Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:17334

Court

Den Haag

Date

10 June 2026

Language

nl

Case Summary

Legal Issue

Civiel recht; Personen- en familierecht

Holding / Outcome

Uitspraak

Den Haag

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel

Zaaknummer: C/09/684680/ HA ZA 25-386

Vonnis van 10 juni 2026

in de zaak van

[de vrouw], te [woonplaats 1] ,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. D. Rezaie,

tegen

[de man], te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. R.J. Bouwmeester.

1. De procedure

1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding van 15 april 2025, met producties 1 tot en met 5;

  • de conclusie van antwoord, met producties 1 en 2;

  • het tussenvonnis van 9 juli 2025, waarin de mondelinge behandeling is bevolen;

  • de brief van 1 september 2025 van mr. Bouwmeester, met drie bijlagen;

1.2..

De rechtbank heeft op 12 september 2025 een vertaling opgevraagd van de

huwelijksakte en een vertaling van de religieuze echtscheiding en heeft partijen ook

gevraagd zich uit te laten over het toepasselijk recht op de vordering tot betaling van de

bruidsgave en over hun nationaliteit ten tijde van het sluiten van hun huwelijk. Hierna hebben partijen de volgende berichten aan de rechtbank gestuurd:

  • het rolbericht van 15 september 2025 van mr. Rezaie, met de beëdigde vertaling van de

religieuze echtscheiding;

  • het rolbericht van 17 september 2025 van mr. Rezaie over de uitlating van het toepasselijk

recht, met producties 6 tot en met 8;

  • het rolbericht van 22 september 2025 van mr. Rezaie, met de beëdigde vertaling van de

Iraanse huwelijksakte, behorende bij productie 6.

  • het rolbericht van 22 september 2025 van mr. Bouwmeester met uitlating over de

nationaliteit en nieuwe informatie met bijlagen over nationaliteit.

1.3..

Op 24 september 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak

plaatsgevonden. Beide partijen zijn verschenen, zowel de vrouw als de man zijn bijgestaan

door een tolk. Partijen hebben de zaak mondeling toegelicht en vragen van de rechtbank

beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen tijdens de mondelinge

behandeling is besproken.

1.4..

Na de mondelinge behandeling is de zaak naar de rol van 25 oktober 2025 verwezen

voor akte uitlaten partijen in verband met onderhandelingen over een regeling. Partijen

hebben uiteindelijk vonnis gevraagd. De datum voor vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1..

De man is ruim dertig jaar geleden uit Irak naar Nederland gevlucht. Met ingang

van eind oktober 1996 is de man in de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) opgenomen.

2.2.. Partijen stellen op [datum 1] 2003 met elkaar in Iran te zijn gehuwd. De beëdigde vertaling van (een kopie van) de huwelijksakte luidt als volgt:

“Volledige gegevens van de echtgenoot

Voornaam: de heer [voornaam 1] Familienaam: [familienaam 1]

(…)

Beroep: student opleiding tandtechnicus Religie en geloofsstroming; moslim – Sjiitisch

Nationaliteit: Iran

Woonachtig te: Nederland, [plaats 1] (…)

Heeft de echtgenoot een andere echtgenote? Heeft hij niet

Met vreugde en welslagen

Volledige gegevens van de echtgenote

Voornaam: Mejuffrouw [voornaam 2] Familienaam: [familienaam 2]

(…)

Beroep: huisvrouw Religie en geloofsstroming: Moslima, Sjiitisch

Nationaliteit: Iran

Woonachtig te: [plaats 2] (…), in aanwezigheid met toestemming van vader van betrokkene

Handtekening voogd/ vertegenwoordiger van de echtgenote: [getekend]

Soort huwelijk: het huwelijk is permanent

Bruidsgave en handtekening echtpaar: een bedrag van tweehonderdentweeënzestig duizend en een halve courante Rials bij wijze van geschenk, een Koran en ‘mahr al-Sunnah’ [bruidsgave], daarbij dertienhonderdvierenvijftig [1354] stuks gouden, hele ‘Bazar-e azadi’ muntenstukken van onbepaalde waarde, een bedrag van zevenhonderdduizend Rials bij wijze van de waarde van spiegel en kandelaar, het geheel door de echtgenoot verschuldigd aan de echtgenote, hetwelk op aanvraag van echtgenote dient te worden voldaan.”

