[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-ghdha-2026-874":3,"decision-more-ecli-nl-ghdha-2026-874":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1897","ECLI:NL:GHDHA:2026:874","",58,"Den Haag","den-haag","2026-04-28T00:00:00.000Z","GERECHTSHOF DEN HAAG\n\nCiviel recht\n\nTeam Handel\n\nZaaknummer hof : 200.345.952\u002F01\n\nZaak- en rolnummer rechtbank : C\u002F10\u002F653229 \u002F HA ZA 23-175\n\nArrest van 28 april 2026\n\nin de zaak van de hierna bij naam genoemde 19 appellanten (na intrekking van het hoger beroep door vijf appellanten, genoemd in de appeldagvaarding onder nummers 1, 4, 5, 15 en 21):\n\n1. [appellant] , wonend in [woonplaats] ,\n\n2. [appellant 1] ,wonend in [woonplaats] ,\n\n3. [appellant 2] ,wonend in [woonplaats] ,\n\n4. [appellant 3] ,wonend in [woonplaats] ,\n\n5. [appellant 4] ,wonend in [woonplaats] ,\n\n6. [appellant 5] ,wonend in [woonplaats] ,\n\n7. [appellant 6] ,wonend in [woonplaats] ,\n\n8. [appellant 7] ,wonend in [woonplaats] ,\n\n9. [appellant 8] ,wonend in [woonplaats] ,\n\n10. [appellant 9 ] ,wonend in [woonplaats] ,\n\n11. [appellant 10] ,wonend in [woonplaats] ,\n\n12. [appellant 11] ,wonend in [woonplaats] ,\n\n13. [appellant 12] ,wonend in [woonplaats] ,\n\n14. [appellant 13] ,wonend in [woonplaats] ,\n\n15. [appellant 15] ,wonend in [woonplaats] ,\n\n16. [appellant 16] ,wonend in [woonplaats] ,\n\n17. [appellant 17] ,wonend in [woonplaats] ,\n\n18. [appellant 18] ,wonend in [woonplaats] ,\n\n19. [appellant 19] ,wonend in [woonplaats] ,\n\nappellanten,\n\nadvocaat: mr. R.J.C. Bindels, kantoorhoudend in Utrecht,\n\ntegen\n\nSTICHTING HOGESCHOOL ROTTERDAM,\n\ngevestigd in Rotterdam,\n\ngeïntimeerde,\n\nadvocaat: mr. H.T. Verhaar, kantoorhoudend in Amsterdam.\n\nHet hof noemt voormelde 19 bij naam genoemde appellanten hierna: de Studenten, dan wel ieder afzonderlijk bij hun achternaam (en\u002Fof met het nummer uit de appeldagvaarding). Het hof noemt geïntimeerde hierna: Hogeschool Rotterdam.1. De zaak in het kort1.1. Deze zaak gaat over studievertraging die de Studenten hebben opgelopen bij hun studie ‘Bachelor Medische Hulpverlening’ (hierna: BMH) aan Hogeschool Rotterdam. Dit komt volgens de Studenten doordat Hogeschool Rotterdam niet heeft gezorgd voor voldoende stageplaatsen. Daarom vorderen ze schadevergoeding, waarvan de omvang bepaald moet worden in een andere procedure (de schadestaatprocedure). Hogeschool Rotterdam heeft de vordering betwist. Volgens Hogeschool Rotterdam hebben de Studenten om andere redenen studievertraging opgelopen. De rechtbank heeft dit verweer gevolgd en de vorderingen afgewezen.1.2. Het hof vernietigt het vonnis en wijst een gedeelte van de vorderingen toe. De schadevordering van elf studenten moet worden onderzocht in de schadestaatprocedure. De vorderingen van de overige acht studenten wijst het hof in dit arrest af.2. Procesverloop in hoger beroep2.1. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit de volgende stukken:\n\nde dagvaarding van 31 mei 2024, waarmee de Studenten (en de vijf appellanten in de appeldagvaarding genummerd 1, 4, 5, 15 en 21) in hoger beroep zijn gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 maart 2024;\n\nde memorie van grieven van de Studenten (en genoemde vijf appellanten), met bijlagen;\n\nde memorie van antwoord van Hogeschool Rotterdam, met bijlagen;\n\nde akte van de oorspronkelijke appellanten 1, 4, 5, 15 en 21, waarbij deze hun hoger beroep hebben ingetrokken; en\n\nde antwoordakte, waarbij Hogeschool Rotterdam zich akkoord heeft verklaard met de intrekking.2.2. Het hof zal in dit hoger beroep volstaan met het bespreken van de zaak van de Studenten, aangezien de overige vijf appellanten inmiddels niet meer bij deze procedure zijn betrokken.3. Feitelijke achtergrond3.1. De opleiding BMH is een nieuwe opleiding in de zorg. Deze is bij Hogeschool Utrecht (HU) en Hogeschool Nijmegen Arnhem (HAN) van start gegaan in september 2010. Hogeschool Rotterdam biedt sinds september 2012 de opleiding BMH aan, dit met instemming van de betreffende staatssecretaris, en deze is van overheidswege gefinancierd. Het gaat om een hbo-opleiding met een tweejarige basisopleiding en daarna specialisatie in acute zorg (ambulancezorg\u002Fspoedeisende hulp), chirurgie\u002Foperatieve zorg of anesthesie (de laatste twee specialisaties zijn vanaf studiejaar 2021 uit het curriculum gehaald).3.2. De met de BMH-opleiding te verwerven functie (hierna: BMH-er) is nog niet (definitief) ingebed in de Wet op de Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg (hierna: Wet BIG). Dit betekent dat nog niet is voorzien in een BIG-registratie van de BMH-er (ex artikel 3 Wet BIG) en dat een BMH-er niet zelfstandig de zogenaamde ‘voorbehouden handelingen’ (handelingen zonder toezicht en tussenkomst van een arts) mag verrichten. Een BMH-er mag onder de vlag van artikel 35 Wet BIG wel in opdracht van en onder toezicht van een zelfstandig bevoegde beroepsbeoefenaar medische handelingen verrichten.3.3. De BMH-opleiding leidt op tot een breed basisberoep met een eigen deskundigheid in de specialisatie (veelal de spoedeisende zorg). Het gaat om een bachelors-opleiding van vier jaar, die 240 studiepunten omvat (dus 60 studiepunten per jaar). Sinds de start van de BMH-opleiding in 2012 is deze op onderdelen aangepast.3.4. In het eerste en tweede studiejaar lopen studenten communicatieve en oriënterende stages. In het derde en vierde jaar moeten de studenten praktijkstages lopen die een aanzienlijke hoeveelheid studiepunten omvatten. Om voor de derdejaars stages in aanmerking te komen moeten de studenten voldoende (theoretische) kennis en vaardigheden in huis hebben (hierna ook: de drempel).3.5. Feitelijk is (tijdige) invulling van de praktijkstages niet steeds voor alle ingeschreven studenten mogelijk gebleken wegens schaarste aan stageplekken.3.6. Voorafgaand aan de start van deze opleidingen (bij de HAN en de HU) en ook later nog zijn diverse onderzoeken gedaan, onder meer in 2007 ‘Arbeidsmarktonderzoek naar de behoefte aan een hbo-opleiding Medische Hulpverlening’ (productie 4 bij inleidende dagvaarding) en in 2009 naar de ‘Macrodoelmatigheid van de bacheloropleiding Medische Hulpverlening’ (productie 5 bij inleidende dagvaarding) om de wenselijkheid en de haalbaarheid ervan te onderzoeken. Hieruit kwam (kort samengevat) naar voren dat, mede in verband met de vergrijzing, grote tekorten in de gezondheidszorg dreigen, dat er in beginsel behoefte aan en ruimte is voor een dergelijke hbo-opleiding, maar dat harde cijfers ontbreken. Deze rapporten noemen ook mogelijke knelpunten, zoals: (i) de beperkt beschikbare opleidingsmogelijkheden binnen de ziekenhuizen voor de BMH-er, mede gelet op de ontoereikende financiering ervan, (ii) de ontbrekende inbedding in de Wet BIG, waardoor na afstuderen (nog) geen voorbehouden handelingen zelfstandig mogen worden verricht (anders dan bij verpleegkundigen), zodat de meerwaarde van de betreffende BMH-ers door het ‘werkveld’ minder groot zou kunnen worden ingeschat, (iii) de noodzaak van het creëren van voldoende draagvlak in het werkveld. De opleiding moet volgens de benaderde informanten veel investeren in afstemming met vertegenwoordigers van het werkveld om de opleiding qua opzet en inhoud te laten aansluiten bij de eisen die in de praktijk aan medische hulpverleners worden gesteld én om voldoende draagvlak voor de opleiding te verwerven.3.7. De Beroepsvereniging van zorgprofessionals is in haar brief van 25 maart 2010 sceptisch over de nieuwe BMH-opleiding (a) omdat de afgestudeerden niet BIG-geregistreerd zijn, (b) de