Skip to main content

ECLI:NL:RBAMS:2026:6560

Court

Amsterdam

Date

27 May 2026

Language

nl

Case Summary

Legal Issue

Civiel recht; Ondernemingsrecht

Holding / Outcome

Uitspraak

Amsterdam

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; OndernemingsrechtType: uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/776349 / HA ZA 25-1542

Vonnis van 27 mei 2026

in de zaak van

[eiser],

te [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

advocaat: mr. C.H.A. van de Wiel,

tegen

1. [gedaagde 1] B.V., 2. [gedaagde 2] B.V., 3. [gedaagde 3] , 4. [gedaagde 4] B.V., 5. [gedaagde 5] ,

te [plaats] ,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: [gedaagden] ,

advocaat: mr. T.J. van Weeren.

Gedaagden afzonderlijk worden hierna genoemd: [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] .

1. De procedure

1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding van 15 september 2025, met producties,

  • de conclusie van antwoord, met producties,

  • het tussenvonnis van 14 januari 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,

  • de akte overleggen producties van [eiser] , met producties 18 tot en met 26,

  • de akte overleggen producties van [gedaagden] , met producties 6 tot en met 11 en

  • de mondelinge behandeling van 13 april 2026 waarvan een verkort proces-verbaal is opgemaakt en waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.

1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1..
[eiser] heeft jarenlang een koffiehuis oftewel buurtcafé geëxploiteerd in [plaats] onder de naam [bedrijf 1] .

2.2..
[bedrijf 2] B.V. (hierna [bedrijf 2] ) is opgericht op 30 januari 2023. Voorheen heette [bedrijf 2] ‘ [bedrijf 3] B.V.’.

2.3.. De bestuurder van [bedrijf 2] is [gedaagde 1] . De bestuurder van [gedaagde 1] is [gedaagde 4] en de bestuurder van [gedaagde 4] is [gedaagde 5] . [gedaagde 1] stuurt drie filialen in [plaats] aan van het Griekse restaurant concept [bedrijf 4] .

2.4..
[gedaagde 2] is onderdeel van een groep vennootschappen van [gedaagde 3] . [gedaagde 3] is bestuurder en enig aandeelhouder van [gedaagde 2] . [gedaagde 2] is een van de aandeelhouders van [gedaagde 1] .

2.5..

[eiser] heeft zijn onderneming verkocht aan [bedrijf 2] . In de activa/passiva-overeenkomst van 15 februari 2023 (hierna de overeenkomst) staat dat [bedrijf 2] van [eiser] de onderneming koopt.

Verder staat in de overeenkomst dat de onderneming vanaf de overnamedatum voor rekening en risico van koper wordt uitgeoefend (artikel 4).

In de overeenkomst is een koopprijs van € 75.000,00 afgesproken, waarvan € 10.000,00 op de datum van overname en € 65.000,00 in 60 maandelijkse termijnen van € 1.083,33 zou worden betaald. Ook is een jaarlijkse rente van 10% afgesproken voor het geval [bedrijf 2] niet aan haar betalingsverplichtingen zou voldoen. Tot slot bevat de overeenkomst een boetebeding van € 250,00 per dag bij niet-nakoming.

2.6.. In de overeenkomst staat in de aanhef dat (de rechtsvoorgangster van) [bedrijf 2] wordt vertegenwoordigd door [gedaagde 2] en dat [gedaagde 2] wordt vertegenwoordigd door [gedaagde 3] .

2.7.. Na de overname op 15 februari 2023 is [bedrijf 1] nog drie weken open gebleven. Daarna is de onderneming gesloten. Op 27 maart 2023 heeft [bedrijf 2] bij de [gemeente] een vergunning aangevraagd voor het exploiteren van een nieuw filiaal van de horeca-onderneming [bedrijf 4] . De aanvraag is op 4 juni 2024 afgewezen.

2.8..
[bedrijf 2] heeft de overeengekomen koopsom ineens van € 10.000,00 en de maandelijkse betalingen van € 1.083,33 tot januari 2025 aan [eiser] betaald. Daarna is [bedrijf 2] gestopt met het doen van de maandelijkse betalingen.

2.9..
[eiser] is een kort geding procedure gestart tegen [bedrijf 2] , [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] tot betaling van de openstaande termijnen, rente en boete. In een vonnis van 1 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank [bedrijf 2] onder meer veroordeeld tot betaling aan [eiser] van € 6.499,98 aan de maandelijkse termijnen, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 10% per jaar en tot betaling van een boete van € 37.250,00. De vorderingen tegen de andere gedaagden zijn afgewezen.

