[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbams-2026-6559":3,"decision-more-ecli-nl-rbams-2026-6559":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1518","ECLI:NL:RBAMS:2026:6559","",56,"Amsterdam","amsterdam","2026-04-29T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F773721 \u002F HA ZA 25-1370 en C\u002F13\u002F778508 \u002F HA ZA 25-1688 (gevoegd)\n\nVonnis van 29 april 2026\n\nin de zaken van\n\n [eiser] B.V.,\n\nte [vestigingsplaats 1],\n\neisende partij,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\nadvocaat: mr. I. Soetens,\n\ntegen\n\n [gedaagde] B.V.,\n\nte [vestigingsplaats 2],\n\ngedaagde partij,\n\nhierna te noemen: [gedaagde],\n\nadvocaat: mr. A. Das Gupta.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure in C\u002F13\u002F773721 \u002F HA ZA 25-1370 blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 4 juli 2025, met producties,\n\n- de conclusie van antwoord, met producties,\n\n- het tussenvonnis van 26 november 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald en\n\n- de mondelinge behandeling van 12 maart 2026 en de in het proces-verbaal genoemde stukken.\n\n1.2.. Het verloop van de procedure in C\u002F13\u002F778508 \u002F HA ZA 25-1688 blijkt uit:\n\n- het vonnis in het incident van 21 januari 2026 waarin deze procedure is gevoegd met de zaak met zaak- en rolnummer C\u002F13\u002F773721 \u002F HA ZA 25-1370,\n\n- het tussenvonnis van 21 januari 2026 waarin een mondelinge behandeling is bepaald en\n\n- de mondelinge behandeling van 12 maart 2026 en de in het proces-verbaal genoemde stukken.\n\n1.3.. Ten slotte is vonnis bepaald in beide zaken.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [gedaagde] was voorheen via [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. indirect aandeelhouder van twee derde deel van de aandelen in [bedrijf 3] B.V. ([bedrijf 3]). Bestuurder van [gedaagde] is de heer [naam 1] ([naam 1]). Een deel van de aandelen in [bedrijf 2] werd ook gehouden door Vermes B.V. (Vermes).2.2.. In 2018 heeft de heer [naam 2] (hierna: [naam 2]) [naam 1] gewezen op de verwerving van vijf online spellen en daartoe heeft [naam 1] (via [gedaagde]) [bedrijf 3] overgenomen. [bedrijf 3] is actief in de branche van online spellen en casino’s.\n\n2.3.. Bestuurder en enig aandeelhouder van [eiser] is mevrouw [naam 3]. [naam 2] (de echtgenoot van [naam 3]) heeft als consultant (via [eiser]) en als werknemer inkomsten gegenereerd bij [bedrijf 3], na de overname van [bedrijf 3] door [gedaagde].\n\n2.4.. Op 26 juli 2024 hebben [bedrijf 2] en [bedrijf 1] (samen met andere verkopers) hun aandelen in [bedrijf 3] verkocht aan de Japanse onderneming SegaSammy. Op die dag zijn [bedrijf 2] en SegaSammy ook een earn-out agreementaangegaan.\n\n2.5.. \n\nDe adviseurs van [eiser] en [gedaagde] zijn daarna met elkaar in overleg getreden over de afwikkeling van de relatie tussen [eiser] en [gedaagde]. [eiser] is vertegenwoordigd door adviseur [naam 4] ([naam 4]) van Strava Advies B.V. en [gedaagde] door adviseur\n\n [naam 5] ([naam 5]) van BDO Nederland. De achtergrond van deze gesprekken was onder meer dat [eiser] zou gaan meedelen in een deel van de opbrengst van de verkoop van de aandelen in [bedrijf 3].\n\n2.6.. Op 27 augustus 2024 heeft [naam 5] namens [gedaagde] aan [naam 4] onder meer gemaild dat bij de door [gedaagde] aan [eiser] uit te keren bonus uit de verkoopopbrengst van de [bedrijf 3] aandelen ook de nabetaling vanuit de escrowwordt gedeeld.\n\n2.7.. \n\nOnder bemiddeling van advocaat mr. L.V. Claassens (Claassens) hebben de adviseurs van [eiser] en [gedaagde] op 28 oktober 2024 met elkaar gesproken. Op 29 oktober 2024 heeft Claassens een gespreksverslag opgesteld. Dat verslag is per e-mail gestuurd naar [naam 4] en [naam 5]. In het verslag staat onder meer:\n\n“(…)\n\nGisteren hebben jullie opnieuw bij mij op kantoor met elkaar gesproken. Daarbij zijn de punten besproken die partijen verdeeld houden, voor zover nog aanwezig.\n\nOnder voorbehoud van goedkeuring van de (rechts)personen die jullie vertegenwoordigen, zijn de navolgende afspraken gemaakt. Op bepaalde onderdelen dient nog nadere uitwerking plaats te vinden. Dat zal in principe gebeuren in onderling overleg tussen [naam 4] [[naam 4]] en [naam 5] [[naam 5]].\n\nZij zullen eveneens de inhoud van de concept incentive-overeenkomst nader met elkaar afstemmen en, voor zover aan de orde, aanpassen. (…)\n\nDe afspraken op hoofdlijnen luiden als volgt:\n\nIncentive\n\n(…)\n\nVoor de goede orde wordt opgemerkt dat een gedeelte van de verkoopopbrengst in escrow zal blijven. (…) De incentive zal tevens worden berekend over het bedrag dat vrijvalt uit de escrow. Betaling zal plaatsvinden, eerst nadat de escrow tot uitkering is gekomen.\n\n(…)\n\nVerrekening bedrag ad € 135.000,00\n\nIndien overdracht van de aandelen [bedrijf 3] aan SammySega plaatsvindt op basis van de condities van de getekende SPA en [eiser] in aanmerking komt voor de incentive, kan er door [gedaagde] een bedrag ad € 135.000,00 verrekend worden met het incentive-bedrag, althans daarop in mindering worden gebracht. Anders gezegd, dit gedeelte van de incentive wordt betaald middels verrekening, zodat er effectief een bedrag ad € 135.000,00 minder aan [eiser] wordt overgemaakt.