[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbdha-2026-17197":3,"decision-more-ecli-nl-rbdha-2026-17197":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1930","ECLI:NL:RBDHA:2026:17197","",58,"Den Haag","den-haag","2026-06-25T00:00:00.000Z","Rechtbank DEN HAAG\n\nStrafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nParketnummer: 09\u002F133303-23\n\nDatum uitspraak: 25 juni 2026\n\nTegenspraak\n\nDe rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\n geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,\n\n BRP-adres: [adres] .\n\n1. Het onderzoek ter terechtzitting\n\nHet onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 14 juni 2024, 28 juni 2024, 28 augustus 2024, 21 november 2024, 18 februari 2025, 16 mei 2025, 4 juli 2025, 23 september 2025 (pro forma), 20 januari 2026 (regie) en 11 juni 2026 (inhoudelijke behandeling).\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.C. Stolk en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. V.H. Hammerstein naar voren is gebracht.\n\nDe officier van justitie heeft op de terechtzitting van 11 juni 2026 medegedeeld dat hij voornemens is een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.\n\n2. De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, die is gewijzigd op de terechtzitting van 11 juni 2026. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage Iaan dit vonnis gehecht.\n\n3. Heropening onderzoek ter terechtzitting?\n\nNa de sluiting van het onderzoek op 11 juni 2026 heeft de raadsvrouw op 12 juni 2026, per e-mail een schriftelijke weergave van haar dupliek aan de rechtbank overgelegd.\n\nDe officier van justitie heeft naar aanleiding van deze e-mail verzocht om - indien de e-mail niet buiten beschouwing wordt gelaten - het onderzoek ter terechtzitting te heropenen teneinde in de gelegenheid te worden gesteld te reageren op de schriftelijke weergave van de dupliek van de raadsvrouw. Daartoe is aangevoerd dat het onder de aandacht brengen van het standpunt van de raadsvrouw, na sluiting van het onderzoek, in strijd is met het beginsel van equality of arms.\n\nDe rechtbank ziet geen aanleiding om het onderzoek ter terechtzitting te heropenen. De rechtbank acht zich op basis van het voorliggende dossier en het verhandelde ter terechtzitting voldoende voorgelicht om tot een beslissing te komen. Aangezien het onderzoek op de terechtzitting van 11 juni 2026 is gesloten, zijn de nadien door de raadsvrouw en de officier van justitie verzonden e-mailberichten geen onderdeel gaan uitmaken van het strafdossier. Deze berichten blijven dus buiten beschouwing.\n\n4. Bewijsuitsluiting\n\n4.1.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft - overeenkomstig haar op schrift gestelde pleitnota en kort samengevat - ter terechtzitting betoogd dat de SkyECC-data op grond van artikel 359a lid 2 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van het bewijs dient te worden uitgesloten, omdat dit bewijs onrechtmatig verkregen en verwerkt zou zijn.\n\n4.2.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er sprake is geweest van rechtmatige interceptie en rechtmatige verwerking van de verkregen informatie en dat de SkyECC-data gebruikt kan worden voor het bewijs.\n\n4.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\n4.3.1.. Algemene overwegingen\n\nDe rechtbank stelt voorop dat zij geen aanleiding ziet om uit te gaan van een wezenlijk andere vaststelling van de gang van zaken rondom de vergaring en verwerking van de SkyECC-data in dit onderzoek, dan zoals weergegeven in de beslissing van de Hoge Raad van 13 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:913). In die beslissing heeft de Hoge Raad prejudiciële vragen beantwoord in verband met het gebruik van EncroChat- en SkyECC-berichten in strafzaken en het toetsingskader geformuleerd voor het gebruik van dergelijke berichten voor de bewijsbeslissing.\n\nIn aanvulling daarop heeft de Hoge Raad in het onlangs gewezen arrest van 14 april 2026 (ECLI:HR:NL:2026:650) uiteengezet wat de gevolgen zijn van de prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) in de zaak C-670\u002F22 (M.N. (EncroChat)) voor het genoemde toetsingskader. De Hoge Raad heeft in de beslissing van het HvJEU aanleiding gezien het toetsingskader als volgt bij te stellen:\n\n“dat de regeling van artikel 31 Richtlijn 2014\u002F41\u002FEU niet uitsluitend verband houdt met, kort gezegd, de soevereiniteit van de betrokken landen en het daaraan verbonden uitgangspunt dat het aan de autoriteiten van een land is om te bepalen welke opsporingsactiviteiten op het eigen grondgebied plaatsvinden. Deze regeling beoogt mede de rechten van gebruikers op wie een interceptiemaatregel is gericht, te beschermen. Het gaat daarbij om het recht op eerbiediging van het privéleven en van de communicatie van de persoon op wie de interceptie betrekking heeft. Dit betekent dat als sprake is van interceptie van telecommunicatie zonder dat daarbij de voorschriften van artikel 31 Richtlijn 2014\u002F41\u002FEU worden nageleefd, de persoon op wie de interceptie betrekking heeft, wordt aangetast in zijn rechten, en dat dit een relevant gezichtspunt kan vormen bij de beantwoording van de vraag of en, zo ja, welk rechtsgevolg moet worden verbonden aan de niet-naleving van die voorschriften. In dit verband kan van belang zijn of het – in het licht van de feiten en omstandigheden van het concrete geval – te verwachten zou zijn geweest dat, als de intercepterende lidstaat wel tijdig de autoriteit van de andere lidstaat in kennis\n\nhad gesteld van de interceptie, door die autoriteit tegen die interceptie bezwaar zou zijn gemaakt.” (r.o. 4.13).\n\nVooropgesteld wordt dat de Hoge Raad in het arrest van 14 april 2026 het toetsingskader dat in de prejudiciële beslissing van 13 juni 2023 omtrent - onder andere - het interstatelijke vertrouwensbeginsel is geformuleerd in stand laat, met inachtneming van de bovengenoemde bijstelling.\n\n4.3.2.. Beoordeling van de verweren\n\nOnrechtmatig verkregen bewijs\n\nDe rechtbank stelt vast dat bij de interceptie van zowel EncroChat- als SkyECC-gegevens sprake is geweest van opsporing in Frankrijk, onder verantwoordelijkheid van de Franse autoriteiten. De Hoge Raad heeft in zijn beschikking van 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:612, overwogen dat bij het optreden van een gemeenschappelijk onderzoeksteam (Joint Investigation Team, hierna: JIT), waar hier ook sprake van was, het nationale recht van de lidstaat waar de opsporingsbevoegdheid ten behoeve van een JIT wordt uitgeoefend leidend is en dat - kort gezegd - het verlenen van (technische) bijstand vanuit de Nederlandse politie bij de uitoefening van een opsporingsbevoegdheid door de autoriteiten van een andere deelnemende lidstaat niet meebrengt dat de verantwoordelijkheid voor het opsporingsonderzoek alsnog op Nederland is komen te rusten. Van opsporing onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten is geen sprake geweest.