Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:17241

Court

Den Haag

Date

26 May 2026

Language

nl

Case Summary

Legal Issue

Civiel recht; Personen- en familierecht

Holding / Outcome

Uitspraak

Den Haag

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer

Rekestnummer: FA RK 25-4591 (bodem), FA RK 26-386 (223 Rv)

Zaaknummer: C/09/687116 (bodem), C/09/697735 (223 Rv)

Datum beschikking: 26 mei 2026

Gezag, hoofdverblijfplaats, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang, dwangsom en kinderalimentatie

Beschikkingop de op 16 juni 2025 en op 12 januari 2026 ingekomen verzoeken van:
[de moeder] ,

de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. A. Neermawatie Nandoe te Voorburg.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. J. du Bois te Amsterdam.

Als informant wordt aangemerkt:

Stichting Samen Veilig Midden-Nederland,

de gecertificeerde instelling.

Procedure

Bij vonnis van 3 juli 2025 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten, alsmede de rechtbank in de bodemprocedure met zaak- en rekestnummer C/09/687116 / FA RK 25-4591 te rapporteren en te adviseren.

In de bodemprocedure (C/09/687116 / FA RK 25-4591)

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:

het verzoekschrift;

het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;

het verweer tegen het zelfstandig verzoek;

de F9-formulieren van de moeder van 27 januari 2026, met bijlagen;

de brief van de vader van 29 januari 2026, met bijlage;

het F9-formulier van de moeder van 3 februari 2026, met bijlagen;

de brief van de vader van 19 maart 2026;

het F9-formulier van de moeder van 25 maart 2026;

het rapport en advies van de Raad voor de Kinderbescherming te ’s-Gravenhage (hierna te noemen: de Raad) d.d. 26 maart 2026, kenmerk KZ-1-67GSR8L;

het F9-formulier van de moeder van 17 april 2026, met bijlagen;

het F9-formulier van de moeder van 20 april 2026, met bijlagen;

het e-mailbericht van de vader van 20 april 2026, met bijlagen.

De rechtbank heeft geen kennis genomen van de F9-formulieren van partijen van 23 april 2026, aangezien deze te laat zijn ingediend.

In de voorlopige voorzieningenprocedure met (C/09/697735 / FA RK 26-386)

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder:

het verzoekschrift;

het F9-formulier van de moeder van 20 april 2026, met bijlagen.

De rechtbank heeft geen kennis genomen van het F9-formulier van de moeder van 23 april 2026, aangezien deze te laat is ingediend.

Op 24 april 2026 heeft op de zitting van deze rechtbank een gecombineerde behandeling plaatsgevonden van zowel het verzoek in de bodemprocedure als het verzoek tot voorlopige voorzieningen. Hierbij zijn verschenen:

de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

[naam 1] en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling;

[naam 3] namens de Raad voor de Kinderbescherming.

Van de zijde van de vader zijn pleitnotities overgelegd.

Verzoek en verweer

In de bodemprocedure (C/09/687116 / FA RK 25-4591)

De moeder verzoekt, na aanvulling en wijziging:

de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de moeder te bepalen;

een zorgregeling te bepalen, inhoudende dat:

  • [minderjarige] bij de moeder zal zijn iedere dinsdag van 09.00 uur tot zaterdag 17.00 uur en dat de overdracht plaatsvindt in de McDonalds te [plaats 1] , dan wel dat [minderjarige] bij de moeder zal zijn iedere donderdag van 09.00 uur tot dinsdag 17.00 uur, waarbij de overdracht plaatsvindt bij de [instantie] kantoorlocatie [plaats 2] , en;

  • naar verloop van deze regeling deze eventueel uit te breiden, in die zin dat [minderjarige] in de even weken bij haar moeder zal verblijven en in de oneven weken bij haar vader, waarbij als wisselmoment zal gelden de zondagmiddag om 18.00 uur in de McDonalds te [plaats 1] ;

onder verbeurte van een dwangsom van € 1000,- per keer/per overtreding;

  • met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie op € 250,- per maand te bepalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans indien uit de berekening een lager bedrag volgt dit lagere bedrag met ingang van de datum van de beschikking, althans op zodanig bedrag en met zodanige ingangsdatum als de rechtbank juist acht;

een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.

De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt:

de vader met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten;

de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader te bepalen;

met ingang van [geboortedatum] 2025 de door de moeder aan de vader te betalen kinderalimentatie op € 250,- per maand te bepalen, althans op zodanig bedrag als de rechtbank juist acht;

een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.

