapportage van 26 oktober 2021 en 30 november 2021 omdat op de huidige wijze van monteren er nog steeds contact met de wanden wordt gemaakt”. Ook doet zij de volgende aanbevelingen om de geluidsoverlast (verder) te beperken:\n\n“2. Zelfdragende deurconstructie\n\nDe voorkeur zal zijn om de constructie van de overheaddeur zogenaamd vrijdragend te maken. Door deze geheel te ontkoppelen van de bestaande bouwkundige constructie zal de overdracht van het geluid, door middel van contact, aanzienlijk dalen.\n\nEen vrijdragende constructie zal gerealiseerd kunnen worden door langs de beide muren. De opbouw kan als volgt zijn;\n\n• Een horizontaal liggende betonnen balk waarop de stalen kolommen worden gemonteerd De betonnen balken niet tegen de wand aanleggen. Tussen de wand en de balk een dempende rubberstrook aanbrengen die geluidoverdracht zal voorkomen.• De geleiderails worden gemonteerd aan stalen kolommen die rusten op de liggende betonbalk• De constructie zal kunnen bestaan uit 2 stalen kolommen aan de linkerzijde en 2 stalen kolommen aan de rechterzijde. Deze kunnen boven de geleiderails met elkaar gekoppeld worden zodat een stijve onderlinge verbinding ontstaat die ongewenste bewegingen kan minimaliseren.• Bij de montage van de deurgeleiders in de voorgevel zullen Phonex ankers moeten worden toegepast.• De motor zal worden omkleed met een omkasting die aan de onderzijde open moet zijn. De nadruk zal gelegd moeten worden om een dempende laag tussen de motor en het plafond aan te brengen. Door de onderzijde open te houden kan het optredend geluid van de motor in de omliggende ruimte zich verstrooien en zal niet direct richting de bovenliggende woningen worden gestuurd.\n\nEen dergelijke constructie zal geheel vrijstaan van het gehele gebouw en zal de overdracht van geluid via contact minimaal zijn. De verwachting is dat ondergrond een dergelijke constructie zal kunnen dragen daar er ook voldoende autoverkeer is waardoor de ondergrond voldoende draagkracht zal hebben.”3.11. In februari 2024 heeft VVE Parkeerplaatsen opnieuw aanpassingen gedaan aan de roldeur. Op verzoek van [geïntimeerden] heeft Sonitus deze aanpassingen onderzocht, wederom op basis van foto’s. In een mailbericht van 19 april 2024 verwoordt Sonitus haar bevindingen (onder meer) als volgt:\n\n“Als ik zo de foto's bekijk dan vind ik de stalen gele constructie aan de lichte kant. Het idee was om een constructie aan te brengen die de belasting van de dynamische rolbeweging van de deur kan absorberen. Deze constructie lijkt mij te licht om dit effect te kunnen bereiken. Verder is niet te zien hoe de verticale geleider aan de voorgevel is gemonteerd. Als dit op de bestaande manier is dan is het geluid boven net zo hoorbaar als ervoor. Tevens is niet te zien hoe de gele horizontale ligger aan de voorgevel is gemonteerd. Ook hoe onderling stalen delen zijn gemonteerd is niet goed zichtbaar. Er zijn rubber volgringen ed zichtbaar.\n\nIk moet concluderen dat op basis van de foto's ik verwacht dat de overlast nog steeds voortduurt.\"3.12. In maart 2025 heeft Sonitus nieuwe geluidsmetingen verricht in de appartementen van [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 1] . Sonitus heeft daarbij geconstateerd dat het geluidsvolume van de mechanische roldeur nog steeds de geluidsnormen in artikel 4.108 van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (de vervanger van het Bouwbesluit 2012) overschrijdt. De maximale normwaarde is 30 dB(A), terwijl in het appartement op de eerste verdieping het geluidsvolume bij het openen en sluiten van de roldeur gemiddeld 36,6 dB(A) en maximaal 38,5 dB(A) bedraagt. In het appartement op de tweede verdieping bedraagt het geluidsvolume gemiddeld 30,4 dB(A), en maximaal 34,3 dB(A).3.13. In de zomer van 2025 heeft [geïntimeerde 2] het appartement op de eerste verdieping verkocht. Het appartementsrecht is in augustus 2025 overgedragen aan de nieuwe eigenaar.4. Procedure bij de kantonrechter4.1. \n [geïntimeerden] heeft, samen met VVE Gebouw, VVE Parkeerplaatsen gedagvaard en (na vermeerdering van eis en voor zover nog relevant in hoger beroep) gevorderd, voor zover mogelijk bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:\n\nVVE Parkeerplaatsen te gebieden om de aanbevelingen in het rapport van Strooming volledig op te volgen, en een gedeelte van de verdiepingsvloer te voorzien van akoestische en thermische isolatie, conform het voorstel van VVE parkeerplaatsen d.d. 24 februari 2022, op straffe van een dwangsom;\n\nVVE Parkeerplaatsen te gebieden