ECLI:NL:RBAMS:2026:6721
Case Summary
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Uitspraak
Amsterdam
RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11368298 \ CV EXPL 24-13541
Vonnis van 23 juni 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DCB ENERGY B.V.,
gevestigd te Spijkenisse,
eisende partij,
gemachtigde: [gemachtigde],
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.
1. De procedure
1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 15 oktober 2024, met producties,
het tegen gedaagde partij verleende verstek.
1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De beoordeling
2.1.. Eisende partij stelt dat partijen op 21 maart 2024 een overeenkomst hebben gesloten op grond waarvan eisende partij aan gedaagde partij een tankpas ter beschikking heeft gesteld, waarmee gedaagde partij op krediet kon tanken. Voor de tankpas was gedaagde partij een kaartbijdrage van € 5,00 per maand verschuldigd. Verder was gedaagde partij slechts de kosten verschuldigd van de brandstof die hij aan de reguliere pomp bij derden had getankt, die eisende partij had voorschoten.
2.2.. Gedaagde partij heeft € 977,79 onbetaald gelaten. Dat bedrag wordt aan hoofdsom gevorderd, vermeerderd met rente, incassokosten en proceskosten.
2.3.. De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag is gelegd is gesloten tussen een handelaar en een consument. De kantonrechter moet in dat geval ambtshalve toetsen aan het consumentenrecht. Onderzocht moet worden of de informatieplichten zijn nageleefd. Daarnaast moet de overeenkomst worden getoetst aan Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
2.4.. De onderhavige overeenkomst wordt gekwalificeerd als een consumentenkredietovereenkomst, waarop Afdeling 2A van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing is. Het betreft namelijk een vorm van krediet, te weten uitgestelde betaling, waarvoor een jaarlijkse bijdrage verschuldigd is.
2.5.. Nu het om een krediet gaat, is Afdeling 2b van Titel 5 van Boek 6 BW over de informatieplichten niet van toepassing, gelet op artikel 6:230h lid 2 onder b BW.
2.6.. Eisende partij heeft in de dagvaarding niet gesteld hoe zij heeft voldaan aan de verplichtingen in het kader van de kredietverstrekking, zoals de precontractuele informatieplichten van artikel 7:60 BW en de kredietwaardigheidstoets. Hierover dient eisende partij de kantonrechter te informeren. Indien blijkt dat eisende partij deze verplichtingen niet (volledig) heeft nageleefd, maakt zij zich schuldig aan een oneerlijke handelspraktijk en is de overeenkomst vernietigbaar (artikel 7:60 lid 3 jo. artikel 6:193j lid 3 BW).
2.7.. Voor zover eisende partij zich op het standpunt stelt dat vorenbedoelde verplichtingen voor haar niet gelden vanwege de uitzondering als bedoeld in artikel 7:58 lid 2 onder e BW, dan dient zij, in navolging van het arrest van de Hoge Raad van 27 juni 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1008, rechtsoverweging 3.4.1. e.v.), in te gaan op de kosten van het krediet, nu ook vertragingsrente en incassokosten zijn bedongen. Of deze bedongen kosten in aanmerking moeten worden genomen, hangt af van de vraag of eisende partij, teneinde een economisch voordeel te verkrijgen, er vanaf de sluiting van de kredietovereenkomst al op anticipeert dat de consument zijn betalingsverplichting niet zal nakomen. Eisende partij zal zich daarom moeten uitlaten over haar verdienmodel en dat verdienmodel ook inzichtelijk dienen te maken met een onderbouwing. De kantonrechter wijst de eisende partij in dit kader, gelet op de aard van de gevraagde gegevens, op het bepaalde in artikel 22 lid 2 en 3 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en 22a lid 3 Rv. Mocht de eisende partij daarop een beroep willen doen, dan moet zij dit motiveren.
2.8.. Verder moet van alle afzonderlijke onderdelen van de vordering worden getoetst of hierover iets is geregeld in de overeenkomst, ongeacht of daarop een beroep wordt gedaan. Als het beding in de overeenkomst dat aan de vordering ten grondslag is óf kan worden gelegd oneerlijk is in de zin van de richtlijn, dan moet dat gedeelte van de vordering worden afgewezen. Ook als uitsluitend een beroep op de wettelijke regeling is gedaan. Dat volgt uit de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger).
2.9.. Bij de beoordeling van het oneerlijke karakter van een beding gaat het erom of dat beding, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort (artikel 3 lid 1 van de richtlijn). Hierbij moeten alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst worden meegewogen en alle andere bedingen van de overeenkomst, rekening houdend met de aard van de goederen of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet worden uitgegaan van de datum waarop de overeenkomst is gesloten.
2.10.. Eisende partij heeft zich nog niet uitgelaten over de (on)eerlijkheid van de bedingen die ten grondslag liggen of kunnen liggen aan de afzonderlijke onderdelen van de vordering. De bedingen die in ieder geval van belang zijn staan in artikel 13.8 en 13.9 van de algemene voorwaarden. Eisende partij wordt in de gelegenheid gesteld een standpunt in te nemen over de (on)eerlijkheid van deze bedingen.
2.11.. De zaak wordt voor akte uitlating door eisende partij verwezen naar de rol.
2.12.. Eisende partij dient de akte tenminste twee weken voor de hierna te bepalen rolzitting ook aan gedaagde partij te sturen, met de mededeling dat gedaagde partij op die rolzitting daarop mag reageren dan wel uitstel kan vragen en hoe en wanneer gedaagde partij uiterlijk moet reageren. Eisende partij wordt in dat kader verzocht om naast de akte ook de mededeling/brief aan gedaagde partij in het geding te brengen. Wanneer niet kan worden vastgesteld dat de akte tijdig en/of met de juiste mededeling aan gedaagde partij is toegestuurd, wordt deze in beginsel buiten beschouwing gelaten.
2.13.. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
3. De beslissing
De kantonrechter
3.1.. verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 21 juli 2026 om 10.00 uurvoor akte uitlating door eisende partij,
3.2.. bepaalt dat eisende partij de akte aan gedaagde partij moet toesturen, overeenkomstig het bepaalde in overweging 2.12,
3.3.. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.
991