[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbams-2026-6591":3,"decision-more-ecli-nl-rbams-2026-6591":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1589","ECLI:NL:RBAMS:2026:6591","",56,"Amsterdam","amsterdam","2026-06-17T00:00:00.000Z","RECHTBANK Amsterdam\n\nCiviel recht\n\nZaaknummer: C\u002F13\u002F775482 \u002F HA ZA 25-1483\n\nVonnis van 17 juni 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser] B.V.,\n\ngevestigd te [vestigingsplaats] ,\n\neiseres in conventie, verweerster in reconventie,\n\nadvocaat: onttrokken op 5 januari 2026,\n\ntegen\n\nTHE VECTORY B.V.,\n\ngevestigd te Amsterdam,\n\ngedaagde in conventie, eiseres in reconventie,\n\nadvocaat: mr. B.J.G. Sap.\n\nPartijen worden hierna [eiser] en The Vectory genoemd.\n\n1. De procedure in conventie en in reconventie\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding van 5 september 2025 met producties,\n\n- de conclusie van antwoord in conventie en eis in reconventie met producties,\n\n- de conclusie van antwoord in reconventie met producties,\n\n- het tussenvonnis van 11 februari 2026 waarin een mondelinge behandeling is bepaald, - het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 april 2026 en de daarin vermelde stukken.\n\n1.2.. Vervolgens wijst de rechtbank vandaag vonnis.\n\n2. Kern van de zaak\n\n2.1.. \n [eiser] en The Vectory hebben een overeenkomst gesloten op basis waarvan [eiser] heeft gewerkt voor The Vectory. Partijen verschillen van mening over de betalingsafspraken die zij in het kader van deze overeenkomst hebben gemaakt. [eiser] meent dat zij recht heeft op een maandelijkse vergoeding van The Vectory en vordert deze in conventie. The Vectory spreekt dit tegen en vordert in reconventie onder andere verklaringen voor recht en schadevergoeding wegens onwaarheden die [eiser] heeft geuit en beslagen die [eiser] onterecht heeft gelegd.\n\n2.2.. In dit tussenvonnis beoordeelt de rechtbank verschillende omstandigheden die een rol spelen bij beantwoording van de vraag wat partijen zijn overeengekomen. Uiteindelijk komt de rechtbank tot de conclusie dat partijen een maandelijkse vergoeding hebben afgesproken die afhankelijk was van de omzet die [eiser] genereerde. Omdat deze targets niet zijn gehaald, hoefde The Vectory geen maandelijkse vergoeding te betalen.\n\n2.3.. In reconventie komt de rechtbank tot de conclusie dat [eiser] de waarheidsplicht heeft geschonden ten aanzien van de facturen van 2025. Als gevolg daarvan zal zij de kosten van het deskundigenonderzoek dat The Vectory heeft laten uitvoeren, moeten betalen. Omdat de hoogte van deze kosten niet onderbouwd zijn, krijgt The Vectory de mogelijkheid dat alsnog te doen. Verder overweegt de rechtbank dat de conservatoire derdenbeslagen van [eiser] onrechtmatig zijn aangezien zij in conventie ongelijk krijgt. De vorderingen van The Vectory omtrent reputatieschade heeft zij onvoldoende onderbouwd.\n\n3. De feiten in conventie en in reconventie\n\n3.1.. \n [eiser] is een onderneming die managementtaken uitvoert in opdracht van andere ondernemingen. [naam 1] (hierna: [naam 1] ) is bestuurder en enig aandeelhouder van [eiser] .\n\n3.2.. The Vectory is een onderneming die zich richt op sportmarketing en samenwerking met en tussen bedrijven in de sportwereld. [naam 2] (hierna: [naam 2] ) is indirect bestuurder van The Vectory.