[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbdha-2025-23341":3,"decision-more-ecli-nl-rbdha-2025-23341":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"383","ECLI:NL:RBDHA:2025:23341","",58,"Den Haag","den-haag","2025-11-25T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Haarlem\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL24.35416\n uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen\n [eiser] , eiser\n\nV-nummer: [nummer]\n\n(gemachtigde: mr. E. Arslan),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie,\n\n(gemachtigde: mr. S.M. Deniz).\n\nSamenvatting\n\n1. Eiser komt uit Turkije. Hij is betrokken geweest bij de Gülen-beweging. Daardoor heeft hij eerder in Turkije in de gevangenis gezeten, maar hij is vrijgesproken. Hij is daarna naar Nederland gekomen en heeft een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Per 1 december 2023 is het Nederlandse beleid voor asielaanvragen van Gülen-aanhangers strenger geworden. Per 1 juli 2024 is het beleid voor groepen zoals Gülen-aanhangers, nog strenger geworden. De asielaanvraag van eiser is ruim voor beide beleidswijzigingen ingediend. De rechtbank oordeelt dat beide wijzigingen in het beleid niet onredelijk zijn. Ook mocht verweerder bij de beslissing op de asielaanvraag uitgaan van het nieuwe beleid. Op grond van de informatie over Turkije en de individuele situatie van eiser mocht verweerder de asielaanvraag van eiser afwijzen. Eerder is eiser namelijk vrijgesproken in verband met zijn activiteiten voor de Gülen-beweging. Er zijn nu geen aanwijzingen dat hij opnieuw in de negatieve aandacht staat van de Turkse autoriteiten.\n\n1.2.. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Onder 2 is het verloop van deze procedure weergegeven. Vanaf 3 zijn de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit en het bestreden besluit zelf beschreven. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 6. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.\n\nProcesverloop\n\n2. Eiser heeft op 13 januari 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vwingediend. Hij heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [datum] 1977. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 4 september 2024 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.\n\n2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.\n\n2.2.. \n\nDe rechtbank heeft het beroep behandeld op zitting op 29 oktober 2024. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde en namens verweerder mr. A.T.M. Vroom-van Berckel deelgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.\n\nDaarna is het onderzoek heropend en is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.\n\n2.3.. De meervoudige kamer van de rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Het beroep is ter zitting gelijktijdig behandeld met de beroepen van twee andere Turkse vreemdelingen tegen de beslissing op hun asielaanvragen.\n\nFeiten en omstandigheden\n\nHet asielrelaas\n\n3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag.\n\n3.1.. Eiser is betrokken geweest bij de Gülen-beweging. In Turkije heeft hij lesgegeven op een zogenoemde Gülen-school. Hij was ook adjunct-directeur van die school. Daarnaast was hij plaatsvervangend bestuurder bij een onderwijsvakbond die gelieerd was aan de Gülen-beweging. Eiser had een bankrekening bij de bank Aysa en zijn kinderen gingen naar Gülen-scholen.\n\n3.1.. Na de couppoging in Turkije in 2016 hebben hij en zijn kinderen problemen ondervonden. Eiser is door de autoriteiten beschuldigd van betrokkenheid bij de Gülen-beweging. Hij is in september 2016 ontslagen. In oktober 2016 is hij gearresteerd, waarna hij zes dagen op het politiebureau werd vastgehouden in slechte omstandigheden. Zijn huis is doorzocht. Daarna heeft eiser ongeveer 9 maanden in de gevangenis gezeten. In juli 2017 is hij vrijgelaten in afwachting van zijn proces. De politie is meerdere keren bij eiser thuis aan de deur gekomen. Eiser is ook meerdere keren ondervraagd en hij moest regelmatig naar de rechtbank vanwege de tegen hem ingestelde rechtszaak. Eiser is uiteindelijk vrijgesproken van de aanklachten vanwege gebrek aan bewijs. Het hoger beroep tegen de vrijspraak is afgewezen. Het beroep in cassatie is in december 2023 ook afgewezen.