Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:17233

Court

Den Haag

Date

26 May 2026

Language

nl

Case Summary

Legal Issue

Civiel recht; Personen- en familierecht

Holding / Outcome

Uitspraak

Den Haag

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 26-1859

Zaaknummer: C/09/700170

Datum beschikking: 26 mei 2026Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 23 februari 2026 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. A. El Aqde te Amsterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. A.G. de Jong te ‘s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

het verzoekschrift;

het F9-formulier van 7 mei 2026, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

het verweerschrift, tevens verzoekschrift.

Op 12 mei 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, de man, bijgestaan door zijn advocaat, alsmede [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw strekt ertoe dat:

  • de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres], met inbegrip van de inboedel, met het bevel dat de man die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;

  • het minderjarige kind van partijen, [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats], aan de vrouw wordt toevertrouwd;

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vrouw, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Tevens heeft de man zelfstandig verzocht:

  • primair: te bepalen dat de man met ingang van de datum van de beschikking gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres];

  • subsidiair: te bepalen dat de vrouw gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij de vrouw is en te bepalen dat de man gerechtigd zal zijn tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij de man is;

  • het minderjarige kind van partijen [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats], aan de man toe te vertrouwen;

  • en een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van het minderjarige kind van partijen vast te stellen, in die zin dat [minderjarige] afwisselend twee om drie dagen bij elk van de ouders verblijft, met dien verstande dat:

  • in de even weken [minderjarige] op maandag, dinsdag, vrijdag zaterdag en zondag bij de man verblijft en op woensdag en donderdag bij de vrouw;

  • in de oneven weken [minderjarige] op maandag, dinsdag, vrijdag, zaterdag en zondag bij de vrouw verblijft en op woensdag en donderdag bij de man;

en daarbij te bepalen dat de vrouw een dwangsom van € 250,-- met een maximum van € 25.000,-- verbeurt per dag dat zij haar medewerking niet verleent aan de voorlopige zorgregeling;

en te bepalen dat de feestdagen afwisselend in onderling overleg bij helfte worden gedeeld;

een en ander met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de man, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

BeoordelingToevertrouwing minderjarige, uitsluitend gebruik echtelijke woning en zorgregeling

Standpunten van partijen

De vrouw stelt dat het in het belang is van [minderjarige] dat zij bij uitsluiting gebruik mag maken van de echtelijke woning, dat [minderjarige] aan haar wordt toevertrouwd en dat de contacten tussen de man en [minderjarige] onder professionele begeleiding worden opgestart. De vrouw voert daartoe aan dat zij vermoedt dat de man kampt met psychiatrische problematiek, dat er een patroon is van intieme terreur en verbaal en fysiek geweld, waarvan [minderjarige] getuige is geweest. Professionele omgangsbegeleiding is gelet op deze voorgeschiedenis noodzakelijk om de veiligheid van [minderjarige] en de vrouw te waarborgen. Het is ook in het belang van [minderjarige] dat hij – samen met de vrouw, die altijd zijn hoofdverzorger is geweest – in zijn vertrouwde omgeving kan wonen, zodat het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw toegekend zou moeten worden. De vrouw verblijft nu met [minderjarige] bij haar moeder, maar dat is voor zowel de vrouw als [minderjarige] onwenselijk.

De man heeft betwist dat de vrouw altijd de hoofdverzorger van [minderjarige] is geweest en gesteld dat er sprake is geweest van gedeelde zorg. De man wenst dat [minderjarige] aan hem wordt toevertrouwd, nu hij [minderjarige] sinds het vertrek van de vrouw uit de echtelijke woning niet meer heeft gezien en de vrouw hiermee heeft laten zien dat zij niet in het belang van [minderjarige] handelt. De man heeft geen beschikking over andere woonruimte waar hij voor [minderjarige] kan zorgen en daarom wil hij dat het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan hem wordt toegekend. Subsidiair verzoekt de man de rechtbank om een birdnestingregeling vast te stellen.

Beoordeling door de rechtbank

[minderjarige] is getuige is geweest van hoogoplopende ruzies tussen partijen. Dat is onwenselijk, maar de rechtbank ziet daarin geen aanleiding om te oordelen dat het contact tussen de man en [minderjarige] alleen onder begeleiding zou kunnen worden opgestart. Dat de veiligheid van [minderjarige] in het geding zou zijn als hij bij de man verblijft – doordat sprake is van psychiatrische problematiek bij de man en/of omdat sprake is van een patroon van geweld of intieme terreur – is door de vrouw niet onderbouwd en ook niet anderszins aannemelijk geworden. Dat betekent dat de rechtbank een onbegeleide zorgregeling zal vaststellen. De rechtbank vindt voor de voorlopig vast te stellen zorgregeling een opbouwregeling als na te melden nodig, omdat [minderjarige] pas 2 jaar is en hij de man na enkele hoogopgelopen ruzies 3 maanden niet heeft gezien. De rechtbank zal het verzoek om te bepalen dat de feestdagen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld afwijzen, nu de vast te stellen voorlopige zorgregeling er uiteindelijk op neerkomt dat de ouders [minderjarige] de helft van de tijd bij zich hebben en daarmee ook ongeveer de helft van de feestdagen.

Het voorgaande houdt in dat de over en weer gedane verzoeken met betrekking tot de toevertrouwing van [minderjarige] zullen worden afgewezen.