na voltooiing van deze aanpassingen en geluidsmaatregelen een deskundige het geluidsniveau van de poortdeur met toebehoren te laten controleren en meten, binnen een termijn van 3 weken na voltooiing, en voorzover die geluidsniveaus en metingen het maximaal toegestane niveau (zoals opgenomen in het rapport Strooming) nog steeds overschrijden, de VVE Parkeerplaatsen te gebieden om aanvullende geluidsmaatregelen te laten treffen, op straffe van een dwangsom;\n\nmet veroordeling van VVE Parkeerplaatsen in de proceskosten.4.2. De kantonrechter heeft de vorderingen van [geïntimeerden] deels toegewezen en (voor zover in hoger beroep relevant) VVE Parkeerplaatsen veroordeeld om binnen vier weken na het vonnis de aanbevelingen in het rapport van Strooming volledig op te volgen en de geadviseerde werkzaamheden te laten uitvoeren, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag met een maximum van € 15.000,-. De kantonrechter heeft de andere vorderingen van [geïntimeerden] (voor zover in hoger beroep relevant) afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De kantonrechter heeft VVE Gebouw niet-ontvankelijk verklaard in de hiervoor weergegeven vorderingen.5. Vorderingen in hoger beroep5.1. VVE Parkeerplaatsen is in hoger beroep gekomen omdat zij het deels niet eens is met het vonnis. VVE Parkeerplaatsen vordert het vonnis te vernietigen voor zover zij daarin is veroordeeld om werkzaamheden uit te voeren. Daarnaast vordert VVE Parkeerplaatsen in hoger beroep [geïntimeerden] te veroordelen tot vergoeding van de kosten die VVE Parkeerplaatsen heeft gemaakt ter uitvoering van het vonnis en een verklaring voor recht dat [geïntimeerden] onbevoegd opdracht tot onderzoek heeft gegeven aan Strooming en onbevoegd een opdracht heeft verstrekt aan mr. Postma om namens VVE Gebouw VVE Parkeerplaatsen in rechte te betrekken. VVE Parkeerplaatsen vordert tot slot een proceskostenveroordeling in beide instanties, buitengerechtelijke kosten en rente.5.2. Kort gezegd zien de bezwaren van VVE Parkeerplaatsen op het volgende. Ten eerste is de roldeur onderdeel van de gemeenschappelijke delen van het appartementencomplex en een gemeenschappelijke zaak (grief 5). Het geschil gaat dus over geluidsoverdracht door een gemeenschappelijke zaak (de roldeur) naar de appartementen. [geïntimeerden] spreken daarom de verkeerde partij aan: niet VVE Parkeerplaatsen is verantwoordelijk voor het voorkomen van geluidsoverlast door de roldeur, maar de VVE Gebouw (grief 1 en grief 2). Om dezelfde reden is VVE Parkeerplaatsen niet bevoegd om zelfstandig werkzaamheden aan de roldeur uit te voeren (grief 1 en grief 5) en moeten de kosten voor aanpassingen aan de roldeur worden verdeeld over de leden van de VVE Gebouw. Het is in elk geval niet redelijk dat [geïntimeerden] eist dat de VVE Parkeerplaatsen alle kosten draagt (grief 6). Ten tweede bevinden de appartementen zich in een oud gebouw. Het gebouw was al gehorig voordat de roldeur werd geplaatst en de staat van het gebouw moet worden meegewogen bij de beoordeling of sprake is van onrechtmatige hinder (grief 3). Omdat het gebouw oud is, zijn de normen uit het Bouwbesluit niet van toepassing. Dat die normen worden overschreden rechtvaardigt niet de conclusie dat sprake is van onrechtmatige hinder (grief 4). Ten derde zijn de maatregelen die VVE Parkeerplaatsen heeft doorgevoerd kostbaar, en moet worden meegewogen dat de VVE Gebouw ook minder kostbare maatregelen had kunnen treffen (grief 8). Tot slot weegt bij beoordeling of VVE Parkeerplaatsen onrechtmatig heeft gehandeld, mee dat [geïntimeerden] via de vergadering van eigenaars van VVE Gebouw had kunnen besluiten om, voor gemeenschappelijke rekening, andere maatregelen te nemen. Door dat niet te doen, heeft de VVE Gebouw de onrechtmatige hinder in stand gelaten. [geïntimeerden] had dus de VVE Gebouw moeten aanspreken (grief 7).5.3. \n\n [geïntimeerden] wil dat het vonnis wordt bekrachtigd. In hoger beroep heeft zij haar vorderingen gewijzigd en vermeerderd. Na wijziging van eis heeft zij gevorderd:\n\nI. VVE Parkeerplaatsen te gebieden de aanbevelingen in het rapport van Strooming d.d. 30 november 2021 en de brief van Sonitus d.d. 14 december 2023, volledig op te volgen, in het bijzonder het realiseren van een zelfdragend stalen portaal die alleen met voetplaten op de vloer staat en geen contact maakt met de wanden of het plafond en het losmaken van de gehele deurconstructie van de bestaande betonnen draagconstructie van het gebouw, met inachtneming van de bevindingen van de