[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbams-2026-2670":3,"decision-more-ecli-nl-rbams-2026-2670":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"937","ECLI:NL:RBAMS:2026:2670","",56,"Amsterdam","amsterdam","2026-03-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F771220 \u002F HA ZA 25-1199\n\nVonnis van 18 maart 2026\n\nin de zaak van\n\nde maatschap\n\n [eiser],\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] ,\n\neisende partij in conventie,\n\nverwerende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [eiser] ,\n\nadvocaat: mr. C.L. Kock,\n\ntegen\n\n [gedaagde],\n\nwonende te [woonplaats] ,\n\ngedaagde partij in conventie,\n\neisende partij in reconventie,\n\nhierna te noemen: [gedaagde] ,\n\nadvocaat: mr. G.A. Tsiris.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\nde dagvaarding van 4 juni 2025, met producties 1 tot en met 12,\n\nde conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, met producties 1 tot en met 42,\n\nde conclusie van antwoord in reconventie, met producties 13 tot en met 28,\n\nhet tussenvonnis van 15 oktober 2025 waarin een mondelinge behandeling is gelast,\n\nhet proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 15 januari 2026 en de daarin opgenomen processtukken en proceshandelingen, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.\n\n1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.\n\n2. De feiten in conventie en in reconventie\n\n2.1.. \n [gedaagde] is in 2023 in een arbeidsrechtelijk geschil geraakt met haar werkgeefster ITA (Internationaal Theater Amsterdam). [gedaagde] heeft juridische bijstand gezocht. Haar eerste advocaat heeft een bedrag van € 1.250 (exclusief btw) in rekening gebracht voor initieel overleg met ITA.\n\n2.2.. Op 29 januari 2024 is [gedaagde] een online inzamelingsactie (crowdfunding) begonnen om de juridische kosten te betalen.\n\n2.3.. Op 1 februari 2024 heeft [gedaagde] een uitvoerige e-mail aan advocatenkantoor [eiser] gestuurd over haar situatie met ITA en dat zij voor juridische bijstand een crowdfunding is begonnen. Vervolgens is [gedaagde] op het kantoor van [eiser] geweest voor een persoonlijk gesprek.\n\n2.4.. Bij brief van 14 februari 2024 heeft [eiser] de opdracht van [gedaagde] tot advisering en bijstand aanvaard. In die brief is opgenomen dat [eiser] de werkzaamheden zal uitvoeren op basis van een uurtarief van € 200 (exclusief btw of € 242 inclusief btw) en 4% kantoorkosten en eventuele aanvullende kosten.\n\n2.5.. \n [eiser] en [gedaagde] hebben in het najaar van 2024 gesproken over een kortgedingprocedure tegen ITA. Bij e-mail van 18 september 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde] bericht:\n\n“(…)\n\nZoals besproken zal ik morgen beginnen aan de dagvaarding. (…) De kosten van het kort geding zullen naar schatting € 10.000,-- exclusief BTW bedragen (maken dagvaarding, uitzoeken alle bijlagen, bestuderen stukken die de wederpartij zal inbrengen, voorbereiden zitting en mondelinge behandeling). (…).\n\n(…)”\n\n2.6.. De kortgedingdagvaarding is uitgebracht en vervolgens heeft ITA – na uitvoerig overleg met [eiser] – toegezegd vrijwillig te voldoen aan de belangrijkste vorderingen. Vervolgens is het kort geding ingetrokken zoals blijkt uit een e-mail van 10 februari 2025 van [eiser] aan [gedaagde] . Daarna is de onderhandeling met ITA voortgezet.\n\n2.7.. \n [gedaagde] heeft op 15 april 2025 de opdrachtovereenkomst met [eiser] geëindigd. [gedaagde] was het niet eens met een onderdeel van de voorgestelde regeling met ITA voor beëindiging (en financiële afwikkeling) van het geschil.