ECLI:NL:GHSHE:2026:1278
Case Summary
Bestuursrecht; Belastingrecht
Uitspraak
's-Hertogenbosch
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 25/834
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van
24 maart 2025, nummer BRE 24/2629, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
1. Ontstaan en loop van het geding
1.1.. De inspecteur heeft de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) 2020 opgelegd. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht.
1.2.. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3..
Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.. Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de inspecteur.
1.6.. De zitting heeft plaatsgevonden op 9 april 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen belanghebbende en [persoon] en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.7.. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
2. Feiten
2.1.. Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in Nederland.
2.2.. Van 18 oktober 2005 tot 2 juni 2022 heeft belanghebbende in loondienst gewerkt voor [bedrijf groep] , waarbij achtereenvolgens als werkgever optraden [bedrijf 1] (van 18 oktober 2005 tot 2 augustus 2013), [bedrijf 2] Luxembourg branch (van 2 augustus 2013 tot 30 september 2018) en [bedrijf 3] (van 1 oktober 2018 tot 2 juni 2022).
2.3..
Gedurende de twee laatstgenoemde dienstverbanden waren [bedrijf 2] ,
Luxembourg branch, respectievelijk [bedrijf 3] inhoudingsplichtige voor de Nederlandse loonbelasting.
2.4.. Tot 1 september 2017 was belanghebbende verplicht sociaal verzekerd in Luxemburg. In dat kader nam hij verplicht deel aan de Luxemburgse pensioenregeling bij Caisse nationale d'assurance pension (hierna: CNAP). De werkgever betaalde de ene helft van de premies, de andere helft van de premies kwam voor rekening van belanghebbende als werknemer.
2.5.. Vanaf 1 september 2017 is belanghebbende verplicht sociaal verzekerd in Nederland en daarom vanaf die datum premieplichtig in Nederland. Op 31 augustus 2017 eindigde derhalve de verplichte sociale verzekering in Luxemburg en daarmee ook de onder 2.4 genoemde inhouding van de werkgever- en werknemersbijdragen op het loon van belanghebbende. [bedrijf 2] , Luxembourg branch heeft belanghebbende geïnformeerd over de mogelijkheid om in Luxemburg pensioenpremies te blijven voldoen en schrijft daarover het volgende:
“It came to our knowledge that there is a possibility for you to continue paying pension funds in Luxembourg, even though you have been disaffiliated as per August the 31st, 2017.
The system is based on a voluntary applicationwhich all of you can make, if you are interested in continuing to contribute for pension funds in Luxembourg and it can be done retrospectively to September the 1st, 2017.
(…) the company has decided to participate in contributing pension funds in Luxembourg, for those who wish to apply for it. The maximum proportion of the cost which the company can offer is 8% of your total gross salary, such as we've contributed for you during your affiliation in Luxembourg the years before.
(…)
Please note that this application is an exclusive agreement between the employee and the Luxembourgish Pension institution; the invoice has to be entirely paid by the employee and only if the employee provides a copy of the invoice, the company will be able to reimburse the corresponding part of the cost (which can only be maximum half of the amount - 8% of your total gross salary).
As mentioned here above, the company is willing to meet you in case if your country of affiliation offers you a less favorable pension scheme than provided by the Luxembourgish public pension institution BUTit is solely up to you, whether to decide to subscribe to the voluntary continuation of pension contributions in Luxembourg or not.”
2.6.. Belanghebbende heeft ervoor gekozen om na 1 september 2017 door te gaan met het betalen van pensioenpremies in Luxemburg. Hij betaalt die premies van zijn privébankrekening aan Centre Commun de la Sécurité Sociale (CCSS), gevestigd te Luxemburg. Belanghebbende heeft in het jaar 2020 in totaal een bedrag van € 14.830 betaald aan CCSS.
2.7.. Belanghebbende heeft in 2020 van [bedrijf 3] elke maand een bedrag van € 1.361,83 bruto ontvangen, aangeduid op de loonstroken als ‘pension contribution’.
Daarover schrijft [bedrijf 3] aan belanghebbende:
“If you are making pension contributions to LUX pension CCSS.
On your payslips (…) you will see a new Gross amount. This is due to the fact that [bedrijf 4] decided to put your pension contributions on your payslip and not pay them separately into your personal bankaccounts (…).”