\n\nDoor de verdediging zijn geen concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding geven voor doorbreking van het hiervoor genoemde vertrouwensbeginsel. Wat de verdediging heeft aangevoerd biedt geen aanknopingspunten voor het standpunt dat de uitvoering van het onderzoek heeft plaatsgevonden onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel brengt in dat geval met zich dat van de rechtmatigheid van die interceptie (en de daarop volgende verstrekking) moet worden uitgegaan.\n\nHet behoort dan ook niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop dit Franse onderzoek is uitgevoerd strookt met de daarvoor in Frankrijk geldende rechtsregels noch of de Franse rechter hiervoor een machtiging heeft kunnen verlenen. De taak van de Nederlandse strafrechter is in dit geval ertoe beperkt te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van dit onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijk proces overeenkomstig artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Voor zover de verdediging een beroep heeft willen doen op de schending van artikel 6 EVRM, heeft zij niet onderbouwd waarin het concrete nadeel voor verdachte heeft bestaan, bijvoorbeeld wat betreft de mogelijkheid van verdachte om de inhoud of betrouwbaarheid van de SkyECC-berichten te betwisten.\n\nSchending evenredigheidsbeginsel\n\nDe verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de bulkinterceptie tot een ernstige inbreuk op de privacy van gebruikers heeft geleid, zonder dat vooraf een concrete relatie tussen individuele accounts en strafbare feiten was vastgesteld. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt dat niet alleen het vertrouwensbeginsel in de weg staat aan toetsing van de rechtmatigheid van de interceptie, maar ook overigens het verweer geen doel treft. Het verkrijgen van de SkyECC-gegevens richt zich immers tot een afgebakende groep gebruikers, van één specifieke telecomdienst, terwijl er een concrete verdenking bestond dat deze dienst gebruikt zou worden door criminelen die zich (in georganiseerd verband) met zeer ernstige strafbare feiten hebben beziggehouden.\n\nArtikel 31 Richtlijn 2014\u002F41\u002FEU\n\nDoor de verdediging is gesteld dat artikel 31 Richtlijn 2014\u002F41\u002FEU van toepassing is in het onderhavige geval en de bevoegde autoriteit in Nederland - de rechter-commissaris - dus had moeten worden genotificeerd door de Franse autoriteiten over de hack.\n\nIn artikel 30 en 31 Richtlijn 2014\u002F41\u002FEU staan regels geformuleerd voor Europese onderzoeksbevelen (EOB’s) voor de interceptie van telecommunicatie in een andere lidstaat. Artikel 30 bepaalt dat een EOB kan worden uitgevaardigd voor de interceptie van telecommunicatie in de lidstaat van waaruit technische bijstand nodig is. Indien de intercepterende lidstaat telecommunicatie wenst te intercepteren van een persoon van wie het communicatieadres in gebruik is op het grondgebied van een andere lidstaat en de interceptie kan worden uitgevoerd zonder de technische bijstand van die lidstaat, moet de intercepterende lidstaat op grond van artikel 31 de bevoegde autoriteiten van die lidstaat in kennis stellen van de interceptie door middel van een formulier dat als bijlage C bij de richtlijn is gevoegd.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat uit artikel 3 Richtlijn 2014\u002F41\u002FEU en het daarmee samenhangende artikel 5.4.1 lid 3 Sv volgt dat onderzoeksactiviteiten van een joint investigation team (JIT) (zoals hier aan de orde) nadrukkelijk niet onder het bereik van Richtlijn 2014\u002F41\u002FEU vallen, waardoor er geen sprake is van een notificatieverplichting aan de rechter-commissaris.\n\nConclusie\n\nGelet op het voorgaande worden alle verweren van de raadsvrouw die zien op de verkrijging en verwerking van gegevens van SkyECC verworpen. De rechtbank acht de SkyECC-berichten bruikbaar voor het bewijs en ziet geen aanleiding om de SkyECC-data van het bewijs uit te sluiten.\n\n5. De bewijsbeslissing\n\n5.1.. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle ten laste gelegde feiten.\n\n5.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft zich namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten.\n\n5.3.. Gebruikte bewijsmiddelen\n\nDe rechtbank heeft in bijlage IIopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.\n\n5.4.. Bewijsoverwegingen\n\n5.4.1. Identificatie verdachte als gebruiker van de SkyECC-accounts [SkyECC-account 1] en [SkyECC-account 2]\n\nDe rechtbank moet allereerst de vraag beantwoorden of de verdachte kan worden geïdentificeerd als de gebruiker van de SkyECC-accounts [SkyECC-account 1] en [SkyECC-account 2] . De verdediging heeft betwist dat de verdachte de (enige) gebruiker is geweest van de verschillende accounts. De rechtbank overweegt het volgende.\n\nHet account [SkyECC-account 1] was in gebruik vanaf 13 september 2020 tot en met 30 november 2020 en was gekoppeld aan één IMEI-nummer. De politie heeft geconcludeerd dat dit account tot en met 3 november 2020 in gebruik was bij iemand anders dan de verdachte. Het account [SkyECC-account 2] was in gebruik vanaf 9 augustus 2020 tot en met 6 maart 2021 en is in die periode gekoppeld geweest aan drie verschillende IMEI-nummers. Het account is door de politie aan de verdachte gelinkt vanaf 1 december 2020.\n\nDe rechtbank stelt op basis van de inhoud van de bewijsmiddelen vast dat de gebruiker van de SkyECC-accounts [SkyECC-account 1] en [SkyECC-account 2] in de periode vanaf 4 november 2020 tot en met 28 februari 2021 dezelfde persoon is geweest.\n\nVoor de vaststelling dat de verdachte gebruiker was van de betreffende SkyECC-accounts, is niet vereist dat een SkyECC-toestel onder hem in beslag is genomen. De identiteit van een gebruiker kan in dit geval worden vastgesteld op basis van de inhoud van de communicatie, metadata-onderzoek en overige objectieve gegevens in het dossier.\n\nDe rechtbank overweegt daartoe dat onder deze accounts aan elkaar verwante nicknames werden gebruikt en dat ze via overeenkomende unieke wachtwoorden toegankelijk waren. Daarnaast maakten de accounts gebruik van twee basisstations in de voor de nachtrust bestemde uren die beide de woonplaats van de verdachte binnen hun theoretisch bereik hadden. Ook volgden de SkyECC-accounts elkaar op in gebruik. Uit al deze omstandigheden concludeert de rechtbank dat de accounts aan elkaar gelinkt kunnen worden en in de voornoemde periode door dezelfde persoon zijn gebruikt.