[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbdha-2026-16646":3,"decision-more-ecli-nl-rbdha-2026-16646":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1148","ECLI:NL:RBDHA:2026:16646","",58,"Den Haag","den-haag","2026-06-04T00:00:00.000Z","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Den Haag\n\nEiV\u002Fcd\n\nRep.nr.: 11997250 RP VERZ 25-51003\n\n4 juni 2026\n\nBeschikking van de kantonrechter in de zaak van:\n\nde besloten vennootschap,\n\nGamepoint B.V., gevestigd te Den Haag, verzoekster,\n\nhierna: Gamepoint, gemachtigde: mr. A.A.M. Zeeman,\n\ntegen\n\n [verweerder],\n\nwonende te [woonplaats] , verweerder,\n\nhierna: [verweerder] , gemachtigden: mrs. J.T.P. Koenis en A.B. Abeln.1. Procedure\n\n1.1.. De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken:\n\nhet verzoekschrift van 2 december 2025 met producties 1 t\u002Fm 17;\n\nhet verweerschrift tevens tegenverzoek met producties 1 t\u002Fm 22;\n\nde akte van Gamepoint van 2 april 2026 met aanvullende producties 18 t\u002Fm 22;\n\nde akte van [verweerder] van 7 april 2026 met aanvullende producties 23 t\u002Fm 26;\n\nde e-mail van [verweerder] van 7 april 2026 met aanvullende productie 27;\n\nde pleitaantekeningen van Gamepoint;\n\nde pleitaantekeningen van [verweerder] .\n\n1.2.. Op 8 april 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Namens Gamepoint zijn [naam 1] en [naam 2] verschenen. [verweerder] is verschenen. Partijen zijn bijgestaan door hun gemachtigden. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting naar voren is gebracht.\n\n1.3.. Vervolgens is de datum van de beschikking bepaald op vandaag.2. Feiten\n\n2.1.. Gamepoint exploiteert een onderneming in de ontwikkeling van online games en gamenetwerken.\n\n2.2.. \n [verweerder] is sinds [datum] 2018 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bij Gamepoint in dienst, aanvankelijk in de functie van [functienaam 1] . [verweerder] is van oorsprong [nationaliteit] en is voor zijn werk bij Gamepoint naar Nederland gekomen.\n\n2.3.. Vanaf september 2021 was [verweerder] naast zijn functie als [functienaam 1] ook [functienaam 2] voor het spel [spel]. Het salaris van [verweerder] is vanaf toen met ongeveer 10% verhoogd naar een bedrag van € 7.150,- bruto per maand bij een arbeidsduur van 40 uur per week.\n\n2.4.. Gamepoint heeft de ontwikkeling van [spel] op enig moment stopgezet. Per juni 2023 kon [verweerder] daarnaast geen aanspraak meer maken op het belastingvoordeel voor expats in Nederland (de zogeheten ‘30%-regeling’). Tussen partijen is gesproken over het sluiten van een vaststellingsovereenkomst (VSO) ter beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Gamepoint heeft op 3 juli 2023 een concept-VSO aan [verweerder] voorgelegd.\n\n2.5.. \n [verweerder] heeft zich op 4 juli 2023, een dag na het gesprek over de concept-VSO, ziekgemeld.\n\n2.6.. \n\nGamepoint en [verweerder] hebben op advies van de bedrijfsarts mediation geprobeerd. Het mediationtraject is op 11 maart 2024 succesvol afgerond met een overeenkomst, waarin – voor zover relevant – door partijen is afgesproken:\n\n“1. Partijen stellen samen vast door ondertekening van de onderhavige overeenkomst dat het geschil tussen partijen, waarvoor mediation op 20 december 2023 ingezet is geweest, opgelost is dan wel als opgelost beschouwd dient te worden.”\n\n2.7.. \n [verweerder] heeft vervolgens op 27 maart 2024 een gesprek gehad met de bedrijfsarts. Het verslag van de bedrijfsarts vermeldt:\n\n“Betrokkene geeft aan dat het mediationtraject is afgerond. Het resultant van het mediation traject is dat betrokkene wegens een reorganisatie niet langer kan terugkeren naar zijn oorspronkelijk werk. Volgens werknemer is het conflict gelukkig wel uit de lucht. Hij begrijpt dat hij niet langer kan terugkeren in zijn oorspronkelijk baan, maar wenst wel binnen spoor 1 te re-integreren omdat dat wel voor hem bekend werk is tot hij voldoende is hersteld om elders te solliciteren.”