\n\n2.8.. \n [eiser] heeft daarop een eindfactuur aan [gedaagde] gestuurd. [gedaagde] heeft niet betaald.\n\n2.9.. \n [eiser] heeft tot zekerheid voor haar vordering op [gedaagde] op 23 mei 2025 conservatoir beslag laten leggen op de woning van [gedaagde] .\n\n3. Het geschil\n\nin conventie3.1.. \n [eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] , bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van (A) € 64.579,66 (inclusief btw), te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag, en (B) de kosten van deze procedure, waaronder beslagkosten, te voldoen binnen 14 dagen na heden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na heden.\n\n3.2.. \n [eiser] stelt daartoe – samengevat – dat de kosten van de opgedragen werkzaamheden optellen tot het gevorderde bedrag. Tijdens het persoonlijke gesprek op het kantoor van [eiser] is [gedaagde] medegedeeld dat de kosten voor de uit te voeren werkzaamheden per uur € 200 exclusief btw, te vermeerderen met 4% kantoorkosten zullen bedragen. Dit heeft [gedaagde] aanvaard. In de eindfactuur zijn de 4% kantoorkosten niet in rekening gebracht aan [gedaagde] . Omdat [gedaagde] weigert te betalen, ondanks toezeggingen tot betaling over te gaan, is [eiser] genoodzaakt geweest conservatoir beslag te leggen op de woning van [gedaagde] , aldus steeds [eiser] .\n\n3.3.. \n [gedaagde] voert – kort gezegd – aan dat [eiser] haar zorgplicht jegens [gedaagde] als consument heeft geschonden omdat voorafgaand aan de uitvoering van de opdracht geen kostenberaming is opgesteld en medegedeeld aan [gedaagde] . Verder is het kostenbeding onredelijk bezwarend in het licht van het niet verstrekken van een kostenberaming voorafgaand of gedurende de uitvoering van de opdracht, aldus steeds [gedaagde] . [gedaagde] is niet gewaarschuwd voor zulke hoge kosten, de werkzaamheden werden niet duidelijk afgebakend en er werd geen duidelijke strategie met [gedaagde] besproken. Daarom vindt [gedaagde] dat zij niet of veel minder hoeft te betalen.\n\nin reconventie3.4.. \n [gedaagde] vordert de overeenkomst tussen partijen te ontbinden, geheel of gedeeltelijk voor zover het ziet op het kostenbeding en een in goede justitie te bepalen bedrag vast te stellen voor de verrichte werkzaamheden, met veroordeling van [eiser] in de kosten van dit geding, vermeerderd met wettelijke rente.\n\n3.5.. \n [gedaagde] stelt daartoe overeenkomstig hetgeen zij heeft aangevoerd in conventie.\n\n3.6.. \n [eiser] voert – kort gezegd – aan dat zij bij het gesprek op haar kantoor [gedaagde] heeft gewezen op haar uurtarief en aanvullende kosten. [eiser] is daarin volledig transparant geweest. Gedurende de uitvoering van de opdracht is [eiser] transparant geweest over de gewerkte uren en de kosten daarvan. Periodiek – bijna maandelijks – is een overzicht van de totale kosten tot dan aan [gedaagde] gestuurd. Die heeft daarover nimmer geklaagd. Er is ook besproken dat de bedoeling was dat de kosten voor juridische bijstand uiteindelijk zouden worden verhaald op ITA, zoals gebruikelijk in arbeidsrechtelijke geschillen in Nederland, aldus steeds [eiser] .\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. \n [eiser] heeft als advocaat (professioneel handelaar) een opdrachtovereenkomst gesloten met consument [gedaagde] voor het verlenen van juridische bijstand. Gelet daarop speelt de ambtshalve toetsing van consumentenbeschermende bepalingen een rol. De eis in reconventie van [gedaagde] (die hierop ook betrekking heeft) vloeit voort uit haar verweer in conventie. [eiser] heeft, hoewel zij dit in feite al bij dagvaarding had behoren te doen, in haar antwoord in reconventie standpunten ingenomen over haar informatieplicht.