Skip to main content

ECLI:NL:GHDHA:2026:2085

Court

Den Haag

Date

25 June 2026

Language

nl

Case Summary

Legal Issue

Civiel recht

Holding / Outcome

Uitspraak

Den Haag

Procedure: UitspraakDomain: Civiel rechtType: uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Civiel recht

Team Handel

Uitspraakdatum : 25 juni 2026

Zaaknummer : 200.344.337/01

Zaak-/rekestnummer rechtbank : C/10/670251 / HA RK 23-1234

Beschikking

in de zaak van:

1. KOOLE TERMINALS B.V. (thans geheten Chane Terminals B.V.),

gevestigd in Zaandam,

2. KOOLE TANKSTORAGE BOTLEK B.V. (thans geheten Chane Terminals Botlek B.V.),

gevestigd in Rotterdam,

appellanten,

hierna gezamenlijk te noemen: Koole,

advocaat: mr. J.J.O. Zandt (Rotterdam),

tegen

NATIONAL CHEMICAL CARRIERS LTD.,

gevestigd in Riyadh, Saudi-Arabië,

verweerster,

hierna te noemen: NCC,

advocaat: mr. M. Wattel (Rotterdam),

met als verschenen belanghebbenden (nrs. 21 a-i op de lijst bij het inl. verzoekschrift):

a. Uni-Tankers A/S, gevestigd in Middelfart, Denemarken,

b. Uni-Chartering A/S, gevestigd in Middelfart, Denemarken,

c. Rederi AB Alvtank, gevestigd in Donsö, Zweden,

d. Gear Bulk Shipowning Ltd, gevestigd in Hamilton, Zweden,

e. G2 Ocean A/S, gevestigd in Bergen, Noorwegen,

f. Hersham Marine S.A., gevestigd in Panama City, Panama,

g. Consolidated Marine Management Inc., gevestigd in Athene, Griekenland,

h. Crystal Nordic Shipowning A/S, gevestigd in Hellerup, Denemarken,

i. Brødrene Klovning Shipping A/S, gevestigd in Haugesund, Noorwegen,

hierna gezamenlijk te noemen: Uni-Tankers c.s.,

advocaat: mr. M.M. Van Leeuwen (Rotterdam).

1. Een korte samenvatting van het geschil

1.1. Op 23 juni 2018 is de tanker Bow Jubail in de 3e Petroleumhaven in Rotterdam tegen een daar aanwezige steiger gevaren. Daardoor ontstond een gat in een bunkertank van de Bow Jubail. Door dat gat is stookolie in de haven gestroomd.

1.2. NCC – destijds eigenaresse van de Bow Jubail – wil haar aansprakelijkheid voor de hierdoor ontstane verontreinigingsschade beperken overeenkomstig de bepalingen van het CLC-verdragen de op dat verdrag gebaseerde Wet aansprakelijkheid olietankschepen (Waot). Zij heeft een daartoe strekkend verzoek ingediend bij de Rb. Rotterdam. Een eerder verzoek van haar had de rechtbank afgewezen omdat het niet voorzag in toevoeging van rente aan het beperkingsbedrag waarvoor fonds diende te worden gevormd (beschikking van 25 oktober 2023 ECLI:NL:RBROT:2023:9936). Het onderhavige, nieuwe, verzoek, dat daarin wel voorziet, bevatte aanvankelijk een voorstel tot (aansprakelijkheidsbeperking door) fondsstelling in de vorm van een garantie door de P&I club, doch is nadien in die zin gewijzigd, dat NCC fonds wenst te stellen door middel van storting (van het bedrag van de beperkte aansprakelijkheid, vermeerderd met rente en kosten) op een bankrekening van de rechter-commissaris of in de consignatiekas. Omdat storting op een bankrekening niet meer mogelijk is in beperkingsprocedures (aldus onbestreden de rechtbank), gaat het bij het gewijzigde verzoek om fondsvorming door storting in de consignatiekas.

1.3. Koole heeft bezwaar tegen deze wijze van fondsvorming, omdat bij storting in de consignatiekas toevoeging van de wettelijke rente alleen plaatsvindt tot de datum waarop het fonds wordt gesteld (art. 642c, lid 2 sub a, Rv en art. 8:757 BW), waarna nog slechts de beduidend lagere rente op basis van (art. 9 van) de Wet op de consignatie van gelden wordt berekend, terwijl zekerheid door middel van een garantie de hogere wettelijke rente dekt tot aan de datum van de in art. 642v Rv bedoelde oproepingen aan de schuldeisers om het hun toekomende in ontvangst te nemen (art. 642c, lid 2 sub b, Rv). Storting in de consignatiekas geeft dus een lagere renteaanwas dan een clubgarantie.

1.4. De rechtbank verwierp het bezwaar van Koole. Honorering ervan zou afbreuk doen aan het uitgangspunt dat de schuldenaar vrij is om te kiezen of hij fonds wil vormen door storting of door zekerheidsstelling, aldus de rechtbank, die (in het dictum van de beschikking) het bedrag van de beperkte aansprakelijkheid vaststelde en bepaalde dat NCC dit bedrag – vermeerderd met (a) wettelijke rente (vanaf de dag volgende op het voorval tot de dag volgende op die van het stellen van het fonds) en (b) kosten – in de consignatiekas diende te storten (beschikking van

6 mei 2024).

