ECLI:NL:RBAMS:2026:5582
Case Summary
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Uitspraak
Amsterdam
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: AMS 25/2250 en 25/2549uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaken tussen
1. [eiseres]uit [woonplaats], eiseres (AMS 25/2250)
2. [eiser]uit [woonplaats], eiser (AMS 25/2549)
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen,verweerder, hierna: het college
(gemachtigde: mr. J.P.H. de Bruijn).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: Eigen Haard uit Amsterdam, vergunninghouder
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Procesverloop
1.1.. Vergunninghouder heeft op 26 juli 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van 42 nieuwbouwappartementen op de [adres].
1. 1.2.. Met een besluit van 21 oktober 2024 heeft het college aan vergunninghouder de gevraagde omgevingsvergunning verleend voor een zogenaamde ‘omgevingsplanactiviteit bouwwerken’ en ‘de technische bouwactiviteit’. Het college heeft de aanvraag – voor zover hier van belang – getoetst aan het omgevingsplan van de gemeente Amstelveen (het omgevingsplan), en het bestemmingsplan ‘Amstelveen Noord-Oost’ (het bestemmingsplan), het ‘Paraplubestemmingsplan wonen’ en het ‘Paraplubestemmingsplan Schipholparkeren en Parkeernormen’ als onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Het bouwplan is in strijd met artikel 34.2.1, aanhef en onder b, van het bestemmingsplan, omdat het de bouwhoogte van 12 meter met 0,46 meter overschrijdt. Volgens het college voldoet het bouwplan aan de voorwaarden voor het binnenplans kunnen afwijken als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onder a, van het bestemmingsplan. Eisers hebben afzonderlijk tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.3.. De bezwaarschriftencommissie heeft geadviseerd het bestreden besluit te herroepen, omdat de omgevingsvergunning gebreken bevat ten aanzien van de onderdelen bestaande parkeerplaatsen, parkeren op eigen terrein, verkeersveiligheid en strijdigheid met de bestemming ‘Groen’. Met twee afzonderlijke bestreden besluiten van 11 maart 2025 op de bezwaren van eisers heeft het college de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning – onder aanvulling van de motivering – in stand gelaten. Het college volgt het advies van de bezwaarschriftencommissie voor zover dit betrekking heeft op de onderdelen parkeren op eigen terrein, verkeersveiligheid en de strijdigheid met de bestemming ‘Groen’. Volgens het college kunnen deze gebreken in bezwaar worden hersteld. Zo is het project in strijd met het bestemmingsplan, omdat het gebruik als ‘parkeerterrein’ op grond van artikel 12.3.1, onder d, van het bestemmingsplan niet is toegestaan. Het college verleent daarom alsnog de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, omdat het gebruiken van de gronden als parkeervoorziening in overeenstemming is met het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het advies van de commissie ten aanzien van het onderdeel bestaande parkeerplaatsen, wordt niet overgenomen.
1.4.. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de aan hen gerichte bestreden besluiten.
1.5.. Eiseres heeft de voorzieningenrechter daarnaast verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 25 april 2025 afgewezen.
1.6.. Het college heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghouder heeft ook schriftelijk gereageerd.
1.7.. De rechtbank heeft de beroepen op 20 april 2026 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, mr. R.N. Ionescu namens het college, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van vergunninghouder.
Juridisch kader
2. Het juridisch kader dat van belang is voor deze uitspraak is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling door de rechtbank
3. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het omgevingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De rechtbank oordeelt daarom niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Bestemming ‘Woon-Woonzorg’
4.1.. Eiseres voert aan dat in het bestreden besluit niet wordt ingegaan op haar standpunt over de bestemming ‘Woon-woonzorg’. Sociale huurwoningen zonder zorgdoeleinde(n) vallen niet onder deze bestemming. Bij het plan is er geen onderdeel voor ‘medische en sociale zorg’. Er worden enkel sociale huurwoningen gerealiseerd voor senioren met een lichte zorgbehoefte (trede 1 tot en met 3). Deze zorgbehoeften kunnen vervuld worden met zorg uit de Wmo. De beoogde nieuwbouwwoningen zijn echter niet anders dan andere reguliere sociale huurwoningen. Er wordt dus geen zorg aangeboden in het complex, op welke wijze dan ook. Dit is in strijd met het bestemmingsplan, aldus eiseres.