\n\n4.2.. Onder deze omstandigheden en gelet op de samenhang worden de vorderingen van partijen in conventie en in reconventie gelijktijdig behandeld.\n\nin conventie en in reconventie\n\nNormen waaraan wordt getoetst4.3.. Het kostenbeding uit de opdrachtovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] is een kernbeding. Dan is bij een consumentenovereenkomst de toets of het kostenbeding transparant is in de zin dat het beding duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd. Als het kernbeding niet transparant blijkt te zijn, komt aan de orde de vraag of het beding oneerlijk is (zie ook artikel 6:231 onder a BW).\n\n4.4.. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (verder: HvJ EU) heeft zich in zijn uitspraak van 12 januari 2023uitgelaten over de vraag of een kostenbeding tussen een advocaat en een consument, waarbij de kosten voor de juridische dienstverlening uitsluitend zijn vastgelegd op basis van het uurtarief, zonder verdere precisering, transparant is in de zin van artikel 4 lid 2 van Richtlijn 93\u002F13. Het HvJEU heeft geoordeeld dat alleen het noemen van een uurtarief de gemiddelde, normaal geïnformeerde en redelijk omzichtige en oplettende consument niet in staat stelt om alle financiële consequenties in te schatten die voor hem uit het beding voortvloeien, namelijk het totale bedrag dat hij voor de diensten zal moeten betalen. Een advocaat dient de consument, vóórdat de overeenkomst wordt gesloten en ongeacht de aard van de te verlenen dienst, informatie te verstrekken die de consument in staat stelt om met de nodige voorzichtigheid zijn beslissing te nemen. Die informatie moet aanwijzingen bevatten die de consument in staat stellen bij benadering de totale kosten van die diensten te ramen, zoals een raming van het voorzienbare of minimale aantal uren dat nodig is om een bepaalde dienst te verlenen of een verbintenis om met redelijke tussenpozen tussentijdse facturen of verslagen te bezorgen waarin het aantal al gepresteerde werkuren wordt vermeld.\n\n4.5.. Artikel 4 lid 2 Richtlijn 93\u002F13 is niet gewijzigd in de Richtlijn 2011\u002F83\u002FEU en Richtlijn (EU) 2019\u002F2161. Artikel 4 lid 2 van die richtlijnen is in Nederland omgezet in verschillende bepalingen in Afdeling 6.5.2b (afdeling 2b van Titel 5 van Boek 6) Burgerlijk Wetboek.\n\n4.6.. De opdrachtovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] is tot stand gekomen na een fysiek gesprek op het kantoor van [eiser] . Dit houdt in dat op die overeenkomst de wettelijke regeling van artikel 6:230l Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing is.\n\n4.7.. In artikel 6:230l aanhef en onder c BW is bepaald dat de handelaar (in dit geval: [eiser] ) de consument (in dit geval: [gedaagde] ) op duidelijk en begrijpelijke wijze informatie verstrekt waaruit blijkt de totale prijs van de diensten, of als door de aard van de dienst de prijs redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend, de manier waarop de prijs moet worden berekend.\n\n4.8.. De strekking van artikel 6:230l aanhef en onder c BW is dezelfde als die in andere bepalingen van Afdeling 6.5.2b BW betreffende de informatieverplichting van de handelaar over de prijs van het afgenomen product of dienst. De jurisprudentie over bijvoorbeeld artikel 6:230m aanhef en onder e BW is daarom ook van toepassing op artikel 6:230l aanhef en onder c BW. In de kern is telkens van belang dat de consument een inschatting moet kunnen maken van waar hij zich (in dit geval financieel gezien) toe verbindt.