Skip to main content

ECLI:NL:RBAMS:2026:5577

Court

Amsterdam

Date

5 June 2026

Language

nl

Case Summary

Legal Issue

Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht

Holding / Outcome

Uitspraak

Amsterdam

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; BestuursprocesrechtType: uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

Zaaknummer: AMS 25/5185
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

wettelijke vertegenwoordiger van [de persoon]

(gemachtigde: mr. R. Imkamp),

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Mensing van Charante).

Samenvatting

1.1.. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een bruikleenauto. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

1.2.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een bruikleenauto in verband met de medische beperkingen van haar dochter [de persoon]. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 5 maart 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

2.2.. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.3.. De rechtbank heeft het beroep op 29 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de zus van [de persoon], de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3.1..
[de persoon] is vijftien jaar oud, is verstandelijk gehandicapt en heeft lichamelijke beperkingen. [de persoon] is rolstoelafhankelijk vanwege een ontwikkelingsachterstand en de aandoeningen congenitale arthrogryposis multiplex (een ziekte met als gevolg standsafwijkingen van haar gewrichten en spierzwakte), scoliose en de ziekte van Willebrand (een stollingsziekte). Ook lijdt [de persoon] sinds 2016 aan epilepsie, inmiddels met zeer frequente aanvallen. [de persoon] is zeer moeilijk lerend en heeft een zorgindicatie op basis van de Wet langdurige zorg.

3.2.. Op 24 december 2024 heeft eiseres een bruikleenauto aangevraagd op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) voor het vervoer van [de persoon]. Naar aanleiding van deze aanvraag heeft verweerder Argonaut gevraagd een onderzoek te doen en advies uit te brengen. Op 18 februari 2025 heeft Argonaut een negatief advies uitgebracht voor een bruikleenauto en een positief advies voor Aanvullend Openbaar Vervoer (AOV) samenreizend. Volgens Argonaut is een bruikleenauto niet de goedkoopste geschikte oplossing voor het vervoer van [de persoon]. De goedkoopste geschikte oplossing voor [de persoon] is het AOV in combinatie met de rolstoel met hulpaandrijving. Er is door de arts vastgesteld dat er geen medische noodzaak is voor een bruikleenauto. Verweerder heeft het advies van Argonaut overgenomen en de aanvraag afgewezen op 5 maart 2025.

3.3.. In bezwaar heeft eiseres een aanvullende verklaring van de behandelend kinderneuroloog van [de persoon], daterend van 30 juni 2025, overgelegd. Met het bestreden besluit is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en aangevoerd dat de aanvullende verklaring van de kinderneuroloog van 30 juni 2025 niet is meegenomen in het advies van Argonaut en het bestreden besluit. Naar aanleiding van het beroep heeft verweerder in de beroepsfase Argonaut opnieuw om advies gevraagd.

3.4.. In dit advies van 15 januari 2026 blijft Argonaut bij een negatief advies voor een bruikleenauto maar wordt positief geadviseerd voor AOV individueel reizen met begeleiding.

Beoordeling door de rechtbank

4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de afwijzing van een bruikleenauto niet in stand kan blijven omdat de aangevoerde medische klachten, bezwaren en argumenten door Argonaut onvoldoende zijn meegewogen. Verweerder heeft volgens eiseres niet draagkrachtig onderbouwd dat het AOV verantwoord en passend is, en alleen al hierom dient het bestreden besluit te worden vernietigd. Ten eerste is het AOV niet passend omdat de chauffeur altijd zeer voorzichtig moet rijden zodat [de persoon] zich niet stoot, in verband met haar stollingsstoornis. Er moet voor [de persoon] heel rustig gereden worden om blauwe plekken te voorkomen, omdat zij anders naar het ziekenhuis moet en dit dus voor haar grote nadelige gevolgen kan hebben. Ten tweede is het AOV niet passend vanwege de wachttijden. De vervoersbehoefte van [de persoon] is namelijk niet altijd planbaar en [de persoon] kan niet lang in haar rolstoel stilzitten terwijl zij wacht op het AOV. Ten derde, en meest belangrijke reden dat [de persoon] geen gebruik kan maken van het AOV, is gelegen in haar epilepsie. [de persoon] krijgt snel stress van mensen die zij niet kent, zoals de wisselende chauffeurs in het AOV, en stress zorgt bij [de persoon] voor een verhoging van de kans op epileptische consulten. Dit blijkt ook uit de medische stukken van de kinderneuroloog. Daar komt bij dat verweerder door enkel de vraag te beantwoorden of een bruikleenauto ‘medisch noodzakelijk is’ een te beperkt afwegingskader heeft gehanteerd gelet op de -ruimere- compensatieplicht van artikel 2.3.5 van de Wmo. Het gaat er immers om dat verweerder aannemelijk moet maken dat met het AOV een passende voorziening is toegekend waarmee [de persoon] daadwerkelijk gebruik kan maken van vervoer en waarmee zij kan participeren.

5.1.. Volgens vaste rechtspraak mag een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit uitgaan van het advies van een (medisch) deskundige, als is nagegaan of dit advies zorgvuldig tot stand is gekomen, inzichtelijk is, begrijpelijk is gemotiveerd en het de conclusies kan dragen. Dit is de zogenaamde vergewisplicht.Het is dan vervolgens aan de aanvrager om met medische stukken aannemelijk te maken dat het medisch advies niet klopt. Zijn er concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies naar voren gebracht, dan mag niet zonder meer van het advies van de deskundige worden uitgegaan.