\n\n(…)\n\nBij deze het verzoek aan [naam 4] en [naam 5] om per email aan elkaar te bevestigen dat de familie [naam 2] en [naam 6] akkoord zijn met de afspraken zoals in deze mail zijn weergegeven.\n\n(…)”\n\n2.8.. \n [naam 4] heeft dezelfde dag aan Claassens en [naam 5] geschreven dat zijn achterban ([eiser]) akkoord is en [naam 5] namens [gedaagde] later die dag aan Claassens en [naam 4] ‘Bij deze ook mijn akkoord’.\n\n2.9.. Daarna hebben de adviseurs van partijen met elkaar contact gehad over de nog te sluiten incentive overeenkomst.\n\n2.10.. \n\nIn dit kader heeft [naam 4] (namens [eiser]) op 11 november 2024 aan [naam 5] ([gedaagde]) onder meer geschreven:\n\n“(…)\n\nBerekening incentive\n\nOp basis van alle correspondentie over en weer kom ik tot de volgende formule voor de berekening van de incentive:\n\n1\u002F3e maal het eigen vermogen van [bedrijf 2] [[bedrijf 2]] zoals dat zal luiden direct na closing\n\nVerminderd met 1\u002F3e deel van het in RBH gestorte aandelenkapitaal van €.300,==\n\nVermeerderd met 1\u002F3e van de eventueel door [bedrijf 2] vanaf datum oprichting tot aan het moment van closing uitgekeerde dividenden\n\nVermeerderd met €.402.933,==\n\nVermeerderd met 21% BTW\n\nMet de op basis van bovenstaande uitgangspunten berekende factuur worden vervolgens verrekend de lening van €.1.425.316,48 alsmede de lening van €.402.933,==\n\nGraag akkoord bij deze berekening zodat ik de incentive-overeenkomst kan finaliseren.\n\n(…)”\n\n2.11.. \n\n [gedaagde] en [eiser] hebben op 13 november 2024 een incentive overeenkomst gesloten waarin onder meer staat:\n\n “(…)\n\nOVERWEGINGEN:\n\nA. [gedaagde] is middellijk houder van het merendeel van de aandelen in het\n\n aandelenkapitaal van [bedrijf 3] BV (“[bedrijf 3]”).\n\n(…)\n\nI. Medio 2024 is er met één van die partijen, het Japanse SegaSammy een koopovereenkomst (…) tot stand gekomen over de verkoop en levering van (100% van de aandelen in het aandelenkapitaal van) [bedrijf 3] aan SegaSammy (de ‘Transactie’).\n\n(…)\n\nK. [eiser] is geen aandeelhouder van [bedrijf 3]. Zij kan derhalve geen enkel (financieel) recht ontlenen aan de verkoop van [bedrijf 3].\n\nL. [gedaagde] is van mening dat [eiser] in belangrijke mate heeft bijgedragen aan het succes van [bedrijf 3]. Zij is niet alleen degene geweest die [gedaagde] destijds heeft gewezen op de zakelijke opportunity om [bedrijf 3] over te nemen, maar [eiser] heeft ook haar bijdrage geleverd aan de groei en ontwikkeling van de onderneming, welke er mede toe heeft geleid dat [bedrijf 3] (met winst) is verkocht aan SegaSammy. Zonder [eiser] zou dit waarschijnlijk niet hebben kunnen plaatsvinden.\n\nM. [gedaagde], althans haar middellijk aandeelhouder de heer [naam 1], voelt zich om die reden moreel verplicht om [eiser] financieel te laten meeprofiteren van het behaalde succes in de vorm van toekenning van een eenmalige bonus, een incentive (…) aan [eiser], uiteraard mits de Transactie daadwerkelijk wordt geeffectueerd.\n\n(…)\n\nPARTIJEN ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:\n\n1. Incentive1.1.. Onder de voorwaarde dat de Transactie wordt geëffectueerd en de verkoopopbrengst door [gedaagde], althans een vennootschap waarvan [gedaagde] (middellijk) aandeelhouder of gelieerde is, is ontvangen, heeft [eiser] recht op een eenmalige Incentive, te betalen door [gedaagde] aan [eiser].1.2.. De hoogte van de Incentive bedraagt 33,33% van het eigen vermogen van [bedrijf 2] B.V. zoals dat zal luiden direct na afronding en ontvangst\u002Fbetaling van de koopsom betreffende de Transactie, verminderd met één derde deel van het in [bedrijf 2] B.V. gestorte aandelenkapitaal ten bedrage van € 300,== en vermeerderd met één derde deel van eventuele dividenden vastgesteld vanaf datum oprichting van [bedrijf 2] B.V. tot en met de dag van ontvangst\u002Fbetaling van de koopsom betreffende de Transactie. De op basis van de voorgaande volzin berekende Incentive zal worden vermeerderd met € 402.933,==, het totaalbedrag vervolgens te vermeerderen met BTW.1.3.. \n\n [gedaagde] zal binnen 2 werkdagen nadat de Transactie is afgerond en de verkoopopbrengst door [bedrijf 2] B.V. is ontvangen, [eiser] hierover per email informeren. [gedaagde] zal binnen 7 werkdagen na afronding van de Transactie de tussentijdse balansen laten opstellen van [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 1] B.V. Dan zullen binnen 7 werkdagen na het opstellen van de tussentijdse balansen via buitengewone aandeelhoudersvergaderingen van [bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 1] B.V. dividendbesluiten worden genomen voor het volledig uitkeerbare bedrag (…). Het Incentive bedrag, zulks vergezeld van de balans van [bedrijf 2] B.V. per datum van de closing (de Transactie), zal binnen 2 werkdagen nadat het dividend is vastgesteld worden uitbetaald op door [gedaagde] te ontvangen factuur (…).\n\n(…)1.5 (…). \n\n(…) Indien aan deze voorwaarden is voldaan, zal [gedaagde] het resterende factuurbedrag\n\nuiterlijk binnen twee werkdagen voldoen aan [eiser], zonder enige vorm van verrekening of anderszins een achterhouding van gelden.