Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:17227

Court

Den Haag

Date

24 June 2026

Language

nl

Case Summary

Legal Issue

Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht

Holding / Outcome

Uitspraak

Den Haag

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; VreemdelingenrechtType: uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.12423
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. H. Yousef),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.F. Aly).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 29 oktober 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 27 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.

1.1.. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.2.. De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, L. Makadan als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1981. Hij komt uit [plaats]. Tussen 2007 en 2010 heeft hij in Saoedi-Arabië gewoond en gewerkt. Daarna is hij teruggekeerd naar Syrië en in 2015 is hij vertrokken naar Turkije. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser behoort tot de Maliki rechtsschool. Daarnaast is hij tien dagen vastgehouden door IS toen hij Syrië wilde verlaten. Zij hebben hem de keuze gegeven om ofwel voor 45 dagen een religieuze heropvoedingscursus te volgen, ofwel veroordeeld te worden. Eiser heeft gezegd dat hij de cursus zou volgen, maar is vervolgens gevlucht.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:

de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser; en

dat eiser de Maliki rechtsschool volgt; en

eisers problemen met [naam] en een rechter vanwege zijn aanhouding door IS.

4. Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig, net als dat hij de Maliki rechtsschool volgt. Eisers problemen vanwege zijn aanhouding door IS vindt verweerder niet geloofwaardig, omdat zijn verklaringen daarover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Volgens verweerder heeft eiser niet onderbouwd dat de personen met wie hij problemen heeft, onderdeel zijn van IS of nu deel uitmaken van het huidige regime. Eisers verklaringen zijn daarnaast gebaseerd op vermoedens en komen niet overeen met openbare informatie over IS en landeninformatie over Syrië. Volgens verweerder heeft eiser op basis van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst en zijn religie geen gegronde vrees voor vervolgingen loopt hij geen reëel risico op ernstige schadebij terugkeer naar Syrië. Er is niet gebleken dat eiser problemen heeft gehad of heeft te verwachten vanwege zijn religie. Hoewel er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië, gelden voor eiser geen individuele omstandigheden die maken dat hij daar slachtoffer van zal worden.

Wat vindt eiser in beroep?

5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder mocht allereerst eisers problemen met IS niet ongeloofwaardig achten. Verweerder heeft eisers relaas teruggebracht tot problemen met enkele personen, terwijl het erom gaat dat hij problemen heeft met IS als geheel. Eisers verklaringen zijn ook, anders dan verweerder stelt, voldoende concreet en wel in lijn met beschikbare landeninformatie. Vanwege zijn problemen met IS, loopt eiser het risico bij terugkeer herkend en vervolgd te worden. Verweerder heeft daarnaast het landenbeleid over Syrië ondeugdelijk gemotiveerd wat betreft de situatie van willekeurig geweld. Er is sprake van een instabiele situatie en zeer slechte humanitaire omstandigheden. Dat blijkt onder andere uit het nieuwe Algemeen Ambtsbericht over Syrië van januari 2026. Verweerder heeft ook niet deugdelijk beoordeeld of eiser bij terugkeer, gelet op de humanitaire omstandigheden, terecht komt in een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

6. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers asielaanvraag terecht heeft afgewezen als ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit twee motiveringsgebreken bevat en zal het daarom vernietigen. Zij ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten.Hieronder legt de rechtbank dat uit.

