[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbdha-2026-14752":3,"decision-more-ecli-nl-rbdha-2026-14752":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"442","ECLI:NL:RBDHA:2026:14752","",58,"Den Haag","den-haag","2026-05-26T00:00:00.000Z","Rechtbank den haag\n\nTeam Handel - voorzieningenrechter\n\nzaak- \u002F rolnummer: C\u002F09\u002F701649 \u002F KG ZA 26-291\n\nVonnis in kort geding van 26 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiseres] B.V.te [vestigingsplaats 1],\n\neiseres,\n\nadvocaten: mr. J.H.J. Bax en mr. S.C. Brackmann te Rotterdam,\n\ntegen:\n\nVeiligheidsregio Limburg-Noordte Venlo,\n\ngedaagde,\n\nadvocaten: mr. drs. M.G.G. van Nisselroij en mr. E.L.B. Geraedts,\n\nwaarin is tussengekomen:\n\n [belanghebbende] B.V.te [vestigingsplaats 2],\n\nadvocaten: mrs. N.A.D. Groot en E.H. van der Kwast.\n\nPartijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiseres]’, ‘de Veiligheidsregio’ en ‘[belanghebbende]’.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 tot en met 15;\n\n- de door de Veiligheidsregio overgelegde conclusie van antwoord met producties 1 en 2;\n\n- de incidentele conclusie tot tussenkomst dan wel voeging met producties 1 tot en met 3;\n\n- de op 12 mei 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door alle partijen pleitnotities zijn overgelegd.\n\n1.2.. Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.\n\n2. Het incident tot tussenkomst dan wel voeging\n\n2.1.. \n [belanghebbende] heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen [eiseres] en de Veiligheidsregio, dan wel zich in de hoofdzaak te mogen voegen aan de zijde van de Veiligheidsregio. Ter zitting hebben [eiseres] en de Veiligheidsregio verklaard geen bezwaar te hebben tegen de tussenkomst. [belanghebbende] is vervolgens toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Voorts is niet gebleken dat de tussenkomst aan een voortvarende afdoening van dit kort geding in de weg staat. Hierdoor ontstaat er ook geen strijd met de goede procesorde in het algemeen.\n\n3. De feiten\n\nOp grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.\n\n3.1.. De Veiligheidsregio heeft een Europese openbare aanbestedingsprocedure georganiseerd voor het verlenen van een opdracht voor het leveren van bluskleding en\u002Fof blushandschoenen en THV-handschoenen. De opdracht is verdeeld in twee percelen. Dit kort geding heeft betrekking op perceel 1 betreffende de levering van bluskleding.\n\n3.2.. Uit het Beschrijvend Document (hierna: BD) blijkt dat de procedure tot gunning van perceel 1 bestaat uit twee hoofdonderdelen als volgt:\n\n“8 Gunningscriteria en beoordeling\n\n(…)\n\n1) COMFORTTEST\n\nDoor iedere leverancier worden in totaal 5 proefpakken vooraf aangeleverd in een volledige standaardmaatrange van klein tot groot. Deze pakken mogen gebruikt zijn maar dienen wel in de uitvoering zoals geëist te worden aangeboden. Dit geldt niet voor technische details zoals lusjes, klittenband t.b.v. schouderstukken etc. Maar dus wél voor uitvoering, pasvorm, padding, spacing etc.. De pakken worden na afloop schoon geretourneerd, en er vindt géén vergoeding plaats. Leveranciers mogen aanwezig zijn tijdens de comforttest om het pak op de juiste wijze af te stellen indien noodzakelijk.