ECLI:NL:RBAMS:2026:6717
Case Summary
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Uitspraak
Amsterdam
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht
Zaaknummer: C/13/769715 / HA ZA 25-1090
Vonnis van 1 juli 2026
in de zaak van
1. [eiser 1] ,
te [woonplaats 1] , 2. [eiser 2],
te [woonplaats 2] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna te noemen: [eiser 1] en [eiser 2] (en samen [eisers] ),
advocaat: mr. M.J. Koning,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 3] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat voorheen mr. D.B. den Hartog en nu zonder advocaat.
1. De procedure
1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 15 mei 2025, met producties,
de conclusie van antwoord tevens een tegenvordering (eis in reconventie), met producties,
de conclusie van antwoord in de tegenvordering (reconventie), met producties,
het tussenvonnis van 5 november 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
de mondelinge behandeling van 25 maart 2026 waarvan een proces-verbaal is opgemaakt en
de door [eisers] op 7 april 2026 overgelegde akte met een productie en de op 18 mei 2026 door [eisers] overgelegde vertaling van die productie.
1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1..
[eiser 1] en [gedaagde] zijn in Marokko met elkaar getrouwd en zij hebben drie meerderjarige kinderen. [eiser 2] is een van hun zonen. Hij is geboren op [geboortedag] 1981. De rechtbank Amsterdam heeft in oktober 2022 de echtscheiding tussen [eiser 1] en [gedaagde] uitgesproken, maar die beschikking kon niet worden ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand wegens onduidelijkheid over de huwelijksdatum en daarom zijn [eiser 1] en [gedaagde] nog met elkaar getrouwd.
2.2.. Partijen zijn sinds 2005 gezamenlijk - ieder voor 1/3e deel - de eigenaar van het appartement(srecht) aan de [adres 1] (hierna: het appartement). Op het appartement rust een hypothecaire geldlening. [eiser 2] heeft het appartement in 2015 verlaten en [eiser 1] in 2020. [gedaagde] woont nog in het appartement.
3. Het geschil
de vordering van [eisers] (conventie)
3.1..
[eisers] vordert - samengevat - om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
I. de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschap vast te stellen op grond van artikel 3:185 lid 2 sub c BW;
II. te bepalen dat het appartementsrecht betreffende het appartement als volgt wordt verkocht:
a. [eisers] te machtigen om mede namens [gedaagde] opdracht te geven aan makelaar [naam] van makelaarskantoor [bedrijf] te [plaats] of, als [naam] niet beschikbaar is, aan een andere in [plaats] gevestigde makelaar, om het appartement te taxeren en te bemiddelen bij de verkoop van het appartementsrecht;
b. te bepalen dat de initiële vraagprijs zal worden gesteld op de waarde volgens de taxatie, dan wel op een door de makelaar op basis van zijn/haar kennis en ervaring verstandig geacht ander bedrag, een en ander behoudens voor zover partijen de makelaar gezamenlijk hiervan afwijkende instructies geven;
c. te bepalen dat het de makelaar (steeds) gedurende het verkoopproces vrij zal staan de vraagprijs naar eigen inzicht aan te passen, behoudens voor zover partijen de makelaar gezamenlijk hiervan afwijkende instructies geven;
d. te bepalen dat partijen (steeds) dienen in te stemmen met een op het appartementsrecht uitgebracht bod indien aanvaarding van dit bod naar het oordeel van de makelaar raadzaam is;
e. partijen te gebieden hun voortvarende medewerking te verlenen aan het doen verlijden van de koop- en leveringsakten en de overige handelingen die nodig zijn om de verkoop en overdracht te bewerkstelligen, waaronder ook begrepen de algehele aflossing van de hypothecaire geldlening en
f. te bepalen dat indien en voor zover enige partij de sub d en/of e bedoelde medewerking niet voortvarend verleent, de uitspraak van de rechtbank in de plaats treedt van de bedoelde medewerking;
III. althans subsidiair ten opzichte van het gevorderde onder II te bepalen dat het appartementsrecht zal worden verkocht en geleverd op een door de rechtbank te bepalen andere wijze;
IV. te bepalen dat partijen de kosten van de makelaar en alle overige kosten verbonden aan het verkoop- en leveringsproces aan de kant van verkopers door partijen naar rato van hun aandeel in de eenvoudige gemeenschap moeten dragen;
V. te bepalen dat de netto-opbrengst gelijkelijk tussen partijen wordt verdeeld;
VI. [gedaagde] te verbieden het appartement of een deel daarvan aan derden in gebruik te geven of het gebruik te doen voortduren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,00 voor elke dag of elk dagdeel van overtreding van dit verbod, met een maximum van € 250.000,00;
VII. [gedaagde] te veroordelen (ook eigen) bewoning en gebruik van het appartement binnen tien dagen na de verkoop van het appartement te doen eindigen, het appartement binnen die termijn te (doen) ontruimen en schoon te maken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,00 voor elke dag of elk dagdeel dat (volledige) voldoening aan deze veroordeling uitblijft, met een maximum van € 250.000,00 en
VIII. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2..
