Skip to main content

ECLI:NL:RBAMS:2026:6866

Court

Amsterdam

Date

3 July 2026

Language

nl

Case Summary

Legal Issue

Strafrecht

Holding / Outcome

Uitspraak

Amsterdam

Procedure: UitspraakDomain: StrafrechtType: uitspraak

vonnisRECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummers: 13-325519-25 (zaak A), 13-336791-25 (zaak B) en 13-340138-25 (zaak C)

(ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 3 juli 2026

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[de verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ) op [geboortedag] 1994,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[BRP-adres] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 juni 2026.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd op de terechtzitting van 13 maart 2026. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B en zaak C aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. C. Nij Bijvank, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L. Schouten, naar voren hebben gebracht.

2. Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

zaak A

belaging van [slachtoffer 1] in de periode van 17 november 2025 tot en met 29 november 2025 in Amsterdam;

zaak B

diefstal van winkelgoederen bij de Albert Heijn op 9 december 2025 in Amsterdam;

zaak C

vernieling van een vlinderstruik van [slachtoffer 2] op 12 december 2025 in Hilversum.

De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3. Waardering van het bewijs

3.1. Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle aan verdachte ten

laste gelegde feiten.

3.2. Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de ten laste gelegde belaging heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit, omdat er geen sprake is van belaging in de zin van artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Ten aanzien van de ten laste gelegde diefstal en vernieling heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3. Het oordeel van de rechtbank

Zaak A

De rechtbank stelt – voor zover hier relevant – voorop dat van belaging als bedoeld in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht sprake is als een verdachte wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van een ander. Stelselmatig betekent met een bepaalde intensiteit, duur en/of frequentie (Kamerstukken II 1997/98, 25768, p. 17). Van belang zijn daarnaast de aard van de gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder die gedragingen hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer (HR 14 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1557, NJ 2025/302). Niet is vereist dat de belaging ononderbroken of gedurende de gehele periode plaatsvindt en evenmin dat iedere gedraging op zichzelf wederrechtelijk is. Het komt aan op het totaalbeeld dat uit de verschillende gedragingen naar voren komt.

De rechtbank stelt op basis van de aangifte van [slachtoffer 1] en de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] vast dat verdachte zich vanaf november 2025 jaloers en bezitterig tegen aangeefster, die zijn programmabegeleider was bij het COA, is gaan gedragen. Zo heeft hij tegen collega’s van [slachtoffer 1] en tegen medebewoners gezegd dat [slachtoffer 1] en hij zouden gaan trouwen. Ook werd verdachte boos en jaloers als [slachtoffer 1] met mannelijke medebewoners praatte. [slachtoffer 1] heeft verdachte meermaals gezegd dat hij hiermee moest stoppen en dat hun contact enkel werk-gerelateerd was. Bij zo’n gesprek op 20 november 2025 was ook getuige [getuige 1] aanwezig die zag dat verdachte in reactie hierop een flauwe glimlach vertoonde en hoorde dat hij zei dat hij een toekomst met haar wilde. Dat [slachtoffer 1] geen relatie met hem wilde leek niet tot hem door te dringen.

Verdachte bleef zich ondanks verzoeken van aangeefster te stoppen met zijn gedrag op dezelfde wijze richting [slachtoffer 1] gedragen. Op 21 november 2025 is verdachte overgeplaatst naar een COA-locatie in [plaats 1] en heeft hij een locatieverbod gekregen voor de ‘[naam COA-locatie]’, de COA-locatie in [plaats 2] , alwaar aangeefster werkzaam is. Verdachte is op 24, 25, 28 en 29 november 2025, ondanks het locatieverbod, bij [naam COA-locatie] langs geweest. Op 28 november 2025 is door de politie een stopgesprek met verdachte gevoerd. Wat betreft de invloed van verdachtes gedrag op het persoonlijk leven van aangeefster heeft de politie geverbaliseerd dat [slachtoffer 1] tijdens de aangifte zeer geëmotioneerd was en huilde, en dat zij vertelde dat ze bang was als ze in de omgeving van haar werk was dat verdachte ineens weer voor haar zou staan.

Uit de gedragingen van verdachte komt naar voren dat hij op indringende en intensieve wijze heeft geprobeerd met [slachtoffer 1] in contact te komen. Het moet voor verdachte duidelijk zijn geweest dat aangeefster geen contact met hem wilde hebben. Dit heeft [slachtoffer 1] meermalen uitdrukkelijk tegen verdachte gezegd. Bovendien is hij op 21 november 2025 overgeplaatst naar [plaats 1] en is hem daarbij verboden zich in de omgeving van [naam COA-locatie] te begeven. Zelfs het stopgesprek wat de politie op 28 november 2025 met verdachte heeft gevoerd heeft hem niet weerhouden de volgende dag wederom [naam COA-locatie] te bezoeken. Volgens de rechtbank toont dit aan dat verdachte welbewust contact is blijven zoeken met aangeefster, ook nadat hem duidelijk moet zijn geworden dat zij dit niet wilde.