\n\nDe eerste stap van de gunning betreft een comforttest. Doel is om de pasvorm, draagcomfort en bewegingsvrijheid te beoordelen, zonder afleiding van niet-relevante technische details. (…) Uitkomst van deze test is dat de 3 hoogst scorende leveranciers worden uitgenodigd voor een vervolgtest. De overige aanbieders vallen af. In de comforttest wordt door een beoordelingsgroep van 10 gebruikers punten gegeven voor de volgende onderdelen:\n\n1) omhangen ademluchttoestel\n\n2) ladder klimmen\n\n3) over een hek klimmen\n\n4) kruipen\n\n5) stoten bal\n\n6) reanimatie\n\n(…)\n\n2) GUNNINGSPROCEDURE\n\nDe gunningscriteria bestaan uit drie criteria op het gebied van kwaliteit en prijs. De kwalitatieve criteria en de prijscriteria worden verschillend gewaardeerd. (…)\n\nDe gunningscriteria zijn opgenomen in de onderstaande tabel:\n\n(…)8.1. Gunningscriterium G1: praktijktest op de PPMO-baan (bluspak)\n\n(…) Door iedere leverancier worden in totaal 5 proefpakken vooraf aangeleverd in een volledige maatrange van klein tot groot. Deze pakken mogen gebruikt zijn maar dienen wél in de uitvoering zoals geëist te worden aangeboden. Dit geldt dus óók voor technische details zoals lusjes, klittenband t.b.v. schouderstukken, padding, spacing etc. (…) Leveranciers mogen aanwezig zijn tijdens de comforttest om het pak op de juiste wijze af te stellen indien noodzakelijk.\n\nHet pak dat is beoordeeld in de comforttest wordt door 10 Testpersonen beoordeeld op de volgende onderdelen (…):\n\n1) Aan -en uittrekken bluspak 0,6 punten\n\n2) Openen\u002Fafsluiten ritsen 0,6 punten\n\n3) In -en uitstappen 0,6 punten\n\n4) Brandweerslang oprollen met ademlucht 0,6 punten\n\n5) Stand & reach 0,6 punten\n\n6) Sit and reach 0,6 punten\n\n7) Armen en rug strekken 0,6 punten\n\nTotaal 4,2 punt (per beoordelaar)\n\n(…)”\n\n3.3.. Bijlage 10 bij het BD bevat het Programma van Eisen (PvE), waarin onder meer specifieke eisen voor de bluskleding en leveringseisen zijn opgenomen.\n\n3.4.. Na publicatie van het BD zijn er twee nota’s van inlichtingen (NvI) gepubliceerd. Hierin zijn diverse eisen aangepast. De aanlevertermijn voor de pakken is verschoven van 17 december 2025 naar 8 januari 2026. Naar aanleiding van de gestelde vragen zijn op onderdelen verduidelijkingen gegeven en wijzigingen doorgevoerd, onder meer als volgt:\n\n- Het antwoord op vraag 4 (NvI 1) over de proefpakken voor de comforttest en voor de praktijktest op de PPMO-baan (hierna: de praktijktest) luidt:\n\n“1) inschrijvers dienen maximaal 10 testpersonen te voorzien van een pak. De maatvoering van de testpersonen wordt u vooraf aangereikt in deze Nota (zie ook meegepubliceerd document). Inschrijvers mogen aanwezig zijn bij het aanmeten van het pak dus is het wel zaak dat er voldoende pakken beschikbaar zijn. Het aantal benodigde pakken wordt overgelaten aan de inschrijver. Er dient 1 type pak te worden te worden aangeleverd i.p.v. de eerder genoemde 2. Het proefpak hoeft niet voorzien te worden van alle technische details zoals portofoonlus, klittenband, badge, ophanglussen etc. omdat er geen extra pak hoeft te worden gemaakt voor de praktijkdag wordt de vergoeding geschrapt.\n\n2) de inlevertermijn voor de proefpakken is uiterlijk 8 januari 2026, bij de start van de test. de gegevens van de testdag volgt na de inschrijfdatum (17 december). 3) de comforttest en praktijktest (inclusief handschoenen) vindt plaats op 8 & 9 januari 2026.”\n\n- Het antwoord op vraag 29 (NvI 1) over de maten van de proefpakken luidt:\n\n“De maatvoering wordt overgelaten aan de inschrijver, we spreken inderdaad over een UNI-sex pak.”\n\n- In het antwoord op vraag 45 (NvI 1) zijn vragen beantwoord over de eisen die worden gesteld aan de vijf aan te leveren pakken. Daarbij is aangegeven dat de op 8 en 9 januari 2026 te testen bluspakken niet langer hoeven te voldoen aan 13 van de in het PvE genoemde technische eisen, zoals labels, striping, badges, lussen en bevestigingsmogelijkheden.