1.5. Koole is van deze beslissing in hoger beroep gekomen, maar tevergeefs: het hof is het eens met de rechtbank.2. Het verloop van de procedure in hoger beroep2.1. Koole is bij het op 4 juni 2024 op de griffie van het hof binnengekomen beroepschrift (met bijlagen) in hoger beroep gekomen van de beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 6 mei 2024. Het beroepschrift telt één grief.

2.2. Er zijn twee verweerschriften ingediend, één door NCC en één door Uni-Tankers c.s.

2.3. Vervolgens is een mondelinge behandeling gehouden. Aan het slot ervan is een datum voor de beschikking bepaald.

3. De beoordeling

3.1. Het CLC-verdrag, dat rechtstreekse werking heeft, bepaalt in art. V lid 3, voor zover van belang, (i) dat, om zich op aansprakelijkheidsbeperking uit hoofde van het verdrag te kunnen beroepen, de eigenaar van het schip een fonds moet vormen tot het bedrag gelijk aan het maximum van zijn aansprakelijkheid en (ii) dat dit fonds kan worden gevormd door (a) het storten van de geldsom of (b) het stellen van een bankgarantie of iedere andere garantie die aanvaardbaar is en genoegzaam wordt geacht.

3.2. Niet in geschil is dat het bedrag van de beperkte aansprakelijkheid waarvoor fonds moet worden gevormd dient te worden vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dag volgende op het voorval tot de dag volgende op die van het stellen van het fonds. Dit staat weliswaar niet in het CLC-verdrag – dat, anders dan (art. 11 lid 1 van) het LLMC-verdrag, niets zegt over rente – maar wel in (het met art. 11 lid 1 van het LLMC-verdrag overeenstemmende) art. 8:757 BW, dat (via de verwijzing naar art. 642c lid 2 Rv in art. 9 lid 2 Waot) als aanvullend nationaal recht van (overeenkomstige) toepassing is op dit niet in het CLC-verdrag geregelde onderwerp. Deze aanvullende toepassing van nationaal recht geldt niet alleen voor de (aan het bedrag van de beperkte aansprakelijkheid toe te voegen) rente in de periode voorafgaand aan de fondsstelling, maar bijvoorbeeld ook voor de renteaanwas in de periode na de fondsstelling, de hoogte van de rente en de (hier verder niet aan de orde zijnde) verschuldigdheid van rente over de (tegen het fonds ingediende) vorderingen van de schuldeisers.

3.3.1. Het (vaststellen en vervolgens) op deze wijze, dat wil zeggen: met het toepasselijke nationale recht, dichten van de leemte in het CLC-verdrag is in overeenstemming met de uitlegregels van het Weens Verdragenverdrag.Voor de bijtelling van de rente over de periode tot en met de fondsstelling kan hierbij worden gewezen op het volgende (door de rechtbank in haar eerdere beschikking van 25 oktober 2023 aangehaalde) citaat uit de ‘CMI Guidelines (in respect of Procedural Rules Relating to Limitation of Liability in Maritime Law adopted at the 39th Conference of the CMI, held in Athens in October 2008)’ - pag. 17, punt 1 (d):

’11. Issues relating to the Fund.

[…] Reference to interest is found only in the LLMC (article 11(1)) while both the CLC and the HNS Convention, respectively in article V(3) and in article 9(3), provide that the Fund must be constituted for the total sum representing the limit of liability and interest is not mentioned. The question arises, therefore, whether States may, in the implementing legislation, require that interest be added and it is suggested that the reply should be positive because otherwise the person liable would benefit from any delay in the constitution of the Fund.’

3.3.2. Relevant in dit verband zijn ook de beraadslagingen met betrekking tot art. 11 lid 1 tweede zin van de LLMC, zoals die zijn te vinden in de (op de website www.comitemaritime.org geplaatste) travaux préparatoires van dat verdrag (pag. 290-295). Daaruit blijkt (i) dat destijds is onderkend dat het LLMC-verdrag, afgezien van het bepaalde in art. 11 lid 1 tweede zin, een groot aantal vragen met betrekking tot rente ongeregeld laat en (ii) dat eenstemmigheid bestond, althans erin is berust, dat die vragen daarom moeten worden beantwoord volgens het toepasselijke nationale recht. Ook deze lijn kan worden doorgetrokken naar de andere (twee in de zojuist genoemde CMI-guidelines bedoelde) IMO-verdragen die voorzien in een beperking van aansprakelijkheid voor maritieme schades door fondsvorming, waaronder het CLC-verdrag.