De rechtbank gelooft de verklaring van verdachte niet dat juist aangeefster avances naar hem maakte en dat hij naar [naam COA-locatie] kwam omdat hij een afspraak zou hebben bij de IND,nu deze verklaringen op geen enkele wijze door het dossier worden ondersteund. Ten aanzien van de eerste bewering geldt bovendien dat verdachte dit pas op de zitting voor het eerst heeft gemeld en de rechtbank deze mededeling in het licht van de verklaringen van aangeefster en haar collega’s ook niet geloofwaardig acht. De rechtbank gaat aan de verklaringen van verdachte voorbij en gaat uit van de juistheid van de aangifte en getuigenverklaringen

Gelet op de voorgaande handelingen, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat er sprake is geweest van een opzettelijke, wederrechtelijke, stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Hierbij heeft [slachtoffer 1] moeten dulden dat verdachte telkens weer contact met haar heeft geprobeerd op te nemen en heeft hij geen acht geslagen op haar mededelingen dat zij dit heel vervelend vond. Het gedrag van verdachte was des te indringender nu dit gebeurde op haar werkvloer en richting cliënten van aangeefster, waardoor zij zich daar niet meer vrijelijk kon bewegen. Het relatief korte tijdsbestek staat volgens vaste jurisprudentie niet in de weg aan een bewezenverklaring van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer.

De rechtbank acht daarmee bewezen dat de verdachte zich aan de ten laste gelegde belaging schuldig heeft gemaakt.

Partiële vrijspraak derde gedachtestreepje

De rechtbank is het met de raadsvrouw eens dat uit het dossier niet volgt dat verdachte Whatsapp-berichten naar [slachtoffer 1] heeft gestuurd of telefonisch contact met haar heeft opgenomen. Van dit onderdeel wordt verdachte vrijgesproken.

Zaak B en zaak C

De rechtbank acht op grond van de bekennende verklaring van verdachte en de overige

inhoud van het dossier bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van winkelgoederen bij de Albert Heijn-filiaal aan [plaats 3] (zaak B) en van het vernielen van de vlinderstruik van [slachtoffer 2] in [plaats 1] (zaak C).

4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

zaak A

in de periode van 17 november 2025 tot en met 29 november 2025 te Amsterdam wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] , door

  • tegen collega's van die [slachtoffer 1] en medebewoners van het COA te zeggen dat hij, verdachte, en [slachtoffer 1] gaan trouwen en

  • boos en jaloers te worden op medebewoners als zij met die [slachtoffer 1] praten en

  • meermalen, te weten op 24 en 25 en28 en 29 november 2025, naar de werkplek van die [slachtoffer 1] toe te komen,

met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te dulden;

zaak B

op 9 december 2025 te Amsterdam goederen die aan het winkelbedrijf Albert Heijn gevestigd aan de [plaats 3] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

zaak C

op 12 december 2025 te Hilversum opzettelijk en wederrechtelijk een vlinderstruik die aan [slachtoffer 2] toebehoorde heeft vernield.

5. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de

feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Die bewijsmiddelen zijn

opgenomen in bijlage IIbij dit vonnis.

Ten aanzien van het in zaak B en zaak C bewezenverklaarde volstaat de rechtbank met een

opsomming van de bewijsmiddelen als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek

van Strafvordering, omdat verdachte dit bewezen feit heeft bekend, hij nadien niet anders

heeft verklaard en zijn raadsvrouw geen vrijspraak heeft bepleit.

6. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7. De strafbaarheid van verdachte

7.1..

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van de belaging verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden verklaard, en ten aanzien van de diefstal sterk verminderd toerekeningsvatbaar. Voor de vernieling is verdachte volgens de officier van justitie volledig ontoerekeningsvatbaar en dient hij daarvoor te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

7.2..

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is ten aanzien van de door hem gepleegde feiten. Verdachte is

daarom niet strafbaar en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

7.3..

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij haar oordeel omtrent de strafbaarheid van verdachte acht geslagen op

de Pro Justitia-rapportage van 3 april 2026, opgemaakt door deskundige [GZ-psycholoog] ,

GZ-psycholoog.

De rapporteur heeft vastgesteld dat bij verdachte sprake is van een stoornis in gebruik van cannabis, in vroege remissie in een gereguleerde omgeving én een psychotische stoornis door cannabis. Verdachte is cannabis gaan gebruiken vanaf april 2025, waarbij het gebruik is toegenomen tot een dagelijks patroon vanaf november 2025. Toen ontstonden duidelijke

gedragsveranderingen, met een geleidelijke toename van impulsiviteit, verwardheid, gebrekkige zelfcontrole en afnemende realiteitstoetsing (resulterend in waangedachten). Verdachte heeft nooit eerder psychotische klachten gehad en na gedwongen abstinentie van cannabis in detentie is hij snel hersteld, hetgeen de diagnose onderschrijft, aldus de rapporteur.