\n\n- Het antwoord op vraag 52 over de aan te leveren pakken luidt:\n\n“1) we geven de maten van de proefpersonen door, op basis van de huidige kleding. Daar waar er iemand onverhoopt toch niet kan deelnemen zorgt VRLN voor een vervanger met dezelfde maat.\n\n2) alle proefkleding moet nieuw zijn en minimaal 5x gewassen voorafgaande aan de testen, gebruikte pakken zijn derhalve niet toegestaan.\n\n3) de pakken hoeven niet voorzien te zijn van striping conform huisstijl.”\n\n- In antwoord op vraag 85 (NvI 2) over de maattabellen van de huidige pakken heeft de Veiligheidsregio bij NvI 2 een maatvoeringstabel gepubliceerd, alsmede de meest actuele maattabel van de testpersonen. Daarbij heeft zij correcties doorgevoerd en twee reservepersonen toegevoegd. In deze meest actuele maattabel van de testpersonen zijn de maten aangegeven met S, M, L, EL en EEL met bij sommige personen de toevoeging: -5 of +5.\n\n- De Veiligheidsregio heeft inschrijvers in de gelegenheid gesteld de huidige pakken te komen opmeten bij de Brandweer in Roermond. De Veiligheidsregio heeft (in antwoord op vraag 89) aangegeven geen maattabel te zullen publiceren waarin de specifieke maatvoering (afmetingen) zijn opgenomen.\n\n3.5.. In paragraaf 3.16.2 van het BD is het volgende opgenomen over de klachtenprocedure:\n\nIn het kader van het flankerend beleid bij de Aanbestedingswet heeft het Ministerie van Economische\n\nZaken en Klimaat de ‘Handreiking Klachtenafhandeling januari 2022’ opgesteld. Deze handreiking\n\nbiedt ondernemers en aanbestedende diensten een laagdrempelig instrument voor het oplossen van\n\ngeschillen met betrekking tot aanbestedingsprocedures waarop de Aanbestedingswet van toepassing\n\nis.\n\nOnder een klacht wordt verstaan “een tijdige en gemotiveerde uiting van ontevredenheid met een\n\ncorrigerend of afwijzend karakter inzake onderhavige aanbesteding of een onderdeel daarvan”.\n\nInschrijver behoort een vraag of opmerking in eerste instantie te stellen via de procedure van de nota\n\nvan inlichtingen. Indien een inschrijver van mening is dat opdrachtgever een vraag ten behoeve van\n\nde nota van inlichtingen niet naar behoren afhandelt, kan zij hierover een klacht indienen. Ook indien\n\nInschrijver na de procedure van de nota van inlichtingen van mening is dat opdrachtgever een beslissing neemt waarmee inschrijver zich niet kan verenigen heeft inschrijver de mogelijkheid tot het indienen van een klacht.\n\nDe aanbestedende dienst maakt ter uitvoering van de klachtenafhandeling bij aanbesteden als onderdeel van de Aanbestedingswet 2012 gebruik van haar eigen klachtenmeldpunt. Een ondernemer die een klacht wil indienen kan de klachtenregeling downloaden en vult het klachtenformulier in. De bijlagen zijn te downloaden via: Inkoopcentrum Zuid\n\nHet indienen van een klacht bij VRLN of de Commissie van Aanbestedingsexperts schort de aanbestedingsprocedure niet automatisch op. VRLN is vrij om te besluiten of zij naar aanleiding van de klacht de aanbestedingsprocedure al dan niet opschort. Indien een Ondernemer zowel een klacht\n\nheeft ingediend als een gerechtelijke procedure is gestart dan wordt de behandeling van de klacht\n\nopgeschort tot na de uitspraak van de rechter.”\n\n3.6.. Op 8 januari 2026 heeft de comforttest plaatsgevonden. Alle drie de inschrijvers, waaronder [eiseres] en [belanghebbende], zijn na de comforttest doorgegaan naar de gunningsprocedure, waarvan de praktijktest een onderdeel was. Die test heeft plaatsgevonden op 9 januari 2026.