\n\n4.9.. \n\nDaarnaast zijn op [eiser] van toepassing de gedragsregels advocatuur. Over de kosten die aan de cliënt in rekening worden gebracht is in Regel 17 punt 3 opgenomen:“Zodra de advocaat voorziet dat de declaratie aanmerkelijk hoger zal worden dan de aanvankelijk aan de cliënt opgegeven schatting stelt hij zijn cliënt daarvan op de hoogte.”\n\nDaaruit volgt dat de gedragsregels advocatuur uitgaat van een voorafgaande inschatting van de kosten voor de juridische bijstand. In de toelichting hierop is opgenomen:\n\n“(…)\n\nUiteraard zijn er gevallen denkbaar dat een dergelijke inschatting niet mogelijk is, maar een advocaat kan niet een in redelijkheid wel te geven inschatting achterwege laten met het doel om de informatieverplichting te ontwijken. (…)”\n\nIs het kostenbeding transparant?4.10.. \n [eiser] stelt dat een kostenraming bij het aangaan van de overeenkomst niet goed te geven was. [eiser] heeft daartoe betoogd dat de aard van het arbeidsrechtelijk geschil tussen [gedaagde] en ITA complex is en dat niet was te voorzien wat er in de zaak [gedaagde] -ITA zou gaan gebeuren omdat een feitenonderzoek door een onafhankelijk bureau werd uitgevoerd (in opdracht van ITA) en [gedaagde] en ITA al in een mediationtraject zaten op voorstel van de bedrijfsarts van ITA. Het HvJ EU in zijn arrest Uurtarief advocaatheeft over de mogelijke complexiteit van de te verlenen juridische bijstand overwogen dat ook indien het moeilijk of zelfs onmogelijk is het aantal uren te voorspellen, de informatie van de handelaar aanwijzingen moet bevatten die de consument in staat stelt bij benadering de totale kosten van de aangeboden diensten te ramen. Daarbij kan gedacht worden aan informatie over het voorzienbare of minimaal aantal uren dat nodig is om een bepaalde dienst te verlenen, of een afspraak tussen partijen om periodiek tussentijdse facturen of overzichten op te maken waarin het totaal van de gewerkte uren wordt vermeld, aldus het HvJ EU in het arrestUurtarief advocaat. De complexiteit van het geschil waarvoor juridische bijstand is ingeroepen is op zich dus onvoldoende om [eiser] te ontslaan van haar informatieverplichting jegens [gedaagde] bij de totstandkoming van hun overeenkomst.\n\n4.11.. \n [eiser] heeft betoogd dat zij periodiek urenoverzichten heeft verstrekt, zoals tussen partijen is afgesproken bij de totstandkoming van de opdracht, waardoor [gedaagde] exact op de hoogte was van de gewerkte uren en de kosten. [gedaagde] heeft bij ieder nieuw overzicht kunnen beoordelen of zij de overeenkomst wilde voortzetten, aldus steeds [eiser] .\n\n4.12.. Dit betoog van [eiser] mist doel. De informatieverplichting van de advocaat kon in dit geval niet worden vervuld op de wijze als [eiser] heeft voorgesteld.\n\n4.12.1.. Van belang daarbij is dat, ook als vooraf geen ‘totale’ inschatting te maken was, [eiser] (bij aanvang van de overeenkomst en tussentijds) in staat moet zijn geweest om in te schatten wat er op dat moment stond te gebeuren en wat zij aan werkzaamheden zouden gaan verrichten. Dan had [gedaagde] een beter beeld gehad van te verrichten werkzaamheden en de (minimaal) daaraan te besteden uren. [gedaagde] heeft dus geen informatie gekregen van [eiser] om de periodieke overzichten (van werk dat al verricht was) in redelijkheid te verbinden aan een vooraf gegeven inschatting van benodigde werkzaamheden. Uit niets blijkt dat zij desalniettemin in staat was om bij benadering de totale kosten van de aangeboden diensten in te kunnen schatten.\n\n4.12.2.. In verschillende uitspraken van gerechtshovenis beslist dat het enkel noemen van een uurtarief en het maandelijks opsturen van een overzicht met verrichte werkzaamheden (en het totaalbedrag dat tot dan is verschuldigd aan hoofdsom) onvoldoende is voor voldoening van die informatieplicht. Het gerechtshof Amsterdam heeft verder overwogen dat ook in een complex geval een ruwe kostenberaming mogelijk is en moet worden gegeven.