\n\n3.3.. Vanaf 1 oktober 2024 heeft [eiser] in opdracht van The Vectory werkzaamheden verricht, met name met als doel om nieuwe klanten voor The Vectory te werven. In oktober, november en december 2024 heeft [eiser] facturen gestuurd voor haar werkzaamheden van telkens € 9.680,- (€ 8.000,- exclusief btw). Op 5 november 2024 heeft The Vectory € 4.000,- betaald aan [eiser] .\n\n3.4.. Op 28 en 29 maart 2025 hebben [naam 1] en [naam 2] gecorrespondeerd over participatie door [naam 1] , naast [naam 2] en een derde, in de aandelen van Starp Agency B.V. (hierna: Starp). Participatie door The Vectory heeft niet plaatsgevonden.\n\n3.5.. Op 31 maart 2025 heeft The Vectory de overeenkomst met [eiser] en andere personen die werkzaam waren bij The Vectory met ingang van 1 mei 2025 opgezegd omdat het financieel niet goed ging met The Vectory.\n\n3.6.. Op 11 juni 2025 heeft [naam 1] een betalingsherinnering gemaild aan [naam 2] voor de drie facturen uit 2024. Vervolgens hebben zij hierover via Whatsapp gecorrespondeerd. Op 21 juli 2025 heeft [naam 2] per e-mail gereageerd en onder meer aangegeven dat [naam 1] vanaf het begin van de samenwerking heeft aangegeven dat er pas betaald hoefde te worden als [eiser] de afgesproken omzetdoelen had behaald. Na nog enkele e-mails over en weer heeft [naam 1] op 14 augustus 2025 Starp Agency (als rechtsopvolger van The Vectory) vier facturen gestuurd voor de maanden januari tot en met april 2025.\n\n3.7.. Een andere opdrachtnemer van The Vectory, CP Sport Marketing, heeft haar vordering op The Vectory van € 7.260,- gecedeerd aan [eiser] . Op 21 oktober 2025 heeft The Vectory dit bedrag overgemaakt naar [eiser] met de beschrijving “uitsluitend voor gecedeerde CP Sports Marketing vordering”.\n\n3.8.. Op 28 en 29 augustus 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank [eiser] verlof verleend om conservatoir derdenbeslag te leggen ten laste van The Vectory onder ABN Amro Bank N.V. en Goodhunt Consulting B.V., waarna [eiser] beslag heeft gelegd.\n\n3.9.. Op 5 september 2025 heeft [eiser] The Vectory een ingebrekestelling gestuurd voor onder meer de zeven facturen voor de maanden oktober 2024 tot en met april 2025.\n\n3.10.. Op 17 september 2025 heeft The Vectory [eiser] een sommatiebrief gestuurd, onder andere ter opheffing van de beslagen. Hier heeft [eiser] afwijzend op gereageerd, waarna The Vectory op 22 oktober 2025 een opheffingskortgeding is gestart. Bij vonnis van 6 november 2025 heeft de rechtbank de vorderingen van The Vectory afgewezen.\n\n3.11. 212. Digitaal Forensisch Onderzoek B.V. (hierna: het forensisch onderzoeksbureau) heeft in opdracht van The Vectory op 8 april 2026 een rapport uitgebracht met een metadata-onderzoek naar de bestanden met de facturen van [eiser] van januari tot en met april 2025 (hierna: het forensisch onderzoek).\n\n3.12.. Voor zover de hierboven genoemde correspondentie relevant is voor de beoordeling, zal die daar worden geciteerd.\n\n4. Het geschil\n\nIn conventie\n\n4.1.. \n [eiser] vordert - samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, The Vectory veroordeelt tot betaling van € 71.020,-, vermeerderd met de buitengerechtelijke incassokosten, de beslagkosten, rente en proceskosten.\n\n4.2.. \n [eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat The Vectory haar betalingsverbintenis uit de overeenkomst van opdracht moet nakomen. In deze overeenkomst staat dat [eiser] recht heeft op een maandelijkse vaste vergoeding van € 9.680,-. Daarnaast heeft zij recht op een individuele bonusregeling. De overeenkomst had een duur van twaalf maanden en een opzegtermijn van één maand.