2.8.. Volgens de gerenseigneerde loongegevens heeft belanghebbende in 2020 van [bedrijf 3] een fiscaal loon ontvangen van in totaal € 82.625, waarvan € 16.332 aan pension contributions.
2.9.. In de aangifte IB/PVV voor het jaar 2020 heeft belanghebbende in de rubriek ‘loon, uitkering ZW en andere inkomsten uit tegenwoordige dienstbetrekking’ onder meer het van [bedrijf 3] ontvangen bedrag van € 82.625 aangegeven en verder een negatieve post opgenomen van € 7.415 met de omschrijving ‘betaalde pensioenpremie CCSS Luxemburg’.
2.10.. De inspecteur is bij het opleggen van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2020 van de aangifte afgeweken. Hij heeft het door belanghebbende in zijn aangifte opgenomen negatieve bedrag van € 7.415 in de aanslag IB/PVV 2020 niet in aftrek van het box 1-inkomen toegelaten.
2.11.. De aanslag is vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 84.708. Tevens is bij beschikking € 348 belastingrente in rekening gebracht. De inspecteur heeft de aanslag en de rentebeschikking bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
3. Geschil en conclusies van partijen
3.1.. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op een aftrek van het inkomen uit werk en woning voor het gedeelte van de door hem aan CCSS betaalde premies, dat niet door zijn werkgever is vergoed.
3.2.. Belanghebbende concludeert tot vermindering van het inkomen uit werk en woning met € 7.415 tot € 77.293. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4. Gronden
Ten aanzien van het geschil
4.1.. Het hof stelt voorop dat belanghebbende heeft verzocht om aftrek tot een bedrag van € 7.415. Dat bedrag betreft het saldo van de totaal door belanghebbende in 2020 aan CCSS betaalde premies van € 14.830, verminderd met het bedrag dat belanghebbende van [bedrijf 3] heeft ontvangen als ‘pension contributions’ na aftrek van de daarover ingehouden loonheffingen. Partijen zijn het erover eens dat het van [bedrijf 3] ontvangen brutobedrag van € 16.332 correspondeert met een netto bedrag van € 7.415, welk bedrag vergelijkbaar is met de hoogte van de werkgeversbijdrage van de verplichte pensioenbijdragen aan CNAP van voor 1 september 2017.
(Negatief) loon?
4.2.. Het hof zal, gelijk de rechtbank heeft gedaan, eerst stilstaan bij de vraag of de ‘pension contributions’ die belanghebbende van zijn werkgever heeft ontvangen, terecht tot het belastbaar loon zijn gerekend. De rechtbank heeft dienaangaande het volgende geoordeeld:
“Belastbaar loon5.1..
De rechtbank stelt in haar beoordeling voorop dat de inspecteur voor wat betreft de
hoogte van het belastbaar inkomen uit arbeid in de aanslag is uitgegaan van door hem
ontvangen gerenseigneerde loongegevens. Dat acht de rechtbank als uitgangspunt juist. De
vergoeding die belanghebbende van zijn werkgever ontving, betreft een geldelijke
vergoeding voortkomend uit dienstverband die belanghebbende heeft aangewend voor een
vrijwillige voortzetting van de voormalige CNAP-regeling bij het CCSS in Luxemburg.
Omdat die vergoeding door de werkgever aan belanghebbende in geld is uitgekeerd en door
belanghebbende zelf en vrijwillig is aangewend om betalingen aan een door hem in privé
overeengekomen verzekering te voldoen, is geen sprake van ‘inhouding’ van
pensioenpremies door de werkgever, of van een ‘aanspraak’ ingevolge een
pensioenregeling.1 Dat betekent dat belanghebbende in dat kader van zijn werkgever geen
van de loonbelasting vrijgesteld loon heeft ontvangen. De inspecteur heeft het belastbaar
loon van belanghebbende daarom niet tot een te hoog bedrag in de aanslag IB/PVV 2020
betrokken.
Onder vermelding van voetnoot 1:
Zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder c en j, van de Wet op de Loonbelasting 1964. In
afwijking van de hoofdregel van artikel 3.81 Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) in
combinatie met artikel 10, eerste en tweede lid van de Wet op de Loonbelasting 1964.”