studenten naar verwachting een aantal praktische vaardigheden en competenties onvoldoende zullen gaan beheersen, terwijl zij (c) meer verwacht van verdere ontwikkeling van een post-hbo-opleiding voor verpleegkundigen.3.8. Bij een evaluatie in 2012 (versie oktober 2012) in opdracht van de HU komen sterktes en zwaktes van de BMH-opleiding naar voren (‘Kritische Reflectie Bacheloropleiding Medische Hulpverlening t.b.v. interne audit 2012’, (productie 9 inleidende dagvaarding, bladzijde 8 e.v.). Zo worden als zwaktes genoemd (a) een dreigend tekort aan stageplaatsen, mede als gevolg van subsidie voor andere opleidingen vanuit het Fonds Ziekenhuisopleidingen en (b) onzekerheid over de juridische positionering van de BMH-er.3.9. De HU noemt dit laatste in haar brief van 26 februari 2014 aan de minister van VWS een voorname oorzaak van het gebrek aan stageplaatsen en dringt aan op urgente behandeling van de juridische inbedding van de BMH-opleiding in de Wet BIG. Het Landelijk Platform BMH, waartoe de HAN, de HU en Hogeschool Rotterdam behoren, doet in juni 2014 hetzelfde.3.10. Inmiddels is aanpassing van de Wet BIG en de daarbij behorende regelgeving in gang gezet. Totdat dit geregeld is, kunnen afgestudeerde BMH-ers slechts werken onder verantwoordelijkheid van een zelfstandig bevoegde BIG-geregistreerde. Het kabinet heeft in 2022 besloten dat, wanneer bepaalde voorwaarden voor de BIG-registratie zijn vervuld, drie differentiaties van BMH zullen worden opgenomen in de Wet BIG (namelijk ambulancezorg, spoedeisende hulp en cardiodiagnostiek\u002F interventiecardiologie).3.11. De Studenten hebben de BMH-opleiding gevolgd (of zijn daar nog mee bezig) aan Hogeschool Rotterdam en zijn niet binnen de nominale tijd van vier jaar afgestudeerd.4. Procedure bij de rechtbank4.1. De Studenten (tezamen met anderen die niet (meer) in hoger beroep procederen) hebben Hogeschool Rotterdam gedagvaard en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, gevorderd: I. een verklaring voor recht dat Hogeschool Rotterdam onzorgvuldig jegens hen heeft gehandeld; II. Hogeschool Rotterdam te veroordelen tot schadevergoeding wegens dit onzorgvuldig handelen, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; III. Hogeschool Rotterdam te veroordelen in de buitengerechtelijke incassokosten, eveneens nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet; met veroordeling van Hogeschool Rotterdam in de proceskosten.4.2. \n\nVolgens de Studenten hebben zij studievertraging opgelopen door een schaarste aan stageplekken. Dit stage-tekort komt met name doordat de opleiding niet is ingebed in de Wet BIG, waardoor BMH-ers niet zelfstandig (voorbehouden) handelingen mogen verrichten en feitelijk niet nuttig kunnen worden ingezet binnen de medische wereld. Daardoor staat het werkveld terughoudend tegenover de BMH-opleiding en worden stages vrijwel niet aangeboden. Hier komt bij dat het gebrek aan stageplaatsen het gevolg is van bestaande ‘in-service’-opleidingen (binnen de ziekenhuizen). Voorts is onzorgvuldig gehandeld omdat de Studenten, na het afronden van de BMH-opleiding, een maatschappelijk waardeloos diploma hebben omdat zij geen BIG-registratie voor deze opleiding krijgen en er daarom voor hen geen passende plek op de arbeidsmarkt beschikbaar is.\n\nHogeschool Rotterdam had de Studenten van begin af aan hierover moeten informeren en hiervoor moeten waarschuwen. Hogeschool Rotterdam is, aldus nog steeds de Studenten, de onderwijsovereenkomsten niet deugdelijk nagekomen en\u002Fof heeft onrechtmatig jegens hen gehandeld. De Studenten houden Hogeschool Rotterdam aansprakelijk voor de schade die zij hierdoor lijden.4.3. Hogeschool Rotterdam heeft betwist dat zij tekortgeschoten is in de nakoming van de onderwijsovereenkomsten of onzorgvuldig en\u002Fof onrechtmatig jegens de Studenten heeft gehandeld. Verder heeft zij betwist dat, voor zover bij de Studenten daadwerkelijk sprake is van ongebruikelijke studievertragingen, deze vertragingen het gevolg zijn van stage-tekorten, zodat er (telkens) geen schade is geleden die in causaal verband staat met de door de Studenten gestelde tekortkomingen van Hogeschool Rotterdam.4.4. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen en onder meer de Studenten veroordeeld in de proceskosten. Kort samengevat is de rechtbank tot dit oordeel gekomen omdat de Studenten tegenover het uitvoerige (causaliteits)verweer van Hogeschool Rotterdam hun stelling dat de studievertraging is veroorzaakt door schaarste aan stageplekken (veronderstellenderwijs daarvan uitgaande) onvoldoende gemotiveerd hebben gehandhaafd.4.5. Daarnaast hebben de Studenten hun stelling dat zij geen passend werk hebben kunnen vinden vanwege het ontbreken van de mogelijkheid van BIG-registratie, onvoldoende onderbouwd, zodat zij niet hebben voldaan aan hun stelplicht, en hebben zij in strijd met art. 21 Rv gezwegen over alle vertraging veroorzakende feiten en omstandigheden, aldus nog steeds de rechtbank.5. Procedure bij het hof5.1. De Studenten zijn in hoger beroep gekomen van het vonnis. Zij vorderen bij het hof hetzelfde als bij de rechtbank. Zij hebben meerdere grieven tegen het vonnis gericht. Hogeschool Rotterdam heeft de grieven gemotiveerd bestreden.5.2. Hun grieven 1 en 2 bevatten klachten over de afwijzing van hun vorderingen op de grondslag stage-schaarste, zoals weergegeven in overwegingen 3.1 t\u002Fm 3.10 van het vonnis. Het hof zal deze twee grieven hierna samen bespreken.5.3. Grief 3 gaat over het gebrek aan mogelijkheden tot het vinden van passend werk voor [naam 1] (oorspronkelijk appellante nummer 4) wegens het ontbreken van de mogelijkheid tot BIG-registratie.5.4. Grief 4 gaat over de proceskostenveroordeling en heeft geen zelfstandige betekenis.6. Beoordeling in hoger beroepGrief 3 (BIG-registratie)6.1. \n\nDeze grief 3 betrof moeilijkheden bij het vinden van passend werk voor [naam 1] wegens het ontbreken van de mogelijkheid tot BIG-registratie. Aangezien [naam 1] haar hoger beroep heeft ingetrokken, is het belang aan deze grief komen te ontvallen. Het verwijt aan Hogeschool Rotterdam dat de Studenten door het gebrek aan inbedding in de Wet BIG geen passend werk hebben kunnen vinden, is dus in hoger beroep niet meer aan de orde, althans is behalve voor [naam 1] niet toegelicht. De grief treft daarom geen doel.\n\nDe grieven 1 en 2 (stage-schaarste)Stage-schaarste en toerekenbare tekortkoming (algemeen)6.2. \n\nHet hof stelt het volgende voorop. De Studenten hebben allen een vierjarige onderwijsovereenkomst gesloten met Hogeschool Rotterdam. Onderdeel daarvan is onder meer het volgen van verplichte stages in het derde en vierde studiejaar, waarvoor studiepunten worden toegekend. Op grond van artikel 7.4 lid 2 Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW) wordt een opleiding zodanig ingericht dat een student in staat is het aantal studiepunten te behalen waarop de studielast voor een studiejaar is gebaseerd (in dit geval 60 studiepunten).