\n\n4.3.. The Vectory voert verweer en betwist de inhoud van de overeenkomst zoals [eiser] die stelt. Er was slechts sprake van een mondeling overeenkomst, geen schriftelijke. Partijen hebben afgesproken dat [eiser] maandelijks € 8.000,- ex btw zou ontvangen mits zij die maand een omzet van minstens € 16.000,- had gegenereerd. Als deze omzet niet werd gehaald, zou [eiser] voor die maand niet betaald krijgen. Volgens The Vectory heeft [eiser] geen omzet gegenereerd. The Vectory wil dat de vordering wordt afgewezen en dat [eiser] wordt veroordeeld in, primair, de werkelijke proceskosten met rente, of, subsidiair, de standaard proceskosten met rente.\n\nIn reconventie\n\n4.4.. The Vectory vordert - samengevat - dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,\n\nI. voor recht verklaar dat [eiser] de waarheidsplicht heeft geschonden;\n\nII. voor recht verklaart dat de derdenbeslagen van [eiser] onrechtmatig waren;\n\nIII. [eiser] veroordeelt tot vergoeding van de schade die The Vectory door de beslagen heeft geleden en zal lijden, nader op te maken bij staat;\n\nIV. voor recht verklaart dat [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld door het doen van onjuiste en reputatieschadelijke uitlatingen over The Vectory;\n\nV. voor recht verklaart dat, zo begrijpt de rechtbank, het actief benaderen van zakelijke relaties van The Vectory met het oogmerk deze te bewegen de samenwerking te beëindigen of aan te gaan met [eiser] , onrechtmatig is;\n\nVI. voor recht verklaart dat, zo begrijpt de rechtbank, het zich toe-eigenen of gebruiken van vertrouwelijke bedrijfsinformatie van The Vectory zonder toestemming, onrechtmatig is;\n\nVII. [eiser] veroordeelt tot vergoeding van de schade die The Vectory heeft geleden en zal lijden als gevolg van het onrechtmatig handelen onder IV tot en met VI, nader op te maken bij staat;\n\nVIII. [eiser] beveelt dergelijke handelen direct te staken en gestaakt te houden;\n\nIX. bepaalt dat [eiser] bij overtreding van het bevel onder VIII een dwangsom verbeurt;\n\nX. [eiser] veroordeelt in de werkelijke proceskosten met rente, althans de standaard proceskosten met rente.\n\n4.5.. The Vectory legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eiser] heeft gelogen over de facturen van januari tot en met april 2025. Anders dan [eiser] stelt heeft zij die pas in augustus verstuurd. Dit is een schending van de waarheidsplicht (artikel 21 Burgerlijk Wetboek van Rechtsvordering, hierna: Rv) en reden om [eiser] in de daadwerkelijk proceskosten te veroordelen. Verder zijn de gelegde derdenbeslagen onrechtmatig, omdat de vordering in conventie moet worden afgewezen en [eiser] dus onterecht beslag heeft gelegd. Tot slot stelt The Vectory dat [eiser] jegens zakelijke relaties van The Vectory haar reputatie heeft geprobeerd te beschadigen door onjuiste uitlatingen te doen.\n\n4.6.. \n [eiser] voert verweer en betwist dat zij de waarheidsplicht heeft geschonden en The Vectory heeft zwartgemaakt bij diens zakelijke relaties. De beslagen zijn bovendien niet onrechtmatig, zoals de kortgedingrechter ook heeft geoordeeld.\n\n4.7.. Op de standpunten van partijen in conventie en in reconventie wordt hieronder uitgebreider ingegaan.\n\n5. De beoordeling\n\nIn conventie\n\n5.1.. De gecedeerde vordering van CP Sport Marketing van € 7.260,- is inmiddels door The Vectory op 21 oktober 2025 betaald. Dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen. Wat overblijft zijn de zeven facturen van [eiser] , van in totaal € 67.760,-, waarvan The Vectory in november 2024 € 4.000,- heeft betaald. Het resterende bedrag is € 63.760,-.