\n\n2.8.. \n [verweerder] is op 16 april 2024 begonnen met zijn re-integratietraject. Op 17 april 2024, de tweede dag van de re-integratie, heeft een incident plaatsgevonden tussen [verweerder] en een HR-medewerkster van Gamepoint. Gamepoint heeft naar aanleiding hiervan op 25 april 2024 een schriftelijke waarschuwing gegeven aan [verweerder] voor het (kort gezegd) schreeuwen en verbaal agressief bejegenen van de HR-medewerkster.\n\n2.9.. Op 8 mei 2024 heeft [verweerder] aan Gamepoint bericht dat hij vanuit huis zal werken totdat Gamepoint de adviezen van de bedrijfsarts implementeert. In de daaropvolgende e-mailwisseling heeft Gamepoint aan [verweerder] laten weten dat de bedrijfsarts niet heeft geadviseerd om hem vanuit huis te laten werken en dat hij daarom uiterlijk 15 mei 2024 terug op kantoor wordt verwacht. Nadat [verweerder] die dag opnieuw niet op kantoor was verschenen, heeft Gamepoint hem een schriftelijke waarschuwing gegeven onder aanzegging dat het loon zou worden stopgezet als hij niet uiterlijk 22 mei 2024 alsnog op het werk zou verschijnen. Gamepoint heeft deze loonstop feitelijk niet uitgevoerd.\n\n2.10.. \n [verweerder] heeft op 5 juni 2024 een afspraak gehad met de bedrijfsarts. In het gespreksverslag schrijft de bedrijfsarts:\n\n“Het is duidelijk geworden dat de werkgerelateerde factoren binnen spoor 1 een negatieve invloed hebben op de gezondheid van betrokkene, waardoor verdere re-integratie in dit spoor medisch niet langer verantwoord is. Elders zal betrokkene snel kunnen re-integreren, echter binnen spoor 1 heeft betrokkene steeds weer een terugval in de medische aandoening.\n\nOm de reden dat spoor 1 ziekmakend is adviseer ik een overgang naar spoor 2 voor de re-integratie van betrokkene. Dit advies is gebaseerd op de noodzaak om een medisch verantwoorde en succesvolle re-integratie mogelijk te maken.”\n\n2.11.. In het gespreksverslag van de opvolgende afspraak van 17 juli 2024 vermeldt de bedrijfsarts:\n\n“Re-integratie advies\n\nOpstarten en vervolgen 2e spoor, ook al kan formeel eerste spoor nooit helemaal afgesloten worden tenzij daar medische gronden voor zijn. Betrokkene erkent en herkent ook wel dat terugkeer op eerste spoor niet de gezondheid zal bevorderen, eerder zal schade. Derhalve is het beste advies in deze om 2e spoor te laten prevaleren.”\n\n2.12.. Het verslag van de bedrijfsarts van de afspraak van 4 juni 2025 vermeldt vervolgens:\n\n“Stand van zaken \u002F advies\n\nBetrokkene maakte over laatste weken een goede en stabiele verdere vooruitgang door. Er zijn op dit moment feitelijk geen beperkingen meer aan te nemen. Het is goed te zien dat betrokkene vanuit een voor hem zeer moeilijke situatie weer de veerkracht heeft ontwikkeld en herstel heeft bewerkstelligd met inzet van gerichte ondersteuning. De WIA aanvraag loopt reeds evenals het 2e spoor.\n\nBetrokkene is hersteld te achten voor eigen werk.\n\nFunctionele mogelijkheden en beperkingen\n\nGeen\n\nRe-integratie advies\n\nFeitelijk kan betrokkene hersteld geacht en gemeld worden voor eigen, bedongen arbeid. Wel onder voorwaarde dat dit niet bij eigen werkgever zal kunnen worden gerealiseerd. Immers reeds eerder werd gemeld : Inzet in eigen werk bij eigen werkgever wordt hierbij, op preventieve gronden, afgeraden. Het zal naar alle waarschijnlijkheid ziekte weer doen ontstaan of toenemen.\n\nDit advies blijft van kracht.\n\nMen zal derhalve onderling nu verder moeten gaan afstemmen hoe hier mee om te gaan. Naar werd begrepen hebben beide partijen hierbij gerichte hulp en expertise aangesloten.\n\nPrognose met betrekking tot volledig herstel eigen werk\n\nBetrokkene is volledig belastbaar voor eigen werk, maar volledige terugkeer zal elders moeten plaatsvinden ter preventie van terugval en toename beperkingen\u002Fziekte.”\n\n2.13.. \n [verweerder] heeft, naar aanleiding van het laatste advies van de bedrijfsarts, op 9 juni 2025 het volgende bericht aan Gamepoint:\n\n“My case worker (…) delivered the company doctor report on 07-06-2025. I have now recovered and I’m ready to return to work.”\n\nGamepoint heeft hierop de volgende dag aan [verweerder] geantwoord:\n\n“Op dit moment zijn we intern in overleg over de juiste vervolgstappen op basis van het advies van de bedrijfsarts en jouw situatie, gezien werkhervatting bij eigen werkgever wordt afgeraden. Zodra we hierover duidelijkheid hebben, nemen we contact met je op om dit samen verder te bespreken.”