De rapporteur heeft geconcludeerd dat bij verdachte ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten sprake was van deze stoornissen. Hij koppelt de ten laste gelegde belaging van november 2025 aan het startpunt van de psychotische episode, waarbij waangedachten, maar ook nog enige beheersing van zijn gedrag en de gevolgen daarvan bestonden. De rapporteur adviseert dit feit (al dan niet sterk) verminderd aan verdachte toe te rekenen. De realiteitstoetsing en de zelfbeheersing schoten ten tijde van de winkeldiefstal in december 2025 ernstig tekort, en voor dit feit wordt geadviseerd tot een sterk verminderde toerekenbaarheid. De vernieling van een vlinderstruik een paar dagen later werd volgens rapporteur volledig ingegeven door waangedachten waar betrokkene geen weerstand aan kon bieden. De rapporteur adviseert dan ook dit feit niet aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank neemt de conclusies van de rapporteur over dat bij verdachte ten tijde van de tenlastegelegde feiten sprake was van een stoornis in gebruik van cannabis, in vroege remissie in een gereguleerde omgeving en een psychotische stoornis die is ontstaan door cannabis. Anders dan de rapporteur adviseert, is de rechtbank van oordeel dat deze stoornissen niet leiden tot ontoerekenbaarheid van verdachte.

Volgens de Hoge Raadkan de rechter op grond van artikel 39 Sr beslissen dat het tenlastegelegde niet aan de verdachte kan worden toegerekend als ten tijde van dat feit bij de verdachte sprake was van een stoornis als bedoeld in deze bepaling en de verdachte als gevolg van die stoornis niet kon begrijpen dat dat feit wederrechtelijk was of niet in staat was in overeenstemming te handelen met zijn begrip van de wederrechtelijkheid van dat feit. Gedragingen van de verdachte die aan het optreden van de in artikel 39 Sr bedoelde stoornis zijn voorafgegaan, kunnen in de weg staan aan het oordeel dat het tenlastegelegde feit niet aan de verdachte kan worden toegerekend in de zin van deze bepaling, maar slechts onder bijzondere omstandigheden. Van zulke bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn als het optreden van de stoornis aan de verdachte zelf te wijten is geweest omdat hij verdovende middelen heeft gebruikt.

Verdachte heeft er zelf voor gekozen cannabis te gaan gebruiken. Hij is door het gebruik van cannabis verwijtbaar komen te verkeren in een psychotische toestand. Hij kon weten dat het gebruik van dat roesverwekkende middel effect heeft op de psychische toestand en dat dit middel zijn functioneren kon beïnvloeden. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid is dat het psychisch functioneren na gebruik van dergelijke middelen van persoon tot persoon verschilt. De rechtbank is onder deze omstandigheden van oordeel dat verdachte strafrechtelijk verantwoordelijk moet worden gehouden voor zijn daden en de gevolgen daarvan.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8. Motivering van de straffen en maatregelen

8.1..

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van de door haar bewezen

geachte feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf gelijk aan de duur die door verdachte in verzekering en is voorlopige hechtenis is doorgebracht, te weten 92 dagen.

8.2..

Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich niet uitgelaten over een op te leggen straf.

8.3.. Het oordeel van de rechtbank

Aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie strafbare feiten die stuk voor stuk overlast en gevoelens van angst hebben teweeggebracht bij de directbetrokkenen. [slachtoffer 1] heeft zich door de bewezen belaging zowel op haar werk als in haar privéomgeving zeer onveilig gevoeld. Zij moest continu op haar hoede zijn doordat verdachte geen blijk gaf het locatieverbod of het stopgesprek serieus te nemen. Hij heeft daarmee zijn eigen wil opgedrongen aan [slachtoffer 1] , wat de rechtbank hem aanrekent. Ook de diefstal heeft overlast veroorzaakt, in het bijzonder voor het aanwezige winkelpersoneel. Ten slotte heeft verdachte een vlinderstuik vernield. Uit het dossier blijkt dat verdachte daarbij een regelrechte ravage heeft veroorzaakt. De omwonenden hebben door het onvoorspelbare gedrag van verdachte onrust en ongemak ervaren.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 7 mei 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor enig strafbaar feit. Ook is verdachte na de bewezen verklaarde feiten niet nogmaals in beeld gekomen bij justitie.

De op te leggen straf

De rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van de straf rekening gehouden met de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Alles afwegende, acht de rechtbank met de officier van justitie een gevangenisstraf passend gelijk aan de duur die door verdachte in verzekering en is voorlopige hechtenis is doorgebracht. Anders dan de officier van justitie komt de rechtbank daarbij tot een gevangenisstraf voor de duur van negentig dagen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57, 285b, 310 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

zaak A

belaging;

zaak B

diefstal;

zaak C

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [de verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvan90 (negentig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.M.C. van den Berg, voorzitter,

mrs. B.C. Langendoen en C.C.J. Maas-van Es, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.T. de Hertog, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 juli 2026.

[… 2]

[… 2]

[… 2]

[… 2]

[… 2]

[… 2]

[… 2]

5. [… 2]

[… 2]

7. [… 2]

.

HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1295

Vgl. HR 9 juni 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC0902 en HR 12 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3797.

More Decisions