\n\nDe rechtbank overweegt voorts dat uit de bewijsmiddelen meerdere feiten en omstandigheden volgen die - in onderlinge samenhang bezien – de conclusie rechtvaardigen dat de SkyECC-accounts gedurende de periode van belang (achtereenvolgens) in gebruik waren bij de verdachte. De rechtbank acht onder andere van belang dat uit chatberichten van de accounts [SkyECC-account 1] en [SkyECC-account 2] blijkt dat de gebruiker in die periode meerdere keren aan zijn tegencontacten heeft bericht dat zij naar zijn huis moesten komen. Hij sprak voornamelijk af in de [straatnaam 1] , [straatnaam 2] en de [straatnaam 3] in Maassluis en een keer aan de [straatnaam 4] . De verdachte woonde vanaf 2014 tot en met 23 oktober 2022 aan de [straatnaam 1] in Maassluis . De [straatnaam 2] is zoals blijkt uit het dossier om de hoek van de [straatnaam 1] . Verder blijkt dat de ouders van de verdachte woonachtig zijn aan de [straatnaam 4] in Maassluis . De [straatnaam 3] ligt daar om de hoek. Ook komt uit het dossier naar voren dat het langst gebruikte IMEI-nummer gekoppeld aan het SkyECC-account [SkyECC-account 2] in de voor nachtrust bestemde uren het meest gebruikt maakte van het basisstation [basisstation 1] te Maassluis . Dit basisstation heeft de woning waar de verdachte tijdens de pleegperiode ingeschreven stond binnen zijn theoretisch bereik. Voorts maakte het IMEI-nummer gekoppeld aan SkyECC-account [SkyECC-account 1] in de voor nachtrust bestemde uren het meest gebruik van het basisstation [basisstation 2] te Maassluis . Dit basisstation heeft de woning waar de ouders van de verdachte staan ingeschreven, binnen zijn theoretisch bereik.\n\nDaarnaast zijn de SkyECC-accounts onderdeel van chatgesprekken waarin een transport van 1.2 miljoen euro is afgestemd en begeleid. Dit transport werd op 30 november 2020 onderschept door de politie. Uit de gesprekken blijkt dat de gebruiker van de accounts met zijn eigen auto aanwezig was bij dit transport. De politie zag tijdens de onderschepping dat een zilverkleurige Volkswagen Jetta aanwezig was, waarbij de bestuurder van deze auto wist te ontsnappen. Dit komt overeen met de chatberichten van het account [SkyECC-account 2] waarin de gebruiker schreef dat hij wegrende. Uit verder onderzoek is gebleken dat de verdachte ten tijde van dit incident een grijze Volkswagen Jetta op zijn naam had staan en deze tien dagen later op een andere naam heeft gezet.\n\nAndere gebruiker\n\nDe verdediging heeft betoogd dat, wanneer zou worden aangenomen dat de verdachte de SkyECC-accounts heeft gebruikt, de verdachte niet de uitsluitende gebruiker van deze accounts is geweest. Dit zou onder meer blijken uit verstuurde voiceberichten waarop een andere stem dan die van de verdachte te horen is. Bovendien zou de verdachte zich in Nederland bevinden op momenten dat het SkyECC-account [SkyECC-account 2] in Spanje en België uitstraalde. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.\n\nUit de chatberichten blijkt dat de voiceberichten zijn verzonden door ‘ [naam] ’. Daarbij wordt expliciet vermeld dat ‘ [naam] ’ op dat moment naast de gebruiker zit en met het tegencontact spreekt. Ook geeft de gebruiker aan dat ‘ [naam] ’ het tegencontact op de hoogte houdt. Hieruit leidt de rechtbank af dat de voiceberichten door een ander zijn verzonden, maar dat de verdachte de gebruiker van het account bleef.\n\nDe verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte niet (uitsluitend) als gebruiker van het account [SkyECC-account 2] kan worden aangemerkt, omdat het daaraan gekoppelde IMEI-nummer [IMEI-nummer 1] tussen 5 december 2020 en 8 maart 2021 in België heeft uitgestraald terwijl de verdachte zich toen (aantoonbaar) in Nederland bevond. De rechtbank volgt dit niet. De rechtbank overweegt dat het betreffende account gebruik maakte van drie verschillende IMEI-nummers. Uit de metadata blijkt dat op 28 november 2020 de eerste koppeling van het IMEI-nummer [IMEI-nummer 1] plaatsvond en op 30 november 2020 de laatste koppeling. Het bewuste toestel is dus slechts twee dagen aan het account gekoppeld geweest. Het IMEI-nummer had zijn laatste koppeling met het account [SkyECC-account 2] al vóórdat het in België uitstraalde. De rechtbank overweegt dat het voor de koppeling van het account [SkyECC-account 2] aan de verdachte daarom niet van belang is dat de verdachte in de periode waarin IMEI-nummer [IMEI-nummer 1] in België uitstraalde, zelf in Nederland was. Het account was op dat moment immers al aan een ander IMEI-nummer gekoppeld.\n\nVoorts heeft de verdediging ook gesteld dat IMEI-nummer [IMEI-nummer 2] in Spanje heeft uitgestraald. De periode waarin dit gebeurde, 1 augustus 2020 tot en met 7 september 2020, ligt ruim vóór de hiervoor genoemde periode vanaf 4 november 2020 tot en met 28 februari 2021 en valt buiten de tenlastelegging. Gelet op het bovenstaande doet het standpunt van de verdediging niet af aan de vaststelling dat de verdachte gebruiker was van het account ten tijde hier van belang.\n\nDe enkele, niet nader onderbouwde stelling van de verdediging dat ook de broer van de verdachte mogelijk gebruik heeft gemaakt van deze accounts wordt tegengesproken door voormelde bewijsmiddelen. De rechtbank gaat hier dan ook aan voorbij.\n\nDe rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat de identificerende chatberichten waaruit blijkt dat de verdachte de gebruiker was van het account [SkyECC-account 1] van na 4 november 2020 zijn. De rechtbank kan wat betreft de periode hieraan voorafgaand niet met zekerheid vaststellen dat de verdachte de enige gebruiker was van het account [SkyECC-account 1] . De identificerende berichten waaruit blijkt dat de verdachte de gebruiker was van het account [SkyECC-account 2] hebben als vroegste datum 1 december 2020. Blijkens de chatberichten heeft de verdachte tijdens het incident op 30 november 2020 zijn telefoon met het account [SkyECC-account 1] in het water gegooid en heeft hij vervolgens het account [SkyECC-account 2] in gebruik genomen.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank stelt, gelet op het voorgaande, vast dat de gebruiker van (achtereenvolgens) de SkyECC-accounts [SkyECC-account 1] en [SkyECC-account 2] in de periode van 4 november 2020 tot en met 28 februari 2021 de verdachte is geweest.\n\n5.4.2.. Bewijsminimum\n\nDe raadsvrouw heeft aangevoerd dat de SkyECC-gesprekken in het dossier geen steun vinden in ander bewijsmateriaal. Volgens de raadsvrouw is dan ook niet voldaan aan het wettelijk bewijsminimum.