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert primair tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] en subsidiair dat de rechtbank bepaalt dat de verdeling voor de duur van drie jaren wordt uitgesloten. Meer subsidiair voert [gedaagde] als verweer dat het appartement aan hem moet worden toegedeeld onder aftrek van een regresvordering van € 81.478,97 en een korting wegens executierisico van 10% van de marktwaarde. Uiterst subsidiair moet het appartement worden verkocht op de door [gedaagde] beschreven wijze waarbij [gedaagde] het appartement niet eerder dan na twaalf maanden na de betekening van het vonnis hoeft te ontruimen. Tot slot verzet [gedaagde] zich tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van een toewijzend vonnis en moet [eisers] worden veroordeeld in de proceskosten.
3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
de tegenvordering van [gedaagde] (reconventie)
3.4..
[gedaagde] vordert - samengevat - om te bepalen dat:
I. [eisers] hoofdelijk is gehouden tot het betalen aan [gedaagde] van € 81.478,97, zijnde het bedrag aan door [gedaagde] betaalde eigenaarslasten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;
II. voor het geval dat de rechtbank beslist tot verkoop van de woning: het onder I gevorderde bedrag zal worden verrekend met de netto-opbrengst, voordat het restant wordt uitgekeerd aan partijen en
III. [eisers] wordt veroordeeld in de proceskosten.
3.5..
[eisers] voert verweer. [eisers] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde] , met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.
3.6.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1.. Gelet op de samenhang tussen de vorderingen van [eisers] en de tegenvorderingen van [gedaagde] worden deze samen behandeld.
4.2.. De rechtbank acht het van belang om vooraf het volgende op te merken. [gedaagde] heeft nu geen advocaat en hij heeft zich tijdens de mondelinge behandeling niet laten bijstaan door een advocaat. [gedaagde] is in de gelegenheid gesteld om een advocaat te stellen en ook de rechtbank heeft moeite gedaan om ervoor te zorgen dat [gedaagde] juridische bijstand kon krijgen. Zo heeft de griffier na de mondelinge behandeling contact gezocht met mr. I.R. Feddema die in stukken van [gedaagde] wordt genoemd als mogelijke nieuwe advocaat. Mr. Feddema heeft laten weten dat zij niet als advocaat zal optreden in deze procedure. De rechtbank heeft [gedaagde] nog de gelegenheid gegeven zelf een andere advocaat te vinden, maar er heeft zich geen nieuwe advocaat gesteld. [gedaagde] wordt ook bijgestaan door een maatschappelijk werker die namens hem communiceert met de rechtbank. Ook daarvan is niets meer vernomen. Daarom moet de rechtbank afgaan op hetgeen staat in de conclusie van antwoord/de tegenvordering die de voormalig advocaten namens [gedaagde] hebben ingediend en op hetgeen [gedaagde] (in gebrekkig Nederlands) zelf tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht.
4.3.. Hierna zal de rechtbank tot het oordeel komen dat tussen partijen een eenvoudige gemeenschap bestaat en dat de eenvoudige gemeenschap moet worden verdeeld. De woning zal moeten worden verkocht aan een derde.
geen huwelijksgoederengemeenschap
4.4..