\n\n3.2.. Eiser had een uitreisverbod tot de opheffing daarvan op 11 november 2022. Hij heeft vervolgens op 29 november 2022 een paspoort verkregen dankzij het feit dat zijn echtgenote een staatsambtenaar is. Op 13 januari 2023 is hij samen met één van zijn zonen naar Nederland gevlucht. Eisers echtgenote is in Turkije achtergebleven.\n\n3.3.. Eiser vreest opnieuw te worden vervolgd. Volgens hem zijn na de vrijspraak aan zijn dossier stukken toegevoegd die tot een nieuwe strafzaak tegen hem kunnen leiden. Ook is de politie, toen hij al in Nederland was, bij zijn huis in Turkije langs geweest.\n\nHet bestreden besluit\n\n4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante asielmotieven:\n\n1. de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;\n\n2. eisers betrokkenheid bij de Gülen-beweging en de rechtszaken die tegen hem hebben gelopen.\n\n4.1.. Verweerder acht beide asielmotieven geloofwaardig. Hij acht echter eisers vrees om opnieuw problemen te krijgen met de Turkse autoriteiten vanwege betrokkenheid bij de Gülen-beweging niet aannemelijk. Verweerder neemt daarbij in aanmerking dat eiser als Gülen-aanhanger valt onder het risicoprofiel genoemd in paragraaf C7\u002F34.3.2 van de Vc.Volgens verweerder heeft eiser echter niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt. Eiser staat niet meer in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten, aldus verweerder.4.2.. Tegen eiser is ook een terugkeerbesluit uitgevaardigd en hij moet Nederland binnen vier weken verlaten.\n\nGeschilpunten partijen\n\n5. Eiser heeft in beroep geageerd tegen twee wijzigingen in het beleid van verweerder ten aanzien van Turkije ten nadele van hem. Het betreft een wijziging per 1 december 2023 en één per 1 juli 2024. Volgens eiser zijn beide wijzigingen in strijd met het recht. Daarnaast heeft eiser gesteld dat verweerder niet tijdig heeft besloten op zijn aanvraag. Als verweerder dat wel had gedaan, waren beide beleidswijzigingen niet van toepassing geweest en had eiser internationale bescherming gekregen. Tot slot heeft eiser gesteld dat hij, ook als rekening wordt gehouden met de beide beleidswijzigingen, recht heeft op internationale bescherming.\n\n5.1.. Verweerder heeft dit alles weersproken en handhaaft zijn beslissing.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n6. De rechtbank bespreekt hierna de geschilpunten van partijen. Eerst zal de rechtbank toetsen of de twee beleidswijzigingen niet onredelijk zijn. Daarna zal de rechtbank oordelen over het standpunt dat eiser internationale bescherming moet krijgen omdat verweerder eerder had moeten beslissen op zijn aanvraag. Tenslotte zal worden ingegaan op de vraag of eiser op grond van zijn individuele omstandigheden een asielvergunning had moeten krijgen.6.1.. Met het bestreden besluit heeft verweerder ook een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eiser heeft daartegen geen beroepsgronden aangevoerd. De rechtbank beoordeelt dat daarom niet.\n\nIs de strengere toets voor Gülen-aanhangers per 1 december 2023 niet onredelijk?\n\nDe beleidswijziging per 1 december 2023\n\n7. De groep “(toegedichte) Gülen-aanhangers” in Turkije werd als risicogroep aangemerkt. Bij de beoordeling van de vrees op vervolging werd rekening gehouden met het willekeurige karakter van het optreden van de Turkse autoriteiten jegens mogelijke aanhangers van de Gülen-beweging. Dit was het gevolg van een uitspraak van de Afdelingen het Algemeen Ambtsbericht Turkije van 31 oktober 2019. In de Vc was daartoe de volgende passage opgenomen:\n\n“Ten aanzien van (toegedichte) Gülen-aanhangers geldt aanvullend dat indien van geringe indicaties niet is gebleken, de IND de risico’s bij terugkeer beoordeelt in het licht van de diffuse en slechte situatie die gekenmerkt wordt door willekeur jegens (toegedichte) Gülen-aanhangers van de zijde van de Turkse autoriteiten.”\n\nDe passage leidde tot een ruimer beoordelingskader dan gebruikelijk bij risicogroepen. Ook zonder geringe indicaties werd al snel een risico op vervolging aangenomen.