\n\nDe rechtbank volgt dit verweer niet. Allereerst bestaat het dossier uit meerdere SkyECC-gesprekken, tussen verschillende accounts, op een significant aantal data binnen de tenlastegelegde periode. Bovendien zijn binnen de SkyECC-gesprekken afbeeldingen verstuurd, die de inhoud van de gesprekken ondersteunen. Verder overweegt de rechtbank dat de bewijsregel van artikel 342, lid 2, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) betrekking heeft op getuigenverklaringen. Het bewijs van een strafbaar feit mag niet uitsluitend worden gevonden in de verklaring van één getuige. Ontsleutelde berichten zijn evenwel schriftelijke bescheiden, meer in het bijzonder ‘andere geschriften’ als bedoeld in artikel 344, lid 1, onder 5, Sv en kunnen voor het bewijs worden gebruikt ‘in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen’. Een ander bewijsmiddel kan tevens een ‘ander geschrift’ zijn (ECLI:NL:HR:2004:AO9131). In dit geval betreft dat meerdere SkyECC-berichten.\n\nWel neemt de rechtbank de nodige behoedzaamheid in acht bij het beoordelen van de SkyECC-gesprekken, omdat zij niet de beschikking heeft over alle uitgewisselde SkyECC-berichten. Bij die beoordeling komt onder meer betekenis toe aan de aard en inhoud van die gesprekken en de betekenis van gebruikte bewoordingen.\n\n5.4.3.. Ten aanzien van feiten 1, 2 en 3: In- en uitvoer van cocaïne, handel in cocaïne en de voorbereidingshandelingen\n\nIn- en uitvoer van cocaïne\n\nDe rechtbank leidt uit de gesprekken tussen de verdachte en de tegencontacten af dat in de periode van 14 november 2020 tot en met 8 februari 2021 in totaal 448 kilogram aan cocaïne over de grens van Nederland en België is gebracht.\n\nOp 14 november 2020 deelt de verdachte mee dat hij ‘50’ meegeeft en tot de grens meerijdt. In diezelfde chat wordt vervolgens een foto van een wit blok met een stempel gedeeld. De rechtbank leidt hieruit af dat de verdachte betrokken is bij het over de grens vervoeren van cocaïne. Dit wordt verder ondersteund door verschillende chatberichten waarin gesproken wordt over verschillende hoeveelheden cocaïne die worden vervoerd. Zo wordt er bijvoorbeeld gesproken over ’61 stuks afgegeven’, ’43 stuks colo’, ‘15 stuks ophalen’. Dat de verschillende transporten daadwerkelijk uitgevoerd zijn, blijkt onder andere uit berichten als ‘af gegeven bro’, ‘heb 61 stuks af gegeven’ en ‘mission complete’.\n\nDe politie heeft duiding gegeven aan de verschillende termen en begrippen die in de chatgesprekken zijn gebruikt. De rechtbank volgt de uitleg van de politie, ook omdat deze duiding past bij de context van de gevoerde gesprekken en de samenhang tussen chatberichten en afbeeldingen die bij sommige chatberichten zijn verstuurd.\n\nDe rechtbank merkt op dat geen twijfel kan bestaan dat gehandeld wordt in cocaïne. Door de verdachte zijn verschillende keren foto’s van witte blokken met een stempel erop verstuurd. Voorts wordt gesproken over prijzen die passen bij de prijs van een kilo cocaïne. Tevens wordt gesproken over ‘colo’ en ‘boli’, termen die volgens de politie worden gebruikt om cocaïne uit Colombia dan wel Bolivia aan te duiden. Mede gelet daarop en op de andere gebruikte begrippen en de context waarbinnen de gesprekken hebben plaatsgevonden, concludeert de rechtbank dat het hier gaat om cocaïne. Op grond hiervan kan de rechtbank concluderen dat er in totaal 448 kilo cocaïne is in- en uitgevoerd. Bovendien blijkt uit de chatgesprekken dat de blokken cocaïne worden verhandeld in zowel Nederland als België.\n\nHandel in cocaïne\n\nAnders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte gedurende een periode van ongeveer drie maanden heeft gehandeld in cocaïne. De rechtbank overweegt hiertoe dat er meerdere chats zijn waaruit blijkt dat sprake is van voltooide transacties. Zo wordt in deze gesprekken informatie uitgewisseld over hoeveel stuks er afgegeven zijn of moeten worden, de prijzen van blokken cocaïne en hoe veel geld het heeft opgeleverd. Ook blijkt uit de chats dat de verdachte zelf over blokken cocaïne heeft beschikt en deze heeft afgegeven. Daarnaast treedt hij op als tussenpersoon voor de ontvangende en de betalende partij. Verder stuurt de verdachte onder meer foto’s van zogenoemde ‘tokens’. Een geldbriefje met daarop een uniek nummer, waarmee kan worden gecontroleerd of de overdracht is met de juiste persoon. De verdachte doet navraag bij zijn tegencontacten of een transactie goed is gegaan, of bevestigt dit zelf aan zijn tegencontacten.\n\nVoorbereidingshandelingen\n\nIn het verlengde van het voorgaande stelt de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte in vereniging voorbereidingshandelingen heeft gepleegd ten aanzien van de handel in cocaïne. Uit een aantal SkyECC-gesprekken blijkt bijvoorbeeld dat de verdachte met de gebruikers van onder andere SkyECC-accounts [SkyECC-account 3] en [SkyECC-account 4] praat over transporten richting België. Er zijn concrete gesprekken gevoerd waarbij informatie is uitgewisseld over de beschikbaarheid, hoeveelheden, prijzen en de manier van transporteren. Uit de chats blijkt ook dat de verdachte vooruit reed om de grens te controleren, tevens gaf hij anderen de instructie om hetzelfde te doen. De verdachte was actief betrokken bij deze communicatie. Dergelijke handelingen zijn naar hun aard gericht op het mogelijk maken van het in- en uitvoeren en het verhandelen van partijen cocaïne als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet.\n\nMedeplegen\n\nDe rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen bewezen kan worden verklaard, indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Uit de chats blijkt dat de verdachte met meerdere personen drugsgerelateerde gesprekken heeft gevoerd waarin concrete informatie is uitgewisseld over onder meer beschikbaarheid, hoeveelheden, prijzen van verdovende middelen. De hierboven genoemde gedragingen vonden plaats in structurele afstemming met andere betrokkenen binnen hetzelfde samenwerkingsverband. De verdachte stond in de chats in nauw contact met zijn tegencontacten en had zowel een faciliterende als uitvoerende rol. De verdachte leverde daarmee een bijdrage van voldoende gewicht aan de voorbereiding van de voorgenomen Opiumwetfeiten. Onder deze omstandigheden is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking met zijn mededaders.\n\nPartiële vrijspraak t.a.v. een deel van de pleegperiode\n\nZoals hiervoor is overwogen, kunnen de SkyECC-accounts pas vanaf 4 november 2020 (achtereenvolgens) aan de verdachte worden gelinkt. Blijkens berichten van een tegencontact van 7 november 2020 is er op die datum contact met de verdachte over de handel in cocaïne. Daarom zal de rechtbank ten aanzien van feiten 2 en 3 tot een partiële vrijspraak komen met betrekking tot de tenlastegelegde periode vóór 7 november 2020.