Partijen zijn allen voor een gelijk deel (1/3e deel) eigenaar van het in 2005 gekochte
appartement. [eiser 1] en [gedaagde] zijn op 13 juni 1980 met elkaar in Marokko
getrouwd, zo neemt de rechtbank aan. De rechtbank heeft gevraagd om een kopie van de
huwelijksakte, maar die is niet in het geding gebracht.
In de Marokkaanse akte ‘afschrift van herroeping’ die [eisers] heeft overgelegd, staat
niet wanneer de datum van het huwelijk was. [eiser 1] en [gedaagde] hebben allebei
verklaard dat zij op 13 juni 1980 in Marokko met elkaar zijn getrouwd. Daarvan gaat de
rechtbank uit, ook omdat [eiser 2] in augustus 1981 is geboren.
4.5..
Welk recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime, moet gelet op
de datum van de huwelijkssluiting worden beslist door het toepassen van de
conflictregels uit het Chelouche/ Van Leer-arrest.
4.6..
Bij het ontbreken van een gezamenlijke rechtskeuze van de aanstaande echtgenoten,
wordt het toepasselijke recht op het huwelijksvermogensregime bepaald door de
gemeenschappelijke nationaliteit op het moment van het sluiten van het huwelijk. Dat is de
Marokkaanse nationaliteit en dat betekent dat Marokkaans recht van toepassing is.
4.7.. Het Marokkaanse recht kent geen huwelijkse gemeenschap van goederen. Door het huwelijk als zodanig ontstaat geen gemeenschappelijk vermogen. Iedere echtgenoot behoudt wat van hem of haar is en wat hij of zij tijdens het huwelijk verkrijgt. Dit staat er niet aan in de weg dat echtgenoten goederen in gezamenlijk eigendom kunnen hebben. In dit geval hebben [eiser 1] en [gedaagde] , samen met hun zoon [eiser 2] , een appartement gekocht. De rechtbank gaat voorbij aan het betoog van [gedaagde] dat de woning valt in de huwelijksgoederengemeenschap en dat eerst die gemeenschap moet worden ontbonden voordat het appartement in een verdeling kan worden betrokken. Op de vordering van [eisers] kan dus ook worden beslist (geen niet-ontvankelijkheid).
4.8.. Het appartement(srecht) en de hypotheekschuld vallen in een eenvoudige gemeenschap in de zin van artikel 3:166 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De vorderingen over de verdeling zullen worden beoordeeld aan de hand van het Nederlandse recht.
de verdeling
4.9..
[eisers] vordert dat de wijze van verdeling van het appartement wordt vastgesteld en dat wordt bepaald dat het appartement wordt verkocht. [gedaagde] is het daar niet mee eens. [gedaagde] wenst in de eerste plaats dat de verdeling voor de duur van drie jaren wordt uitgesloten (artikel 3:178 lid 3 BW) en dat als tot de verdeling wordt overgegaan het appartement aan [gedaagde] wordt toebedeeld.
4.10.. Het uitgangspunt van artikel 3:178 lid 1 BW is dat iedere deelgenoot op elk moment de verdeling kan vorderen van een gemeenschappelijk goed. De rechter voor wie een vordering tot verdeling aanhangig is, kan op verlangen van een deelgenoot een of meermalen, telkens voor ten hoogste drie jaren, een vordering tot verdeling uitsluiten indien de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een of meer deelgenoten aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend.
4.11..
[gedaagde] stelt dat de woning vanaf oktober 2005 zijn thuisbasis is en dat hij mede door sociale bindingen in de buurt emotioneel gehecht is aan de woning. Verder is sprake van een kwetsbare gezondheidssituatie en zou een gedwongen verhuizing zijn gezondheid in gevaar kunnen brengen. Gelet op de schaarste op de woningmarkt en de huurprijzen in de regio Amsterdam die afgezet tegen het bedrag van € 235,- dat [gedaagde] nu betaalt hoog is, is het zeer onzeker of [gedaagde] passende woonruimte zal kunnen vinden.
4.12..