\n\n2.14.. Gamepoint heeft op 10 juli 2025 bij het UWV een ontslagaanvraag ingediend om [verweerder] te mogen ontslaan wegens langdurige arbeidsongeschiktheid.\n\n2.15.. Gamepoint heeft voor de onderbouwing van haar ontslagaanvraag bij het UWV de volgende vragen aan de bedrijfsarts gesteld:\n\n“Hartelijk dank voor uw eerder afgegeven 26-weken verklaring waarin u aangeeft dat de heer [verweerder] medisch hersteld is voor het eigen werk.\n\nIn eerdere contacten en medische adviezen heeft u echter ook geadviseerd dat hervatting van werkzaamheden binnen onze organisatieniet wenselijk is, vanwege een reëel risico op terugval in het verzuim. Deze overweging is cruciaal in het kader van onze voorgenomen ontslagaanvraag bij het UWV op grond van langdurige arbeidsongeschiktheid. Wij verzoeken u vriendelijk, met het oog op deze procedure, om uw verklaring aan te vullen of te verduidelijken op de volgende punten:\n\nKunt u bevestigen dat – ondanks medische herstel melding – hervatting van werkzaamhedenbinnen onze organisatie volgens uw inschatting leidt tot een aanzienlijk kans op terugval?\n\nBent u bereid dit risico op terugval expliciet op te nemen in een aangepaste 26-wekenverklaring, zodat voor het UWV duidelijk is dat duurzaam inzetbaar zijn bijons niet realistisch is binnen 26 weken?\n\n(…)”\n\nDe bedrijfsarts heeft op 6 augustus 2025 als volgt geantwoord:\n\n“Als eerder aangegeven is het opstellen van een 26 weken verklaring waarbij de wachttijd niet is volgemaakt en er een hersteldverklaring reeds daarvoor aan de orde was, niet aan de orde. U refereert aan mijn eerdere adviezen waarin ik aangaf dat een terugkeer in het eigen werk bij de eigen werkgever niet wenselijk was en hoogstwaarschijnlijk zou leiden tot een terugval in medische problematiek en verzuim. Dit destijds gegeven advies is nog steeds actueel en zal ook de komende 26 weken (en daarna) niet veranderen. Een duurzame werkhervatting binnen uw organisatie is derhalve niet wenselijk en niet realistisch.\n\nBovenstaande kunt u, wat mij betreft, gebruiken als de door u gevraagde verklaring.”\n\n2.16.. Het UWV heeft de ontslagaanvraag bij besluit van 2 oktober 2025 afgewezen, omdat (samengevat) de bedrijfsarts [verweerder] volledig belastbaar acht voor eigen werk en het opstellen van een 26-wekenverklaring door de bedrijfsarts is geweigerd omdat reeds een hersteldverklaring is afgegeven vier weken vóór het einde van de wachttijd voor de WIA.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. Gamepoint verzoekt de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten, op de grond dat sprake is van (primair tot meest subsidiair):\n\nziekte of gebreken waardoor [verweerder] niet meer in staat is de bedongen arbeid te verrichten, terwijl aannemelijk is dat binnen 26 weken geen herstel zal plaatsvinden (b-grond);\n\neen verstoorde arbeidsverhouding (g-grond);\n\nandere omstandigheden zodanig dat het voort laten duren van de arbeidsovereenkomst van Gamepoint niet kan worden gevergd (h-grond);\n\neen combinatie van gronden (i-grond).\n\n3.2.. \n [verweerder] berust in ontbinding van de arbeidsovereenkomst, maar verzoekt de kantonrechter om bij de ontbinding, uitvoerbaar bij voorraad:\n\nde einddatum van het dienstverband te bepalen rekening houdend met de opzegtermijn, zonder aftrek van de proceduretijd;\n\nGamepoint te veroordelen tot een transitievergoeding van € 20.585,40 bruto en een billijke vergoeding van € 225.000,- bruto;\n\nGamepoint te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over voornoemde vergoedingen vanaf de datum van opeisbaarheid;\n\nGamepoint te veroordelen in de daadwerkelijke proceskosten van [verweerder] van € 27.891,72 (exclusief BTW), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van deze beschikking;\n\nvoor recht te verklaren dat Gamepoint geen rechten kan ontlenen aan het concurrentie- en relatiebeding;\n\nen als voorwaardelijk tegenverzoek voor het geval Gamepoint haar verzoek tot ontbinding intrekt:\n\n6. de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van artikel 7:671c lid 1 BW, onder toekenning van al het voorgaande.