Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:17207

Court

Den Haag

Date

11 June 2026

Language

nl

Case Summary

Legal Issue

Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Holding / Outcome

Uitspraak

Den Haag

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; VreemdelingenrechtType: uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.46477
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. K. Yousef),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Gigengack).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 20 augustus 2024 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 22 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

1.1.. De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Rida als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2002. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in Syrië gevaar loopt vanwege de onveilige situatie daar. Eiser komt uit Aleppo. Hij heeft Syrië in 2014 verlaten en vervolgens tot 2024 in Turkije verbleven. In Turkije heeft eiser problemen gekregen met de broer van zijn (voormalige) vriendin. Hij heeft eiser met een mes aangevallen en verspreid dat eiser een aanhanger is van Assad. Omdat eiser dezelfde achternaam heeft als een bekende aanhanger van Assad, vreest hij te meer dat hij ook zo gezien zal worden.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;

eisers vrees voor de algemene situatie in Syrië; en

eisers problemen met familie van zijn voormalige vriendin.

4. Verweerder vindt niet geloofwaardig dat eiser problemen heeft met de broer van zijn voormalige vriendin in Turkije. Eiser heeft namelijk geen stukken overgelegd die onderbouwen dat hij aangifte heeft gedaan van het steekincident. Ook een video waaruit zou blijken dat de broer van eisers voormalige vriendin hem heeft bedreigd, heeft eiser niet overgelegd terwijl dit wel verwacht mocht worden. Daarnaast heeft eiser volgens verweerder wisselend en summier verklaard over de gebeurtenissen. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser wel geloofwaardig. Volgens verweerder heeft eiser echter geen gegronde vrees voor vervolgingen loopt hij geen reëel risico op ernstige schadebij terugkeer naar Syrië. Er is sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië en voor eiser gelden geen individuele omstandigheden die maken dat hij daar slachtoffer van zal worden. Verweerder wijst de aanvraag van eiser af als kennelijk ongegrond omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd.

Wat vindt eiser in beroep?

5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder is ten onrechte niet ingegaan op eisers aanbod om de bedreigingsvideo alsnog op te sturen en heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom geen forensisch medisch onderzoek is aangeboden. Verweerder heeft daarmee de samenwerkingsplicht geschonden. Wat betreft de aangifte in Turkije verkeert eiser in bewijsnood, omdat hij die niet terug kan halen. Verweerder heeft ook ten onrechte tegengeworpen dat eiser inconsistent heeft verklaard over het steekincident en heeft ten onrechte niet aangenomen dat er sprake is van een toegerekende politieke overtuiging. Ook heeft verweerder het besluit onvoldoende gemotiveerd waar het gaat om de veiligheidssituatie in Syrië. Verweerder heeft miskend dat de situatie volatiel is en heeft zich niet voldoende op gezaghebbende bronnen gebaseerd. Tot slot mocht verweerder de aanvraag niet afdoen als kennelijk ongegrond.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

6. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank dat uit.

De geloofwaardigheid van eisers problemen met de broer van zijn vriendin

7. Allereerst is de rechtbank van oordeel dat verweerder eisers problemen met de broer van zijn (ex-)vriendin op goede gronden ongeloofwaardig heeft geacht. Verweerder mocht er allereerst op wijzen dat eiser zonder goede verklaring onvoldoende documenten heeft gegeven met betrekking tot de aangifte en de bedreiging. Anders dan eiser heeft betoogd, had hij voldoende de gelegenheid om de video van de bedreiging bij verweerder over te leggen. Voor zover onduidelijk was hoe dat moest, was het aan eiser en zijn gemachtigde om verweerder hier concreet naar te vragen. Verweerder was ook niet gehouden om een forensisch medisch onderzoek uit te laten voeren. Verweerder mocht zich ook op het standpunt stellen dat eisers verklaringen over de problemen summier en wisselend zijn en op belangrijke punten gebaseerd op aannames. Hoewel de rechtbank verweerder er niet in kan volgen dat eiser inconsistent heeft verklaard over wanneer hij de pijn van de messteek voelde, mocht verweerder over de gebeurtenis als geheel en over de aanleiding daarvan wel meer gedetailleerde verklaringen verwachten van eiser. Tot slot mocht verweerder aan eiser tegenwerpen dat hij zijn asielaanvraag pas een maand na aankomst in Nederland heeft gedaan.

Reëel risico op ernstige schade vanwege situatie van willekeurig geweld

8. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vreemdelingenwet 2000, gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming.

Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers.De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken.Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling.

8.1.. Verweerder heeft het besluit van 22 september 2025 gebaseerd op het Algemeen Ambtsbericht van mei 2025, dat op dat moment het meest recente ambtsbericht was. Verweerder heeft daarnaast in de besluitvorming meegenomen: de brief van de minister aan de Tweede Kamer van 10 juni 2025, waarin hij het landenbeleid over Syrië nader toelicht, de EUAA Country Focus Syria van juli 2025, data van de UNHCR van 16 mei 2025 en 14 juli 2025 over terugkeerders naar Syrië, en updates van Syria Weekly over de periode juli 2025. Met het verweerschrift van 22 mei 2026 heeft verweerder deze beoordeling op verzoek van de rechtbank geactualiseerd onder verwijzing naar het inmiddels meest recente Algemeen Ambtsbericht van januari 2026. Verweerder heeft hierbij ook data betrokken van de UNHCR, ACLED, EUAA en het UK Home Office. Anders dan eiser heeft betoogd, heeft verweerder zich in de besluitvorming hiermee gebaseerd op gezaghebbende en actuele bronnen.