\n\n4.12.3.. Onder alle omstandigheden van dit geval mocht meer worden verwacht van de advocaat dan het periodiek sturen van overzichten met te declareren uren. Het had op de weg van [eiser] gelegen om gedurende de uitvoering van de opdracht – naast het sturen van periodieke overzichten – ook in overleg te treden met [gedaagde] over de opgelopen kosten, na te vragen of dit nog voldoet aan de redelijke verwachtingen van [gedaagde] over de mogelijke kosten voor juridische bijstand en op dat moment [gedaagde] laten weten welke overige werkzaamheden nog zullen moeten worden uitgevoerd.\n\n4.12.4.. Dit alles over te laten aan [gedaagde] – volgens [eiser] had [gedaagde] op basis van de periodieke declaratieoverzichten zelf kunnen inschatten of de kosten voor juridische bijstand te hoog werden – was niet terecht. Daarbij is van zwaarwegend belang het gebrek aan kennis van de gemiddelde consument over de benodigde werkzaamheden voor de gevraagde juridische bijstand, terwijl [eiser] wel over die kennis beschikte.\n\n4.13.. De slotsom is dat [eiser] bij de totstandkoming van de opdracht in februari 2024 niet heeft voldaan aan haar informatieplicht als bepaald in artikel 6:230l BW. Het gegeven dat in veel gevallen in Nederland de werkgever bij een arbeidsrechtelijk geschil de juridische kosten van de werknemer op zich neemt, ontslaat [eiser] niet van deze informatieverplichting jegens [gedaagde] .\n\nIs kostenbeding oneerlijk?4.14.. Het kostenbeding voldoet dus niet aan het transparantievereiste. De vraag is of het kostenbeding dan in het geheel moeten worden vernietigd als sprake is een oneerlijk beding (in de zin van artikel 6:233 onder a BW en artikel 3 de Richtlijn 93\u002F13). Een beding wordt als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.\n\n4.15.. In dit specifieke geval is sprake van een oneerlijk beding. [eiser] heeft in februari 2024 immers nagelaten enige informatie aan [gedaagde] te geven over de minimaal te verwachten werkzaamheden van juridische bijstand. Het is daarom voor [gedaagde] onmogelijk geweest in te schatten welke kosten de opdracht aan [eiser] met zich zou brengen. Hierbij spelen ook de in 4.9 genoemde gedragsregels in de advocatuur een rol. Dit alles verstoort het evenwicht tussen partijen ten nadele van [gedaagde] .\n\n4.16.. Dit wringt te meer omdat [eiser] in februari 2024 kennis had van de geldinzamelingsactie die [gedaagde] heeft opgezet op sociale media voor de kosten van juridische bijstand en dat [gedaagde] haar eerste advocaat te duur vond voor de werkzaamheden die hij had uitgevoerd. [eiser] had daarom moeten – en kunnen – begrijpen dat het financiële aspect voor de juridische bijstand van belang was voor [gedaagde] . Daarnaast wist [eiser] dat [gedaagde] de kosten voor juridische bijstand volledig zelf moet dragen omdat zij niet in aanmerking komt voor gefinancierde rechtshulp. Onder deze omstandigheden heeft [eiser] niet te goeder trouw gehandeld door [gedaagde] in het geheel geen andere informatie over de mogelijke kosten van juridische bijstand te verstrekken dan het uurtarief. Dat impliceert dat aan [eiser] een soort blanco cheque werd verstrekt en dat was niet wat [eiser] mocht verwachten. De stelling dat “ [gedaagde] heel goed wist waar zij aan begon en dat dat geld zou kosten”treft hier geen doel.