\n\n3.3.. Op de standpunten van partijen wordt in de beoordeling – voor zover relevant – ingegaan.\n\n4. Beoordeling\n\n4.1.. De kantonrechter stelt vast dat partijen het met elkaar eens zijn dat de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden, in ieder geval omdat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Aangezien de juridische gevolgen van een ontbinding op grond van een verstoorde arbeidsverhouding dezelfde zijn als die van een ontbinding op grond van langdurige arbeidsongeschiktheid, kan in het midden worden gelaten of de ontbinding daarnaast zou slagen op de primair door Gamepoint aangevoerde b-grond.\n\n4.2.. Partijen twisten wel over de vraag per welke datum de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden en welke vergoedingen daarbij aan [verweerder] moeten worden toegekend. [verweerder] stelt zich op het standpunt dat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van Gamepoint, zodat de einddatum volgens hem moet worden bepaald zonder aftrek van de proceduretijd en hij naast de transitievergoeding ook aanspraak maakt op een billijke vergoeding en een werkelijke proceskostenvergoeding. Het ernstig verwijtbaar handelen is er volgens [verweerder] (samengevat) in gelegen dat Gamepoint:\n\nop 3 juli 2023 zonder aanleiding en op dwingende wijze heeft aangestuurd op beëindiging van het dienstverband;\n\ntegenstrijdige verklaringen heeft gegeven over de noodzaak van de beëindiging, waaronder door ten onrechte voor te houden dat de functie van [verweerder] is komen te vervallen;\n\ndoor de bedrijfsarts geadviseerde mediation heeft afgehouden;\n\ne re-integratieverplichtingen heeft geschonden door [verweerder] niet te re-integreren in zijn eigen functie;\n\nonzorgvuldig is omgegaan met medische gegevens van [verweerder] ;\n\nde herstelmelding van [verweerder] heeft geweigerd en de reguliere salarisbetaling van [verweerder] niet heeft hervat;\n\neen ontslagaanvraag heeft ingediend bij het UWV op grond van langdurige ziekte, terwijl zij moest begrijpen dat dit geen kans van slagen had.\n\nHet vervallen van de functie\n\n4.3.. De kantonrechter overweegt als volgt ten aanzien van de hiervoor onder a en b genoemde gronden. In de overeenkomst die ter afronding van de mediation op 11 maart 2024 door partijen is gesloten, heeft [verweerder] erkend dat het conflict dat tot dan toe tussen hem en Gamepoint was ontstaan is opgelost. [verweerder] betwist dat tijdens de mediation is gesproken over het vervallen van zijn functie. Uit het verslag van de bedrijfsarts van 27 maart 2024 blijkt echter dat [verweerder] zelf aan de bedrijfsarts heeft verteld dat de mediation is afgerond met de conclusie dat hij vanwege een reorganisatie niet meer kan terugkeren naar zijn functie bij Gamepoint, dat hij dit begrijpt en dat hij tijdelijk in het eerste spoor zou re-integreren met het doel om zich klaar te maken voor een sollicitatie elders. Hieruit blijkt onmiskenbaar dat het vervallen van de functie van [verweerder] tijdens de mediation onderwerp van gesprek is geweest en dat partijen hun conflict daaromtrent hebben opgelost. Nu [verweerder] het vervallen van zijn functie dus zelf heeft erkend, acht de kantonrechter het niet ernstig verwijtbaar dat Gamepoint met [verweerder] het gesprek is aangegaan over het beëindigen van zijn arbeidsovereenkomst middels een vaststellingsovereenkomst. De kantonrechter ziet in de stukken ook geen aanknopingspunt om te geloven dat Gamepoint [verweerder] daarbij op een onnodig dwingende wijze zou hebben benaderd.\n\nHet starten van mediation\n\n4.4.. Verder blijkt uit de stukken ook niet dat Gamepoint het opstarten van het mediationtraject op ontoelaatbare wijze zou hebben afgehouden, zoals [verweerder] stelt. De bedrijfsarts heeft op 30 augustus 2023 voor het eerst mediation geadviseerd. Volgens [verweerder] heeft Gamepoint naar aanleiding van dat advies opnieuw aan hem voorgesteld om de arbeidsovereenkomst te eindigen met een vaststellingsovereenkomst, in plaats van dat zij meteen is overgegaan tot het inschakelen van een mediator. De kantonrechter acht het opnieuw voorstellen van een VSO door Gamepoint niet ernstig verwijtbaar, ook niet onder de omstandigheid dat reeds mediation was geadviseerd door de bedrijfsarts. De insteek van mediation kan tenslotte juist zijn dat partijen de gelegenheid krijgen om met elkaar te spreken over de voorwaarden waaronder de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden kan eindigen. Daarnaast blijkt uit de eigen stellingen van [verweerder] dat hij na het opnieuw voorstellen van een VSO door Gamepoint tot december 2023 zelf niet in staat was om te beginnen met mediation. Toen hij daartoe weer wel in staat was, is de mediation in februari 2024 aangevangen. De kantonrechter acht dit geen buitensporig lang tijdsbestek.