geluidsdeskundige d.d. 19 april 2024, naar aanleiding van de namens VVE Parkeerplaatsen aan [geïntimeerden] toegezonden foto's van de doorgevoerde aanpassingen aan de roldeurconstructie, op straffe van een dwangsom;\n\nII. VVE Parkeerplaatsen te gebieden aanvullende geluidsmaatregelen te treffen, voorzover na realisering van de hiervoor onder I vermelde constructie het geluidsniveau van het gebruik van de roldeurinstallatie en constructie de maximaal toelaatbare niveaus in het Bouwbesluit, in het bijzonder artikel 3.8 als bedoeld in het rapport van Strooming van 30 november 2021, de maximale waardes en normen overschrijdt, binnen een termijn van 2 weken na datum arrest uit te laten voeren, op straffe van een dwangsom;\n\nIII. te bepalen dat, althans voor recht te verklaren, dat VVE Parkeerplaatsen niet, althans niet tijdig, voldaan heeft aan de veroordeling onder 3.3. in het vonnis van de kantonrechter van 6 oktober 2023, en dat het maximum van € 15.000,00 aan dwangsommen verbeurd is en de VVE Parkeerplaatsen te veroordelen om dit bedrag aan dwangsommen aan [geïntimeerden] te voldoen binnen twee weken na de datum van het arrest in deze procedure.5.4. \n [geïntimeerden] legt aan haar gewijzigde eis ten grondslag dat VVE Parkeerplaatsen de aanbevelingen van Strooming onjuist, althans onvolledig heeft opgevolgd, en dat de geluidsoverlast niet voldoende is verholpen. In het bijzonder heeft VVE Parkeerplaatsen nagelaten om een zelfdragend stalen portaal te plaatsen, waarmee de roldeurconstructie in het geheel wordt losgemaakt van de wanden en het plafond van het appartement 1. Omdat VVE Parkeerplaatsen de aanbevelingen onjuist of onvolledig is nagekomen, heeft zij niet voldaan aan het vonnis van de kantonrechter, en zijn dwangsommen verbeurd, aldus [geïntimeerden]5.5. VVE Parkeerplaatsen voert hiertegen verweer en voert aan dat zij de aanbevelingen van Strooming wel is nagekomen. Ook stelt zij dat [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] geen belang hebben bij hun vorderingen. [geïntimeerde 2] woont niet meer in het gebouw en zij ervaart daarom geen overlast van de roldeur. In de appartementen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] worden geen geluidswaarden gemeten die de norm uit het Bouwbesluit overschrijden. Voor het overige begrijpt het hof de stellingen van VVE Parkeerplaatsen zo dat zij tegen de gewijzigde vordering sub I dezelfde bezwaren heeft als tegen het vonnis waarvan beroep (zie 5.1 hiervoor).6. Beoordeling in hoger beroep6.1. \n\nOmdat [geïntimeerden] in hoger beroep haar vorderingen heeft gewijzigd, zal het hof hierna eerst beoordelen of die eiswijzigingen toelaatbaar zijn. Daarna bespreekt het hof het meest verstrekkende verweer van VVE Parkeerplaatsen, namelijk dat [geïntimeerden] geen belang (meer) hebben bij hun vorderingen. Het hof beoordeelt daarna of de vorderingen van [geïntimeerden] en van VVE Parkeerplaatsen toewijsbaar zijn.\n\nWijziging van eis [geïntimeerden]6.2. heeft haar vorderingen gewijzigd bij memorie van antwoord. VVE Parkeerplaatsen heeft tegen deze eiswijzigingen geen bezwaar gemaakt en het hof ziet ook ambtshalve geen aanleiding om de gewijzigde vorderingen sub I en III buiten beschouwing te laten.6.3. Het hof vat de gewijzigde vordering sub I van [geïntimeerden] op als incidenteel hoger beroep. Met de gewijzigde vordering sub I beoogt [geïntimeerden] dat VVE Parkeerplaatsen wordt veroordeeld om de aanbevelingen in het definitieve rapport van Strooming op te volgen, met inachtneming van nadere aanbevelingen van Sonitus. Deze vordering vormt daarmee een nadere uitwerking en specificatie van de vordering die door de kantonrechter is toegewezen onder 3.3 van het dictum van het bestreden vonnis. Omdat [geïntimeerden] op dit punt een ander dictum nastreeft, moet de eiswijziging in zoverre worden opgevat als incidenteel hoger beroep. Gelet op de inhoud en het verloop van het debat tijdens de mondelinge behandeling ziet het hof geen aanleiding om de eiswijziging om deze reden wegens strijd met de eisen van een goede procesorde buiten beschouwing te laten. De opmerking van de advocaat van [geïntimeerden] dat [geïntimeerden] geen incidentele grieven tegen het vonnis heeft gericht, had uitdrukkelijk slechts betrekking op de vordering sub II (zie ook 6.4 hierna). Uit de spreekaantekeningen van de advocaat van VVE Parkeerplaatsen leidt het hof af dat ook VVE Parkeerplaatsen de wijziging van eis heeft opgevat als incidenteel hoger beroep. Zo is namens VVE Parkeerplaatsen opgemerkt: “ hebben hun