\n\nAls enerzijds gesteld en niet, althans niet voldoende gemotiveerd, weersproken staat vast dat de BMH-opleiding door diverse oorzaken te kampen heeft (gehad) met een tekort aan geschikte, tijdige, stageplaatsen voor BMH-studenten; er was schaarste aan stageplekken. In zoverre heeft Hogeschool Rotterdam niet steeds kunnen voldoen aan haar hoofdverplichting om haar studenten in staat te stellen telkens hun jaarlijkse studiepunten te behalen; dus om de studenten in staat te stellen om zonder noemenswaardige studievertraging de studie binnen vier jaren af te ronden.6.3. Het komt voor risico van Hogeschool Rotterdam wanneer zij haar verplichtingen uit haar onderwijsovereenkomst wegens schaarste aan stageplekken niet kan waarmaken. Dit geldt temeer, nu Hogeschool Rotterdam voorafgaande aan de start van de opleiding signalen heeft gekregen (zie onder meer de weergave bij de feiten) dat het vinden van voldoende stageplaatsen om diverse redenen op problemen zou kunnen stuiten. In dit verband noemt het hof het gegeven dat Hogeschool Rotterdam voorafgaande aan de start van de opleiding wist dat de BIG-registratie nog niet mogelijk was (en dat zij op wijziging hiervan slechts indirect invloed zou kunnen uitoefenen, aangezien aanpassing van de wet tot de verantwoordelijkheid van de overheid behoort) en wist dat dit belemmerend zou kunnen werken op het beschikbaar stellen van stageplaatsen. Er is geen aanwijzing dat zij alle Studenten hiervoor voldoende duidelijk en tijdig heeft gewaarschuwd.6.4. De omstandigheid dat Hogeschool Rotterdam zich naar haar zeggen meer dan voldoende heeft ingespannen om uiteindelijk stageplaatsen te regelen ontslaat haar niet van haar verantwoordelijkheid voor de overeengekomen studieduur, ook niet nu zij naar haar zeggen met deze opleiding tegemoetkwam aan een maatschappelijk probleem.6.5. Voor zover Hogeschool Rotterdam niet heeft voldaan aan de verplichting de opleiding zodanig in te richten dat de student de mogelijkheid heeft om zijn studie in vier jaar af te ronden, is zij tegenover de betrokken student tekortgeschoten in haar verplichting uit de onderwijsovereenkomst en haar verplichting op grond van art. 7.4 lid 2 WHW. Deze tekortkoming is ook toerekenbaar aan Hogeschool Rotterdam (behoudens bij bijzondere omstandigheden, die in deze procedure niet zijn gesteld of gebleken). De Studenten hebben naast wanprestatie ook een beroep gedaan op onrechtmatige daad. Uitgangspunt is dat een enkele tekortkoming in de nakoming van een verbintenis niet als zodanig grond oplevert voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad. Slechts in uitzonderingsgevallen wordt een handeling die wanprestatie oplevert, tevens als een onrechtmatige daad beschouwd waarop artikel 6:162 BW van toepassing is. Deze samenloop doet zich voor wanneer onafhankelijk van een toerekenbare tekortkoming sprake is van een onrechtmatige daad, terwijl die onrechtmatige daad wel verband houdt met de contractuele verhouding. Daarvan is hier geen sprake. Causaal verband met de schade6.6. Zoals Hogeschool Rotterdam terecht aanvoert (en de Studenten erkennen) kan schade die is veroorzaakt door het gebrek aan studievoortgang (mede) veroorzaakt zijn door omstandigheden die niet voor rekening komen van Hogeschool Rotterdam. De gestelde tekortkoming van Hogeschool Rotterdam betreft immers de stage-schaarste tijdens de studie. Vertragingen die Studenten tijdens hun studie hebben opgelopen door andere oorzaken dan gebrek aan stageplaatsen (bijvoorbeeld vertraging door het niet direct halen van tentamens of door te kiezen voor een studieonderbreking) komen niet voor vergoeding door Hogeschool Rotterdam in aanmerking. Op de Studenten rust de stelplicht (en bij betwisting de bewijslast) dat de studievertraging in hun geval is veroorzaakt door schaarste aan stageplaatsen.6.7. \n\nHogeschool Rotterdam heeft in eerste aanleg en hoger beroep de schadevordering gemotiveerd betwist. Zij heeft (per Student) gedetailleerd en onderbouwd betoogd dat de studievertraging van de betrokken Studenten niet was gelegen in schaarste aan stageplekken, maar in tal van andere, niet voor haar rekening komende, omstandigheden, zoals onvoldoende studieresultaten, niet reageren op sollicitatieoproepen, uitschrijven bij de BMH-opleiding, overstappen naar een andere opleiding, mentale klachten, ziekte, ontoereikende interesse en de Covid-19 pandemie. De Studenten hebben in eerste aanleg op dit uitvoerige verweer van Hogeschool Rotterdam slechts (te) beperkt gereageerd. De Studenten hebben in hoger beroep (ter herstel van verzuim) deels wél inhoudelijk gereageerd en (deels) nader gesteld waarom zij studievertraging (mede) door stage-schaarste opliepen. Gelet op het partijdebat, te weten wat partijen enerzijds hebben aangevoerd en anderzijds wel of juist niet (voldoende onderbouwd) hebben betwist, komt het hof tot het oordeel dat bij na te noemen Studenten de gestelde studievertraging nietis veroorzaakt doordat de Hogeschool Rotterdam geen (tijdige) stageplaats voor hen beschikbaar had (stage-schaarste), maar door andere omstandigheden. Dat betekent dat zij de schade door hun studievertraging niet op Hogeschool Rotterdam kunnen verhalen. Hun schadevergoedingsvordering zal het hof dus afwijzen.\n\nAfwijzing schadevergoeding gevorderd door Studenten (4) [appellant 3] , (6) [appellant 5] , (7) [appellant 6] , (10) [appellant 9 ] , (11) [appellant 10] , (13) [appellant 12] , (15) [appellant 15] en (19) [appellant 19] .6.8. Het hof zal hierna toelichten waarom na te noemen Studenten geen aanspraak hebben op schadevergoeding door Hogeschool Rotterdam. Hierbij noemt het hof de Student bij achternaam, terwijl, zoals eerder aangegeven, het nummer verwijst naar het appellantnummer op de appeldagvaarding. [appellant 3] (4).6.9. In eerst aanleg heeft [appellant 3] over haar vertraging alleen aangevoerd dat zij in 2015 met de BMH-opleiding is begonnen en deze naar verwachting in 2024 zal afronden.6.10. Hogeschool Rotterdam heeft bij conclusie van antwoord, voor zover van belang, gemotiveerd en gedocumenteerd betwist dat de studievertraging van [appellant 3] te maken heeft gehad met een tekort aan stageplaatsen. Hogeschool Rotterdam heeft in dit verband onder meer het volgende naar voren gebracht: • [appellant 3] is in studiejaar 2015-2016 gestart met de BMH-opleiding, en zou bij een nominaal studieverloop in augustus 2019 zijn afgestudeerd. • [appellant 3] heeft in haar tweede studiejaar (2016-2017) studievertraging opgelopen als gevolg van persoonlijke omstandigheden [hof: blijkens de memorie van grieven wegens zwangerschap van [appellant 3] ]. • [appellant 3] heeft in haar derde studiejaar (2017-2018) studievertraging opgelopen als gevolg van ernstige mentale klachten en heeft in dat jaar niet voldaan aan de stagedrempel. • [appellant 3] had aan het einde van haar derde studiejaar (2017-2018) een Theoretische Achterstand van 45 studiepunten (wat overeenkomt met een studiebelasting van negen maanden). • [appellant 3] kampte aan het einde van studiejaar 2018-2019, waarin zij bij een nominaal studieverloop zou zijn afgestudeerd, met een Theoretische Achterstand van 89 studiepunten (wat overeenkomt met een studiebelasting van ruim een jaar en vijf maanden). • [appellant 3] heeft zich in september 2019 uitgeschreven bij de BMH-opleiding en is toen overgestapt naar de Verpleegkundeopleiding.6.11. \n [appellant 3] heeft hier in hoger beroep (in bijlage 41), samengevat, als volgt op gereageerd: Zij is in september 2015 begonnen met de BMH-opleiding en heeft uiteindelijk gekozen voor de differentiatie \"Chirurgie\". Zij had in de zomer van 2019 moeten afstuderen maar door het gebrek aan stageplaatsen is de afronding van haar studie lange tijd stil komen te liggen. In haar derde jaar was voor [appellant 3] geen stage beschikbaar in verband met het stagetekort. Op aandringen van Hogeschool Rotterdam is zij in juli 2019 overgestapt naar de verkorte variant hbo-Verpleegkunde van drie jaar, waardoor zij op zijn vroegst in de zomer van 2022 haar hbo-diploma kan behalen en dus drie jaar studievertraging heeft. Hiervan komt één jaar voor eigen rekening en risico van [appellant 3] ; zij is in haar tweede jaar zwanger geraakt en moest