In de voorlopige voorzieningenprocedure (C/09/697735 / FA RK 26-386)

De moeder verzoekt bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van de bodemprocedure te bepalen dat:

een voorlopige zorgregeling zal gelden inhoudende dat [minderjarige] bij haar moeder zal zijn iedere dinsdag van 09.00 uur tot zaterdag 17.00 uur, waarbij de overdracht plaatsvindt in de McDonalds te [plaats 1] , althans een zodanige voorlopige zorgregeling als de rechtbank juist acht;

[minderjarige] voorlopig aan de moeder wordt toevertrouwd en dat haar voorlopige hoofdverblijfplaats bij de moeder zal zijn;

de vader gehouden is zijn volledige medewerking hierin te verlenen, onder bepaling dat bij niet-nakoming een dwangsom wordt opgelegd van € 2.000,- per dag of dagdeel dat de vader in gebreke blijft;

de vader wordt veroordeeld in de kosten van het incident;

een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

De vader voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

Partijen hebben een affectieve relatie gehad.

Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:

  • [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 te [geboorteplaats] .

Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.

Bij vonnis van 3 juli 2025 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is [minderjarige] aan de vader toe vertrouwd.

Bij beschikking van 31 december 2025 van de kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 31 december 2025 tot 14 januari 2026 en is de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden.

  • Bij beschikking van 13 januari 2026 van de kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 13 januari 2026 tot 31 maart 2026 en is de voorlopige zorgregeling gewijzigd, in die zin dat de regie over de zorgregeling voortaan toekomt aan de gecertificeerde instelling, waaronder begrepen:

  • de frequentie van de omgang;

  • de locatie van de omgang en de overdracht;

  • de wijze van begeleiding en overdracht.

  • Bij beschikking van 30 maart 2026 van de kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad is [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 30 maart 2027.

Beoordeling

Relatieve bevoegdheid

Op grond van artikel 265 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in zaken betreffende minderjarigen de rechter bevoegd van de woonplaats van de minderjarige. Volgens artikel 1:12 van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt de minderjarige de woonplaats van degene die het gezag over hem uitoefent. Indien sprake is van gezamenlijk gezag, dan volgt de minderjarige de woonplaats van de ouder bij wie het feitelijk verblijft dan wel laatstelijk heeft verbleven.

De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de vader en de moeder gezamenlijk belast zijn met het ouderlijk gezag. [minderjarige] verblijft op dit moment feitelijk bij de vader in de [gemeente], zodat dat haar woonplaats is. Gelet hierop is de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, bevoegd om over deze verzoeken te beslissen.

Op grond van artikel 270 lid 1 Rv verwijst de rechter de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de bevoegde rechter. Echter, verwijzing als bedoeld in dit lid vindt niet plaats indien de verzoeker en de opgeroepen belanghebbenden hebben aangegeven dat zij geen verwijzing wensen.

Tijdens de zitting hebben de vader en de moeder aangegeven dat zij geen verwijzing wensen. De rechtbank zal daarom overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de verzoeken.

In de voorlopige voorzieningenprocedure (C/09/697735 / FA RK 26-386)

Op grond van het eerste lid van artikel 223 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding.

Ontvankelijkheid

De vader stelt zich op het standpunt dat de moeder niet-ontvankelijk is in haar verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen, aangezien de kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, bij beschikking van 13 januari 2026 al heeft beslist over de voorlopige zorgregeling.

De rechtbank overweegt dat het feit dat door een andere rechtbank al een beslissing is genomen over de voorlopige zorgregeling niet maakt dat daarvan geen wijziging kan worden verzocht in de onderhavige procedure. De rechtbank zal de moeder daarom ontvankelijk verklaren in haar verzoek en zal overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek.