eisen inmiddels gewijzigd en vorderen niet langer nakoming van de aanbevelingen van Strooming maar nieuwe maatregelen daarvoor in de plaats” en: “Bij een nieuwe uitspraak kunnen de oude maatregelen niet meer opgelegd worden, er is alleen ruimte voor het opleggen van nieuwe” (pleitnota mr. Goldhoorn, sub 18, eerste en laatste volzin). Gelet op deze uitlatingen van de advocaat van VVE Parkeerplaatsen en het feit dat VVE Parkeerplaatsen ook inhoudelijk op de gewijzigde vordering is ingegaan, is evenmin sprake van een verrassingsbeslissing als het hof rechtdoet op grond van de gewijzigde eis. Ook hierom staan de eisen van een goede procesorde niet in de weg aan deze eiswijziging van [geïntimeerden]6.4. \n\nHet hof laat de gewijzigde vordering sub II wel buiten beschouwing. Met deze vordering wil [geïntimeerden] dat VVE Parkeerplaatsen wordt bevolen om aanvullende geluidsmaatregelen te nemen als na uitvoering van de door de deskundigen aanbevolen maatregelen blijkt dat de geluidsvolumes in de appartementen de normen uit het Bouwbesluit nog steeds overschrijden. Deze vordering bouwt (kennelijk) voort op de in eerste aanleg als sub II ingestelde vordering, die er eveneens toe strekte dat VVE Parkeerplaatsen zou worden bevolen om aanvullende geluidsmaatregelen te nemen als uitvoering van de aanbevelingen van Strooming niet voldoende zou blijken (zie 4.1 onder b hiervoor). De kantonrechter heeft die vordering van [geïntimeerden] afgewezen (zie punt 3.6 van het vonnis). Deze vordering is geen onderdeel van het principaal hoger beroep en de advocaat van [geïntimeerden] heeft tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat [geïntimeerden] op dit punt geen incidentele grieven tegen het vonnis heeft gericht. Bij die stand van zaken maakt deze vordering geen deel uit van de rechtsstrijd in hoger beroep. Het hof laat dit onderdeel van de eiswijziging daarom buiten beschouwing. Het hof oordeelt in aanvulling hierop dat, ook als deze eiswijziging toelaatbaar zou zijn, het gevorderde bevel om “aanvullende geluidsmaatregelen” te nemen, te onbepaald is om voor toewijzing in aanmerking te kunnen komen.\n\nHebben [geïntimeerde 2] , [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] belang bij hun vorderingen?6.5. Uit artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat een partij alleen een rechtsvordering kan instellen als zij daarbij voldoende belang heeft. Het hof beoordeelt hierna of elk van [geïntimeerden] belang heeft bij de gewijzigde vorderingen sub I en III.6.6. \n [geïntimeerde 2] is sinds augustus 2025 geen eigenaar meer van het appartementsrecht met betrekking tot het appartement op de eerste etage (A-2). Zij ervaart dus geen geluidsoverlast meer. Het hof is van oordeel dat zij daarom geen belang heeft bij de vordering sub I. Het enkele feit dat [geïntimeerde 2] de onderhavige procedure heeft “gemeld” aan de nieuwe eigenaar, zoals tijdens de mondelinge behandeling is toegelicht, maakt dat niet anders. Gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde 2] met de nieuwe eigenaar afspraken heeft gemaakt over (de voorzetting van) deze procedure. Het hof zal [geïntimeerde 2] daarom niet-ontvankelijk verklaren in de gewijzigde vordering sub I.6.7. \n [geïntimeerde 2] heeft wel belang bij de gewijzigde vordering sub III. Die vordering stelt de vraag aan de orde of de VVE Parkeerplaatsen op grond van het vonnis dwangsommen heeft verbeurd. Deze dwangsommen zijn verbeurd in de periode dat [geïntimeerde 2] eigenaar was van appartement 1 en daar woonde (aldus [geïntimeerden] ). In zoverre heeft [geïntimeerde 2] dus (financieel) belang bij de vordering sub III.6.8. \n\n [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] wonen in de appartementen A-3 en A-4 en stellen dat zij geluidshinder ervaren in hun woningen die VVE Parkeerplaatsen moet voorkomen. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] hebben daarom belang bij de vordering sub I. Het hof zal het verweer van VVE Parkeerplaatsen dat in de appartementen van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] geen geluidswaarden worden gemeten die de normen uit het Bouwbesluit\u002FBesluit bouwwerk Leefomgeving overschrijden, bespreken bij de inhoudelijke beoordeling van die vorderingen. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] hebben om dezelfde redenen als [geïntimeerde 2] belang bij de vordering sub III.