\n\nDe re-integratieverplichtingen\n\n4.5.. \n [verweerder] verwijt verder aan Gamepoint dat zij haar re-integratieverplichtingen zou hebben geschonden, doordat zij [verweerder] niet heeft laten re-integreren in zijn eigen functie. Uit het verslag van de bedrijfsarts van 27 maart 2024 blijkt echter, zoals gezegd, dat [verweerder] heeft erkend dat hij niet terug kan keren naar zijn eerdere functie bij Gamepoint. Uit het re-integratieadvies van de bedrijfsarts volgt dat daarom is gekozen voor een tijdelijke re-integratie in het zogeheten 1e spoor bij Gamepoint, totdat [verweerder] een functie elders zou hebben gevonden. De re-integratie van [verweerder] was van meet af aan dus nadrukkelijk nietgericht op een terugkeer in zijn eigen functie. Vervolgens heeft de bedrijfsarts in zijn gespreksverslag van 17 juli 2024 – iets meer dan drie maanden nadat het re-integratietraject was begonnen – geschreven dat [verweerder] op dat moment zelf inzag dat het zijn gezondheid zou schaden om verder bij Gamepoint te re-integreren. Dit is ook in lijn met de daaropvolgende adviezen van de bedrijfsarts, waarin steeds terugkomt dat het niet goed zou zijn voor de gezondheid van [verweerder] om weer bij Gamepoint aan de slag te gaan. In het licht van deze omstandigheden valt Gamepoint niet ernstig te verwijten dat zij [verweerder] niet heeft laten re-integreren in zijn eigen functie.\n\n4.6.. \n [verweerder] heeft verder een aantal andere stellingen aangevoerd waaruit volgens hem volgt dat de re-integratieverplichtingen door Gamepoint zijn geschonden. Hij stelt (kort gezegd) dat Gamepoint hem tijdens de re-integratie zou hebben geprobeerd weg te pesten, onder andere door hem zijn gebruikelijke werkplek af te nemen en hem een laptop te geven met maar zeer beperkte toegang tot de systemen van Gamepoint en een e-mailadres waarmee hij slechts één collega kon e-mailen. Ook meent [verweerder] dat Gamepoint hem ten onrechte een schriftelijke waarschuwing heeft gegeven voor thuiswerken. Gamepoint brengt hier tegenin dat de gebruikelijke werkplek van [verweerder] was komen te vervallen als gevolg van een herindeling van het gebouw, waardoor het persoonlijke kantoor van [verweerder] was gewijzigd in een garderobe. De beperkte toegang van [verweerder] tot de systemen laat zich volgens Gamepoint verklaren door het feit dat hij re-integratiewerkzaamheden verrichtte in een andere functie dan hij eerder bekleedde, waarvoor niet noodzakelijk was dat hij vergaande toegang zou hebben tot bedrijfsgevoelige informatie van Gamepoint. Gamepoint betwist dat [verweerder] met zijn e-mailadres slechts één contactpersoon kon e-mailen. Tot slot stelt Gamepoint zich op het standpunt dat thuiswerken gelet op de re-integratiewerkzaamheden die [verweerder] moest uitvoeren niet mogelijk was en dat zij hem daarom terecht heeft gesommeerd terug naar kantoor te komen.\n\n4.7.. De kantonrechter overweegt dat – in het licht van de gemotiveerde betwisting door Gamepoint – het op de weg van [verweerder] had gelegen om nader te onderbouwen dat Gamepoint haar re-integratieverplichtingen heeft geschonden door hem onnodig beperkende maatregelen op te leggen tijdens zijn re-integratie. [verweerder] is in die onderbouwing niet geslaagd. Zo heeft hij geen deskundigenoordeel van het UWV overgelegd waaruit de schending van de re-integratieverplichtingen kan blijken. [verweerder] heeft verwezen naar het advies van de bedrijfsarts van 5 juni 2024, waarin de bedrijfsarts schrijft dat de re-integratie in het 1e spoor voor [verweerder] ‘ziekmakend’ is. Dit