4.2.. De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 34.1, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan staat dat gronden met deze bestemming onder meer zijn bestemd voor gebouwen ten behoeve van woondoeleinden en zorgdoeleinden (in de vorm van medische en sociale zorg). Wat er ook van het standpunt van eiseres zij, met het “Paraplubestemmingsplan wonen” is op grond van artikel 3.1 van de planregels aan de bestemmingsomschrijving van artikel 34.1 van het bestemmingsplan, voor zover nog niet aanwezig, toegevoegd woningen ten behoeve van het wonen. Anders dan eiseres stelt, is dus geen sprake van strijd met de bestemming ‘Woon-Woonzorg’. De beroepsgrond slaagt niet.
Bouwhoogte
5.1.. Eisers voeren aan dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat de maximale bouwhoogte met 0,46 meter wordt overschreden. Volgens het bestemmingsplan mag het bouwvlak voor niet meer dan 90% bebouwd worden met een maximale bouwhoogte van 90%. Bij een maximale bouwhoogte van twaalf meter is dat 10,80 meter, aldus eisers. De beoogde bouwhoogte van de nieuwbouwwoningen is 12,46 meter. Dit betekent dat de bouwhoogte 1,66 meter hoger is dan het bestemmingsplan toestaat en niet voldaan wordt aan de voorwaarden voor binnenplans afwijken.
5. 5.2.. De rechtbank stelt vast dat het bestemmingsplan een maximale bouwhoogte van twaalf meter toestaat en de beoogde nieuwbouwwoningen 12,46 meter hoog zijn. De maximale bouwhoogte van 90% waar eisers op doelen, staat alleen – en volgens het college ten onrechte – in de toelichting van het bestemmingsplan. Het is vaste rechtspraak dat aan de toelichting behorende bij het bestemmingsplan geen juridisch bindende betekenis toekomt. De toelichting kan dan ook niet dienen als toetsingskader voor de beoordeling of een aanvraag om een omgevingsvergunning in strijd is met het bestemmingsplan.De bestemmingen en aanduidingen die op de verbeelding zijn aangegeven en de daarbij behorende regels zijn bepalend. Als een planregel op zichzelf niet duidelijk is, ook niet in samenhang met andere planregels, dan pas komt betekenis toe aan de toelichting bij het bestemmingsplan.De rechtbank is van oordeel dat de aanduiding op de verbeelding en de planregels in dit geval voldoende duidelijk zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Bestemming ‘Groen’
6.1.. Eisers voeren verder aan dat de parkeerplaatsen met nummers [nummers] grotendeels geprojecteerd zijn op de bestemming ‘Groen’ terwijl dat volgens het bestemmingsplan niet is toegestaan. Het college heeft de afwijking van het bestemmingsplan onvoldoende gemotiveerd. Een parkeerplek valt, anders dan het college stelt, niet onder dezelfde noemer als een ‘ondergeschikte verharding’. Verder heeft het college het belang van de bouw ten onrechte zwaarder laten wegen dan het behoud van de groenstrook. Omdat de groenvoorzieningen in de gemeente al sterk afnemen, kunnen er problemen ontstaan met afwatering. Verder kan ook het verkeersadvies met de gewijzigde situatie als vervat in bijlage 3 niet in ongewijzigde vorm aan het besluit ten grondslag worden gelegd. Deze conclusie noopt tot nadere onderzoeken, die voorafgaand aan het bestreden besluit hadden moeten worden onderzocht.