\n\nInleiding vordering ter zake van geluidsoverlast (vordering sub I)6.9. Met hun eiswijziging hebben [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] hun oorspronkelijke vordering in die zin gewijzigd dat het gevorderde bevel om aanpassingen aan de roldeur door te voeren, nader is uitgewerkt en gespecificeerd. Het hof zal bij beoordeling van die (gewijzigde) vordering uitgaan van de situatie zoals die op dit moment is. In deze situatie heeft VVE Parkeerplaatsen op basis van het vonnis van de kantonrechter aanpassingen aan de deur verricht. Dit leidt ertoe dat het hof in hoger beroep moet beoordelen of de roldeur, ook nadat VVE Parkeerplaatsen daaraan aanpassingen heeft verricht, onrechtmatige geluidshinder veroorzaakt en of VVE Parkeerplaatsen gehouden is om die geluidshinder (verder) te beperken.6.10. \n\nVoordat het hof toekomt aan de beoordeling of aan de roldeur verdere aanpassingen moeten worden doorgevoerd, zal het hof beoordelen of VVE Parkeerplaatsen voor de roldeur verantwoordelijk is en – in het verlengde daarvan – of zij de kosten voor die eventuele aanpassingen moet dragen.\n\nWie draagt de kosten voor maatregelen aan de roldeur?6.11. Het hof laat in het midden of de roldeur privé-eigendom is van VVE Parkeerplaatsen (zoals [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] stellen) of gemeenschappelijk eigendom is van de leden van VVE Gebouw (zoals VVE Parkeerplaatsen stelt). De reden daarvoor is dat de kosten voor verdere maatregelen, als die benodigd zijn, in beide gevallen voor rekening van VVE Parkeerplaatsen komen. Als de roldeur privé-eigendom is, dient VVE Parkeerplaatsen de kosten om die reden te dragen. Als de roldeur behoort tot de gemeenschappelijke delen van VVE Gebouw, volgt uit het splitsingsreglement dat de kosten voor rekening komen van VVE Parkeerplaatsen. Artikel 2 lid 5 van het splitsingsreglement bepaalt immers dat kosten verbonden aan onderhoud, reparatie en vernieuwing van deuren die aan de buitengevel van het gebouw zitten, uitsluitend ten laste komen van de eigenaar die daarvan gebruikt maakt (zie ook 3.3 hiervoor). Niet in geschil is dat de roldeur in de buitengevel van het gebouw zit en slechts wordt gebruikt om toegang te krijgen tot het achtergelegen perceel. De deur wordt feitelijk dus slechts gebruikt door personen die parkeren op het perceel van VVE Parkeerplaatsen of daar een berging hebben. Dat betekent dat VVE Parkeerplaatsen de exclusieve gebruiker is van de roldeur. Op grond van het splitsingsreglement moet zij daarom de kosten dragen voor aan de roldeur te verrichten aanpassingen. In dat verband overweegt het hof dat [geïntimeerden] niet kan worden verweten dat zij niet op een eerder moment een meerderheidsbesluit hebben genomen ter beperking van de hinder, aangezien dat zou hebben betekend dat [geïntimeerden] , als gedupeerden van de hinder, hiervoor de kosten mede zouden hebben moeten dragen.6.12. VVE Parkeerplaatsen heeft in dit verband nog aangevoerd dat de vergadering van eigenaars van VVE Gebouw op enig moment heeft besloten om de kosten voor de vervanging van deuren die toegang geven tot privégedeelten van eigenaars, te verdelen over de vier VVE-leden. Dat in dat geval van de vervanging van de deuren (kennelijk) eenmalig van artikel 2 lid 5 van het splitsingsreglement is afgeweken, doet aan het voorgaande niets af. De hoofdregel is immers dat kosten voor een deur in de buitengevel ten laste komen van die eigenaar(s) die ervan gebruik maken.6.13. VVE Parkeerplaatsen heeft verder aangevoerd dat zij niet bevoegd is aanpassingen te verrichten aan de roldeur, omdat zij daarvoor toestemming nodig heeft van (de vergadering van eigenaars van) VVE Gebouw. Ook als die toestemming benodigd is (het hof laat dat in het midden), vormt dat echter geen belemmering voor toewijzing van de vordering van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] . [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 3] hebben immers aangegeven in te stemmen met een voorstel van VVE Gebouw om noodzakelijke maatregelen uit te voeren. Daar is hun vordering ook op gericht. Met de aanvullende stem van VVE Parkeerplaatsen zelf is er daarmee hoe dan ook een meerderheid voor een besluit van die strekking.6.14. \n\nDe conclusie is dus dat VVE Parkeerplaatsen verantwoordelijk is voor het doorvoeren van aanpassingen aan de roldeur en daarvan de kosten moet dragen. De vervolgvraag is of VVE Parkeerplaatsen gehouden is om aanvullende werkzaamheden uit te voeren.