\n\n7.1.. Het hiervoor geciteerde beleid is per 1 december 2023 vervallen.Toegelicht is dat uit het Algemeen ambtsbericht Turkije van 31 augustus 2023 (hierna: AAB 2023) blijkt dat de intensiteit van de strafrechtelijke vervolging van mogelijke Gülen-aanhangers is afgenomen en dat de rechtspraak in Turkije strenger toetst als personen verdacht worden van het aanhangen van de Gülen-beweging. Als gevolg van deze twee ontwikkelingen is de willekeur die voorheen prominent een rol speelde bij strafrechtelijke vervolging van Gülenisten niet in dezelfde mate aan de orde, aldus de toelichting.\n\nIs de wijziging niet onredelijk?\n\n8. Volgens eiser is de wijziging van het beleid per 1 december 2023 onterecht omdat deze in strijd is met landeninformatie over Turkije. Daarom, zo stelt eiser, mag deze wijziging niet aan eiser worden tegengeworpen. Verweerder bestrijdt dit.\n\n8.1.. De rechtbank volgt eiser niet en overweegt daartoe het volgende.\n\n8.2.. Eiser heeft gesteld dat niet van de informatie in het AAB 2023 mag worden uitgegaan. Volgens eiser is het AAB 2023 beïnvloed door de onjuiste wijze van verkrijging daarvan, gezien de vraagstelling in de zogenoemde ‘Terms of Reference’ van 28 april 2023. Dit heeft eiser echter onvoldoende onderbouwd. Er is gevraagd om algemene en concrete informatie. De concreet gevraagde informatie betreft ook Gülenisten en rechtsbescherming van hen en anderen. Dit acht de rechtbank voldoende. De informatie in het AAB 2023 kan dus worden gebruikt voor de beoordeling van de situatie in Turkije per 1 december 2023.\n\n8.3.. Het AAB 2023 bevat weinig concrete informatie en er zijn meerdere voorbehouden in gemaakt. Zo staat er dat het lastig was om verifieerbare informatie te vinden over de situatie van (vermeende) Gülenisten in Turkije, dat de informatie over hun situatie schaars, verbrokkeld en anekdotisch van aard was, dat het onduidelijk was hoeveel arrestanten er in voorarrest verbleven of voorwaardelijk waren vrijgelaten en in hoeveel gevallen er een rechtszaak was geïnitieerd, als ook dat de bronnen de gestelde afname in intensiteit van de vervolging van Gülenisten niet nader konden onderbouwen met concrete gegevens. De informatie die echter wél concreet in het AAB 2023 staat vermeld, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende om de per 1 december 2023 gewijzigde tekst van het beleid en daarop gegeven toelichting te dragen. Volgens de landeninformatie komt vervolging van Gülenisten nog steeds op grote schaal voor. Het AAB 2023 vermeldt daarover dat gedurende de voorgaande twee verslagperiodes met regelmaat arrestaties op grotere of kleine schaal plaatsvonden van Gülenisten en dat deze situatie hetzelfde is gebleven. Uit de landeninformatie kan evenwel niet worden afgeleid dat de situatie voor Gülenisten dusdanig is dat – ook bij het ontbreken van geringe indicaties – vrij snel een risico op vervolging moet worden aangenomen. Dit zou in feite neerkomen op het aannemen van groepsvervolging, waarbij het enkele behoren tot de groep van Gülenisten al voldoende is om vrees voor vervolging aan te nemen. Daarvan is alleen sprake als Gülenisten systematisch worden blootgesteld aan vervolging. De rechtbank ziet in het AAB 2023, maar ook in de door eiser ingebrachte informatie, geen aanleiding om aan te nemen dat daarvan sprake is. Daarbij is van belang dat er in Turkije volgens het AAB 2023 meer rechterlijke bescherming voor Gülen-aanhangers is dan voorheen. De verschillende criteria die konden leiden tot de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten, zoals het hebben gehad van een bankrekening bij Bank Asya en het hebben gedownload van de ByLock -app, gelden volgens het AAB 2023 nog steeds, maar het gebruik daarvan is in jurisprudentie aangescherpt. Gewezen wordt op diverse uitspraken van het Turkse Constitutioneel Hof en het Hof van Cassatie.