advies van de bedrijfsarts heeft echter niet dezelfde waarde als een deskundigenoordeel van het UWV, omdat dit advies is opgesteld enkel op basis van de verklaringen van [verweerder] en niet die van Gamepoint. De kantonrechter kan bij gebrek aan verdere onderbouwing daarom niet vaststellen dat Gamepoint haar re-integratieverplichtingen heeft geschonden. Ook kan de kantonrechter daardoor niet vaststellen of het binnen de kaders van de re-integratie voor [verweerder] mogelijk was om thuis te werken. Daarom is niet komen vast te staan dat Gamepoint ernstig verwijtbaar heeft gehandeld door hem daarvoor een schriftelijke waarschuwing te geven.\n\nDe omgang met medische gegevens\n\n4.8.. \n [verweerder] verwijt Gamepoint daarnaast dat zij onzorgvuldig zou zijn omgegaan met zijn medische gegevens. De kantonrechter begrijpt dat [verweerder] hiermee doelt op het incident dat zich op 17 april 2024 heeft voorgedaan tussen hem en een HR-medewerkster van Gamepoint. Volgens [verweerder] heeft de medewerkster zijn medische gegevens ter sprake gebracht, terwijl voor hem op dat moment niet kenbaar was dat zij HR-werkzaamheden uitvoerde en over die gegevens mocht beschikken. Volgens [verweerder] verklaart dit zijn reactie jegens de medewerkster. De kantonrechter overweegt dat, wat hier ook van zij, [verweerder] niet heeft weersproken dat de medewerkster die hem aansprak feitelijk wel belast was met HR-taken en dat zij daarom over de betreffende medische gegevens mocht beschikken. Daarin kan het gestelde onzorgvuldig handelen van Gamepoint dus niet zijn gelegen. Het enkele feit dat de medewerkster zich niet voorafgaand aan haar gesprek met [verweerder] als HR-medewerkster voor hem heeft geïdentificeerd, levert ook geen ernstig verwijt aan Gamepoint op.\n\n4.9.. \n [verweerder] stelt verder dat de HR-medewerkster de medische gegevens ter sprake bracht in het bijzijn van meerdere collega’s van [verweerder] , terwijl zij moest begrijpen dat het privacygevoelige informatie betrof. Gamepoint betwist dat er collega’s bij het gesprek aanwezig waren. In het midden gelaten of en zo ja, hoeveel collega’s van het gesprek getuige zijn geweest, staat vast dat [verweerder] de HR-medewerkster direct heeft gesommeerd om niet over zijn medische situatie te spreken, waarna het gesprek onmiddellijk is geëindigd. In het licht daarvan is het enkele feit dat de HR-medewerkster eenmalig medische gegevens van [verweerder] ter sprake heeft gebracht terwijl collega’s dit mogelijk konden horen – voor zover dat al zo is – hoogstens verwijtbaar, maar niet ernstig verwijtbaar aan Gamepoint.\n\n4.10.. Verder is in deze procedure gebleken dat partijen ieder hun eigen kijk hebben op de manier waarop het gesprek tussen [verweerder] en de HR-medewerkster exact is verlopen. [verweerder] betwist dat hij de HR-medewerkster intimiderend of agressief heeft bejegend, maar partijen zijn het er in ieder geval over eens dat het een onprettig gesprek was. Tegen die achtergrond acht de kantonrechter niet ernstig verwijtbaar dat Gamepoint [verweerder] na afloop een schriftelijke waarschuwing heeft gestuurd voor zijn bejegening van de HR-medewerkster, daargelaten of die waarschuwing in zijn geheel terecht was.\n\nHet weigeren van de herstelmelding\n\n4.11.. \n [verweerder] verwijt Gamepoint tot slot dat zij zijn herstelmelding van 9 juni 2025 niet heeft geaccepteerd, zij per die datum niet is overgegaan tot betaling van 100% van het salaris en zij een bij voorbaat kansloze ontslagaanvraag heeft ingediend bij het UWV. De kantonrechter merkt ten aanzien van de salarisbetalingen allereerst op dat uit de stellingen van [verweerder] blijkt dat het restant van het salaris na aanmaning door de advocaat van [verweerder] alsnog door Gamepoint is betaald, zij het onder protest. Geen van beide partijen heeft in deze procedure een verzoek ingesteld omtrent deze betalingen. De kantonrechter kan daarom in zoverre in het midden laten of Gamepoint verplicht was om vanaf 9 juni 2025 over te gaan tot betaling van 100% van het salaris. De kantonrechter hoeft slechts te beoordelen of het Gamepoint ernstig kan worden verweten dat zij ondanks de herstelmelding aanvankelijk het salaris bij ziekte is blijven betalen en [verweerder] niet heeft toegelaten tot het werk. De kantonrechter is van oordeel dat dit – onder de bijzondere omstandigheden van het geval – niet ernstig aan Gamepoint kan worden verweten en overweegt daartoe als volgt.