In dit geval wegen de belangen van [eisers] bij verdeling zwaarder dan de belangen van [gedaagde] om de verdeling voor de duur van drie jaren uit te sluiten. [eisers] heeft er belang bij uit de onverdeeldheid te geraken. [eiser 1] woont nu bij haar zoon en zij heeft niet de beschikking over het vermogen dat in de woning zit. Ook [eiser 2] kan zijn vermogen nu niet aanwenden. Van hen kan niet langer worden gevergd in de onverdeelde gemeenschap te blijven. Alhoewel de rechtbank begrijpt dat [gedaagde] gehecht is aan de woning en dat hij daarin zou willen blijven wonen, maakt dat niet dat zijn belang groter is. [gedaagde] woont al sinds 2020 alleen in de woning die ten dele toebehoort aan [eisers] [gedaagde] had in ieder geval vanaf 2020 maatregelen kunnen treffen om het aandeel van [eiser 1] en [eiser 2] over te nemen of om passende vervangende woonruimte te zoeken. Hij heeft geen aanstalten gemaakt om over te gaan tot de verdeling.
[gedaagde] heeft steeds te kennen gegeven dat hij de woning niet wil verlaten.
[gedaagde] heeft verder niet onderbouwd dat het vinden van vervangende woonruimte niet zal lukken of dat zijn gezondheidssituatie dusdanig is dat hij niet kan verhuizen. Stukken daarover ontbreken. Verder moet ervan worden uitgegaan dat [gedaagde] na de verkoop van de woning geld ontvangt en dat hij daarmee en met zijn inkomen (AOW en pensioen) voldoende geld heeft om een andere geschikte woning te vinden.
4.13.. Dit betekent dat de verdeling niet zal worden uitgesloten voor de duur van drie jaren. De rechtbank zal op grond van artikel 3:185 BW de wijze van verdeling gelasten. Die houdt in dat de woning wordt verkocht. Daarbij wordt aangesloten bij de vorderingen van [eisers] onder I, II, IV en V. De primaire vordering van [eisers] wordt toegewezen zoals hierna onder de beslissing weergegeven, zodat de rechtbank niet toekomt aan het beoordelen van de subsidiaire vordering onder III.
4.14..
[gedaagde] heeft als verweer op de vordering een route voorgesteld voor de wijze waarop de verdeling moet plaatsvinden. [gedaagde] wordt niet in de gelegenheid gesteld om het aandeel van [eisers] in het appartement over te nemen (het appartement wordt niet aan [gedaagde] ‘toebedeeld’). [gedaagde] heeft niet aangeboden [eisers] uit te kopen en ook op geen enkele manier aangetoond dat hij dat zou kunnen. [eisers] heeft verder belang bij een spoedige verdeling van de eenvoudige gemeenschap. Daarom zal ook niet worden bepaald dat [gedaagde] niet eerder dan na twaalf maanden na betekening van het vonnis is gehouden tot het ontruimen van de woning. [gedaagde] weet dat hij in een gemeenschappelijke woning woont en dat die situatie een keer zal eindigen. Dat hij ook in de afgelopen tijd geen andere woning heeft gevonden is niet doorslaggevend, omdat hij na de verkoop in een andere financiële situatie zal verkeren. De woning heeft namelijk overwaarde.
4.15.. De netto-opbrengst zal in gelijke mate tussen partijen moeten worden verdeeld. Hierna zal blijken dat [gedaagde] geen vergoedingsrecht op de eenvoudige gemeenschap heeft. Verder heeft [gedaagde] niet toegelicht waarom van de verkoopopbrengst een korting van 10% wegens executierisico in mindering moet worden gebracht. Daarmee zal geen rekening worden gehouden.
gebruik woning door derden en gebruik door [gedaagde] na de verkoop
4.16..