Het hof acht dit oordeel van de rechtbank juist en op goede gronden gegeven en maakt het tot de zijne.
4.3.. Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting het voor zijn rekening gebleven deel van de aan CCSS betaalde premies als negatief loon in mindering gebracht op zijn inkomen uit werk en woning.
4.4.. Naar het oordeel van het hof is geen sprake van negatief loon. Het is belanghebbende die in privé de verzekering heeft afgesloten bij CCSS. De werkgever omschrijft het als een “exclusive agreement between the employee and the Luxembourgish Pension institution” (zie 2.5). Anders dan voorheen bij CNAP, is belanghebbendes werkgever geen partij bij de door belanghebbende met CCSS afgesloten verzekeringsovereenkomst. Belanghebbende heeft zichzelf op vrijwillige basis verbonden aan de deelname aan de pensioenverzekering bij CCSS. De aanspraak op uitkeringen die hij daarmee verkrijgt is geen aanspraak op pensioen als bedoeld in artikel 18 van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB), in verband waarmee de uitkeringen niet zijn aan te merken als loon in de zin van die wet. Derhalve houdt de premie die belanghebbende aan de pensioenverzekering heeft betaald onvoldoende verband met zijn dienstbetrekking om als negatief loon te kunnen worden aangemerkt.
4.5.. De stelling van belanghebbende dat geen sprake is van een willekeurig gekozen verzekering, maar dat een en ander in het verlengde ligt van de voor 1 september 2017 verplichte sociale verzekering via CNAP in Luxemburg (zie onder 4.1 hiervoor), maakt het voorgaande, wat er ook van deze stelling zij, niet anders.
4.6.. Belanghebbende stelt verder nog dat de werkgever en werknemer pensioen zijn overeengekomen. Voor zover belanghebbende hiermee heeft bedoeld te stellen dat de werkgever een pensioentoezegging heeft gedaan aan belanghebbende, is die stelling niet aannemelijk gemaakt. Uit de door belanghebbende overgelegde stukken valt niet op te maken dat de werkgever aan belanghebbende een pensioentoezegging heeft gedaan (namelijk dat sprake is van pensioenopbouw via de werkgever), maar juist dat de werkgever een vergoeding betaalt voor de door belanghebbende zelf in privé afgesloten pensioenverzekering bij CCSS. Een vergoeding betalen is iets anders dan een pensioentoezegging doen.
4.7.. De verwijzing van belanghebbende naar het vraag-en-antwoordbesluit, gepubliceerd op 11 december 2019 met de titel “V&A 19-010 Behandeling van door werknemers betaalde pensioenpremie aan een beroepspensioenfonds in de aangifte inkomstenbelasting”, wordt door het hof verworpen. Dit besluit ziet namelijk op werknemers die deelnemen aan de pensioenregeling van een beroepspensioenfonds en zelf de pensioenpremie aan dat fonds betalen. De situatie van belanghebbende valt niet onder de reikwijdte van dit besluit, alleen al omdat de pensioenregeling van belanghebbende bij CCSS niet blijft binnen de grenzen die zijn opgenomen in hoofdstuk IIB en VIII van de Wet LB en de daarop gebaseerde regelgeving, zie onder 4.2 en 4.4 hiervoor. In het besluit wordt in dat kader ook verwezen naar het door het hof in 4.4 aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 26 november 2010.
Uitgave voor inkomensvoorzieningen (premie voor lijfrente)?4.8.. De volgende vraag waarvoor het hof zich geplaatst ziet is of belanghebbende de premies in aftrek kan brengen als uitgaven voor inkomensvoorzieningen. De rechtbank heeft dienaangaande het volgende overwogen:
“5.2. De rechtbank begrijpt het betoog van belanghebbende verder zo dat de betalingen
aan het CCSS als uitgaven voor inkomensvoorziening in mindering op zijn box 1-inkomen
moeten worden gebracht als aftrekbare premies voor lijfrente. In dat kader rust op belanghebbende de bewijslast om aannemelijk te maken dat de betalingen kwalificeren als
premies voor lijfrente als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001,
en dat die premies dienen ter compensatie van een pensioentekort2. Aan die bewijslast heeft belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan. Aan de hand van hetgeen
belanghebbende heeft gesteld en de stukken die hij heeft overgelegd, kan namelijk niet de
conclusie worden verbonden dat de premies aan de definitiebepaling van lijfrente voldoen.