\n\n5.2.. \n [eiser] stelt dat de betalingsverplichting volgt uit de tussen partijen gesloten overeenkomst en The Vectory betwist dat. Om te bepalen wat de inhoud van de overeenkomst is, moet gekeken worden naar de tekst van de overeenkomst, de verklaringen en gedragingen die partijen naar elkaar hebben geuit en de verwachtingen die zij hieraan redelijkerwijs mochten verbinden. Ook zijn gedragingen van partijen in de latere uitvoeringsfase van de overeenkomst relevant bij het vaststellen van hun afspraken.Omdat [eiser] de eisende partij in conventie is en zij zich beroept op een betalingsverplichting uit de overeenkomst van opdracht, is het aan haar om te onderbouwen dat de afspraken zijn gemaakt zoals zij stelt.\n\n5.3.. De rechtbank komt tot de conclusie dat [eiser] haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd en dat de betalingsverplichting daarom onvoldoende is vast komen te staan. Daarvoor zijn de volgende omstandigheden van belang.\n\nDe conceptovereenkomst5.4.. Volgens The Vectory zijn er alleen mondelinge afspraken gemaakt. [eiser] stelt dat er een schriftelijke overeenkomst is in de vorm van een conceptovereenkomst. Dit document heeft zij niet ingebracht in de procedure omdat zij daar niet over beschikt. Volgens [eiser] hebben twee betrokkenen het concept zien staan op de server van The Vectory. In reactie hierop heeft [naam 2] tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij een dergelijk stuk nooit gezien heeft en heeft hij erop gewezen dat het slechts een concept is en ook niet is ondertekend.\n\n5.5.. \n [naam 1] heeft op de zitting aangeboden twee verklaringen van de genoemde betrokkenen over te leggen. De rechtbank gaat hieraan voorbij. Redengevend daarvoor is in ieder geval hetgeen hierna is opgenomen onder 5.17 over het ontbreken van een advocaat aan de zijde van [eiser] . Verder geldt dat deze verklaringen voorafgaand aan de zitting hadden moeten worden overlegd en dat ze voor de beoordeling onvoldoende van belang zijn nu in ieder geval vaststaat dat er geen getekende schriftelijke overeenkomst is.\n\nDe e-mail van 1 oktober 20245.6.. Op 1 oktober 2024, bij aanvang van de samenwerking, heeft [naam 1] aan [naam 2] gemaild:\n\n“Jouw aanbod van EUR 8K per maand is voor mij genoeg om me volledig te committeren. Nadrukkelijk zolang de cash flow het aankan en uiteraard hebben we targets en is het de bedoeling dat binnen afzienbare termijn we via een performance bonus ik mezelf meer dan terug verdien.”\n\n5.7.. Volgens [eiser] volgt uit deze e-mail dat hij met The Vectory een vaste vergoeding van € 8.000,- ex. btw is overeengekomen, aangevuld met een bonusregeling. The Vectory meent juist dat uit deze e-mail blijkt dat de maandelijkse vergoeding omzetafhankelijk was.5.8.. De rechtbank volgt The Vectory hierin; de maandelijkse vergoeding van € 8.000,- wordt betaald “nadrukkelijk zolang de cash flow het aankan”. Al gauw bleek dat het financieel niet goed ging met The Vectory en dat haarcash flowdeze maandelijkse kosten niet aankon. Volgens [naam 2] heeft hij voorafgaand aan de samenwerking met [naam 1] besproken dat The Vectory zonder de omzet die [naam 1] zou binnenhalen, niet maandelijks € 8.000,- aan hem kon betalen. [naam 1] heeft niet ontkend dat ze dit in een vroeg stadium hebben besproken, maar stelt dat [naam 2] ten onrechte een te positieve voorstelling van zaken gaf over decash flowvan The Vectory. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat [naam 1] zich ervan bewust was dat zijn maandelijkse vergoeding afhing van decash flowen dat hij dus niet op voorhand ervanuit kon gaan dat hij maandelijks € 8.000,- zou ontvangen.