6. 6.2.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college het belang van het appartementencomplex met voldoende parkeergelegenheid zwaarder mogen laten wegen dan het belang van behoud van de groenstrook. Het college heeft voldoende toegelicht dat van een waardevolle groenstrook geen sprake is. Het deel van het terrein is feitelijk ingericht als grasveld en is lange tijd gebruikt als tijdelijk en onverhard parkeerterrein. Ondergeschikte verhardingen, parkeervoorzieningen, paden en speelvoorzieningen zijn op grond van het bestemmingsplan al toegestaan. De groenstrook is dus niet per definitie uitgesloten van verhardingen. Bovendien zal door uitwisseling van verharding de oppervlakte aan groen nauwelijks afnemen. Verder heeft het college toegelicht dat er watercompensatie plaats zal vinden binnen het peilgebied van de waterbeheerder, waardoor het niet aannemelijk is dat er problemen zullen ontstaan met de afwatering. De rechtbank kan deze toelichting volgen. De beroepsgrond slaagt niet.
Parkeren
Tijdelijk parkeerterrein
7.1.. Eisers voeren verder aan dat niet wordt voldaan aan de ‘Nota parkeernormen Amstelveen 2021’ (hierna: Nota parkeernormen). In de Nota parkeernormen staat dat een nieuw bouwinitiatief geen parkeerproblemen mag veroorzaken of vergroten. Er wordt in het bouwplan geen rekening gehouden met het vervallen van parkeergelegenheid voor minstens 50 auto’s.
7. 7.2.. De rechtbank oordeelt dat het college geen rekening hoefde te houden met het vervallen van de door eisers bedoelde parkeerplaatsen. Zoals het college terecht heeft toegelicht, was parkeren op deze locatie niet toegestaan en heeft hij dit slechts tijdelijk gedoogd ten behoeve van de naastgelegen [club]. Het tijdelijke parkeerterrein voorzag niet in de normatieve parkeerbehoefte van de [club]. Het komen te vervallen van het tijdelijke parkeerterrein is primair het gevolg van de beëindiging van de gedoogsituatie en niet van het vergunde bouwplan. Het college was dan ook bevoegd om het parkeren op deze locatie, los van de bouwactiviteiten, niet langer te gedogen. De beroepsgrond slaagt niet.
Parkeren op eigen terrein en verkeersveiligheid
8.1.. Eisers voeren verder aan dat de 29 benodigde parkeerplekken volgens de Nota parkeernormen op eigen terrein moeten worden gerealiseerd. Op de nieuwe situatietekeningen zijn slechts 22 parkeerplekken voorzien op eigen terrein. De overige zeven parkeerplekken worden op gemeentegrond gerealiseerd. Er is door het college onvoldoende gemotiveerd dat van de vereisten uit de Nota parkeernormen kan worden afgeweken. Eisers voeren verder aan dat door de inrichting van de parkeerplaatsen met nummers 28 en 29 een verkeersonveilige situatie ontstaat. Door de inrichting van de twee parkeerplekken, wordt het zicht beperkt als je vanuit het parkeerterrein de straat in rijdt. Verder kunnen de bewoners van de nieuwbouw ook niet anders dan over het trottoir met de fiets bij het gebouw komen, wat eveneens voor onveilige situaties zorgt.
8. 8.2.. De rechtbank oordeelt dat uit de Nota parkeernormen niet volgt dat alle parkeerplekken op eigen terrein moeten worden gerealiseerd. Uit de Nota parkeernormen volgt dat elke initiatiefnemer van (bouw)plannen zorg moet dragen voor het realiseren van voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein. Als de realisatie van de benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein niet mogelijk blijkt, moet de initiatiefnemer met een voorstel komen hoe de parkeerbehoefte opgelost kan worden in de openbare ruimte. Het voorstel mag niet op stedenbouwkundige of verkeerskundige bezwaren stuiten. In het bestreden besluit heeft het college toegelicht dat het realiseren van de parkeerplekken op openbaar terrein niet op stedenbouwkundige of verkeerskundige bezwaren stuit. Het college heeft de in bezwaar ingebrachte versie van de situatietekening ter beoordeling voorgelegd aan de afdeling Verkeer, die het plan positief heeft beoordeeld. Zo volgt uit het bestreden besluit dat voor het in- en uitrijden van het terrein aan de oostkant van het gebouw voldoende zicht aanwezig is om veilig te kunnen uitrijden. De aansluiting aan de oostkant heeft geen doorgaand karakter, maar geeft toegang tot een parkeerkoffer. Daardoor liggen de rijsnelheden laag en zijn de verkeersbewegingen vergelijkbaar met een regulier parkeerterrein. De fietsenstalling blijft voor fietsers bereikbaar. Eisers hebben de conclusies van de afdeling Verkeer niet gemotiveerd weersproken en geen tegenadvies van een deskundige overgelegd. De rechtbank ziet ook verder geen reden om aan de conclusies van de afdeling Verkeer te twijfelen. Verder omvat de omgevingsvergunning niet de toestemming om op het trottoir te fietsen of om voertuigen op het trottoir te parkeren. Het college hoefde met dergelijke overlast bij de vergunningverlening daarom geen rekening te houden.De beroepsgrond slaagt niet.