\n\nVeroorzaakt de roldeur (nog steeds) onrechtmatige hinder?6.15. Tussen partijen is niet in geschil dat het openen en sluiten van de mechanische roldeur hoorbaar is in de bovengelegen appartementen en dat dit geluidshinder oplevert. Of het veroorzaken van hinder onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162 BW, is volgens vaste rechtspraak afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden.6.16. Uit de rapportage van Sonitus van 21 maart 2025 (zie ook 3.12 hiervoor) blijkt dat, ook nadat VVE Parkeerplaatsen geluidsbeperkende maatregelen heeft genomen, bij het openen en sluiten van de roldeur aanzienlijke geluidsvolumes worden gemeten in de appartementen op eerste en tweede verdieping. In het appartement op de tweede verdieping (waar [geïntimeerde 1] woont) is dit gemiddeld 30,4 dB(A) en maximaal 34,3 dB(A). VVE Parkeerplaatsen heeft de juistheid van deze metingen niet weergesproken en het hof gaat daar dus vanuit.6.17. Het Besluit Bouwwerken Leefomgeving (voorheen Bouwbesluit) bevat normen voor de maximale geluidsoverdracht tussen aangrenzende percelen. Artikel 3.2 Bouwbesluit bepaalde dat installaties zoals een lift in een aangrenzend perceel een geluidsniveau van ten hoogste 30 dB mogen veroorzaken en deze normwaarde is thans opgenomen in artikel 4.108 Besluit Bouwwerken Leefomgeving. VVE Parkeerplaatsen heeft aangevoerd dat deze norm uit het Bouwbesluit niet van toepassing is op een oud gebouw. Net als in eerste aanleg, heeft zij echter niet toegelicht welke geluidsnorm wel van toepassing is, terwijl dit wel op haar weg had gelegen. Het hof zal daarom, in navolging van Strooming\u002FSonitus, de norm uit het Besluit Bouwwerken Leefomgeving als richtlijn hanteren.6.18. Het gemeten geluidsniveau ten gevolge van het gebruik van de roldeur in het appartement van [geïntimeerde 1] overschrijdt de norm uit het Besluit Bouwwerken Leefomgeving. Er is daarom sprake van aanzienlijke geluidshinder in de woning van [geïntimeerde 1] . De roldeur geeft bovendien toegang tot een perceel met vijftien parkeerplaatsen en tien bergingen. Dat betekent dat de roldeur regelmatig wordt gebruikt en dit potentieel gedurende de hele dag (en nacht), op tijdstippen die voor [geïntimeerde 1] niet te voorspellen zijn. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde 1] dergelijke frequente geluidshinder in haar woning niet hoeft te dulden. Dat betekent dat het veroorzaken van de geluidshinder onrechtmatig is en dat VVE Parkeerplaatsen is gehouden om redelijke maatregelen te nemen om die hinder te verminderen.6.19. Het hof volgt VVE Parkeerplaatsen niet in haar verweer dat de staat van het gebouw mede de oorzaak is van de geluidsoverlast. VVE Parkeerplaatsen heeft die stelling niet onderbouwd, bijvoorbeeld door te verwijzen naar een onderzoek waaruit de staat van het gebouw blijkt. De enkele stelling dat het gebouw al gehorig was voordat de roldeur is geplaatst, is hiertoe onvoldoende. Daar komt bij dat ook als vast zou komen te staan dat de staat van het gebouw bijdraagtaan de overdracht van het geluid van de roldeur naar de appartementen, dit VVE Parkeerplaatsen niet ontslaat van haar verplichting om maatregelen te nemen. De roldeur is immers de bron van de geluidsoverlast, en uit het onderzoek van Strooming\u002FSonitus volgt dat het mogelijk is om de constructie van de roldeur zodanig aan te passen dat de geluidsoverdracht naar bovengelegen appartementen wordt verminderd. Voor zover VVE Parkeerplaatsen meent dat ook andere (minder ingrijpende of minder kostbare) maatregelen genomen kunnen worden, had het op haar weg gelegen om dat te onderbouwen, wat zij niet heeft gedaan.6.20. \n\nHet voorgaande heeft betrekking op [geïntimeerde 1] . Ten aanzien van [geïntimeerde 3] heeft VVE Parkeerplaatsen terecht aangevoerd dat uit de rapportage van Sonitus niet blijkt dat in het appartement op de derde en vierde verdieping (waar [geïntimeerde 3] woont) geluidsniveaus worden gemeten die de normen uit het Besluit Bouwwerk Leefomgeving overschrijden. Omdat [geïntimeerde 3] verder niet heeft onderbouwd dat en op welke wijze zij geluidshinder ervaart, zal het hof de vordering sub I ten aanzien van [geïntimeerde 3] afwijzen.