5.2.. Ten aanzien van de argumenten van eiseres over de stollingsziekte van [de persoon] en de wachttijden bij het AOV is de rechtbank van oordeel dat Argonaut deze punten voldoende, inzichtelijk en zorgvuldig heeft meegewogen in het medisch advies. Ten aanzien van deze twee punten kan het medisch advies van Argonaut de conclusie dragen dat er geen medische noodzaak is voor een bruikleenauto en dat [de persoon] met individueel AOV voldoende wordt gecompenseerd. Argonaut heeft in het advies betrokken dat met de stollingsziekte rekening moet worden gehouden maar als het gaat om het gebruik van AOV, de kans nihil is dat zich hierbij impulsen zullen voordoen die kunnen leiden tot schade door deze stoornis en noodzaak voor medisch ingrijpen. Dit is wellicht anders als het AOV een ongeval krijgt, maar dat geldt ook voor het gebruik van een bruikleenauto. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat de chauffeurs van het AOV gewend zijn om kwetsbare mensen te vervoeren en dat bij AOV individueel een begeleider van [de persoon] mee kan reizen en de chauffeur, voor zover nodig, kan wijzen op het rustig rijden. Daarnaast heeft Argonaut in het advies meegewogen dat de orthopedisch chirurg aangeeft dat langdurig in een houding zitten ongewenst is maar dat dit niet in de weg staat aan het gebruik van het AOV. Bij AOV individueel reizen gaat het namelijk om korte wachttijden van maximaal een half uur. Tegen een dergelijke belasting is geen bezwaar. Bovendien blijkt uit de stukken van de orthopedisch chirurg niet hoe lang [de persoon] in een houding kan zitten en heeft eiseres op de zitting toegelicht dat [de persoon] (maximaal) een half uur kan wachten.

5.3.. Wat betreft het punt van eiseres over de epilepsie van [de persoon], is de rechtbank van oordeel dat het advies van Argonaut niet inzichtelijk is, niet begrijpelijk is gemotiveerd en de conclusie niet kan dragen. Het idee achter de Wmo is dat beperkingen worden gecompenseerd, en niet dat beperkingen erger worden door een toegekende voorziening. Er moet dus beoordeeld worden of AOV individueel reizen met begeleiding de beperkingen van [de persoon] voldoende compenseert en of dit niet de beperkingen van [de persoon] verergert.

5.4.. In de gronden van beroep wordt aangevoerd dat [de persoon] snel stress krijgt van mensen die zij niet kent, waaronder wisselende chauffeurs, en dat stress juist zorgt voor een verhoging van de kans op epileptische aanvallen. Eiseres heeft dit standpunt deels onderbouwd met de verklaring van de kinderneuroloog. Uit de verklaring van de kinderneuroloog volgt dat er een duidelijke relatie is tussen de epileptische aanvallen en spanning en stress. Oftewel, als [de persoon] spanning en stress ervaart, worden haar epileptische aanvallen erger. Dit punt staat tussen partijen ook niet ter discussie.

5.5.. De cruciale vervolgvraag is dus of AOV individueel reizen met begeleiding (te veel) spanning oproept. Of dit wel of niet zo is, blijkt niet uit het dossier en de medische verklaringen. In de verklaring van de kinderneuroloog staat weliswaar dat het AOV spanning oproept, maar niet welke vorm van AOV dit betreft en ook niet welk aspect van het AOV deze spanning veroorzaakt. Daarnaast is het ook niet aan de kinderneuroloog om te beoordelen of AOV spanning oproept.

5.6.. Echter, de conclusie van Argonaut dat ‘het oproepen van spanning en stress bij het gebruik van AOV niet onder de deskundigheid van de neuroloog valt en is gebaseerd op hetgeen de ouders haar hebben verteld’ is naar het oordeel van de rechtbank te kort door de bocht. De verklaring van de kinderneuroloog geeft immers wel aanknopingspunten voor mogelijk te veel spanning bij het AOV. Nu het specifieke punt, of vreemde chauffeurs te veel spanning veroorzaken, niet volgt uit de verklaring van de kinderneuroloog, maar wel cruciaal is voor de beoordeling, had het op de weg van Argonaut gelegen om over dit punt meer informatie op te vragen en contact op te nemen met de kinderneuroloog. Dat is niet gebeurd of daarover is niets opgeschreven in het advies van Argonaut.

5.7.. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de afwijzing van de aanvraag voor een bruinleenauto niet op de adviezen van Argonaut mocht baseren omdat het advies om de bovengenoemde redenen gebrekkig is. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in strijd met de op hem rustende vergewisplicht van artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gehandeld, het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet zorgvuldig voorbereid, en in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb ondeugdelijk gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

6.1.. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen over de vraag of eiseres in aanmerking komt voor de gevraagde voorziening omdat verweerder opnieuw onderzoek moet doen naar de medische situatie van [de persoon]. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.

6.2.. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt het besluit van 28 juli 2025;

  • draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;

  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C.M. Schilder, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 6 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:466.

More Decisions