\n\nDe facturen van 2024 en betaling van € 4.000,-5.9.. In oktober, november en december 2024 heeft [eiser] maandelijks facturen gestuurd van telkens € 9.680,- per factuur (€ 8.000,- ex. btw). Op 5 november 2024 heeft The Vectory € 4.000,- betaald aan [eiser] , ter voldoening van de helft van de factuur van oktober.\n\n5.10.. \n [eiser] stelt dat hij ontvangstbevestigingen van de facturen heeft gekregen en dat de betaling van € 4.000,- een erkenning is van de maandelijkse betalingsverplichting. Bovendien heeft The Vectory niet geprotesteerd tegen de facturen uit 2024.\n\n5.11.. The Vectory voert aan dat zij zich niet verzet heeft tegen de facturen uit 2024 omdat zij van [eiser] had begrepen dat zij deze puur voor haar eigen boekhouding verzond. The Vectory hoefde pas te betalen na het behalen van de omzettargets en deze targets werden niet behaald. De € 4.000,- heeft The Vectory uit coulance betaald en met het vertrouwen dat [eiser] de afgesproken omzet zou gaan binnenhalen.\n\n5.12.. Dat The Vectory de facturen heeft ontvangen en zonder protest heeft behouden en dat zij een betaling van € 4.000,- heeft verricht, acht de rechtbank gezien de hiervoor onder 5.6 genoemde e-mail onvoldoende om vast te stellen dat partijen zijn overeengekomen dat The Vectory maandelijks een vast bedrag van € 9.680,-, zou ontvangen ongeacht door [eiser] al dan niet gegenereerde omzet. Daarbij is ook van belang dat [eiser] pas op 2 mei 2025 voor het eerst heeft aangedrongen op betaling van de facturen uit 2024. Dit blijkt uit een e-mail van 2 mei 2025 van [naam 1] aan [naam 2] :\n\n“Daarnaast lopen er nog een aantal zaken vanuit The Vectory, waar wij het ook tijdens onze lunch over gehad hebben. Ik kan er in jouw afwezigheid een aantal afhandelen samen met [naam 3] , zodat de begrote inkomsten binnen komen bij The Vectory.\n\nVoor ieders duidelijkheid zouden dan ook de openstaande facturen aan mij voldaan zijn.”\n\n5.13.. Op dat moment was de overeenkomst tussen The Vectory en [eiser] al per 1 mei 2025 beëindigd. Het feit dat [eiser] niet eerder een betalingsherinnering voor de facturen uit 2024 heeft gestuurd, valt niet te rijmen met zijn stelling dat hij vanaf oktober 2024 maandelijks € 9.680,- zou ontvangen. Dat al eerder sprake zou zijn van betalingsherinneringen of verslechterde verhoudingen blijkt ook niet uit het feit dat partijen op 28 en 29 maart 2025 hebben gemaild over een nieuwe samenwerking in de vorm van Starp. De toon van deze e-mails is over en weer positief.\n\n5.14.. Ook e-mails van The Vectory van na mei 2025 bevatten, anders dan [eiser] stelt, geen erkenning van de verschuldigdheid van de facturen. [naam 2] heeft [naam 1] meermaals gewezen op de omzettargets en de geringe cash flowen altijd ontkend de facturen van 2024 te hoeven betalen omdat [naam 1] de omzettargets niet heeft gehaald.\n\nVerklaringen van [naam 4] en [naam 5]5.15.. Tot slot beroept [eiser] zich op twee verklaringen van collega’s van The Vectory. In de verklaring van [naam 4] staat, voor zover relevant:\n\n“Samen met het team zorgde hij ervoor dat in elke propositie richting zowel bestaande als nieuwe klanten een scherpe en realistische commerciële component werd opgenomen. Hij was elke dinsdag ochtend bij de weekstart met het hele team.\n\nDaarnaast organiseerde hij wekelijks een intern overleg […] waarin hij collega’s ondersteunde bij uiteenlopende commerciële vraagstukken.”