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank is van oordeel van de verdachte zich, tezamen en in vereniging met anderen, in de periode van 14 november 2020 tot en met 25 december 2020 schuldig heeft gemaakt aan de in- en uitvoer van cocaïne van in totaal 448 kilo. Daarnaast acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in de periode van 14 november 2020 tot en met 8 februari 2021 zich ook schuldig heeft gemaakt aan de handel van cocaïne en samen met anderen tevens in die periode voorbereidende handelingen in de zin van artikel 10a Opiumwet heeft verricht. De rechtbank acht de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten dan ook wettig en overtuigend bewezen.\n\n5.4.4.. Ten aanzien van feit 4: Voorbereiding van wapenhandel\n\nUit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte in de periode van 10 december 2020 tot en met 28 februari 2021 chatgesprekken heeft gevoerd over – kortgezegd – de handel in vuurwapens. De verdachte heeft foto’s van vuurwapens gedeeld en gesprekken gevoerd over verschillende soorten (automatische) vuurwapens, waaronder Walters, Glocks en AK’s. Ook laat de verdachte zijn tegencontact weten dat hij vuurwapens kan laten ombouwen en wat de prijzen zijn. Gezien de prijzen die zijn genoemd, in combinatie met de verstuurde afbeeldingen van de wapens, bestaat er geen twijfel dat het hier om echte vuurwapens gaat. Uit de chats is af te leiden dat de verdachte enerzijds beschikt over contacten die vuurwapens hebben en anderzijds over contacten die geïnteresseerd zijn in vuurwapens. Gezien de hoeveelheden en de inhoud van de gesprekken concludeert de rechtbank dat de verdachte de wapens gedurende een periode met winst wilde verkopen, hetgeen met zich brengt dat sprake is van ‘een beroep’. Tot slot had de verdachte geen erkenning om wapens te verhandelen.\n\nMedeplegen\n\nZoals reeds hiervoor is overwogen met betrekking tot het medeplegen, volgt ook hieruit de chatberichten dat de verdachte nauw en bewust samen heeft gewerkt met zijn tegencontacten en dat ook hier sprake is van medeplegen.\n\nPartiële vrijspraak munitie\n\nDe rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het tenlastegelegde voor zover dit ziet op munitie. De rechtbank heeft onvoldoende aanknopingspunten in het dossier aangetroffen om dit bewezen te achten.\n\nConclusie\n\nOp grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte gedurende de periode van 10 december 2020 tot en met 28 februari 2021 zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de voorbereiding van wapenhandel zoals onder 4 tenlastegelegd.\n\n5.4.5.. Ten aanzien van feit 5: Witwassen\n\nDe rechtbank leidt uit de inhoud van de in het dossier opgenomen chatberichten af dat binnen het samenwerkingsverband meermalen aanzienlijke contante geldbedragen zijn opgehaald, vervoerd en afgeleverd. Uit de context van deze chatgesprekken blijkt dat deze geldstromen verband hielden met de handel in cocaïne. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de verdachte in een chatbericht van 24 november 2020 expliciet heeft vermeld dat hij een bedrag van één miljoen euro had ontvangen dat niet van hem was.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank kunnen de afzonderlijke chatberichten niet los van elkaar worden bezien, maar dienen deze in onderlinge samenhang te worden gewaardeerd. Uit die samenhang volgt dat de besproken en verplaatste geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf, te weten de handel in cocaïne. Gelet op de eigen betrokkenheid bij de handel in cocaïne, is de rechtbank van oordeel dat de verdachte wetenschap moet hebben gehad van de criminele herkomst van dit geld.\n\nTijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte is een contant geldbedrag van € 4.000,- gevonden. Opvallend is dat het geld bestond uit coupures die niet afkomstig zijn uit Nederlandse geldautomaten. Daarnaast was het geld samengebonden op een wijze die kenmerkend is voor crimineel geld. Voorts blijkt op basis van de verstrekte gegevens van iCOV (Infobox Crimineel en Onverklaarbaar Vermogen) dat de verdachte minimale inkomsten had ten tijde van de pleegperiode. Daarbij weegt de rechtbank mee dat tijdens de doorzoeking van zijn woning is gebleken dat de verdachte een levensstijl had die niet past bij zijn inkomen. De verdachte heeft niet aannemelijk kunnen maken waarmee hij dit heeft bekostigd. De rechtbank komt om die reden tot de slotsom dat het niet anders kan dan dat het volledige geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf.\n\nConclusie\n\nDe rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van het witwassen van in totaal een geldbedrag van € 3.224.250,-.\n\n5.5.. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.\n\nDe rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:\n\n1 hij op meer tijdstip(pen) in de periode van 14 november 2020 tot en met 25 december 2020 te Maassluis , in elk geval in Nederland, en\u002Fof te België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 50 kilo en 150 kilo en 61 kilo en 100 kilo en 9 kiloen 20 kilo en 43 kilo en 15 kilo, in elk geval een grote hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n2 hij op één of meer tijdstip(pen) in de periode van 7 november2020 tot en met 8 februari 2021 te Maassluis , in elk geval in Nederland, en\u002Fof te België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd en\u002Fof opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;\n\n3 hij op meer tijdstippen in de periode van 7 november2020 tot en met 8 februari 2021 te Maassluis , in ieder geval in Nederland, en\u002Fof te België tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten - het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen en - het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\n\n- het opzettelijk vervaardigen van een groot aantal, althans meerdere, in ieder geval een, blok(ken) en\u002Fof (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet, en- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen en - zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door - meerdere PGP-telefoons, althans encryptie-telefoons, voorhanden te hebben gehad en daarvan gebruik te hebben gemaakt in de communicatie met één of meer van zijn mededader(s) en\u002Fof leverancier(s) en\u002Fof afnemer(s) en\u002Fof andere derde(n) en\u002Fof - een of meer ontmoeting(en) te hebben gehad met en\u002Fof een of meer (telefonische) afspra(a)k(en) te hebben gemaakt met en\u002Fof een of meer