Belanghebbende heeft daar mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de inspecteur
onvoldoende voor gesteld noch met concrete verifieerbare stukken zijn stellingen in dat
kader onderbouwd. Dat betekent dat reeds om die reden belanghebbende de betaalde bedragen aan het CCSS niet als inkomensvoorziening in mindering op zijn box 1-inkomen
kan brengen.
Onder vermelding van voetnoot 2:
Zie de voorwaarden van artikel 3.124 eerste lid, onder a, van de Wet IB 2001.”
Het hof acht dit oordeel van de rechtbank juist en op goede gronden gegeven en maakt het tot de zijne.
4.9.. Belanghebbende heeft verder gesteld dat sprake is van strijd het Europees recht, waaronder diverse artikelen uit het Europees verdrag voor de rechten van de Mens en het Verdrag inzake de werking van de Europese Unie. De rechtbank heeft dienaangaande het volgende overwogen:
“Europees discriminatieverbod5.4..
Belanghebbende betoogt verder dat de minister een onderscheid maakt door alleen
sommige buitenlandse pensioenverzekeraars als toegelaten pensioenstellingen in de zin van
artikel 3.126 van de Wet IB 2001 aan te merken5. Dat onderscheid is volgens belanghebbende discriminerend en strijdig met het Unierecht. De rechtbank komt aan een
inhoudelijke beoordeling van deze stelling niet toe, reeds omdat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de betalingen aan het CCSS in zijn geval kwalificeren als
premies voor lijfrente in de zin van artikel 1.7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001.
Dat betekent dat het beroep van belanghebbende in zoverre dus ook niet kan slagen.
Onder vermelding van voetnoot 5:
Artikel 3.126, derde lid, van de Wet IB 2001 in combinatie met artikel 14 van het Uitvoeringsbesluit inkomstenbelasting 2001.”
Het hof acht dat oordeel juist en op goede gronden gegeven en maakt het tot de zijne.
4.10.. Over klachten die zich richten tegen de wettelijke regeling als zodanig kan het hof zich niet uitlaten, omdat de rechter niet bevoegd is de innerlijke waarde en billijkheid der wet te beoordelen. Dat volgt uit artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk.
4.11.. Belanghebbende is het verder niet eens met het oordeel van de rechtbank over het vertrouwensbeginsel. De rechtbank heeft dienaangaande als volgt geoordeeld:
“Vertrouwensbeginsel5.5..
Ook de beroepsgrond van belanghebbende dat het vertrouwensbeginsel is
geschonden omdat de inspecteur de ingediende aangiften van belanghebbende in andere
jaren wel heeft gevolgd en alleen voor het jaar 2020 is afgeweken, slaagt niet. Voor in
rechte te beschermen gewekt vertrouwen als hier bedoeld, is meer vereist dan de enkele
omstandigheid dat de inspecteur gedurende een aantal jaren bij het regelen van de aanslag
op een bepaald punt de aangifte heeft gevolgd. Dat sprake is van bijkomstige omstandigheden die leiden tot gewekt vertrouwen, is echter niet aannemelijk geworden.”
Het hof acht dit oordeel juist en op goede gronden gegeven en maakt het tot de zijne.
4.12.. Het hof verwerpt de stelling van belanghebbende dat het niet in aftrek toestaan van de premies leidt tot een buitensporige last en potentieel dubbele heffing omdat hij deze stelling niet nader heeft onderbouwd.
4.13.. Al hetgeen belanghebbende voor het overige nog heeft gesteld, leidt het hof niet tot een ander oordeel.
4.14.. Voorgaande brengt het hof tot het oordeel dat belanghebbende geen recht heeft op de door hem gevraagde aftrek van aan CCSS betaalde premies.
Tussenconclusie
4.15.. De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.16.. Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.17.. Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht.
5. Beslissing
Het hof:
verklaart het hoger beroep ongegrond;
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door M.H. van Schaik, voorzitter, J.M. van der Vegt en W.W. Monteiro, in tegenwoordigheid van E. Royakkers, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
E. Royakkers M.H. van Schaik
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (ziewww.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Hoge Raad 26 november 2010, ECLI:NL:2010:BM9268.
Zie voetnoot 1.