Dit huwelijk (hierna: het Iraanse huwelijk) is in Nederland niet in de GBA ingeschreven.

2.3.. Na dit huwelijk heeft de man geprobeerd om de vrouw, op basis van de Iraanse huwelijksakte, via gezinshereniging naar Nederland te halen. Dit is mislukt.

2.4.. Vervolgens zijn partijen op [datum 2] 2004 in [plaats 3] , Syrië, met elkaar gehuwd. In de daarvan opgemaakte Syrische huwelijksakte is – vertaald in het Engels en voor zover van belang – het volgende opgenomen:

“MARRIAGE DEED

The First Party: The Husband

Name, Father’s Name & Surname [voornaam 1] [naam vader 1] [familienaam 1]

Date and Place of Birth [geboortedatum 1] 1964, [geboorteplaats 1]

Place of Residence and Domicile Number - Iraqi citizen, holing the Netherlands passport No. [paspoortnummer] (…)

  • Muslim

Husband’s representative Himself (…)

The Second Party: The Wife

Name, Father’s Name & Surname [voornaam 2] [naam vader 2] [familienaam 2] (…)

Marital status Single

Date and Place of Birth [geboortedatum 2] 1975, [geboorteplaats 2]

Place of Residence and Domicile Number - Iranian citizen (…)

Muslim

Wife’s Proxy General Guardianship

First Witness (…)

Second witness (…)

(…)

The Dowry:

Advance Dowry US$ 5000 Five thousand US dollars paid

Deferred Dowry US$ 1.000.000 One million US dollars (…) unpaid

(….)

Certified on [datum 2] /2004

Legalized by Ministry of Justice in [plaats 3] ”

Dit huwelijk (hierna: het Syrische huwelijk) is wel opgenomen in de GBA. Met ingang van 8 maart 2005 is de vrouw in de GBA opgenomen.

2.5..

Op 27 januari 2021 hebben partijen deze rechtbank gemeenschappelijk verzocht om

de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld op [datum 2] 2004 te [plaats 3] , Syrië, met elkaar te zijn gehuwd. Bij beschikking van deze rechtbank van 12 augustus 2021 (C/09/606595/ FA RK 21-577) is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Tevens is, voor zover van belang, bepaald dat het aangehechte echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan deel uitmaken van deze beschikking, dat de financiële behoefte van de minderjarige op een bedrag van € 165,00 per maand wordt bepaald en dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige op nihil wordt bepaald zo lang de draagkracht daarvoor ontbreekt en dat de door de man [de rechtbank begrijpt: aan de vrouw] te betalen uitkering tot levensonderhoud op nihil wordt bepaald, zo lang de draagkracht daarvoor ontbreekt.

2.6.. Het op 23 december 2020 opgemaakte echtscheidingsconvenant houdt onder meer het volgende in:

“IN AANMERKING NEMENDE DAT:

1. Partijen zijn op [datum 2] 2004 te [plaats 3] (Syrië) (…) gehuwd. Het huwelijk is door partijen bij de Nederlandse ambassade te [plaats 3] geregistreerd.

2. De vrouw is na het huwelijk naar Nederland gereisd. De man is – nadat hij een visum verkreeg – naar Nederland gekomen.

(…)

4. De man woont thans in België, omdat hij daar zijn kans om betalend werk te vinden groter acht.

(...)