bespreking(en) en\u002Fof onderhandeling(en) te hebben gevoerd met en\u002Fof een of meer inlichting(en) en\u002Fof aanwijzing(en) en\u002Fof opdracht(en) te hebben (door)gegeven aan zijn mededader(s) en\u002Fof een of meer anderen, om voornoemde verdovende middelen te kopen en\u002Fof verkopen en\u002Fof in ontvangst te nemen en\u002Fof vervoeren en\u002Fof betreffende de wijze waarop die verdovende middelen, zou(den) worden gekocht en\u002Fof geleverd en\u002Fof afgenomen en\u002Fof verder vervoerd en - (aan\u002Fbij) de kopende en\u002Fof verkopende partij(en) en\u002Fof derde(n) informatie te hebben (op)gevraagd en\u002Fof te hebben verstrekt over de prijzen, omvang en\u002Fof samenstelling van (de partij (en)) verdovende middelen en - meer foto’s van meer partijen verdovende middelen te hebben gemaakt en\u002Fof te hebben laten maken en\u002Fof (vervolgens) te hebben verzonden\u002Fdoorgestuurd aan de kopende partij(en) en\u002Fof mededader(s) en\u002Fof derde(n);\n\n4 hij op meer tijdstippen in de periode van 10 december 2020 tot en met 28 februari 2021 te Maassluis , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf van het voorhanden hebben en\u002Fof het (zonder erkenning) overdragen en\u002Fof het in strijd met de wet vervaardigen, transformeren of anderszins ter beschikking stellen of verhandelen van vuurwapens van categorie II en III, en daarvan een beroep of een gewoonte te maken, zijnde een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 8 jaren of meer is gesteld, opzettelijk - informatiedragers, te weten mobiele telefoons met daarop een applicatie SkyECC voor encrypte\u002Fversleutelde communicatie, en - meer (vuur)wapens van categorie II en categorie III (merk Heckler en Koch)van de Wet wapens en munitie, bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad, door telkens - gebruik te maken van SkyECC-accounts\u002F-ID’s, te weten “ [SkyECC-account 1] ” en\u002Fof “ [SkyECC-account 2] ”, en - aan encrypted SkyECC-chats deel te nemen die betrekking hebben op de handel in vuurwapens, en - (chat)berichten te sturen naar en\u002Fof te ontvangen van een of meerdere (mogelijke) leverancier(s), koper(s), tussenperso(o)n(en) en\u002Fof anderen, en - in meerdere (chat)berichten wapens aan te bieden en\u002Fof aangeboden te krijgen, althans in die (chat)berichten aan te sturen op de verkoop en\u002Fof aankoop van wapens, door aan en\u002Fof van een of meer anderen afbeeldingen en\u002Fof specificaties van de betreffende wapens (o.a. “Walters”, “glocks”, “aks”, “glocks 17”, “Glock 19 En 6.35 met demp”, “cz 30”, “hockler& Koch”) te sturen en\u002Fof te ontvangen en\u002Fof het verkoopbedrag en\u002Fof aankoopbedrag van de betreffende wapens door te geven en\u002Fof te vragen en\u002Fof over de verkoopprijs en\u002Fof aankoopprijs te onderhandelen;\n\n5 hij op meer tijdstippen in de periode van 13 november 2020 tot en met 1 maart 2024, te Maassluis , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (van) meer voorwerpen, te weten - één of meer (grote) geldbedragen 700.000 euro en 1.000.000 euro en 1.200.000 euro en 314.750(K) en 5000 euro en 500 euro (van in totaal 3.220.250euro)en 4.000 euro), - de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld, dan wel - heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat \u002Fdie voorwerp(en) was\u002Fwaren, en\u002Fof - heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie dat\u002Fdie voorwerp(en) voorhanden had(den) en\u002Fof - heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en\u002Fof - gebruik heeft gemaakt terwijl hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) dat dat\u002Fdie voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit eigen misdrijf.\n\nVoor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.\n\n6. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.\n\n7. De strafbaarheid van de verdachte\n\nDe verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.\n\n8. De strafoplegging\n\n8.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Voorts heeft de officier van justitie een geldboete van € 80.000,- gevorderd.\n\n8.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in de strafmaat en heeft verwezen naar soortgelijke zaken waar gevangenisstraffen tussen de 2,5 en 4 jaren zijn opgelegd.\n\n8.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nNa te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.\n\nErnst van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich gedurende een periode van een aantal maanden schuldig gemaakt aan de in- en uitvoer van cocaïne, de handel van cocaïne en voorbereidingshandelingen ten aanzien van deze feiten. Met zijn handelen draagt de verdachte bij aan de (internationale) cocaïnehandel en hij is dan ook deels verantwoordelijk voor de gevolgen van deze handel. De grootschalige handel in cocaïne heeft een ontwrichtende invloed op de samenleving. Zo zijn harddrugs zeer schadelijk voor de volksgezondheid en veroorzaakt het gebruik daarvan overlast en criminaliteit. Daarnaast gaan in de georganiseerde handel van harddrugs grote sommen geld om, waardoor de financiële belangen van daders vaak groot zijn. Om die belangen te beschermen wordt dikwijls geweld gebruikt. Van de drugshandel gaat bovendien een ondermijnend effect uit. Het is naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet meer dan terecht dat er voor de georganiseerde handel in cocaïne lange onvoorwaardelijke gevangenisstraffen worden opgelegd. Enerzijds dient dit als vergelding voor de ontwrichting van de maatschappij waar de dader indirect aan heeft bijgedragen. Anderzijds heeft het opleggen van vrijheidsstraffen tot doel anderen ervan te weerhouden zich met deze vorm van georganiseerde criminaliteit in te laten.\n\nNiet alleen heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan cocaïnehandel. Tegelijkertijd heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van geldbedragen die afkomstig waren uit deze handel. Witwassen heeft een ontwrichtende werking op het financieel en economisch verkeer en faciliteert de onderliggende (drugs)criminaliteit. Ook levert witwassen een aantasting op van de legale economie.\n\nOok heeft de verdachte zich gedurende een periode van ruim twee maanden schuldig gemaakt aan de voorbereiding van wapenhandel, in de hoedanigheid van wapenmakelaar. De verdachte beschikte over de mogelijkheid om verschillende soorten (automatische) vuurwapens te leveren en was in staat om deze te laten ombouwen. De verdachte had verschillende wapens voorhanden en bood deze te koop aan. Het ongecontroleerde bezit van wapens in zijn algemeenheid brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en leidt tot gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. De illegale handel in wapens dient dan ook streng te worden bestraft.