ECLI:NL:RBAMS:2026:6650
Case Summary
Strafrecht; Materieel strafrecht
Uitspraak
Amsterdam
vonnisRECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/169462-25
Datum uitspraak: 2 juni 2026
Vonnis van de politierechter van de rechtbank Amsterdam, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1967 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen:
[adres] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 juni 2026. Verdachte was bij de behandeling van haar strafzaak aanwezig.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.L. Firet en van wat verdachte en haar raadsman, mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat zij op 22 maart 2025 te Amsterdam, opzettelijk een ambtenaar, te weten [persoon 1] ([minister]), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van haar bediening in het openbaar bij geschrift afbeelding, heeft beledigd, door tijdens een protestmars een bord vast te houden met daarop een (bewerkte) afbeelding van het gezicht van die [persoon 1] met tussen de mond en neus, een aangebrachte zogeheten hitlersnor.
3. Vrijspraak3.1.. Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. De uiting levert een strafbare belediging op. De afbeelding is beledigend en betreft een persoonlijke aanval op de minister. De uiting levert geen bijdrage aan het publiek debat en is onnodig grievend. De verdachte is buiten de grenzen van het in artikel 10 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) gegarandeerde recht op vrijheid van meningsuiting getreden.
3.2.. Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair vrijspraak bepleit, subsidiair ontslag van alle rechtsvervolging. Primair stelt de raadsman zich op het standpunt dat de uiting geen strafbare belediging oplevert. Het recht op vrijheid van meningsuiting en de demonstratievrijheid ontnemen het strafbare karakter van de uiting. De uiting van verdachte moet worden bezien in de context van het maatschappelijk debat over het karakter en de praktijken van de politieke partij van de minister, de uitingen en praktijken van de minister zelf en de antiracisme- en discriminatiedemonstratie waarin verdachte haar uiting deed. De uiting van verdachte is een op feiten gestoeld waardeoordeel en is niet excessief. Het bord is niet beledigend en ook niet onnodig grievend. Daarbij is een belangrijke factor dat aangeefster politica is en een publieke figuur. Vanuit haar positie als minister moet aangeefster aanvaarden blootgesteld te worden aan kritiek en behoort zij daartegen een hoge mate van tolerantie aan de dag te leggen.
Subsidiair heeft de raadsman ontslag van alle rechtsvervolging bepleit, omdat de vervolging van verdachte niet noodzakelijk is in een democratische samenleving zoals de artikelen 10 en 11 EVRM vereisen. Daarnaast draagt de belediging – indien bewezen – het karakter van smaad, waardoor het tenlastegelegde geen strafbare belediging kan opleveren.
3.3.. Het oordeel van de politierechter
Vast staat dat verdachte op 22 maart 2025 te Amsterdam met een bord heeft rondgelopen met daarop een afbeelding van [persoon 1] ([minister]) waarop een hitlersnor was getekend. De vraag die voorligt is of dit een strafbare belediging oplevert.3.3.1.. Juridisch kader
De politierechter overweegt als volgt. In een democratische rechtstaat is de vrijheid van meningsuiting een groot goed. Het recht op vrijheid van meningsuiting is echter niet onbegrensd. Het strafbaar beledigen van iemand of een groep valt niet onder die vrijheid.
Voor belediging geldt ingevolge artikel 266 van het Wetboek van Strafrecht dat een uiting beledigend is als de uiting – op zichzelf gezien of gelet op de context waarin deze is gedaan – de strekking had om de benadeelde bij het publiek in een ongunstig daglicht te stellen en hem of haar aan te randen in zijn of haar eer en goede naam.
Tegelijkertijd zijn niet alle uitlatingen die als beledigend worden ervaren, ook strafbaar. Het recht op een respectvolle bejegening in het maatschappelijk verkeer moet telkens worden afgewogen tegen het recht op vrijheid van meningsuiting.
Bij het beoordelen van de strafbaarheid van een uiting, moet als eerste worden gekeken of de uiting objectief gezien – op zichzelf of in de gegeven context – als beledigend kan worden ervaren. Daarnaast dient te worden gekeken of de uiting een bijdrage kan leveren aan het publieke debat of een uiting is van artistieke expressie of satire. Een dergelijke context kan de strafbaarheid van de uiting wegnemen, tenzij het beledigende karakter van de uiting te ver strekt. Dit kan zo zijn wanneer het beledigende karakter van de uiting in wanverhouding staat tot de functionaliteit ervan.
Aldus moet worden gekeken of een uiting:
Op zichzelf of in de gegeven context beledigend is
Functioneel is aan het maatschappelijk debat of een uiting is van satire of artistieke expressie
Of deze niet onnodig beledigend (grievend) is
3.3.2.. Is de uiting beledigend?
De uiting betreft een foto van minister [persoon 2] , [minister], met daarop een hitlersnor getekend. In de foto wordt minister [persoon 2] met Hitler vergeleken. De uiting is op zichzelf beledigend.
3.3.3.. Is de uiting functioneel in haar context?
De uiting vond plaats tijdens de demonstratie/protestmars "Tegen Racisme en Fascisme". Verdachte heeft verklaard dat zij de vergelijking met Hitler heeft gemaakt, omdat zij zich ernstige zorgen maakt over het politieke klimaat en vindt dat minister [persoon 2] beleid voert waarbij een bepaalde groep mensen (vreemdelingen) wordt gestigmatiseerd en gecriminaliseerd. Verdachte heeft verder verklaard dat zij er bewust voor heeft gekozen om een provocerend bord te dragen, om op deze manier bij te dragen aan het publieke debat en de [minister] en haar beleid te bekritiseren.