3.3.3. Vergelijk over de (aanvullende) toepasselijkheid van nationaal recht op de processuele en materiële aspecten van de globale beperking van aansprakelijkheid ook:

HR 28 februari 1992, NJ 1992, 652 (‘Sylt’, met noot Schultsz, J.C. onder NJ 1992/653 ‘Volvox Hollandia’) en Hof Den Haag 30 november 2016, ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ3412 (‘Balkhash’).

3.4. De aanvullende toepassing van nationaal recht mag er echter niet toe leiden dat geen gebruik kan worden gemaakt van een mogelijkheid tot fondsvorming die in het verdrag verankerd is (vgl. art. 26, 27 en 33.a Weens Verdragenverdrag). Dat zou wel het effect zijn van het honoreren van het hiervoor in 1.3 genoemde bezwaar van Koole, dat daarom door de rechtbank terecht is verworpen. Storting van het beperkingsbedrag (inclusief rente tot de dag volgende op die van de fondsvorming) geldt krachtens het CLC-verdrag als een genoegzame wijze van fondsvorming, waarmee de scheepseigenaar voldoet aan de voorwaarde om, behoudens opzet of roekeloos handelen of nalaten, zijn aansprakelijkheid uit hoofde van het verdrag te kunnen beperken. Dat wordt niet anders doordat – als gevolg van de wijze waarop dit nationaal geregeld is – de renteaanwas na die (in art. 642c, lid 2 sub a, Rv voorziene) wijze van fondsvorming geringer is dan bij zekerheidstelling door middel van een garantie (als bedoeld in art. 642c, lid 2 sub b, Rv).

3.5. Ter toelichting op het verschil in ‘renteregimes’ wordt het volgende toegevoegd. Wettelijke rente is verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom (art. 6:119 BW). Die situatie doet zich niet (langer) voor na de (cfm. art. 642c lid 6 Rv geaccordeerde) storting in de consignatiekas. Die storting is in het kader van de (voor de aansprakelijkheidsbeperking) verplichte fondsvorming een vorm van bevrijdende betaling. Het gestorte bedrag behoort niet langer toe aan de schuldenaar, maar aan de Staat, die bij uitkering van het geconsigneerde bedrag enkelvoudige rente vergoedt (art. 8 lid 1 en art 9 lid 2 Wet op de consignatie van gelden). Hierbij past niet het ten laste van de schuldenaar laten voortduren van een renteverplichting over het gestorte bedrag.

Daarentegen is (fondsvorming door) het stellen van zekerheid geen vorm van betaling, maar een belofte tot het doen van een latere betaling. Die belofte werkt niet bevrijdend ten aanzien van de betalingsverplichting. De zekerheid moet daarom ook de doorlopende renteverplichting ten aanzien van die betalingsverplichting dekken. Vergelijk art. 6:51, lid 2, BW dat, voor zover van belang, bepaalt dat de aangeboden zekerheid zodanig moet zijn dat de vordering en, zo daartoe gronden zijn, de daarop vallende rente (en kosten) behoorlijk gedekt zijn.

3.6. Voor zover al het (aldus op basis van de nationale regeling verklaarbare) verschil in renteaanwas bij de twee opties van fondsvorming als problematisch kan worden gezien – bijvoorbeeld vanwege de wijze waarop, bij een ontoereikend CLC-fonds, een aanspraak op een aanvullende uitkering op basis van het Fondsverdrag 1992wordt of moet worden beoordeeld – vormt dat geen aanleiding om aan NCC de in het verdrag neergelegde keuzemogelijkheid te ontzeggen. Overigens kan niet in zijn algemeenheid worden geoordeeld dat fondsvorming door storting in de consignatiekas nadelig uitpakt voor de schuldeisers; storting in de consignatiekas kan de schuldeisers ook voordelen bieden, zoals een geringer insolventierisico dan bij zekerheidsstelling door middel van een garantie. Dat Koole in het onderhavige geval door NCC’s keuze van fondsvorming wordt beperkt in haar (uiteindelijke) verhaalsmogelijkheid blijkt niet uit wat zij heeft aangevoerd; voor zover zij dit al heeft bedoeld te stellen, is die, door NCC betwiste, stelling onvoldoende onderbouwd, maar dit terzijde.

3.7. De slotsom is dat de grief van Koole geen doel treft. Er volgt daarom een bekrachtiging van de bestreden beschikking, met een veroordeling van Koole in de proceskosten van het hoger beroep, omdat zij daarin de in het ongelijk gestelde partij is.

4. De beslissing

Het hof:

  • bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

  • veroordeelt Koole (hoofdelijk) in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van NCC en Uni-Tankers c.s., telkens bepaald op € 798 aan verschotten en op € 2.428 aan salaris voor de advocaat;

  • wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gegeven door mrs. J.M. van der Klooster, D.A. Schreuder en F.G.M. Smeele en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.

Internationaal Verdrag inzake de wettelijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie, 1992 (Aansprakelijkheidsverdrag, 1992), Londen, 27-12-1992.

Verdrag inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen, Londen, 19 november 1976.

Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969.

Internationaal Verdrag betreffende de instelling van een Internationaal Fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, 1992 (Fondsverdrag 1992), Londen 27-11-1992

More Decisions