\n\n4.12.. Zoals reeds hiervoor aangehaald, blijkt uit het advies van de bedrijfsarts van 27 maart 2024 dat vanaf het begin van de re-integratie duidelijk was dat [verweerder] niet naar zijn eerdere functie bij Gamepoint zou terugkeren en dat de re-integratie erop gericht was hem in staat te stellen een geschikte functie elders te vinden. In het advies van de bedrijfsarts van 5 juni 2024 – en ieder van de daaropvolgende adviezen – is daar door de bedrijfsarts aan toegevoegd dat het zelfs schadelijk zou zijn voor de gezondheid van [verweerder] om terug te keren naar Gamepoint.\n\n4.13.. In het advies van 4 juni 2025 schrijft de bedrijfsarts vervolgens: “Feitelijk kan betrokkene hersteld geacht en gemeld worden voor eigen, bedongen arbeid. Wel onder voorwaarde dat dit niet bij eigen werkgever zal kunnen worden gerealiseerd. Immers reeds eerder werd gemeld : Inzet in eigen werk bij eigen werkgever wordt hierbij, op preventieve gronden, afgeraden. Het zal naar alle waarschijnlijkheid ziekte weer doen ontstaan of toenemen.” De kantonrechter kan niet anders dan concluderen dat dit advies van de bedrijfsarts berust op een interne tegenstrijdigheid. Deeigen, bedongen arbeidvan [verweerder] is immers de arbeid die hij bij Gamepoint zou moeten verrichten en dat is nu juist de arbeid waarvan de bedrijfsarts tegelijkertijd (en bij herhaling) vaststelt dat [verweerder] deze niet kan verrichten, omdat dit schadelijk is voor zijn gezondheid. Op basis van de overige inhoud van het advies van 4 juni 2025 en de voorafgaande adviezen van de bedrijfsarts ligt dan ook veeleer de conclusie voor de hand dat [verweerder] – kennelijk op medische gronden –nietin staat werd geacht tot het verrichten van zijn eigen bedongen arbeid bij Gamepoint. Op navraag van Gamepoint heeft de bedrijfsarts dit in de e-mail van 6 augustus 2025 ook met zoveel woorden bevestigd. Daarin schrijft de bedrijfsarts dat het advies dat “een terugkeer in het eigen werk bij de eigen werkgever niet wenselijk was en hoogstwaarschijnlijk zou leiden tot een terugval in medische problematiek en verzuim”nog steeds geldt en de komende 26 weken en daarna niet zal veranderen, zodat een duurzame werkhervatting binnen Gamepoint niet wenselijk of realistisch is.\n\n4.14.. Gelet op deze ongerijmdheid in het advies van de bedrijfsarts van 4 juni 2025, acht de kantonrechter het niet ernstig verwijtbaar dat Gamepoint de daarop volgende herstelmelding van [verweerder] niet heeft aanvaard en zich op het standpunt is blijven stellen dat hij zijn werk bij Gamepoint niet kon hervatten. Gamepoint heeft zich naar aanleiding van de adviezen van de bedrijfsarts begrijpelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het medisch onverantwoord zou zijn om [verweerder] tot het werk toe te laten. In dat licht acht de kantonrechter het ook niet ernstig verwijtbaar dat Gamepoint de salarisbetalingen niet onmiddellijk heeft hersteld tot 100%, aangezien zij zich ook begrijpelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat dus nog altijd sprake was van arbeidsongeschiktheid bij [verweerder] .\n\n4.15.. Ten overvloede kan aan het voorgaande worden toegevoegd dat [verweerder] , zoals reeds toegelicht, eerder heeft erkend dat zijn functie bij Gamepoint is komen te vervallen. Voor beide partijen was dus duidelijk dat van een terugkeer naar de eigen bedongen arbeid hoe dan ook geen sprake kon zijn. Ook in dat licht acht de kantonrechter goed te begrijpen dat Gamepoint niet wist welke gevolgen zij aan de herstelmelding van [verweerder] kon of moest verbinden.\n\n4.16.. Tot slot is onder de genoemde omstandigheden niet ernstig verwijtbaar dat Gamepoint een ontslagaanvraag heeft ingediend bij het UWV op grond van langdurige arbeidsongeschiktheid. Het is geenszins gebleken dat die ontslagaanvraag bij voorbaat kansloos was, gelet op het feit dat de bedrijfsarts in de e-mail van 6 augustus 2025 heeft bevestigd dat het risico op een terugval in medische problematiek de komende 26 weken en daarna zou blijven bestaan en duurzame werkhervatting bij Gamepoint daarom – kennelijk op medische gronden – onwenselijk en onrealistisch werd geacht.