STELLEN VAST EN KOMEN OVEREEN ALS VOLGT:

(…)

Partneralimentatie

Artikel 2

De vrouw maakt aanspraak op partneralimentatie voor de wettelijk bepaalde maximale termijn. De man, die thans een WIA-uitkering ontvangt, heeft geen draagkracht om partneralimentatie aan de vouw te betalen. (…)

Verdeling der huwelijksgoederengemeenschap

Artikel 4.1

Partijen gaan hierbij over tot verdeling van hun huwelijksgoederengemeenschap. De verdeling en de daaruit voortvloeiende leveringen vinden plaats onder de opschortende voorwaarde van de ontbinding van het huwelijk door de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

(...)

Artikel 4.3

De huwelijksgoederengemeenschap bestaat uit een auto (…) en de inboedel van de echtelijke woning. Partijen hebben de waarde van de auto geschat op € 3.000,00 en de waarde van de inboedel op € 6.000,00. De auto wordt toegescheiden aan de man en de inboedel aan de vrouw.

Artikel 4.4

De volgende schulden van partijen worden toegescheiden aan de man: [volgt opsomming van diverse schulden tot een bedrag van circa € 2.225,00, rb.]. De man verbindt zich jegens de vrouw om deze schulden als eigen schuld af te lossen.

De volgende schulden van partijen worden toegescheiden aan de vrouw, met dien verstande dat als de gezamenlijke schulden niet de Belastingdienst worden kwijtgescholden, partijen over de betaling van die schulden met elkaar in overleg gaan; [volgt opsomming van diverse (belasting)schulden tot een bedrag van circa € 5.986,00, rb]. De vrouw verbindt zich jegens de man om deze schulden als eigen schuld af te lossen.

(…)

Artikel 4.6

Er zijn geen bankrekeningen met een creditsaldo.

(…)

Artikel 4.9

Partijen verklaren uitdrukkelijk dat behoudens de hierboven genoemde goederen, vorderingen op en van derden en overige rechten geen andere goederen, vorderingen en rechten tot de huwelijksgoederengemeenschap, waarin zij zijn gehuwd, behoren.

(…)

Artikel 6.3

Partijen verklaren, dat wanner de verdeling van hun huwelijksgoederengemeenschap conform deze overeenkomst is gerealiseerd zij niets meer van elkaar te vorderen zullen hebben en dat zij elkaar dienovereenkomstig nu, voor alsdan, algehele kwijting verlenen.”

In het echtscheidingsconvenant is niets vermeld over een bruidsgave.

2.7.. Op 16 september 2021 is de onder 2.5. vermelde echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Hierdoor is het Syrische huwelijk (zie 2.4) ontbonden.

2.8..

Bij de, door beide partijen ondertekende, akte van 27 november 2024 heeft een

religieuze echtscheiding plaatsgevonden. Blijkens de hiervan door een beëdigd vertaler gemaakte vertaling houdt de akte onder meer het volgende in:

“Akte van Religieuze Echtscheiding

(…)

Het type van de echtscheiding: Religieuze echtscheiding, afstoten eerste beurt

De autoriteit voor het uitvaardigen van een lokaal echtscheidingsbeschikking; Rechtbank Den Haag, Nederland (…)

Echtscheidingsbeschikking: 12 augustus 2021, (…) Nummer: C/09/606595/FA-RK 21-577

(…)

Gegevens van de echtscheidingsgever (man)

(…) [de man] (…)

Gegevens van de echtscheidingsnemer (vrouw):

(…) [de vrouw] (…)

Beschrijving van de scheiding:

Hierdoor wordt het optreden van echtscheiding tussen het in dit document genoemde echtpaar volgens afstoten verklaard. Het is te vermelden dat mevrouw [de vrouw] van duizend munten van haar bruidsgave, die duizenddriehonderd vierenvijftig hele Bahar Azadi-munten, afgezien, voor de instemming van haar man met de echtscheiding. Zij eist de rest van de bruidsgave die driehonderdvierenvijftig hele Bahar Azadi-munten is. Mevrouw [de vrouw] zal beslissen over hoe en wanneer de rest van de bruidsgave geïnd moet worden.