\n\n3.7.. De Veiligheidsregio heeft bij brief van 21 januari 2026 (hierna: de gunningsbeslissing) aan [eiseres] bericht dat haar inschrijving niet is beoordeeld als de hoogst scorende en dat [belanghebbende] de inschrijver is met de hoogste score. Uit de bijlage bij deze brief blijkt dat [eiseres] 31,2 punten heeft behaald voor de praktijktest en [belanghebbende] 34,2 punten. Verder blijkt uit dit formulier het door [eiseres] behaalde aantal punten voor gunningscriterium 2 (Onderhouds en levensduurstrategie) en voor de prijs van het bluspak, alsmede het door [belanghebbende] en [eiseres] behaalde eindtotaal van respectievelijk 86,6 en 76,7 punten.\n\n3.8.. In de bijlage bij de gunningsbeslissing is\u002Fzijn:\n\n- de opmerkingen vermeld die de testers op de eerste en de tweede testdag hebben gemaakt, zijnde een persoonlijke interpretatie, te weten:\n\n“*) stug pak, redelijk dik (2x genoemd)\n\n*) fijne band onderzijde jas\n\n*)fijne schouderband, goed afstelbaar (2x genoemd)\n\n*) prettige kniestukken (2x genoemd)\n\n*) jas zit fijn, kruipt niet omhoog\n\n*) beweeglijk\n\n*) broek komt niet omhoog\n\n*) schouderstuk houdt goed op de plek\n\n*) comfortabel pak, zeer warm (3x genoemd)\n\n*) omhangen ademlucht ging stroef door antislip schouderstuk\n\n*) knelt in de knieën\n\n*) jas blijft goed zitten bij reanimatie\n\n*) kniepadding is smal\n\n*) kniepadding is dun”\n\n- bij gunningscriterium 2 opgemerkt dat het plan waarin de onderhouds- en levensduurstrategie is beschreven als voldoende wordt aangemerkt en daarmee een 6 scoort, wat inhoudt dat de aanbieder zich voldoende onderscheidt ten opzichte van alternatieve inschrijvingen. Daaronder staan enkele punten opgesomd die zijn opgemerkt door de projectgroep, te weten:\n\n“-) Het is niet helder welke KPI's er gehanteerd moeten worden er staan wel voorbeelden in de tabel op pagina 7 maar er staat niet wat [eiseres] aanbeveelt.\n\n-) we lezen niet dat de kledingleverancier samen met zeepleverancier en apparatuurleverancier samen een bindende instructie opstelt. De kledingleverancier is hier volgens ons leidend in.\n\n-) een concrete beschrijving van het onderdeel frequentie en planning ontbreekt\n\n-) duidelijke taakverdeling bij predictief ontbreekt.\n\n-) Niet duidelijk of onze eigen naaister mag repareren. De bewijslast van haar kennis en kunde ligt bij VRLN.\n\n-) jaarlijks \"grondige reiniging\" verplicht, en wat houdt dit dan precies in?\n\n-) niet helder of er separate documentatie beschikbaar is, wat er nu staat is enkel gebaseerd op kledinglabel en gebruikshandleiding.\n\n-) kwetsbare punten kleding zijn niet benoemd.”\n\n- en enkele relevante verschillen met de winnende inschrijving, te weten:\n\n“*) Sterke inzet op behoud EN 469 eisen waarbij [belanghebbende] een voortrekkersrol pakt.\n\n*) [belanghebbende] neemt de verantwoordelijkheid om te blijven voldoen aan de EN469.\n\n*) Kruiscertificatie wordt duidelijk beschreven. Herbruikbaarheid van de reeds bestaande kledij wordt vastgesteld en indien mogelijk in de nieuwe kleding verwerkt.\n\n*) aantoonbare toepassing l502361 6 werkwijze.\n\n*) duidelijke rolverdeling in stappen mbt gebruik, controle en herstel (gebruiker, getraind persoon, geïnstrueerd hersteller, fabrikant)\n\n*) biedt een registratiesysteem aan.”\n\nIn zijn algemeenheid wordt opgemerkt dat kan worden gesteld dat [belanghebbende] met haar plan op 11 pagina's een compact, gedegen, op maat gemaakt en geconcretiseerd, stuk heeft geschreven.\n\n3.9.. \n [eiseres] heeft op 6 februari 2026 bezwaar gemaakt tegen de gunningsbeslissing. De Veiligheidsregio heeft daar op 2 maart 2026 op gereageerd en concluderend aangegeven geen reden te zien om de gunningsbeslissing in te trekken.