\n\nDe ontbinding en de gevolgen daarvan\n\n4.17.. De conclusie van de voorgaande overwegingen is dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, zonder dat dit ernstig aan een van de partijen is te wijten. De einddatum van het dienstverband moet daarom worden vastgesteld met inachtneming van de opzegtermijn en onder aftrek van de procedure tijd (artikel 7:671b lid 9 sub a BW). In artikel 22 van de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat als opzegtermijn de wettelijke opzegtermijn geldt. In dit geval is dat twee maanden, omdat het dienstverband langer dan vijf maar korter dan 10 jaar heeft geduurd (artikel 7:672 lid 2 sub b BW). Het ontbindingsverzoek is ontvangen op 2 december 2025 en deze beschikking wordt uitgesproken op 4 juni 2026. Na aftrek van de proceduretijd dient echter een termijn van minstens één maand te resteren. Zodoende wordt de einddatum 4 juli 2026.\n\n4.18.. Gamepoint is geen billijke vergoeding verschuldigd, omdat zij niet ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Wel is zij aan [verweerder] een transitievergoeding verschuldigd. Partijen zijn in hun berekeningen van de transitievergoeding beide uitgegaan van een andere einddatum van het dienstverband dan hiervoor genoemd. Uitgaande van een datum indiensttreding van [datum] 2018, een bruto maandsalaris van € 7.722,- (inclusief vakantiegeld) en een einddatum van 4 juli 2026, bedraagt de transitievergoeding € 20.806,50 bruto (artikel 7:673 lid 2 BW).Dat bedrag wordt daarom toegewezen. De wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, in dit geval 4 augustus 2026 (artikel 7:686a lid 1 BW).\n\n4.19.. Het verzoek om [verweerder] te ontheffen uit zijn verplichtingen uit het relatie- en concurrentiebeding wordt afgewezen. Nu het einde van de arbeidsovereenkomst niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van Gamepoint, bestaat geen grond voor toewijzing van dat verzoek.\n\nDe proceskosten\n\n4.20.. De uitkomst van deze procedure is dat de arbeidsovereenkomst wordt ontbonden, terwijl geen van beide partijen daarvan een ernstig verwijt valt te maken. De kantonrechter ziet daarin aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt. In dat oordeel ligt besloten dat het verzoek van [verweerder] tot een werkelijke proceskostenveroordeling wordt afgewezen.\n\n5. Beslissing\n\nDe kantonrechter:\n\n5.1.. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 4 juli 2026;\n\n5.2.. veroordeelt Gamepoint om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 20.806,50 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 augustus 2026 tot de dag dat alles is betaald;\n\n5.3.. compenseert de proceskosten, in die zin dat ieder de eigen kosten draagt;\n\n5.4.. verklaart de veroordelingen in deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;\n\n5.5.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. A.J. Japenga en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juni 2026.\n\n Het dienstverband heeft 8 jaren en 1 maand geduurd.\n\n1\u002F3 x € 7.722,- bruto x 8 jaren = € 20.592,- bruto;\n\n1 maand x ((1\u002F3 x € 7.722,- bruto) \u002F 12) = € 214,50 bruto;\n\n€ 20.592,- + € 214,50 = € 20.806,50 bruto.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:16646","ecli-nl-rbdha-2026-16646",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Arbeidsrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,51,61],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":8,"legalDomain":50,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht",{"id":52,"ecli":53,"caseNumber":6,"courtId":54,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":55,"language":12,"source":13,"sourceUrl":56,"summary":6,"slug":57,"metadata":58},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":59,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":6,"courtId":64,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":69,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]