Eerste getuige:

(….)

Tweede getuige:

(…)

Religieuze echtscheiding werd voltrokken door aan alle geldige voorwaarden te voldoen. (…)

De plaats van uitvoering van de religieuze echtscheiding: Stad: [plaats 4] , Land: Nederland

(….)

De voor- en achternaam van de uitvoerder van de religieuze echtscheiding, [iman] , de iman van het Sadeghieh Cultureel Centrum en leraar islamitische wetenschappen, en adviseur voor religieuze zaken, nationaliteit: Nederlandse (…)”

2.9.. Bij brief van 26 maart 2025 heeft de vrouw de man gesommeerd om binnen vijftien dagen na bezorging van deze brief 353 volle (1) gouden Bahar-e Azadi munten aan haar over te dragen dan wel de waarde daarvan in euro’s à € 275.445,00 aan haar te vergoeden.

2.10.. De man heeft de bruidsgave niet aan de vrouw voldaan.

2.11.. De man ontvangt een WIA-uitkering van laatstelijk € 1.489,09 netto per maand.

2.12.. De vrouw heeft de Iraanse nationaliteit. De man heeft in elk geval de Iraakse nationaliteit en inmiddels ook de Nederlandse nationaliteit.

3. Het geschil

In conventie

3.1.. De vrouw vordert – samengevat – dat de rechtbank de man bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeelt om binnen vier weken na betekening van dit vonnis 353 volledige Bahar-e Azadi gouden munten aan de vrouw te overhandigen, of een equivalent daarvan in euro’s ter hoogte van € 275.445,00, aan de vrouw te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente, alsmede de man veroordeelt tot betaling van € 3.814,19 aan buitengerechtelijke incassokosten, met veroordeling van de man in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis.

3.2.. De man voert verweer. De man concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de vrouw, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de vrouw, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.

3.3..

De man betwist dat de vrouw aanspraak kan maken op betaling van de bruidsgave. Hij voert onder meer tot verweer dat de vrouw niet de huwelijksakte heeft overgelegd waaruit de aanspraak op de door haar gestelde bruidsgave blijkt. De man legt het echtscheidingsconvenant over. Hij beroept zich op het echtscheidingsconve-nant en de daarin opgenomen finale kwijting. De bruidsgave is daarin meegenomen. Als de vrouw de aanspraak op de bruidsgave heeft verzwegen, heeft zij deze aan de man verbeurd. Als finale kwijting toch niet ziet op de bruidsgave omdat dit een aanspraak sui generis is, kan dit uitsluitend zien op de Syrische voorwaarden.

De man stelt dat de status van het Iraanse huwelijk onduidelijk is. Een eventueel Iraanse voorwaarde geldt dan als een gewone overeenkomst die, indien zij nog bestaat, hetgeen de man betwist, onder het Nederlandse huwelijksvermogensrecht valt en geraakt wordt door het finale kwijtingsbeding.

De vordering tot nakoming van de bruidsgave is volgens de man inmiddels verjaard.

Hij beroept zich verder op artikel 22 van de Iraanse wet op de gezinsbescherming (2012). Dit artikel verplicht de rechter de draagkracht van de man mee te wegen. De man kan de vordering van de vrouw onmogelijk voldoen: hij ontvangt een WIA-uitkering. Daarom moet de vordering worden afgewezen dan wel gematigd of uitgesteld tot hetgeen de man gelet op zijn daagkracht redelijkerwijs kan voldoen.

In reconventie

3.4.. In reconventie vordert de man de vrouw te veroordelen in de proces- en nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.