\n\nStrafblad\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 26 september 2025. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.\n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank betrekt bij haar oordeel ook de proceshouding van de verdachte; hij heeft bij de politie en tijdens het onderzoek ter terechtzitting geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn strafbaar handelen en evenmin inzicht daarin gegeven.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de persoonlijke omstandigheden die tijdens de terechtzitting door en namens de verdachte naar voren zijn gebracht. Voorts is gebleken dat de verdachte zich aan zijn schorsingsvoorwaarden heeft gehouden en er geen sprake is van recidive.\n\nDe straf\n\nGelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van zes jaren passend en geboden, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. In essentie kent de rechtbank grotere betekenis dan de officier van justitie toe aan de omstandigheid dat sprake is van een samenhangend feitencomplex en dat een deel van de feiten ziet op voorbereidingshandelingen, reden waarom zij tot een lagere straf komt dan door de officier van justitie is geëist. De rechtbank ziet, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, geen reden om aan de verdachte een geldboete op te leggen. De officier van justitie heeft de geldboete bedoeld als afroomboete, gericht op het ontnemen van het voordeel dat de verdachte met de strafbare feiten zou hebben genoten. De rechtbank ziet echter onvoldoende aanknopingspunten om vast te stellen welk financieel voordeel de verdachte daadwerkelijk heeft behaald. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om de gevorderde geldboete op te leggen.\n\nTenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.\n\nVoorlopige hechtenis\n\nIn deze strafzaak is de voorlopige hechtenis van de verdachte geschorst totdat door de rechtbank einduitspraak is gedaan.\n\nAan het bevel tot voorlopige hechtenis in deze zaak ligt gevaar voor herhaling ten grondslag. De rechtbank heeft de voorlopige hechtenis van de verdachte vanaf 24 september 2025 geschorst onder bijzondere voorwaarden. De rechtbank heeft geen signalen die wijzen op overtreding van één van de voorwaarden. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat er geen sprake meer is van de recidivegrond, waardoor er geen gronden meer bestaan om de voorlopige hechtenis te laten voortduren. De voorlopige hechtenis van de verdachte wordt opgeheven.\n\n9. De inbeslaggenomen voorwerpen\n\n9.1.. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage IIIaan dit vonnis is gehecht) zullen worden verbeurdverklaard.\n\n9.2.. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen gevorderd.\n\n9.3.. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank zal de op de beslaglijst genoemde voorwerpen, te weten een geldbedrag van\n\n€ 4.000,- en een telefoon, verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar aangezien het geldbedrag door middel van de bewezenverklaarde strafbare feiten is verkregen en met behulp van de telefoon de bewezenverklaarde feiten zijn begaan of voorbereid.\n\n10. De toepasselijke wetsartikelen\n\nDe op te leggen straf en is gegrond op de artikelen:\n\n- 33, 33 a, 46, 47, 55, 57, 420bis van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 2, 10, 10 a van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I;\n\n- 9, 26, 55 van de Wet wapens en munitie.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.\n\n11. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nverklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 5.5 bewezen is verklaard;\n\nverklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nverklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:\n\nten aanzien van feiten 1, 2 en 3:\n\nde eendaadse samenloop van:\n\nmedeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;\n\nen\n\nmedeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;\n\nen\n\nmedeplegen van een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen, om een ander trachten te bewegen daartoe gelegenheid en inlichtingen te verschaffen, zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;\n\nten aanzien van feit 4:\n\nmedeplegen van voorbereiding van handelen in strijd met artikel 9, eerste lid en artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en\u002Fof een vuurwapen van categorie III, terwijl het feit wordt gepleegd door een persoon die daarvan een beroep of gewoonte maakt, meermalen gepleegd;\n\nten aanzien van feit 5:\n\nmedeplegen van witwassen;\n\nverklaart de verdachte daarvoor strafbaar;\n\nveroordeelt de verdachte tot:\n\neen gevangenisstrafvoor de duur van6 (zes) JAREN;\n\nbepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de aan hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;\n\nheft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;\n\nverklaart verbeurd de op de beslaglijst genoemde voorwerpen, te weten:\n\n4.000,00 EUR Geld Euro (Omschrijving: PL1500-DHRAA22108_807021);\n\n1 STK Telefoontoestel (Omschrijving: DHRAA22108_823463, Grijs, merk: Apple iPhone 15 PRO).\n\nDit vonnis is gewezen door\n\nmr. B.J. de Griend, voorzitter,\n\nmr. L.K. van Zaltbommel, rechter,\n\nmr. J.E. van Essen, rechter,\n\nin tegenwoordigheid van mrs. A.V. Sagarajah en C.W.I. Ostendorf, griffiers,\n\nen uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 juni 2026.\n\nBijlage I\n\nTekst tenlastelegging\n\n1 hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 november 2020 tot en met 25 december 2020 te Maassluis , in elk geval in Nederland, en\u002Fof te België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 50 kilo en\u002Fof 150 kilo en\u002Fof 61 kilo en\u002Fof 100 kilo en\u002Fof 9 kiloen\u002Fof 20 kilo en\u002Fof 43 kilo en\u002Fof 15 kilo, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n2 hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 september 2020 tot en met 8 februari 2021 te Maassluis , in elk geval in Nederland, en\u002Fof te België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en\u002Fof bereid en\u002Fof bewerkt en\u002Fof verwerkt en\u002Fof verkocht en\u002Fof afgeleverd en\u002Fof verstrekt en\u002Fof vervoerd en\u002Fof opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\n3 hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 september 2020 tot en met 8 februari 2021 te Maassluis , in ieder geval in Nederland, en\u002Fof te België tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en\u002Fof