\n\n (…)1.7. \n\nEen eventuele betaling aan [gedaagde], althans een vennootschap waarvan zij (middellijk)\n\n aandeelhouder of gelieerde is, uit hoofde van een met SegaSammy overeengekomen\n\n earn-out-regeling komt volledig aan [gedaagde] toe. [eiser], incl. haar bestuurder en\n\n medewerkers, is daartoe op geen enkele wijze gerechtigd.\n\n (…)”\n\n2.12.. Op 25 april 2025 zijn de aandelen in het aandelenkapitaal van [bedrijf 3] overgedragen aan SegaSammy.\n\n2.13.. \n\nOp 6 mei 2025 heeft [naam 5] namens [gedaagde] een document genaamd afwikkeling incentive overeenkomst(hierna: de afwikkelovereenkomst) gestuurd aan [naam 4] ([eiser]).\n\nIn de begeleidende e-mail schrijft [naam 5] onder meer:\n\n“(…) Ik heb Lars [Claassens] gevraagd ons te berichten over het bedrag van € 135.000. Deze heb ik er nu in gelaten (is afgetrokken van incentive). (…)”\n\n2.14.. \n [eiser] heeft de afwikkelovereenkomst niet voor akkoord getekend. In de voorgestelde afwikkelovereenkomst staat onder meer dat [eiser] bij het vrijvallen van de escrowgerechtigd is tot een additioneleincentive, zijnde 1\u002F3e deel van het werkelijk ontvangen bedrag.\n\n2.15.. \n [eiser] heeft op 21 mei 2025 een factuur gestuurd aan [gedaagde], voor een bedrag van € 11.824.968,00. [gedaagde] heeft daarna in deelbetalingen totaal € 11.705.422 aan [eiser] voldaan.\n\n2.16.. \n\nOver de aandelentransactie zijn geschillen ontstaan. Uiteindelijk hebben [bedrijf 2], SegaSammy, [gedaagde], [naam 1] en [bedrijf 3] een Termination and Settlement Agreement(Vaststellingsovereenkomst) gesloten op 22 juli 2025, ter beslechting van de geschillen. In artikel 2.1.1. van de Vaststellingsovereenkomst staat, voor zover van belang:\n\n“(…) In full and final settlement of the Dispute and subject to the termination of the EOA in accordance with Clause 3, the Parties hereby agree that SSC [SegaSammy] shall pay to [bedrijf 2] a fixed amount of EUR 5,000,000 (…) (the Settlement Amount), (…) however subject to the terms and conditions of this Agreement. The Settlement Amount shall qualify as a deferred purchase price payment under the SPA payable by SSC to [bedrijf 2] for the Shares (as defined in the SPA) sold and transferred by [bedrijf 2] to SCC. (…)”\n\n2.17.. \n [eiser] heeft na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter ten laste van [gedaagde] beslag gelegd onder ING Bank, de Belastingdienst en [bedrijf 3].\n\n3. Het geschil\n\nC\u002F13\u002F773721 \u002F HA ZA 25-1370\n\n3.1.. \n\n [eiser] vordert - samengevat - om [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te veroordelen tot het betalen van:\n\nI. € 119.546,00, te vermeerderen met wettelijke handelsrente dan wel wettelijke rente vanaf 18 juni 2025 dan wel 26 juni 2025 dan wel vanaf 4 juli 2025;\n\nII. de buitengerechtelijke incassokosten van € 1.970,46, te vermeerderen met wettelijke rente;\n\nIII. de beslagkosten, te vermeerderen met wettelijke rente en\n\nIV. de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.\n\n3.2.. \n [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen en (uitvoerbaar bij voorraad) het opheffen van de door [eiser] ten laste van [gedaagde] gelegde beslagen met veroordeling van [eiser] in de volledige proceskosten van [gedaagde].\n\nC\u002F13\u002F778508 \u002F HA ZA 25-1688\n\n3.3.. \n\n [eiser] vordert - samengevat - na vermeerdering van eis om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde] te veroordelen:\n\nten aanzien van de nabetaling op de koopprijs\n\nprimair\n\nI. aan [eiser] € 1.666.667,00 te voldoen, te vermeerderen met wettelijke handelsrente dan wel wettelijke rente vanaf 4 augustus 2015, dan wel 11 augustus 2025 dan wel 4 september 2025;\n\nsubsidiair\n\nII. tot het verrichten van al die (rechts)handelingen die op grond van de incentive overeenkomst redelijkerwijs noodzakelijk zijn om hetgeen [gedaagde] aan [eiser] verschuldigd is op grond van de nabetaling op de koopprijs van € 5.000.000,00 voldaan te krijgen, waaronder onder meer:\n\ni. het met onderbouwing inzichtelijk maken welk bedrag door [eiser] te factureren is binnen veertien dagen na het vonnis;\n\nii. het binnen de overeengekomen betaaltermijn na ontvangst van de factuur van [eiser] voldoen van het door [eiser] aan [gedaagde] gefactureerde bedrag, welk bedrag wordt vermeerderd met wettelijke handelsrente dan wel wettelijke rente vanaf 4 augustus 2025, dan wel 11 augustus 2025 dan wel 4 september 2025;\n\nbij gebreke waarvan [gedaagde] aan [eiser] een dwangsom is verschuldigd van € 100.000,00 te vermeerderen met € 20.000,00 voor elke dag of elk dagdeel dat [gedaagde] in gebreke blijft;\n\nten aanzien van de escrow\n\nIII. tot het verrichten van al die (rechts)handelingen die op grond van de incentive overeenkomst redelijkerwijs noodzakelijk zijn om hetgeen [gedaagde] aan [eiser] verschuldigd is op grond van de nabetaling op de koopprijs van de escrowvoldaan te krijgen, waaronder onder meer:\n\niii. het met onderbouwing inzichtelijk maken welk bedrag door [eiser] te factureren is binnen veertien dagen na het vonnis;\n\niv. het binnen de overeengekomen betaaltermijn na ontvangst van de factuur van [eiser] voldoen van het door [eiser] aan [gedaagde] gefactureerde bedrag, welk bedrag wordt vermeerderd met wettelijke handelsrente dan wel wettelijke rente vanaf 19 december 2025 dan wel 4 september 2025;\n\nbij gebreke waarvan [gedaagde] aan [eiser] een dwangsom is verschuldigd van € 100.000,00 te vermeerderen met € 20.000,00 voor elke dag of elk dagdeel dat [gedaagde] in gebreke blijft;\n\nIV. tot het voldoen van de buitengerechtelijke incassokosten van € 6.675,00, te vermeerderen met wettelijke rente;\n\nV. om aan [eiser] de beslagkosten te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente en\n\nVI. om aan [eiser] de proceskosten te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente.\n\n3.4.. \n [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen en (uitvoerbaar bij voorraad) het opheffen van de door [eiser] ten laste van [gedaagde] gelegde beslagen met veroordeling van [eiser] in de proceskosten van [gedaagde] (tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] verklaard dat in deze procedure niet om een volledige proceskostenveroordeling wordt gevraagd). Ook verzoekt [gedaagde] om een eventuele veroordeling van haar niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\nVooraf in beide zaken\n\n4.1.. \n\nPartijen hebben met elkaar afspraken gemaakt over een door [gedaagde] aan [eiser] uit te keren bonus na de overdracht van de aandelen in [bedrijf 3] aan SegaSammy. De achtergrond van die afspraken is kort gezegd dat de heer [naam 2] (via [eiser]) een rol heeft gehad in het succes en de groei van [bedrijf 3]. [gedaagde] (haar bestuurder de heer [naam 1]) wilde [eiser] daarvoor belonen.\n\nDe adviseurs van partijen hebben overleg met elkaar gehad en hun afspraken zijn eerst vastgelegd in het zogeheten gespreksverslag van mr. Claassens van 28 oktober 2024 (2.7). Tussen partijen staat vast dat de afspraken daarin bindend zijn. De adviseurs van partijen hebben namens [eiser] en [gedaagde] op 29 oktober 2024 ingestemd met de afspraken die staan in het gespreksverslag. De adviseurs van partijen hebben vervolgens overleg gehad over de incentive overeenkomst waarna die overeenkomst tot stand is gekomen op 13 november 2024. Daarin is onder meer vastgelegd op welke manier de bonus (incentive) van [gedaagde] aan [eiser] moet worden berekend en gefactureerd. [gedaagde] heeft na de aandelenoverdracht een uitkering gedaan aan [eiser]. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] niet aan al haar verplichtingen voldaan. [eiser] vordert dat [gedaagde] de verplichtingen die zij heeft op grond van de afspraken die partijen hebben gemaakt, alsnog nakomt: (i) [gedaagde] heeft ten onrechte een bedrag verrekend en moet het verrekende bedrag uitkeren aan [eiser], (ii) [gedaagde] moet nog betalingen doen wegens het ontvangen van een nabetaling op de koopprijs en (iii) [gedaagde] moet nog betalingen doen wegens de vrijgekomenescrow. [gedaagde] meent dat zij aan al haar verplichtingen heeft voldaan en niets meer moet betalen aan [eiser].\n\nPartijen geven voor de drie vorderingen die [eiser] heeft ingesteld elk een andere uitleg aan hun afspraken - het gespreksverslag en de incentive overeenkomst - en aan hoe die twee documenten zich tot elkaar verhouden. Die afspraken moeten daarom worden uitgelegd. Bij de uitleg komt het niet alleen aan op de letterlijke tekst van de op schrift gestelde afspraken, maar ook op wat beide partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en mochten afleiden. Daarbij speelt in dit geval ook mee dat beide partijen beroepsmatig bij de contractuele relatie zijn betrokken en dat zij zijn bijgestaan door professionele adviseurs.\n\nIn de zaak met zaak- en rolnummer C\u002F13\u002F773721 \u002F HA ZA 25-1370\n\nMocht [gedaagde] een bedrag van € 119.546,00 verrekenen: ja\n\n4.2.. Op 29 oktober 2024 hebben [eiser] en [gedaagde] met elkaar afgesproken dat als overdracht van de aandelen [bedrijf 3] aan SegaSammy plaatsvindt en [eiser] in aanmerking komt voor de incentive, [gedaagde] een bedrag van € 135.000,00 mag verrekenen met hetincentivebedrag. De achtergrond hiervan was het bestaan van een schuld van [naam 2]\u002F[eiser] aan [bedrijf 3]. De verrekening staat in het gespreksverslag waarmee beide partijen akkoord zijn gegaan. Na de overdracht van de aandelen in [bedrijf 3] aan SegaSammy heeft [gedaagde] aan [eiser] deincentivebetaald, nadat zij daarop een bedrag van € 119.546,00 heeft ingehouden (het bedrag van € 135.000,00 dat later is bijgesteld). Hierna zal blijken dat [gedaagde] dat mocht doen.\n\n4.3.. \n [eiser] stelt dat [gedaagde] niet mocht verrekenen. Dat is uitgesloten in artikel 1.5 van de incentive overeenkomst. Na het akkoord op het gespreksverslag is de verrekening onderwerp van gesprek geweest bij de onderhandelingen over de incentive overeenkomst. Partijen hebben toen andere afspraken gemaakt over de verrekening en die afspraken zijn daarna vastgelegd in de incentive overeenkomst. Ook uit de berekening die adviseur [naam 4] namens [eiser] heeft gemaakt (2.10) en waarin de verrekening niet terugkomt, kan worden afgeleid dat partijen de eerder gemaakte afspraak over het verrekenen hebben aangepast, aldus [eiser].