Skip to main content

ECLI:NL:RBDHA:2026:17384

Court

Den Haag

Date

27 May 2026

Language

nl

Case Summary

Legal Issue

Civiel recht; Personen- en familierecht

Holding / Outcome

Uitspraak

Den Haag

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 26-3596

Zaaknummer: C/09/703127

Datum beschikking: 27 mei 2026Vervangende toestemming inschrijving basisschool

Beschikking op het op 10 april 2026 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,

wonende te op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. L. Rijsdam te Leiden.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

het verzoekschrift;

de brief van de vader van 6 mei 2026, met bijlagen;

het F9-bericht van de moeder van 7 mei 2026, met bijlagen.

Door de vader is – naast zijn brief met producties – een schriftelijke toelichting ingediend. De vader heeft hierbij expliciet aangegeven dat dit geen verweerschrift betreft. Echter, gelet op de inhoud merkt de rechtbank het alsnog aan als een verweerschrift. Uit artikel 3.2 van het Procesreglement Gezag en Omgang volgt dat een verweerschrift enkel met tussenkomt van een advocaat kan worden ingediend. De rechtbank laat daarom dit stuk buiten beschouwing.

Op 13 mei 2026 is de zaak op een zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

de vader;

[naam] namens de Raad.

Verzoek en verweer

De moeder heeft in het kader van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) verzocht om toestemming te verlenen, die de toestemming van de vader vervangt, om [de minderjarige] aan te melden en in te schrijven op de openbare basisschool ‘ [basisschool 1] ’, gevestigd aan de [adres] .

De vader heeft mondeling verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

  • Partijen zijn gehuwd op 25 januari 2022 te Leiden.

  • Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:

  • [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] .

  • Partijen oefenen van rechtswege het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit.

  • Bij beschikking van deze rechtbank van 18 maart 2026 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en is – voor zover van belang – het door partijen overeengekomen ouderschapsplan aangehecht aan de beschikking. Hierin zijn partijen onder meer overeengekomen dat:

­ de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder is;

­ tussen de vader en [de minderjarige] een zorgregeling geldt, waarbij [de minderjarige] de ene week van donderdag 14.00 uur tot zaterdag 10.00 uur bij de vader is en de andere week van donderdag 14.00 uur tot zaterdag 18.00 uur;

­ [de minderjarige] onderwijs zal volgen op een openbare, niet-confessionele school en dat de keuze van de school en eventuele wijzigingen in het schooltype gezamenlijk door de ouders worden bepaald;

­ alle belangrijke zaken betreffende [de minderjarige] , zoals schoolkeuze, worden uitsluitend na overleg tussen de ouders en schriftelijke goedkeuring geregeld.

  • De echtscheiding is – voor zover bekend – nog niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Beoordeling

Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, leidt de rechtbank het volgende af. Tussen partijen is in maart van dit jaar de echtscheiding uitgesproken. Hoewel zij er in zijn geslaagd om bij hun echtscheiding tot een ouderschapsplan te komen, blijkt dat de communicatie over [de minderjarige] in de praktijk regelmatig moeizaam verloopt. De hulpverlening die partijen daarbij zijn aangegaan (via het Sociaal Wijkteam en Cardea), zijn tot nu toe onvoldoende van de grond gekomen. Het lukt de ouders niet goed om tot afspraken te komen, waaronder ten aanzien van de keuze voor een basisschool.

De moeder verzoekt daarom nu vervangende toestemming voor de inschrijving van [de minderjarige] op de basisschool ‘ [basisschool 1] ’ in [plaats] . Vanwege het inschrijvingsbeleid in de gemeente [plaats] is het noodzakelijk om [de minderjarige] nu in te schrijven, zodat zij na haar vierde verjaardag op een passende basisschool kan starten. De moeder heeft in februari 2026 via Whatsapp drie basisscholen aan de vader voorgelegd. In reactie hierop heeft de vader aangegeven dat hij in ieder geval twee van de basisscholen goede scholen vindt en dat hij over een derde graag meer zou willen weten. De moeder heeft [de minderjarige] vervolgens aangemeld bij één van de drie genoemde basisscholen: de basisschool [basisschool 1] . Dit was één van de twee scholen die vader als goed bestempelde. De vader heeft vervolgens geweigerd de benodigde inschrijvingsformulieren te ondertekenen.