te bevorderen, te weten - het opzettelijk binnen en\u002Fof buiten het grondgebied van Nederland brengen en\u002Fof - het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en\u002Fof vervoeren, en\u002Fof - het opzettelijk vervaardigen van een groot aantal, althans meerdere, in ieder geval een, blok(ken) en\u002Fof (grote) hoeveelheid\u002Fhoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet - een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en\u002Fof uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en\u002Fof om daartoe gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen te verschaffen en\u002Fof - zich en\u002Fof een ander gelegenheid, middelen en\u002Fof inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen, en\u002Fof - voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en\u002Fof andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en\u002Fof zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door - één of meerdere PGP-telefoon(s), althans encryptie-telefoon(s), voorhanden te hebben gehad en\u002Fof daarvan gebruik te hebben gemaakt in de communicatie met één of meer van zijn mededader(s) en\u002Fof leverancier(s) en\u002Fof afnemer(s) en\u002Fof andere derde(n) en\u002Fof - een of meer ontmoeting(en) te hebben gehad met en\u002Fof een of meer (telefonische) afspra(a)k(en) te hebben gemaakt met en\u002Fof een of meer bespreking(en) en\u002Fof onderhandeling(en) te hebben gevoerd met en\u002Fof een of meer inlichting(en) en\u002Fof aanwijzing(en) en\u002Fof opdracht(en) te hebben (door)gegeven aan zijn mededader(s) en\u002Fof een of meer anderen, om voornoemde verdovende middelen te kopen en\u002Fof verkopen en\u002Fof te bewerken en\u002Fof in ontvangst te nemen en\u002Fof vervoeren en\u002Fof betreffende de wijze waarop die verdovende middelen, zou(den) worden gekocht en\u002Fof bewerkt en\u002Fof geleverd en\u002Fof afgenomen en\u002Fof verder vervoerd en\u002Fof - (aan\u002Fbij) de kopende en\u002Fof verkopende partij(en) en\u002Fof derde(n) informatie te hebben (op)gevraagd en\u002Fof te hebben verstrekt over de prijzen, omvang en\u002Fof samenstelling van (de partij (en)) verdovende middelen en\u002Fof - een of meer foto’s van een of meer partij(en) verdovende middelen te hebben gemaakt en\u002Fof te hebben laten maken en\u002Fof (vervolgens) te hebben verzonden\u002Fdoorgestuurd aan de kopende partij(en) en\u002Fof mededader(s) en\u002Fof derde(n);\n\n4 hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 10 december 2020 tot en met 28 februari 2021 te Maassluis , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf van het voorhanden hebben en\u002Fof het (zonder erkenning) overdragen en\u002Fof het in strijd met de wet vervaardigen, transformeren of anderszins ter beschikking stellen of verhandelen van vuurwapens en munitie van categorie II en III, en daarvan een beroep of een gewoonte te maken, zijnde een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 8 jaren of meer is gesteld, opzettelijk - informatiedragers, te weten (een) mobiele telefoon(s) met daarop een applicatie Sky ECC voor encrypte\u002Fversleutelde communicatie, en\u002Fof - één of meer (vuur)wapens van categorie II en\u002Fof categorie III (merk Heckler en Koch)van de Wet wapens en munitie, bestemd tot het begaan van dat misdrijf voorhanden heeft gehad, door telkens - gebruik te maken van Sky ECC-accounts\u002F-ID’s, te weten “ [SkyECC-account 1] ” en\u002Fof “ [SkyECC-account 2] ”, en - aan encrypted Sky-ECCchats deel te nemen die betrekking hebben op de handel in vuurwapens en\u002Fof munitie, en - (chat)berichten te sturen naar en\u002Fof te ontvangen van een of meerdere (mogelijke) leverancier(s), koper(s), tussenperso(o)n(en) en\u002Fof anderen, en - in een of meerdere (chat)berichten wapens en\u002Fof munitie aan te bieden en\u002Fof aangeboden te krijgen, althans in die (chat)berichten aan te sturen op de verkoop en\u002Fof aankoop van wapens en\u002Fof munitie, door aan en\u002Fof van een of meer anderen afbeeldingen en\u002Fof specificaties van de betreffende wapens (o.a. “Walters”, “glocks”, “aks”, “glocks 17”, “Glock 19 En 6.35 met demp”, “cz 30”, “hockler& Koch”) te sturen en\u002Fof te ontvangen en\u002Fof het verkoopbedrag en\u002Fof aankoopbedrag van de betreffende wapens en\u002Fof munitie door te geven en\u002Fof te vragen en\u002Fof over de verkoopprijs en\u002Fof aankoopprijs te onderhandelen;\n\nsubsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 10 december 2020 tot en met 28 februari 2021 te Maassluis , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) één of meer (vuur)wapen(s) van categorie II en\u002Fof categorie III (merk Heckler en Koch) van de Wet wapens en munitie, voorhanden heeft gehad;\n\n 5 hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 november 2020 tot en met 1 maart 2024, te Maassluis , in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen (van) een voorwerp, althans een of meer voorwerpen, te weten - één of meer (grote) geldbedragen 700.000 euro en\u002Fof 1.000.000 euro en\u002Fof 1.200.000 euro en\u002Fof 314.750(K) en\u002Fof 5000 euro en\u002Fof 500 euro (van in totaal 4.000.000 euro en\u002Fof 4.000 euro), - de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en\u002Fof de verplaatsing heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld, dan wel - heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat \u002Fdie voorwerp(en) was\u002Fwaren, en\u002Fof - heeft verborgen en\u002Fof heeft verhuld wie dat\u002Fdie voorwerp(en) voorhanden had(den) en\u002Fof - heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en\u002Fof - gebruik heeft gemaakt terwijl hij, verdachte, en\u002Fof zijn mededader(s) wist(en) dat dat\u002Fdie voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was\u002Fwaren uit enig (eigen) misdrijf.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:17197","ecli-nl-rbdha-2026-17197",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,50,60],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},{"id":51,"ecli":52,"caseNumber":6,"courtId":53,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":54,"language":12,"source":13,"sourceUrl":55,"summary":6,"slug":56,"metadata":57},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":58,"legalDomain":59,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":61,"ecli":62,"caseNumber":6,"courtId":63,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":64,"language":12,"source":13,"sourceUrl":65,"summary":6,"slug":66,"metadata":67},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":68,"legalDomain":59,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]