hierdoor haar tweede jaar opnieuw doorlopen. De studievertraging - welke zuiver samenhangt met het stagetekort en de problematiek rondom de BMH-opleiding - komt dus neer op twee jaar.6.12. \n [appellant 3] heeft aldus het door Hogeschool Rotterdam geschetste studieverloop en de oorzaken daarvan in hoger beroep niet betwist. Zij heeft slechts gesteld dat in haar derde jaar geen stageplaats beschikbaar was wegens een tekort aan stageplaatsen. Zij heeft niet toegelicht waarom zij, ondanks haar ondermaatse studieresultaten en het niet behalen van de stagedrempel, wel in aanmerking zou zijn gekomen voor een stageplaats in haar derde en vierde jaar. Het hof gaat er daarom als niet, dan wel onvoldoende, weersproken van uit dat [appellant 3] niet in aanmerking kwam voor stages wegens onvoldoende studieresultaten. Onder deze omstandigheden valt Hogeschool Rotterdam hiervan geen verwijt te maken.6.13. \n [appellant 3] is vervolgens in 2019 overgestapt naar de opleiding Verpleegkunde. Vanaf dat moment viel zij niet meer onder de verantwoordelijkheid van Hogeschool Rotterdam. Los van de op het eerste gezicht logische overstap, is niet relevant dat de overstap op aandringen van Hogeschool Rotterdam is gedaan, omdat [appellant 3] daarvoor uiteindelijk kennelijk zelf heeft gekozen.6.14. \n\nHet voorgaande betekent dat [appellant 3] niet in aanmerking komt voor schadevergoeding wegens tekortkomingen van Hogeschool Rotterdam. Het hof zal deze vordering daarom aanstonds afwijzen. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is geen grond.\n\n [appellant 5] (6)6.15. In eerst aanleg heeft [appellant 5] in dit verband alleen aangevoerd dat zij in 2013 met de BMH-opleiding is begonnen en dat nog niet bekend is wanneer zij deze zal afronden.6.16. \n\nHogeschool Rotterdam heeft bij conclusie van antwoord, samengevat, gemotiveerd en gedocumenteerd betwist dat de studievertraging van [appellant 5] te maken heeft gehad met een tekort aan stageplaatsen. Hogeschool Rotterdam heeft in dit verband het volgende naar voren gebracht: • [appellant 5] is in studiejaar 2013-2014 gestart met de BMH-opleiding en zou bij een nominaal studieverloop in augustus 2017 zijn afgestudeerd. [appellant 5] heeft zich per 31 augustus 2017 uitgeschreven bij de BMH-opleiding. • Voor [appellant 5] was tijdig een derdejaarsstage beschikbaar. • [appellant 5] voldeed in april 2017 aan de stagedrempel voor haar vierdejaarsstage. Op dat moment waren er ook daadwerkelijk vierdejaarsstages beschikbaar. • [appellant 5] heeft verschillende keren gesolliciteerd voor een vierdejaarsstage, maar naar aanleiding van deze sollicitaties geen stageplek bemachtigd. • [appellant 5] heeft zich in augustus 2017 uitgeschreven. Zij had op het moment van uitschrijven nog een Theoretische Achterstand van 23 studiepunten (hetgeen overeenkomt met een studiebelasting van ruim vier maanden).\n\nUit het hiervoor geschetste studieverloop volgt volgens Hogeschool Rotterdam dat [appellant 5] op het moment van uitschrijven al studievertraging had opgelopen die samenhangt met Theoretische Achterstanden. Zij voldeed in april 2017 aan de stagedrempel voor de vierdejaarsstage. Zij is bij sollicitaties verschillende keren afgewezen, hetgeen aan [appellant 5] zelf valt toe te rekenen. Bovendien is [appellant 5] al in augustus 2017 (en dus drie maanden na het voldoen aan de stagedrempel) gestopt met de BMH-opleiding. Hogeschool Rotterdam betwist dan ook dat enig causaal verband bestaat tussen enige door [appellant 5] opgelopen studievertraging en de stageschaarste.6.17. \n [appellant 5] heeft bij memorie van grieven (ter herstel van verzuimen) (met name in bijlage 41) als volgt op dit verweer van Hogeschool Rotterdam gereageerd. Zij is in september 2013 begonnen met de BMH-opleiding en heeft uiteindelijk gekozen voor de differentiatie \"Operatie assistent\". [appellant 5] had in de zomer van 2017 moeten afstuderen maar door het gebrek aan stageplaatsen is de afronding van haar studie komen stil te liggen. In haar vierde jaar heeft [appellant 5] ruim zeven maanden gewacht op een stageplek. Doordat er geen (concreet) uitzicht was op een stageplek heeft [appellant 5] noodgedwongen haar studie in de zomer van 2017 moeten stopzetten.6.18. \n\nHet hof oordeelt als volgt. [appellant 5] is, hoewel zij daartoe zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de mogelijkheid heeft gehad, niet ingegaan op het verweer van Hogeschool Rotterdam (i) dat tijdig een derdejaarsstage beschikbaar was en (ii) dat zij in april 2017 voldeed aan de stagedrempel voor haar vierdejaarsstage en er toen ook daadwerkelijk vierdejaarsstages beschikbaar waren. Evenmin heeft [appellant 5] gereageerd op het verweer van Hogeschool Rotterdam (iii) dat zij verschillende keren heeft gesolliciteerd voor een vierdejaarsstage, maar naar aanleiding van deze sollicitaties geen stageplek heeft bemachtigd. [appellant 5] heeft volstaan met de stelling dat de studie door gebrek aan stageplaatsen is komen stil te liggen. Dit is, gelet op het uitvoerige verweer van Hogeschool Rotterdam, onvoldoende. [appellant 5] heeft aldus haar stelling dat zij niet tijdig heeft kunnen afstuderen door gebrek aan stageplaatsen niet deugdelijk onderbouwd. Daarom zal het hof de schadevordering van [appellant 5] reeds nu afwijzen. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is geen grond.\n\n [appellant 6] (7)6.19. In eerste aanleg heeft [appellant 6] in verband met studievertraging alleen de startdatum genoemd, namelijk september 2013, en de (verwachte) einddatum 10 oktober 2022.6.20. Hogeschool Rotterdam heeft bij conclusie van antwoord het volgende aangevoerd als verweer tegen de stelling van [appellant 6] dat haar studievertraging aan Hogeschool Rotterdam te wijten is: • Voor [appellant 6] was in haar derde studiejaar (2015-2016) tijdig een derdejaarsstage (32 studiepunten) beschikbaar, waarvoor zij een onvoldoende heeft behaald. • [appellant 6] had aan het einde van haar vierde studiejaar (2016-2017) een Theoretische Achterstand van 43 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van 8,6 maanden). • [appellant 6] heeft in haar vijfde studiejaar (2017-2018) zelf besloten om niet te solliciteren op beschikbare stages. • [appellant 6] had aan het einde van haar vijfde studiejaar (2017-2018) een Theoretische Achterstand van 33 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van 6,6 maanden). • [appellant 6] had aan het einde van haar zesde studiejaar (2018-2019) een Theoretische Achterstand van 11 studiepunten en aan het eind van haar zevende studiejaar een Theoretische Achterstand van 6 studiepunten. • [appellant 6] is in studiejaar 2020-2021 niet op gesprekken komen opdagen en heeft niet gereageerd op beschikbare stages. Zij is in dat jaar een andere opleiding gestart, die zij weer heeft gestaakt. • [appellant 6] is in studiejaar 2021-2022 afgewezen voor mogelijke stages op basis van haar curriculum vitae. Zij is vanwege persoonlijke omstandigheden niet naar een sollicitatiegesprek gegaan. • [appellant 6] heeft haar vierdejaarsstage in haar tiende studiejaar (2021-2022) op 15 juni 2022 gedaan, maar heeft daarna een onvoldoende gehaald voor haar eindassessment.6.21. \n [appellant 6] heeft dit verweer niet weersproken, hoewel ze daartoe zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de mogelijkheid heeft gehad. Zij heeft in geen enkel opzicht gereageerd. Dit betekent dat vaststaat (i) dat er voor haar in haar derde studiejaar een stageplaats beschikbaar was, waarvoor ze een onvoldoende heeft gehaald, (ii) dat ze in de jaren daarna (forse) studieachterstanden heeft behouden, (iii) dat ze in haar vijfde studiejaar niet heeft gesolliciteerd op (kennelijk wel) beschikbare stages, (iv) dat ze in haar achtste studiejaar niet is komen opdagen op gesprekken en niet heeft gereageerd op beschikbare stages, (v) dat ze in haar negende studiejaar is afgewezen voor mogelijke stages wegens haar (ontoereikende) curriculum vitae, terwijl (vi) zij in haar tiende studiejaar haar vierdejaarsstage – die kennelijk wel beschikbaar was – heeft behaald.6.22. \n\nAl met al gaat het hof ervan uit dat aan [appellant 6] in haar derde studiejaar wel degelijk een stageplaats beschikbaar is gesteld, terwijl daarna slechte studieresultaten en andere (persoonlijke) omstandigheden tot de studievertraging hebben geleid en niet het gebrek aan stageplaatsen. Daarom zal het hof de schadevordering van [appellant 6] aanstonds afwijzen. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is geen grond.\n\n [appellant 9 ] (10)6.23. In eerste aanleg heeft [appellant 9 ] in het kader van studievertraging slechts zijn studiestartdatum genoemd, namelijk september 2013, en dat de einddatum (nog) niet bekend is.6.24. Hogeschool Rotterdam heeft bij conclusie van antwoord het volgende (onderbouwd met producties) aangevoerd als verweer tegen de stelling van [appellant 9 ] dat zijn studievertraging aan Hogeschool Rotterdam te wijten is: • [appellant 9 ] is, anders dan gesteld, in studiejaar 2012-2013 gestart met de BMH-opleiding, en zou bij een nominaal studieverloop in augustus 2016 zijn afgestudeerd. [appellant 9 ] heeft gedurende zijn studie 2,5 jaar (namelijk tussen 10 juli 2017 en oktober 2019) geen onderwijs gevolgd en niets van zich laten horen, en zich op 31 augustus 2020 uitgeschreven bij de BMH-opleiding. • Voor [appellant 9 ] was tijdig een derdejaarsstage beschikbaar, die niet is doorgegaan vanwege privéomstandigheden als gevolg waarvan [appellant 9 ] een lange periode in het buitenland heeft doorgebracht. • [appellant 9 ] heeft naast zijn BMH-opleiding een opleiding tot wijkverpleegkundige gevolgd, wat heeft geleid tot studievertraging die aan [appellant 9 ] zelf is toe te rekenen. • [appellant 9 ] had in studiejaar 2015-2016 (het jaar waarin hij zou zijn afgestudeerd bij een nominaal studieverloop) een Theoretische Achterstand van 81 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van een jaar en vier maanden). • [appellant 9 ] had aan het eind van studiejaar 2016-2017 een Theoretische Achterstand van 74 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van een jaar en bijna drie maanden). • [appellant 9 ] heeft in de studiejaren 2017-2018, 2018-2019 én 2019-2020 geen enkel studiepunt gehaald en had op het moment dat hij zich uitschreef bij de BMH-opleiding een Theoretische Achterstand van 74 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van een jaar en bijna drie maanden). • Voor [appellant 9 ] heeft altijd een volledig studiejaar van 60 studiepunten aan onderwijs ter beschikking gestaan. Uit het hiervoor geschetste studieverloop volgt dat de door [appellant 9 ] opgelopen studievertraging samenhangt met persoonlijke omstandigheden. Voor [appellant 9 ] heeft bovendien altijd een volledig studiejaar aan onderwijs ter beschikking gestaan. Hogeschool Rotterdam betwist dan ook dat enig causaal verband bestaat tussen de door [appellant 9 ] opgelopen studievertraging en de stage-schaarste.6.25. \n [appellant 9 ] heeft bij memorie van grieven (ter herstel van verzuimen) (in bijlage 41) als volgt op dit verweer van Hogeschool Rotterdam gereageerd. Hij is in september 2013 begonnen met de BMH-opleiding en heeft uiteindelijk gekozen voor de differentiatie \"Anesthesie\". [appellant 9 ] had in de zomer van 2017 moeten afstuderen maar door het gebrek aan stageplaatsen is de afronding van zijn studie lange tijd komen stil te liggen. [appellant 9 ] heeft tijdens zijn studie slechts 9 weken stage kunnen lopen (te weten de snuffelstages in jaar 1 en 2). Voor [appellant 9 ] was nimmer een derde- of vierdejaarsstage beschikbaar. Uit wanhoop (en op advies van Hogeschool Rotterdam) is [appellant 9 ] in het studiejaar 2020-2021 overgestapt naar de in-service opleiding tot anesthesiemedewerker. Op het moment van overstap moest [appellant 9 ] nog anderhalf jaar stage lopen om zijn BMH-diploma te kunnen behalen. [appellant 9 ] zou dan ook (in de meest rooskleurige hypothetische situatie) eerst in februari 2022 zijn diploma hebben kunnen behalen. [appellant 9 ] ziet zich dan ook geconfronteerd met een (minimale) afstudeervertraging van 54 maanden die zuiver samenhangt met het tekort aan stageplaatsen.6.26. \n\nTegenover de stelling van Hogeschool Rotterdam dat de derdejaarsstage wél beschikbaar was, maar niet is doorgegaan vanwege privé-omstandigheden, als gevolg waarvan [appellant 9 ] lange tijd in het buitenland verbleef, heeft hij slechts (ongemotiveerd) gesteld dat de stage niet beschikbaar was. Hij heeft niet bestreden dat hij langere tijd naar het buitenland is gegaan en drie studiejaren lang geen studiepunten haalde. Ook heeft hij niet bestreden dat hij naast zijn BMH-opleiding de opleiding wijkverpleegkundige heeft gevolgd en dat dat mede de studievertraging in de BMH-opleiding verklaart. Aldus heeft hij niet deugdelijk onderbouwd dat de studievertraging is veroorzaakt doordat er geen stageplek voor hem was. Dit betekent dat het hof zijn schadevordering zal afwijzen. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is geen grond.\n\n [appellant 10] (11)6.27. In eerste aanleg heeft [appellant 10] over haar studievertraging alleen haar startdatum, september 2013, genoemd en aangegeven dat de einddatum (nog) niet bekend is.6.28. Hogeschool Rotterdam heeft bij conclusie van antwoord het volgende (onderbouwd met producties) aangevoerd tegen de stelling van [appellant 10] dat haar studievertraging aan Hogeschool Rotterdam te verwijten is: * [appellant 10] is in studiejaar 2013-2014 gestart met de BMH-opleiding en zou bij een nominaal studieverloop in augustus 2017 zijn afgestudeerd. [appellant 10] heeft zich op 31 oktober 2016 uitgeschreven bij de BMH-opleiding. • [appellant 10] heeft zélf besloten haar derdejaarsstage pas in februari 2017 te lopen en heeft specifiek voor die periode gesolliciteerd. • [appellant 10] heeft een stageplaats geweigerd vanwege de reisafstand en is afgewezen na een andere sollicitatie. Daarnaast heeft [appellant 10] ervoor gekozen om niet te solliciteren naar beschikbare stages. • [appellant 10] is halverwege studiejaar 2016-2017, haar beoogde afstudeerjaar bij een nominaal studieverloop, gestopt met de BMH-opleiding. • [appellant 10] had op het moment van stoppen een Theoretische Achterstand van 64 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van ruim een jaar), en er stond voor [appellant 10] op dat moment dus een volledig studiejaar aan onderwijs ter beschikking. Uit het hiervoor geschetste studieverloop volgt, aldus nog steeds Hogeschool Rotterdam, dat de door [appellant 10] opgelopen studievertraging samenhangt met persoonlijke keuzes en Theoretische Achterstanden die aan Karteler zelf zijn toe te rekenen. Hogeschool Rotterdam betwist dan ook dat er enig causaal verband bestaat tussen de door [appellant 10] opgelopen studievertraging en de stageschaarste.6.29. \n [appellant 10] heeft bij memorie van grieven (ter herstel van verzuimen) (in bijlage 41) als volgt op dit verweer van Hogeschool Rotterdam gereageerd. Zij is in september 2013 begonnen met de BMH-opleiding en heeft uiteindelijk gekozen voor de differentiatie \"Chirurgie\". Zij had in de zomer van 2017 moeten afstuderen maar door het gebrek aan stageplaatsen is