Voor de vader is de keuze voor een basisschool bij uitstek een onderwerp dat de ouders bij het traject ouderschapsbemiddeling bij Cardea hadden moeten bespreken, maar de moeder weigerde dit, tenzij er tijdens het gesprek een handtekening zou worden gezet. Volgens de vader hadden partijen al eerder overeenstemming dat [de minderjarige] naar de basisschool [basisschool 2] zou gaan. Hier gaat haar oudere halfbroer (van vaders zijde) ook naar school en [de minderjarige] was hier al ingeschreven, zo volgt uit de e-mail van de school van 13 februari 2026. De moeder stemt alsnog niet in met deze school, omdat het een katholieke basisschool is, terwijl partijen in het ouderschapsplan expliciet zijn overeengekomen dat [de minderjarige] naar een niet-confessionele school zal gaan.

De rechtbank overweegt als volgt. Bij het nemen van een beslissing stelt de rechtbank het belang van [de minderjarige] voorop. Naar oordeel van de rechtbank is [de minderjarige] nu het meest gebaat bij de inschrijving op de [basisschool 1] -school. Mogelijkheden tot (een andere) inschrijving op een school in de woonplaats van [de minderjarige] zijn op dit tijdstip, waarbij [de minderjarige] volgend schooljaar naar school zal gaan, erg beperkt. Bovendien is de [basisschool 1] -school een school waar beide ouders inhoudelijk tevreden over zijn. Verder laat de rechtbank zwaar meewegen dat de ouders in het ouderschapsplan expliciet zijn overeengekomen dat [de minderjarige] naar een basisschool zonder gelovige inslag zal gaan, hetgeen de [basisschool 1] -school ook is. De [basisschool 2] -school, die de vader als enige alternatief noemt, is dat niet.

De rechtbank heeft gehoord dat de vader een logistiek probleem ziet in de keuze voor de [basisschool 1] -school. De oudere zoon van de vader uit een eerdere relatie gaat naar de [basisschool 2] , waardoor hij bij een keuze voor [basisschool 1] -school voor [de minderjarige] , beide kinderen naar verschillende scholen moet brengen. Afgewogen tegen het belang van [de minderjarige] moet dit praktische belang van de vader echter wijken. Daarbij speelt ook mee dat dit zich alleen op donderdagmiddag en vrijdag zal voordoen en bovendien een fietsroute via de andere school goed mogelijk is. Verder is de [basisschool 2] -school dichtbij de woning van de vader en zal zijn zoon op afzienbare termijn alleen naar school respectievelijk naar huis kunnen gaan.

De rechtbank zal daarom het verzoek van de moeder toewijzen. Daarbij wijst zij de moeder er wel op dat haar handelswijze in deze, waarbij zij zonder instemming van de vader [de minderjarige] heeft ingeschreven op de [basisschool 1] -school, niet de juiste is geweest. Zij heeft daarmee de vader – en de rechtbank – voor een voldongen feit gesteld. De vader heeft mede gezag over [de minderjarige] en dat betekent dat beslissingen door ouders sámen genomen moeten worden. De moeder zal in het vervolg de vader dan ook direct en actief moeten betrekken bij beslissingen over [de minderjarige] en pas kunnen handelen op het moment dat zij hierover daadwerkelijk overeenstemming hebben bereikt. Om vergelijkbare situaties in de toekomst te voorkomen is op de zitting met partijen besproken dat zij zich opnieuw zullen wenden tot het Sociaal Wijkteam voor hulpverlening. De rechtbank kan begrijpen dat de moeder geen doorverwijzing naar (uiteindelijk) Cardea wenst, omdat de vader voor Cardea werkzaam is.

Uitvoerbaarverklaring bij voorraad

De rechtbank zal deze beslissing ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zodat – ongeacht een door een van de ouders in te stellen hoger beroep – de inschrijving van [de minderjarige] op de basisschool [basisschool 1] kan plaatsvinden.

Beslissing

De rechtbank:

verleent toestemming aan de moeder – welke de toestemming van de vader vervangt – om de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [plaats] , in te schrijven op de basisschool [basisschool 1] te [adres] ;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, in samenwerking met mr. S.B. Boekema als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2026.

More Decisions