8.2..

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat uit het Algemeen Ambtsbericht over Syrië van mei 2025 het beeld naar voren komt dat er gewapende conflicten in het hele land plaatsvinden tussen verschillende gewapende actoren, leidend tot incidentele pieken in geweldsuitbarstingen en gevechten, maar dat de veiligheidssituatie redelijk is verbeterd en dat de aantallen burgerslachtoffers als gevolg van willekeurig geweld hierbij relatief laag blijven.Verweerder heeft uit het meest recente ambtsbericht van januari 2026 kunnen concluderen dat het aantal geweldsincidenten in Syrië flink is gedaald en ook het aantal burgerdoden is afgenomen. Ook heeft verweerder kunnen concluderen dat het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten nauwelijks is toegenomen en dat er daarnaast maatregelen worden genomen met betrekking tot het ruimen van ontplofbare oorlogsresten.

Verweerder heeft daarbij kunnen concluderen dat de dalende trend in geweldsincidenten ook in Aleppo, het gebied van terugkeer van eiser, te zien is. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat het grootste gedeelte van de provincie Aleppo onder controle staat van de overgangsregering. In de verslagperiode fluctueerde het maandelijkse aantal geweldsincidenten tussen 34 (november 2025) en 72 (september 2025). In vergelijking met de voorgaande verslagperiode was sprake van een daling van het aantal geregistreerde geweldsincidenten in Aleppo. Verder waren er in Aleppo meerdere incidenten met ontplofbare oorlogsresten, maar werden deze ook geruimd. In de verslagperiode was sprake van ontheemding in Aleppo, maar het is niet duidelijk in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. Wel leidden spanningen in december 2025 in de stad Aleppo tot ontheemding. In de verslagperiode keerden echter ook meer dan 700.000 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in Aleppo.

8.3.. Wat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er in het verweerschrift terecht op gewezen dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden, zoals die beschreven staan in het Algemeen Ambtsbericht over Syrië uit mei 2025, het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict.Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het meest recente ambtsbericht van januari 2026 geen reden geeft voor een andere conclusie op dit punt. Weliswaar heeft ook het handelen van de huidige partijen impact op de humanitaire situatie, maar verweerder heeft kunnen concluderen dat de slechte humanitaire situatie in hoofdzaak niet is te wijten aan huidig handelen van de nu nog actieve partijen. Verweerder heeft ook gewezen op de EUAA Country Guidance over Syrië waarin staat dat vóór de val van het Assad-regime gerapporteerd werd dat strijdende partijen bewust gezondheidsvoorzieningen aanvielen en ook de aanvoer van basisvoorzieningen tegenhielden, maar dat er geen informatie is die erop wijst dat dit nog steeds het geval is.Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat de partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië in het algemeen en Aleppo in het bijzonder veroorzaken en/of in stand houden.

8.4.. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Aleppo.

8.5.. Nu er sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld, dient eiser aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat het feit dat hij een naam deelt met een bekend Assad-aanhanger, niet maakt dat eiser een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Verweerder mocht vinden dat eiser verder geen relevante persoonlijke kenmerken heeft aangevoerd die maken dat hij een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.

Terugkeerbesluit

9. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026geoordeeld dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden.

9.1..

Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmitwee situaties onderscheidt: - In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.

  • In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger.

9.2.. In het verweerschrift heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in september 2025 een getroffen voorlopige voorziening ten aanzien van een Syrische man niet heeft verlengd.Ook heeft verweerder erop gewezen dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi heeft overwogen dat van schending van artikel 3 van het EVRM wegens humanitaire omstandigheden die niet worden veroorzaakt door het doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor, slechts sprake kan zijn bij ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Eiser heeft volgens verweerder niet aangevoerd dat hij bij terugkeer naar Syrië terecht zal komen in een zodanig schrijnende humanitaire situatie.

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM wegens de humanitaire omstandigheden. Eiser heeft in dit kader aangevoerd dat hij een dergelijk risico loopt, omdat hij al lang weg is uit Syrië en daar geen familie heeft wonen. Hoewel sprake is van een slechte en complexe humanitaire situatie, heeft eiser met hetgeen hij heeft aangevoerd de lat van het arrest Sufi en Elmi niet gehaald, ongeacht of wordt uitgegaan van de ‘lichtere’ of ‘zwaardere’ toets.

Kennelijk ongegrond

11. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder eisers aanvraag ook kennelijk ongegrond verklaren omdat hij niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd. Eiser heeft namelijk ruim een maand nadat hij Nederland is ingereisd, asiel aangevraagd.

Conclusie en gevolgen

12. Verweerder heeft de aanvraag mogen afwijzen als kennelijk ongegrond.

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.

12.1.. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Op basis van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000.

Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking).

Dit volgt uit het arrest Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 (X en Y).

Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 (CF en DN).

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.

Uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.2.

Zie de Beslisnota van 4 juni 2025, behorend bij de Kamerbrief over het landenbeleid voor Syrië van 10 juni 2025.

Zie ook de uitspraak van de MK Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.3.

EUAA Country Guidance: Syria Comprehensive update, december 2025, p. 58.

Uitspraak van 23 februari 2026, noot 12, r.o. 7.4.

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94 (Elgafaji), punt 28.

Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk), punt 278-283.

Persbericht van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 24 september 2025 in de zaak A.F. tegen Oostenrijk (zaaknummer 24394/25).

More Decisions