de afronding van haar studie lange tijd komen stil te liggen. [appellant 10] kon in haar derde studiejaar geen stage lopen in verband met het stagetekort. [appellant 10] heeft haar volledige derde en vierde studiejaar tevergeefs gewacht op een derdejaarsstage. [appellant 10] is in haar vierde studiejaar gestopt met de BMH-opleiding omdat zij verdere vertraging en schade wilde voorkomen.6.30. \n\nHet hof overweegt dat [appellant 10] slechts met ‘blote stellingen’ (algemeenheden) heeft gereageerd op het verweer van Hogeschool Rotterdam. Zij is niet ingegaan op de stellingen van Hogeschool Rotterdam dat zij zélf heeft besloten haar derdejaarsstage pas in februari 2017 te lopen en ook specifiek voor die periode heeft gesolliciteerd, dat zij een stageplaats, die dus kennelijk wèl beschikbaar was, heeft geweigerd vanwege de reisafstand, dat zij is afgewezen na een andere sollicitatie en dat zij ervoor heeft gekozen om niet te solliciteren voor (wèl) beschikbare stages. Ten minste had van [appellant 10] gevergd mogen worden gemotiveerd toe te lichten dat en waarom het verweer van Hogeschool Rotterdam (kort samengevat dat zij door eigen keuzes geen stage liep) niet klopte. Aldus heeft [appellant 10] niet voldoende onderbouwd dat zij schade heeft gelede die werd veroorzaakt door een tekort aan stageplaatsen. Daarom zal het hof de schadevordering van [appellant 10] terstond afwijzen. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is geen grond.\n\n [appellant 12] (13)6.31. In eerste aanleg heeft [appellant 12] slechts haar studiestartdatum genoemd, namelijk september 2016, en de einddatum 28 september 2021.6.32. Hogeschool Rotterdam heeft bij conclusie van antwoord het volgende (onderbouwd met producties) aangevoerd tegen de stelling van [appellant 12] dat zij door stage-schaarste vertraging heeft opgelopen: * [appellant 12] is in studiejaar 2016-2017 gestart met de BMH-opleiding en zou bij een nominaal studieverloop in augustus 2020 zijn afgestudeerd. [appellant 12] heeft haar vierdejaarsstage behaald op 25 augustus 2021 en is afgestudeerd in september 2021. [appellant 12] is dus afgestudeerd met een vertraging van 13 maanden. • [appellant 12] had aan het eind van studiejaar 2019-2020, haar beoogde afstudeerjaar bij een nominaal studieverloop, een Theoretische Achterstand van 42 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van 8,4 maanden). • [appellant 12] is verschillende keren afgewezen voor haar derdejaarsstage na door haar gevoerde sollicitatiegesprekken. • [appellant 12] heeft in de studiejaren 2019-2020 en 2020-2021 vertraging in haar stages opgelopen vanwege de Covid-19 pandemie, die niet aan Hogeschool Rotterdam kan worden toegerekend en waarvoor [appellant 12] reeds een vergoeding van het profileringsfonds heeft ontvangen. * [appellant 12] heeft het causaal verband tussen stage-schaarste en haar studievertragingen dan ook op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt.6.33. \n [appellant 12] heeft hier in hoger beroep (in bijlage 41), samengevat, het volgende tegenovergesteld. Zij is in september 2016 begonnen met de BMH-opleiding en heeft uiteindelijk gekozen voor de differentiatie \"Chirurgie\". Zij zou in de zomer van 2020 moeten afstuderen maar door het gebrek aan stageplaatsen is de afronding van haar studie lange tijd komen stil te liggen. Zij heeft haar gehele derde studiejaar moeten wachten op een stage. Aan haar is geen stagevervangend traject c.q. simulatieregeling aangeboden teneinde haar afstudeervertraging te kunnen beperken. Eerst in haar vierde studiejaar heeft zij een derdejaarsstage weten te bemachtigen. In februari 2021 heeft zij eindelijk kunnen starten met haar afstudeerstage. De afstudeerstage duurt zes maanden. Zij heeft voor het overige nominaal gestudeerd en ziet zich (bij afstuderen per 30 september 2021) geconfronteerd met een afstudeervertraging die zuiver samenhangt met het tekort aan stageplaatsen van dertien maanden.6.34. \n [appellant 12] heeft aldus niet bestreden dat zij (i) in haar vierde studiejaar een achterstand had van 42 studiepunten, dat zij (ii) verschillende keren is afgewezen voor stageplekken voor haar derdejaarsstage en dat zij (iii) in de studiejaren 2019-2021 vertraging in haar stages heeft opgelopen vanwege de Covid-situatie.6.35. \n\nAldus staat vast (a) dat [appellant 12] studievertraging heeft opgelopen tijdens de Covid-periode (deze liep van maart 2020 tot begin 2021 zoals van algemene bekendheid is) en dus niet vanwege een verwijtbare stage-schaarste. Daarnaast staat als niet weersproken vast (b) dat [appellant 12] verschillende keren is afgewezen voor derdejaars stageplekken, terwijl (c) [appellant 12] in haar (nominale) vierde studiejaar een Theoretische Achterstand had van 42 studiepunten. Dit zijn, bij gebreke van door [appellant 12] aan te voeren andersluidende concrete gegevens, allemaal omstandigheden die niet voor rekening van Hogeschool Rotterdam komen. De stelling van [appellant 12] dat zij haar hele derde studiejaar tevergeefs heeft gewacht op een stageplaats, is in het licht van het verweer van Hogeschool Rotterdam ontoereikend. Aldus heeft [appellant 12] , op wie de stelplicht rust, niet deugdelijk onderbouwd dat de gestelde schaarste aan stageplaatsen de oorzaak is geweest van haar studievertraging. Dit betekent dat het hof de schadevordering van [appellant 12] aanstonds zal afwijzen. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is geen grond.\n\n [appellant 15] (15)6.36. In eerste aanleg heeft [appellant 15] slechts haar studiestartdatum, september 2012, genoemd en de (verwachte) einddatum juli 2024.6.37. Hogeschool Rotterdam heeft bij conclusie van antwoord het volgende (onderbouwd met producties) aangevoerd als verweer tegen de stelling van [appellant 15] dat haar studievertraging te wijten is aan Hogeschool Rotterdam: • [appellant 15] is in studiejaar 2012-2013 gestart met de BMH-opleiding, en zou bij een nominaal studieverloop in augustus 2016 zijn afgestudeerd. [appellant 15] verwacht blijkens de dagvaarding in juli 2024 af te studeren. • Voor [appellant 15] was in haar derde studiejaar (2014-2015) een derdejaarsstage (32 studiepunten) beschikbaar, die voortijdig is afgebroken vanwege het ontstaan van onveilige situaties. • [appellant 15] heeft in haar vierde studiejaar (2015-2016) tussen juli 2015 en januari 2016 een periode geen onderwijs kunnen volgen als gevolg van gezondheidsproblemen. • [appellant 15] had aan het eind van haar vierde studiejaar (2015-2016), haar beoogde afstudeerjaar bij een nominaal studieverloop, een Theoretische Achterstand van 28 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van 5,5 maand). • [appellant 15] had aan het eind van haar vijfde studiejaar (2016-2017) een Theoretische Achterstand van 19 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van bijna vier maanden). • [appellant 15] had aan het eind van haar zesde studiejaar (2017-2018) een Theoretische Achterstand van 15 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van drie maanden). • [appellant 15] had aan het eind van haar zevende en achtste studiejaar (2018-2019 en 2019-2020) een Theoretische Achterstand van 9 studiepunten (wat neerkomt op een studiebelasting van bijna twee maanden). • De derdejaarsstage van [appellant 15] is in studiejaar 2018-2019 voor een tweede keer vroegtijdig afgebroken om de veiligheid van de patiënten te waarborgen. • [appellant 15] heeft in oktober 2018 zelf aangegeven geen intrinsieke motivatie te hebben voor het vak, maar slechts door te gaan vanwege een studieschuld. • De derde derdejaarsstage van [appellant 15] in