\n\nIn de verklaring van [naam 5] staat, voor zover relevant:\n\n“Wekelijks hadden wij samen met collega’s op dinsdag de weekstart en commercieel overleg. Verder heb je jouw strategische bijdrage geleverd aan de strategie omtrent de Gameplans en het verder ontwikkelen van de invulling van de MaaS strategie.”\n\n5.16.. De rechtbank constateert dat de verklaringen uitsluitend gaan over de werkzaamheden die [naam 1] heeft verricht en de samenwerking zoals [naam 4] en [naam 5] die hebben ervaren. Daaruit kan niet worden afgeleid wat partijen hebben afgesproken over een maandelijkse vergoeding. De verklaringen kunnen daarom niet worden gebruikt ter invulling van de overeenkomst tussen [eiser] en The Vectory.\n\n5.17.. \n [eiser] heeft bewijs aangeboden van de door haar gestelde inhoud van de overeenkomst. Zij biedt aan om [naam 1] , [naam 4] en enkele andere betrokkenen te horen als getuigen over de totstandkoming van de overeenkomst. De advocaat van [eiser] heeft zich voorafgaand aan de mondelinge behandeling onttrokken. Dat betekent dat [eiser] geen proceshandelingen meer kan verrichten. Het horen van getuigen is een proceshandeling waarbij een partij verplicht moet worden bijgestaan door een advocaat. Namens [eiser] heeft zich geen nieuwe advocaat gesteld terwijl zij daar voldoende tijd voor heeft gehad. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan het bewijsaanbod van [eiser] .\n\n5.18.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiser] niet is geslaagd in het bewijs van de door haar gestelde inhoud van de overeenkomst met The Vectory en dat de voreringen in conventie zullen worden afgewezen.\n\nIn reconventie\n\nVordering I: schending waarheidsplicht en facturen van 20255.19.. The Vectory vordert een verklaring voor recht dat [eiser] de waarheidsplicht van artikel 21 Rv heeft geschonden. Volgens The Vectory klopt het niet dat er een conceptovereenkomst op haar server staat of heeft gestaan en zijn de facturen van de eerste vier maanden van 2025 en e-mails van [eiser] bij deze facturen, geantedateerd. Dit laatste onderbouwt The Vectory met het forensisch rapport dat concludeert dat de bestanden met de facturen van januari tot en met april 2025 zowel in PDF-format als in Word-format pas in augustus 2025 zijn aangemaakt en niet zoals [eiser] doet voorkomen, reeds in april 2025. Dit blijkt uit de metadata van de bestanden. The Vectory onderbouwt dit verder met een screenshot van haar e-mailbox waaruit blijkt dat [eiser] de facturen voor het eerst in augustus heeft verstuurd en niet in april en mei 2025.\n\n5.20.. Of er op de server van The Vectory wel of geen conceptovereenkomst heeft gestaan, is niet vast komen te staan, zoals hiervoor is overwogen onder 5.5. Ook is niet vast komen te staan dat [eiser] hierover heeft gelogen. In reconventie ligt het op de weg van The Vectory om deze stelling te onderbouwen, hetgeen zij niet heeft gedaan, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat.\n\n5.21.. Over de facturen van 2025 oordeelt de rechter anders. In conventie vordert [eiser] betaling van deze facturen. Voor de beoordeling of betaling daadwerkelijk is overeengekomen is mogelijk relevant of die facturen voor of na het ontstaan van het conflict tussen partijen zijn verstuurd. De datum waarop de facturen voor het eerst zijn verstuurd is daarmee relevant.