[eisers] vordert dat [gedaagde] (een deel van) het appartement niet in gebruik mag geven aan derden en in het geval [gedaagde] dat wel doet, hij een dwangsom moet betalen. [eiser 2] heeft verklaard dat hij ziet dat anderen in de woning verblijven als [gedaagde] in Marokko is. [gedaagde] weerspreekt dat hij de woning regelmatig aan derden in gebruik geeft. Tijdens de mondelinge behandeling heeft hij verklaard dat soms één andere persoon in het appartement is. Alhoewel onduidelijk is in welke mate derden in het appartement verblijven, heeft [gedaagde] daarmee in ieder geval te kennen gegeven dat soms een andere persoon de woning gebruikt. Op basis van de verklaring van [gedaagde] lijkt het erop dat geen sprake is van een huurovereenkomst tussen hem en een of meer anderen. Voor zover daarvan wel sprake is, is dat een beschikkingsdaad die zonder toestemming van [eisers] niet is toegestaan (artikel 3:175 BW). [eisers] heeft er belang bij dat met het oog op de verkoop van het appartement derden daarin niet verblijven. De vordering zal daarom worden toegewezen. De dwangsom zal worden gemaximeerd.
4.17.. Daarnaast zal worden bepaald dat [gedaagde] de bewoning en het gebruik van het appartement drie dagen voorafgaand aan de levering van het appartement moet staken en dat hij het appartement op dat moment ontruimd en schoongemaakt moet hebben. Aan het ontruimen van de woning wordt een dwangsom verbonden, die zal worden gemaximeerd zoals in het dictum staat. [eisers] vordert dat ‘elke (d.w.z. ook eigen) bewoning en gebruik’ wordt geëindigd, maar met de toewijzing van het verbod om het appartement aan derden in gebruik te geven, heeft [eisers] geen belang bij de vordering voor zover het gaat om anderen dan [gedaagde] zelf. Daarom is de vordering enkel toewijsbaar voor zover het gaat om de bewoning en het gebruik door [gedaagde] .
uitvoerbaar bij voorraad
4.18.. Tot slot voert [gedaagde] verweer tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van het vonnis. Volgens [gedaagde] ontbreekt de vereiste spoedeisendheid of een ander zwaarwegend belang en kan het tenuitvoerleggen van het vonnis leiden tot onherstelbare schade. Bij de beoordeling van een vordering tot het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van een vonnis, moeten de belangen van partijen tegen elkaar worden afgewogen. Het belang van [eisers] om over te gaan tot het verdelen van de eenvoudige gemeenschap weegt zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij het behouden van de huidige toestand. Het vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
de vordering van [gedaagde]
4.19..
[gedaagde] vordert dat [eisers] op grond van artikel 3:172 BW aan hem de met de woning verband houdende kosten moet delen. Aan hypotheekrente en aflossing is dat over de periode 2002-2025 een bedrag van € 79.884,72 en aan OZB/waterschapslasten over de periode 2014-2025 een bedrag van € 1.594,25. De vordering van [gedaagde] wordt afgewezen. Daarvoor is het volgende van belang.
4.20..
De rechtsbetrekking tussen de deelgenoten wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid (artikel 3:166 BW in verbinding met artikel 6:2 BW). Uitgangspunt is dat de deelgenoten de aan de woning verbonden kosten in gelijke mate dragen. [gedaagde] betaalt geen gebruiksvergoeding, dit terwijl uit artikel 3:169 BW volgt dat de deelgenoten voor gelijke delen zijn gerechtigd tot het genot en het gebruik van een gemeenschappelijke goed. Tijdens de samenwoning heeft [eiser 1] bijgedragen aan de gezamenlijke lasten van de woning. Zij werkte en had een eigen inkomen. [eiser 1] heeft verklaard dat zij daarmee bijdroeg in de lasten. Dat heeft [gedaagde] niet concreet weersproken. Ook [eiser 2] stelt dat hij dat – voornamelijk contant – heeft gedaan. [gedaagde] heeft dat wel weersproken en [eiser 2] heeft voor zover hij per bank zou hebben betaald daarvan geen bewijs overgelegd. Ten aanzien van een verplichting tot bijdragen door [eiser 2] in de kosten van het appartement beroept hij zich op verjaring. [eiser 2] heeft de woning in 2015 verlaten. Alleen al door het eigendom zou [eiser 2] verplicht zijn om bij te dragen in de eigenaarslasten, maar hij heeft vanaf dat moment geen genot van het appartement gehad. Daartegenover zou een gebruiksvergoeding hebben moeten staan. Daarvan is geen sprake geweest. Voor dat geval beroept [eisers] zich op verrekening. Voor zover de verplichtingen ouder zijn dan vijf jaar, zijn zij verjaard. Voor zover zij jonger zijn dan vijf jaar, vallen beide verplichtingen ten aanzien van [eiser 2] tegenover elkaar weg. Tot slot betaalt [eisers] nog steeds de gemeentelijke belastingen (over de periode juni 2018 tot en met september 2025 € 1.388,75) en de verzekeringspremies (over de periode maart 2019 tot en met augustus 2025 € 1.688,20). Al deze omstandigheden maken dat [eisers] niets meer verschuldigd is aan [gedaagde] en verder dat het niet redelijk en billijk is om [eisers] bij te laten dragen in de eigenaarslasten. De tegenvordering van [gedaagde] wordt afgewezen.