Met betrekking tot het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning overweegt de rechtbank als volgt. Beide partijen hebben geen goed alternatief voor woonruimte. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat hij afwisselend door beide ouders verzorgd wordt. De rechtbank zal daarom vaststellen dat sprake zal zijn van birdnesting, waarbij [minderjarige] in zijn vertrouwde omgeving kan verblijven en de ouders om en om met hem in de echtelijke woning verblijven. De rechtbank realiseert zich dat birdnesting geen ideale situatie is voor beide partijen, maar op dit moment is dit wel de situatie die het meest in het belang is van [minderjarige].

Het verzoek om te bepalen dat dit uitsluitend gebruik ‘met inbegrip van de inboedel’ is, zal de rechtbank bij gebrek aan belang afwijzen. Bij toewijzing van het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning aan een partij is die partij ook uitsluitend gerechtigd tot de tot die woning behorende inboedelgoederen.

Op de zitting is nog gesproken over de overdracht. Nu er sprake zal zijn van birdnesting kan [minderjarige] in de echtelijke woning blijven en kunnen de ouders elkaar aflossen in de echtelijke woning. De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders zich ervoor zullen inspannen om de overdrachten, in het belang van [minderjarige], rustig te laten verlopen en elkaar in het bijzijn van [minderjarige] geen verwijten te maken. Het ligt daarbij op de weg van de ouder die de woning moet verlaten om ervoor te zorgen dat alle benodigde spullen klaar staan op het moment van de wissel, zodat partijen niet langdurig gezamenlijk in de echtelijke woning hoeven te verblijven.

Dwangsom

De rechtbank zal het verzoek van de man tot het opleggen van een dwangsom afwijzen. De vrouw heeft zich ter zitting weliswaar verzet tegen onbegeleid contact tussen [minderjarige] en de man, maar zij heeft tevens verklaard dat zij inziet dat het in het belang is van [minderjarige] om contact te hebben met zijn vader. De rechtbank verwacht dat de vrouw uitvoering zal geven aan de voorlopige zorgregeling, omdat zij inziet dat contact in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank vindt het opleggen van een dwangsom in dit stadium daarom prematuur.

Uniform hulpaanbod

Op de zitting hebben beide ouders de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling. De vrouw zou graag zien dat ook het traject ook ziet op omgangsbegeleiding, maar de rechtbank ziet daartoe, zoals hiervoor is overwogen, geen aanleiding. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan het traject ouderschapsbemiddeling, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan voornoemd traject en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Kenniscentrum Kind en Scheiding.

De rechtbank verzoekt de ouders om in de scheidingsprocedure bekend onder kenmerk C/09/700178 en FA RK 26-1863 de rechtbank tijdig te informeren over het verloop van het ouderschapsbemiddelingstraject. Van de uitvoerende hulpverleningsinstantie verwacht de rechtbank dat zij de eindrapportage over het verloop van het traject indient op de hierna vermelde wijze. De hulpverleningsinstantie kan de rechtbank tussentijds informeren als daartoe aanleiding is.

Beslissing

De rechtbank:

stelt de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats], als volgt vast:

de eerste twee weken na heden: [minderjarige] verblijft iedere woensdag en zondag van 10.00 uur tot 15.00 uur bij de man en de rest van de tijd bij de vrouw;

de daarop volgende twee weken: [minderjarige] verblijft iedere woensdag en zondag van 9.00 uur tot 18.00 uur bij de man en de rest van de tijd bij de vrouw;

de daarop volgende twee weken: [minderjarige] verblijft iedere woensdag van 9.00 uur tot donderdag 18.00 uur en zondag van 9.00 uur tot maandag 18.00 uur bij de man en de rest van de tijd bij de vrouw;

daarna: [minderjarige] verblijft afwisselend twee om drie dagen bij elk van de ouders, met dien verstande dat:

  • [minderjarige] in de even weken op maandag, dinsdag, vrijdag zaterdag en zondag bij de man verblijft en op woensdag en donderdag bij de vrouw;

  • [minderjarige] in de oneven weken op maandag, dinsdag, vrijdag, zaterdag en zondag bij de vrouw verblijft en op woensdag en donderdag bij de man;

bepaalt dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij de vrouw is en beveelt mitsdien dat de man gedurende die tijd die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;

bepaalt dat de man bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning te [plaats], [adres] gedurende de tijd dat [minderjarige] volgens de voorlopige zorgregeling bij de man is en beveelt mitsdien dat de vrouw gedurende die tijd die woning dient te verlaten en verder niet mag betreden;

stelt vast dat de ouders, te weten:

[de man],

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

en

[de vrouw],

wonende op een bij de rechtbank bekend adres;

bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar(De Rotterdamse omgangsbegeleiding voorziet blijkens haar folder in omgangsbegeleiding voor de duur van in beginsel maximaal zes maanden, overeenkomend met acht à negen contacten.) Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;

beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar:

Kenniscentrum Kind en Scheiding, Albertus de Oudelaan 1, 2273 CW Voorburg;

bepaalt dat de ouders de rechtbank in de scheidingsprocedure met kenmerk C/09/700178 en FA RK 26-1863 informeren over het verloop van voornoemd traject;

bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstantie de rechtbank in de scheidingsprocedure met kenmerk C/09/700178 en FA RK 26-1863 (tussentijds) rapporteert over het verloop van voornoemd traject, met kopie aan beide ouders;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 mei 2026.

De griffier is buiten staat om deze beschikking mede te ondertekenen.

More Decisions