haar achtste studiejaar (2019-2020) is voor een derde keer per direct gestopt vanwege een gebrek aan theoretische kennis. • [appellant 15] heeft haar afstudeeropdracht in haar negende studiejaar (2020-2021) pas bij een zevende poging met succes afgerond. • De vierde derdejaarsstage van [appellant 15] in haar tiende studiejaar (2021-2022) is voor de vierde keer vroegtijdig gestaakt vanwege onvoldoende niveau in handelen en kennis en onveilig handelen in de praktijk. • [appellant 15] heeft geen gebruik gemaakt van het aan haar aangeboden onderwijs om haar theoretische kennis op peil te krijgen. Gelet op het hiervoor geschetste studieverloop van [appellant 15] en met name het feit dat (i) [appellant 15] behoorlijke Theoretische Achtstanden had en (ii) haar derdejaarsstage tot vier keer toe vroegtijdig is beëindigd vanwege het ontstaan van onveilige situaties en onvoldoende theoretische basis, betwist Hogeschool Rotterdam dat enig causaal verband bestaat tussen de door [appellant 15] opgelopen studievertraging en de stage-schaarste.6.38. \n [appellant 15] heeft hier in hoger beroep, samengevat, het volgende tegenovergesteld. Zij is in september 2012 begonnen met de BMH-opleiding en heeft uiteindelijk gekozen voor de differentiatie \"Anesthesie\". Zij had in de zomer van 2016 moeten afstuderen maar door het gebrek aan stageplaatsen is de afronding van haar studie lange tijd komen stil te liggen. [appellant 15] heeft in totaal drie jaar moeten wachten op een (afstudeer)stage. Aan [appellant 15] is geen stagevervangend traject c.q. simulatieregeling aangeboden teneinde haar afstudeervertraging te kunnen beperken. Op dit moment heeft [appellant 15] wel al haar scriptie (en overige vakken) kunnen afronden maar wacht zij nog steeds op een stage. Indien [appellant 15] een stage aangeboden krijgt zal zij in de zomer van 2022 haar diploma kunnen behalen. [appellant 15] ziet zich thans geconfronteerd met een studievertraging van minimaal zes jaar.6.39. \n\n [appellant 15] heeft niet betwist (zodat voor het hof vaststaat): (i) dat zij tijdens haar studie een half jaar ziek is geweest, (ii) dat haar derdejaarsstage viermaal voortijdig is afgebroken, dit wegens onveilige situaties (voor de patiënten, begrijpt het hof) en onvoldoende kennisniveau, (iii) dat zij bij herhaling onvoldoende studiepunten heeft behaald en (iv) dat zij haar afstudeeropdracht pas bij de zevende poging heeft gehaald. Aldus staat vast dat aan [appellant 15] wel degelijk stageplekken zijn aangeboden, maar dat zij de stages niet heeft voltooid om redenen die niet voor rekening van Hogeschool Rotterdam komen. Onder deze omstandigheden valt Hogeschool Rotterdam geen verwijt te maken van de opgelopen studievertraging. [appellant 15] heeft volstrekt onvoldoende onderbouwd dat in haar geval schaarste aan stageplekken de oorzaak van de studievertraging is geweest. Daarom zal het hof de vordering van [appellant 15] tot schadevergoeding wegens stageschaarste aanstonds afwijzen. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is geen grond.\n\n [appellant 19] (19)6.40. In eerste aanleg heeft [appellant 19] slechts zijn studiestartdatum genoemd, september 2012, en de (verwachte) einddatum als ‘nog niet bekend’ opgegeven. Daarnaast heeft hij een e-mail van 9 februari 2015 overgelegd over “Volgorde van indeling bij nieuwe stageplaatsen” waarin de Hogeschool Rotterdam aan hem en andere studenten schrijft dat er op dat moment een tekort aan stageplaatsen is waardoor bepaalde studenten de eerste voorkeur krijgen bij het vrijkomen van een stageplaats.6.41. Hogeschool Rotterdam heeft bij conclusie van antwoord (onderbouwd met producties) met name het volgende aangevoerd tegen de stelling van [appellant 19] dat hij studievertraging door stage-tekort heeft opgelopen: * [appellant 19] is in studiejaar 2012-2013 gestart met de BMH-opleiding, en zou bij een nominaal studieverloop in augustus 2016 zijn afgestudeerd. De afstudeerdatum van [appellant 19] is blijkens de dagvaarding nog niet bekend. • [appellant 19] had aan het einde van zijn vierde studiejaar (2015-2016), zijn beoogde afstudeerjaar bij een nominaal studieverloop, een Theoretische Achterstand van 52 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van ruim tien maanden). • [appellant 19] heeft in zijn vierde\u002Fvijfde studiejaar (2015-2016 en 2016-2017) een derdejaarsstage gelopen in Suriname waarvoor hij een onvoldoende heeft behaald. • [appellant 19] had aan het einde van zijn vijfde én zesde studiejaar (2016-2017en 2017-2018) een Theoretische Achterstand van 42 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van ruim acht maanden). • [appellant 19] heeft er in zijn zesde studiejaar voor gekozen niet te solliciteren op mogelijke stageplaatsen. • [appellant 19] heeft in zijn achtste studiejaar (2019-2020) een onvoldoende behaald voor zijn derdejaarsstage in Duitsland (of in ieder geval heeft hij niet voldoende beoordelingsformulieren verzameld om een voldoende beoordeling te krijgen). • De stage die [appellant 19] in het Erasmus MC heeft gevolgd in september 2020 is beëindigd omdat [appellant 19] \"op eigen houtje handelingen heeft verricht buiten protocol om en zonder ruggespraak van een medicus.\" • [appellant 19] heeft in de studiejaren 2020-2021 en 2021-2022 studievertraging opgelopen vanwege persoonlijke omstandigheden. • Een door [appellant 19] geregelde stage in studiejaar 2020-2021 kon niet doorgaan omdat [appellant 19] de afstudeeropdracht die voor deze stage een ingangseis vormde, niet op tijd had afgerond. • [appellant 19] had aan het eind van zijn zevende studiejaar (2018-2019) een Theoretische Achterstand van 25 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van vijf maanden). • [appellant 19] had aan het eind van zijn achtste, negende, tiende en elfde studiejaar een Theoretische Achterstand van 22 studiepunten (wat samenhangt met een studiebelasting van bijna 4,5 maand). • [appellant 19] is in zijn tiende studiejaar (2021-2022) meerdere keren uitgenodigd voor gesprekken en bijeenkomsten voor langstudeerders, maar is op geen enkele bijeenkomst verschenen. • [appellant 19] maakte in zijn elfde studiejaar (2022-2023) gebruik van simulatie-onderwijs om zijn niveau te bepalen en bevorderen. • [appellant 19] is op dit moment nog niet klaar voor een stage vanwege onveilig handelen. Gelet op het hiervoor geschetste studieverloop van [appellant 19] , en met name het feit dat de studievertraging is te wijten aan Theoretische Achterstanden en persoonlijke omstandigheden die niet aan Hogeschool Rotterdam zijn toe te rekenen, betwist Hogeschool Rotterdam dat enig causaal verband bestaat tussen de door [appellant 19] opgelopen studievertraging en de stage-schaarste. [appellant 19] heeft de mogelijkheid van door hem als gevolg van de stage-schaarste geleden schade, hetgeen vereist is voor verwijzing naar de schadestaatprocedure, dan ook op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt.6.42. \n [appellant 19] heeft hier in hoger beroep, samengevat, het volgende tegenovergesteld: Hij is in september 2012 begonnen met de BMH-opleiding en heeft uiteindelijk gekozen voor de differentiatie \"Anesthesie\". [appellant 19] had in de zomer van 2016 moeten afstuderen maar door het gebrek aan stageplaatsen is de afronding van zijn studie lange tijd komen stil te liggen. In zijn derde studiejaar was voor [appellant 19] geen stage beschikbaar. In zijn vierde studiejaar was enkel een stage beschikbaar in Suriname. [appellant 19] heeft deze stage geaccepteerd en is in april 2016 vertrokken naar Paramaribo. Bij afronding van zijn stage en terugkeer