Inhoudelijke beoordeling

Omdat de rechtbank in de bodemprocedure een beslissing neemt over hetzelfde onderwerp als in de voorlopige voorzieningenprocedure, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van de voorlopige voorziening afwijzen bij gebrek aan belang.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

In de bodemprocedure (C/09/687116 / FA RK 25-4591)

Gezag, hoofdverblijf, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang en dwangsom

Standpunt moeder

De moeder wil dat de voorlopige zorgregeling wordt uitgebreid, zodat [minderjarige] iedere dinsdag tot zaterdag, dan wel iedere donderdag tot dinsdag bij haar verblijft. Na verloop van tijd zou deze regeling kunnen worden uitgebreid naar een week-op-week-af-regeling. Volgens de moeder bestaan er geen contra-indicaties voor het vaststellen van deze zorgregeling. De afgelopen periode is weliswaar onrustig geweest, maar de moeder wil geen strijd meer voeren met de vader en wil kijken naar de toekomst. Er moet worden ingezet op parallel solo ouderschap. Dat maakt ook dat eenhoofdig gezag niet nodig is. Het opleggen van een dwangsom kan helpend zijn als stok achter de deur voor maximale inzet van beide ouders bij het uitvoeren van de zorgregeling. De moeder stelt zich verder op het standpunt dat de definitieve beslissing over de hoofdverblijfplaats moet worden aangehouden, zolang er geen definitieve beslissing over de zorgregeling is genomen.

Op de zitting heeft de moeder aangegeven dat zij zich in afwachting van het NIKA-traject kan neerleggen bij de huidige voorlopige zorgregeling, waarbij [minderjarige] twee keer per week gedurende acht uur bij haar verblijft. Zij zou echter graag zien dat hierin een overnachting wordt bepaald. Zij haalt [minderjarige] op dit moment om 09.00 uur op bij het kantoor van de gecertificeerde instelling en brengt haar rond 16.30 uur terug. Vanwege de reistijd is de moeder hierdoor maar een paar uur met [minderjarige] bij haar thuis. Dit is belastend voor [minderjarige] .

Er zijn volgens de moeder geen contra-indicaties voor een overnachting bij haar. De eerdere emotionele uitbarstingen van de moeder moeten in het licht worden gezien van de plotselinge contactbreuk tussen de moeder en [minderjarige] . Bovendien werd de moeder niet goed geïnformeerd door de Raad en de gecertificeerde instelling. Inmiddels is er meer duidelijkheid en daarmee ook meer rust voor de moeder gekomen. Daarnaast heeft zij aan zichzelf gewerkt door gesprekken met de praktijkondersteuner van haar huisarts en een psycholoog.

Standpunt vader

De vader vindt het van belang dat de huidige zorgregeling onder regie van de gecertificeerde instelling doorloopt in afwachting van het NIKA-traject. De lange wachttijd voor dit traject is niet wenselijk, omdat de moeder en [minderjarige] recht hebben op contact met elkaar. Voor nu is het echter nodig dat de voorspelbaarheid en veiligheid voor [minderjarige] geborgd blijft. Wat de vader betreft is het daarom nog te vroeg voor een overnachting van [minderjarige] bij de moeder. Hij ziet dat de moeder momenteel stabieler blijkt, maar heeft ervaren dat zij veel moeite heeft om haar emoties te beheersen. Ook heeft de vader zorgen over het drugsgebruik van de moeder. De door de vader overgelegde beeld- en geluidsopnames illustreren dit. Onder deze omstandigheden is een overnachting van [minderjarige] bij de moeder nog niet aan de orde. De vader ziet ook niet dat [minderjarige] vermoeid is door de lange reistijd als zij bij haar moeder is geweest. Verder herkent hij zich niet in het feit dat de Raad en de gecertificeerde instelling onvoldoende met de ouders hebben gecommuniceerd. De vader ervaart de samenwerking met de betrokken instanties als prettig. Hij is bereid volledig mee te werken aan de voorlopige zorgregeling onder regie van de gecertificeerde instelling. Er is dan ook geen aanleiding om een dwangsom op te leggen.

De vader is het daarnaast eens met het advies van de Raad dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem wordt bepaald. Zij groeit sinds haar geboorte op bij de vader en er zijn geen zorgen over zijn thuissituatie. Ook verzoekt de vader om hem met het eenhoofdig gezag te belasten, zodat hij in staat is om de voor [minderjarige] belangrijke beslissingen te kunnen nemen.

Het advies van de Raad

De Raad adviseert om de beslissing omtrent de beslissing over de zorgregeling aan te houden voor de duur van zes maanden. De Raad is van mening dat de gecertificeerde instelling binnen de ondertoezichtstelling kan onderzoeken welke mogelijkheden er bij de ouders zijn, om (eventueel met hulpverlening) te komen tot uitbreiding van de zorgregeling en een veilige overdracht van [minderjarige] . Het inzetten van een NIKA-traject kan helpend zijn om meer zicht te krijgen op de interactie tussen [minderjarige] en haar ouders en de leerbaarheid van ouders.