3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

In conventie en in reconventie

Rechtsmacht

4.1.. Partijen wonen beiden in Nederland. Tussen hen is niet in geschil dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om van de bij dagvaarding ingeleide vordering van de vrouw tot betaling van de bruidsgave kennis te nemen. De rechtbank is ook van oordeel dat de Nederlandse rechter bevoegd is daarover te oordelen.

Toepasselijk recht

4.2.. De vrouw vordert (naar inmiddels genoegzaam is gebleken en de man ook heeft begrepen) betaling van de bruidsgave op grond van het Iraanse huwelijk (zie 2.2). Bij het Syrische huwelijk is immers niet overeengekomen dat de man aan de vrouw een bruidsgave van hele gouden Bahar-e Azadi munten zal overhandigen. Beide partijen zijn het er over eens dat de vordering van de vrouw moet worden beoordeeld naar Iraans recht. De rechtbank deelt dat standpunt. Zij licht dat als volgt toe.

4.3..

Om te bepalen welk recht op de bruidsgave van toepassing is volgens het Nederlands internationaal privaatrecht moet deze eerst worden gekwalificeerd. Daarvoor is het volgende van belang. De bruidsgave vormt een essentieel onderdeel van het huwelijk in Iran. De wettelijke regeling van de Iraanse bruidsgave is te vinden in art. 1078 t/m 1101 Iraans BW. De bruidsgave betreft een overeenkomst waarbij de man in het kader van de huwelijksvoltrekking zich ertoe verbindt om een geldbedrag, een bepaalde hoeveelheid goud of iets anders van waarde aan de vrouw te geven. De aard en omvang van de bruidsgave kunnen partijen zelf bepalen. De bruidsgave is geen vereiste voor een rechtsgeldig huwelijk. Als partijen hebben nagelaten om afspraken te maken over de bruidsgave, is de vrouw gerechtigd tot een redelijke bruidsgave.

De bruidsgave wordt doorgaans vermeld in de huwelijksakte. De bruidsgave is een exclusief recht van de vrouw. Zij is vanaf de huwelijksvoltrekking eigenaar van de bruidsgave en kan deze van de man opeisen. In de praktijk wordt een bruidsgave doorgaans niet opgeëist tijdens het huwelijk. Partijen kunnen ook afspreken dat een (beperkt) deel van de bruidsgave bij de huwelijksvoltrekking wordt voldaan en het resterende deel wordt uitgesteld tot het einde van het huwelijk. De bruidsgave dient (mede) als financieel vangnet voor de vrouw in geval van echtscheiding. Dit moet worden gezien in het licht van het wettelijke stelsel van algehele scheiding van goederen (behoudens andersluidende afspraken) en het (nagenoeg) ontbreken van een wettelijke aanspraak op levensonderhoud na echtscheiding voor de vrouw.

4.4.. Het Nederlandse rechtssysteem kent de bruidsgave niet. De bruidsgave wordt in Nederland gekwalificeerd als een rechtsfiguur sui generis(een eigensoortige rechtsfiguur), die niet valt binnen één van de bestaande IPR-verwijzingscategorieën, zoals alimentatie of huwelijksvermogensrecht. Omdat de bruidsgave onlosmakelijk met het huwelijk verbonden is, ligt inbedding in het huwelijksrecht voor de hand.De rechtbank gaat er daarom vanuit dat op de bruidsgave het recht van toepassing is volgens welke het huwelijk is gesloten. In dit geval is dat Iraans recht. De vordering van de vrouw tot betaling van de bruidsgave wordt daarom beoordeeld naar Iraans recht. Deze uitkomst strookt met de basisgedachte binnen het conflictenrecht om een rechtsverhouding onder te brengen bij het recht dat het nauwst is betrokken bij die rechtsverhouding.