\n\n8.4.. De door eiser ingebrachte landeninformatie wijkt in essentie niet af van de informatie in het AAB 2023. Eiser beroept zich op een stuk van J. Vande Lanotte.Daarin staat dat de vermindering in het aantal gerechtelijke acties en detenties deels te verklaren valt door de omstandigheid dat veel mensen zijn veroordeeld of zijn gevlucht. Dit staat ook zo in het AAB 2023.Volgens Vande Lanotte zijn de kansen op vervolging niet afgenomen en gaat het nog steeds om 3000 à 4000 zaken per jaar. Dit laatste aantal acht de rechtbank, gezien de in het AAB 2023 vermelde cijfers, laag. Het bevestigt dan ook dat de intensiteit van de vervolging is afgenomen, zoals het AAB 2023 vermeldt, en niet dat de kansen op vervolging niet zijn afgenomen, zoals Vande Lanotte schrijft en eiser stelt. Volgens de Finse informatie over Turkijewaarop eiser zich beroept, is nog steeds sprake van dezelfde vervolgingscriteria die eerder golden. Dit staat ook zo in het AAB 2023.Verder staat in de Finse informatie dat Turkse rechters geen uitvoering geven aan uitspraken van hogere rechters, er nog steeds sprake is van extreme willekeur voor vervolging en worden personen voor een tweede keer vervolgd, ondanks eerdere vrijspraak. Deze informatie stemt ook overeen met het AAB 2023. Daarin staat namelijk dat gezien de omvang van de Gülen-beweging in het verleden niet altijd duidelijk was hoe de Turkse autoriteiten beslisten welke Gülen-aanhangers dienden te worden opgepakt, dat het beantwoorden van de vraag welke Gülenisten het meeste risico liepen werd bemoeilijkt door meerdere omstandigheden en dat mensen, ondanks de ontwikkelingen in de rechtsgang, nog steeds relatief makkelijk konden worden verdacht van de betrokkenheid bij de Gülen-beweging.Dit alles wijst erop dat Gülenisten nog steeds het doelwit zijn van arrestaties en strafrechtelijke en andersoortige vervolging door de Turkse autoriteiten als ook dat onduidelijk is op welke gronden zij dat zijn. Het doet echter niet af aan de in de vorige paragraaf vermelde verbeterde rechtsbescherming door hogere rechterlijke instanties. Het leidt er ook niet toe dat sprake is van groepsvervolging van Gülenisten.\n\n8.5.. Na de zitting is het Algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025 (AAB 2025) gepubliceerd. Partijen hebben hier inhoudelijk op gereageerd. Het beeld in het AAB 2025 is voor wat betreft Gülenisten niet relevant gewijzigd ten opzichte van het eerdere ambtsbericht. Zo staat in het AAB 2025 dat de situatie omschreven in AAB 2023 voortduurt. De aantallen strafrechtelijke onderzoeken en vervolgingen van Gülenisten waren relatief laag in vergelijking met de situatie vóór 2020. Volgens Turkse overheidsgegevens over juli 2024 zette de dalende trend in aantallen arrestaties en detenties door: van 19.252 in juli 2022 naar 13.251 in juli 2024. Ook het aantal opgepakte Gülenisten nam af: van 22.458 in 2021 naar 9.639 in 2023. Anderzijds blijkt uit het AAB 2025 dat de vervolging van Gülenisten doorging. Mensen konden nog steeds relatief gemakkelijk worden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Bronnen omschrijven de vervolging als extreem willekeurig en onvoorspelbaar.De criteria die werden gebruikt voor vervolging, zoals het hebben van een bankrekening bij Bank Asya of het gebruik van de ByLock -app, bleven ook van kracht.Daarbij komt dat sommige lagere rechtbanken, ondanks de aanscherpingen in de rechtspraak van het gebruik van de criteria, de uitspraken van hogere rechtbanken naast zich neerlegden. Er werd aldus niet eenduidig omgegaan met Gülenzaken.Deze onzekerheid doet echter niet af aan de afname van de vervolging van Gülenisten. Er blijkt uit deze informatie niet dat het enkele behoren tot de groep van Gülenisten al voldoende is om een vrees voor vervolging aan te nemen. Daarvoor zijn de aantallen van vervolgde Gülenisten nu te laag.\n\n8.6.. De rechtbank concludeert dat de situatie voor Gülenisten in Turkije zorgelijk is, maar niet zodanig dat verweerder méér bescherming diende te bieden dan hij met de beleidswijziging per 1 december 2023 heeft gedaan. Het risico dat zij lopen is, mede gezien de Turkse rechtsbescherming, niet zo hoog dat vrees op vervolging gegrond is of een reëel risico op ernstige schade wordt gelopen alleen vanwege het aangemerkt worden als Gülen-aanhanger. Gezien de over Turkije bekende informatie behoeft per 1 december 2023 geen verdergaande bescherming te worden geboden aan mogelijke of werkelijke Gülen-aanhangers dan uit dit beleid volgt.\n\n8.7.. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nIs de wijziging van risicogroep\u002Fkwetsbare minderheidsgroep naar risicoprofiel per 1 juli 2024 niet onredelijk?