\n\n4. Het geschil\n\n4.1.. \n [eiseres] vordert, zakelijk weergegeven, om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:\n\nde Veiligheidsregio te verbieden om op basis van de gunningsbeslissing een overeenkomst met [belanghebbende] te sluiten, en de Veiligheidsregio te gebieden de gunningsbeslissing uiterlijk twee werkdagen na dagtekening van dit vonnis, dan wel een andere termijn, in te trekken en ingetrokken te houden en dat aan alle bij de aanbesteding betrokken ondernemers kenbaar te maken; en\n\nde Veiligheidsregio te verbieden om op basis van de aanbesteding een opdracht voor de levering van bluspakken (perceel 1) te gunnen en de Veiligheidsregio te gebieden om de aanbestedingsprocedure voor perceel 1 in te trekken en ingetrokken te houden en het daartoe bedoelde intrekkingsbericht uiterlijk twee werkdagen na dagtekening van dit vonnis, dan wel een andere termijn, aan alle bij de aanbesteding betrokken inschrijvers bekend te maken; en\n\nals de Veiligheidsregio nog een opdracht voor de levering van bluspakken (perceel 1) wenst te gunnen, de Veiligheidsregio te gebieden om dat niet anders te doen dan door middel van een nieuwe aanbestedingsprocedure, waarbij de Veiligheidsregio in ieder geval [eiseres] in de gelegenheid stelt om opnieuw een inschrijving in te dienen;\n\nmet veroordeling van de Veiligheidsregio in de proceskosten en de nakosten op de wijze zoals in de dagvaarding vermeld.\n\n4.2.. Daartoe voert [eiseres] – samengevat – het volgende aan. [eiseres] heeft een zestal bezwaren tegen het verloop van de aanbestedingsprocedure. Deze komen in de kern op het volgende neer. In de eerste plaats was er om meerdere redenen sprake van een ongelijk speelveld bij het voorbereiden van de pakken voor de testen. Verder was de comforttest niet geschikt om het comfort te testen. De gehanteerde systematiek leidt namelijk niet tot gunning aan de beste prijs-kwaliteitverhouding. Als derde heeft te gelden dat de gunningssystematiek na ontvangst van de inschrijvingen is gewijzigd. De Veiligheidsregio paste voorts maatvoeringen niet toe en zij gaf onvoldoende gegevens over de maatvoering. Het vijfde bezwaar is dat de voor gunningscriterium 2 behaalde scores onjuist zijn. Er zijn evidente fouten gemaakt in de beoordeling. Ten slotte is de gunningsbeslissing onvolledig gemotiveerd.\n\n4.3.. De Veiligheidsregio en [belanghebbende] voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.\n\n4.4.. \n [belanghebbende] heeft een voorwaardelijke vordering ingesteld, alleen voor het geval de voorzieningenrechter van oordeel is dat een vordering is vereist voor tussenkomst. Nu aan die voorwaarde niet is voldaan, behoeft deze vordering geen verdere bespreking.\n\n5. De beoordeling van het geschil\n\nOnjuiste feitelijke uitgangspunten\n\n5.1.. De voorzieningenrechter stelt voorop dat niet kan worden uitgegaan van de juistheid van een aantal feitelijke stellingen die [eiseres] aan haar bezwaren ten grondslag heeft gelegd, zodat deze bezwaren reeds daarom moeten worden gepasseerd.\n\n5.2.. Dat geldt in de eerste plaats voor de stelling van [eiseres] dat [belanghebbende] de huidige (‘zittende’) leverancier is van bluspakken van de Veiligheidsregio. De Veiligheidsregio en [belanghebbende] hebben dit gemotiveerd weersproken, waarna [eiseres] haar stelling niet langer heeft gehandhaafd. Aan het bezwaar van [eiseres] dat er sprake was van een ongelijk speelveld, omdat [belanghebbende] als zittende leverancier op een aantal onderdelen voordeel had van een kennisvoorsprong, wordt daarom voorbij gegaan.\n\n5.3.. Verder hebben de Veiligheidsregio en [belanghebbende] betwist dat de comforttest en de praktijktest zijn samengevoegd, zoals [eiseres] in de dagvaarding stelde. Volgens de Veiligheidsregio en [belanghebbende] waren het verschillende tests, die ook op afzonderlijke dagen hebben plaatsgevonden. [eiseres] heeft ook deze stelling vervolgens niet langer gehandhaafd. Het bezwaar dat de gunningssystematiek na ontvangst van de inschrijvingen is gewijzigd, wordt daarom eveneens gepasseerd.