Skip to main content

ECLI:NL:RBAMS:2026:6865

Court

Amsterdam

Date

3 July 2026

Language

nl

Case Summary

Legal Issue

Strafrecht

Holding / Outcome

Uitspraak

Amsterdam

Procedure: UitspraakDomain: StrafrechtType: uitspraak

vonnisRECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13-006977-23 Parketnummer vordering tul: 22.001447-22

Datum uitspraak: 3 juli 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[de verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[BRP-adres] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 juni 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. C. Nij Bijvank, en van wat verdachte en haar raadsvrouw, mr. D. Kisteman, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich op 24 december 2022 in Amsterdam heeft schuldig gemaakt aan

feit 1

zware mishandeling met voorbedachten rade van [slachtoffer 1] . Subsidiair is dit ten laste gelegd als een poging tot zware mishandeling met voorbedachten rade en meer subsidiair als mishandeling met voorbedachten rade, terwijl dit feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

feit 2

poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 1] . Subsidiair is dit ten laste gelegd als mishandeling van [slachtoffer 1] .

feit 3

bedreiging van [slachtoffer 1] met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling;

feit 4

mishandeling van haar levensgezel [slachtoffer 2] .

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3. Waardering van het bewijs

3.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Volgens de officier van justitie kan worden bewezen dat verdachte met een mes richting het hoofd van [slachtoffer 1] heeft gestoken. Hierbij is echter geen sprake geweest van voorbedachten rade en ook kan niet worden bewezen dat het steekletsel op de hand van [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel is. De officier van justitie komt daarmee tot een bewezenverklaring van feit 1 subsidiair (impliciet subsidiair). Ook feit 2 primair en feit 3 kunnen volgens de officier van justitie worden bewezen. Ten aanzien van feit 4 heeft de officier van justitie tot vrijspraak gerekwireerd.

3.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw stelt ten aanzien van feit 1 dat het bewijs voor ‘zwaar lichamelijk letsel’niet uit de bewijsmiddelen kan volgen en dat ten aanzien van het subsidiair, impliciet primair tenlastegelegde bewijs voor‘voorbedachte raad’ ontbreekt. Met betrekking tot feit 1 subsidiair, (impliciet subsidiair) en feit 2 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Verder heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit voor feit 3 en feit 4.

3.3. Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Vrijspraak primair (zware mishandeling) en subsidiair (impliciet primair)(poging zware mishandeling met voorbedachten rade)

Met de officier van justitie en de raadsvrouw acht de rechtbank niet bewezen dat sprake is geweest van voorbedachten rade en zwaar lichamelijk letsel, zodat verdachte van hiervan zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring subsidiair (impliciet subsidiair) (poging zware mishandeling)

De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte met een scherp en puntig voorwerp door een openstaand autoraam richting het gezicht van [slachtoffer 1] heeft gestoken . Dit leidt de rechtbank af uit de aangifte van [slachtoffer 1] , de getuigenverklaring van [getuige] en het letselrapport van de GGD. [slachtoffer 1] en [getuige] verklaren beiden dat verdachte door het autoraam een stekende beweging maakte richting [slachtoffer 1] . Deze verklaringen vinden steun in het letselrapport. Uit het letselrapport van de GGD volgt dat de snijwonden in de hand van [slachtoffer 1] goed kunnen worden verklaard door de krachtsinwerking die optreedt steken met een mes. De verklaring van verdachte dat zij ‘slechts’ een stuk glas in de richting van [slachtoffer 1] heeft gegooid vindt geen steun in het dossier en schuift de rechtbank dan ook terzijde.

Dat er daadwerkelijk een mes in het spel is geweest, kan de rechtbank op basis van het dossier niet vaststellen. De verklaringen van [slachtoffer 1] en [getuige] , over hoe verdachte in het bezit is gekomen van het vermeende mes, lopen uiteen. Ook is er geen mes aangetroffen bij verdachte of in de directe omgeving. De foto’s die bij het verhoor van [slachtoffer 1] bij de rechter-commissaris aan het dossier zijn toegevoegd, die de aanwezigheid van het mes zouden moeten bevestigen, maken dit oordeel niet anders omdat de kwaliteit van die foto’s niet zodanig is dat de rechtbank daarop een mes kan onderscheiden. Verdachte zal van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Door met een scherp en puntig voorwerp richting het gezicht van [slachtoffer 1] te steken bestond naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer 1] . Met het maken van deze beweging heeft verdachte deze aanmerkelijke kans ook bewust aanvaard. Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan poging zware mishandeling.

Feit 2

Gelet op de aangifte en de bekennende verklaring is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte in de wang van [slachtoffer 1] heeft gebeten. Bij het met kracht bijten in het gezicht acht de rechtbank de kans aanmerkelijk dat een blijvend ontsierend litteken wordt toegebracht. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat het gevaar van een (ernstige) infectie of van overdracht van een bloedziekte bij een mensenbeet reëel is. Daarmee acht de rechtbank de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling bewezen.