8.3.. Om eventuele zorgen bij eisers weg te nemen, heeft het college op de zitting toegezegd nogmaals te kijken naar de situatie ter plaatse om te bezien of het nodig is iets aan de verkeerssituatie te veranderen.
Zonlicht
9.1.. Eiser voert aan dat het bouwplan leidt tot verlies aan zonlicht in zijn appartement.
9. 9.2.. Zoals hiervoor overwogen volgt uit artikel 34.2.1 van het bestemmingsplan en de aanduiding op de verbeelding dat een gebouw van 12 meter op deze locatie al is toegestaan. Bij de beoordeling van eventuele schaduwhinder dient daarom op grond van vaste rechtspraak uit te gaan van een vergelijking van het bouwplan met de op grond van het bestemmingsplan toegestane bouwmogelijkheden.Uit het dossier blijkt dat op 27 juli 2024 en op 19 december 2024 een zonnestudie is uitgevoerd. In de zonnestudie van 19 december 2024 is een vergelijking gemaakt tussen de planologische maximale mogelijkheden, zijnde een gebouw van 12 meter, en de nieuwe situatie, zijnde een gebouw van 12,46 meter. Uit deze zonnestudie volgt dat er geen verschil is in bezonning ter plaatse van de woning van eiser. Dit betekent dat er geen sprake is van een toename van schaduwwerking als gevolg van het bouwplan ten opzichte van wat ter plaatse planologisch maximaal is toegestaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Mocht het college de omgevingsvergunning verlenen?
10. Gelet op het voorgaande heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het college heeft de belangen van vergunninghouder bij verlening van de vergunning zwaarder kunnen laten wegen dan de door eisers genoemde belangen. Dit betekent dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid heeft kunnen verlenen.
Conclusie
11. De beroepen zijn ongegrond. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van mr.I.N. van Soest, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen.
Bijlage: juridisch kader
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) op 1 januari 2024 heeft elke gemeente van rechtswege een omgevingsplan dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het hele grondgebied van de gemeente. Voor het perceel van vergunninghouder was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Amstelveen Noord-Oost” van kracht. Dat bestemmingsplan maakt nu deel uit van het (tijdelijk deel van het) Omgevingsplan gemeente Amstelveen.
Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow bepaalt dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. Een omgevingsplanactiviteit is – voor zover hier van belang – een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het verboden is deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die wel of niet in strijd is met het omgevingsplan. Op grond van artikel 22.26 van het omgevingsplan is het verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de beoordelingsregels opgenomen voor een aanvraag om een omgevingsplanactiviteit. In artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl, wordt, voor zover een aanvraag betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Uit artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, van het Omgevingsplan volgt – voor zover hier van belang – dat de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk alleen wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de in het Omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken.
In artikel 22.280 van het Omgevingsplan is bepaald dat, voor zover voor een activiteit in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels, deze bepaling geldt als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten.
In artikel 22.281 van het Omgevingsplan is bepaald dat, voor zover de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet gestelde regels over het voor een activiteit als bedoeld in artikel 22.280 bij omgevingsvergunning afwijken van regels in dat tijdelijke deel de verplichting bevatten om als de activiteit niet in strijd is met die regels de omgevingsvergunning te verlenen, deze verplichting wordt gelezen als een bevoegdheid.
ECLI:NL:RBAMS:2025:2704.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 22 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1736.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:360.
Zie bijv. de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:235.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2579.