Inhoudelijke beoordeling

4.5.. Op de mondelinge behandeling van 24 september 2025 is met partijen besproken het voornemen van de rechtbank om advies te vragen aan het Internationaal Juridisch Instituut te Den Haag (hierna: het IJI) in verband met de omstandigheid dat de Nederlandse rechtspraak in toenemende mate wordt geconfronteerd met de bruidsgave, in het bijzonder de Iraanse variant, en de daaraan verbonden juridische complicaties, die zich ook in deze zaak voordoen. In Iran worden nogal eens exorbitant hoge bruidsgave afspraken gemaakt, en de Iraanse echtscheidingsregeling en praktijk wijken (aanzienlijk) af van de Nederlandse praktijk.Hierdoor ontstaan regelmatig problematische situaties. De rechtbank ziet er bij nader inzien vanaf advies aan het IJI te vragen, nu de vordering van de vrouw op een voorliggend punt afstuit. De rechtbank motiveert dit oordeel als volgt.

4.6.. De vrouw vordert betaling van de bruidsgave op grond van het Iraanse huwelijk (zie 2.2). Dit huwelijk is niet in de GBA geregistreerd. De status van het Iraanse huwelijk in Nederland is onduidelijk. Als het Iraanse huwelijk in Nederland niet als rechtsgeldig kan worden erkend, dan kan de vrouw ook niet de in de huwelijksakte van dat huwelijk opgenomen bruidsgave vorderen. Immers, als een huwelijk in Nederland niet rechtsgeldig is, kunnen hier aan dat huwelijk geen rechten worden ontleend. De bruidsgave is onlosmakelijk met het Iraanse huwelijk verbonden.

4.7.. Of het Iraanse huwelijk in Nederland kan worden erkend is een beslissing die (uiteindelijk) aan de familierechter is voorbehouden. Er loopt op dit moment geen procedure; gesteld noch gebleken is dat partijen of één van hen voornemens is/zijn om een dergelijke procedure te starten. Het had op de weg van de vrouw gelegen om over de status van het Iraanse huwelijk in Nederland duidelijkheid te verschaffen. Bij deze stand van zaken wordt haar vordering tot betaling van de bruidsgave afgewezen.

4.8.. Hieraan voegt de rechtbank, ten overvloede, het volgende toe. De rechtbank acht niet uitgesloten dat een familierechter, als daartoe een verzoekschrift wordt ingediend, zal oordelen dat erkenning van het Iraanse huwelijk in dit bijzondere geval in strijd komt met de openbare orde, zoals bedoeld in artikel 10:32 van het Burgerlijk Wetboek. Immers, partijen hebben het Iraanse huwelijk in Nederland niet bij de bevoegde autoriteiten gemeld. Partijen hebben zich weliswaar al die jaren in de Nederlandse rechtssfeer gedragen als waren zij met elkaar gehuwd, maar dan op basis van het Syrische huwelijk. Het Syrische huwelijk hebben partijen hier wel laten registreren. Het Syrische huwelijk is inmiddels al jaren geleden ontbonden, door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van een door een Nederlandse rechter uitgesproken echtscheiding (zie 2.7). Erkenning van het Iraanse huwelijk zou betekenen dat partijen in Nederland nog steeds als met elkaar gehuwd moeten worden aangemerkt, terwijl zij hier al jaren als van elkaar gescheiden staan geregistreerd.

4.9.. Alle overige verweren behoeven geen bespreking meer.

Proceskosten

4.10.. Aangezien partijen (voormalige) echtelieden zijn, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten zal dragen.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie:

5.1.. wijst het gevorderde af,

5.2.. bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Alt-van Endt en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.

Vgl. Hof Den Haag 18 juni 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:1153, r.o. 6.1.

Ontleend aan par. 3.3 van de conclusie van A-G mr. Ibili van 22 mei 2026, ECLI:NL:PHR:2026:509.

Noot Th.M. de Boer onder Hof Arnhem-Leeuwarden 7 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2188HR, NJ 2020/22, par. 3.

Conclusie A-G mr. Ibili van 22 mei 2026, ECLI:NL:PHR:2026:509.

More Decisions