De gecertificeerde instelling heeft de Raad in het kader van het raadsonderzoek verzocht om

onderzoek te doen naar de inzet van de MASIC, maar de Raad twijfelt of er voldoende emotionele draagkracht bij moeder is om een intensief MASIC-gesprek aan te kunnen en of dit bijdraagt aan verbetering van de situatie van [minderjarige] .

Verder adviseert de Raad om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vader te bepalen. [minderjarige] woont al vanaf haar geboorte in de woning van de vader en ervaart dit als een vertrouwde en veilige plek. Er zijn geen zorgen geconstateerd die maken dat wijziging van de hoofdverblijfplaats in haar belang is.

Informatie vanuit de gecertificeerde instelling

Sinds begin maart 2026 verblijft [minderjarige] twee dagen, van 09.00 uur tot 16.30 uur, bij de moeder. De overdracht vindt plaats op het kantoor van de gecertificeerde instelling, waarbij de jeugdbeschermer [minderjarige] van de ene naar de andere ouder brengt. De gecertificeerde instelling heeft de ouders aangemeld voor een NIKA-traject om meer zicht te krijgen op de hechting tussen [minderjarige] en de ouders. Daarbij is aan de uitvoerende hulpverleningsinstantie verzocht om beslisdiagnostiek uit te voeren en een standpunt in te nemen over de (uitbreiding van de) zorgregeling en eventueel noodzakelijke hulpverlening. De verwachte wachttijd bedraagt acht maanden. Daarom is de gecertificeerde instelling ook nog op zoek naar andere aanbieders van dit traject. Verder is met beide ouders gesproken over de inzet van de MASIC om een advies te krijgen over de vraag of de ouders in de toekomst (door middel van interventies) toch weer in staat zouden kunnen zijn om het ouderschap gezamenlijk uit te voeren.

[minderjarige] heeft in haar jonge leven al veel meegemaakt. Daarom moet er zorgvuldig worden omgegaan met de uitbreiding van de zorgregeling. Gelet hierop is de gecertificeerde instelling is van mening dat er op dit moment geen ruimte is voor uitbreiding van de zorgregeling, waaronder een overnachting, vooruitlopend op het NIKA-traject. Als in de tussentijd toch blijkt dat die ruimte er wel is, zal de gecertificeerde instelling overgaan tot uitbreiding van de voorlopige zorgregeling. De gecertificeerde instelling ziet daarnaast het liefst dat de beslissing omtrent de definitieve zorgregeling wordt aangehouden voor de duur van een jaar, zodat de focus komt te liggen op behandeling en interventie in plaats van een naderende zitting.

Inhoudelijke beoordeling

De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat er uit de stukken en op de zitting geen zorgen naar voren zijn gekomen over de (thuis)situatie bij de vader. Uit het rapport van de Raad en hetgeen de gecertificeerde instelling ter zitting heeft verteld, komen wel meerdere zorgen over de situatie bij de moeder naar voren. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de door de vader overgelegde beeld- en geluidsopnames ook de nodige zorgen oproepen. Hieruit komt een beeld naar voren van een moeder die op momenten geen controle heeft over haar emoties. Hierdoor zijn er hoogoplopende conflicten ontstaan tussen de ouders tijdens de overdracht van [minderjarige] bij de McDonalds in [plaats 1] , waar de politie op een melding van de moeder over wapenbezit bij de vader is afgekomen, terwijl dit loos alarm bleek. In een andere geluidsopname van een gesprek van de moeder met de zus van de vader is een lange monoloog van de moeder te horen waarbij het gedrag van de moeder volledig ontspoort. Daarnaast heeft de vader zorgen geuit over het blowen van de moeder in het bijzijn van [minderjarige] , maar ook in het bijzijn van haar oudste dochter. De door de vader overgelegde geluidsopnames lijken die zorgen te bevestigen.

Op de zitting heeft de moeder verteld dat zij hulp voor zichzelf heeft ingeschakeld in de vorm van een praktijkondersteuner van de huisarts en een psycholoog teneinde haar emoties beter in beeld te krijgen en tips te krijgen hoe om te gaan met de situatie. Zij lijkt nu meer controle te hebben over haar emoties en daarmee lijkt een positieve lijn te zijn ingezet.