Feit 3

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte de ten laste gelegde bedreiging heeft geuit. Verdachte heeft de uitingen ontkend. [slachtoffer 1] heeft in haar aangifte verklaard dat verdachte zou hebben gezegd dat zij in haar oog zou steken als zij haar zou zien. [slachtoffer 2] heeft in zijn verhoor weliswaar aangegeven dat verdachte [slachtoffer 1] die dag heeft bedreigd, maar daarbij niet verklaard wat er door verdachte zou zijn gezegd. Toen de politie hem voorhield wat verdachte volgens [slachtoffer 1] zou hebben gezegd, heeft hij slechts beaamd dat verdachte zo’n uitspraak wel heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is dit onvoldoende om tot een bewezenverklaring voor deze specifieke bedreiging te komen, nu de aangifte ook niet wordt ondersteund door andere, objectieve, bewijsmiddelen. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van feit 3.

Feit 4

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte haar (voormalig) levensgezel heeft mishandeld. De rechtbank spreek verdachte daarom vrij van feit 4.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

feit 1

subsidiair

op 24 december 2022 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

  • door een openstaand raam van de portier van een personenauto met een scherp en puntig voorwerp heeft gestoken in de richting van het gezicht van voornoemde [slachtoffer 1] ,

terwijl de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

feit 2

primair

op 24 december 2022 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen voornoemde [slachtoffer 1] in de wang heeft gebeten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de

feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Die bewijsmiddelen zijn

opgenomen in bijlage IIbij dit vonnis.

Ten aanzien van het onder feit 2, primair bewezenverklaarde volstaat de rechtbank met een

opsomming van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek

van Strafvordering, omdat verdachte dit bewezen feit heeft bekend, zij nadien niet anders

heeft verklaard en haar raadsvrouw geen vrijspraak heeft bepleit.

6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

8.1..

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vanwege het taakstrafverbod gevorderd dat een gevangenisstraf van vier dagen wordt opgelegd, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast heeft zij gevorderd om een taakstraf van 80 uren op te leggen. Daarbij heeft de officier van justitie ook rekening gehouden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

8.2..

Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met een overschrijding van de redelijke termijn, de toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, het ontbreken van recente en relevante documentatie en de lange duur van het schorsingstoezicht. Daarnaast draagt verdachte in haar ééntje de zorg voor haar vier jongste kinderen.

8.3.. Het oordeel van de rechtbank

Aard en ernst van de feiten

In de nacht van 24 december 2022 is een ruzie tussen verdachte en [slachtoffer 1] , de nieuwe vriendin van haar voormalig levensgezel, geëscaleerd. Verdachte heeft hierbij het overgrote aandeel in alle geweldshandelingen gehad. Zo heeft zij [slachtoffer 1] in haar wang gebeten. Nadat [slachtoffer 1] zichzelf in veiligheid heeft gebracht en in de auto is gaan zitten, heeft verdachte nog met een scherp voorwerp richting het gezicht van [slachtoffer 1] gestoken. Verdachte heeft hiermee geen enkel respect voor de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] getoond. Bovendien heeft verdachte al deze handelingen verricht in de nabijheid van haar eigen kinderen. Dit vindt de rechtbank zeer kwalijk.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad)

van verdachte van 7 mei 2026. Hieruit blijkt dat verdachte in de jaren voorafgaand aan de bewezen verklaarde feiten niet eerder is veroordeeld voor geweldsfeiten. Wel is verdachte na dit incident nog een keer veroordeeld voor mishandeling. Artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht is daarmee van toepassing.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 5 februari 2026 en de aanvulling op dit rapport van 17 juni 2026. Ondanks het feit dat er indicaties zijn voor het inzetten van interventies op het gebied van middelenbeheersing, ziet de reclassering geen meerwaarde in het continueren van het huidige reclasseringstoezicht, nu de motivatie voor gedragsverandering bij verdachte ontbreekt.

Verdachte lijkt inmiddels inzicht te hebben in het kwalijke van haar handelen en de schade die haar handelen teweeg kan brengen, in het bijzonder bij haar kinderen. De rechtbank hecht eraan te benadrukken dat verdachte haar cannabisgebruik dient te beëindigen, om het gevaar op herhaling maximaal in te perken.

De op te leggen straf

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf passend is. Nu het taakstrafverbod echter van toepassing is ontkomt de rechtbank niet aan het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Verdachte heeft vier dagen in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. De rechtbank zal daarom aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier dagen opleggen. Daarnaast legt de rechtbank aan verdachte een taakstraf op. Omdat de rechtbank minder feiten bewezen heeft verklaard dan de officier van justitie, komt de rechtbank tot een iets lagere taakstraf dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank legt aan verdachte een taakstraf op voor de duur van zestig uren.

9. Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Tevens bevindt zich bij de stukken de op 28 januari 2026 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam betreffende het onherroepelijk geworden arrest van 22 februari 2023 van gerechtshof te Den Haag in de zaak met parketnummer 22-001447-22.

De feiten waarvoor verdachte in deze zaak terechtstaat zien op 24 december 2022. Deze datum ligt voor de datum van het onherroepelijk geworden arrest van 22 februari 2023. Het gaat daarmee niet om strafbare feiten die binnen de lopende proeftijd van dit arrest zijn gepleegd, die liep namelijk nog niet. De officier van justitie zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in deze vordering TUL.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 45, 57, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

feit 1 subsidiair (impliciet subsidiair), feit 2 primair:

telkens: poging tot zware mishandeling

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [de verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvan4 (vier) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Veroordeelt verdachte tot een taakstrafvan60 (zestig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 30 (dertig) dagen.

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 22-001447-22.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,

mrs. B.C. Langendoen en C.C.J. Maas-van Es, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.T. de Hertog, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 juli 2026.

[…]

[…]

[…]

[…]

4. […]

More Decisions