\n\n4.4.. \n [gedaagde] voert hiertegen aan dat de afspraak over het verrekenen uit het gespreksverslag nadien niet is gewijzigd. [gedaagde] heeft haar aanspraken op grond van het gespreksverslag niet prijsgegeven. De incentive overeenkomst bevat geen bepalingen die het gespreksverslag op dit punt vervangen. Artikel 1.5 van de incentive overeenkomst staat niet in de weg aan de verrekening. Dat artikel ziet op de situatie dat betalingen die feitelijk nog door [gedaagde] dienen te worden gedaan niet verrekend kunnen worden of kunnen worden achtergehouden. Na het gespreksverslag is de verrekening zoals die staat in het gespreksverslag niet meer aan de orde gesteld, aldus [gedaagde].\n\n4.5.. \n [eiser] en [gedaagde] zijn op 29 oktober 2024 overeengekomen dat [gedaagde] bij het voldoen van de incentiveaan [eiser] nog een bedrag mocht verrekenen. Volgens [eiser] is vervolgens opnieuw onderhandeld over de verrekening. [gedaagde] betwist dit. Tegenover de betwisting door [gedaagde] heeft [eiser] niet concreet gemaakt dat de verrekening na 29 oktober 2024 tussen partijen (dan wel hun adviseurs) aan de orde is gesteld en dat partijen daarover toen andersluidende afspraken hebben gemaakt. Zo is niet duidelijk gemaakt wie met een voorstel tot het wijzigen van de afspraak over het verrekenen van € 135.000,00 kwam, wanneer een dergelijk voorstel is gedaan en ook niet wat de adviseurs op dat punt concreet met elkaar hebben besproken. Verder hebben de adviseurs meerdere e-mails met elkaar gewisseld in de periode tussen 29 oktober 2024 en het ondertekenen van de incentive overeenkomst en in die e-mails staat niets over het terzijde schuiven van de verrekening. Het ligt voor de hand dat dit onderwerp, dat volgens beide partijen een belangrijk geschilpunt was, ook in de e-mails ter sprake zou zijn gebracht, vooral in het geval dat (zoals [eiser] betoogt) de daarover gemaakte afspraak kwam te vervallen. Dat is niet gebeurd. Adviseur [naam 4] heeft in zijn e-mail van 11 november 2024 namens [eiser] uitgelegd hoe deincentivemoet worden berekend. [eiser] wordt niet gevolgd in haar standpunt dat wegens het ontbreken van de verrekening in die berekening, de verrekening van € 135.000 alsnog werd uitgesloten. De berekening van deincentivegaat vooraf aan de verrekening. De berekening zegt op zichzelf dan ook niets over het al dan niet verrekenen.\n\n4.6.. \n [eiser] heeft dus niet voldoende onderbouwd dat partijen ná het akkoord op het gespreksverslag hebben afgesproken dat de verrekeningsbevoegdheid van [gedaagde] zoals die staat in het gespreksverslag zou komen te vervallen. Ook artikel 1.5 van de incentive overeenkomst waarin staat dat verrekening is uitgesloten, maakt niet dat [eiser] er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat de eerder gemaakte afspraak van tafel was. Artikel 1.5 van de incentive overeenkomst is een algemene bepaling en de verrekening uit het gespreksverslag bevat een specifieke afspraak. Nu niet is gebleken dat die specifieke afspraak nog ter discussie is gesteld en ook niet dat partijen akkoord zijn gegaan met het wijzigen van die afspraak, kan [eiser] aan artikel 1.5 niet het vertrouwen ontlenen dat partijen hebben bedoeld ook de verrekening van het bedrag van € 135.000 onder die bepaling te laten vallen.\n\nSlotsom, kosten en beslag\n\n4.7.. Dit betekent dat [gedaagde] mocht overgaan tot verrekening en dat de vordering van [eiser] wordt afgewezen.\n\n4.8.. \n [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet de proceskosten van [gedaagde] vergoeden. [gedaagde] vordert dat [eiser] wordt veroordeeld in de werkelijke proceskosten. Daartoe voert [gedaagde] aan dat [eiser] artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft geschonden door in de dagvaarding te zwijgen over de onderhandelingen en het akkoord tussen partijen over het gespreksverslag. [eiser] heeft ook in strijd met de waarheid gehandeld door te knippen en te plakken uit het gespreksverslag, daaruit de pagina over de verrekening weg te laten, dit stuk in te dienen en te doen alsof het stuk is opgesteld door Claassens, hetgeen niet zo is.\n\n4.9.. Toewijzing van de werkelijke proceskosten is denkbaar in buitengewone omstandigheden, zoals misbruik van recht of onrechtmatige daad. Hierbij past terughoudendheid, gelet op het recht tot toegang tot de rechter (artikel 6 EVRM). [eiser] heeft toegelicht waarom bij de dagvaarding niet het originele gespreksverslag is overgelegd, maar een bewerkte versie waarmee is geprobeerd een te ondertekenen versie te maken van het gespreksverslag. Alhoewel juist is dat [eiser] al in de dagvaarding had moeten laten zien dat de adviseurs namens partijen akkoord zijn gegaan met het gespreksverslag, is van misbruik van recht of onrechtmatige daad geen sprake. [eiser] heeft een stuk met daarin de afspraken overgelegd en dat stuk is qua inhoud hetzelfde als de e-mail van Claassens van 28 oktober 2024, bij de stukken die de rechtbank heeft gekregen ontbreekt niet de pagina over de verrekening en [eiser] heeft later in de procedure erkend dat partijen hebben ingestemd met de afspraken uit het gespreksverslag. Voor een veroordeling in de werkelijke proceskosten bestaat daarom geen aanleiding.\n\n4.10.. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:\n\n- griffierecht\n\n€\n\n6.861,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n4.102,00\n\n(2 punten × € 2.051,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n11.152,00\n\n4.11.. \n [gedaagde] heeft geen (reconventionele) afzonderlijke vordering tot het opheffen van het door [eiser] ten laste van haar gelegde beslag ingesteld, zoals artikel 705 lid 1 Rv voorschrijft. Daarom zal de rechtbank haar stellingen hierover niet beoordelen.