\n\nRechtsverwerking\n\n5.4.. De Veiligheidsregio en [belanghebbende] hebben het verweer gevoerd dat [eiseres] haar recht heeft verwerkt om te klagen over de in de dagvaarding beschreven aspecten van de aanbesteding, omdat zij hier te lang mee heeft gewacht, namelijk tot nadat de gunningsbeslissing was genomen. Het gaat hierbij om de volgende bezwaren van [eiseres].\n\n- De Veiligheidsregio heeft voorafgaand aan de testen de door de inschrijvers aangeleverde testpakken niet onderworpen aan een zogenoemde tafeltest om te controleren of deze wel aan de gestelde eisen voldeden. Dat had volgens [eiseres] wel gemoeten om ervoor te zorgen dat alleen pakken die aan de eisen voldoen werden vergeleken.\n\n- Verder moesten de testpakken binnen een beperkte tijd worden gefabriceerd terwijl de aan deze pakken te stellen eisen laatstelijk in NvI 2 nog werden gewijzigd. Daardoor waren volgens [eiseres] de testen niet objectief, was er geen sprake van een gelijke behandeling en konden deze testen niet leiden tot een keuze voor de economisch meest voordelige inschrijving omdat kort gezegd de testpakken niet een goed beeld gaven van de pakken die de inschrijver zou (kunnen) leveren.\n\n- Tot een weloverwogen keuze voor de economisch meest voordelige inschrijving kon volgens [eiseres] ook niet worden gekomen omdat door de versoepeling van de aan de testpakken te stellen eisen, onvoldoende informatie kon worden verkregen over het (comfort van de) uiteindelijk te leveren pakken. Door de versoepeling konden de testpakken volgens [eiseres] ook niet goed met elkaar worden vergeleken. [eiseres] heeft hiertoe verklaard dat sommige testpakken niet aan de voor de tests vervallen eisen voldeden, maar andere wel, omdat deze al eerder in productie waren gegaan (zoals haar pakken). [eiseres] heeft daarbij toegelicht dat en waarom bijvoorbeeld ook striping en zakken (die door de wijziging van de eisen niet langer op de testpakken hoefden te zijn aangebracht) van invloed kunnen zijn op stijfheid van onderdelen van het pak en daarmee op het draagcomfort.\n\n- [eiseres] heeft ook bezwaar gemaakt tegen de wijze en het moment waarop de Veiligheidsregio en [belanghebbende] de inschrijvers heeft geïnformeerd over de maatvoering van de pakken.\n\n5.5.. De voorzieningenrechter volgt de Veiligheidsregio en [belanghebbende] in hun rechtsverwerkingsverweer tegen al deze bezwaren van [eiseres]. Daartoe is het volgende redengevend.\n\n5.6.. Uit het Grossmann-arrest (HvJEG 12 februari 2004, C-230\u002F02) en de daarop gebaseerde jurisprudentie volgt dat van een adequaat handelend inschrijver\u002Fgegadigde mag worden verwacht dat hij zich proactief opstelt bij het naar voren brengen van bezwaren in het kader van een aanbestedingsprocedure. De eisen van redelijkheid en billijkheid die de inschrijver\u002Fgegadigde jegens de aanbestedende dienst in acht heeft te nemen, brengen mee dat hij zijn bezwaren duidelijk naar voren brengt en in een zo vroeg mogelijk stadium aan de orde stelt, zodat eventuele onregelmatigheden desgewenst kunnen worden gecorrigeerd met zo min mogelijk consequenties voor het verdere verloop van de aanbestedingsprocedure. Een inschrijver\u002Fgegadigde die bezwaren heeft maar er (te lang) mee wacht om die te melden, handelt in strijd met het hiervoor genoemde arrest en heeft het recht verwerkt om hierover te klagen.