\n\nDe beleidswijziging per 1 juli 2024\n\n9. Volgens het landenbeleid ten aanzien van Turkije, zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit als ook heden, is de groep “(toegedichte) Gülen-aanhangers” aangemerkt als een risicoprofiel in de zin van paragraaf C2\u002F2.4 van de Vc. Vóór 1 juli 2024 gold dat sprake was van een risicogroep in de zin van paragraaf C2\u002F3.2.\n\n9.1.. De beleidswijziging geldt ten aanzien van alle gevallen waarvoor verweerder vóór 1 juli 2024 het begrip risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep hanteerde. Volgens de toelichting op de beleidswijzigingkonden binnen het oude groepenbeleid zowel groepen die groot als groepen die een kleiner risico liepen worden aangewezen, terwijl voor beide groepen dezelfde lagere bewijslast gold. Tevens gold de lagere bewijslast voor alle vreemdelingen die behoorden tot de betreffende groep, los van hun positie binnen deze groep, ook al kon het risico blootgesteld te worden aan vervolging\u002Fernstige schade binnen diezelfde groep verschillen. Gewenst was om meer gewicht te geven aan de individuele beoordeling, aldus de toelichting. Naar aanleiding hiervan is paragraaf C2\u002F2.4 van de Vc ingevoerd.Daarin staat nu dat op basis van landeninformatie een groep als risicoprofiel kan worden aangewezen als sprake is van een meer structurele en minder incidentele wijze waarop een groep in de negatieve aandacht staat van de autoriteiten dan wel derden tegen wie geen (doeltreffende) bescherming door de autoriteiten van het land van herkomst of door internationale organisaties kan worden geboden. Voor de vreemdeling die behoort tot een groep waarvoor in algemene zin een risicoprofiel is aangewezen, blijft het individualiseringsvereiste gelden en geldt er geen aangepaste bewijslastverdeling. Aan de hand van de individuele omstandigheden zoals de persoonlijke omstandigheden, de verrichte activiteiten en eventuele eerdere gebeurtenissen, beoordeelt de IND of de vreemdeling gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt of heeft gelopen, aldus staat in paragraaf C2\u002F2.4. van de Vc.\n\nIs de wijziging van het beleid per 1 juli 2024 niet onredelijk?\n\n10. Volgens eiser is de vervanging van het begrip ‘risicogroep’ in risicoprofiel in strijd met het recht, in het bijzonder het Europese recht. Eiser doet een beroep op arresten van het Europees Hof voor de rechten van de Mensen een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie.Daarnaast voert eiser aan dat de beleidswijziging in strijd is met landeninformatie over Turkije. Daarom, zo stelt eiser, mag de wijziging per 1 juli 2024 niet aan eiser worden tegengeworpen.\n\n10.1.. Verweerder heeft dit alles bestreden. Het beleidsmatige voordeel voor vreemdelingen op grond van het beleid voor 1 juli 2024 is volgens verweerder weggenomen. De bewijslastverdeling is echter niet gewijzigd, aldus verweerder.\n\n10.2.. De rechtbank volgt eiser niet en overweegt daarbij het volgende.\n\n10.3.. Onder het voorheen geldende beleid voor risicogroepen kon de vreemdeling die behoorde tot een dergelijke groep met geringe indicaties aannemelijk maken dat zijn problemen - die verband houden met één van de vervolgingsgronden - leiden tot een gegronde vrees voor vervolging. Ook in dat beleid bleef dus het individualiseringsvereiste van toepassing. Het behoren tot een risicogroep betekende niet zonder meer dat de aanvrager in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Ook in het huidige beleid leidt het behoren tot een bepaalde groep, en op grond daarvan aangemerkt worden als iemand met een bepaald risicoprofiel, niet zonder meer tot verlening van een verblijfsvergunning.\n\n10.4.. De rechtbank begrijpt het huidige beleid zó, dat eerst gekeken wordt of op de vreemdeling een bepaald risicoprofiel van toepassing is, waarna vervolgens de individuele omstandigheden worden beoordeeld tegen het licht van dat risicoprofiel. In beide gevallen speelt het individualiseringsvereiste dus een doorslaggevende rol. Wat betreft de stelling van eiser dat de bewijslast met het nieuwe beleid zwaarder is geworden, overweegt de rechtbank dat de op eiser rustende bewijslast niet volgt uit het beleid maar uit het Unierecht. Die bewijslast is niet aangepast met het nieuwe beleid. Wel is het zo dat in het beleid dat ten tijde van de aanvraag van eiser gold, gevergd werd dat geringe indicaties aannemelijk werden gemaakt die de vrees voor vervolging rechtvaardigde. Het beleid vergt thans meer dan geringe indicaties. Dit betekent dat vanuit beleidsmatig oogpunt een zwaardere bewijslast geldt. Maar de vreemdeling moet nog steeds met op hem betrekking hebbende factoren aannemelijk maken dat - ook al behoort hij tot een door verweerder aangemerkte risicoprofiel - een gegronde vrees heeft voor vervolging.