Eisers problemen met IS

7. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder concluderen dat eiser zijn problemen met IS niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder mocht erop wijzen dat de problemen die eiser verwacht, gebaseerd zijn op vermoedens. Zo zijn er geen indicaties waaruit volgt dat eiser op dit moment gezocht wordt door IS. Eisers stelling dat er een video van hem is gemaakt, heeft hij niet onderbouwd. Sinds 2013 is er ook veel gewijzigd in de situatie in Syrië en rondom IS. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gebeurtenissen van destijds nu nog tot problemen leiden. Hoewel de rechtbank eiser erin kan volgen dat zijn gestelde problemen zien op IS als geheel, en niet alleen op de mannen met wie hij eerder problemen heeft gehad, maakt dit niet dat aannemelijk is dat hij nu gezocht wordt. Ook mocht verweerder erop wijzen dat eisers verklaringen niet overeenkomen met recente landeninformatie over de verhoudingen tussen IS en de overgangsregering. Eisers verwijzing naar het UNHCR-rapport van mei 2026maakt deze beoordeling niet anders. Uit dat rapport volgt dat IS (aangeduid als Da’esh) soms aanvallen richt op burgers, waaronder mensen die weigeren islamitische belasting te betalen, clanleiders en medewerkers van de overheid die in verband worden gebracht met de SDF. Er is echter niet gebleken dat dit geldt voor eiser.

Reëel risico op ernstige schade vanwege situatie van willekeurig geweld

8. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, zoals geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vreemdelingenwet 2000, gaat allereerst over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn kan ook betrekking hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een asielzoeker. Hoe meer een asielzoeker aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming.

Bij de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die onder de reikwijdte van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn valt, moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en specifiek de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers.De Afdeling heeft geoordeeld dat humanitaire omstandigheden ook als relevante omstandigheid in deze globale beoordeling moeten worden betrokken.Daarbij is van belang dat alleen humanitaire omstandigheden die momenteel worden veroorzaakt en/of in stand worden gehouden door het handelen en/of nalaten van de partijen die actief betrokken zijn in het gewapende conflict betrokken moeten worden bij de 15c-beoordeling.

8.1.. De rechtbank constateert dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte is ingegaan op de 15c-situatie in Aleppo, in plaats van in [plaats]. Uit het dossier blijkt dat alleen [plaats] aangemerkt kan worden als relevant terugkeergebied voor eiser en ook ter zitting heeft verweerder niet aan kunnen geven waarom is ingegaan op de situatie in Aleppo. De rechtbank constateert in die zin een gebrek in het bestreden besluit. Verweerder heeft in het voornemen en in het verweerschrift wel een beoordeling gemaakt op basis van de actuele situatie in [plaats]. Daarom blijft de afwijzing van de asielaanvraag staan ondanks het geconstateerde gebrek. De rechtbank legt dat hieronder verder uit.

8.2.. Verweerder heeft uit het meest recente ambtsbericht van januari 2026 terecht geconcludeerd dat het aantal geweldsincidenten in Syrië flink is gedaald en ook het aantal burgerdoden is afgenomen. Ook heeft verweerder terecht geconcludeerd dat het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten nauwelijks is toegenomen en dat er daarnaast maatregelen worden genomen met betrekking tot het ruimen van mijnen. Verweerder heeft daarbij terecht geconcludeerd dat de dalende trend in geweldsincidenten ook in [plaats], het gebied van terugkeer van eiser, te zien is. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat het grootste gedeelte van de provincie [plaats] onder controle staat van de overgangsregering. In de verslagperiode fluctueerde het maandelijkse aantal geweldsincidenten tussen 64 (december 2025) en 103 (augustus 2025). In vergelijking met de voorgaande verslagperiode was sprake van een daling van het aantal geregistreerde geweldsincidenten in [plaats]. Verder is het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten afgenomen en worden er maatregelen genomen met betrekking tot mijnen. In de verslagperiode was sprake van ontheemding in [plaats], maar het is niet duidelijk in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. In de verslagperiode keerden echter ook meer dan 84.577 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in [plaats].

8.3.. Wat betreft de humanitaire omstandigheden heeft verweerder er terecht op gewezen dat de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden, zoals die beschreven staan in het Algemeen Ambtsbericht over Syrië uit januari 2026, het regime van Assad was, dat inmiddels geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Weliswaar heeft ook het handelen van de huidige partijen impact op de humanitaire situatie, maar verweerder heeft terecht geconcludeerd dat de slechte humanitaire situatie in hoofdzaak niet is te wijten aan huidig handelen van de nu nog actieve partijen. Verweerder heeft ook gewezen op de EUAA Country Guidance over Syrië waarin staat dat vóór de val van het Assad-regime gerapporteerd werd dat strijdende partijen bewust gezondheidsvoorzieningen aanvielen en ook de aanvoer van basisvoorzieningen tegenhielden, maar dat er geen informatie is die erop wijst dat dit nog steeds het geval is.Eiser heeft geen landeninformatie overgelegd waaruit volgt dat de partijen die momenteel actief betrokken zijn in het gewapende conflict de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië in het algemeen en in [plaats] in het bijzonder veroorzaken en/of in stand houden.