\n\n5.7.. De voorzieningenrechter stelt vast dat in het BD geen melding wordt gemaakt van een controle van de testpakken op de gestelde eisen (een tafeltest), voorafgaand aan de draagtests. Als [eiseres] had gemeend dat het uitvoeren van een dergelijke controle noodzakelijk was, had zij dat aan de orde moeten stellen en daar een vraag over moeten stellen. Dat heeft zij niet gedaan, en zij heeft ook op de testdagen, toen duidelijk was dat geen tafeltest werd uitgevoerd, daar geen bezwaar tegen gemaakt. Het is dan te laat om hierover pas te klagen na het versturen van de gunningsbeslissing. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat het primair aan de aanbestedende dienst is hoe zij toetst en beoordeelt of inschrijvers aan de gestelde eisen voldoen. In geval van gerede twijfel of een inschrijving niet irreëel is, is de aanbestedende dienst gehouden om daar nader onderzoek naar te doen, maar dat daarvan in dit geval sprake was is niet aannemelijk geworden.\n\n5.8.. Ook de andere onder 5.5 genoemde bezwaren had [eiseres] eerder naar voren kunnen en moeten brengen. Over de maten van de testpakken is naar aanleiding van vragen daarover nadere informatie verstrekt in NvI 2. Als dat te laat was en\u002Fof [eiseres] daarna onvoldoende beeld had van wat verwacht werd, dan had zij daar destijds een punt van kunnen maken. [eiseres] is echter na kennis te hebben genomen van de in NvI 2 verstrekte info en gewijzigde eisen, verder gegaan met de productie van haar testpakken (zonder gebruik te maken van de gegeven mogelijkheid om de bestaande pakken op te meten), zij heeft haar pakken meegenomen naar de testdagen waar zij (gelet op haar stellingen) ook de pakken van de andere inschrijvers heeft gezien en zij heeft vervolgens de gunningsbeslissing afgewacht. Dat op de testdag een testpersoon aanwezig was met maten die niet waren opgegeven, zoals [eiseres] stelt, is gemotiveerd betwist en door [eiseres] niet nader onderbouwd. Overigens is gesteld noch gebleken dat [eiseres] daarover tijdens de testdagen heeft geklaagd. [eiseres] heeft ook op geen enkel moment gebruik gemaakt van de onder 3.16.2 in het BD vermelde klachtenprocedure. Het is te laat om, pas na ontvangst van een onwelgevallige gunningsbeslissing, met bezwaren als deze te komen.\n\n5.9.. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat [eiseres] haar recht heeft verwerkt om nu nog te klagen over deze aspecten van de aanbesteding.\n\nTen overvloede\n\n5.10.. Overigens heeft [eiseres] ter zitting ook onvoldoende aannemelijk weten te maken dat er sprake was van zodanige verschillen tussen de testpakken van de inschrijvers dat dit van noemenswaardige betekenis is geweest bij de beoordeling. De door de testers gemaakte opmerkingen, zoals vermeld in de gunningsbeslissing, geven er ook geen blijk van dat de pakken van [eiseres] minder goed zijn beoordeeld op die onderdelen, waar bijvoorbeeld de striping en zakken op van invloed zouden kunnen zijn. Daarbij merkt de rechtbank op dat de comforttest – waarop veel van de bezwaren van [eiseres] zien – niet meetelde bij de toekenning van punten die leidden tot de gunningsbeslissing. De comforttest was immers de eerste fase van het gunningsproces en alle drie de inschrijvers zijn doorgegaan naar de praktijktest. Alleen die praktijktest was onderdeel van de gunningscriteria. De omstandigheid dat de Veiligheidsregio volledigheidshalve in de gunningsbeslissing ook de opmerkingen heeft opgenomen die de testers op de eerste dag (bij de comforttest) hebben gemaakt, maakt dit niet anders. De stelling van [eiseres] dat het gevoel van de testers bij het comfort op de eerste dag wel van invloed moet zijn geweest op de puntentoekenning tijdens de praktijktest op de tweede dag, zoals [eiseres] die ter zitting (in haar tweede termijn) naar voren heeft gebracht, acht de voorzieningenrechter te vaag en onvoldoende concreet om daaraan conclusies te verbinden of daar verder op in te gaan.