\n\n4.17.. Onder bovenstaande omstandigheden wordt vastgesteld dat het kostenbeding uit de overeenkomst van februari 2024 onredelijk bezwarend is voor [gedaagde] . Dit maakt het kostenbeding tevens oneerlijk in de zin van Richtlijn 93\u002F13. Het kostenbeding wordt op grond van artikel 6:233 onder a BW vernietigd. Het kostenbeding is de enige verplichting van [gedaagde] uit die opdrachtovereenkomst en verder heeft een opdrachtovereenkomst geen werking zonder kostenbeding (met name door het bepaalde in artikel 7:405 lid 2 BW). Met de vernietiging van het kostenbeding kan de overeenkomst daarom niet in stand blijven.\n\nGevolgen oneerlijk kostenbeding en vernietiging (basis)overeenkomst4.18.. De tussenconclusie is dus dat de in februari 2024 gesloten overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] wordt vernietigd. Indien die vernietiging van de gehele overeenkomst uiterst nadelige gevolgen voor de consument zal hebben, kan aanvullend nationaal recht de mogelijkheid bieden een redelijke kostenvergoeding vast te stellen voor de wel uitgevoerde werkzaamheden door [eiser]. Uit niets is gebleken dat [gedaagde] nadelige gevolgen heeft van de vernietiging van de overeenkomst met [eiser] uit februari 2024. Er is dus geen directe aanleiding voor toepassing van aanvullend nationaal recht.\n\n4.19.. Niet uitgesloten is echter dat [eiser] na deze vernietiging van de overeenkomst met [gedaagde] op grond van een buitencontractuele grondslag een vordering kan instellen om alsnog vergoeding te krijgen voor de door haar verrichtte diensten, hetgeen zou kunnen leiden tot (rechts)onzekerheid bij [gedaagde] over de vraag of en zo ja welk bedrag zij uiteindelijk zal moeten betalen.\n\n4.20.. \n [eiser] heeft betoogd dat zij recht heeft op redelijk loon (artikel 7:405 lid 2 BW). Deze wettelijke bepaling uit het Nederlands recht kan echter niet worden toegepast in dit geval. Een redelijk loon dient te worden geraamd door de rechter. Dat is niet toegestaan volgens vaste jurisprudentie van het HvJ EU.\n\n4.21.. Ter zitting is [eiser] gevraagd of zij een andere mogelijkheid ziet om betaling van [gedaagde] te verkrijgen voor de door haar gewerkte uren. Daarop heeft [eiser] geantwoord in hoger beroep te gaan van een afwijzend vonnis.\n\n4.22.. In dit geval kan daarom in dit vonnis geen nationale bepaling van aanvullend recht worden aangewezen om een vergoeding voor [eiser] vast te stellen.\n\nAanvullende opdracht: kort geding4.23.. In september 2024 is gebleken dat ITA het in haar opdracht opgestelde onderzoeksrapport niet wilde delen met [gedaagde] . Daarop hebben [eiser] en [gedaagde] gesproken over het toen ontstane geschil tussen [gedaagde] en ITA over toegang tot dat onderzoeksrapport. [eiser] en [gedaagde] hebben gesproken over het instellen van een kort geding tegen ITA voor het verkrijgen van het onderzoeksrapport van het onafhankelijk bureau dat ITA heeft ingeschakeld. Voor deze aanvullende opdracht heeft [eiser] wel een inschatting gemaakt van de eventuele kosten die zij bij e-mail van 18 september 2024 aan [gedaagde] heeft medegedeeld (de kosten van de werkzaamheden voor het kort geding zijn geschat op € 10.000 exclusief btw). Voor deze opdracht heeft [eiser] dus wel voldaan aan haar informatieverplichting jegens [gedaagde] . Het kostenbeding voor deze aanvullende opdracht is daarom een transparant kernbeding. In dat geval behoeft niet nader te worden beoordeeld of het kostenbeding oneerlijk of onredelijk bezwarend is. [gedaagde] heeft de hoogte van het uurtarief en de door [eiser] uitgevoerde werkzaamheden voor dit kort geding ook niet ter discussie gesteld. Daarom dient [gedaagde] de redelijke kosten voor deze specifieke opdracht wel te betalen aan [eiser] .