8.4.. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder, met inachtneming van dat wat in deze zaak is aangevoerd, voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in [plaats].

8.5.. Verweerder heeft ook kunnen concluderen dat eiser geen individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht die maken dat hij een verhoogd risico loopt om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Niet is onderbouwd dat er problemen volgen uit eisers geloof in de Maliki rechtsschool. Eisers problemen met IS zien op gericht geweld en kunnen om die reden niet gelden als individuele risicoverhogende omstandigheden in dit kader. Daar komt bij dat de problemen, zoals hierboven besproken, niet geloofwaardig zijn. Ook dat eiser lange tijd uit Syrië afwezig is geweest, is niet voldoende om aan te nemen dat hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.

Terugkeerbesluit

9. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026geoordeeld dat verweerder in het kader van het terugkeerbesluit moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden.

9.1..

Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmitwee situaties onderscheidt: - In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.

  • In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger.

9.2.. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Een beoordeling in dit kader ontbreekt namelijk in het geheel in het bestreden besluit.

9.3.. Het hiervoor geconstateerde motiveringsgebrek is in het verweerschrift hersteld. Verweerder heeft er namelijk op gewezen dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi heeft overwogen dat van schending van artikel 3 van het EVRM wegens humanitaire omstandigheden die niet worden veroorzaakt door het doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor, slechts sprake kan zijn bij ‘very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling’. Verweerder heeft gemotiveerd dat deze lat van toepassing is, omdat ‘de huidige humanitaire omstandigheden thans niet hoofdzakelijk worden veroorzaakt door actuele doelbewuste handelingen van een overheid of andere actor, maar vooral door de nasleep van jarenlang conflict, economische ontwrichting, beschadigde infrastructuur en algemene armoede.’

9.4.. Verweerder heeft zich vervolgens in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eiser bij terugkeer naar Syrië terecht zal komen in een schrijnende humanitaire situatie in strijd met het arrest Sufi en Elmi. De rechtbank volgt verweerder in deze beoordeling. Hiertoe vindt de rechtbank van belang dat eiser een gezonde volwassen man is en dat hij nog familie – namelijk een broer en drie zussen – heeft wonen in zijn herkomstgebied. Ook mocht verweerder erop wijzen dat eiser eerder heeft gewerkt en niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet opnieuw een bestaan zal kunnen opbouwen. Er is niet gebleken van andere omstandigheden die hem bijzonder kwetsbaar maken.

9.5.. Verweerder heeft zich gelet op het voorgaande, ook als moet worden uitgegaan van de ‘zwaardere’ toets van het arrest Sufi en Elmi, terecht op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 EVRM.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat sprake is van motiveringsgebreken. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, gelet op wat zij hiervoor onder 8.2 t/m 8.5 en 9.3 t/m 9.5 heeft overwogen. Dit betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.

10.1.. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868,-.Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 27 februari 2026;

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

Op grond van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

UNHCR International Protection Considerations with Regard to Asylum-Seekers from the Syrian Arab Republic, mei 2026, pagina 72.

Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking).

Dit volgt uit het arrest Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 9 november 2023, ECLI:EU:C:2023:843 (X en Y).

Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 10 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:472 (CF en DN).

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.

Uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.2.

EUAA Country Guidance: Syria Comprehensive update, december 2025, p. 58.

Uitspraak van 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, r.o. 7.4.

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94 (Elgafaji), punt 28.

Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk), punt 278-283.

1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.

More Decisions