\n\nBeoordelingsfouten\n\n5.11.. \n [eiseres] heeft in de dagvaarding verder betoogd dat de aan haar toegekende score voor gunningscriterium 2 onjuist is. Er zijn volgens haar evidente fouten gemaakt in de beoordeling van haar inschrijving. [eiseres] heeft hier echter geen vordering tot herbeoordeling aan gekoppeld. Nu haar stellingen op dit punt niet kunnen leiden tot toewijzen van de wel ingestelde vorderingen, behoeven deze stellingen geen nadere bespreking.\n\n5.12.. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter dat [eiseres], na de gemotiveerde betwisting door de Veiligheidsregio van de in de dagvaarding op dit punt ingenomen stellingen, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van inhoudelijke onjuistheden bij de beoordeling van het plan van aanpak.\n\nMotivering\n\n5.13.. Nadat de Veiligheidsregio (met toestemming van [belanghebbende]) na het uitbrengen van de dagvaarding ook de subscores van [belanghebbende] op Gunningscriterium 2 en op Prijs bekend heeft gemaakt, heeft [eiseres] haar bezwaar ten aanzien van de motivering van de gunningsbeslissing niet langer gehandhaafd. Ook dit kan dus verder onbesproken blijven.\n\nProceskosten\n\n5.14.. \n [eiseres] heeft verzocht om, ook als zij in het ongelijk wordt gesteld, de Veiligheidsregio in de proceskosten te veroordelen omdat zij de onder 5.13 bedoelde informatie over de subscores pas zo laat heeft verstrekt. Daar ziet de voorzieningenrechter geen reden toe. [eiseres] heeft dit kort geding immers doorgezet nadat zij deze informatie heeft verkregen, omdat zij een oordeel van de voorzieningenrechter wenste over haar overige bezwaren tegen de gunningsbeslissing en een beslissing op de ingestelde vorderingen.\n\n5.15.. \n [eiseres] zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten van de Veiligheidsregio en [belanghebbende]. De proceskosten van zowel de Veiligheidsregio als [belanghebbende] worden begroot op:\n\n- griffierecht € 735,-\n\n- salaris advocaat € 1.177,-\n\n- nakosten € 189,- (plus de verhoging zoals vermeld in de\n\nbeslissing)\n\n -------------------\n\nTotaal € 2.101,-\n\n5.16.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n6. De beslissing\n\nDe voorzieningenrechter:\n\n6.1.. wijst het gevorderde af;\n\n6.2.. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van zowel de Veiligheidsregio als [belanghebbende] van ieder € 2.101,-, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [eiseres] € 98,- extra aan de betreffende partij betalen, plus de kosten van betekening;\n\n6.3.. veroordeelt [eiseres] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;\n\n6.4.. verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.\n\nts","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:14752","ecli-nl-rbdha-2026-14752",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Aanbestedingsrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,51,61],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":8,"legalDomain":50,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht",{"id":52,"ecli":53,"caseNumber":6,"courtId":54,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":55,"language":12,"source":13,"sourceUrl":56,"summary":6,"slug":57,"metadata":58},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":59,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":6,"courtId":64,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":69,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]