\n\n10.5.. Het standpunt van eiser dat de beleidswijziging specifiek ten aanzien van Turkije onredelijk is, heeft hij onvoldoende onderbouwd. Eiser dient meer dan geringe indicaties aan te voeren om aannemelijk te maken dat hij terecht vreest voor vervolging of bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. De landeninformatie wijst er niet op zich al op dat los van de individuele omstandigheden hieraan wordt voldaan. De landeninformatie over Turkije biedt immers geen aanleiding om te oordelen dat eisers vrees voor vervolging terecht is of dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt alleen vanwege het aangemerkt worden als Gülen-aanhanger (zie 8.3 tot en met 8.5 hiervoor).\n\n10.6.. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft eiser recht op internationale bescherming omdat verweerder eerder had moeten beslissen?\n\n11. Volgens eiser zou, als verweerder tijdig zou hebben besloten op zijn aanvraag, beide beleidswijzigingen niet van toepassing zijn geweest en zou hij een positieve beslissing hebben gekregen. Daarom mogen de beide beleidswijzigingen hem niet worden tegengeworpen, aldus eiser. Verweerder heeft dit bestreden.\n\n11.1.. Eiser gaat ervan uit dat verweerder op zijn aanvraag had moeten besluiten vóór 1 december 2023. Los van de vraag of dat klopt, volgt de rechtbank eisers standpunt niet. De rechtbank stelt daarbij voorop dat als algemeen uitgangspunt geldt dat bij het nemen van een besluit het recht wordt toegepast zoals dat op dat moment geldt. Dit geldt ook voor beleidsregels. Alleen in het geval van bijzondere omstandigheden kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. De enkele omstandigheid dat eiser door toepassing van nieuw recht mogelijk in een ongunstiger positie komt, is daarvoor onvoldoende. Verweerder heeft ter zitting uitgelegd dat de aanvraag door drukte is blijven liggen. Ook het feit dat verweerder laat, en pas na een beleidswijziging, op de aanvraag heeft beslist, leidt niet tot het oordeel dat sprake is van een bijzondere omstandigheid. Dit geldt immers voor meer vreemdelingen bij wie pas (ruim) na het verstrijken van de beslistermijn een besluit is genomen op hun aanvraag.\n\n11.2.. Gelet op het voorgaande volgt de rechtbank eiser niet in de stelling dat verweerder zijn aanvraag had moeten toetsen zonder toepassing van de twee beleidswijzigingen. De beroepsgrond slaagt niet.\n\nHeeft eiser op grond van zijn individuele omstandigheden recht op internationale bescherming?\n\n12. Eiser stelt dat hij – uitgaande van het door verweerder toegepaste beoordelingskader – gegronde vrees voor vervolging heeft en een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer. Hij wijst in dat kader op zijn persoonlijke situatie, het feit dat hij onder een risicoprofiel valt en de landeninformatie over Turkije. Eiser heeft verder gewezen op zijn eerdere ervaringen in Turkije, dat bepaalde stukken niet zijn meegenomen in de strafrechtelijke procedure, dat hij als verdachte verhoord is op 23 maart 2022 over zijn werkzaamheden voor de vakbond, dat in mei 2024 de politie navraag naar hem heeft gedaan en bij hem thuis is geweest en dat er een nieuw opsporingsdossier over hem bestaat. Ter zitting heeft eiser zich beroepen op artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn.\n\n12.1.. De rechtbank begrijpt, mede gelet op het ter zitting gestelde, dat verweerder stelt dat er bij terugkeer weliswaar een kans is op vervolging of enig risico bestaat op ernstige schade, maar dat die kans of dat risico niet zo hoog is dat aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Turkije zal worden vervolgd of aan ernstige schade blootgesteld zal worden.