\n\n5.22.. \n [eiser] betwist dat hij de mails en facturen over 2025 heeft geantedateerd. Over de facturen van 2025 heeft [naam 1] op de zitting toegelicht dat hij deze per kwartaal heeft gestuurd en niet per maand, omdat hij wist dat betaling gezien de financiële situatie van The Vectory langer ging duren. Hij heeft de facturen van het eerste kwartaal in april verstuurd en de factuur van april in mei 2025. Vervolgens heeft hij ze in augustus 2025 nogmaals gestuurd. Mogelijk zijn de bestanden die hij in augustus verstuurde niet dezelfde als die hij in april en mei verstuurde, maar het gaat wel om dezelfde facturen. Het is ook mogelijk dat de PFD-bestanden pas in augustus zijn opgemaakt, maar de Word-bestanden dateren in ieder geval van april en mei 2025.\n\n5.23.. De waarheidsplicht is vastgelegd in artikel 21 Rv: “Partijen zijn verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.”Op The Vectory rust ter zake de bewijslast.\n\n5.24.. Ter onderbouwing van haar stelling beroept The Vectory zich op het forensisch onderzoek. Daaruit blijkt het volgende. Op de afbeeldingen van de e-mails die hieronder volgen, is te zien dat [eiser] op 14 augustus 2025 om 17:52 uur een e-mail aan Starp van 3 april 2025, heeft doorgestuurd aan haar advocaat. Deze e-mail aan Starp bevat de facturen van het eerste kwartaal van 2025. Vervolgens is te zien dat [eiser] op eveneens 14 augustus 2025 om 17:50 een e-mail aan Starp Agency van 8 mei 2025 om 15:17 uur, met de factuur van april 2025, eveneens heeft doorgestuurd aan haar advocaat.\n\nOm privacy-redenen zijn de afbeeldingen verwijderd\n\nDe bestanden met de facturen die bij deze mails zijn gevoegd zijn onderzocht door het forensisch onderzoeksbureau. Zij concludeert dat uit de metadata van deze bestanden volgt dat ze alle vier op 14 augustus 2025 binnen enkele minuten na elkaar zijn aangemaakt in Word en vervolgens zijn geëxporteerd naar PDF. De documenten bestonden niet vóór deze datum. Het verweer van [eiser] dat de Word-bestanden van april en mei zijn, slaagt dus niet. Uit de afbeelding van de inbox van The Vectory blijkt verder dat [eiser] geen facturen heeft verstuurd in april en mei 2025. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de facturen voor het eerst zijn opgemaakt op 14 augustus 2025 en dat [eiser] deze niet al op 3 april en 8 mei 2025 aan Starp Agency heeft verstuurd. Dit duidt erop dat de datering van de e-mails die [eiser] aan haar advocaat heeft gestuurd, achteraf is aangepast. Deze falsificatie van stukken die mogelijk belangrijk zijn in deze procedure is een schending van de waarheidsplicht.\n\n5.25.. The Vectory heeft de rechtbank verzocht hier de gevolgstrekking aan te verbinden die zij geraden acht en heeft gevraagd om [eiser] te veroordelen tot betaling van de daadwerkelijke proceskosten van The Vectory. The Vectory heeft deze kosten echter niet onderbouwd, hetgeen wel op haar weg had gelegen. Wel zal [eiser] worden veroordeeld in de kosten van het forensisch onderzoek nu vaststaat dat deze kosten noodzakelijk waren voor de onderbouwing van de vordering van The Vectory. De hoogte van deze kosten zijn niet bekend en daarom zal de rechtbank The Vectory in de gelegenheid stellen alsnog de factuur van het onderzoeksbureau over te leggen.\n\nVorderingen II en III: beslagen waren onrechtmatig5.26.. The Vectory vordert verklaring voor recht dat de conservatoire beslagen die [eiser] heeft gelegd onrechtmatig zijn. The Vectory vordert ook schadevergoeding die zij als gevolg van deze schade heeft geleden, nader op te maken bij staat.\n\n5.27.. \n [eiser] betwist dat de beslagen onrechtmatig zijn omdat de rechtbank in een eerder opheffingskortgeding tussen (de rechtsopvolger van) The Vectory en [eiser] heeft geoordeeld dat de beslagen naar haar voorlopig oordeel niet onterecht zijn gelegd.