\n\nDe door VVE Parkeerplaatsen te nemen maatregelen6.21. Strooming heeft meerdere aanbevelingen gedaan om geluidsoverlast door de roldeur te verminderen. Strooming heeft er daarbij op gewezen dat de aanbevolen maatregelen complementair aan elkaar zijn en gezamenlijk moeten worden gerealiseerd om “het juiste effect” (het hof begrijpt: geluidsreductie) te bereiken (zie nader 3.5 en 3.6 hiervoor). Het is niet in geschil dat deze maatregelen geluidsbeperkend zijn en ook niet dat het haalbaar is om deze te realiseren. VVE Parkeerplaatsen is daarom gehouden om alle aanbevelingen van Strooming op te volgen.6.22. De vervolgvraag is of VVE Parkeerplaatsen de aanbevelingen van Strooming reeds juist en volledig heeft opgevolgd met de werkzaamheden die zij sinds het vonnis aan de roldeur heeft verricht. Volgens [geïntimeerde 1] is dit niet het geval en zij verwijst daarbij naar onderzoek van Sonitus. Sonitus heeft geconstateerd dat, anders dan Strooming heeft aanbevolen, de roldeur niet vrijdragend is gemaakt door deze geheel los te koppelen van de bestaande bouwkundige constructie (zie ook 3.11 en 3.12 hiervoor). Sonitus beveelt aan om dit alsnog te doen, en geeft daarvoor een concreet stappenplan. Sonitus beveelt tevens aan om bij het plaatsen van de deurgeleiders in de voorgevel zogeheten Phonex-ankers toe te passen. Ook beveelt zij aan om de motor van de roldeur te omkleden met een omkasting die aan de onderzijde open is, en om aan de bovenkant een dempende laag aan te brengen tussen de motor en het plafond. Ook op deze punten is VVE Parkeerplaatsen de aanbevelingen van Strooming onvoldoende nagekomen, aldus Sonitus.6.23. Tegenover deze gemotiveerde onderbouwing van [geïntimeerden] voert VVE Parkeerplaatsen slechts aan dat zij de aanbevelingen van Strooming wel heeft opgevolgd. Zij onderbouwt dat verder echter niet, terwijl dat wel op haar weg had gelegen. Bij die stand van zaken staat naar oordeel van het hof vast dat VVE Parkeerplaatsen de aanbevelingen uit het rapport van Strooming onvoldoende heeft opgevolgd. Zij is daarom gehouden om deze alsnog uit te voeren, met inachtneming van de aanvullende aanbevelingen van Sonitus van 14 december 2023. Zoals bij 6.22 is overwogen, geeft Sonitus een lijst met concrete punten om de geluidsoverlast te verminderen. Het gaat dus niet om “weinig concreet gemaakt[e]” aanbevelingen, zoals VVE Parkeerplaatsen de aanbevelingen van Strooming typeert.6.24. \n\nVVE Parkeerplaatsen heeft nog aangevoerd dat niet vaststaat dat het doorvoeren van de aanbevelingen van Strooming\u002FSonitus zal leiden tot het geheel oplossen van de geluidsoverlast, omdat het pand verouderd en gehorig is. VVE Parkeerplaatsen heeft deze stelling niet onderbouwd, en bovendien niet gemotiveerd weersproken dat het opvolgen van de aanbevelingen van Strooming\u002FSonitus zal leiden tot verminderingvan de geluidshinder. Daarmee staat naar oordeel van het hof voldoende vast dat het nut heeft om de aanbevolen maatregelen uit te voeren.\n\nTermijn en dwangsom6.25. \n\n [geïntimeerde 1] heeft gevorderd dat VVE Parkeerplaatsen wordt bevolen om de werkzaamheden uit te voeren binnen twee weken na de datum van het arrest. Het hof acht die termijn praktisch niet haalbaar en zal deze daarom vaststellen op drie maanden na betekening van dit arrest. Het hof zal de door [geïntimeerde 1] gevorderde dwangsom toewijzen, maar deze – in lijn met de kantonrechter – matigen op de wijze zoals weergegeven in het dictum.\n\nZijn dwangsommen verbeurd naar aanleiding van het vonnis (vordering sub III)?6.26. Met haar eiswijziging heeft [geïntimeerden] haar vordering dat VVE Parkeerplaatsen wordt bevolen om de aanbevelingen van Strooming op te volgen, in die zin gewijzigd dat het gevorderde bevel nader is uitgewerkt en gespecificeerd. Omdat de eiswijziging van [geïntimeerden] op dit punt moet worden opgevat als incidenteel hoger beroep (zie rechtsoverweging 6.3 hiervoor), zal het hof het vonnis op dit punt niet bekrachtigen, maar een nieuwe veroordeling uitspreken met inachtneming van de gewijzigde eis.6.27. \n\nNu het vonnis op dit punt niet wordt bekrachtigd, ontvalt met terugwerkende kracht de grondslag aan de dwangsom die de kantonrechter aan de veroordeling heeft verbonden. Dat betekent dat er geen grondslag is voor de door [geïntimeerden] gevorderde verklaring voor recht dat dwangsommen zijn verbeurd en de veroordeling van VVE Parkeerplaatsen om € 15.000,- aan verbeurde dwangsommen aan [geïntimeerden] te betalen. Het hof zal de gewijzigde vordering sub III van [geïntimeerden] daarom afwijzen.\n\nReconventie6.28. \n\nVVE Parkeerplaatsen heeft bij memorie van grieven twee vorderingen in reconventie ingesteld. VVE Parkeerplaatsen was immers bij de kantonrechter verweerder. Uit artikel 353 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volgt dat het niet mogelijk is om voor het eerst in hoger beroep een vordering in reconventie in te stellen. Het hof zal VVE Parkeerplaatsen daarom niet-ontvankelijk verklaren in deze vorderingen.