\n\nIn de zaak met zaak- en rolnummer C\u002F13\u002F778508 \u002F HA ZA 25-1688\n\n [eiser] maakt geen aanspraak op een deel van de nabetaling\n\n4.12.. Op 22 juli 2025 hebben (onder meer) [gedaagde] en SegaSammy met de Vaststellingsovereenkomst (2.16) een schikking bereikt op grond waarvan door SegaSammy aan [bedrijf 2] een nabetaling van € 5.000.000,00 is gedaan. [eiser] en [gedaagde] verschillen van mening over de vraag of een derde deel van die nabetaling nog moet worden betaald aan [eiser]. [eiser] vindt dat de schikking een nabetaling op de koopprijs inhoudt en dat zij daarom aanspraak maakt op een deel van de nabetaling. [gedaagde] ziet dat anders. Hierna komt de rechtbank tot het oordeel dat aan [eiser] niet een deel van de nabetaling toekomt. Daarvoor is het volgende van belang.\n\n4.13.. \n [eiser] stelt dat in artikel 2.1.1. van de Vaststellingsovereenkomst de betaling door Segasammy aan [bedrijf 2] is aangemerkt als nabetaling op de koopprijs van de aandelen (‘deferred purchase price payment’). De afspraak was dat partijen alledrie ([eiser], [gedaagde] en Vermes die ook een deel van de aandelen in [bedrijf 3] hield) zouden profiteren van de verkoop van de aandelen in [bedrijf 3]. Nu de koopprijs door de nabetaling aan [bedrijf 2] achteraf is aangepast, moet [gedaagde] de incentive overeenkomst nakomen en alsnog een deel afdragen aan [eiser]. Aanvullend is sprake van onvoorziene omstandigheden (partijen hebben niet voorzien in een aanpassing van de koopprijs) en doet [eiser] een beroep op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid.\n\n4.14.. \n [gedaagde] voert hiertegen het volgende aan. Voor de hoogte van de uitkering door [gedaagde] aan [eiser] is het peilmoment uit artikel 1.2 van de incentive overeenkomst relevant. Uit onderdeel M van die overeenkomst volgt dat het gaat om een onverplichte uitkering die eenmalig is. Daarnaast heeft de betaling uit de Vaststellingsovereenkomst van € 5.000.000,00 geen effect op de hoogte van de koopsom. De Vaststellingsovereenkomst ziet uitsluitend op de verplichtingen van [naam 1] en zijn vennootschappen ten opzichte van SegaSammy; op afkoop van de managementovereenkomst en hoofdzakelijk op de afkoop van de Earn Out Agreement. De bewoordingen uit de Vaststellingsovereenkomst die erop zouden kunnen duiden dat de koopprijs is aangepast, hebben te maken met de fiscale deelnemingsvrijstelling. Van een aanpassing van de koopprijs is feitelijk geen sprake geweest. De overige verkopers hebben van de nabetaling geen profijt. Zij hebben geen bemoeienis gehad met deEarn Out Agreementof met de Vaststellingsovereenkomst, aldus [gedaagde].\n\n4.15.. Uit artikel 2.1.1. van de Vaststellingsovereenkomst kan worden afgeleid dat de betaling aan [bedrijf 2] ziet op de beslechting van het geschil met SegaSammy en op de afwikkeling van de Earn Out Agreement(‘EOA’). [eiser] maakt geen aanspraak op (een deel van) deearn out, zo volgt uit artikel 1.7 van de incentive overeenkomst. In de Vaststellingsovereenkomst zijn geen aanknopingspunten te vinden voor de stelling van [eiser] dat de betaling moet worden aangemerkt als een nabetaling op de koopprijs voor de aandelen. In dat licht kan de enkele omstandigheid dat in artikel 2.1.1. van de Vaststellingsovereenkomst staat ‘deferred purchase price payment’dat niet anders maken. [gedaagde] heeft toegelicht dat die bewoordingen zijn gekozen vanwege de fiscale deelnemingsvrijstelling en [eiser] heeft dat niet concreet bestreden. [eiser] kan dan ook geen aanspraak maken op een deel van de nabetaling.\n\n4.16.. Het beroep van [eiser] op onvoorziene omstandigheden en op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid kan haar niet baten nu daaraan ten grondslag ligt dat de nabetaling onderdeel is van de koopprijs die SegaSammy heeft betaald voor de aandelen in [bedrijf 3]. Uit het voorgaande blijkt dat daarvan geen sprake is.\n\nDe inescrow gehouden bedragen vallen onder deincentive\n\n4.17.. Tussen partijen is tot slot in geschil of hun afspraken inhouden dat de incentiveook moet worden berekend over deescrow. De rechtbank komt tot de slotsom dat op grond van de afspraken [eiser] aanspraak maakt op een deel van het inescrowgehouden bedrag. Daarvoor is het volgende van belang.