uit Suriname was voor [appellant 19] geen afstudeerstage beschikbaar. In zijn zevende studiejaar werd [appellant 19] geïnformeerd over het feit dat Hogeschool Rotterdam ging stoppen met de afstudeerrichting “Anesthesie”. Noodgedwongen en op nadrukkelijke instructie van Hogeschool Rotterdam is [appellant 19] eind 2018 geswitcht naar de afstudeerrichting \"Acute zorg\". Helaas bleek ook bij de afstudeerrichting “Acute zorg” het stagetekort groot. [appellant 19] heeft met een paar korte stages een aantal onderdelen kunnen aftekenen maar er resten nog 14 onderdelen. Aan [appellant 19] is toegezegd dat hij in de zomer van 2021 deze resterende 14 onderdelen mag gaan aftekenen. Dit zou betekenen dat [appellant 19] in februari 2022 kan afstuderen. Bij die stand van zaken ziet [appellant 19] zich geconfronteerd met een afstudeervertraging welke zuiver samenhangt met het tekort aan stageplaatsen van 5,5 jaar.6.43. \n\n [appellant 19] is blijkens het voorgaande op geen enkele manier ingegaan op de door Hogeschool Rotterdam genoemde ‘belabberde’ studie- en stageresultaten. Evenmin heeft hij de oorzaak van de vertraging in 2021 en 2022 wegens persoonlijke omstandigheden toegelicht. Vast staat dan ook (i) dat hij een onvoldoende heeft gehaald voor zijn stage in Suriname, (ii) dat hij een onvoldoende heeft gehaald voor zijn stage in Duitsland, (iii) dat zijn stage in het Erasmus MC is beëindigd wegens \"op eigen houtje handelingen verrichten buiten protocol om en zonder ruggespraak van een medicus.\", (iv) dat hij op dit moment nog niet klaar is voor een stage ‘wegens onveilig handelen’, terwijl (v) ook zijn theoretische vaardigheden onder de maat zijn gebleven. Zelfs al neemt het hof veronderstellenderwijs aan dat zijn stageplaatsen aanvankelijk niet beschikbaar waren, dan nog is er geen aanwijzing dat [appellant 19] , gelet op zijn zorgelijke, ontoereikende, stagehistorie op de momenten waarop hij wèl stage kon lopen en zijn gebrekkige theoretische studieresultaten, een succes had weten te maken van eventuele tijdig beschikbare stageplaatsen. [appellant 19] had als partij die voor meer dan vijf jaren vertraging een schadevergoeding van de Hogeschool Rotterdam eist, meer inzicht hierin moeten geven. Dit heeft hij niet gedaan. [appellant 19] heeft aldus tegenover het uitvoerige verweer van Hogeschool Rotterdam niet deugdelijk onderbouwd dat hij studievertraging heeft opgelopen door voor rekening van Hogeschool Rotterdam komende tekortkomingen. De oorzaak ervan ligt ‘op zijn eigen bordje’. Daarom zal het hof de schadevordering van [appellant 19] aanstonds afwijzen. Voor verwijzing naar de schadestaatprocedure is geen grond.\n\nVerwijzing naar de schadestaatprocedure van de zaken van de volgende elf Studenten, te weten [appellant] (1), [appellant 1] (2), [appellant 2] (3), [appellant 4] (5), [appellant 7] (8), [appellant 8] (9), [appellant 11] (12), [appellant 13] (14), [appellant 16] (16), [appellant 17] (17) en [appellant 18] (18).6.44. Niet zonder meer duidelijk is of en zo ja in welke mate de overige elf Studenten aanspraak hebben op schadevergoeding wegens stage-schaarste. Dit vergt, gelet op de verweren van Hogeschool Rotterdam en de nadere stellingen van deze Studenten in hoger beroep, een grondige individuele beoordeling, met name van de vraag of en, zo ja, in welke mate zij schade hebben geleden vanwege studievertraging door stage-schaarste. Begroting van de door hen gevorderde schadevergoeding vanwege stage-schaarste is thans nog niet mogelijk. Anders dan Hogeschool Rotterdam heeft betoogd, hebben deze Studenten in hoger beroep (ter herstel van verzuimen) wel aannemelijk gemaakt(volledig bewijs is in dit stadium nog niet nodig) dat bij ieder van hen sprake is van eenmogelijkheid van schadedie is veroorzaakt door stage-schaarste. Daarom zal het hof deze zaken verwijzen naar de schadestaatprocedure. Vordering II is in zoverre toewijsbaar.6.45. Voor de goede orde wijst het hof in dit stadium nog op het volgende.6.46. Voor zover de Studenten de omvang van hun schadevorderingen hebben gebaseerd op de Letselschade Richtlijn Studievertraging, is het hof van oordeel dat deze richtlijn niet rechtstreeks van toepassing is. De gestelde schade wegens studievertraging is immers niet door een ongeval veroorzaakt. Verder is, zoals hiervoor ook is overwogen, de opgelopen studievertraging die is veroorzaakt door maatregelen van overheidswege in de Covid-periode, niet aan Hogeschool Rotterdam toe te rekenen.6.47. De overige verweren van Hogeschool Rotterdam kunnen in de schadestaatprocedure aan de orde worden gesteld. Dat geldt zowel voor verweren die zien op de oorzaak van studievertragingen als op verweren over de aan ieder van de Studenten te vergoeden schade (zoals bijvoorbeeld het bij memorie van antwoord gevoerde verweer dat sommige Studenten al maximaal zijn gecompenseerd voor hun studievertraging). Dit geldt ook voor de buitenrechtelijke incassokosten (vordering III) waarop deze elf Studenten aanspraak maken.6.48. \n\nVoor toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht (vordering I), inhoudende dat Hogeschool Rotterdam onzorgvuldig heeft gehandeld, naast gevorderde schadevergoeding (vordering II) hebben deze Studenten geen belang. Het hof zal deze vordering afwijzen.\n\nConclusie en proceskosten6.49. Het hof komt tot de volgende conclusie:\n\nHet hof zal het vonnis vernietigen.\n\nHet hof zal vordering I afwijzen, omdat deze ziet op een verklaring voor recht voor alle Studenten en mede gebaseerd is op geen passend werk (grief 3) en de Studenten naast schadevergoeding geen belang hebben bij zo’n verklaring.\n\nHet hof zal Hogeschool Rotterdam jegens voormelde elf Studenten veroordelen tot schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet (inclusief de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten) (vorderingen II en III).\n\nHet hof zal de schadevorderingen van de overige acht Studenten afwijzen.\n\nHet hof zal de proceskosten compenseren, aangezien partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld.\n\nBeslissing\n\nHet hof:\n\nvernietigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 6 maart 2024; en opnieuw rechtdoende:\n\nveroordeelt Hogeschool Rotterdam tot het betalen van schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet in de zaken van de Studenten (1) [appellant] , (2) [appellant 1] , (3) [appellant 2] , (5) [appellant 4] , (8) [appellant 7] , (9) [appellant 8] , (12) [appellant 11] , (14) [appellant 13] , (16) [appellant 16] , (17) [appellant 17] en (18) [appellant 18] ;\n\nbepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt van de procedure in eerste aanleg en hoger beroep;\n\nwijst af wat in hoger beroep meer of anders is gevorderd.\n\nDit arrest is gewezen door mrs. G. Dulek-Schermers, T.G. Lautenbach en A.J. Swelheim en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2026 in aanwezigheid van de griffier.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:874","ecli-nl-ghdha-2026-874",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,51,61],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":8,"legalDomain":50,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht",{"id":52,"ecli":53,"caseNumber":6,"courtId":54,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":55,"language":12,"source":13,"sourceUrl":56,"summary":6,"slug":57,"metadata":58},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":59,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":6,"courtId":64,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":69,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]