3. Het geschil

3.1..
[eiser] vordert - samengevat - [gedaagden] hoofdelijk en bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te veroordelen tot het betalen van:

€ 41.166,74 aan schadevergoeding wegens niet te incasseren uitgestelde koopsom;

€ 54.000,00 dan wel € 37.250,00 aan schadevergoeding wegens onbetaalde en niet te incasseren contractuele boete;

€ 1.506,67 aan buitengerechtelijke incassokosten;

€ 3.641,68 aan proceskosten(veroordeling) in kort geding;

de contractuele rente dan wel de wettelijke rente over de onder a en b genoemde bedragen en

de proceskosten.

3.2..

[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Gedaagden zijn als (in)direct, statutair dan wel feitelijk bestuurders van [bedrijf 2] op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die [eiser] lijdt als gevolg van de wanprestatie van [bedrijf 2] (het niet voldoen aan de betalingsverplichtingen die [bedrijf 2] heeft tegenover [eiser] ). [gedaagde 3] en [gedaagde 2] zijn de feitelijk bestuurders van [bedrijf 2] .

Dat [bedrijf 2] niet meer aan haar verplichtingen kan voldoen, komt doordat zij geen omzet/winst heeft gemaakt met het gekochte. De bestuurders hebben de beslissing genomen om niet te exploiteren. Met die beslissing hebben zij bewerkstelligd of in ieder geval toegelaten dat [bedrijf 2] haar betalingsverplichting zou schenden. Zij wisten of hadden moeten weten dat de vergunning die zij nodig hadden om een nieuw filiaal van [bedrijf 4] te openen, niet zou worden gegeven. Daarmee hebben de bestuurders zodanig onzorgvuldig jegens [eiser] gehandeld dat hen hiervan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. [eiser] is voorafgaand aan of tijdens het sluiten van de overeenkomst niet ingelicht over het gewijzigde concept dat [bedrijf 2] voor ogen had met het gekochte.

3.3..
[gedaagden] voert verweer. [gedaagden] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.4..
[gedaagden] voert het volgende aan. [gedaagde 3] en [gedaagde 2] zijn niet aan te merken als (feitelijk) bestuurders van [bedrijf 2] . Daarnaast valt [gedaagden] geen persoonlijk ernstig verwijt te maken. Bij het sluiten van de overeenkomst verkeerde [bedrijf 2] in financieel gezonde toestand en waren er geen aanwijzingen dat zij in de toekomst haar verplichtingen jegens [eiser] niet zou kunnen nakomen. [bedrijf 2] heeft een jaar en negen maanden aan haar betalingsverplichting voldaan. Verder heeft zij direct na de overname een vergunning aangevraagd voor het kunnen openen van een vierde filiaal van [bedrijf 4] . Er waren geen aanwijzingen dat de vergunning niet zou worden verleend. Vanaf de aanvang was ook bij [eiser] bekend dat [bedrijf 2] een ander concept voor ogen had. [bedrijf 2] had niet de verplichting om de koffiezaak zoals die was voort te zetten, op grond van de overeenkomst. Verder is geen sprake van verhaalsfrustratie of onrechtmatige onttrekkingen. De ondernemersbeslissingen en daarbij behorende risico’s van [bedrijf 2] zijn niet dusdanig dat de bestuurders daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.

3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

toetsingskader

4.1.. Een door een bestuurder van een rechtspersoon (in dit geval [bedrijf 2] ) in naam van de rechtspersoon verrichte rechtshandeling, treft in haar gevolgen de rechtspersoon. Als een rechtspersoon tekortschiet in de nakoming van haar verplichtingen, is het uitgangspunt dat alleen die rechtspersoon kan worden aangesproken voor de schade die daaruit voortvloeit. Onder bijzondere omstandigheden kunnen ook (middellijk of feitelijk) bestuurders aansprakelijk zijn op grond van onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW), maar die lat ligt hoog. Daarvoor is vereist dat die bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.

4.2.. Van een ernstig verwijt kan sprake zijn als de bestuurder namens de rechtspersoon verplichtingen is aangegaan en wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de rechtspersoon daaraan niet zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade (Beklamel-norm).

4.3.. Van een ernstig verwijt kan ook sprake zijn als de bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de rechtspersoon haar verplichtingen niet nakomt. De bestuurder is dan aansprakelijk als hij wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de rechtspersoon ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade (Ontvanger/ [naam] ).

geen bestuurdersaansprakelijkheid

4.4..
[bedrijf 2] is haar verplichtingen jegens [eiser] niet nagekomen. [bedrijf 2] is gestopt met het betalen van de maandelijkse vergoeding en zij heeft ook niet voldaan aan de veroordeling in het kort geding vonnis. Hierna zal blijken dat de aangevoerde verwijten geen grond opleveren voor aansprakelijkheid van de bestuurders. Gelet daarop zal de rechtbank niet beoordelen of [gedaagde 3] en [gedaagde 2] in feite bestuurders van [bedrijf 2] zijn, zoals [eiser] stelt. Ook in het geval dat die vraag bevestigend zou worden beantwoord, kunnen [gedaagde 3] en [gedaagde 2] niet worden aangesproken tot het vergoeden van de schade die [eiser] heeft door de tekortkoming van [bedrijf 2] . Voor zover [eiser] betoogt dat [gedaagde 3] en [gedaagde 2] ook kopers zijn van de onderneming en dat zij in die hoedanigheid aansprakelijk zijn, gaat die stelling niet op. [eiser] heeft met [bedrijf 2] de overeenkomst gesloten en in de overeenkomst is [bedrijf 2] als de koper gedefinieerd. Uit de overeenkomst blijkt duidelijk dat [gedaagde 3] en [gedaagde 2] enkel als vertegenwoordigers van [bedrijf 2] zijn opgetreden.