\n\n4.18.. In het gespreksverslag staat onder het kopje ‘Incentive’ onder meer ‘De incentive zal tevens worden berekend over het bedrag dat vrijvalt uit de escrow. Betaling zal plaatsvinden, eerst nadat de escrow tot uitkering is gekomen.De bewoordingen van het gespreksverslag zijn duidelijk. Het bedrag dat vrijkomt uit deescrow, maakt deel uit van de door [gedaagde] aan [eiser] uit te keren bonus. Dat heeft de adviseur van [gedaagde] ook voorafgaand aan het gespreksverslag aan de adviseur van [eiser] geschreven (2.6). Dat is het uitgangspunt. Het klopt dat deincentivenog nader zou worden uitgewerkt middels de incentive overeenkomst. Ook dat is opgenomen in het gespreksverslag. Dat betekent niet dat het gespreksverslag, zoals [gedaagde] aanvoert, volledig is vervangen door de incentive overeenkomst. Voor zover van de uitgangspunten in het gespreksverslag wordt afgeweken, is nodig dat partijen daarover overeenstemming bereiken. Partijen en hun adviseurs hebben in de periode tussen 29 oktober 2024 en het sluiten van de incentive overeenkomst op 13 november 2024 niet gesproken over deescrow. De situatie dat beide partijen akkoord zijn gegaan met een wijziging van de eerdere afspraak, doet zich niet voor. Gelet hierop kan de enkele omstandigheid dat in de incentive overeenkomst een verwijzing naar deescrowontbreekt, er niet toe leiden dat deincentivemoet worden berekend over de verkoopopbrengst exclusief deescrow. Daarvoor ontbreken feiten en omstandigheden op grond waarvan partijen ervan konden uitgaan of moesten begrijpen dat deescrowniet (meer) zou worden gedeeld.\n\n4.19.. Aan een nabetaling van de escrowstaat volgens [gedaagde] verder in de weg dat partijen zijn uitgegaan van één peilmoment (artikel 1.2 van de incentive overeenkomst) alsook van een eenmalig door [gedaagde] aan [eiser] uit te keren bonus (onderdeel M van de considerans). Daarin wordt [gedaagde] niet gevolgd. In artikel 1.2 van de incentive overeenkomst staat welk deel van het eigen vermogen van [bedrijf 2] relevant is voor de hoogte van deincentive. Dat is het eigen vermogen direct na afronding en ontvangst\u002Fbetaling van de koopsom voor de aandelentransactie. In onderdeel M van de considerans van de incentive overeenkomst staat dat [gedaagde], althans [naam 1], zich moreel verplicht voelt om [eiser] financieel te laten meeprofiteren in de vorm van toekenning van een eenmalige bonus (deincentive). Deze bepalingen in onderlinge samenhang geven weer dat deincentiveziet op enkel de verkoopopbrengst én dat zal worden uitgekeerd zodra de verkoopopbrengst is ontvangen. Hieruit kan niet worden afgeleid dat als een betaling is gedaan door [gedaagde] aan [eiser] en daarna nog een deel van de verkoopopbrengst wordt ontvangen, die nabetaling op de koopprijs niet meer ter zake doet. Dat zou ook afbreuk doen aan de achterliggende afspraak dat [eiser] voor een derde deel deelt in het behaalde succes.\n\n4.20.. \n\nTot slot heeft [gedaagde] met het aan [eiser] aanbieden van de afwikkelovereenkomst bevestigd dat de incentiveook wordt berekend over deescrow. [gedaagde] heeft in dat document immers opgenomen dat zij een deel van deescrowdoorbetaalt aan [eiser].\n\nVolgens [gedaagde] was dit geen uitwerking van de bestaande afspraken maar een aanbod aan [eiser] voor een extra vergoeding in het licht van de spanningen die waren ontstaan met koper SegaSammy. De rechtbank ziet voor deze stelling geen ondersteuning. Onder punt 2 van de afwikkelovereenkomst staat dat partijen in het document de financiële verplichtingen vastleggen die zij uit hoofde van de incentive overeenkomst jegens elkaar hebben. De rechtbank houdt het er daarom voor dat [gedaagde] met dit document heeft beoogd om de hoogte van de vergoeding die zij op grond van de eerder gemaakte afspraken aan [eiser] verschuldigd was in een overeenkomst vast te leggen. Daarmee heeft [gedaagde] bevestigd dat [eiser] bij het vrijvallen van de escrowgerechtigd is tot 1\u002F3e deel van het ontvangen bedrag.\n\n4.21.. De slotsom is dat [gedaagde] ertoe is gehouden een deel van de in escrowgehouden bedragen uit te keren aan [eiser], overeenkomstig de in de incentive overeenkomst gemaakte afspraken. Een deel van het inescrowgehouden bedrag is inmiddels aan [gedaagde] uitgekeerd, zes maanden na 25 april 2025. Het laatste deel zal drie jaren na 25 april 2025 worden uitgekeerd. Betaling aan [eiser] zal plaatsvinden eerst nadat deescrowtot uitkering is gekomen, zo volgt uit het gespreksverslag. Dat betekent dat [gedaagde] ertoe is gehouden aan [eiser] een deel van het al uitgekeerde bedrag te betalen en dat zij in de toekomst een nabetaling zal moeten doen.\n\n4.22.. \n\n [eiser] vordert kort gezegd dat [gedaagde] haar de informatie geeft die nodig is om de hoogte van de incentiveuit hoofde van deescrowvast te stellen en dat [gedaagde] vervolgens na ontvangst van de factuur het gefactureerde bedrag betaalt, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 19 december 2025 althans vanaf de dag van dagvaarding. De vordering tot het geven van inzicht wordt op de wijze zoals in het dictum omschreven toegewezen. De gevorderde wettelijke handelsrente over de reeds vrijgevallenescrowis niet weersproken en zal worden toegewezen, ook op de manier zoals in het dictum vermeld. De wettelijke handelsrente over de nog uit te kerenincentiveover deescrow(die vrijkomt drie jaren na 25 april 2025) is toewijsbaar vanaf het moment van het verstrijken van de betaaltermijn van de factuur.\n\nAan de veroordeling wordt een dwangsom gekoppeld die als volgt wordt bepaald en gemaximeerd.\n\nSlotsom, kosten en beslag\n\n4.23.. De vorderingen van [eiser] onder I en II worden afgewezen. De vordering onder III wordt toegewezen op de hierna te melden wijze.\n\n4.24.. \n [eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal. De kosten moeten worden aangemerkt als kosten waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding inhoudt en worden afgewezen.