\n\n12.2.. De rechtbank volgt verweerder. Niet aannemelijk is dat eiser opnieuw in de negatieve aandacht staat van de Turkse autoriteiten of de reële kans loopt om opnieuw daarin te komen staan vanwege betrokkenheid bij de Gülen-beweging. De algemene informatie over Turkije en de daaruit blijkende situatie voor Gülenisten is onvoldoende ernstig om aan te nemen dat eiser door zijn betrokkenheid bij de Gülen-beweging alleen al in de persoonlijke problemen zal geraken. Daarbij is het volgende van belang.\n\n12.3.. Eiser valt onder een risicoprofiel. Dit betekent dat, zoals hiervoor overwogen, de bewijslast in beginsel geheel blijft rusten op eiser.\n\n12.4.. Eiser is strafrechtelijk vervolgd vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülen-beweging. De rechtbank volgt dat dit in beginsel een aanwijzing is dat de vrees voor vervolging gegrond is en het risico op het lijden van ernstige schade reëel is.Daarbij is met name van belang dat eiser gedurende een aantal jaren onderworpen is geweest aan strafrechtelijk onderzoek vanwege vermeende betrokkenheid bij de Gülen-beweging, hij meerdere keren is verhoord, gedurende zes dagen in slechte omstandigheden in een politiecel verbleef en ongeveer negen maanden in de gevangenis heeft gezeten. De vervolging van eiser was echter op het hoogtepunt van de repressie van Gülenisten in Turkije. Er zijn reeds daarom goede redenen om aan te nemen dat de vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. Daarnaast is eiser tijdens de procedure vrijgelaten. De Turkse rechtbank heeft hem nadien vrijgesproken en in beroep en in cassatie is die uitspraak bevestigd. Daarom volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat de bewijslast niet is omgedraaid.\n\n12.5.. Uit de stukken maakt de rechtbank op dat eisers werkzaamheden voor de vakbond en de school zijn meegenomen in de afgeronde strafrechtelijke procedure tegen eiser. Dit laat onverlet dat eiser, zoals hij stelt, mogelijk in de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten is blijven staan vanwege zijn werkzaamheden binnen de Gülen-beweging. Dat eiser, zoals hij heeft gesteld in overeenstemming met landeninformatie,daarna geen nieuw werk heeft kunnen vinden, wijst hierop. Uit landeninformatie blijkt echter niet dat eiser, hoewel hij is vrijgesproken, opnieuw in de problemen kan geraken. Het AAB 2025 geeft slechts aan dat niet duidelijk is of vrijgelaten Gülenisten opnieuw het risico lopen op problemen met de Turkse autoriteiten.\n\n12.6.. Verweerder heeft echter terecht tegengeworpen dat eiser op 30 augustus 2024 zelf heeft gesteld dat er geen strafzaak tegen hem loopt.De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn standpunt dat toch een nieuw strafrechtelijk onderzoek naar hem is gestart dan wel de kans groot is dat een nieuwe strafprocedure tegen hem wordt opgestart. Dat hij in maart 2022 is verhoord door de politie, is daarvoor in ieder geval onvoldoende. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser volgens zijn verklaringen vaker is ondervraagd door de politie, los van zijn detentie in 2016 en 2017, zonder meer problemen te krijgen. Het beroep van eiser ter zitting in dit verband op een bepaalde bijlage die bij de zienswijze zou zijn ingediend, faalt. Dat stuk vermeldt eisers naam en het nummer 2021\u002F28279. Dit is volgens eiser het nummer van zijn nieuwe opsporingsdossier. Het stuk is echter in de Turkse taal opgesteld en er is geen vertaling ingebracht. Daardoor kan de rechtbank de precieze inhoud niet vaststellen. Anders dan eiser heeft gesteld, is het niet aan verweerder of de rechtbank om die vertaling te produceren. Ook het beroep van eiser op volgens hem belastende stukken die zijn gedagtekend na de beslissing op het hoger beroep tegen eisers vrijspraak (15 september 2020), faalt. Niet duidelijk is dat het Turkse Hof van Cassatie ze niet heeft meegenomen bij de beoordeling van de eerdere vrijspraak, terwijl eiser wel heeft gesteld dat de Turkse rechtbank ze aan het Hof had gestuurd. Dat in Nederland dergelijke informatie in cassatie niet wordt meegenomen, leidt in ieder geval niet tot die conclusie. Eiser heeft zich ook beroepen op zijn verklaring over een huisbezoek op 28 mei 2024. Eiser was al in Nederland toen twee politieagenten bij zijn huis in Turkije langs zijn geweest om naar hem te vragen