Kritiek van een burger die een kwestie van algemeen belang wil aankaarten, kan onder het publieke debat vallen. In een dergelijk geval bestaat er volgens het Europese Hof van de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) weinig ruimte voor beperkingen.De uiting is in dit geval ook gedaan in de context van een publiek debat, namelijk: tijdens een demonstratie, terwijl de uitlating viel binnen de strekking van de demonstratie, waarbij verdachte haar opvattingen heeft willen delen.
Of de uiting ook functioneel kan worden geacht aan het publieke debat, hangt af van het volgende.
Voorop staat dat volgens vaste jurisprudentie van het EHRM ook uitingen die “offend, shock or disturb” bescherming van artikel 10 EVRM genieten.De grens die hierbij gesteld wordt is dat “expressions that are gratuitously offensive to others and thus an infringement of their rights, and which therefore do not contribute to any form of public debate capable of furthering progress in human affairs” buiten die bescherming vallen. Hetzelfde geldt voor uitlatingen die aanzetten tot geweld, haat, discriminatie of onverdraagzaamheid.
Hoewel de uiting als beledigend en schokkend kan worden ervaren, blijkt niet dat de uiting tot doel had om aan te zetten tot haat, geweld, discriminatie of onverdraagzaamheid of dat de uiting zodanig beledigend was dat deze geen bijdrage kon leveren aan het publieke debat. De context waarbinnen de uiting is gedaan, neemt daarom in beginsel het beledigende karakter daarvan weg, tenzij het beledigende karakter te ver strekt.3.3.4..
Is de uiting onnodig beledigend (grievend)?
Daarmee rest de vraag of de uiting onnodig beledigend is. Als de uiting een bijdrage kan leveren aan het publiek debat en niet onnodig beledigend (grievend) is, valt zij buiten het bereik van de strafbaarstelling.
Bij het beoordelen hiervan moet de strafrechter zich er rekenschap van geven dat strafrechtelijk optreden niet zo ingrijpend mag zijn dat daarvan een “chilling effect” uitgaat, waardoor personen geen gebruik meer durven te maken van hun recht op vrijheid van meningsuiting.Daarbij moet een beperking van dit recht door strafrechtelijke vervolging noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. Voorts is relevant of sprake is van loze, ongefundeerde beledigingen of van legitieme kritiek waarbij het waardeoordeel, hoewel mogelijkerwijs provocerend, enige grondslag kan vinden in de feiten.
BeoordelingHoewel de uiting als provocerend kan worden gezien en er sprake is van een overdrijving, heeft de verdachte deze provocatie ingezet ten behoeve van het publieke debat. Dat debat werd ook in die periode door voor- en tegenstanders op stevige toon gevoerd. De vergelijking, hoewel beledigend, kan bijdragen aan het publieke debat over (migratie)politiek in Nederland. De uiting was daarbij gericht op aangeefster in haar hoedanigheid als minister, niet als privépersoon. Hoewel er grenzen zijn aan wat in het kader van het maatschappelijke debat acceptabel kan worden geacht als het gaat over waardeoordelen over een persoon, is er volgens het EHRM ten aanzien van politici minder ruimte om de meningsuiting te beperken dan wanneer het gaat om privépersonen.
In het licht van hetgeen hierboven is opgemerkt over de toon van het debat en gehouden tegen de jurisprudentie van het EHRM waarin kritiek op de overheid in het publieke debat niet snel kan worden beperkt, oordeelt de politierechter dat er geen sprake is van een wanverhouding tussen de ernst van de belediging en de functie ervan in het debat. Bovendien volgt uit de jurisprudentie van het EHRM dat een vergelijking met het naziregime niet zonder meer een strafbare belediging oplevert.
Conclusie is dat er geen sprake is van een strafbare belediging. Dit betekent dat verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde.
4. Beslissing
De politierechter komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Wiewel, politierechter,
in tegenwoordigheid van mr. L. Bergsma, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juni 2026.
HR 30 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB3143.
Zie o.m. EHRM 1 december 2011, nr. 8080/08 e.a. (Schwabe and M.G./Duitsland).
Zie o.m. EHRM 22 april 2013, nr. 48876/08 (Animal Defenders International/Verenigd Koninkrijk).
Zie o.m. EHRM 20 september 1994, nr. 13470/87 (Otto-Preminger-Institut v. Austria), § 49; EHRM 4 december 2003, nr. 35071/97 (Gunduz v. Turkey), § 37; EHRM 31 januari 2006, nr. 64016/00 (Giniewksi v. France), § 43. Vgl. ECLI:NL:PHR:2019:752.
HR 4 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:171, ro. 2.4.3.
Zie o.m. EHRM17 december 2004, nr. 49017/99 (Pedersen en Baadsgaard/Denemarken), par. 71 en EHRM 27 februari 2001, nr. 26958/95 (Jerusalem/Oostenrijk), par. 43.
EHRM 22 oktober 2007, nr. 21279/02, NJ 2008/443, m.nt. E.J. Dommering (Lindon), § 46: “There is little scope under Article 10 § 2 of the Convention for restrictions on freedom of expression in the area of political speech or debate – where freedom of expression is of the utmost importance – or in matters of public interest. Furthermore, the limits of acceptable criticism are wider as regards a politician as such than as regards a private individual. Unlike the latter, the former inevitably and knowingly lays himself open to close scrutiny of his every word and deed by both journalists and the public at large, and he must consequently display a greater degree of tolerance.”
EHRM 13 november 2003, nr. 39394/98 (Scharsach and News Verlagsgesellschaft Mbh v. Austria), § 40 t/m 45 & EHRM 13 januari 2026, nr. 43388/17, Case Of Mladina D.D. Ljubljana V. Slovenia, § 74.