Tegelijkertijd zijn de genoemde zorgen op dit moment nog niet weggenomen. Hoewel de rechtbank de wenselijkheid van een overnachting van [minderjarige] bij de moeder op zichzelf begrijpt en ziet, is het naar het oordeel van de rechtbank nu nog te vroeg voor een overnachting. De rechtbank zal daarom het advies van de Raad volgen waarbij het contact tussen de moeder en [minderjarige] voorlopig plaatsvindt onder regie van de gecertificeerde instelling. Daarbij zal [minderjarige] gedurende twee dagen in de week bij de moeder verblijven en de overdracht zal plaatsvinden op het kantoor van de gecertificeerde instelling. Op het moment dat de gecertificeerde instelling voldoende vertrouwen heeft dat deze positieve ontwikkeling zich doorzet en dat een overnachting op een veilige en verantwoorde wijze mogelijk is, vertrouwt de rechtbank erop dat de gecertificeerde instelling hierop zal inzetten.

De rechtbank zal daarom een voorlopige zorgregeling bepalen die inhoudt dat de regie bij de gecertificeerde instelling ligt en een definitieve beslissing over de zorgregeling aanhouden, in afwachting van het verdere verloop van de ondertoezichtstelling en het NIKA-traject. Het is van belang dat er voldoende tijd en rust is om aan verdere verbetering van de situatie te werken, maar de rechtbank wil ook een vinger aan de pols houden om te waarborgen dat geen onnodige vertraging plaatsvindt. Het is dan ook van belang dat de gecertificeerde instelling voortvarend aan de slag gaat en overgaat tot uitbreiding van de zorgregeling, zodra dat in haar visie veilig en verantwoord is. Het belang van [minderjarige] dient hierbij te allen tijde voorop te staan. De rechtbank zal de definitieve beslissing over de zorgregeling daarom aanhouden tot 15 december 2026 pro forma.

De rechtbank zal daarnaast de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] voorlopigbij de vader bepalen en de beslissing over de definitieve hoofdverblijfplaats ook aanhouden tot 1 december 2026 pro forma.

Naar het oordeel van de rechtbank is het onder deze omstandigheden nog te vroeg om een beslissing over het gezag te nemen, zodat ook deze beslissing wordt aangehouden tot bovengenoemde pro formadatum.

De rechtbank ziet tot slot geen aanleiding om een dwangsom op te leggen, aangezien beide ouders hebben aangegeven dat zij willen meewerken aan de voorlopige zorgregeling onder regie van de gecertificeerde instelling. De rechtbank zal dit verzoek van de moeder daarom afwijzen.

Kinderalimentatie

De vader en de moeder hebben geen van beiden een standpunt ingenomen over de hoogte van de behoefte van [minderjarige] en de draagkracht van partijen. Ook hebben zij geen van beiden financiële gegevens overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank hebben zij daarmee allebei niet voldaan aan de stelplicht, zodat de verzoeken tot alimentatie over en weer zullen worden afgewezen.

Proceskosten

Aangezien de rechtbank een definitieve beslissing over het gezag, de hoofdverblijfplaats en de zorg-/omgangsregeling zal aanhouden, zal zij ook de beslissing over de proceskosten aanhouden.

Beslissing

De rechtbank:

in de bodemprocedure (C/09/687116 / FA RK 25-4591)

bepaalt dat de minderjarige:

  • [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2025 te [plaats 2] ;

voorlopigde hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vader;

bepaalt dat de regie over de voorlopigezorgregeling tussen de moeder en [minderjarige]

toekomt aan de gecertificeerde instelling, waaronder begrepen de frequentie van het contact, de locatie van het contact en de overdracht, en de wijze van begeleiding en overdracht. Daarbij geldt als minimale regeling de huidige regeling waarbij [minderjarige] op twee dagen in de week van 9.00 tot 16.30 uur bij de moeder verblijft (zonder overnachting). Alleen bij zwaarwegende contra-indicaties kunnen deze frequentie en duur worden ingeperkt;

verklaart de beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het verzoek van de moeder tot het opleggen van een dwangsom;

wijst af de verzoeken van de vader en de moeder om een kinderalimentatie te bepalen;

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag, de hoofdverblijfplaats, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang en de proceskostenaan tot1 december 2026 pro forma;

in de voorlopige voorzieningenprocedure (C/09/697735 / FA RK 26-386)

wijst af het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, kinderrechter, bijgestaan door mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 26 mei 2026.

More Decisions