4.5..
[gedaagden] kan niet aansprakelijk worden gehouden voor het aangaan van de overeenkomst. [eiser] heeft onvoldoende feiten gesteld voor de conclusie dat [gedaagden] op het moment van het sluiten van de overeenkomst wist of in redelijkheid had moeten begrijpen dat [bedrijf 2] haar verplichtingen uit die overeenkomst niet zou nakomen. Daaraan staat in de eerste plaats in de weg dat [bedrijf 2] gedurende een langere periode heeft voldaan aan haar verplichting om [eiser] te betalen. [bedrijf 2] heeft op de overnamedatum € 10.000,00 betaald en gedurende een jaar en negen maanden de maandelijkse vergoedingen overgemaakt. Op het moment dat [bedrijf 2] de overeenkomst sloot, kon zij aan haar verplichtingen voldoen en dat heeft zij toen ook gedaan. Verder is van belang dat niet is gebleken dat - toen de overeenkomst werd gesloten - het aanvragen van de voor het kunnen exploiteren van een restaurant benodigde horeca 3 vergunning zo weinig kans had dat voorzienbaar was dat [bedrijf 2] op enig moment zou stoppen met het betalen van de maandelijkse termijnen. Volgens [eiser] was het exploiteren van een restaurant in strijd met het bestemmingsplan, maar mede gelet op het feit dat ook [eiser] over een horecavergunning beschikte (een horeca 1 vergunning), heeft [eiser] niet nader toegelicht waarom de vergunningsaanvraag zou worden afgewezen en dat [gedaagden] dat moest weten. Dat verder de ruimte ongeschikt zou zijn voor het exploiteren van een restaurant, heeft [eiser] tegenover het verweer van [gedaagden] dat in de ruimte eten kon worden gemaakt en dat daarvoor apparatuur aanwezig was, ook niet concreet gemaakt. [eiser] heeft onvoldoende informatie gegeven om vast te stellen dat [gedaagden] een dusdanig groot risico heeft genomen dat [gedaagden] daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.

4.6.. Evenmin is gebleken van frustratie van verhaal en betaling. [bedrijf 2] heeft kort na de overname in februari 2023, namelijk op 27 maart 2023, de vergunningen aangevraagd voor het exploiteren van een restaurant. Dat heeft [bedrijf 2] gedaan om een nieuw filiaal van [bedrijf 4] te openen en daarmee de middelen te genereren om de betalingen aan [eiser] te kunnen doen. Niet kan worden vastgesteld dat de bestuurders hebben bewerkstelligd of toegelaten dat [bedrijf 2] geen verhaal zou bieden. Zoals hiervoor is overwogen, heeft [eiser] niet laten zien dat het aanvragen van de vergunningen onvoldoende kans van slagen had. Verder is hierbij van belang dat anders dan [eiser] stelt, uit de overeenkomst niet een verplichting voor [bedrijf 2] volgt om de exploitatie van het koffiehuis voort te zetten. In de overeenkomst staat niets over het gebruik en de bestemming van het gekochte na de overnamedatum. In artikel 4 van de overeenkomst staat dat de onderneming vanaf de overnamedatum ‘voor rekening en risico van koper wordt uitgeoefend’. Anders dan [eiser] betoogt, kan uit het woord ‘uitgeoefend’ niet worden opgemaakt dat de onderneming moest worden voortgezet als koffiehuis. [bedrijf 2] mocht een ander concept exploiteren. Of en in hoeverre [eiser] voorafgaand aan of bij het sluiten van de overeenkomst wist dat [bedrijf 2] niet het koffiehuis wilde behouden, maar een nieuw filiaal van het restaurant [bedrijf 4] wilde starten, is dan ook niet relevant.

slotsom en proceskosten

4.7.. Dit leidt tot de slotsom dat de vorderingen worden afgewezen.

4.8..
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:

  • griffierecht

6.861,00

  • salaris advocaat

4.102,00

(2 punten × € 2.051,00)

  • nakosten

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

11.152,00

4.9.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.. wijst de vorderingen af,

5.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 11.152,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.. veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald en

5.4.. verklaart de kostenveroordelingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.L. Bolkestein, rechter, bijgestaan door mr. C.E.P. Honing, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.

More Decisions