in het kader van een sociaal onderzoek naar eiser. Meer informatie is hier niet over bekend. De rechtbank volgt verweerders standpunt dat dit huisbezoek niet betekent dat men op zoek was naar eiser in verband met betrokkenheid bij de Gülen-beweging.12.7.. Uit de Finse landeninformatie over Turkije waarop eiser zich heeft beroepen, blijkt dat bewijs dat in een strafprocedure is gebruikt, niet nogmaals kan worden gebruikt in een volgende strafprocedure, maar dat iemand wel voor een tweede keer voor eenzelfde misdrijf kan worden vervolgd. Zoals verweerder terecht heeft gesteld, betreft dit echter algemene informatie over de situatie in Turkije. Het heeft geen betrekking op eiser in persoon. Het standpunt van eiser dat verweerder te veel waarde hecht aan de legale uitreis van Turkije naar Nederland zonder het ondervinden van problemen, faalt ook. Weliswaar blijkt, zoals eiser terecht heeft gesteld, uit het AAB 2023 dat zelfs tijdens een lopende strafrechtelijke procedure legaal kan worden uitgereisd. Dit onderbouwt echter niet dat eiser in de negatieve aandacht staat.\n\n12.8.. Deze beroepsgrond slaagt niet.\n\nConclusie en gevolgen\n\n13. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen recht heeft op een asielvergunning. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, voorzitter, en mr. M. Kraefft en mr. H. Battjes, leden, in aanwezigheid van mr. drs. S.R.N. Parlevliet, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.\n\n Vreemdelingenwet 2000.\n\n NL24.35417 (de zoon van eiser) en NL24.32341.\n\n Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:377.\n\n WBV 2021\u002F16 van 4 augustus 2021.\n\n Brief aan de Tweede Kamer van 28 november 2023, 2023-2024, 19637, nr. 3177, en Nota Landenbeleid Turkije van 11 augustus 2023, 4839506.\n\n Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 24 november 2023, WBV 2023\u002F24, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000, Staatscourant 2023, 30427.\n\n Nota van 11 augustus 2023, hiervoor aangehaald.\n\n “Is there a changing trend in the persecution of the (alleged) members of the Gülen movement?”, 1 juni 2024.\n\n AAB 2023, paragraaf 4.2.\n\n AAB 20223, paragraaf 4.2 en 4.3.\n\n “Turkey; Individuals associated with the Gülen movement; The Finnish Immigration Service’s fact-finding mission to Ankara and Istanbul 2 – 6 October 2023”, juni 2024.\n\n AAB 2023, paragraaf 4.3.\n\n AAB 2023, paragraaf 4.3.\n\n AAB 2025, p. 50.\n\n AAB 2025, paragraaf 4.2 en 4.3.\n\n AAB 2025, paragraaf 4.4.\n\n Paragraaf C7\u002F34.3 Vc.\n\n Brief aan de Tweede Kamer van maart 2024, vergaderjaar 2023–2024, 19 637, nr. 321.\n\n Besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 13 juni 2024, nummer WBV 2024\u002F12, houdende wijziging van de Vreemdelingencirculaire 2000.\n\n Arrest van 15 januari 2015, A.A. tegen Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2015:0115JUD001803911, arrest van 15 januari 2015, A.F. tegen Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2015:0115JUD008008613, arrest van 11 januari 2007, Salah Sheekh tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2007:0111JUD000194804.\n\n Arrest van 12 april 2018, A en S, ECLI:EU:C:2018:248.\n\n Richtlijn 2011\u002F95\u002FEU.\n\n Artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn.\n\n AAB 2025, p. 51-52.\n\n AAB 2025, p. 52.\n\n Verslag nader gehoor, pagina 9.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:23341","ecli-nl-rbdha-2025-23341",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,51,60],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":8,"legalDomain":50,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht",{"id":52,"ecli":53,"caseNumber":6,"courtId":54,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":55,"language":12,"source":13,"sourceUrl":56,"summary":6,"slug":57,"metadata":58},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":59,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen",{"id":61,"ecli":62,"caseNumber":6,"courtId":63,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":64,"language":12,"source":13,"sourceUrl":65,"summary":6,"slug":66,"metadata":67},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":68,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]