\n\n4.25.. \n [eiser] vordert tevens vergoeding van de beslagkosten. De conservatoire beslagen zijn gelegd voordat de vermeerdering van eis met betrekking tot de escrowwerd ingesteld. De beslagen zien op de vorderingen tot het betalen van het verrekende bedrag en tot het vergoeden van de nabetaling. Die vorderingen worden afgewezen. Daarom bestaat geen grond voor het vergoeden van de beslagkosten.\n\n4.26.. \n [gedaagde] heeft geen (reconventionele) afzonderlijke vordering tot het opheffen van het door [eiser] ten laste van haar gelegde beslag ingesteld, zoals artikel 705 lid 1 Rv voorschrijft. Daarom zal de rechtbank haar stellingen hierover niet beoordelen.\n\n4.27.. \n [gedaagde] is voor een deel in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] betalen. Bij de berekening wordt één punt toegekend voor de akte vermeerdering van eis en één punt voor de mondelinge behandeling. Voor de dagvaarding wordt geen punt toegekend (met uitzondering van de kosten van de dagvaarding), omdat de daarmee ingeleide vordering niet is toegewezen. Voor de hoogte van de proceskosten zal aansluiting worden gezocht bij het tarief ‘onbepaalde waarde’, omdat de vordering strekt tot het geven van inlichtingen en betaling van een nader te bepalen bedrag en niet tot veroordeling van een al vaststaand bedrag. Het door [gedaagde] te vergoeden griffierecht wordt ook bijgesteld naar het tarief ‘onbepaalde waarde’. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:\n\n- kosten van de dagvaarding\n\n€\n\n119,40\n\n- griffierecht\n\n€\n\n714,00\n\n- salaris advocaat\n\n€\n\n1.306,00\n\n(2 punten × € 653,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n189,00\n\n(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n2.328,40\n\n4.28.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.29.. \n [gedaagde] heeft gevraagd om de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad niet toe te staan en zij heeft daarbij gewezen op een restitutierisico. De maatstaf voor het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van een vonnis is of het belang van degene die de veroordeling verkrijgt, zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij bij behoud van de bestaande toestand totdat op een (eventueel) rechtsmiddel is beslist. [eiser] heeft belang bij betaling van het aan haar toekomende deel van de verkoopopbrengst. [gedaagde] stelt dat sprake is van een ernstig restitutierisico, omdat [naam 2] grote geldbedragen vergokt, maar dit is niet van een concrete toelichting voorzien. Verder is daarmee niet gegeven dat wat betreft [eiser] sprake is van een ernstig restitutierisico. De vordering om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren zal daarom worden toegewezen.\n\n5. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nIn de zaak met zaak- en rolnummer C\u002F13\u002F773721 \u002F HA ZA 25-1370\n\n5.1.. wijst de vorderingen af en\n\n5.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 11.152,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend en verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.\n\nIn de zaak met zaak- en rolnummer C\u002F13\u002F778508 \u002F HA ZA 25-1688\n\n5.3.. \n\nveroordeelt [gedaagde] ten aanzien van de escrowtot het verrichten van al die handelingen die op grond van de incentive overeenkomst noodzakelijk zijn om hetgeen op grond van de incentive overeenkomst is verschuldigd aan [eiser] voldaan te krijgen, waaronder wordt verstaan:\n\na. het met stukken inzichtelijk maken welk bedrag [eiser] kan factureren, voor zover het gaat om het al uitgekeerde escrowbedrag binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis en voor zover het gaat om deescrowdie nog niet is vrijgevallen binnen veertien dagen nadat deescrowis uitgekeerd en\n\nb. het binnen de overeengekomen betaaltermijn na ontvangst van de factuur van [eiser] voldoen van het door [eiser] aan [gedaagde] gefactureerde bedrag, waarbij het uit te keren deel dat ziet op de (ten tijde van het wijzen van dit vonnis) al uitbetaalde escrowwordt vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 19 december 2025 tot aan de dag van algehele voldoening en het uit te keren deel dat ziet op deescrowdie in de toekomst wordt uitgekeerd wordt vermeerderd met de wettelijke handelsrente vanaf het moment dat de betaaltermijn van de factuur is verstreken tot aan het moment van algehele voldoening,\n\n5.4.. veroordeelt [gedaagde] tot het betalen van een dwangsom van € 5.000,00 per dag dat [gedaagde] in gebreke blijft met het voldoen aan het onder 5.3 onder a en b bepaalde tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,\n\n5.5.. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.328,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.6.. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.7.. verklaart de veroordelingen onder 5.3 tot en met 5.6 uitvoerbaar bij voorraad en\n\n5.8.. wijst het meer of anders gevorderde af.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. T.T. Hylkema, rechter, bijgestaan door mr. C.E.P. Honing, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2026.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6559","ecli-nl-rbams-2026-6559",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Verbintenissenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]