de proceskosten in conventie en in reconventie
4.21.. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De rechtbank
in conventie
5.1.. stelt de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap als volgt vast en bepaalt dat het appartement aan de [adres 1] zal worden verkocht op de navolgende wijze:
5.1.1.. machtigt [eisers] om, mede namens [gedaagde] , opdracht te geven aan makelaar [naam] van makelaarskantoor [bedrijf] te [plaats] ( [adres 2] ), althans als de heer [naam] niet beschikbaar is, aan enige andere in [plaats] gevestigde makelaar, tot bemiddeling bij de verkoop van het appartementsrecht;
5.1.2.. bepaalt dat de initiële vraagprijs zal worden gesteld op de waarde volgens de taxatie, dan wel op een door de makelaar op basis van zijn/haar kennis en ervaring verstandig geacht ander bedrag, een ander behoudens voor zover partijen gezamenlijk aan de makelaar hiervan afwijkende instructies geven;
5.1.3.. bepaalt dat het de makelaar (steeds) gedurende het verkoopproces vrij zal staan de vraagprijs naar eigen inzicht aan te passen, behoudens voor zover partijen gezamenlijk aan de makelaar hiervan afwijkende instructies geven;
5.1.4.. bepaalt dat partijen (steeds) dienen in te stemmen met een op het appartementsrecht uitgebracht bod indien aanvaarding van dit bod naar het oordeel van de makelaar raadzaam is;
5.1.5.. gebiedt partijen hun voortvarende medewerking te verlenen aan het doen verlijden van de koop-en leveringsakten, alsmede aan alle overige handelingen die nodig zijn om de verkoop en overdracht te bewerkstelligen, waaronder ook begrepen de algehele aflossing van de hypothecaire geldlening;
5.1.6.. bepaalt dat indien en voor zover enige partij de onder 5.1.4. en/of 5.1.5. bedoelde medewerking niet verleent, de uitspraak van de rechtbank in de plaats treedt van de bedoelde medewerking en wilsverklaring;
5.2.. bepaalt dat partijen de kosten van de dienstverlening van de makelaar, alsmede alle overige kosten die aan verkoperszijde verbonden zijn aan het verkoop- en leveringsproces betreffende het appartementsrecht ieder voor 1/3e dienen te dragen;
5.3.. bepaalt dat de netto-opbrengst van de verkoop van het appartementsrecht gelijkelijk tussen partijen wordt verdeeld;5.4.. verbiedt [gedaagde] het appartement of een deel daarvan aan derden in gebruik te geven of zodanig gebruik te doen voortduren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,00 voor elke dag of elk dagdeel dat [gedaagde] het verbod overtreedt, met een maximum van € 100.000,00;
5.5.. veroordeelt [gedaagde] de eigen bewoning en het gebruik van het appartement uiterlijk drie dagen voor de levering van het appartementsrecht te doen eindigen en het appartement op dat moment te (doen) ontruimen en schoon te maken, de ontruiming op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.500,00 voor elke dag of elk dagdeel dat [gedaagde] niet aan deze veroordeling voldoet, met een maximum van € 100.000,00;
5.6.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.. wijst het meer of anders gevorderde af.
in reconventie
5.8.. wijst de vorderingen af.
in conventie en in reconventie
5.9.. compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, rechter, bijgestaan door mr. C.E.P. Honing, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2026.
Arrest van de Hoge Raad (HR 10 december 1976, NJ 1977, 275).
De rechtbank neemt aan dat dat 2005 is, omdat de woning toen is gekocht.