\n\n5.28.. De rechtbank overweegt dat de vorderingen van [eiser] in de hoofdzaak worden afgewezen, wat tot gevolg heeft dat de beslagen ten onrechte zijn gelegd en dus onrechtmatig zijn.\n\n5.29.. Voor een verwijzing naar de schadestaat moet aan twee vereisten zijn voldaan: aansprakelijkheid in de hoofdprocedure moet vaststaan en de mogelijkheid dat schade is of zal worden geleden moet aannemelijk zijn.Aan deze vereisten is voldaan: in deze hoofdzaak staat vast dat [eiser] aansprakelijk is voor schade als gevolg van de onrechtmatige beslagen. Ook heeft The Vectory voldoende onderbouwd dat met de beslagen haar inkomstenbron direct is geraakt waardoor zij lopende verplichtingen niet meer kon nakomen. De vordering zal op dit punt worden toegewezen.\n\nVorderingen IV tot en met IX: reputatieschade5.30.. Tot slot vordert The Vectory verklaringen voor recht dat [eiser] misleidende uitlatingen heeft gedaan over The Vectory die schadelijk zijn voor haar reputatie, dat [eiser] zakelijke relaties heeft benaderd met als doel de samenwerkingen van The Vectory te beëindigen en dat The Vectory vertrouwelijke informatie heeft gebruikt. The Vectory vordert hiervoor schadevergoeding, op te maken bij staat, en een bevel deze handelingen te staken, op straffe van een dwangsom. [eiser] betwist alles.\n\n5.31.. The Vectory heeft de vorderingen slechts onderbouwd met een appbericht van een zakelijke relatie aan [naam 2] waarin staat dat deze relatie verhalen hoort dat [naam 1] aan anderen vertelt dat Starp failliet gaat en dat [naam 2] gevlucht is. Deze onderbouwing is, gelet op de stellige betwisting van [eiser] , onvoldoende om vast te kunnen stellen dat [naam 1] herhaaldelijk en opzettelijk schadelijke en misleidende uitlatingen heeft gedaan en nog steeds doet. Ook kan op basis van deze onderbouwing niet worden vastgesteld dat The Vectory hierdoor schade heeft geleden. Deze voreringen zullen worden afgewezen.\n\nConclusie in conventie en in reconventie\n\n5.32.. Uit het voorgaande volgt dat de vorderingen in conventie zullen worden afgewezen. De vorderingen in reconventie onder I, II en III zullen worden toegewezen. De beslissing op vordering X zal worden aangehouden. The Vectory wordt in de gelegenheid gesteld de factuur van het forensisch onderzoeksbureau over te leggen. De overige vorderingen zullen worden afgewezen.\n\n5.33.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.\n\n6. De beslissing\n\nDe rechtbank\n\nin reconventie\n\n6.1.. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 29 juli 2026voor het nemen van een akte door The Vectory over wat is vermeld onder 5.25.\n\nin conventie en in reconventie\n\n6.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. L. Voetelink, rechter, bijgestaan door mr. Z.A. Mees, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026\n\n Hoge Raad 13 maart 1981, NJ 1981\u002F635 (Haviltex) en Hoge Raad 20 mei 1994, NJ 1994\u002F574 (Gasunie \u002FGemeente Anloo).\n\n Hoge Raad 25 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9675.\n\n Hoge Raad 15 april 1965, NJ 1965\u002F331 (S\u002FS) en Hoge Raad 21 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0512 (G\u002F [naam 6] q.q.).\n\n Hoge Raad 17 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:428.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2026:6591","ecli-nl-rbams-2026-6591",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Verbintenissenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]