\n\n4.24.. Voor het vaststellen van de redelijke kosten (of het redelijk loon van artikel 7:405 lid 2 BW) sluit de rechtbank aan bij de periodieke overzichten van 3 oktober 2024 en 20 februari 2025 omdat die zicht geven op de werkzaamheden die in die periode voor het kort geding – en de nasleep daarvan – zijn uitgevoerd door [eiser] .\n\n4.25.. \n [gedaagde] heeft over de periodieke overzichten betoogd dat er heel veel tijd is geschreven voor telefoongesprekken met haar. Dat maakt de hoogte van de kosten in dit geval niet onredelijk. [eiser] heeft namelijk onweersproken betoogd dat [gedaagde] zich intensief inhoudelijk met de werkzaamheden voor de kortgedingprocedure heeft bezig gehouden. Dan is er ook aanleiding voor veelvuldig contact tussen [eiser] en [gedaagde] . Die contactmomenten – ongeacht in welke vorm – mag [eiser] in redelijkheid in rekening brengen bij [gedaagde] .\n\n4.25.1.. Uit het overzicht van 3 oktober 2024 blijkt dat [eiser] tussen 19 september 2024 en 3 oktober 2024 ongeveer 17 uren heeft gewerkt voor de opdracht voor het kort geding. Dit is dus € 3.400 exclusief btw.\n\n4.25.2.. \n\nVerder is het totaal van alle werkzaamheden tot dan op dat overzicht een bedrag van € 33.565,88 (exclusief btw) voor uren die [eiser] heeft gewerkt voor [gedaagde] .\n\nUit het overzicht van 20 februari 2025 blijkt dat [eiser] tot en met 10 februari 2025 (de datum waarop het kort geding is ingetrokken) voor in totaal € 48.011,16. (exclusief btw) voor [gedaagde] heeft gewerkt. Het verschil is € 14.445,28 (exclusief btw). De rechtbank gaat ervan uit dat al deze kosten (die dus zien op de periode van 3 oktober 2024 tot en met 10 februari 2025) zijn gemaakt in het kader van werkzaamheden die betrekking hadden op het kort geding en het voeren van onderhandeling over de ingestelde vordering. Dit sluit ook aan bij de beschrijvingen in de specificatie met de termen zoals ‘dagvaarding’ en ‘producties’ en ‘pleitnota’. De overige uren en kosten op het laatste overzicht zien op werk dat is verricht in het kader van de eerdere basisovereenkomst waar (zoals hiervoor overwegen, vanwege een oneerlijk kostenbeding) geen werking aan toekomt.\n\n4.25.3.. Het redelijk loon van [eiser] voor de opdracht tot het instellen van een kort geding wordt geraamd op € 3.400 + € 14.445,28 = € 17.845,28. Dit bedrag is aanzienlijk hoger dan de geschatte € 10.000 (exclusief btw). [eiser] heeft echter onweersproken gesteld dat de werkzaamheden voor dat kort geding zijn bemoeilijkt door het gedrag van [gedaagde] (zowel richting [eiser] als richting medewerkers van ITA), dat meer werkzaamheden nodig bleken te zijn voor het opstellen van processuele stukken (door de intensieve bemoeienis daarmee van [gedaagde] ) en door de onderhandelingen met ITA ter voorkoming van een mondelinge behandeling van het kort geding. Daarom worden de redelijke kosten voor de kortgedingprocedure vastgesteld op een bedrag van € 17.845,28 (exclusief btw). Daarbij komt een bedrag van € 116,72 (exclusief btw) aan deurwaarderskosten gemaakt op 6 november 2024.\n\nTussenconclusie over de vorderingen van [eiser] : gedeeltelijk toegewezen4.26.. Dit alles maakt dat [gedaagde] niet gehouden is alle gedeclareerde kosten voor de werkzaamheden van [eiser] te voldoen, maar wel de redelijke kosten die zijn gemaakt voor de juridische bijstand bij de kortgedingprocedure. De vordering tot betaling van de gedeclareerde kosten wordt toegewezen voor een bedrag van € 17.962 exclusief btw aan gewerkte uren en deurwaarderskosten voor de kortgedingdagvaarding. De gevorderde vermeerdering met wettelijke rente over dat bedrag wordt toegewezen (vanaf de dag van dagvaarding), met toepassing van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW.\n\n4.27.. Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten in conventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Dit geldt ook voor de door [eiser] gemaakte beslagkosten.\n\nTussenconclusie over de vorderingen van [gedaagde] : afgewezen4.28.. Uit de conventie volgt dat de algemene overeenkomst tussen partijen van 14 februari 2024 niet in stand kan blijven. Dit is echter anders voor de aanvullende opdracht uit september 2024 voor het instellen van een kort geding. Het kostenbeding van die overeenkomst is transparant. [eiser] is dus niet tekort gekomen in de nakoming van haar plichten uit de opdrachtovereenkomst met [gedaagde] voor zover het betreft door [gedaagde] gewenste kortgedingprocedure (de opdracht van september 2024). In conventie is beslist over het bedrag dat [gedaagde] aan [eiser] dient te voldoen voor die werkzaamheden.\n\n4.29.. Er is gelet op de beoordeling in conventie geen aanleiding om in dit vonnis de opdrachtovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] te ontbinden of het door [gedaagde] aan [eiser] te betalen bedrag anders te begroten.\n\n4.30.. \n [gedaagde] zal in reconventie als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden veroordeeld. Gelet op de samenhang van deze procedure met die in conventie worden de kosten aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op nihil.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin conventie5.1.. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 17.962 exclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarding (4 juni 2025) tot de dag van voldoening,\n\n5.2.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,\n\n5.3.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,\n\n5.4.. wijst het meer of anders gevorderde af,\n\nin reconventie5.5.. wijst het gevorderde af,\n\n5.6.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] begroot op nihil.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. R.C.J. Hamming, rechter, bijgestaan door mr. R.E.R. Verloo, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.\n\n HvJ EU 12 januari 2023, zaak C-395\u002F21, ECLI:EU:C:2023:14 (Uurtarief advocaat).\n\n Richtlijn 93\u002F13 EEG van de Raad, daarna aangepast in Richtlijn 2011\u002F83\u002FEU van het Europees Parlement en de Raad en vervolgens nader aangepast in Richtlijn (EU) 2019\u002F2161 van het Europees Parlement en de Raad, gerectificeerd PB L 017, 19 januari 2023 blz. 100.\n\n https:\u002F\u002Fregelgeving.advocatenorde.nl\u002Fcontent\u002Fde-advocaat-de-verhouding-tot-de-client\n\n HvJ EU 23 januari 2023, zaak C-395\u002F21, ECLI:EU:C:2023:14, punt 41.\n\n HvJ EU 23 januari 2023, zaak C-395\u002F21, ECLI:EU:C:2023:14, punt 44.\n\n Gerechtshof Amsterdam 26 november 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3269, r.o. 2.6, en Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 25 maart 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:822, r.o. 6.11.\n\n Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 25 maart 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:822, r.o. 6.16.\n\n Hoge Raad 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:97, r.o. 3.2.1.\n\n HvJ EU 23 januari 2023, zaak C-395\u002F21, ECLI:EU:C:2023:14, punt 56.\n\n Bijvoorbeeld de route van ongerechtvaardigde verrijking, zoals ook is overwogen door de Hoge Raad 4 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1366 en ECLI:NL:HR:2024:1355.\n\n HvJ EU 12 januari 2021, zaak C-395\u002F21, ECLI:EU:C:2023:14, slotzin punt 68.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:2670","ecli-nl-rbams-2026-2670",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]