\n\nConclusie en proceskosten6.29. De conclusie is dat het principale hoger beroep van VVE Parkeerplaatsen niet slaagt, het incidentele hoger beroep van [geïntimeerde 1] wel slaagt en de gewijzigde vordering sub I van [geïntimeerde 1] voor toewijzing in aanmerking komt. Het hof zal het vonnis daarom deels vernietigen, maar slechts voor wat betreft het aan VVE Parkeerplaatsen opgelegde bevel.6.30. Omdat VVE Parkeerplaatsen ten aanzien van [geïntimeerde 1] in het ongelijk is gesteld, zal zij worden veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerde 1] .6.31. \n\nHet hof begroot de proceskosten in het principale hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde 1] op: griffierecht € 116,33 (1\u002F3 × € 349,-) salaris advocaat € 860,- (1\u002F3 × 2 punten × tarief II) nakosten € 189,-(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.165,33\n\nOmdat in het incidentele hoger beroep geen afzonderlijke proceshandelingen zijn verricht, begroot het hof de proceskosten van [geïntimeerde 1] in het incidentele hoger beroep op nihil. Het hof zal de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen zoals vermeld in de beslissing.6.32. Voor het overige zijn de partijen in het principale en incidentele hoger beroep over en weer in het ongelijk gesteld. Het hof zal daarom de proceskosten tussen hen compenseren in die zin dat zij ieder de eigen kosten dragen.7. Beslissing\n\nHet hof:\n\nin principaal en incidenteel hoger beroep\n\n- vernietigt het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 6 oktober 2023, doch uitsluitend voor wat betreft de veroordeling onder 3.3;\n\nen in zoverre opnieuw rechtdoende:\n\nten aanzien van [geïntimeerde 2] :\n\n- verklaart [geïntimeerde 2] niet-ontvankelijk in haar vordering sub I;\n\nten aanzien van [geïntimeerde 3] :\n\n- wijst de vordering sub I af;\n\nten aanzien van [geïntimeerde 1] :\n\nveroordeelt VVE Parkeerplaatsen om binnen drie maanden na betekening van dit arrest de aanbevelingen in het rapport van Strooming van 30 november 2021 en de brief van Sonitus van 14 december 2023 volledig op te volgen en de geadviseerde werkzaamheden te laten uitvoeren, in het bijzonder door het realiseren van een zelfdragend stalen portaal dat alleen met voetplaten op de vloer staat en geen contact maakt met de wanden of het plafond en het losmaken van de gehele deurconstructie van de bestaande betonnen draagconstructie van het gebouw, met inachtneming van de bevindingen van de geluidsdeskundige van 19 april 2024, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag dat VVE Parkeerplaatsen hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 15.000,-;\n\nbekrachtigt het vonnis voor het overige;\n\nveroordeelt VVE Parkeerplaatsen ten aanzien van [geïntimeerde 1] in de kosten van de procedure in principaal hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde 1] tot op heden begroot op € 1.165,33, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten als VVE Parkeerplaatsen deze niet binnen veertien dagen na heden heeft betaald;\n\nbepaalt dat als VVE Parkeerplaatsen niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de uitspraak heeft voldaan en dit arrest vervolgens wordt betekend, VVE Parkeerplaatsen de kosten van die betekening moet betalen, plus extra nakosten van € 98,-;\n\nveroordeelt VVE Parkeerplaatsen ten aanzien van [geïntimeerde 1] in de kosten van de procedure in incidenteel hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde 1] begroot op nihil;\n\ncompenseert voor het overige de proceskosten in hoger beroep in die zin dat partijen ieder de eigen kosten dragen;\n\nverklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;\n\nwijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. D. Stoutjesdijk, A.A. Muilwijk-Schaaij en T. Heikens en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.\n\n HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1106, r.o. 3.2.2.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:1983","ecli-nl-ghdha-2026-1983",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,51,61],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":8,"legalDomain":50,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht",{"id":52,"ecli":53,"caseNumber":6,"courtId":54,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":55,"language":12,"source":13,"sourceUrl":56,"summary":6,"slug":57,"metadata":58},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":59,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":6,"courtId":64,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":69,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]